CConstaterende datDeventer
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-488 BOPA Butersdijk 5-7 Lettele

Raadsvergadering 17 juli 2024, gemeente DeventerBij agendapunt: Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (BOPA) Butersdijk 5-715.571 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing Lettele, Butersdijk 5-7

Juni 2024

Status: Definitief

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief

BOPA “Lettele, Butersdijk 5-7”

Projectnaam: Plantype: Status: Datum:

Lettele, Butersdijk 5-7 Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Definitief Juni 2024

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

1

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief

INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDING ...................................................................................... 3 1.1 1.2 1.3

AANLEIDING ......................................................................................................................................... 3 LIGGING VAN HET PROJECTGEBIED .............................................................................................................. 3 LEESWIJZER .......................................................................................................................................... 3

HOOFDSTUK 2 PLANBESCHRIJVING .......................................................................... 4 2.1 2.2 2.3

BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE ................................................................................................................ 4 BESCHRIJVING NIEUWE SITUATIE ................................................................................................................ 4 BESCHRIJVING STRIJDIGHEID ..................................................................................................................... 6

HOOFDSTUK 3 BELEID EN REGELGEVING .................................................................... 7 3.1 3.2 3.3 3.4

RIJKSBELEID .......................................................................................................................................... 7 PROVINCIAAL BELEID ............................................................................................................................. 10 BELEID WATERSCHAP............................................................................................................................ 12 GEMEENTELIJK BELEID ........................................................................................................................... 14

HOOFDSTUK 4 ASPECTEN VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING ........................................... 19 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14

GELUID DOOR ACTIVITEITEN .................................................................................................................... 19 BODEMKWALITEIT ................................................................................................................................ 22 LUCHTKWALITEIT ................................................................................................................................. 22 OMGEVINGSVEILIGHEID ......................................................................................................................... 24 MILIEUZONERING ................................................................................................................................ 26 GEUR................................................................................................................................................ 28 ECOLOGIE .......................................................................................................................................... 28 ARCHEOLOGIE & CULTUURHISTORIE .......................................................................................................... 31 TRILLINGSHINDER .................................................................................................................................

32 WATERASPECTEN ................................................................................................................................. 33 VERKEER EN PARKEREN ......................................................................................................................... 34 GEZONDHEID ...................................................................................................................................... 35 DUURZAAMHEID .................................................................................................................................. 36 BESLUIT MILIEUEFFECTRAPPORTAGE ......................................................................................................... 38

HOOFDSTUK 5 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ..................................................... 40 5.1 5.2 5.3

ALGEMEEN ......................................................................................................................................... 40 KOSTENVERHAAL ................................................................................................................................. 40 SITUATIE PROJECTGEBIED ....................................................................................................................... 40

HOOFDSTUK 6 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID .............................................. 41 6.1

PARTICIPATIE ...................................................................................................................................... 41

HOOFDSTUK 7 CONCLUSIE EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES? .......... 42 BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING ........................................................... 43 BIJLAGE 1 – ERFINRICHTINGSPLAN ....................................................................................................................... 43 BIJLAGE 2 – WATERTOETS ................................................................................................................................. 44 BIJLAGE 3 – PUNTENSYSTEEM NATUUR INCLUSIEF BUTERSDIJK 5-7 .............................................................................. 45 BIJLAGE 4 – VERSLAG PARTICIPATIE ..................................................................................................................... 46 BIJLAGE 5 – GEURONDERZOEK............................................................................................................................ 47 BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

2

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief

HOOFDSTUK 1 1.1

INLEIDING

Aanleiding

Voorliggend plan ziet toe op het splitsen van een vrijstaande woning in twee woningen, aan de Butersdijk 5-7 in Lettele (Gemeente Deventer). Daarbij worden enkele bijgebouwen gesloopt, verplaatst en nieuw gebouwd. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan is de functie wonen toegewezen aan het projectgebied. Binnen deze functie wonen is het niet mogelijk om een woning toe te voegen. Daarmee is het realiseren van de woningsplitsing en de erfbebouwing volgens het vigerend omgevingsplan niet toegestaan. Om het voornemen mogelijk te maken, kan een omgevingsvergunning worden verleend voor een buitenplanse omevingsplanactiviteit (BOPA). Hiervoor dient op basis van artikel 8.0 lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) te worden aangetoond dat de BOPA in overeenstemming is met ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin.

1.2

Ligging van het projectgebied

Het projectgebied bevindt zich in het buitengebied van het dorp Lettele in de gemeente Deventer. In afbeelding 1.1 is met een blauwe ster en rode omlijning de ligging van het projectgebied in het buitengebied en de directe omgeving weergegeven. Bij het kadaster staat de grond bekend onder de gemeentecode DPV00, sectie K, perceelnummer 489, 1121 en een deel van 1120 en 1123.

