2024-912 Bijlage B2 Archeologisch bureauonderzoek
Tekst van het document
archeologie
Bureauonderzoek
Bureauonderzoek P.768 | A. 1274
Sportweg Lettele
www.deventer.nl
Bureauonderzoek
Projectnummer: Project: OMN:
P.768 | A.1274 Sportweg Lettele 5500834100
Auteur(s):
D. Oogink
Datum/paraaf
26-1-2024
Autorisatie Senior Archeoloog
Bart Vermeulen
Datum/paraaf
26-1-2024
Selectiebesluit Bevoegde Overheid
Bart Vermeulen
26-1-2024 Datum/paraaf Versie: concept Archeologie Deventer Postbus 5000 7400 GC Deventer 0570-671155 archeologie@deventer.nl Versienummer documentsjabloon 2.1 – 31-07-2020
Inhoud 1
INLEIDING .................................................................................................................................................. 1 1.1 Administratieve gegevens .................................................................................................................... 1 1.2 Kader, doelstelling en richtlijnen .......................................................................................................... 1 1.3 Deelgebieden en onderzoeksgebied ................................................................................................... 2 1.4 Huidige situatie en omvang en aard verstoring toekomstig gebruik .................................................... 3 1.4.1 Huidige situatie ............................................................................................................................. 3 1.4.2 Verstoringen .................................................................................................................................. 4 1.4.3 Consequenties toekomstig gebruik ............................................................................................... 5 1.4.4 Milieurisico’s en niet-gesprongen explosieven .............................................................................
6 1.5 Werkwijze ............................................................................................................................................. 7
2
BUREAUONDERZOEK ............................................................................................................................. 7 2.1 Geomorfologie ...................................................................................................................................... 7 2.1.1 Geomorfologische kaart ................................................................................................................ 8 2.1.2 Historisch kaartmateriaal en AHN-gegevens ................................................................................ 8 2.2 Bodemkunde ........................................................................................................................................ 9 2.3 Historische situatie .............................................................................................................................11 2.4 Bekende archeologische waarden .....................................................................................................18 2.4.2 Archeologische verwachtingskaart .............................................................................................19 2.4.3 Van verwachting naar beleid.......................................................................................................20
3
CONCLUSIE EN GESPECIFICEERDE ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING ...................................22 3.1 Gespecificeerde verwachting .............................................................................................................22 3.1.1 Prehistorie t/m vroege middeleeuwen ........................................................................................23 3.1.2 Late middeleeuwen en Nieuwe Tijd ............................................................................................23 3.2 Samenvatting .....................................................................................................................................25 3.3 Selectieadvies ....................................................................................................................................26 3.4 Selectiebesluit ....................................................................................................................................27 3.5 Voorwaarden bij de vergunning .........................................................................................................27 3.6 Kosten ................................................................................................................................................27
4
LITERATUUR EN BRONNEN .................................................................................................................28 4.1 Literatuur ............................................................................................................................................28 4.2 Lijst van kaarten en afbeeldingen ......................................................................................................28 4.3 Kaarten: ..............................................................................................................................................29 4.4 Websites: ............................................................................................................................................29
Bureauonderzoek – Archeologie Deventer Projectnummer: P.768 | A. 1274 Projectnaam: Sportweg Lettele
1
INLEIDING
1.1
Administratieve gegevens
Projectnummer Archeologie Deventer Projectnaam: Onderzoeksmeldingsnummer: Opdrachtgever: Contactpersoon opdrachtgever: Uitvoerder onderzoek Bevoegde overheid: Arch. deskundige bevoegde overheid Oppervlakte deelgebied 1: Oppervlakte deelgebied 2: Huidig grondgebruik Globale hoogteligging deelgebied 1: Globale hoogteligging deelgebied 2: Grondwatertrap deelgebied 1: Grondwatertrap deelgebied 2: Locatie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Centrum coördinaten deelgebied 1: Centrum coördinaten deelgebied 2: Kadastraal perceel (beide deelgebieden): Beheer en plaats documentatie:
1.2
P.768 | A. 1274 Sportweg Lettele 5500834100 R. Schutte / H. Meerbeek R. Schutte / H. Meerbeek Archeologie Deventer Gemeente Deventer Drs. B. Vermeulen Ca. 8.795 m² Ca. 12.389 m² Sportterrein (Voetbalveld) 8,08 m + NAP 8,47 m + NAP IVc IVc / VIIo / VIIIo Deventer Lettele Sportweg X: 215.626, Y: 477.397 X: 215.509, Y: 477.257 Gemeente Diepenveen, sectie E, nummers: 3485; 3493; 3772; 3773; 3832; 3833. Archeologie Deventer, na afronding onderzoek DANS-EASY
Kader, doelstelling en richtlijnen
Dit bureauonderzoek is uitgevoerd in het kader van het verplaatsen van een basisschool te Lettele. Hiermee gaan diverse bodemingrepen gepaard. Hiervoor zijn twee zoeklocaties aan de Sportweg te Lettele aangewezen waarbinnen bodemingrepen plaats zullen vinden (hierna deelgebied 1 en deelgebied 2 genoemd). Het vigerend bestemmingsplan ter plaatse is ´Chw bestemmingsplan Deventer, stad en dorpen deel D’. Hierbinnen geldt voor beide deelgebieden een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Daarnaast gelden in deelgebied 2 zones met een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en een zone zonder archeologische dubbelbestemming. Voorziene bodemingrepen (zie 1.4.3) overschrijden de vrijstellingsgrenzen van deze dubbelbestemming zodoende dient bij aanvraag een archeologisch rapport overlegd te worden Op basis van dit rapport kunnen voorwaarden aan de vergunning worden verbonden. Dit bureauonderzoek is de eerste stap in het archeologisch onderzoeksproces. Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting. Op basis van deze verwachting en het gemeentelijke beleid wordt een selectieadvies opgesteld, met eventueel noodzakelijk archeologisch vervolgonderzoek. Dit selectieadvies wordt voorgelegd aan het bevoegde gezag: Gemeente Deventer.
1 De vraagstelling van het bureauonderzoek luidt als volgt: Wat is de archeologische verwachting van beide deelgebieden en is archeologisch onderzoek voorafgaand aan de voorgenomen ingreep noodzakelijk? Met als deelvragen: - Wat is de aard, datering, omvang en diepteligging van de eventuele verwachte archeologische resten? - Wat is de verstoringsgraad van beide deelgebieden? - Wat zijn de consequenties van de ingreep voor de eventuele archeologische resten in beide deelgebieden?
1 SIKB, 2018.
1
1.3
Deelgebieden en onderzoeksgebied
Beide deelgebieden zijn gesitueerd op een sportterrein gelegen aan de noordrand van het dorp Lettele. Het noordelijk deelgebied (deelgebied 1) ligt in de noordoosthoek van het sportterrein. Het zuidelijk deelgebied (deelgebied 2) ligt in de zuidwesthoek van het sportterrein. Deelgebied 1 wordt in het noorden en oosten begrensd door landbouwgrond. In het zuiden en westen wordt deelgebied 1 begrensd door het sportcomplex (voetbal- en hockeyveld en tennisbanen). Deelgebied 2 wordt in het noorden en oosten begrensd door het sportcomplex (bosschage, hoofdgebouw en parkeerterrein). In het zuiden en westen wordt deelgebied 2 begrensd door de Bathmenseweg en de Sportweg (zie Afb. 1.1).
Afb. 1.1: Ligging van de deelgebieden en het onderzoeksgebied
2
1.4 1.4.1
Huidige situatie en omvang en aard verstoring toekomstig gebruik Huidige situatie
Beide deelgebieden zijn gelegen op een sportcomplex aan de noordzijde van Lettele. Voetbalvereniging V.V. Lettele (destijds R.K.L.S.C.) speelt reeds sinds de jaren ’50 van de 20 ste eeuw op de velden ‘achter Café Spikker’ en ook op het trainingsveld op het huidige sportcomplex. In de jaren ’70 van de 20ste eeuw is het sportcomplex gerealiseerd. Sindsdien hebben met name kleine wijzigingen en/of uitbreidingen van het complex plaatsgevonden. Beide deelgebieden zijn gesitueerd op voetbalvelden rond het complex (zie Afb. 1.2).
