CConstaterende datDeventer
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-912 Bijlage B2 Archeologisch bureauonderzoek

Raadsvergadering 26 februari 2025, gemeente DeventerBij agendapunt: Positief bindend advies voor het verlenen van de omgevingsvergunning-BOPA 1e fase voor het Kindcentrum (w.o. basisschool Sancta Maria) Sportweg 1 in Lettele10.866 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

-

Wat is de aard, datering en omvang van de eventuele verwachte archeologische resten? Op basis van fysisch geografische context geldt in beide deelgebieden (hoofdzakelijk) een hoge verwachting voor archeologische resten uit de prehistorie t/m vroege middeleeuwen (zie 2.1). Sporen daarvan kunnen wijzen op bewoning (erven, akkers, grafvelden). Op basis van fysisch geografische context geldt in beide deelgebieden (hoofdzakelijk) een hoge verwachting voor archeologische resten uit de prehistorie t/m vroege middeleeuwen (zie 2.1). Sporen daarvan kunnen wijzen op bewoning (erven, akkers, grafvelden). Archeologische resten uit de navolgende perioden zijn niet zondermeer uit te sluiten en kunnen bijvoorbeeld wijzen op (lokale) ontginningsactiviteiten.

-

Wat is de verstoringsgraad van beide deelgebieden? Binnen beide deelgebieden is sprake van diverse lokale verstoringen die zich vooral rond de velden concentreren. Allereerst is sprake van verstoring door de aanleg van kabels en leidingen. Bij de aanleg van kabels en leidingen kan lokale verstoring tot ca. 1,0 m -mv. hebben plaatsgevonden. Tijdens het inzaaien/aanleggen van de sportvelden in de deelgebieden heeft vermoedelijk ook tot beperkte diepte verstoring plaatsgevonden. Het is niet bekend of onder de sportvelden nog andere elementen aanwezig zijn (zoals drainage of beregeningssystemen). Indien hiervan sprake is, kan de aanleg lokaal diepere verstoringen hebben veroorzaakt. In het zuidelijke deelgebied is ook nog sprake van twee structuren: een zendmastgebouw en een bijgebouw. Bij de aanleg hiervan kan ook lokale verstoring hebben opgetreden. In algemene zin geldt dat zich vooral aan de randen van de velden mogelijk beperkte verstoringen bevinden. Of ook onder de velden sprake is van diepere verstoringen kan alleen doormiddel van booronderzoek worden vastgesteld.

24

-

Wat zijn de consequenties van de ingreep voor de eventuele archeologische resten in beide deelgebieden? Uit het bureauonderzoek is gebleken dat in beide deelgebieden sprake kan zijn van een complexe fysisch geografische detailsituatie (associatie van stuifzanden en hoge dekzandgronden, al dan niet met een restant van een plaggendek). De daadwerkelijke fysisch geografische context in de deelgebieden is in sterke mate bepalend voor de archeologische verwachting en de intactheid van eventueel aanwezige archeologische resten. Ook zal de daadwerkelijke fysisch geografische context in de deelgebieden in sterke mate bepalend zijn voor de diepteligging en conservering van eventueel aanwezige archeologische niveaus. Maaivelddieptes van het archeologisch bodemarchief kunnen op korte afstand sterk fluctueren. Op het moment van schrijven is sprake van drie varianten studies, waarbij wordt gekeken welk scenario de voorkeur geniet. Op dit moment ontbreken verdere, concrete bouw- en funderingstekeningen nog. In alle drie de varianten is min of meer sprake van dezelfde uitgangspunten (zie 1.4.3). Naar verwachting leidt de realisatie van het schoolcomplex met het vernieuwde sportveld A). tot nagenoeg vlakdekkende verstoring van de aangewezen terreinen of B).