Afbeelding 1.1 Ligging projectgebied ten opzichte van omgeving (bron: plattekaart.nl)

1.3

Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 allereerst ingegaan op de huidige situatie en de nieuwe situatie. Ook wordt hier de strijdigheid beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de toetsing aan het beleid. Hoofdstuk 4 gaat over de aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu. Hoofdstuk 5 en 6 beschrijven de participatie en de financiële haalbaarheid. Hoofdstuk 7 kent de conclusie of er een evenwichtige toedeling van functies aan locatie aanwezig is.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

3

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief

HOOFDSTUK 2 2.1

PLANBESCHRIJVING

Beschrijving huidige situatie

Het projectgebied (zie afbeelding 1.2) bevindt zich in het buitengebied van de plaats Lettele in de gemeente Deventer. Het projectgebied ligt ten noord-westen van het dorp Lettele. De omgeving wordt gekarakteriseerd door verspreid liggende woonerven, agrarische bedrijfspercelen en bos. De directe omgeving rondom het projectgebied bestaat uit agrarische gronden en bos. Planologisch gezien heeft het projectgebied een woonfunctie met één woning met bijbehorende bouwwerken. Het perceel wordt ontsloten door de Butersdijk, een doodlopende weg.

Afbeelding 2.1 Projectgebied Butersdijk 5-7 (bron: Pdok.nl)

2.2

Beschrijving nieuwe situatie

Het voornemen ter plaatse van Butersdijk 5-7 ziet toe op de boerderijsplitsing (inclusief uitbouw van 20,4 m2) het verplaatsen (inclusief slopen) en toevoegen van bijgebouwen, het toevoegen van nieuwe natuur en het landschappelijk inpassen van het boerderijerf. Er worden kwalitatieve investeringen gepleegd door het woonperceel landschappelijk in te passen in het buitengebied. Ter compensatie wordt er een stuk nieuw bos aangelegd, aangrenzend aan het bestaande bos. Hiertoe is door GroenAdviesbureau ten Have een erfinrichtingsplan opgesteld en door architect Daggenvoorde Architecten tekeningen voor de verbouw van de woning en bijgebouwen. Afbeeldingen 2.2 t/m 2.4 geven een impressie van de voorgenomen ontwikkeling. In bijlage 1 is het erfinrichtingsplan te vinden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

4

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief

Afbeelding 2.2 Voorgevel aanzicht boerderij (bron: Daggenvoorde Architecten)

Afbeelding 2.3 Plattegrond erf (Bron: Daggenvoorde Architecten)

Afbeelding 2.4 Erfinrichting Butersdijk 5-7 (Bron: GroenAdviesbureau ten Have)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

5

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief

2.3

Beschrijving strijdigheid

2.3.1

Omgevingsplan

Het perceel ligt binnen de grenzen van het omgevingsplan van rechtswege zoals vervat in bestemmingsplan ‘Buitengebied Deventer, 1e herziening (2017)’ van de gemeente Deventer. Het bestemmingsplan is op 1 maart 2017 vastgesteld door de gemeenteraad. In afbeelding (2.5) is een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Deventer, 1e herziening’ opgenomen.

Afbeelding 2.5 Uitsnede tijdelijk omgevingsplan (bron: omgevingswet.overheid.nl)

Op basis van het geldende bestemmingsplan hebben de betreffende gronden de functie ‘wonen’ en ‘waarde – Archeologie 3’. Daarnaast heeft het perceel de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – voormalig bedrijfsbebouwing’. De voor ‘wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen (met daaronder begrepen kleinschalige beroepen- en bedrijven-aan-huis), ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – voormalige bedrijfsbebouwing’ voormalige bedrijfsbebouwing, en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals: erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen, water en paardenbakken. Doordat binnen het bouwvlak uitsluitend één woning is toegestaan, is de voorgenomen woningsplitsing niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan. 2.3.2

Strijdigheid

Het projectvoornemen is in strijd met art. 21.2 onder e van voormalig bestemmingsplan ‘Buitengebied Deventer, 2017’ en dus in strijd met het tijdelijk deel van het omgevingsplan. In het artikel 21.2 onder e is opgenomen dat er geen nieuwe woningen toegevoegd mogen worden, er is namelijk maar één woning toegestaan per bouwvlak. Daarnaast mogen ter plaatse van de aanduiding: specifieke vorm van wonen – voormalige bedrijfsbebouwing alleen bestaande bijgebouwen aanwezig zijn. Het planvoornemen is het toevoegen van een woning door woningsplitsing (+ verbouw) en het toevoegen van een bijgebouw van

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

6

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief maximaal 100 m2. De activiteit is daarmee in strijd met de gebruiksregels en bouwregels van het bestemmingsplan.

HOOFDSTUK 3

BELEID EN REGELGEVING

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor dit projectgebied geldende uitgangspunten weergegeven.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

3.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 3.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1.

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2.

Duurzaam economisch groeipotentieel

Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3.

Sterke en gezonde steden en regio’s

Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. 4.

Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

7

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. 3.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1.

2.

3.

3.1.2

Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties. Instructieregels Rijk (Amvb’s)

Artikel 8.0b, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: • • •

de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert.

Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat: o o o o o o

o

waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2) beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3) beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).

Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

8

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Zie stap 11f van hoofdstuk 3. In de onderbouwing moet worden ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. Per onderwerp dient een toetsing plaats te vinden. Hierna is een uitwerking gegeven inzake de Ladder voor duurzame verstedelijking, omdat deze in de praktijk veel voorkomt. Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De Ladder voor duurzame verstedelijking is geïntroduceerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR: voorganger van de NOVI). Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen en vervolgens beleidsneutraal overgezet naar het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit geldt ook voor de reeds opgebouwde jurisprudentie.

De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’, ‘stedelijke ontwikkeling’ en nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’. bestaand stedelijk gebied betreft het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. In artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet.

Er is een overzichtsuitspraak ( ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). 3.1.3

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het Rijksbeleid

Toetsing aan de NOVI Voorliggende kwestie betreft een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van het gebied centraal gesteld. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Toetsing Instructieregels Rijks (Amvb’s) In hoofdstuk 5 wordt aangetoond dat er bij dit planvoornemen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' (artikel 3.1.6, lid 2 bkl) wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen'. Er zijn inmiddels meerdere gerechtelijke uitspraken geweest over deze begripsdefinitie. Voor het realiseren van woningen is de uitspraak ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921 van toepassing. Uit deze uitspraak blijkt dat het realiseren van 11 woningen niet wordt gezien als stedelijke BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

9

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i Bro. In voorliggend geval is de ladder voor duurzame verstedelijking dan ook niet van toepassing aangezien sprake is van de toevoeging van slechts één nieuwe wooneenheid. Het project kan niet gezien worden als een stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is dan dus ook niet nodig.

3.2

Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste plannen zijn de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening 3.2.1

Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. In 2017 is de Omgevingsvisie en –verordening 2017 vastgesteld, deze zijn beide in 2021 geactualiseerd. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel. 3.2.2

Omgevingsverordening

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie Overijssel. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie Overijssel te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

3.2.3

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de provinciale ambities wordt gebruik gemaakt van het 'Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel'. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, waar en hoe centraal. Aan de hand van deze drie stappen kan bepaald worden of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid. Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan. Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Afbeelding 3.1 geeft dit schematisch weer.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

10

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief

Afbeelding 3.1

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)

Hieronder worden de generieke beleidskeuzes, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken nader toegelicht. Of – generieke beleidskeuzes Maatschappelijke opgaven zijn leidend in het handelen van de provincie. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd. De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening. Waar – ontwikkelingsperspectieven Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of kan worden ontwikkeld. In de omgevingsvisie op de toekomst van Overijssel onderscheid de provincie zes ontwikkelingsperspectieven.

Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaaleconomische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

11

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging ten aanzien van functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen. Hoe – gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag ‘hoe’ een ontwikkeling invulling krijgt. 3.2.4 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) De provincie Overijssel heeft in 2009 de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) ingevoerd. Een nieuwe versie daarvan is opgenomen in de ‘Omgevingsverordening Overijssel’. De KGO biedt mogelijkheden aan gemeenten en hun inwoners en ondernemers. Elke gemeente geeft hier de eigen invulling aan. Voorwaarden zijn: een verbetering van de landschappelijke kwaliteit door de sloop van landschapsontsierende gebouwen, door landschappelijke inpassing en verbetering, door het behoud van karakteristieke gebouwen en door ecologische kansen te benutten. 3.2.5

Conclusie toetsing aan het provinciale beleid

De ontwikkeling is in lijn met uitgangspunten voor zuinig en zorgvuldig ruimte gebruik. Het voornemen voorziet in het planologisch toestaan van een extra woning in een reeds bestaande woning. Doordat de woning al aanwezig is in de huidige situatie, wordt er geen aanspraak gemaakt op onbebouwde ruimte. Er zijn geen relevante artikelen uit de omgevingsverordening en de omgevingsvisie van toepassing. Het initiatief past binnen de KGO zoals beschreven in paragraaf 3.2.4. De aanwezige woning wordt gesplitst in twee wooneenheden. Bij een van deze woningen wordt een ondergeschikte uitbouw van 20,4m2 gerealiseerd. Daarnaast komt er een nieuw te bouwen vergunningsvrij bijgebouw bij. In totaal komen er drie bijgebouwen: één bestaand bijgebouw van 116m2, een (te verplaatsen) schuur van 83m2 en het zojuist genoemde nieuw te bouwen bijgebouw van maximaal 100m2. De kwaliteitsimpuls die hier tegenover staat is het slopen van een schuur met 20m2 oppervlakte, het realiseren van een houtsingel van 625m2, een mantel-struweel zone van 850m2, toevoegen van nieuwe bomen en het planten van nieuw bos met een oppervlakte van 1825m2. Zie voor het beeld hierbij bijlage 1, het erfinrichtingsplan waarin wordt aangegeven waar op het erf deze kwaliteitsimpulsen gerealiseerd worden. Er wordt hiermee voldaan aan de eis van landschappelijke inpassing en verbetering, hiermee past het initiatief binnen de KGO.

