CConstaterende datDeventer
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-488 BOPA Butersdijk 5-7 Lettele

Raadsvergadering 17 juli 2024, gemeente DeventerBij agendapunt: Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (BOPA) Butersdijk 5-715.571 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Conclusie

Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Algemeen

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

22

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief • • •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

2.

4.3.2

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Situatie projectgebied

Zoals in paragraaf 4.11.4 wordt aangegeven, zorgt de realisatie van de boerderijsplitsing voor 8 extra verkeersbewegingen. Met de NIBM-tool kan worden berekend of als gevolg van een ontwikkeling aan de norm genoemd in het NIBM (1,2 ug/m3 voor fijnstof en stikstofdioxide) kan worden voldaan. In de onderstaande tabel is dit weergegeven.

Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat de toename van het verkeer niet in betekende mate is. Daarom kan het voornemen worden aangemerkt als een project dat ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. 4.3.3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

23

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief

4.4

Omgevingsveiligheid

4.4.1

Algemeen

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • • 4.4.4

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl) Situatie in en bij het projectgebied

Aan de hand van de Landelijke Signaleringskaart Externe Veiligheid is er een inventarisatie verricht van risicobronnen in de omgeving van het projectgebied. Op de signaleringskaart staan meerdere soorten risico’s, zoals ongevallen met brandbaare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In onderstaande afbeelding s een uitsnede van de signaleringskaart met betrekking tot het projectgebied (blauwe ster) en de directe omgeving weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief

Afbeelding 4.2 Omgevingsveiligheid Butersdijk 5-7 (bron: Landelijke signaleringskaart Externe Veiligheid

Uit de inventarisatie blijkt dat het projectgebied: • • • • • • • • •

zich niet bevindt binnen de risicocontour gevaarlijke stoffen bij bedrijven; zich wel bevindt binnen de veiligheidsafstanden van het basisnet vervoer van gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer van gevaarlijke stoffen in buisleidingen; niet gelegen is binnen de effectafstand van een aangewezen milieubelastende windturbine; niet is gelegen in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de risicocontour van het opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk; niet is gelegen binnen de risicocontour van het opslaan en bewerken van stoffen voor civiel gebruik; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik;

De dichtstbijzijnde buisleiding is een aardgasbuisleiding waar een afstand van 150 meter voor nodig is. Het projectgebied ligt op circa 366 meter afstand. Er is dus voldoende afstand waardoor een nadere verantwoording voor het groepsrisico niet benodigd is.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief 4.4.3

Conclusie

Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.5

Milieuzonering

4.5.1

Algemeen

Onder de Omgevingswet worden aspecten als geluid- en geurhinder niet meer in het milieuspoor geregeld, zoals voorheen in het Activiteitenbesluit of een milieuvergunning, maar direct in het omgevingsplan. Dit is een van de redenen waarom de VNG heeft besloten dat de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009 met de richtafstanden per bedrijfsactiviteit niet meer goed past bij het integrale karakter van de Omgevingswet en het omgevingsplan. Milieuzonering nieuwe stijl (VNG handreiking mei 2019) anticipeert hierop en gaat uit van de beschikbare gebruiksruimte om activiteiten uit te voeren, onder meer voor geluid. De werkelijke milieubelasting van een bedrijfsactiviteit is dan bepalend of een activiteit op een bepaalde locatie past, en niet meer een richtafstand. De systematiek uit de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ is opgenomen in veel bestemmingen. Zolang die bestemmingsplannen van kracht zijn – ook na overgang in het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege – wordt deze systematiek nog toegepast. In voorliggend geval geldt voor het project gebied de oude stijl systematiek. Hierna wordt de ontwikkeling op basis hiervan getoetst. 4.5.2

Situatie projectgebied

Gebiedstypen In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het projectgebied is gelegen in een omgeving waar voornamelijk woningen aanwezig zijn, daarom kan de omgeving worden aangemerkt met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. De richtafstanden behorende bij de te onderscheiden omgevingstypen worden in de navolgende tabel inzichtelijk gemaakt:

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief 5.3 6

1.000 m 1.500 m

700 m 1.000 m

Interne en externe werking Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de functie toe? (interne werking).

Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het projectgebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving of wanneer de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. De functie ‘wonen’ wordt gezien als milieugevoelige functie. In de nabijheid van het projectgebied bevinden zich meerdere milieubelastende functies die een effect kunnen hebben op het verwachte woon- en leefklimaat ter plaatse. Bij veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur.

Bij agrarische bedrijven zijn, in het geval van veehouderijen, echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in de volgende paragraaf nader op ingegaan. Op circa 80 meter bevindt zich een paardenhouderij. Hiervoor geldt een milieucategorie van 3.1 met een grootste richtafstand van 50 meter. Op circa 270 meter ligt een geitenhouderij. Hiervoor geldt een milieucategorie 3.1 met een grootste richtafstand van 50 meter. Zoals uit voorgaande blijkt, wordt de richtafstand (het aspect 'geur' buiten beschouwing latend) voor de (agrarische) bedrijven gehaald. De bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Ter plaatse van het projectgebied zelf is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten. 4.5.3

Conclusie

Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief

4.6

Geur

4.6.1

Algemeen

Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worden meegenomen in de motivering. De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • • • • 4.6.2

Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden Situatie projectgebied

Rondom het projectgebied bevinden zich twee veehouderijen, waarvan een een paardenhouderij is. BJZ.nu heeft een geuronderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. Deze is te vinden in bijlage 5. Er is in het onderzoek zowel gekeken naar de voor- als naar de achtergrondgeurbelasting. Bij het beoordelen van de voorgrondgeurbelasting is geconcludeerd dat deeze belasting als ‘redelijk goed’ gekwalificeerd kan worden. De achtergrondgeurbelasting is te kwalificeren als ‘goed’. 4.6.3

Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.7

Ecologie

4.7.1

Algemeen

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief 4.7.2

Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. 2. 3.

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 4.7.3

Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •

er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 4.7.4

Situatie projectgebied

Gebiedsbescherming

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief Natura 2000-gebieden Het projectgebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied ‘Rijntakken’ ligt op een afstand van circa 8,2 kilometer van het projectgebied, zie afbeelding 4.3. Overige Natura 2000-gebieden bevinden zich op grotere afstand. Er zijn geen gevolgen voor een Natura 2000 gebied met dit planvoornemen.

Afbeelding 4.3 Projectgebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden

NNN-gebieden Het projectgebied ligt op circa 965 meter afstand van het dichtstbijzijnde NNN-gebied, zie afbeelding 4.4 . Er is dus sprake van een ontwikkeling buiten het NNN en gezien de aard en omvang van dit plan wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingsverordening Overijssel.

Afbeelding 4.4 Ligging projectgebied ten opzichte van NNN-gebied (bron: PDOKviewer)

Soortenbescherming Het planvoornemen houdt het splitsen van een boerderij in twee woningen in. Dit is een functieverandering van de bestaande woning, zodoende heeft het geen effect op de flora en fauna.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief 4.7.5

Conclusie

Voorgenomen ontwikkeling zorgt niet voor een verhoging van de stikstofuitstoot en daarmee stikstofdepostie op Natura 2000-gebieden. Vanuit het aspect ecologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.8

Archeologie & cultuurhistorie

4.8.1

Algemeen

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden ‘landschappen’ als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd.

Artikel 5.129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee. Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: • • • • • •

ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Hierna worden nader ingegaan op de aspecten archeologie en cultuurhistorie. 4.8.2

Archeologie

Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief 4.8.3

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het projectgebied gelegen werelderfgoed. 4.8.4

Situatie projectgebied

De gemeente Deventer heeft de archeologische verwachtingswaarden geborgd middels dubbelbestemmingen in het tijdelijke Omgevingsplan. Op basis van het geldend planologisch regime geldt deels ter plaatse van het projectgebied de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Op gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’ mogen werkzaamheden tot een oppervlakte van 200m2 en dieper dan 0,50 meter zonder archeologische voorwaarden worden uitgevoerd. Bij werkzaamheden die leiden tot een verstoring tussen de 200 m2 en de 500 m2 kan door het bevoegd gezag een voorschrift aan de vergunning worden verbonden. Bij werkzaamheden groter dan 500 m2 en dieper dan 0,5 meter moet bij de aanvraag een archeologisch rapport worden overlegd. In dit geval is de bouw van het bijgebouw en de verplaatsing van het andere bijgebouw de oppervlakte kleiner dan 200 m2. Daarnaast wordt de woning gesplitst. Hierbij vinden geen grondwerkzaamheden plaats. Er is dan ook geen noodzaak tot het doen van onderzoek naar de archeologische waarden. Op locatie Butersdijk 5-7 zijn geen monumenten aanwezig. In september 2009 heeft het Oversticht in opdracht van de gemeente Deventer het buitengebied onderzocht op de aanwezigheid van karakteristieke panden. Het pand aan de Butersdijk 5-7 is daarbij als ‘niet karakteristiek’ aangemerkt. Daarnaast heeft de commissie Welstand ingestemd met het plan. 4.8.5