Afb. 1.2: Luchtfoto uit 2022 met daarop beide deelgebieden.
3
1.4.2
Verstoringen
In beide deelgebieden kan sprake zijn van bestaande verstoringen, deze worden hieronder per categorie toegelicht: Sportvelden Beide deelgebieden zijn in gebruik als sportvelden. Op het moment van schrijven is niet precies bekend in hoeverre het bodemarchief onder de sportvelden is verstoord. De aard en omvang van verstoring onder sportvelden kan sterk uiteenlopen: Zo zal het bovenste deel van de bodem verstoord zijn geraakt bij het inzaaien van gras, het aanleggen van gravel etc. Ook bij onderhoud aan de velden kan het bovenste deel van de bodem verstoord zijn geraakt. Naar verwachting gaan met dergelijke werkzaamheden geen diepe verstoringen (tot in het archeologisch bodemarchief) gepaard. Onder sommige sportvelden (met name, maar niet uitsluitend, bij (semi-) professionele clubs) kunnen zich ondergrondse elementen zoals verwarmings- of beregenings- en drainagesystemen bevinden. Het aanleggen daarvan kan ook verstoring aan het bodemarchief veroorzaakt hebben. Bij het aanleggen van beregeningssystemen worden bijvoorbeeld smalle sleuven aangelegd t.b.v. plastic buizen en druppelsslangen. Indien sprake is van dergelijke systemen onder het veld zal naar verwachting sprake zijn van een deels verstoord bodemarchief. Op het moment van schrijven is echter niet bekend of sprake is van dergelijke systemen.
Kabels en leidingen Uit een KLIC-oriëntatieverzoek blijkt dat rondom het sportcomplex kabels en leidingen zijn aangelegd. Het betreft datatransport-, laag- en middenspanningskabels, evenals gas-, water- en rioolleidingen. Datatransporten laagspanningskabels worden doorgaans op ca. 0,6 m -mv. aangelegd, middels een ca. 0,4 – 0,6 m brede sleuf. Middenspanningskabels, gas- en waterleidingen worden doorgaans op ca. 1,0 m -mv. aangelegd, middels een ca. 0,8 – 1,0 m brede sleuf. Rioolleidingen liggen op variërende dieptes, met name voor hoofdriolen is een uniforme diepte lastig te bepalen. Uitleggers van riolen worden doorgaans op ca. 0,8 – 1,0 m -mv. aangelegd, middels een ca. 0,8 – 1,0 m brede sleuf. Daarnaast is één kabel- of leiding gemarkeerd als ‘overig’. Het is niet bekend wat de exacte aard en omvang van verstoring bij de aanleg van deze ‘overige’ kabel of leiding is. Vlak buiten het sportcomplex, onder de Bathmenseweg, is een voorzorgsmaatregel voor datatransportkabels opgenomen. De aanleg van kabels en leidingen (m.u.v.) hoofdriolen zal tot lokale verstoring tot ca. 1,0 m -mv. hebben geleid. Aan de rand van deelgebied 1 lijkt sprake van één (uitlegger van) een rioolleiding. De rioolleiding ligt net ten zuidwesten van deelgebied 1 (zie Afb. 1.3). In deelgebied 2 is sprake van datatransport-, laag- en middenspanningskabels alsook gas- en waterleidingen.
Alle kabels en leidingen in deelgebied 2 lijken langs de randen van het daar gelegen sportveld geconcentreerd (zie Afb. 1.3). Parkeerplaatsen en overige verhardingen Aan de oostzijde van deelgebied 2 is sprake van verhardingen bij het sportcomplex. Bij het aanleggen van bestrating kan het bodemarchief verstoord zijn. In het verleden vonden aanlegwerkzaamheden van bestrating meestal plaats in de bovenste ca. 0,5 m -mv (tegenwoordig is vaak sprake van diepere verstoringen vanwege de aanleg van diverse waterbergende elementen onder verharding). Hierbij zal verstoring van het ondergelegen archeologisch bodemarchief (mogelijk) beperkt zijn gebleven. Zendmast en overige bijgebouwen Aan de zuidzijde van deelgebied 2 liggen twee (kleine) bijgebouwen, het betreft een zendmastgebouw en een schuur/bijgebouw. Naar verwachting heeft bij het aanleggen van beide bouwwerken verstoring van het bodemarchief plaatsgevonden. Naar verwachting is de zendmast op een voetstuk gebouwd, de funderingswijzen van het naastgelegen zendmastgebouw is niet bekend. Rond het zendmastgebouw zijn naar verwachting diverse kabels en leidingen aangelegd (deels zichtbaar op Afb. 1.3). Gezien het formaat van de schuur wordt uitgegaan van een relatief licht gebouwde constructie, met een relatief lichte fundering. De aanleg van het zendmastgebouw en de schuur kan voor lokale verstoring van de bodem hebben gezorgd.
De aanleg van deze bouwwerken zal, gezien hun omvang, geen grote impact hebben op de verstoringsgraad in deelgebied 2.
4
Afb. 1.3: Deelgebieden met bijhorende kabels en leidingen.
1.4.3
Consequenties toekomstig gebruik
Op het moment van schrijven is sprake van drie variantenstudies, verdere (concrete) bouw- en funderingstekeningen ontbreken nog. In de drie variantenstudies is min of meer sprake van dezelfde uitgangspunten: Het noordelijk deelgebied (deelgebied 1) blijft een sportveld. Ter plaatse wordt het grasveld vervangen door een kunstgrasmat. Daarnaast wordt aan de westzijde van het deelgebied een berging gerealiseerd. Vooralsnog geldt als uitgangspunt dat bodemingrepen die gepaard gaan met de aanleg van de kunstgrasmat en de berging het noordelijk deelgebied grotendeels verstoren. Het zuidelijk deelgebied (deelgebied 2) wordt ingericht als schoolcomplex. Tegen het bestaande cultuurhuis ‘De Spil´ wordt een nieuw schoolgebouw gerealiseerd. Daarnaast wordt het deelgebied onder andere ingericht als schoolplein, parkeerplaats en moestuin (verharding al dan niet met waterbergende elementen daaronder). Vooralsnog geldt als uitgangspunt dat de voorgenoemde bodemingrepen tezamen het bodemarchief in het zuidelijke deelgebied grotendeels verstoren. Hoewel dus de exacte aard en omvang van bodemingrepen nog niet bekend is, geldt op basis van het bovenstaande het volgende uitgangspunt: Naar verwachting leidt de realisatie van het schoolcomplex met het vernieuwde sportveld A). tot nagenoeg vlakdekkende verstoring van de aangewezen deelgebieden of B).
in ieder geval tot grootschalige verstoringen in beide deelgebieden, waarbij de vrijstellingsgrenzen van de ter plaatse geldende archeologische beleidswaarden worden overschreden. In het noordelijk deelgebied (deelgebied 1) is sprake van een maximale verstoring van ca. 8.795 m 2. In het zuidelijk deelgebied (deelgebied 5
2) is sprake van een maximale verstoring van ca. 12.389 m2. In totaal zal sprake zijn van een maximale verstoring van ca. 21.184 m2. Voorziene bodemingrepen overschrijden de vrijstellingsgrenzen daarmee ruim en zodoende dient archeologisch onderzoek plaats te vinden. Op basis van de informatie uit het vooronderzoek kunnen de plannen ook zo worden aangepast dat eventuele archeologische resten worden ontzien. 1.4.4
Milieurisico’s en niet-gesprongen explosieven
Binnen beide deelgebieden kunnen milieurisico’s en niet-gesprongen explosieven voorkomen. Voor het inventariseren van milieurisico’s is de Omgevingsrapportage Overijssel geraadpleegd. Daaruit is gebleken dat rond de Bathmenseweg, de Sportweg en het Sportcomplex diverse verkennende onderzoeken hebben plaatsgevonden. Het meest recente onderzoek is uitgevoerd in 2014. Uit de rapportages is gebleken dat hooguit sprake is van lichte tot matige verontreiniging. In het kader van het verhuizen van de basisschool zal een nieuw verkennend bodemonderzoek uitgevoerd worden. Tevens is de Munitierisico-kaart van de gemeente Deventer geraadpleegd. Het terrein is gekarteerd als ‘onverdacht’. Daaruit blijkt dat op het terrein geen verhoogde risico’s gelden voor het aantreffen van nietgesprongen explosieven (zie Afb. 1.4).
