2023-1059 Chw Oranjekwartier - Toelichting
Tekst van het document
Voor de Emmanuelkerk geldt naast de toetsing aan de richtafstanden tevens dat er sprake is van aanvullende eisen vanuit het Activiteitenbesluit milieubeheer. In paragraaf 5.3.2 Geluid wordt hier nader op ingegaan. Conclusie De nieuwbouw in het Oranjekwartier voldoet aan de richtafstanden zoals opgenomen in de richtafstandenlijst van de VNG aangezien er sprake is van een gemengd gebied met lichte functiemenging.
58
vastgesteld bestemmingsplan Chw Oranjekwartier
5.3.2
Geluid Wet geluidhinder Ten behoeve van de ontwikkeling van de het Oranjekwartier is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Alcedo, Herstructurering Oranjekwartier, nr. 21-08262.R01.V01, d.d 1 april 2021, zie Bijlage 4). In dit onderzoek zijn de geluidsbelastingen vanwege wegverkeer ten gevolge van het Wezenland en de Herman Boerhaavelaan onderzocht. Wettelijk kader Verk eerslawaai In artikel 74 van de Wet geluidhinder is bepaald dat alle wegen een geluidszone hebben. Dit is de zone langs een weg waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Uitzondering hierop zijn de wegen: die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; waarvoor een maximumsnelheid geldt van 30 km/h. De breedte van de zone hangt af van het aantal rijstroken en de ligging van de weg in stedelijk danwel buitenstedelijk gebied. Volgens de Wet geluidhinder dient bij de realisatie van een nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de geluidszones van de wegen onderzoek plaats te vinden naar de geluidsbelasting op de geluidsgevoelige bestemmingen. Hierbij geldt een voorkeursgrenswaarde voor de geluidsbelasting van 48 dB. Buiten de 48 dB-contour zijn nieuwe woningen zonder meer te realiseren. Indien binnen de 48 dB-contour woningen worden gerealiseerd dient eerst te worden aangetoond dat de geluidsbelasting van de nieuwe woningen de waarde van 48 dB niet overschrijdt.
Voor de buurtstraten met 30 km/u geldt formeel dat deze geen zone hebben en dat binnen de 48 dB-contour woningen geprojecteerd kunnen worden. Wanneer langs de zoneplichtige wegen hogere geluidsniveaus voorkomen dan de voorkeursgrenswaarde, dient eerst onderzoek te worden uitgevoerd naar maatregelen om te hoge geluidsniveaus te reduceren. Als het toepassen van geluidsreducerende maatregelen niet doeltreffend is, of overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard, kan uiteindelijk door het college van burgemeester en wethouders een hogere grenswaarde tot een maximum van 63 dB voor de nieuw te projecteren woningen worden vastgesteld. Tenslotte stelt het bouwbesluit in het geval van een hogere grenswaarde ook eisen met betrekking tot het geluidsniveau in de geluidsgevoelige vertrekken van woningen. De grenswaarde voor het binnenniveau van de woningen bedraagt hierbij in de meeste gevallen 33 dB. Voor de 30 km/uur-wegen is het niet nodig om de geluidsbelasting te toetsen aan de wettelijke normen. Voor deze wegen wordt onderzocht en beoordeeld of de te verwachten geluidsbelasting zal voldoen aan de uitgangspunten voor een goede ruimtelijke ordening.
Resultaten akoestisch onderzoek: Wezenland: De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Wezenland bedraagt ten hoogste 55 dB inclusief 5 dB correctie artikel 110g Wgh. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. De geluidsbelasting overschrijdt de maximaal toelaatbare grenswaarde van 63 dB niet. Herman Boerhaavelaan: De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Herman
59
vastgesteld bestemmingsplan Chw Oranjekwartier
Boerhaavelaan bedraagt ten hoogste 35 dB inclusief 5 dB correctie artikel 110g Wgh. Hiermee wordt overal op het plangebied voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. 30 km/uur wegen: Binnen het plangebied zijn 30 km/uur wegen aanwezig. Om te kunnen beoordelen of vanwege deze wegen een hogere geluidsbelasting kan worden verwacht, zijn de geluidsbelastingen van deze wegen bepaald. De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de 30 km/uur wegen samen bedraagt ten hoogste 51 dB inclusief 5 dB correctie artikel 110g Wgh. Dit is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De Koningin Wilhelminalaan is hierin met 50 dB inclusief correctie bepalend. Gecumuleerde geluidsbelasting: De gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt ten hoogste 60 dB exclusief correctie artikel 110g Wgh. Dit is lager dan de maximale hogere waarde van 63 dB. Er is daarom vanwege de cumulatie geen sprake van een onaanvaardbare geluidssituatie. Er is geen sprake van cumulatie ten gevolge van andere zoneringsplichtige bronnen. Geluidsbeperkende maatregelen Voor de geconstateerde overschrijding van de voorkeursgrenswaarde voor het aspect verkeerslawaai is onderzocht met welke maatregelen kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Voor wat betreft vermindering van het wegverkeerslawaai kan gedacht worden aan verbetering van het wegdektype en/of het toepassen van schermen.