Conclusie

Vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.9

Trillingshinder

4.9.1

Algemeen

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1.

Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. 4.9.2

Situatie projectgebied

Op een afstand van circa 4 kilometer ten opzichte van het projectgebied is de spoorlijn Deventer – Holten gelegen. Dit is op meer dan voldoende afstand van het projectgebied. Mogelijke trilling van de spoorlijn heeft hier dan ook geen invloed. 4.9.3

Conclusie

Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.10

Wateraspecten

4.10.1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Zoals in (paragraaf 4.5) uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.10.2 Watertoetsproces en waterhuishouding projectgebied Het Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDOD) is geinformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets.

De beantwoording van de vragen heeft geleid tot de ‘korte’ procedure. De uitkomst van de watertoets is opgenomen in bijlage 2 van deze ruimtelijke onderbouwing. Hierna wordt ingegaan op de voor dit plan van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten. Invloed op de waterhuishouding Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het bestemmingsplan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd en de toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1500 m2. Binnen het projectgebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen adviseert het Waterschap om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lager gelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater. Voorkeursbeleid hemelwater WDOD Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht.

Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi’s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het projectgebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Het projectgebied ligt niet in een beschermingszone voor riooltransportleidingen, waterbergingsgebieden of leggerwatergangen van het waterschap. Ook ligt het gebied niet in een drinkwaterbeschermingsgebied. Het gaat om een bestaande woning die gesplitst wordt, met afvalwater op bestaande riolering, er worden bijgebouwen gebouwd en het geheel wordt landschappelijk ingepast waarbij er ruimte is voor infiltratie en afvoer van hemelwater richting de sloten. Dit gebeurt geheel op eigen terrein. 4.10.3 Conclusie Vanuit het aspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.11

Verkeer en Parkeren

4.11.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)’ van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren’ opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. 4.11.2 Uitgangspunten Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone, parkeernorm en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •

Verstedelijkingsgraad: Niet stedelijk (Bron: CBS Statline); Stedelijke zone: Buitengebied (parkeerbeleid gemeente Deventer).

In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. Daarnaast wordt hierin een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. In voorliggend geval is in overleg met de gemeente van het gemiddelde uitgegaan. Op basis van de CROW-uitgave gelden voor de te realiseren woningen in het projectgebied de volgende gemiddelde parkeernormen en normen voor de verkeersgeneratie. Hierbij is uitgegaan van een maximale invulling van het projectgebied. Tabel met uitgangspunten Functie/activiteit Koop, huis, twee-onder-een-kap

Parkeernorm per woning 2,2

Verkeersgeneratie per woning 7,8

4.11.3 Parkeerbehoefte Uitgaande van de in 4.11.2 genoemde uitgangspunten wordt in onderstaande tabel de parkeerbehoefte berekend. Functie / activiteit

Parkeernorm per woning

Aantal woningen

Parkeerbehoefte

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief Koop, huis, twee-ondereen-kap Totale parkeerbehoefte

2,2

2

4,4 4,4

Uit bovenstaande tabel komt naar voren dat er sprake is van een parkeerbehoefte in het projectgebied, afgerond naar boven van 5 parkeerplaatsen. Deze parkeerbehoefte kan geheel op eigen terrein worden opgevangen. 4.11.4 Verkeersgeneratie en ontsluiting Uitgaande van de in de 4.11.2 genoemde uitgangspunten wordt in onderstaande tabel de verkeersgeneratie berekend. Functie / activiteit

Verkeersgeneratie per woning 7,8

Aantal woningen

Koop, huis, twee-onder2 één-kap Totaal aantal verkeersbewegingen per weekdagetmaal (afgerond naar boven)