Afb. 1.4 Deelgebieden op de munitierisico-kaart van de gemeente Deventer (2014).
6
1.5
Werkwijze
Het bureauonderzoek is uitgevoerd onder certificaat BRL SIKB 4000 protocol 4002, conform de richtlijnen van de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm van de Nederlandse Archeologie (KNA 4.1, protocol 4002 Bureauonderzoek).2 Hierbij is de vigerende procesbeschrijving versie 2.1 van het kwaliteitsmanagementsysteem van Archeologie Deventer gevolgd. In het bureauonderzoek wordt een beeld gegeven van de archeologische resten die in en om beide deelgebieden kunnen worden verwacht. Daarvoor zijn diverse bronnen geraadpleegd (zie par. 2). Om een beeld te krijgen van de archeologische vindplaatsen en historische elementen in de omgeving, evenals de archeologische verwachting, zijn de digitale archeologische verwachtingskaart van de gemeente Deventer (2018) en de projectenkaart van de gemeente Deventer geraadpleegd.3 Voor de aardwetenschappelijke situatie is de geomorfologische kaart geraadpleegd. Om de historische situatie te schetsen zijn diverse historische kaarten bestudeerd, zoals de Hottinger kaart (1774 – 1793), de kadastrale kaart van 1832, de Bonneatlas en jongere topografische kaarten. Om een beeld te krijgen van de hoogteligging van beide deelgebieden is het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) geraadpleegd. Al deze gegevens zijn gebruikt om tot een gespecificeerde archeologische verwachting te komen en een selectieadvies uit te brengen.
2
BUREAUONDERZOEK
2.1
Geomorfologie
In de voorlaatste ijstijd, het Saalien (238.000–128.000 jaar geleden), werd door Scandinavisch landijs het IJsseldalbekken gevormd, waarvan de bodem op de diepste punten op 100 m onder NAP ligt. Het bekken wordt begrensd door de stuwwallen van de oostelijke Veluwe in het westen en de Sallandse Heuvelrug in het oosten. Nadat het ijs zich teruggetrokken had, werd het IJsseldalbekken voor een deel opgevuld met afzettingen tijdens het warme Eem-interglaciaal (128.000–115.000 jaar geleden). In het eerste deel van het daaropvolgende Weichsel glaciaal (115.000 – 73.000 jaar geleden) wisselden koude en warmere perioden elkaar af. Het landijs bereikte deze streken niet, maar er vond sedimentatie en erosie plaats door afwisselend fluviatiele, periglaciale en eolische processen. Gedurende deze perioden behoorde het IJsseldalbekken tot het stroomgebied van de Rijn, de zogenaamde IJsseldalrijn. Tot ongeveer 40.000 jaar geleden zette deze rivier verschillende pakketten sediment af, die gerekend worden tot de Formatie van Kreftenheye. De top van de jongste lagen bestaat uit kalkrijke grove en bonte zanden. Deze bevinden zich rond Deventer veelal op een niveau van ca. 1 m + NAP.4 Nadat de Rijn haar loop door het IJsseldal had verlaten, werden tijdens de koudere fasen van het MiddenPleniglaciaal (40.000–11.000 jaar geleden) lokale fluviatiele sedimenten afgezet op de Kreftenheyeafzettingen.
Deze fluvioperiglaciale zanden zijn voornamelijk door lokale vlechtende beken afgezet en bestaan uit afbraakproducten van de stuwwallen van de Sallandse Heuvelrug. Hierbij zijn brede dalen gevormd, die zich bij Deventer hebben ingesneden in de afspoelingswaaiers van de stuwwal en de onderliggende Kreftenheye-afzettingen. Tijdens één van de relatief warmere perioden van het MiddenPleniglaciaal (tussen 36.500 en 32.500 jaar geleden) stabiliseerde het klimaat enigszins en concentreerden de rivieren en beken zich in één of meerdere hoofdgeulen. Tijdens dit zogenaamde Denekamp-interstadiaal is een bruine leemlaag afgezet.5 In het koudste en droogste deel van het Weichselien, het Laat-Pleniglaciaal (28.000– 15.400 jaar geleden), worden nat-eolische zanden afgezet, die gekenmerkt worden door een sterke gelaagdheid. Dit pakket van dekzanden is in tenminste twee fasen afgezet (Oud dekzand I en II) en is soms gescheiden door één of meerdere grindsnoertjes (desert pavement). In dit oudste pakket zijn bovendien regelmatig intense vorstverschijnselen, zoals vorstwiggen en kryoturbatie, aanwezig die tot in de onderliggende leemlaag door kunnen lopen. Als gevolg van opeenvolgende sedimentatie en erosie door afwisselend wind en water is een terrassenlandschap ontstaan.
Het sediment wordt als gevolg van het ontbreken van vegetatie voortdurend door wind en water lokaal geërodeerd en opnieuw afgezet. Het landschap kent relatief weinig reliëf. Wel worden de nat-eolische sedimenten doorsneden door beekdalen. Waarschijnlijk zijn de lopen van veel Sallandse beken in deze periode vastgelegd. 6 2 www.sikb.nl. 3 In de projectenkaart zijn alle bekende archeologische onderzoeken, waarnemingen en vondsten opgenomen, inclusief
de (opgeschoonde en ontdubbelde) gegevens uit ARCHIS. 4 Willemse et al., 2013, 60. 5 Willemse et al., 2013, 63. 6 Willemse et al., 2013, 64.
7
Het laat glaciaal (15.400 – ca 11.700 jaar geleden) kenmerkte zich door een snelle afwisseling van warmere (interstadialen) en koudere perioden (stadialen). In deze periode is in grote lijnen het huidige reliëf in het landschap van Deventer en omgeving ontstaan. Aanvankelijk begon het klimaat aan een opwarming (Bølling interstadiaal), waardoor een parkachtige (berken)bosvegetatie ontstond en een lichte bodemvormig plaatvond.7 Lokaal kon veen groeien. Na relatief korte tijd brak rond 14.000 jaar geleden opnieuw een koude periode aan (vroege Dryas). Veel vegetatie verdween en gedurende enkele eeuwen kon lokaal sediment verstuiven. In nattere laagtes ontstonden lemige afzettingen, terwijl langs droge rivierbeddingen lage duintjes werden gevormd (Jong Dekzand I). Tussen 13.500 en 13.000 jaar geleden vond wederom een opwarming plaats (Allerød interstadiaal) en kwam weer bosontwikkeling op gang, met daarbij een lichte bodemvorming. Ook deze warmere periode was weer van relatief korte duur en werd opgevolgd door een relatief koude periode (late Dryas). Aanvankelijk was dit stadiaal weliswaar relatief koud maar ook nat, zodat als gevolg van afnemende vegetatie en toegenomen neerslag veel erosie door lokale riviertjes plaats had. Als gevolg van de toename in sediment in de riviertjes kregen deze een vlechtend verloop, met brede beddingen.