Overwogen kan worden het wegdek te vervangen door een stiller type wegdek. De geluidsbelasting vanwege de Wezenland dient met tenminste 7 dB te worden gereduceerd om aan de voorkeursgrenswaarde te kunnen voldoen. Met een stiller wegdektype alleen is dit niet haalbaar. De geluidsbelasting vanwege de Koningin Wilhelminalaan dient met tenminste 2 dB te worden gereduceerd. Dit is mogelijk door de huidige elementenverharding te vervangen door een referentiewegdek (DAB). Verbetering van het wegdektype brengt echter hoge kosten met zich mee, overwogen dient te worden of in deze situatie het toepassen van een stiller wegdektype vanuit financieel oogpunt voldoende doelmatig is. Het plaatsen van een geluidsscherm of wal stuit in de voorliggende situatie op stedenbouwkundig bezwaren. Gelet op het voorgaande wordt overwogen dat het treffen van verdere maatregelen aan de wegen zelf of in de vorm van een afscherming redelijkerwijs niet mogelijk c.q. wenselijk zijn. Daarmee resteert het vaststellen van hogere waarden en het zorgen voor voldoende geluidswering zodat in de woningen sprake is van een aanvaardbaar binnenniveau. Vaststellen hogere grenswaarde Voor het geluid, afkomstig van het Wezenland, dient een hogere grenswaarde van 55 dB te worden vastgesteld voor 6 grondgebonden woningen.
In het hogere grenswaardebeleid van de gemeente is bepaald dat vanaf een waarde van 53 dB eisen worden gesteld aan de indeling van de woning en de situering van de buitenruimte. Alle woningen met een berekende geluidsbelasting hoger dan 53 dB beschikken over een geluidsluwe achtergevel waaraan een buitenruimte en tenminste 1 verblijfsruimte op de begane grond en verdieping kan worden gerealiseerd. Hiermee wordt aan het gemeentelijk geluidsbeleid voldaan. Voor de woningen is de gecumuleerde geluidswaarde bepaald. Deze gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt maximaal 60 dB en wordt aanvaardbaar geacht. Voor de woningen waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld geldt een eis aan het binnenniveau voor nieuw te projecteren woningen van 33 dB. De geluidswering van de gevels moet
60
vastgesteld bestemmingsplan Chw Oranjekwartier
voldoende zijn om te voldoen aan deze waarde. Het onderzoek naar de benodigde geluidswering van de gevels dient uit te gaan van de gecumuleerde geluidsbelasting. Conclusie wet geluidhinder In het kader van de planontwikkeling voor de herstructurering Oranjekwartier zullen hogere grenswaarden vastgesteld moeten worden voor wegverkeerslawaai. Het ontwerpbesluit hogere grenswaarden zal gelijktijdig met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage worden gelegd.
Activiteitenbesluit milieubeheer In 2014 is de Emmanuelkerk uitgebreid met een bijeenkomstruimte welke ruimte biedt aan circa 400 bezoekers. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning bouw en de melding in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer voor deze uitbreiding is een akoestisch onderzoek uitgevoerd om de te verwachte geluidsniveaus in de omgeving te bepalen. Binnen de bijeenkomstruimte is namelijk sprake van het ten gehore brengen van versterkt muziekgeluid. Uit de resultaten van het akoestisch onderzoek uit 2014 bleek dat er aanvullende maatregelen uitgevoerd moesten worden om een voldoende geluidsisolatie te realiseren. Hiertoe is in 2014 een besluit genomen om een maatwerkvoorschrift op te leggen om te kunnen voldoen aan de grenswaarden in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Om te onderzoeken of de in onderhavig bestemmingsplan opgenomen nieuwe woningbouw voldoet aan de grenswaarden in het Activiteitenbesluit is een nieuw akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 5, Alcedo, Oranjekwartier Geluidsruimte Emmanuelkerk, 15 december 2021). Uit de rekenresultaten van dit onderzoek blijkt dat de grenswaarden op de gevels van enkele woningen wordt overschreden. De woningen kunnen daarom niet zondermeer gerealiseerd worden zonder de bedrijfsvoering van de kerk te belemmeren.
De overschrijding van de voorschriften wordt veroorzaakt door de geluidsuitstraling van het gebouw tijdens het gebruik van muziek. Volgens het rapport van uit 2014 vindt dit plaats tijdens diensten op zondag in de dagperiode en op donderdagavond tijdens repetities van de band. Circa vier avonden per jaar tijdens grootschaligere activiteiten kan er sprake zijn van nog meer geluid, hiervoor dient de kerk ontheffing op grond van de APV aan de te vragen. In het uitgevoerde onderzoek wordt geadviseerd om een aantal maatregelen te onderzoeken. Het voorstel om een andere inrichting van het plangebied te realiseren zal ten koste gaan van het aantal woningen en de in het plangebied te realiseren groenstructuur. Gezien het gemeentebrede tekort aan woningen is het niet wenselijk om minder woningen te realiseren. Het voorstel om extra maatregelen te realiseren bij de kerk betekent een extra last voor de kerk. Tevens zijn er mogelijk plannen van de kerk om op termijn een andere locatie te betrekken. Om die reden is niet gekozen om te investeren in extra isolerende maatregelen bij de kerk. Overdrachtsmaatregelen zijn niet haalbaar, zoals ook al in het rapport wordt aangegeven. Het realiseren van schermen hoger dan 6 meter is stedenbouwkundig en vanuit leefbaarheid onwenselijk.
Derhalve is gekozen om aan de nieuw te bouwen woningen waar de geluidsniveaus worden overschreden extra isolatiemaatregelen uit te voeren. Hierbij wordt het advies uit het rapport gehanteerd dat de geluidsisolatie van de woningen dusdanig moet zijn dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de woningen in de dagperiode niet meer bedraagt dan 35 dB(A) en in de avondperiode niet meer bedraagt dan 30 dB(A). Bij het treffen van de maatregelen dient aangetoond te worden dat de geluidswering van de woningen voldoende is te kunnen voldoen aan het vereiste binnenniveau.