Verkeersbewegingen per weekdagetmaal 15,6 15,6 (16)

Uit bovenstaande tabel blijkt dat er als gevolg van onderhavig plan sprake is van afgerond naar boven 16 verkeersbewegingen per weekdagetmaal in totaal. Er komt één woning bij, dus er komen afgerond 8 verkeersbewegingen bij. In de beoogde situatie ontsluiten de woningen via een gedeelde uitrit op de Butersdijk. De Butersdijk is ter hoogte van het projectgebied een doodlopende weg. Er is sprake van een lage verkeersintensiteit. Gelet op de relatief geringe toename van verkeersbewegingen en de ontsluiting kan deze weg als verkeersveilig worden aangemerkt. 4.11.5 Conclusie Vanuit het aspect verkeer en parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.12

Gezondheid

4.12.1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: • •

het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de buitenplanse omgevingsvergunning is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. 4.12.2 Situatie projectgebied In de beoogde situatie wordt de bestaande boerderij gesplitst in twee woningen aan de locatie Butersdijk 5-7 in het buitengebied bij Lettele. Op een afstand van 80 meter is een paardenhouderij/fokkerij aanwezig. Recente onderzoeken naar de gevolgen van veehouderijen op de gezondheid geven aan dat er in de gebieden met intense veehouderijen en geitenhouderijen tot 2 kilometer meer longontstekingen voorkomen. Wat deze verhoogde kans op longontsteking veroorzaakt is echter niet duidelijk en wordt de komende jaren nader onderzocht.

Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en er een integrale aanpak voor veehouderijen voorhanden is, is het advies van de GGD aan de gemeente om het voorzorgprincipe toe te passen en terughoudend te zijn in het plaatsen van gevoelige bestemmingen binnen 250 meter van een geitenhouderij. Kwetsbare groepen zoals kinderopvang en scholen dienen op een zo groot mogelijke afstand van een geitenhouderij gerealiseerd te worden. Bij het realiseren van dit planvoornemen wordt er rekening gehouden met de voorzorgsafstand van 250 meter ten opzichte van een geitenhouderij. Er worden geen nieuwe woningen gerealiseerd binnen deze afstand. Zoals reeds vermeld in paragraaf 4.5.3 is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen. 4.12.3 Conclusie Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

4.13

Duurzaamheid

4.13.1 Algemeen Duurzaamheidthema's zoals energie- en waterbesparing, aandacht voor langzaam verkeer en groenvoorzieningen, zuinig grondstoffengebruik, efficiënt ruimtegebruik en duurzaam bouwen, zullen met name bij nieuwbouwplannen en herinrichting een belangrijke plaats toegekend krijgen. Ontwikkeling van duurzaamheid past in de ontwikkeling die het duurzaamheidsdenken nu ook landelijk doormaakt en waarbij ook steeds meer de eisen als negatieve prikkel omgezet worden in een positieve benadering in de vorm van wijzen op de kwaliteit van het gebouw, op (woon-)comfort, het binnenmilieu in het algemeen, op gezond wonen en leven. In het Milieubeleidsplan 2003-2008 presenteert de gemeente Deventer haar ambitie op het gebied van duurzaam bouwen en energiebeleid. In juni 2009 is de Visie Duurzaam Deventer bestuurlijk vastgesteld. De gemeentelijke ambitie is dat Deventer in 2030 klimaat- en energieneutraal is. Om deze ambitie te realiseren is voor de periode 2011-2014 door de gemeenteraad de Uitvoeringsagenda Duurzaamheid 'Op weg naar een duurzaam evenwicht' vastgesteld. Deze periode is verlengd tot 2018. In april 2016 heeft de raad de doelstelling energieneutraal 2030 herbevestigd en besloten dat tot 2018 de uitvoeringsagenda duurzame energie het kader is. De beleidsprioriteit duurzame mobiliteit is aan 8 beleidsprioriteiten toegevoegd.