in ieder geval tot grootschalige verstoringen, waarbij de vrijstellingsgrenzen van de ter plaatse geldende archeologische beleidswaarden worden overschreden. In het noordelijk deelgebied (deelgebied 1) is sprake van een maximale verstoring van ca. 8.795 m2. In het zuidelijke deelgebied is sprake van een maximale verstoring van ca. 12.389 m2. In totaal zal sprake zijn van een maximale verstoring van ca. 21.184 m2. Aangezien voorziene bodemingrepen de vrijstellingsgrenzen overschrijden, dient archeologisch (vervolg)onderzoek plaats te vinden. Geadviseerd wordt om voorafgaand aan de werkzaamheden een inventariserend booronderzoek uit te voeren. Het verkennend booronderzoek is nadrukkelijk niet bedoeld om vindplaatsen te lokaliseren, maar bedoeld om landschapsvormen (met bijhorende archeologische verwachtingen) te begrenzen én om dieptes en intactheid van archeologische niveaus vast te stellen. De resultaten van het verkennend booronderzoek kunnen aanleiding zijn voor aanvullend archeologisch onderzoek (bijvoorbeeld een proefsleuvenonderzoek). Indien dit het geval is, kunnen de resultaten ook gebruikt worden om kaders te stellen bij de verdere werkzaamheden, zodat de inzet van archeologisch (vervolg)onderzoek zoveel mogelijk beperkt kan blijven.

Eveneens kunnen de resultaten van een verkennend booronderzoek aanleiding geve n voor het bevoegd gezag om het gebied middels een selectiebesluit vrij te geven.

3.2

Samenvatting

Dit bureauonderzoek is uitgevoerd in het kader van het verplaatsen van de basisschool van Lettele. Hiermee zullen diverse bodemingrepen gepaard gaan. In het kader hiervan zijn twee zoeklocaties aan de Sportweg te Lettele aangewezen (hierna deelgebied 1 en deelgebied 2). In beide deelgebieden geldt (hoofdzakelijk) een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Voorziene bodemingrepen (zie 1.4.3) overschrijden de vrijstellingsgrenzen van deze dubbelbestemming. Zodoende is dit bureauonderzoek, de eerste stap in het archeologisch onderzoeksproces. De vraagstelling van het onderzoek luidt als volgt: wat is de archeologische verwachting van beide deelgebieden en is archeologisch onderzoek voorafgaand aan de voorgenomen ingreep noodzakelijk? Het onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek zoals omschreven in de richtlijnen van protocol 4002 Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4.1. In deze bureaustudie wordt een beeld gegeven van de archeologische resten die in en om beide deelgebieden worden verwacht. Daarvoor zijn diverse bronnen geraadpleegd (zie Bureauonderzoek). Om een beeld te krijgen van de archeologische vindplaatsen en historische elementen in de omgeving, evenals de archeologische verwachting, zijn de digitale archeologische verwachtingskaart van de gemeente (2015, definitieve versie) en de projectenkaart van de gemeente Deventer geraadpleegd.

30 Voor de aardwetenschappelijke situatie is de geomorfologische kaart geraadpleegd. Om de historische situatie te schetsen zijn diverse historische kaarten bestudeerd: de Hottingerkaart (1773 – 1794), de kadastrale kaart van 1832 en jonger topografisch kaartmateriaal. Om een beeld te krijgen van de hoogteligging van beide 30 In de projectenkaart zijn alle bekende archeologische onderzoeken, waarnemingen en vondsten opgenomen, inclusief

de (opgeschoonde en ontdubbelde) gegevens uit ARCHIS.

25

deelgebieden is het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) geraadpleegd. Al deze gegevens zijn gebruikt om tot een gespecificeerde archeologische verwachting te komen. Op de geomorfologische kaart van de gemeente Deventer liggen beide deelgebieden hoofdzakelijk op een hoge dekzandduin met plaggendek. Daarnaast ligt een kleine zone in het zuidwesten van deelgebied 2 op een fluviatiele terrasrest met (oud) dekzand (en deels met een plaggendek). Hoge dekzandduinen met plaggendek worden gekenmerkt door bewoningsresten vanaf de Steentijd en kennen zodoende een hoge archeologische verwachting. Een plaggendek ter plaatse is een aanwijzing dat het gebied de laatste eeuwen (en mogelijk daarvoor) aantrekkelijk was voor landbouw. Fluviatiele terrasresten met (oud) dekzand behoren tot de natte, lage terreindelen die doorgaans ongeschikt waren voor bewoning en kennen zodoende een lage archeologische verwachting. Indien een plaggendek aanwezig is geldt dit eveneens als aanwijzing dat het gebied de laatste eeuwen (en mogelijk eerder) aantrekkelijk was voor landbouw. In dat geval geldt een middelmatige archeologische verwachting i.p.v. een lage archeologische verwachting. Een AHN-analyse en historisch kaartmateriaal geven aanleiding om in beide deelgebieden rekening te houden met een associatie van stuifzanden en hoge dekzandgronden.