De voorgenomen ontwikkeling regelt het planologisch splitsen van een boerderij. Dit gaat om een kleinschalige ontwikkeling welke past binnen het provinciale beleid.

3.3

Beleid Waterschap

3.3.1

Beleid Waterschap Drents Overijsselse Delta

Het beleid van Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta) is beschreven in het waterbeheerprogramma 2022-2027 en de Kadernotitie Stedelijk Water. Het waterbeheerprogramma is uitgewerkt in de volgende vier programma’s: •

•

Voldoende water: dit programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid: goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte. Schoon water: in het programmma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol, alsmede de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

12

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief • •

Waterveiligheid: het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en regionale watersysteem; Duurzame toekomst: Het waterschap hecht veel aan energietransitie: energieneutraal zijn tegen 2025, circulaire economie en bescherming van de biodiversiteit zijn voorbeelden van beleidsstukken voor de komende jaren.

Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in rumtelijke plannen rekening moet worden gehouden. 3.3.2

Beleid gemeente Deventer

Op grond van artikelen 3.5 en 3.6 van de Waterwet dragen de gemeenteraad en het college van B&W zorg voor: 1. 2. 3.

De inzameling van het afvloeiende hemelwater, voor zover de perceeleigenaar dit water zelf niet kan verwerken. (art. 3.5 lid 1); Verwerking van het ingezamelde hemelwater (art. 3.5 lid 2); Het treffen van maatregelen voor het openbaar gemeentelijk gebied ter voorkoming van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand (art. 3.6 lid 1).

Op grond van artikel 10.33 Wet milieubeheer hebben gemeenten de zorgplicht ten aanzien van de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, dat vrijkomt bij de binnen het grondgebied van de gemeente gelegen percelen. Gemeentelijk rioleringsplan Het gemeentelijk beleid is vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan (2022-2027). Hemelwaterbeleid In het Gemeentelijk Rioleringsplan en Klimaatadaptatieprogramma is een voorkeursvolgorde opgenomen voor het omgaan met afstromend hemelwater van verharde oppervlakken in de openbare ruimte. Daarbij is infiltratie van hemelwater in de bodem het uitgangspunten. In de meeste gevallen is de ondergrond van Deventer hier ook geschikt voor. Gezien klimaatverandering is de voorkeursvolgorde voor hemelwater als volgt: • Bovengronds afvoeren naar groen (plantvakken en bomen)? en daar infiltreren in de bodem • Bovengronds afvoeren naar een bovengrondse groene infiltratievoorziening? • Bovengronds of ondergronds afvoeren naar een ondergrondse infiltratievoorziening? • Bovengronds of ondergronds afvoeren naar oppervlaktewater? Bij infiltratie van hemelwater in de bodem gelden de eisen van de gemeente Deventer. Wordt hemelwater afgevoerd naar oppervlaktewater, gelden (ook) de eisen van het Waterschap Drents Overijsselse Delta.

In de Waterwet en het Bouwbesluit 2012 artikel 6.18 is aangegeven dat de perceeleigenaar de eerste verantwoordelijkheid heeft voor de opvang van hemelwater op eigen terrein en het bevoegde gezag (gemeente) kan bepalen welke voorzieningen moeten worden aangebracht. De gemeente heeft hier eisen aan gesteld in de Hemelwaterverordening (hoofdstuk 8 van de Verordening Fysieke Leefomgeving). Als uitgangspunt geldt dat de perceeleigenaar bij nieuwbouw zorgt voor een infiltratievoorziening met een inhoud van minimaal 20 mm over het bebouwd oppervlak op eigen terrein. Belangrijk is dat bij nieuwbouw en verbouw zo min mogelijk uitloogbare materialen en metalen zoals koper, lood en zink worden gebruikt om verspreiding van deze stoffen in oppervlaktewater of de bodem te voorkomen. Grondwatervisie De grondwatervisie is van de gemeente Deventer is gericht op het enerzijds voorkomen van grondwateroverlast (te hoge grondwaterstanden) en het anderzijds voorkomen van verdroging (lage grondwaterstanden). Door klimaatveranderingen zullen vaker langdurig droge (en hete) perioden BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

13

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief voorkomen. In Deventer heeft dit met name gevolgen voor de groenvoorzieningen, die bij langdurig te kort aan water afsterven. Door onder andere zoveel mogelijk hemelwater vanaf maaiveld in de bodem te infiltreren, proberen we de hoeveelheid bodemvocht voor de beplanting op peil te houden. 3.3.2

Toetsing van initiatief aan beleid Waterschap

In paragraaf 5.10 worden de wateraspecten behandeld.