61
vastgesteld bestemmingsplan Chw Oranjekwartier
De betreffende woningen blijven in de tuin hogere geluidsniveaus hebben. Hiermee is het woon- en leefklimaat in de buitenruimte niet optimaal. De hoogste overschrijding van het geluidniveau bedraagt 52 dB op de gevel van één woning. Deze geluidbelasting valt te classificeren als een redelijk woon- en leefklimaat. Met het extra isoleren van de woningen ontstaat er in de woningen zelf wel een goed woonen leefklimaat. De overschrijding van de geluidniveaus vindt niet continu plaats, maar twee dagen per week. Namelijk tijdens diensten op zondag in de dagperiode en op donderdagavond tijdens repetities van de band. Met de te nemen isolerende maatregelen achten wij dat er sprake kan zijn van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Om vast te leggen dat er voor de te realiseren woningen een acceptabel woon- en leefklimaat ontstaat, is in lid 15.3 van de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat voordat de woningen gebouwd en gebruikt mogen worden, er aangetoond moet zijn dat er voldoende isolerende maatregelen zijn genomen om te kunnen voldoen aan het vereiste binnenniveau. Dit zal aangetoond moeten worden bij het aanvragen van de omgevingsvergunning voor het bouwen.
Op de verbeelding van het bestemmingsplan is de locatie aan de westkant van de Emmanuelkerk specifiek bestemd. Het bouwvlak bepaalt de locatie van de te realiseren woningen en daarmee ook de afstand tot de kerk. Het gebied tussen de woningen en de kerk kan gebruikt worden binnen de functie van het woongebied en zal worden ingericht als parkeerterrein. Conclusie activiteitenbesluit milieubeheer Met het nemen van aanvullende isolerende maatregelen voor de woningen nabij de Emmanuelkerk is er sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. Tevens wordt de bedrijfsvoering van de emmanuelkerk niet onevenredig belemmerd.
5.3.3
Luchtkwaliteit Ten behoeve van de ontwikkeling van het Oranjekwartier is een onderzoek uitgevoerd (Alcedo, Herstructurering Oranjekwartier, nr. 21-08262.R01.V01, d.d 1 april 2021, zie Bijlage 4). In dit onderzoek is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied Oranjekwartier onderzocht. Wettelijk kader In de Wet milieubeheer zijn in hoofdstuk 5 titel 2 grenswaarden opgenomen die betrekking hebben op de luchtkwaliteit. Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen, als aan tenminste één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: de ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a), of de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de ontwikkelingen per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1), of bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de ontwikkelingen samenhangende maatregel of een door die ontwikkelingen optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2), of de ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c), of het voorgenomen besluit is genoemd in of niet in strijd is met het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht
is op
62
vastgesteld bestemmingsplan Chw Oranjekwartier
het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d). In het Besluit en de Regeling ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM). Volgens de Regeling NIBM draagt een project niet in betekende mate bij als het bijvoorbeeld een woningbouwplan met een omvang van ten hoogste 1.500 woningen betreft. In de onderhavige situatie is dit aan de orde. Dit houdt niet in dat in het geheel geen aandacht meer behoeft te worden besteed aan luchtkwaliteit. In het kader van het vereiste van een goede ruimtelijke ordening dient te allen tijde een afweging plaats te vinden van alle relevante belangen, dus ook die van de luchtkwaliteit. Het onderzoek is derhalve ook uitgevoerd om als input te dienen voor een beoordeling van de goede ruimtelijke ordening. Resultaten onderzoek Uit het onderzoek blijkt dat de grenswaarden volgens de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden. Stof
Omschrijving
Stikstofdioxide Aantal keren dat de NO2 uurgemiddelde grenswaarde van 200 µg/m3 mag worden overschreden Grenswaarde (jaargemiddelde) Aantal keren dat de 24 Fijn stof PM10 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 mag worden overschreden Grenswaarde (jaargemiddelde) Zeer fijn stof Grenswaarde PM2,5 (jaargemiddelde) Richtwaarde (jaargemiddelde)
Norm uit strengste toetsingsjaar
18 keer
Berekeningsresultaten [10 m afstand tot wegrand] Berekend jaar Berekend jaar 2021 2031 0 keer 0 keer
40 µg/m3
15 µg/m3
11 µg/m3
35 keer
6 keer
6 keer
40 µg/m3
17 µg/m3
15 µg/m3
10 µg/m3
8 µg/m3
25 µg/m3 11 µg/m3
Conclusie De luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor de ontwikkeling omdat er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.
5.3.4
Bodem Aan de Omgevingsdienst IJsselland is advies gevraagd omtrent de gesteldheid van de bodem en de geschiktheid voor de functie wonen (zie Bijlage 6). Uitgevoerde bodemonderzoeken Op onderstaand overzicht (groene vlakken) is te zien waar onderzoeken zijn uitgevoerd in het
63
vastgesteld bestemmingsplan Chw Oranjekwartier
plangebied.