Indien hiervan sprake is kan dit enerzijds betekenen dat er sprake is van (door stuifzand) begraven archeologische sporenniveaus. Anderzijds kan dit betekenen dat (ten dele) sprake is van verstoven en daardoor verstoorde archeologische niveaus. Daarnaast (of als gevolg daarvan) lijken beide deelgebieden tot het midden van de 19 de eeuw niet ontgonnen te zijn. In hoeverre zodoende daadwerkelijk sprake is van een (dik) plaggendek is niet duidelijk. Daartegenover staat wel dat bij archeologisch onderzoek nabij beide deelgebieden wel (restanten van dunne) plaggendekken zijn aangetroffen. Zowel (op bewoningsniveaus afgezet) stuifzand als plaggendekken kunnen fungeren als afdekkende en conserverende laag, waardoor eventueel ondergelegen archeologische resten minder kwetsbaar zijn (geweest) voor bodemingrepen. Omdat mogelijk sprake is van een complexe fysisch geografische situatie is in het bureauonderzoek niet nauwkeurig te bepalen wat de diepteligging van eventuele archeologische niveaus is en in welke mate deze zijn afgedekt. Beide deelgebieden kennen geen bekende vindplaatsen op basis van archeologisch onderzoek in de omgeving of historische bronnen. Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat beide deelgebieden tot ca. 1832 onderdeel uitmaakt van een onontgonnen heidegebied. In de loop van de 19de eeuw lijken beide deelgebeiden langzaam ontgonnen te worden.

Hierbij wordt het gebied langzaamaan getransformeerd tot gedeeltelijk landbouwgrond en bosschage. Binnen beide deelgebieden is sprake van diverse lokale verstoringen die waarschijnlijk vooral aan de randen van de sportvelden te vinden zijn. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat in beide deelgebieden sprake kan zijn van een complexe fysisch geografische detailsituatie (associatie van stuifzanden en hoge dekzandgronden, al dan niet met een restant van een plaggendek). De daadwerkelijke fysisch geografische context in de deelgebieden is in sterke mate bepalend voor de archeologische verwachting en de intactheid van eventueel aanwezige archeologische resten. Ook zal de daadwerkelijke fysisch geografische context in de deelgebieden in sterke mate bepalend zijn voor de diepteligging en conservering van eventueel aanwezige archeologische niveaus. Maaivelddieptes van het archeologisch bodemarchief kunnen op korte afstand sterk fluctueren. Op het moment van schrijven is sprake van drie varianten studies. Naar verwachting is bij alle drie de varianten sprake van bodemingrepen die de vrijstellingsgrenzen overschrijden en dus is vervolgonderzoek nodig. Geadviseerd wordt om voorafgaand aan de werkzaamheden een inventariserend booronderzoek uit te voeren.

Het verkennend booronderzoek is nadrukkelijk niet bedoeld om vindplaatsen te lokaliseren, maar bedoeld om landschapsvormen (met bijhorende archeologische verwachtingen) te begrenzen én om dieptes en intactheid van archeologische niveaus vast te stellen. De resultaten van het verkennend booronderzoek kunnen aanleiding voor aanvullend archeologisch onderzoek (bijvoorbeeld een proefsleuvenonderzoek). Indien dit het geval is, kunnen de resultaten ook gebruikt worden om kaders te stellen bij de verdere werkzaamheden, zodat de inzet van archeologisch (vervolg)onderzoek zoveel mogelijk beperkt kan blijven. Eveneens kunnen de resultaten van een verkennend booronderzoek aanleiding geven voor het bevoegd gezag om het gebied middels een selectiebesluit vrij te geven. Essentieel is wel dat de boringen worden doorgezet tot voldoende diepte om ook eventuele overstoven bodemlagen op te sporen.