3.4

Gemeentelijk beleid

Het gemeente beleid is verwoord in tal van beleidsplannen het gebied van wonen, gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema’s gekoppeld aan maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsvisie en andere voor voorliggend initiatief relevante beleidsstukken. 3.4.1 Omgevingsvisie gemeente Deventer (2019) De Omgevingsvisie Deventer is op 18 december 2019 door de gemeenteraad van Deventer vastgesteld. De afgelopen jaren is er veel veranderd binnen het ruimtelijke domein, denk aan demografische ontwikkelingen, klimaat en energietransitie en een toenemende en veranderende mobiliteit. Het werken met oude statische structuurplannen is verruild voor een dynamische Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie is een richtinggevend koersdocument binnen de nieuwe Omgevingswet die vanaf 2024 in werking zal treden. De Omgevingsvisie geldt voor het hele grondgebied van de gemeente. De Omgevingsvisie van Deventer is in samenwerking met verschillende stakeholders tot stand gekomen en biedt een handelingsperspectief voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente. Daarnaast toont de Omgevingsvisie de ambities en ontwikkelrichtingen op maatschappelijke thema's voor de verschillende deelgebieden binnen de stad, het buitengebied en alle dorpen. De omgevingsvisie heeft drie kernuitgangspunten: 1.

Het noaberschap de inclusiviteit meegeven die de gemeente wil: iedereen telt mee, iedereen doet mee; 2. Innovatiever zijn dan ooit tevoren; een slimme, schone economie in leren en werken; 3. Verduurzaming op met name de thema's energie en klimaat. Daarnaast streeft de gemeente Deventer naar een leefomgeving waar prettig wordt gewoond en die voor toekomstige generaties de moeite waard is. Daarom is zorgen voor duurzaam ruimtegebruik, een klimaatbestendige inrichting van de leefomgeving (voor 2050), een energieneutrale stad (voor 2030) en een circulaire economie van belang. Deventer wil energieneutraal worden door CO2-reductie, energiebesparing, zuinige en slimme energienetwerken zonder fossiele brandstoffen en de inzet van duurzame bronnen. Nieuwe woningen moeten bijna energieneutrale woningen (EPC-0) zijn. In de omgevingsvisie worden landelijke doelen uit de Deltabeslissing ruimtelijke adaptatie in de leefomgeving nagestreefd. Dit betekent dat ingrepen in de leefomgeving klimaatbestendig moeten worden uitgevoerd. Met een klimaatadaptieve inrichting van de stad dient de gemeente Deventer een aantal doelen: de gemeente Deventer bereidt zich voor op pieken in de waterafvoer, voldoet aan de noodzaak tot waterberging, houdt regenwater vast om verdroging te voorkomen en zorgt voor het voorkomen/beperken van hittestress.

In de omgevingsvisie is per gebied een beschrijving opgenomen van de kwaliteiten en ambities. Het projectgebied is in de omgevingsvisie opgenomen als onderdeel van het buitengebied. Het projectgebied ligt in het Oude Hoevenlandschap – Dekzandrug. In dit gebied mag volgens de omgevingsvisie de functie agrarisch en natuur en ecologie toenemen. Voor de functie wonen is het de bedoeling dat er hergebruik en transformatie van bestaand vastgoed plaatsvindt. De omgevingsvisie schrijft voor het buitengebied en specifiek voor het Oude hoevenlandschap de volgende ambities: BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

14

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief • • •

Meer wisselwerking tussen platteland en stad. Deventer stimuleert ontwikkelingen waar stad én buitengebied beide beter van worden, mits de fysieke verschillen tussen beide niet afvlakken of verdwijnen. Meer cultuurhistorische gelaagdheid. Afhankelijk van de aanwezige kwaliteiten van het erfgoed wordt er op uiteenlopende manieren met het erfgoed omgegaan: behouden, bijzonder aandacht vragen of inspireren. Kwaliteitsimpuls op Deventer schaal. Er wordt ingezet op een goede bereikbaarheid van het buitengebied en voor de verbinding tussen platteland en stad.

3.4.1.3 Toetsing van het initiatief aan de omgevingsvisie Met het planvoornemen wordt er een woning toegevoegd aan de woningvoorraad in het buitengebied, zonder dat er een extra woning bijgebouwd wordt. Dit draagt bij aan de toekomstbestendigheid van het buitengebied en het fysieke verschil tussen buitengebied en stad wordt hierdoor niet afgevlakt. Het gebied behoudt zijn eigen karakter. Door de landschappelijke inpassing wordt er natuur toegevoegd, dit is positief voor het buitengebied. 3.4.2 Duurzaamheidsbeleid Deventer Het duurzaamheidsbeleid van Deventer is in meerdere documenten vastgelegd. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste aspecten uit de verschillende beleidsdocumenten. In juni 2009 is de Visie Duurzaam Deventer vastgesteld. De gemeentelijke ambitie is dat Deventer in 2030 klimaat-en energieneutraal is. Om deze ambitie te realiseren is voor de periode 2011-2014 door de gemeenteraad de Uitvoeringsagenda Duurzaamheid "Op weg naar een duurzaam evenwicht" vastgesteld. In april 2016 heeft de raad de doelstelling energieneutraal 2030 herbevestigd en besloten dat de uitvoeringsagenda duurzame energie tot 2018 het kader is. In het bestuursakkoord wordt eveneens ingezet op duurzaamheid. Zaken als energietransitie, circulaire economie, duurzame mobiliteit, klimaatadaptatie en milieu hebben een nadrukkelijke plek gekregen.