Vanaf ca 12.600 jaar geleden werd het weliswaar iets warmer, maar lijkt het tegelijkertijd aanzienlijk droger te zijn geweest. Het gevolg was dat grootschalige verstuivingen optraden, waarbij langs de drooggevallen rivierbeddingen hoge ruggen van leemarm, matig fijn tot matig grof zand werden afgezet (Jong Dekzand II). Als gevolg van een stijgende zeespiegel en sedimentatie in het Rijndal is de IJssel opnieuw als afvoerkanaal van de Rijn gaan fungeren. Het moment waarop dit gebeurde staat nog ter discussie. Eén theorie stelt dit rond 350 n. Chr. is gebeurd, nadat bij extreem hoog water een rivierduin- of dekzandcomplex in de zuidelijke IJsselvallei was doorgebroken.8 Eén andere theorie stelt dat sprake was van meerdere overtoppingen van het rivierduin- of dekzandcomplex. Eenmaal doorgebroken, zullen opvolgende overstromingen hebben geleid tot permanent watervoerende doorbraakgeulen. De eerste overtopping vond tussen de 4de en 7de (waarschijnlijk in de 6de) eeuw plaats.9 Eén andere theorie gaat uit van geleidelijke reactivatie van de IJssel, zonder grootschalige avulsies. De voltooiing van dit proces wordt daarbij rond 950 n. Chr. geplaatst. 10 Archeologische data wijst op een (eventueel geleidelijke) reactivatie van de IJssel in de laat-Romeinse tijd of de vroege middeleeuwen.11 Tot in de 16de of 17de eeuw bleef de IJssel een dynamisch karkater kennen. 12 2.1.1
Geomorfologische kaart
Op de geomorfologische kaart van Deventer zijn de deelgebieden vrijwel volledig gesitueerd op een hoge dekzandduin met een plaggendek. Daarnaast is een kleine zone in het zuidwesten van deelgebied gelegen op een fluviatiele terrasrest met (oud) dekzand, deels met een plaggendek. Hoge dekzandduinen vormen de meest reliëfrijke, goed ontwaterde delen van het dekzandlandschap, vaak met scherpe overgangen naar lagere terreindelen. In dit geval betreft het een relatief grote dekzandrug, deze worden gekenmerkt door bewoningssporen vanaf de Steentijd (en navolgende perioden). Om deze redenen is aan deze terreinvormen een hoge archeologische verwachting toegekend. Indien ter plaatse een plaggendek aanwezig is, geldt dit als aanwijzing dat het gebied in de afgelopen eeuwen (en waarschijnlijk daarvoor) aantrekkelijk was voor akkerbouw. Fluviatiele terrasresten met (oud) dekzand behoren daarentegen tot de lagere, nattere terreinvormen, die doorgaans minder of ongeschikt waren voor bewoning. Zodoende geldt ter plaatse een lage archeologische verwachting. Op de overgangen van dergelijke gronden naar (hoge) dekzandduinen kunnen wel randverschijnselen en off-site resten voorkomen. Indien ter plaatse sprake is van een plaggendek, geldt dit eveneens als aanwijzing dat het gebied de afgelopen eeuwen (en mogelijk daarvoor) aantrekkelijk was voor akkerbouw.
In dergelijke gebieden geldt een middelmatige i.p.v. lage archeologische verwachting. 2.1.2
Historisch kaartmateriaal en AHN-gegevens
Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat beide deelgebieden tot in het midden van de 19 de eeuw grotendeels te midden van een heidegebied liggen. De afwezigheid van cultuurgrond kan er enerzijds op wijzen dat tot op dat moment sprake is geweest van onontgonnen gebied. Anderzijds kan dit ook wijzen op een gebied dat bv. door zandverstuivingen ongeschikt was geworden voor landbouw. Dergelijke zandverstuivingen kunnen, opvallend genoeg, juist ontstaan zijn als gevolg van landbouwactiviteiten (zie 2.1.2.1). Opvallend zijn ook
7 Vermeulen, Mittendorff & Van der Wal, 2012, 198-199. 8 Volleberg & Stouthamer, 2008, 29 – 31. 9 Cohen, Toonen & Weerts, 2016, 26. 10 Makaske, Maas & van Smeerdijk, 2008. 11 Willemse, Keunen & Van der Veen, 2013. / Mittendorff, 2022, 11. 12 Overmeer, Mittendorff & Vermeulen, 2018.
8
enkele historische vermeldingen die erop wijzen dat het gebied tot aan de vroege 19 de eeuw werd gekenmerkt door zandverstuivingen (zie 2.3.1.2).13 Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) zijn ook aanwijzingen te vinden dat het gebied mogelijk werd gekenmerkt door zandverstuivingen. Ten oosten van beide deelgebieden ligt een zone met duidelijk, afwisselend microreliëf. Dergelijk microreliëf is kenmerkend voor stuifzandgebieden. In beide deelgebieden lijkt sprake van een tamelijk egaal terrein, dit zal echter zijn ontstaan bij het aanleggen van de sportvelden. Oorspronkelijk kan in beide deelgebieden ook sprake zijn geweest van een stuifzandgebied (zie Afb. 2.2). 2.1.2.1 Associaties van stuifzanden, dekzandruggen en -koppen Stuifzandgebieden worden doorgaans beschouwd als een aanwijzing van menselijke activiteit en kunnen voorkomen in associatie met hoge dekzandgronden. Deze hoge dekzandgronden vormen sinds de Steentijd reeds gunstige bewoningslocaties en kennen zodoende een hoge archeologische verwachting (zie 2.4). Ter plaatse van hoge dekzandgronden die overstoven zijn, kunnen eventueel (door stuifzand) afgedekte bewoningsniveaus voorkomen. Andersom kan ook juist sprake zijn van ten dele (door stuifzand) verstoven en verstoorde archeologische sporenniveaus. Op basis van het bureauonderzoek is de fysisch geografische detailsituatie niet nader te specificeren.
Hier kan een verkennend booronderzoek meer inzicht geven. De chronologie/ouderdom van stuifzandpakketten is doorgaans lastig te bepalen. Enerzijds kan sprake zijn van natuurlijk gevormde stuifzandpakketten. Anderzijds kan ook sprake zijn van stuifzandpakketten die zijn ontstaan als gevolg van menselijke activiteiten. Terwijl al in de Late Prehistorie zandverstuivingen, door het aanleggen van akkers, plaatsvond, begon grootschalige verstuiving als gevolg van ontbossing en akkerbouw vermoedelijk pas in de 9de – 10de eeuw. In de late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd intensiveert daarbovenop het gebruik van heidegronden (aldaar werden schapen gehouden voor wol en mest). Bij het ontbossen, afplaggen en begrazen van heidegebieden raakten (vaak arme zandgronden) uitgeput. Ter plaatse kon wederom (en op grote schaal) verstuiving plaatsvinden.
2.2
Bodemkunde
Volgens de bodemkundige kaart van Nederland kan de bodem ter plaatse van beide deelgebieden bestaan uit een veldpodzolgrond met leemarm/zwak lemig fijn zand (Hn21). Veldpodzolgronden vormen doorgaans onder natte(re) omstandigheden in jonge ontginningsgebieden, bossen en heidevelden. Vaak komen veldpodzolgronden voor in lagere delen van het pleistocene landschap, maar ook kunnen deze gronden bijvoorbeeld voorkomen dekzandruggen waar de hoogste grondwaterstanden tot in de BC-horizonten reiken. Dergelijke bodems worden gekenmerkt door een dunne E-horizont, waarin o.a. ijzer- en humusdeeltejs zijn uitgespoeld. De overgang naar de B-horizont verloopt meestal geleidelijk.14
13 Mulder, 2005, 191. 14 De Bakker & Schelling, 1989, 127.
9
Afb. 2.1: Deelgebieden op de geomorfologische kaart van de gemeente Deventer.
10
Afb. 2.2: Deelgebieden op het AHN, hierop is het opvallende microreliëf ten oosten van de deelgebieden duidelijk weergegeven.
2.3
Historische situatie
Hieronder wordt per tijdsperiode aangegeven welke historische elementen bekend zijn binnen beide deelgebieden en in de omgeving van beide deelgebieden. Tot aan de late middeleeuwen is het beeld van de historische situatie, wegens het ontbreken van historische bronnen, vrij beperkt. In dat geval kan de ontwikkeling beter geschetst worden aan de hand van de archeologische context (zie 2.4). De ontginning en inrichting van het platteland rond Deventer kent voor een groot deel haar oorsprong in de vroege/volle middeleeuwen. Vrijwel ieder buurschap en dorp, waaronder Lettele, kent vermoedelijk een Karolingische bewoningsfase.15 De naam ‘Lettele’ is afgeleid van een loo-toponiem en dergelijke toponiemen kunnen zelfs wijzen op bewoning van vóór 500 n. Chr., maar dit betekent niet automatisch dat er vanaf dat moment sprake is van bewoningscontinuïteit. 16 In de omgeving van Lettele liggen enkele boerderijplaatsen die (mogelijk) reeds in de vroege/volle middeleeuwen zijn ontstaan.17 Het erf Groot Koerkamp aan de westzijde van het dorp is een van deze boerderijplaatsen. Deze boerderij wordt voor het eerst vermeld tussen 1397 en