Afbeelding: locaties met uitgevoerde onderzoeken (groene vlakken) en voormalige sloten (groene lijnen)
In het plangebied zijn de volgende bodemonderzoeken uitgevoerd: 1. Koningin Wilhelminalaan 20, verkennend bodemonderzoek, augustus 2005, Van der Poel, project 1.507.218 2. Koningin Julianastraat 93 a. Verkennend bodemonderzoek, mei 1997, Oranjewoud, project 15009-66414 b. Verkennend bodemonderzoek, oktober 2014, Wiertsema&Partners, project VN-57338-1 3. Koningin Wilhelminalaan 16-18, verkennend bodemonderzoek, 5 februari 2008, Van der Poel Consult, project 1.108.017 4. Complex 4, Prinses Beatrisstraat, Prins Bernhardstraat, Prinses Irenestraat, Prinses Margrietstraat, indicatief bodemonderzoek, juni 1993, Tauw, rapportnummer 3281523 5. Koningin Julianastraat 39 (tank); a. Aanvullend onderzoek Van der Poel, Dev.11, mei 2001; b. Saneringsverslag, Van der Poel Dev.010, februari 2002 De belangrijkste resultaten van de uitgevoerde bodemonderzoeken zijn:
64
vastgesteld bestemmingsplan Chw Oranjekwartier
Ad 1: In de bovengrond zijn, van de geanalyseerde parameters, geen gehalten aangetoond boven de streefwaarden. In de ondergrond is een licht verhoogd gehalte aan PAK aangetoond. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte aan chroom aangetoond. De resultaten vormen geen belemmering voor huidig en/of toekomstig gebruik van de locatie. Ad 2: Zintuiglijk zijn sporen puin aangetroffen. In de bovengrond een licht verhoogd gehalte aan PAK. In de ondergrond zijn, van de geanalyseerde parameters, geen gehalten aangetoond boven de streefwaarden. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan barium, chroom, tolueen en/of xylenen aangetoond. De resultaten vormen geen belemmering voor het huidig en/of toekomstig gebruik. Ad 3: In de bovengrond, ondergrond en in het grondwater zijn geen gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarden/streefwaarden. Ad 4: In de grond zijn is een licht verhoogd gehalte aan PAK aangetoond. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan chroom en PAK aangetoond. De resultaten vormen geen belemmering voor huidig en/of toekomstig gebruik van de locatie. Ad 5: Op de locatie was een tank aanwezig. De tank is verwijderd volgens KIWA-richtlijnen. Onder de fundering van het gebouw (ondergrond) bevindt zich een sterke verontreiniging (olie>interventiewaarde). De omvang van de verontreiniging is niet bekend.
In het grondwater is een sterk verhoogd gehalte aan olie aangetoond en licht verhoogde gehalten aan xylenen en naftaleen. Voorafgaand aan wijziging van het gebruik en/of grondwerkzaamheden is het nodig de actuele situatie en omvang vast te stellen. Uitgevoerde activiteiten – voormalige sloten Op basis van het historisch bodembestand zijn in het gebied een aantal voormalige sloten aanwezig. Deze zijn weergegeven als groene lijnen op bovenstaande afbeelding. Het dempingsmateriaal van de sloten is niet bekend. De mogelijkheid bestaat dat de sloten (deels) zijn gedempt met bodemvreemd materiaal. Voorlopige Conclusie ontwerpbestemmingsplan Bodemonderzoek nodig voor wijzigen bestemming Koninklijke Driehoek: Voor het wijzigen van de bestemming is onderzoek nodig ter plaatse van de voor bodemverontreiniging verdachte activiteiten/locaties. Voor de ontwikkellocatie Koninklijke driehoek is onderzoek nodig ter plaatse van de voormalige sloten. Geen onderzoek nodig voor wijzigen bestemming Eigenbouw: Voor de ontwikkeling locatie Eigenbouw geldt dat de locatie onverdacht is voor bodemverontreiniging. Voor het wijzigen van de bestemming is geen bodemonderzoek nodig. Bodemonderzoek NEN-5740 nodig bij nieuwbouw: Voor de nieuwbouw is, in het kader van de omgevingsvergunning, activiteit bouw, een verkennend bodemonderzoek volgens de NEN-5740 en NEN-5707 nodig.
De informatie die verkregen wordt met het bodemonderzoek is ook van belang voor benodigde grondwerkzaamheden en grondverzet, waaronder het bouwrijp maken. Nader onderzoek Koninklijke driehoek Na de terinzagelegging van het bestemmingsplan is nader onderzoek uitgevoerd ter plaatse van de voormalige sloten in de Koninklijke driehoek. Zie Bijlage 7 Aanvullend bodemonderzoek Koninklijke driehoek. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen belemmingen zijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan, de aanvraag voor de omgevingsvergunningen en de geplande herinrichting van de locatie.
65
vastgesteld bestemmingsplan Chw Oranjekwartier
5.3.5
Externe veiligheid Voor de situatie omtrent externe veiliheid is advies ingewonnen bij de Omgevingsdienst IJsselland (zie Bijlage 8). Inhoudelijke beoordeling Inrichting: Het voorgenomen plan ligt niet in het invloedsgebied van een in de nabijheid gelegen risicobedrijf. Toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is niet noodzakelijk. Transportroutes: Het voorgenomen plan ligt niet binnen 200 meter van een in de nabijheid gelegen transportroute voor gevaarlijke stoffen. Toetsing aan het Besluit externe veiligheid transportroutes (BTEV) is niet noodzakelijk. Buisleidingen: Het voorgenomen plan ligt niet in het invloedsgebied van een in de nabijheid gelegen hoge druk aardgasbuisleiding. Toetsing aan het Besluit externe buisleidingen (BEVB) is niet noodzakelijk. Hoogspanningsmasten: De dichtstbijzijnde hoogspanningskabels liggen op ongeveer 230 meter van het plangebied. Formeel vallen hoogspanningskabels niet onder de wet- en regelgeving voor externe veiligheid. Hiermee zijn de masten en kabels niet aangemerkt als risicobron en gelden er ook geen risicocontouren en/of invloedsgebieden in het kader van het externe veiligheid. Echter hebben de hoogspanningsmasten en kabels wel een magneetveldzone die nadelige gevolgen kan hebben voor de mensen die hierin verblijven.
Uit studies in 2005 is aangetoond dat met name kinderen tot 15 jaar gevoelig zijn voor magneetvelden van 0,4 micro tesla als zij daar langdurig aan blootgesteld worden. Voorkomen moet worden dat deze functies in het betreffende magneetveld worden geraliseerd. Door RIVM is een netwerkkaart opgesteld waar alle hoogspanningskabels op staan weergegeven met de mageneetveldzones van 0,4 micro tesla. De betreffende hoogspanningskabels ten noorden van het plangebied betreffen 110 kV kabels met een magneetveldzone (0,4 micro tesla) van 50 meter aan weerszijden van de kabel. Gezien de betreffende locatie op meer dan 50 meter (230 meter) is gelegen hebben de hoogspanningskabels geen nadelige invloed op de herontwikkeling van de woonwijk. Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van de herstructurering van het Oranjekwartier.