In de Omgevingsvisie is een van de ambities "een duurzame toekomst, met extra aandacht voor klimaatadaptatie, energietransitie en circulaire economie". Energie In de Omgevingsvisie is de ambitie op het gebied van energie als volgt verwoord: Deventer wil energieneutraal worden door CO2 -reductie, energiebesparing, zuinige en slimme energienetwerken zonder fossiele brandstoffen en de inzet van duurzame bronnen. We stimuleren inwoners en ondernemers om bij te dragen aan de energietransitie, maar we hebben daarvoor op dit moment slechts beperkte mogelijkheden. We kunnen vooral een actieve bijdrage leveren door ruimte te maken voor duurzame energieopwekking (zon en wind), aardgasloze warmtenetten, slimme stroomnetwerken (smart grids) en biogasnetwerken. We willen dat nieuwe woningen duurzaam zijn. Landelijk is de doelstelling dat Nederland in 2050 geen aardgas meer gebruikt. In de bestaande woon- en werkgebieden moet veel gebeuren om dat te realiseren. Elektrisch rijden lijkt de toekomst. We willen een duurzaam mobiliteitssysteem realiseren met voldoende plek voor de elektrificatie van de fiets en voor de langere verplaatsingen de elektrische (deel)auto. De gemeenteraad heeft op 1 juli 2020 het Deventer Energieplan vastgesteld waarbij de ambitie om in 2030 energieneutraal te zijn opnieuw is opgenomen.

De gemeente zet in op het verminderen van het energieverbruik en is aan de slag met de omschakeling van gas en andere fossiele brandstoffen naar duurzame energie en warmte. In het Deventer Energieplan is opgenomen dat bij nieuwbouw ‘aardgasloos’ bouwen het uitgangspunt is. Per 1 juli 2018 is de Gaswet aangepast, waarmee de gasaansluitplicht voor nieuwe gebouwen is gewijzigd. Bij nieuwbouw voor kleinverbruikers (max 40 m3 gas/uur), zoals woningen en kleine bedrijfsgebouwen wordt geen gasaansluiting meer aangelegd. Bij nieuwbouwprojecten zal er dan ook sprake moeten zijn van een duurzame energievoorziening. Klimaat BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

15

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief Naast de energieopgave is er ook aandacht voor de klimaataanpak. In december 2021 is het Klimaatadaptatieprogramma vastgesteld. Hierin is de opgave, ambitie en aanpak op het gebied van klimaatadaptatie beschreven. Het klimaatadaptatieprogramma beschrijft hoe de verschillende opgaven op elkaar zijn afgestemd en wat de gemeente de komende jaren doet om te komen tot een Deventer dat klimaatklaar is. De ambitie is om in 2050 klimaatadaptief zijn. Dat betekent dat bij hevige regenval het water zijn weg vindt zonder al te veel overlast; er op hete dagen binnen en buiten koele plekken zijn en dat er extra aandacht is voor kwetsbare groepen; en we droogteschade beperken door regenwater niet naar de riolering af te voeren, maar in de bodem vast te houden. Ook in de Omgevingsvisie is de ambitie voor klimaatadaptatie opgenomen. Hierin wordt benadrukt dat we de stad klimaatbestendig en robuust willen inrichten en dat ons stedelijk gebied in 2050 echt klimaatbestendig is. Dit betekent dat we ingrepen in de leefomgeving klimaatbestendig uitvoeren. Met een klimaatadaptieve inrichting van de stad dienen we een aantal doelen: we bereiden ons voor op pieken in de water afvoer, voldoen aan de noodzaak tot waterberging, houden regenwater vast om verdroging te voorkomen en voorkomen/beperken hittestress.

Duurzame ontwikkeling In de Omgevingsvisie is aandacht voor verantwoord en meervoudig ruimtegebruik. Als gemeente moeten we bij het ruimtegebruik belangen afwegen. We streven naar duurzaam, verantwoord en meervoudig ruimtegebruik. Dit houdt in dat: • Ontwikkelingen moeten nodig zijn vanuit een lokale en/of regionale behoefte; • We bouwen bij voorkeur in het bestaande bebouwde gebied en de vastgestelde ontwikkellocaties. Op de inbreidingslocaties is ruimte voor specifieke doelgroepen, zoals young potentials, studenten en net afgestudeerden; • Wanneer de groei niet alleen door inbreiding kan plaatsvinden, zoeken we naar uitbreidingsmogelijkheden die passen bij stad, dorp en landschap; • We stimuleren het combineren van functies die elkaar versterken. Zo kunnen we in de toekomst leegstand beperken; • We borgen de basis- en kernkwaliteiten van de leefomgeving. Duurzaam ruimtegebruik ontstaat vaak door verschillende opgaven te verbinden en tussen schaalniveaus te schakelen. Bijvoorbeeld door het streven naar een toekomst zonder fossiele energiebronnen te verbinden met de herstructurering in de stad en/of de transitieopgave in de landbouw. De aspecten duurzame mobiliteit, verduurzaming bestaande woningbouw en verduurzaming bedrijven en kantoren, zoals opgenomen in de uitvoeringsagenda Duurzaamheid zijn ook nog steeds aan de orde.