15 Mittendorff, 2014, 4 – 6. 16 Willemse et. al. 2013, 82. 17 Willemse et. al. 2013, 93.
11
1399, maar de naam Cuercamp komt al sinds 1345 voor.18 Het erf was vermoedelijk oorspronkelijk een bisschoppelijk tafelgoed. Dergelijke erven kennen doorgaans een oorsprong tussen de 9 de en 12de eeuw.19 De oorsprong van de bewoning in de buurt van het dorp is dus mogelijk te herleiden tot de Karolingische tijd, maar pas in de loop van de 19de eeuw vormt zich een dorpskern(tje): Nadat in 1796 de Nederlandse staat van kerk gescheiden werd, kregen katholieken officieel het recht om hun geloof te belijden. In Colmschate werden initiatieven genomen tot het bouwen van een katholieke kerk. Allereerst werd in 1808 een aanvraag gedaan voor een kerk te Schalkhaar. In 1811 werd een tweede aanvraag gedaan voor een kerk. Uiteindelijk werd omstreeks 1819 – 1820 een kapel gerealiseerd op een stuk grond nabij het erf Groot Koerkamp in Lettele.20 De kapel werd kort daarna verheven (of verbouwd) tot St. Nicolaaskerk.21 Kort daarna volgde een zelfstandige parochie. In de derde kwart van de 19de eeuw werd een herberg gebouwd bij de kerk. Aan het eind van de 19de eeuw werd de kerk elders herbouwd. In de laatste helft van de 19de eeuw begon zich ook een kerntje rond de kerklocatie(s) te vormen. 2.3.1.1 Hottingerkaart (1773 – 1794) De Hottingerkaart (1773 – 1794) geeft de eerste enigszins gedetailleerde weergave van de omgeving van de deelgebieden.
Een groot deel van de wijdere omgeving lijkt op deze kaart nog onontgonnen te zijn. Verder ten westen en zuiden van de deelgebieden is wel sprake van in cultuur gebrachte gronden. Het betreft gronden rond enkele van de historische boerderijplaatsen in de omgeving van Lettele, waaronder ook erve Groot Koerkamp. Op ruimere afstand ten (zuid)westen van beide deelgebieden loopt een weg. 2.3.1.2 Kadastrale Kaart (1832). De kadastrale kaart (1832) geeft de eerste gedetailleerde weergave van de percelering van de omgeving, daarbij worden tevens de functie en eigenaren van de percelen omschreven. De kadastrale kaart (1832) geeft een nauwkeuriger beeld van de omgeving dan de Hottingerkaart (1773 – 1794). Op deze kaart is zichtbaar dat de situatie voor beide deelgebieden vrijwel hetzelfde is. De deelgebieden maken grotendeels onderdeel uit van een groot, onontgonnen heidegebied. In het oosten van deelgebied 2 ligt een kleine zone die behoort tot een (reeds ontgonnen) hooiland. Het hooiland is eigendom van Teunis Nieuwmeijer een landbouwer uit Lettele. Ten (zuid)westen van de deelgebieden loopt een weg. Opvallend is ook een structuur ten noordwesten van deelgebied 2. Deze structuur is op de originele kadastrale kaart van Diepenveen (1832) ingetekend met een stippellijn. Bij het digitaliseren van deze kaart is de structuur geïnterpreteerd als een bouwwerk.
Indien daadwerkelijk sprake is van een bouwwerk, kan het bijvoorbeeld om een schaapskooi, voor de schapen op de heide, gaan. Opvallend is ook dat het heidegebied waartoe beide deelgebieden (grotendeels) horen ook wel het Linderveld wordt genoemd. Het Linderveld was een uitgestrekt heideveld dat van Linde tot Okkenbroek reikte. Het is bekend dat zich hier in het midden van de 16de eeuw diverse ‘Keuterboeren’ vestigden. Op de velden in Linde lag het landoppervlak kennelijk zo los dat het aan het stuiven raakte en het bouwland van overstoof. Aan het eind van de 18de en het begin van de 19de eeuw komen initiatieven op gang om deze zandverstuivingen tegen te gaan. Dergelijke zandverstuivingen kunnen eventueel ook plaats hebben gevonden in beide deelgieden. (zie 2.1.2).22 Op ruimere afstand van beide deelgebieden is het erf Groot Koerkamp zichtbaar. Op het erf staat de oude, 19de-eeuwse, kapel van Lettele weergegeven. Bij dit bouwwerk staat het op schrift ‘Roomsche Kerk’, daarnaast ligt ook een kleine begraafplaats.
18 Keunen, 2012, 11 – 14. / Mittendorff, 2014, 6. 19 Mittendorff, 2014, 6. 20 Willemse et. al., 2013, 109 – 110 / Mulder, 2005, 229. 21 Willemse et. al., 2013, 109 / Mulder, 2005, 229. 22 Mulder, 2005, 191.
12
Afb. 2.3: Deelgebieden op de Hottingerkaart (1773 - 1794) hierop is zichtbaar dat beide deelgebieden nog onontgonnen zijn.
2.3.1.3 Topografisch kaartmateriaal 1850 – 1945 Topografisch kaartmateriaal uit 1850 geeft een gewijzigd beeld ten opzichte van de kadastrale kaart (1832). Het heidegebied dat het grootste deel van beide deelgebieden in beslag nam, lijkt nu voor het eerst ontgonnen. Ter plaatse lijkt sprake van akkers of weilanden. Beide deelgebieden zijn niet zichtbaar op topografisch kaartmateriaal tussen 1865 en 1898, omdat het gebied op deze kaarten niet gekarteerd is. Op topografisch kaartmateriaal uit 1898 is de situatie opnieuw gewijzigd. De deelgebieden zijn nu opgedeeld in meerdere percelen, met verschillende functies: Ten dele lijkt sprake van bosschages, groen en heide. Anderzijds is ook sprake van akkergrond en weiland. Nog steeds zijn geen bouwwerken in beide deelgebieden zichtbaar. Op het kaartmateriaal vanaf 1898 is ook zichtbaar dat de kerk van het erf Groot Koerkamp naar de kruising Bathmenseweg – Oerdijk is verplaatst. Rond deze kerk groeit in de loop van de jaren langzaam een dorpskern(tje). Topografisch kaartmateriaal uit 1918 laat grotendeels dezelfde situatie (met meer detail) zien. Op deze kaart is zichtbaar dat sprake is van (iets) meer bosschages, ook lijkt het alsof de akkergronden en heide plaats hebben gemaakt voor weidegronden en bosschages.
Op topografisch kaartmateriaal uit 1935 is zichtbaar dat opnieuw sprake is van meer bosschages; heel deelgebied 2 valt daar nu binnen. Ook lopen er enkele wegen door dit bos. In deelgebied 1 lijkt nog grotendeels sprake van akkergrond en/of weiland.
13
Afb. 2.4: Deelgebieden op de kadastrale kaart van 1832. Hierop is zichtbaar dat beide gebieden (nog) in een heidegebied lagen dat bij het Linderveld hoorde.
14
Afb. 2.5: Deelgebieden op topografisch kaartmateriaal uit 1850 (linksboven), 1898 (rechtsboven), 1918 (linksonder) en 1935 (rechtsonder). Hierop is de ontwikkeling van het onontgonnen landschap naar akkers, weilanden en bos te volgen.
2.3.1.4 Tweede Wereldoorlog Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn door de geallieerden overlegvellen (Defence Overprints) van de omgeving van Lettele vervaardigd. Op de overlegvellen zijn door geallieerde luchtfotoverkenners militaire elementen genoteerd, met het oog op de aanstaande opmars. Op deze overlegvellen zijn geen militaire elementen in de deelgebieden en de directe omgeving weergegeven. Via de Wageningen University of Research is gekeken naar geallieerde luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog. Hierop zijn ook geen duidelijke militaire elementen zichtbaar.23
23 https://www.wur.nl/nl/library/special-collections/aerial-photographs.htm
15
Afb. 2.6: Deelgebieden op de Defence Overprints (1945). Op deze kaarten zijn geen duidelijke militaire elementen weergegeven.