3.3

Selectieadvies

Geadviseerd wordt om voorafgaand aan de werkzaamheden een inventariserend booronderzoek uit te voeren. Het verkennend booronderzoek is nadrukkelijk niet bedoeld om vindplaatsen te lokaliseren, maar bedoeld om 26

landschapsvormen (met bijhorende archeologische verwachtingen) te begrenzen én om dieptes en intactheid van archeologische niveaus vast te stellen. De resultaten van het verkennend booronderzoek kunnen aanleiding voor aanvullend archeologisch onderzoek (bijvoorbeeld een proefsleuvenonderzoek). Indien dit het geval is, kunnen de resultaten ook gebruikt worden om kaders te stellen bij de verdere werkzaamheden, zodat de inzet van archeologisch (vervolg)onderzoek zoveel mogelijk beperkt kan blijven. Eveneens kunnen de resultaten van een verkennend booronderzoek aanleiding geven voor het bevoegd gezag om het gebied middels een selectiebesluit vrij te geven.

3.4

Selectiebesluit

Het selectieadvies op basis van dit bureauonderzoek is voorgelegd aan de bevoegde overheid (gemeente Deventer) ter goedkeuring. Deze is bevoegd het selectieadvies om te zetten in een selectiebesluit en voorwaarden aan de omgevingsvergunning te verbinden. Door middel van ondertekening van het voorblad van dit document is het selectieadvies uit par. 3.3 overgenomen in het selectiebesluit. Op basis van dit besluit kunnen de onder par. 3.5 genoemde voorwaarden aan de omgevingsvergunning verbonden.

3.5

Voorwaarden bij de vergunning

Voorgesteld wordt om de volgende voorwaarde te verbinden aan de omgevingsvergunning: Voorafgaand aan de werkzaamheden in de onderzoeks- en meldingsplichtige zones . dient een verkennend booronderzoek uitgevoerd te worden. Middels een dergelijk onderzoek wordt inzicht verkregen in de bodemopbouw en kunnen bovendien archeologische verwachtingen getoetst worden. Het aanbevolen booronderzoek dient uitsluitsel te geven over de archeologische eisen die aan de verdere werkzaamheden gesteld worden. Het (archeologisch) verkennend booronderzoek dient te worden uitgevoerd door een bedrijf of instelling, beschikkend over het certificaat BRL SIKB – Protocol 4003.

3.6

Kosten

De kosten van verder archeologisch onderzoek en de uitwerking hiervan zijn voor rekening van de initiatiefnemer.

27

4

LITERATUUR EN BRONNEN

4.1

Literatuur

Aarnink, G., G. Ehren & G. Huis in ’t Velde: Jubileum uitgave V.V. Lettele. Opgericht 12 aug. 1932., Lettele. Cohen, K.M., Stouthamer, E., Hoek, W.Z., Berendsen, H.J.A. & Kempen, H.F.J., 2009. Zand in Banen Zanddieptekaarten van het Rivierengebied en het IJsseldal in de provincies Gelderland en OverIJssel, Arnhem. Cohen, K.M., W.H.J. Toonen & H.J.T. Weerts 2016. Overstromingen van de Rijn gedurende het Holoceen. Relevantie van de grootste overstromingen voor archeologie van het Nederlandse rivierengebied (Deltares rapport 1209091). Diependaal, S., 2016. Archeologische opgraving Kapelweide te Lettele in de gemeente Deventer (rapportnummer 1688.001), Doetninchem. Keunen, L., 2012. Groot Koerkamp, in: E.I., Schuurman. Plangebied Bathmenseweg te Lettele, gemeente Deventer. Archeologisch vooronderzoek. Een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven) (RAAPRAPPORT 2530), Weesp. Makaske B., G.J. Maas & D.G. van Smeerdijk, 2008. The age and origin of the Gelderse IJssel, in: Netherlands Journal of Geosciences, 87-4, 323 – 337 Mittendorff, E., 2014. De Kapel op Koerkamps Hoek. Waardestellend archeologisch onderzoek naar de voormalige RK-kapel te Lettele, gemeente Deventer (Interne Raportages Archeologie Deventer (IRAD), 74), Deventer. Overmeer, A., E.S. Mittendorff & B. Vermeulen, 2018. Werken aan Water.