De uitvoeringagenda is de leidraad om in samenspraak met externe partners de doelstelling te realiseren. De sleutel zit in samenwerken, partnerschappen en verbinding leggen met economie, innovatie, arbeidsmarkt, wonen en cultuur. Als burgers en bedrijven initiatieven nemen zullen we die graag faciliteren, de ruimte geven, daarvoor lobbyen en marketing stimuleren. 3.4.2.1 Toetsing initiatief aan Duurzaamheidsbeleid Deventer Het gaat om het planologisch splitsen van een bestaande boerderij. Er is dus geen sprake van nieuwbouw. Op het gebied van klimaatadaptatie worden er verschillende ingrepen gedaan in het landschap. Zo wordt er 1852m2 bos aangeplant, een houtsingel en een mantel-zoom-struweel zone aangelegd. Dit zorgt voor meer groen in het projectgebied en zo een betere afwikkeling van hittestress. Qua duurzame ontwikkeling wordt er bestaand vastgoed omgezet van één woning naar twee woningen. Er wordt gebruik gemaakt van bestaand bebouwd gebied. Een van de nieuwe schuren krijgt zonnepanelen op het dak. Er wordt voldaan aan het het duurzaamheidsbeleid Deventer. 3.4.3 Ecologie Vanaf 2013 wordt er in de gemeente op het gebied van ecologie gewerkt met de “Werkwijze voor beleid en uitvoering van de ecologie in Deventer”.

Hierin is beschreven dat Deventer rijk is aan soorten, vanwege de landschappelijke overgang van natte uiterwaarden bij de IJssel naar de droge dekzandruggen in het oosten. Deze soortenrijkdom bevindt zich zowel in het buitengebied als in het stedelijk gebied. Daarbij zijn enkele BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

16

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief gebieden aangemerkt als Natura2000-gebied of Nationaal Natuurnetwerk (voormalige EHS), maar ook daarbuiten bevinden zich lanen, oud bos, weteringen, oude rivierarmen, etc. Het beleid is erop gericht om de bestaande waarden te beschermen en zo mogelijk te verbeteren. Geconstateerd is dat de trends van cocreatie en schaalverkleining aanknopingspunten bevatten om het beleid ten uitvoering te brengen. De gemeente neemt al initiatief of verleent medewerking aan verbetering door herinrichting of beheer, ontplooit soortgerichte activiteiten, faciliteert vrijwilligers van groene organisaties, heeft een Adviesraad Natuur en Milieu ingesteld, hanteert criteria voor de natuurtoets, houdt inzicht in de aangetroffen soorten door het bijhouden van een eigen databank en verzorgt educatie (via mec De Ulebelt). Ecologische inbreng bij ontwikkelingen is vooraf verplicht in de vorm van een dialoog, waarbij nadrukkelijk gebruik wordt gemaakt van de kennis die aanwezig is bij diverse groeperingen en binnen de gemeente (natuurambassadeurs). Daarnaast zijn er zogenaamde ambassadeursoorten aangewezen. Dat zijn de das, de gierzwaluw, de huismus en de gevlekte rietorchis. Door deze soorten te bevoordelen wordt het landschap en de biodiversiteit in het algemeen bevorderd.

Tot slot is er een lijst opgenomen van 20 tinten groen, waarin de ontplooiingskansen staan benoemd bij de ontwikkeling en het beheer in de gemeente. 3.4.3.1 Toetsing initiatief aan Ecologie In paragraaf 4.7 wordt nader ingegaan op het aspect ecologie in het kader van de voorgenomen ontwikkeling. Op deze plaats wordt vermeld dat het voornemen past binnen de gemeentelijke werkwijze. 3.4.4 Woonvisie Deventer (2018) In de Woonvisie Deventer 2018 'Meer dan geWOON' zijn drie centrale ambities vastgelegd: • Vitale stad aan de IJssel: werken aan een vitale gemeente met stedelijke voorzieningen, waar mensen goed kunnen wonen, leven en beleven en met voldoende draagkracht voor de sociaalmaatschappelijke opgaven en voorzieningen. Daarbij inzetten op economische ontwikkeling, duurzaamheid en versterking van de arbeidsmarkt en het vestigingsklimaat. • Ongedeeld en inclusief: een samenleving zijn waarin iedereen meetelt en mensen omzien naar elkaar, een samenleving waarin generaties met elkaar verbonden zijn. Uitgangspunt is een gemengde bevolkingssamenstelling op wijk- en dorpsniveau met bijpassend gevarieerd woningaanbod. De beschikbaarheid en spreiding van voldoende betaalbare woningen is daarin een belangrijke opgave. Elke woningbouwontwikkeling draagt bij aan de ongedeelde en inclusieve samenleving.