5.3.6
Ecologie Algemeen Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van Deventer en betreft het noordelijke deel van het Oranjekwartier. Er zullen diverse nieuwbouwwoningen met bijbehorende tuinen en parkeergelegenheid worden gerealiseerd. In dit kader zullen uiteindelijk alle aanwezige opstallen worden geamoveerd. Tevens zullen er waarschijnlijk bomen en lage groenstructuren worden gekapt en gerooid. Er zal geen oppervlaktewater worden gedempt. De ingrepen vinden plaats in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. EcoTierra heeft middels een quickscan de in het gebied aanwezige waarden in beeld gebracht
66
vastgesteld bestemmingsplan Chw Oranjekwartier
(EcoTierra, Q2020.050- Quickscan flora en fauna Oranjekwartier te Deventer, 22 april 2020, zie Bijlage 9). Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied of in het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Rijntakken’, gelegen op een afstand van circa twee kilometer ten westen van het plangebied. Het plangebied ligt tevens buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura 2000-gebied Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Rijntakken’ gelegen op een afstand van circa twee kilometer ten westen van het plangebied. Gezien de aard van de werkzaamheden, de afstand tot Natura 2000-gebied en de tussenliggende infrastructuur en bebouwing zijn, met uitzondering van stikstofdepositie, negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden op voorhand met zekerheid uit te sluiten. De effecten van stikstofdepositie in de bouwfase en in de fase van ingebruikname zijn inzichtelijk gemaakt middels een Aeriusberekening (zie verder paragraaf 5.3.7). Natuur Netwerk Nederland (NNN) De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en uitgewerkt in provinciale verordeningen en bestemmingsplannen. De bescherming van het NNN staat geheel los van de Wet natuurbescherming.
Voor nieuwe ontwikkelingen binnen het NNN, waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan, geldt een ‘nee, tenzij’-afweging. Dit houdt kortweg in dat significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet toegestaan is. Aangezien dit project niet in een NNN-gebied ligt, is toetsing van negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet noodzakelijk. Vervolgstappen ten aanzien van het NNN zijn daarmee niet aan de orde. Soortenbescherming Flora: Beschermde flora is niet aangetroffen in het plangebied. Het plangebied bestaat met name uit bebouwing, verharding en een moestuin. Het overige deel is gecultiveerd. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten aangaande beschermde flora. Vogels: De aanwezigheid van een jaarrond beschermd nest van gierzwaluw kan niet worden uitgesloten. Om vast te stellen of er nesten aanwezig zijn en waar deze nesten zich bevinden dient er een nader onderzoek naar gierzwaluw plaats te vinden. De huismus broedt nabij, maar er zijn geen nesten vastgesteld binnen het plangebied. Wel maakt het plangebied onderdeel uit van het functionele leefgebied, het wordt gebruikt om te verblijven en te foerageren. De groenstructuren binnen het plangebied zijn echter niet essentieel, er zijn voldoende alternatieven in de omgeving aanwezig.
Bij de inrichting van de nieuwe tuinen kan wel rekening worden gehouden met de huismus door bijvoorbeeld groenblijvende hagen/ struiken aan te planten. In de groenstructuren en enkele opstallen in het plangebied wordt gebroed door vogels zonder jaarrond beschermd nest, zoals zwarte kraai, ekster, merel, koolmees en houtduif. De sloop, rooi- en bouwwerkzaamheden dienen derhalve zoveel mogelijk buiten het broedseizoen van vogels plaats te vinden.
67
vastgesteld bestemmingsplan Chw Oranjekwartier
Grondgebonden zoogdieren: Egel: Het is aannemelijk dat exemplaren van de egel voorkomen in het plangebied. De ingrepen zullen mogelijk tot gevolg hebben dat er significant functioneel leefgebied/verblijfplaatsen van de egel verloren gaan. Om aanwezigheid van de egel vast te stellen dient er tijdens het benodigde vleermuizenonderzoek (zie paragraaf vleermuizen) ook gelet te worden op aanwezigheid van de egel. Vleermuizen: Bij de school A in het plangebied kunnen aan de straatzijde en bij een deel van de fietsenstalling (ook straatzijde) in potentie kleinere verblijven van vleermuizen aanwezig zijn. Er zal een nader onderzoek naar vleermuizen moeten plaatsvinden. School B is niet geschikt voor vleermuizen bevonden. In het plangebied zijn diverse bomen aanwezig met potentiële verblijfplaatsen voor boombewonende soorten. Wanneer bekend is welke bomen gekapt worden dient er gekeken te worden of er door de kap potentiële verblijfplaatsen direct of indirect worden aangetast. Verstoring door licht tijdens de werkzaamheden en in de toekomstige situatie dient voorkomen te worden. Er zal door vleermuizen gefoerageerd worden binnen en nabij het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. In onderhavige situatie zal dit niet aan de orde zijn.
Er gaan geen vliegroutes verloren het kader van onderhavig project. Amfibieën, reptielen en vissen: Binnen het plangebied zijn geen exemplaren waargenomen of vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of nationaal beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Er zijn geen negatieve effecten te verwachten aangaande deze soortgroepen, mits de zorgplicht wordt nageleefd. Ongewervelden/ overige soorten: Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of voorkomen op de ‘nationale lijst’. Er zijn geen negatieve effecten te verwachten aangaande overige soorten Conclusie Vanuit ecologie zijn er nadere onderzoeken nodig naar de soorten gierzwaluw, egel en vleermuis. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan zullen deze onderzoeken toegevoegd worden.