2.3.1.5 Topografisch kaartmateriaal 1945 – nu. Op het eerste naoorlogse kaartmateriaal, uit 1953, verandert weinig in de deelgebieden. Op topografisch kaartmateriaal uit 1962 zijn wel grote wijzigingen zichtbaar: Deelgebied 2 lijkt nu grotendeels uit een speelveld te bestaan. In deelgebied 1 lijkt geen sprake van noemenswaardige veranderingen. Op dit kaartmateriaal is ook te zien dat zich rond het dorpskerntje van Lettele meer bebouwing vormt. Op topografisch kaartmateriaal uit 1965 veranderd de situatie in deelgebied 1 nauwelijks. In deelgebied 2 lijkt duidelijker sprake van een speelveld, daarop is ook een kleine structuur weergegeven. Op topografisch kaartmateriaal uit 1975 is het sportcomplex (met zwembad) voor het eerst weergegeven. Uit deze kaart blijkt niet duidelijk of deelgebied 1 reeds bij het sportcomplex hoort. Deelgebied 2 lijkt nu duidelijk onderdeel te zijn van het sportcomplex. Op topografisch kaartmateriaal vanaf 1988 is duidelijk zichtbaar dat beide deelgebieden bij het sportcomplex horen. Sindsdien hebben geen noemenswaardige veranderingen plaatsgevonden in de deelgebieden. Op recenter kaartmateriaal is wel zichtbaar dat de dorpskern van Lettele nog verder is uitgebreid.
16
Afb. 2.7: Deelgebieden op topografisch kaartmateriaal uit 1962 (linksboven), 1965 (rechtsboven), 1976 (linksonder) en 1988 (rechtsonder). Op deze kaarten is de naoorlogse ontwikelling tot het ontsaan van het sportcomplex te volgen.
2.3.1.6 Voetbalvereniging, Sportcomplex en Cultuurhuis 24 Beide deelgebieden liggen op het sportcomplex van Lettele. De oorsprong van dit sportcomplex ligt bij de voetbalvereniging van het dorp. V.V. Lettele, is in 1932 opgericht als R.K.L.S.C. Aanvankelijk organiseerde men voetbalwedstrijden op velden rond het erf Groot Koerkamp. In 1958 werd het eerste officiële voetbalveld gereed gemaakt, dit is het huidige trainingsveld van de vereniging. In de jaren ’60 werden er ook initiatieven genomen om een afdeling voor handbal aan de vereniging toe te voegen, dit lukte in 1961. Tegelijkertijd vroeg men een vergunning aan voor een kleedkamer. In 1962 werd een tweede veld ‘achter Café Spikker’ in gebruik genomen, in hoeverre dit veld ter hoogte van het huidige sportcomplex lag is niet bekend. Tussen 1969 en 1970 werd een tweede, officieel veld in gebruik genomen. Dit werd later het hoofdveld van V.V. Lettele. Tussen 1970 en 1972 hebben diverse bouwwerkzaamheden plaatsgevonden in het kader van het realiseren van het nieuwe sportcomplex. Hierbij werd onder andere ook een zwembad aangelegd. Naar aanleiding hiervan ontstond ook het idee om een Cultuurhuis op het terrein te realiseren. Dit kwam er in 1976 in de vorm van een gemeenschapshuis genaamd ‘De Spil’ . In 1976 werd ook een derde voetbalveld bij de club aangelegd.
Sindsdien hebben nog diverse kleine wijzigingen/uitbreidingen aan het sportcomplex plaatsgevonden.
24 Aarnink, Ehren & Huis in ‘t Veld, 1982.
17
2.4
Bekende archeologische waarden
In een straal van ongeveer 500 m rond beide deelgebieden zijn 3 relevante onderzoeken uitgevoerd. 25 Deze zijn hieronder individueel toegelicht. 2.4.1.1 Inventariserend proefsleuvenonderzoek Kapelweide Lettele (Projectnr. 429).26 In 2011 is door RAAP Archeologisch Adviesbureau een inventariserend proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het kader van nieuwbouw op de ‘Kapelweide’ te Lettele. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat het natuurlijke zand (C-horizont) bestaat uit Oud Dekzand en op ca. 30 – 70 cm -mv. gelegen is (ca. 6,96 – 7,63 m + NAP). In het zuiden van het terrein lag de natuurlijke bodem direct onder de bouwvoor. In het midden van het terrein, in één sleuf, bleek sprake van een onderscheid tussen de E- en B-horizonten. In het noordwesten van het terrein bleek sprake van een cultuurlaag op de natuurlijke ondergrond. Deze cultuurlaag had een maximale dikte van ca. 60 cm. In de noordelijke helft van het onderzochte terrein zijn diverse archeologische sporen aangetroffen. Het betrof onder andere twee kuilen, die op basis van kleur en vorm geïnterpreteerd zijn als (mogelijke) Mesolithische haardkuilen. Daarnaast zijn drie palenrijen aangetroffen die mogelijk een structuur vormen. Ook zijn diverse greppels of perceelsgrenzen uit de nieuwe tijd aangetroffen.
De mogelijke gebouwstructuur, greppels en/of perceelsgrenzen zijn te koppelen aan het historische erf ‘Groot Koerkamp’. 2.4.1.2 Waardestellend Archeologisch Onderzoek naar de voormalige RK-Kapel (Projectnr. 459).27 In het kader van het zichtbaar maken van de locatie van de voormalige kapel te Lettele heeft Archeologie Deventer in 2014 een waardestellend archeologisch onderzoek d.m.v. proefsleuven uitgevoerd. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat het natuurlijke zand zich op ca. 7,40 m + NAP bevindt. Het natuurlijke zand bleek afgedekt te worden door een plaggendek van ca. 60 cm, waarvan de bovenste ca. 20 – 30 cm zijn opgenomen in de moderne bouwvoor. Tijdens het onderzoek zijn resten aangetroffen van de 19 de-eeuwse kapel. Het betreft onder andere funderingsresten en uitbraaksleuven in de zuidoosthoek van de voormalige kapel. Daarnaast zijn enkele sporen (kuilen) zonder duidelijke functie aangetroffen. Vermoedelijk wijzen deze sporen op het terreingebruik voor het ontstaan van de kapel, namelijk als tuin bij het erf Groot Koerkamp. Tijdens het onderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden voor sporen die ouder zijn dan de late middeleeuwen – nieuwe tijd. 2.4.1.3 Archeologische opgraving Kapelweide te Lettele (Projectnr. 580). 28 In 2016 is door Econsultancy, een archeologische opgraving uitgevoerd in het kader van nieuwbouw op de ‘Kapelweide’ te Lettele.
Het onderzoek is uitgevoerd in navolging van het proefsleuvenonderzoek door RAAP (zie 2.4.1.1) en richtte zich voornamelijk op de noordzijde van het toenmalige onderzoeksterrein. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de natuurlijke ondergrond op het opgegraven terrein op ca. 40 – 60 cm -mv. lag (ca. 7,50 – 7,80 m + NAP). In het noorden van het terrein bleek sprake van een bouwvoor direct op het natuurlijke zand. Ter plaatse was sprake van ploegsporen tot ca. 20 cm in de natuurlijke ondergrond. In het zuiden van het terrein bleek sprake van een bouwvoor met een plaggendek. In totaal had dit pakket een dikte van ca. 60 cm. Tijdens het onderzoek zijn geen nieuwe sporen aangetroffen die wijzen op een prehistorische vindplaats. In de rapportage wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat de, als haardkuilen geïnterpreteerde, sporen eigenlijk wijzen op een boomval. Ook is de structuur met drie palenrijen opnieuw blootgelegd. Behalve een datering (17de – 19de eeuw) is ook geen nieuw inzicht verkregen in de functie van de palenrij. Verder zijn diverse ontginningsgreppels aangetroffen die (op het vroegst) zijn ontstaan tussen de 15 de en 17de eeuw.
25 ARCHIS3, d.d. 23-01-2024. 26 Schuurman, 2012. 27 Mittendorff, 2014. 28 Diependaal, 2016.
18
Afb. 2.8: Relevante onderzoeken in de directe omgeving van het onderzoeksgebied.