De focus ligt naast duurzame mobiliteit, ook op verduurzaming bestaande woningbouw en verduurzaming bedrijven en kantoren. Daarnaast zijn er beleidsprioriteiten over energieneutrale nieuwbouw en gebiedsontwikkeling, partnerschappen, duurzame energiebronnen (zon, wind en biomassa) en de eigen bedrijfsvoering.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief 4.13.2 Situatie projectgebied Er wordt geen nieuwe woning gebouwd, maar er wordt gebruik gemaakt van het bestaande vastgoed. Op het dak van de nieuwe schuur komen zonnepanelen. In dezelfde nieuwe schuur komt een warmtepomp. Hiermee draagt het projectgebied bij aan duurzaamheidsdoelstellingen van de gemeente. Daarnaast wordt door middel van landschappelijke inpassing het projectgebied groen ingericht. Er is gebruik gemaakt van het puntensysteem natuurinclusief bouwen van de gemeente Deventer. Er komen drie nestgelegenheden voor de huismus, drie nestkommen voor de huiszwaluw, een nestplaats voor een spreeuw en er wordt 100m2 geriefhoutbos aangelegd. Het puntensysteem natuurinclusief is te vinden in bijlage 3. 4.13.3 Conclusie In voorliggend plan is voldoende aandacht aan het aspect ‘duurzaamheid’ besteed.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief

4.14

Besluit Milieueffectrapportage

4.14.1 Algemeen Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een BOPA volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.). Daarnaast kunnen de mer-verplichtingen nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een merbeoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is nog maar één mer-beoordelingsprocedure. 4.14.2 Project-mer-beoordeling • •

Artikel Omgevingswet: 16.43 en 16.88 (eerste lid, onder h). Artikel Omgevingsbesluit: 11.11. Nadere regels project--mer-beoordeling.

Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de wet, met de bijbehorende motivering op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit) In de motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) wordt in ieder geval verwezen naar: 1. 2.

de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: a. 1˚. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en b. 2˚. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.

Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob. Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van: 1.

2. 3.

het project, met in ieder geval een beschrijving van: a. de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van sloopactiviteiten; b. de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn; de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van: a. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en b. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief 4.14.3 Situatie projectgebied In voorliggend geval past de ontwikkeling mogelijk onder het project uit kolom 1: ‘Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen’. Indien het de beoogde ontwikkeling gekenmerkt wordt als ‘stedelijk ontwikkelingsproject’, is er geen sprake van een mer-plicht zoals gesteld in kolom 3 bijlage V van het Ob. Wel kan er sprake zijn van een mer-beoordelingsplicht uit kolom 4, indien er aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject plaatsvindt. Het project gaat over het planologisch splitsen van de boerderij en het toevoegen van bijgebouwen. Uit voorliggende onderbouwing blijkt dat er geen significante negatieve gevolgen zijn voor wat betreft milieuaspecten, zie hiervoor hoofdstuk 4. Gezien de aard en de kleinschaligheid van de ontwikkeling wordt gesteld dat de beoogde ontwikkeling, niet wordt aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject. Er dient daarom geen verder mer-beoordeling opgesteld te worden. 4.14.4 Conclusie Uit de bovenstaande beoordeling is gebleken dat de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een mer-rapportage en/of een mer-beoordeling en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief

HOOFDSTUK 5 5.1

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Algemeen

In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.

5.2

Kostenverhaal

Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.

5.3

Situatie projectgebied

In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief

HOOFDSTUK 6 6.1

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

Participatie

Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. Participatie heeft plaatsgevonden met een zevental buren. Dit is in een verslag vastgelegd, zie bijlage 4. Er waren geen bezwaren.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief

HOOFDSTUK 7 CONCLUSIE EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES? In dit hoofdstuk wordt een algehele conclusie getrokken. Gemotiveerd wordt of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 4, 5, 6 en 7). Indien het initiatief in strijd is met de omgevingsvisie, provinciale verordening of rijksbeleid is er geen sprake van een evenwichtige toedeling van functie aan de locatie en is het niet mogelijk om dit met een BOPA te vergunnen. In hoofdstuk 3,4, 5 en 6 wordt uitgebreid ingegaan op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Geconcludeerd kan worden dat er voldaan wordt aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief

BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING

Bijlage 1 – Erfinrichtingsplan

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief

Bijlage 2 – Watertoets

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief

Bijlage 3 – Puntensysteem natuur inclusief Butersdijk 5-7

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief

Bijlage 4 – Verslag participatie

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief

Bijlage 5 – Geuronderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14369557/1