• Duurzaam en toekomstbestendig: voorzien in de behoeften van de huidige samenleving, zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent een woningvoorraad die past bij de huidige woonwensen, die voor meerdere generaties geschikt is en de stad die voldoende flexibel is om in te spelen op veranderende woonwensen in de toekomst. Daarbij zijn een duurzame energievoorziening, verduurzaming van woningen en een klimaatbestendige inrichting van de woonomgeving belangrijke opgaven. De drie centrale ambities zijn uitgewerkt in de vier hoofdopgaven die voor de gehele gemeente gelden: 'betaalbaar, compleet en divers', 'goed wonen in wijken en dorpen', 'duurzaam wonen' en 'vitaliteit en vernieuwing'. Uitgangspunt bij de uitwerking van woningbouwplannen zijn de specifieke opgaven in de wijk of het dorp en de uitgangspunten van de Woonvisie. Met de provincie Overijssel heeft de gemeente Deventer nieuwbouwafspraken die uitgaan van het toevoegen van 3.000 woningen in 10 jaar. Gezien de druk op de woningmarkt en om op korte termijn te voorzien in de behoefte, gaat Deventer voor de eerste periode van 5 jaar uit van een taakstellend nieuwbouwprogramma van tenminste 350 woningen per jaar. 3.4.4.1 Toetsing initiatief aan Woonvisie Deventer (2018) Het planvoornemen houdt in dat de bestaande boerderij gesplitst wordt in twee woningen.

De twee woningen zijn volwaardig en zijn gesitueerd in één gebouw en daardoor geschikt voor meerdere generaties. De woningen zijn daardoor duurzaam en toekomstbestendig. Ondanks dat er geen nieuwbouw plaatsvindt, past

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

17

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief de ontwikkeling binnen de kwantitatieve opgave van 3.000 woningen tot en met 2026. Geconcludeerd wordt dat voorliggend voornemen in overeenstemming is met de gemeentelijke woonvisie. 3.4.5

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Voorliggend planvoornemen voldoet aan het gemeentelijk beleid, zoals benoemd in voorliggende paragrafen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

18

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief

HOOFDSTUK 4

ASPECTEN VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld. De volgende aspecten komen aan bod: • • • • • • • • • • • • •

Geluid door activiteiten Bodemkwaliteit Luchtkwaliteit Externe veiligheid Milieuzonering Geur Archeologie & cultuurhistorie Trillingshinder Water Verkeer en parkeren Gezondheid Duurzaamheid Besluit milieueffectrapportage

4.1

Geluid door activiteiten

4.1.1

Algemeen

Onder de Omgevingswet is de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit aan. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: • • • • •

het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; het bevorderen van bronmaatregelen; het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.

Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

19

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief Bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde is het geluid op een geluidgevoelig gebouw niet hoger dan de hoogste van de volgende waarden: 1. 2.

De standaardwaarde, bedoeld in onderstaande tabel; of Het geluid bij volledige benutting van het geluidproductieplafond dat gold direct voorafgaand aan de vaststelling van het in de aanhef bedoelde geluidproductieplafond.

Tabel: Standaardwaarde geluid voor een geluidsbron op een geluidsgevoelig gebouw per geluidsbronsoort (Bron: ministerie IenM)

Bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde kan de hoogste van de twee waarden, bedoeld in artikel 3.32 lid 1 van de Bkl, worden overschreden als; 1. 2. 3.

Geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de hoogste van de twee waarden te voldoen; De overschrijding door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en Het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in onderstaande tabel.

Tabel: Grenswaarde voor geluid door een geluidsbron op een geluidsgevoelig gebouw per geluidsbronsoort (Bron: Ministerie van IenM)

Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

20

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.1.2

Situatie projectgebied

Planologisch gezien wordt er een geluidsgevoelig gebouw toegevoegd. De Butersdijk is langs het projectgebied een doodlopende weg in het buitengebied van de gemeente Deventer, spoorlijnen en industrie zijn niet nabij gelegen. Ter plekke wordt verwacht dat er minder dan 45 decibel geluidshinder is. Dit valt binnen de aanvaardbare geluidsnormen en zodoende voldoet dit plan voor het aspect akoestiek aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderstaande afbeelding 4.1 geeft een illustratie van de geschatte geluidshinder op het project.

Afbeelding 4.1 Geluidshinder omgeving Butersdijk 5-7 (bron: Atlas van de leefomgeving)

4.1.3

Conclusie

Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

21

Lettele, Butersdijk 5-7 Definitief

4.2

Bodemkwaliteit

4.2.1

Algemeen

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • • •

beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • • • •

Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.

Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 4.2.2

Situatie projectgebied

Het projectgebied kent op dit moment al de gevoelige functie ‘wonen’. Het planvoornemen voorziet in het planologisch splitsen van de bestaande boerderij en het realiseren van een bijgebouw. Hier is geen bodemonderzoek voor benodigd omdat de functie ‘wonen’ gelijk blijft. 4.2.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14369557/1