2.4.2
Archeologische verwachtingskaart
De fysisch geografische context van de deelgebieden is op de archeologische verwachtingskaart vertaald naar lage, middelmatige en hoofdzakelijk hoge archeologische verwachtingen (zie 2.1). Gezien het terreintype (hoge dekzandduin) i.c.m. het ontbreken van archeologische en historische indicatoren geldt met name een archeologische verwachting voor bewoningsresten vanaf de Steentijd t/m vroege middeleeuwen (zie 2.1, 2.3 en 2.4). Voor archeologische sporen uit latere perioden zijn geen historische aanwijzingen, maar de aanwezigheid kan niet zondermeer worden uitgesloten.
19
Afb. 2.9: Deelgebieden op de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Deventer.
2.4.3
Van verwachting naar beleid
De verschillende verwachtingswaarden in beide deelgebieden zijn vertaald naar verschillende archeologische beleidswaarden. Deze zijn eveneens opgenomen en (waar nodig) vertaald naar dubbelbestemmingen in het vigerende bestemmingsplan ‘Chw bestemmingsplan Deventer, stad en dorpen deel B’. De verschillende beleidswaarden worden hieronder individueel toegelicht: Lage Archeologische verwachting –Beleidswaarde archeologie 1. De zones met een lage archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald naar een zone met beleidswaarde 1. Het betreft gebieden waar de verwachtte dichtheid van archeologische resten op basis van geomorfologische kenmerken klein wordt geacht. Omdat binnen deze zones de kosten van grootschalig onderzoek niet opwegen tegen de resultaten is geen (structureel) onderzoek verplicht. Deze zones hebben dan ook geen archeologische dubbelbestemming. Om te voorkomen dat controle van het archeologisch verwachtingsmodel verloren gaat, is er echter voor zeer grootschalige ingrepen van meer dan 10.000 m2 en dieper dan 0,5m onder maaiveld een meldingsplicht. Zodoende kan de verwachting gecontroleerd worden en kunnen eventuele archeologische resten alsnog gewaarborgd worden. Middelmatige verwachting – Dubbelbestemming waarde archeologie 2. De zones met een middelmatige archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald naar zones met beleidswaarde 2.
Het betreft hier voornamelijk transitiezones van hoger naar lager gelegen gebieden in het 20
landschap, waarbij op basis van landschappelijke- en historische context geen hogere verwachting toe te kennen valt. Binnen zones met dubbelbestemming archeologie – waarde 2 geldt een onderzoekplicht voor bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,5 m onder het maaiveld. Eveneens geldt dat er een meldingsplicht wordt gehanteerd voor bodemingrepen tussen 1.000 m2 en 2.500 m2 en dieper dan 0,5 m onder maaiveld. Een ingreep is vergunningsplichtig indien deze groter is dan 1.000 m2 en dieper dan 0,5 m onder maaiveld gaat. Hoge verwachting – Dubbelbestemming waarde archeologie 3. De zones met een hoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald naar zones met beleidswaarde 3. Het betreft hier voornamelijk terreindelen waar op grond van landschappelijke kenmerken, historische bronnen en analyses van (andere) archeologische vindplaatsen een hoge dichtheid aan archeologische resten wordt verwacht. Binnen zones met dubbelbestemming archeologie – waarde 3 geldt een onderzoekplicht vanaf ingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 0,5 m onder het maaiveld. Eveneens geldt dat er een meldingsplicht wordt gehanteerd voor bodemingrepen tussen 200 m2 en 500 m2. 29 Een ingreep is vergunningsplichtig indien deze groter is dan 200m2 en dieper dan 0,5 m onder maaiveld gaat.
Meer dan één beleidswaarde: De vrijstellingsgrenzen in de tabel gaan uit van de situatie dat de volledige ingreep gelegen is binnen één beleidswaarde. In de praktijk zijn er ook ingrepen die gelegen zijn binnen meerdere beleidswaarden. Uitgangspunt is hierbij dat beleidswaarden cumulatief zijn. Een gebied met beleidswaarde archeologie 3 heeft automatisch ook beleidswaarde archeologie 2 en lager, een gebied met beleidswaarde archeologie 4 automatisch ook beleidswaarde archeologie 3 en lager, enzovoort. Om de oppervlakte van elke beleidswaarde binnen de ingreep te bepalen worden dus bij de oppervlakte van deze beleidswaarde steeds ook de oppervlakten van alle hogere beleidswaarden binnen de ingreep opgeteld. Van laag naar hoog worden deze oppervlakten daarna per beleidswaarde archeologie getoetst aan de vrijstellingsgrenzen die voor die beleidswaarde archeologie van toepassing zijn. Dit bepaalt welk regime er geldt voor de gebieden met de getoetste beleidswaarde. De afweging bepaalt tevens het minimale regime dat geldt in de gebieden die een hogere beleidswaarde kennen. Aansluitend wordt de daaropvolgende hogere beleidswaarde getoetst. Indien op basis van deze toets een zwaarder regime wordt toegekend, is dat alleen van toepassing op deze beleidswaarde en eventuele hogere beleidswaarden.
Indien het regime op basis van deze toets lager uitvalt dan dat op basis van de eerder getoetste lagere beleidswaarde blijft het minimale regime van deze lagere beleidswaarde van toepassing. 2.4.3.1 Conclusie Het bovenstaande betekent dat de oppervlakte van bodemingrepen (welke dieper reiken dan 0,5 m -mv.) per deelgebied bij elkaar opgeteld moeten worden (zie Tabel 2.1). Op het moment van schrijven is sprake van drie variantenstudies, waarbij wordt gekeken welk scenario de voorkeur geniet. Op dit moment ontbreken verdere, concrete bouw- en funderingstekeningen nog. In alle drie de varianten is min of meer sprake van dezelfde uitgangspunten (zie 1.4.3). Naar verwachting leidt de realisatie van het schoolcomplex met het vernieuwde sportveld A). tot nagenoeg vlakdekkende verstoring van de aangewezen terreinen of B). in ieder geval tot grootschalige verstoringen, waarbij de vrijstellingsgrenzen van de ter plaatse geldende archeologische beleidswaarden worden overschreden. In het noordelijk deelgebied (deelgebied 1) is sprake van een maximale verstoring van ca. 8.795 m2. In het zuidelijke deelgebied is sprake van een maximale verstoring van ca. 12.389 m2. In totaal zal sprake zijn van een maximale verstoring van ca. 21.184 m 2. Aangezien voorziene bodemingrepen de vrijstellingsgrenzen overschrijden, dient archeologisch (vervolg)onderzoek plaats te vinden (zie 3.3).
Beleidswaarde/dubbelbestemming Archeologische beleidswaarde 1 Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’.
Verstoringsoppervlak (per beleidswaarde) 300 m2 77 m2 20.808 m2
Verstoringsoppervlak (cumulatief) 21.185 m2 20.885 m2 20.808 m2
Tabel 2.1: Bodemingrepen per archeologische beleidswaarde en cumulatief.
29 Vermeulen, 2015, 10-15.
21
Afb. 2.10: Deelgebieden op de archeologische beleidskaart van de gemeente Deventer.
3
CONCLUSIE EN GESPECIFICEERDE ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING
3.1
Gespecificeerde verwachting
In deze paragraaf wordt de archeologische verwachting voor het onderzoeksgebied nader gespecifieerd, op basis van de in par. 2 verzamelde gegevens. Hierbij wordt in ieder geval ingegaan op de volgende aspecten: a. b. c. d. e. f. g. h.
Datering; Complextype (nederzetting, grafveld, etc.); Omvang; Diepteligging; Gaafheid en conservering; Locatie en/of begrenzing binnen het onderzoeksgebied Verwachtingen ten aanzien van vondstmateriaal / indicatoren (artefacten); Mogelijke verstoringen.