Uitwerking van de scheepswrakken Deventer 5 en 6 en overige sporen in Risicozone B in het project Ruimte voor de Rivier (project 543) (Interne Rapportages Archeologie Deventer 114), Deventer. Schuurman, E.I., 2012. Plangebied Bathmenseweg te Lettele, gemeente Deventer. Archeologisch vooronderzoek. Een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven) (RAAP-RAPPORT 2530), Weesp. Vermeulen, B., 2014. Het begraven oorlogsverleden van Deventer. Een archeologisch verwachtingsmodel voor sporen uit de Tweede Wereldoorlog (Interne Rapportages Archeologie Deventer (IRAD) 64), Deventer. Vermeulen, B., 2015. Onderbouwing vrijstellingsgrenzen Archeologie. Van verwachting naar beleid. (Interne Rapportages Archeologie Deventer 74), Deventer. Willemse, N.W., L.J. Keunen, L.M.P. van Meijel & T. Bouma, 2013. …Die plaatsen, welke in de Douwelerkolk verdronken zijn… Fysisch- en historisch-geografische bouwstenen voor een archeologische verwachtingskaart van de gemeente Deventer (RAAP Rapport 2571), Weesp.

4.2

Lijst van kaarten en afbeeldingen

Afb. 1.1: Ligging van de deelgebieden en het onderzoeksgebied .................................................................... 2 Afb. 1.2: Luchtfoto uit 2022 met daarop beide deelgebieden. ........................................................................... 3 Afb. 1.3: Deelgebieden met bijhorende kabels en leidingen. ............................................................................ 5 Afb. 1.4 Deelgebieden op de munitierisico-kaart van de gemeente Deventer (2014). ..................................... 6 Afb. 2.1: Deelgebieden op de geomorfologische kaart van de gemeente Deventer. ...................................... 10 Afb. 2.2: Deelgebieden op het AHN, hierop is het opvallende microreliëf ten oosten van de deelgebieden duidelijk weergegeven. .................................................................................................................................... 11 Afb. 2.3: Deelgebieden op de Hottingerkaart (1773 - 1794) hierop is zichtbaar dat beide deelgebieden nog onontgonnen zijn. ............................................................................................................................................ 13 Afb. 2.4: Deelgebieden op de kadastrale kaart van 1832. Hierop is zichtbaar dat beide gebieden (nog) in een heidegebied lagen dat bij het Linderveld hoorde.

............................................................................................ 14 28

Afb. 2.5: Deelgebieden op topografisch kaartmateriaal uit 1850 (linksboven), 1898 (rechtsboven), 1918 (linksonder) en 1935 (rechtsonder). Hierop is de ontwikkeling van het onontgonnen landschap naar akkers, weilanden en bos te volgen. ............................................................................................................................ 15 Afb. 2.6: Deelgebieden op de Defence Overprints (1945). Op deze kaarten zijn geen duidelijke militaire elementen weergegeven. ................................................................................................................................ 16 Afb. 2.7: Deelgebieden op topografisch kaartmateriaal uit 1962 (linksboven), 1965 (rechtsboven), 1976 (linksonder) en 1988 (rechtsonder). Op deze kaarten is de naoorlogse ontwikelling tot het ontsaan van het sportcomplex te volgen. ................................................................................................................................... 17 Afb. 2.8: Relevante onderzoeken in de directe omgeving van het onderzoeksgebied. .................................. 19 Afb. 2.9: Deelgebieden op de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Deventer. ..................... 20 Afb. 2.10: Deelgebieden op de archeologische beleidskaart van de gemeente Deventer. ............................ 22

4.3

Kaarten:

Hottinger Atlas 1773-1794 Kadastrale kaart van 1832 Topografische kaart 1850; 1898; 1918; 1935; 1962; 1965; 1975; 1988 Topografische kaart van Nederland, schaal 1:25.000

4.4

Websites:

www.ruimtelijkeplannen.nl www.hisgis.nl

29

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15076791/1