5.3.7
Stikstof Voor het realiseren van de bijna 100 nieuwe woningen is het noodzakelijk om, in het kader van de Wet Natuurbescherming, de mogelijke stikstofuitstoot door de beoogde ontwikkeling inzichtelijk te maken. Algemeen Ingevolge artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming zijn er Natura 2000-gebieden aangewezen ter uitvoering van Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn. Dit impliceert dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor deze gebieden en dat negatieve gevolgen zo veel mogelijk beperkt dienen te worden. Voor de habitattypen en leefgebieden waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden in Natura 2000-gebieden zijn kritische depositiewaarden (KDW) voor stikstofdepositie vastgesteld. Met de KDW
68
vastgesteld bestemmingsplan Chw Oranjekwartier
wordt bedoeld: de grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Plannen zoals de ontwikkeling van Oranjekwartier kunnen door stikstofemissie effect hebben op habitattypen binnen omliggende Natura 2000-gebieden en gelet op de instandhoudingsdoelstelling van een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten verslechteren. Gezien het gegeven dat stikstofemissie, in de vorm van stikstofoxiden (NOx) of ammoniak (NH3), kan plaatsvinden bij onder andere landbouw, gemotoriseerd verkeer, industrie en ook bij de verwarming van huizen, is het wettelijk vereist deze emissie in beeld te brengen. Onderzoek In mei 2021 is een stikstdepositieofonderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van de ontwikkelingen in het Oranjekwartier (Memo stikstofdepositie onderzoek 105 woningen Deventer Oranjekwartier, Hegeman ontwikkeling, zie Bijlage 10). Het plangebied ligt op ongeveer 2,1 kilometer ten noordoosten van Natura 2000-gebied de Rijntakken, waardoor stikstofdepositie in de verschillende fases van de ontwikkeling aan de orde kunnen zijn. Door recente ontwikkelingen is het ook voor kleine ruimtelijke ontwikkelingen relevant om te beschouwen of sprake is van stikstofdepositie in de naturagebieden als gevolg van het plan.
Daarbij moeten zowel de gevolgen van de sloopfase, bouwfase, feitelijke situatie en de gebruikersfase in kaart worden gebracht. In deze ontwikkeling zijn de sloop, bouw- en gebruiksfase relevant. Sloop- en bouwfase Ten behoeve van de bouwfase, is de stikstofdepositieberekening opgesteld in AERIUS. Doordat de uitvoering van de verschillende plannen, over meerdere jaren wordt uitgevoerd, zijn er in Aerius 3 fases uitgewerkt: Sloop-, bouwrijp- en bouwfase 63 woningen (deel 1 en 2) (locatie 'koninklijke driehoek') Woonrijp fase 63 woningen (Deel 3) (locatie 'koninklijke driehoek') Sloop- en bouwfase 42 woningen (deel 4, 5 en 6) (locatie '36 woningen') Voor de bouwfase zijn de vervoersbewegingen en draaiuren in de bouwfase uitgewerkt en berekend met de AERIUS calculator. Uit de berekeningen voor de bouwfase is gebleken dat er geen stikstofdepositie is in het Natura 2000-gebied Rijntakken hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Gebruiksfase In Aerius zitten kentallen voor de gebruiksfase. Deze zijn echter gebaseerd op gasgestookte woningen. In het plan Oranjekwartier zal gasloos gebouwd worden. In dat geval mag gerekend worden met een emissiefactor 0 voor woningen. De belangrijkste component voor stikstofemissie zal het verkeer zijn.
In het Oranjekwartier worden in twee fases woningen gebouwd, 63 woningen op de locatie Koninklijke driehoek en 42 woningen als sloop/ nieuwbouw, locatie '36 woningen'. De woningen worden ontsloten door de Koningin Wilhelminalaan en de Karel de Grotelaan. In de berekening wordt het verkeer meegenomen van de bouwlocatie tot aan rotonde met de Marijnenenk. Het aantal lichte voertuigen bedraagt 8 vervoersbewegingen per woning per dag. Dit zijn 840 bewegingen per weekdag. Voor het vrachtverkeer wordt uitgegaan van ca. 1% van de lichte voertuigen of te wel 9 zware vrachtwagens per weekdag. Uit de Aerius-berekening blijkt dat vanwege het verkeer tijdens de gebruiksfase de stikstofdepositie niet hoger is dan 0,00 mol/ha/j is. Conclusie
69
vastgesteld bestemmingsplan Chw Oranjekwartier
De stikstofemissie vanwege de bouw van de 105 woningen in het Oranjekwartier te Deventer zal tijdens de sloop, bouw en gebruiksfase géén stikstofemissie van meer dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000-gebieden hebben. In dit geval is er geen vergunningplicht vanuit de Wet natuurbescherming.
5.3.8
MER-plicht / m.e.r.-beoordeling Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (procedure) uit te voeren en een MilieuEfffect Rapport (MER) te maken. Wanneer dit moet gebeuren staat in het Besluit Milieueffectrapportage. In lijst C van het besluit staan de activiteiten en besluiten genoemd die m.e.r.-plichtig zijn. De ontwikkeling van een woonwijk staat niet in lijst C opgenoemd. De ontwikkeling is dan ook niet m.e.r.-plichtig. Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het besluit overschrijdt, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Voor een stedelijk ontwikkelingsproject drempelwaarden in lijst D opgenomen. Het plan blijft beneden die drempels en is daarmee niet m.e.r.-beoordelingsplichtig.