De fysisch geografische context van deelgebied 1 is vertaald naar een hoge archeologische verwachting. De fysisch geografische context van deelgebied 2 is ook hoofdzakelijk vertaald naar een hoge archeologisch verwachting. Daarnaast gelden hier kleine zones met lage en middelmatige archeologische verwachtingen. In 22
beide deelgebieden is geen sprake van (overtuigende) aanvullende archeologische of historische context, die aanleiding geeft voor een (hogere) archeologische verwachtingswaarde. Hieronder wordt de archeologische verwachting per tijdsperiode(n) verder behandeld: 3.1.1
Prehistorie t/m vroege middeleeuwen
Beide deelgebieden kennen op basis van fysisch geografische context (grotendeels) een hoge verwachting voor archeologische resten uit de prehistorie t/m vroege middeleeuwen. Beide deelgebieden kennen op de geomorfologische kaart hoofdzakelijk een ligging op een grote, hoge dekzandduin. In deelgebied 2 is daarnaast ook sprake van een kleine zone met een lage tot middelmatige archeologische verwachting (zie 2.1). Deze zones liggen wel op de overgang naar de (hogere) dekzandduin. Zodoende dient hier wel rekening gehouden te worden met sporen van randverschijnselen, gekoppeld aan bewoning op de hoger gelegen terreindelen. In de omgeving van de deelgebieden heeft geen archeologisch onderzoek plaatsgevonden waaruit de aanwezigheid van vindplaatsen naar voren komt en ook is geen historische data beschikbaar die hierop wijst. Archeologische resten uit deze periode(n) zullen voorkomen als grondsporen zoals afval-, haard-, paal-, voorraad- en silokuilen. Vondstmateriaal kan bestaan uit aardewerk, dierlijk botmateriaal, hout, metaal en slak, natuur- en vuursteen. Met name bij vindplaatsen uit de Steentijd kan vondstmateriaal (vuursteen) een zeer belangrijke component van de vindplaats zijn. 3.1.2
Late middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Op de Hottingerkaart (1773 – 1794) en de kadastrale kaart (ca. 1832) lijken beide deelgebieden grotendeels onderdeel uit te maken van een groot, onontgonnen heidegebied (zie 2.3.1.1 en 2.3.1.2). In het oosten van deelgebied 2 ligt een kleine zone die behoort tot een (reeds ontgonnen) hooiland. Wel is opvallend dat op de kadastrale kaart (1832) een structuur vlakbuiten deelgebied 2 staat weergegeven (zie 2.3.1.2). Pas op topografisch kaartmateriaal vanaf 1850 lijken de overige delen van het terrein daadwerkelijk ontgonnen te worden (zie 2.3.1.3). Tot 1965 lijkt bebouwing in beide deelgebieden nog te ontbreken en kort daarna wordt het sportcomplex reeds geopend (zie 2.3.1.5 en 2.3.1.6). Sindsdien hebben geen noemenswaardige wijzigingen meer plaatsgevonden. Beide deelgebieden kennen zodoende geen specifieke archeologische of historische context die wijzen op een (verhoogde) archeologische verwachting voor de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Archeologische resten uit deze periode zijn echter niet zonder meer uitgesloten. Eventueel aanwezige archeologische resten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd kunnen zullen voorkomen als grondsporen, zoals: paalkuilen, greppels etc. Vondstmateriaal kan bestaan uit aardewerk, dierlijk botmateriaal, glas, keramisch bouwmateriaal, metaal en -slak etc.
3.1.2.1 Locatie en omvang Op dit moment is niet duidelijk in hoeverre sprake zal zijn van eventuele vindplaatsen en wat daarvan de omvang of begrenzing is. 3.1.2.2 Diepteligging, conservering en verstoring Archeologische resten zullen met name in de natuurlijke bodem gelegen zijn. Op basis van de geomorfologische kaart wordt het natuurlijke zand op het hoge dekzandduin op ca. 0,5 – 1,5 m -mv. verwacht. Op de naastgelegen fluviatiele terrasrest met (oud) dekzand wordt dit op ca. 0,0 – 0,5 m -mv. verwacht. Op delen van de terrasrest met een plaggendek wordt het natuurlijke zand op ca. 0,3 – 0,7 m -mv. verwacht. Dit laatste sluit aan op de diepteligging van het natuurlijke zand zoals dat is aangetroffen bij archeologische onderzoeken op de ‘Kapelweide’ (zie 2.4). Een AHN-analyse en historisch kaartmateriaal geven aanleiding om in beide deelgebieden rekening te houden met een associatie van stuifzanden en hoge dekzandgronden. Indien hiervan sprake is kan dit enerzijds betekenen dat er sprake is van (door stuifzand) begraven archeologische sporenniveaus. Anderzijds kan dit betekenen dat (ten dele) sprake is van verstoven en daardoor verstoorde archeologische niveaus. Daarnaast (of als gevolg daarvan) lijken beide deelgebieden tot het midden van de 19de eeuw niet ontgonnen te zijn. In hoeverre zodoende daadwerkelijk sprake is van een (dik) plaggendek is niet duidelijk.
Daartegenover staat wel dat bij archeologisch onderzoek nabij beide deelgebieden wel (restanten van dunne) plaggendekken zijn aangetroffen. Zowel (op bewoningsniveaus afgezet) stuifzand als plaggendekken kunnen fungeren als afdekkende en conserverende laag, waardoor eventueel ondergelegen archeologische resten minder kwetsbaar zijn (geweest) voor bodemingrepen. Omdat mogelijk sprake is van een complexe fysisch geografische situatie, kan in het bureauonderzoek niet nauwkeuriger bepaald worden wat de diepteligging van 23
archeologische niveaus is en in welke mate deze zijn afgedekt. Hier kan verkennend booronderzoek meer inzicht geven. Binnen beide deelgebieden is sprake van diverse lokale verstoringen. Allereerst is sprake van verstoring door de aanleg van kabels en leidingen. Bij de aanleg van kabels en leidingen kan lokale verstoring tot ca. 1,0 m mv. hebben plaatsgevonden. Tijdens het inzaaien/aanleggen van de sportvelden in de deelgebieden heeft vermoedelijk ook tot beperkte diepte verstoring plaatsgevonden. Het is niet bekend of onder de sportvelden nog andere elementen aanwezig zijn (zoals drainage en beregeningssystemen). Indien hiervan sprake is kan de aanleg lokaal diepere verstoringen hebben veroorzaakt. In het zuidelijke deelgebied is ook nog sprake van twee structuren: een zendmastgebouw en een bijgebouw. Bij de aanleg hiervan kan ook lokale verstoring hebben opgetreden. In algemene zin geldt dat zich vooral aan de randen van de velden mogelijk beperkte verstoringen bevinden. Of ook onder de velden sprake is van diepere verstoringen kan alleen doormiddel van booronderzoek worden vastgesteld. De onderzoeksvragen van dit bureauonderzoek kunnen als volgt worden beantwoord: -
Wat is de archeologische verwachting van beide deelgebieden en is archeologisch onderzoek voorafgaand aan de voorgenomen ingreep noodzakelijk? Deelgebied 1 kent op basis van fysisch geografische context een hoge archeologische verwachting. Deelgebied 2 kent op basis van fysisch geografische context ook hoofdzakelijk een hoge archeologische verwachting, maar kent daarnaast ook kleine zones met een lage en middelmatige archeologische verwachting. Zones met een lage archeologische verwachtingswaarde zijn vertaald naar archeologische beleidswaarde 1, maar niet opgenomen in het vigerend bestemmingsplan. Zones met middelmatige en hoge archeologische verwachtingswaarden zijn in het vigerend bestemmingsplan (Chw bestemmingsplan Deventer, stad en dorpen deel D) opgenomen als dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’. Op het moment van schrijven is sprake van drie variantenstudies, waarbij wordt gekeken welk scenario de voorkeur geniet. Verdere (concrete) bouw- en funderingstekeningen ontbreken nog. In alle drie de varianten is min of meer sprake van dezelfde uitgangspunten (zie 1.4.3): Naar verwachting leidt de realisatie van het schoolcomplex met het vernieuwde sportveld A). tot nagenoeg vlakdekkende verstoring van het aangewezen terrein of B).
in ieder geval tot grootschalige verstoringen, waarbij de vrijstellingsgrenzen van de ter plaatse geldende archeologische beleidswaarden worden overschreden. In het noordelijk deelgebied (deelgebied 1) is sprake van een maximale verstoring van ca. ca. 8.795 m2. In het zuidelijke deelgebied is sprake van een maximale verstoring van ca. 12.389 m2. In totaal zal sprake zijn van een maximale verstoring van ca. 21.184 m2. Aangezien voorziene bodemingrepen de vrijstellingsgrenzen overschrijden, dient archeologisch)onderzoek plaats te vinden. Dit bureauonderzoek is de eerste stap in het archeologisch onderzoeksproces.