D 11.2 De aanleg, wijziging of In gevallen waarin de De structuurvisie, uitbreiding van een activiteit betrekking bedoeld in de artikelen stedelijk heeft op: 2.1, 2.2 en 2.3 van de ontwikkelings1°. een oppervlakte van Wet ruimtelijke project met inbegrip van 100 hectare of meer, ordening, en het plan, de bouw van 2°. een aaneengesloten bedoeld in artikel 3.1, winkelcentra of gebied en 2000 of meer eerste lid, van die wet. parkeerterreinen. woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
Vergewisplicht Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 . Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.- (beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. ligt, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten moeten daarom ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Gevoelig gebied In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied.
Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied ligt buiten beschermde Natura 2000-gebieden en buiten het Natuurnetwerk Nederland
70
vastgesteld bestemmingsplan Chw Oranjekwartier
(NNN, voorheen ecologische hoofdstructuur). Het plangebied ligt volgens de provinciale omgevingsverordening niet binnen een drinkwatervoorziening. Ook behoort het plangebied niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument is gelegen. Conclusie In de paragrafen van dit hoofdstuk zijn de verschillende milieueffecten beschouwd. Hieruit blijkt dat er door de ontwikkeling geen sprake zal zijn van belangrijke nadelige milieugevolgen en daarom is het niet noodzakelijk een m.e.r.- beoordeling uit te voeren.
5.4
Leidingen en kabels
5.4.1
Hoogspanningsverbinding Ten noorden van het plangebied lopen twee hoogspanningslijnen (110 kV-lijn Platvoet-Rijssen-Goor en de 110 kV-lijn Platvoet-Bergweide). Vanuit het zakelijk recht dient voor deze lijnen een zone van 27,5 meter te worden vrijgehouden voor onderhoud en vallend ijs. Er gelden daarnaast eisen vanuit volksgezondheid. Er dient bij de vaststelling van bestemmingsplannen en wijzigen van bestaande plannen zo veel als redelijkerwijs mogelijk is worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen (0 tot 15 jaar) langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbij het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (µT). In het advies wordt door VROM met nieuwe situatie, in relatie tot verblijftijd en mate van blootstelling, bedoeld het oprichten van woningen, scholen, kinderdagverblijven e.d. Langdurig is gedurende minimaal 1 jaar met een verblijftijd van minimaal 14-18 uur per dag. Er wordt bij gemeentelijke planvorming rekening gehouden met dit VROM-advies. Toetsing Oranjekwartier In het kader van de ontwikkeling van de woonwijk Steenbrugge is reeds in 2007 door netbeheerder Essent Noord technische maatregelen uitgevoerd (configuratie van de lijnen) waardoor de zonebreedten zijn teruggebracht van 72 tot 63 meter naar 31 tot 48 meter.
In 2015 is de ligging van de magneetvelden opnieuw in beeld gebracht volgens RIVM rekenprotocollen (Petersburg Consultants rapport GE140700-R01 MP versie 1.2, d.d. 27 maart 2015). De van bebouwing vrij te houden zone varieert nu van 40 tot 45 meter. Conclusie Het plangebied Oranjekwartier ligt op een afstand van meer dan 250 meter van de hoogspanningsleidingen. Hiermee ligt de nieuwe bebouwing niet binnen een magneetveld met een jaargemiddelde hoger dan 0,4 microtesla (µT). Op basis van deze gegevens hoeven gezondheidsrisico's vanwege de hoogspanningslijnen niet verder onderzocht te worden.
5.4.2
Overige kabels en leidingen Er zullen ten behoeve van de realisatie van de woonwijk in en nabij het plangebied ondergrondse kabels en leidingen aangelegd worden. Dit betreffen onder meer rioleringsbuizen, telecomkabels en waterleidingen. Deze kabels en leidingen leveren geen gevaar op voor personen en goederen in de directe omgeving. De kabels en leidingen zullen worden opgenomen in de openbare ruimte. Het is niet nodig om hiervoor een dubbelbestemming op te nemen of een verplichting tot het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
71
vastgesteld bestemmingsplan Chw Oranjekwartier
Dubbelbestemmingen worden slechts opgenomen indien de bestemming een heel specifiek (ruimtelijk) belang beoogt te regelen. Een toegekende dubbelbestemming vertegenwoordigt een bijzonder belang dat zo zwaarwegend is, dat andere ruimtelijke belangen daarvoor moeten wijken. Bij reguliere kabels en leidingen weegt het belang niet zo zwaar dat hiervoor andere ruimtelijke belangen moeten wijken. Conclusie De overige leidingen en kabels vormen geen belemmering voor de uitvoer van het bestemmingsplan.
5.5
Waterhuishouding
5.5.1
Inleiding Ruimtelijke plannen en besluiten kunnen gevolgen hebben op de waterhuishouding. Voorbeelden hiervan zijn een achteruitgaande waterkwaliteit, verdroging van natuurgebieden, etc. De watertoets heeft als doel deze negatieve effecten te voorkomen en mogelijke kansen voor het watersysteem te benutten. Bij de watertoets gaat het om het van meet af aan meenemen van water bij ruimtelijke plannen en besluiten. In deze paragraaf wordt hierop nader ingegaan.
5.5.2
Voorkeursbeleid hemelwater en klimaatbestendig De voorkeur van de gemeente Deventer en WDODelta is om hemelwater op eigen terrein te laten infiltreren in de bodem. Dit vindt in eerste instantie plaats via oppervlakkige, bovengrondse afvoer naar een infiltratievoorziening. Indien bovengronds afvoeren niet mogelijk is, wordt gekozen voor ondergrondse afvoer naar een infiltratievoorziening. Indien infiltratie niet mogelijk is dan mag hemelwater via een bodempassage naar bijvoorbeeld oppervlaktewater worden afgevoerd. Bij (her)ontwikkelen dient een klimaatbui van eens per 100 jaar opgevangen te worden binnen de ontwikkeling zonder dat dit tot wateroverlast leidt. Voor dit plan gaat het om het om een bui van 111 mm in 48 uur (eis WDODelta) en een bui van 64 mm in één uur. Om te bevorderen dat de normale regenval lokaal wordt opgevangen en verwerkt, hanteert de gemeente als eis dat een infiltratievoorziening met een inhoud van 20 mm op particulier terrein wordt gerealiseerd. De berging op particulier terrein maakt onderdeel uit van de totale bergingsopgave.
5.5.3
Bodemopbouw In het plangebied varieert het maaiveldniveau van circa +5,1 tot +5,8 m NAP. In het gebied Koninklijke driehoek varieert het maaiveld niveau overwegend tussen +5,2 en +5,8 m NAP. Het maaiveld loopt af richting de straten Prinses Beatrixstraat en Koningin Julianastraat tot circa +5,1 m NAP. Ter plaatse van de 36 woningen varieert het maaiveld niveau overwegend tussen +5,1 en +5,6 m NAP. De eerste 0,5 meter bestaat uit matig fijn zand met een zwak siltige en zwak tot matig heumeuse bijmenging. Vanaf 0,5 tot 1,5 meter diepte bestaat de bodem hoofdzakelijk uit matig fijn zand met zwak siltige bijmenging. Vanaf 1,5 tot 7 meter diepte bestaat de bodem hoofdzakelijk uit matig grof zand met zwak siltige bijmenging en is lokaal zwak grindig (ter plaatse van de 36 woningen). Lokaal komt in het noordelijke deel van de driehoek een dunne kleilaag (max. 0,2 m dik) voor op circa 2,9 m -mv. Deze laag is niet gebiedsdekkend aanwezig. De doorlatendheid (k-waarde) van de onverzadigde bodem (ondiep) in het plangebied varieert tussen 0 en 1,3 m/dag. Gemiddeld genomen varieert de ondiepe bodemdoorlatendheid sterk en is deze te
72
vastgesteld bestemmingsplan Chw Oranjekwartier
kwalificeren als matig tot slecht. Een verklaring voor deze variatie in (lage) doorlatendheid van de ondiepe bodem is de combinatie van fijn zand en de hoeveelheid siltige bijmenging. Wanneer ondiepe infiltratievoorzieningen worden toegepast dient bij het ontwerp hiervan rekening gehouden te worden met de lokaal beperkte bodemdoorlatendheid. Hierbij valt te denken aan het toepassen van bodemverbetering en/of drainage om de infiltratiecapaciteit te vergroten en in de toekomst te waarborgen. De horizontale bodemdoorlatendheid van de verzadigde bodem (diep), uitgevoerd met de constant head-methode (verhoging) varieert tussen de 5 tot 10 m/dag. Geconcludeerd wordt dat het watervoerend pakket goed doorlatend is. Met de constant head-methode (verlaging) varieert de horizontale bodemdoorlatendheid tussen 16 tot 39 m/dag. Ook hiervoor kan geconcludeerd worden dat het watervoerend pakket (zeer) goed doorlatend is en uitermate geschikt is om in te infiltreren.
5.5.4
Grondwater Uit DINOloket blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen peilbuizen aanwezig zijn. In het grondwatermeetnet van de gemeente Deventer zijn twee peilbuizen in de omgeving van het plangebied aanwezig. Op basis van de twee peilbuizen van de gemeente is een indicatie van de Representatieve Hoogste Grondwaterstand (RHG) te maken voor geplaatste peilbuizen. Op basis van de peilbuizen en momentopnames is een indicatie van de representatieve hoogste grondwaterstand (RHG) bepaald van circa +4,1 m NAP voor het gehele plangebied. De ontwateringsdiepte bedraagt in een RHG-situatie veelal meer dan 1,0 m-mv op basis van het gemiddelde wegpeil in het plangebied (+5,1 m NAP). Lokaal ligt het maaiveld hoger of juist iets lager, waardoor hier de ontwateringsdiepte afwijkt. Op basis van gegevens van de provincie Overijssel is bepaald dat het plangebied niet in een grondwaterbeschermingsgebied of drinkwaterwingebied is gelegen. Wel ligt het plangebied in een restrictiegebied dieptebeperking. Dit betreft een boringsvrije zone vanuit Salland Diep (drinkwater). Boringen zijn tot max. 50 m diepte toegestaan.
5.5.5
Oppervlaktewater Het plangebied bevindt zich in het beheergebied van waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta). Het plangebied bevindt zich in peilgebied 867 met een streefpeil van +3,9 m NAP. Er is een primaire watergang de Zandwetering (SW.75) gesitueerd ten noorden van het plangebied en een primaire watergang (SW.75.58) aanwezig welke in een bocht onderlangs het plangebied loopt (figuur 2.6). Op basis van de legger voert de watergang het water in noordwestelijke richting af naar de Zandwetering. Op basis van het peilvlak heeft de watergang heeft een streefpeil van +3,9 m NAP en de Zandwetering boven het plangebied een streefpeil van +4,0 m NAP en richting het westen een streefpeil van +3,5 tot 3,7 m NAP.
5.5.6
Hemelwater Het totale plangebied heeft een bruto oppervlak van 3,71 ha. In totaal omvat het plan circa 18.440 m2 nieuw verhard oppervlak, waarvoor 20 mm waterberging wordt gerealiseerd. Voor de nieuwbouwontwikkeling is het nodig om een bergings-/infiltratievoorziening te realiseren voor 20 mm hemelwater per m2 nieuw verhard oppervlak. Voor de bergingsopgave telt al het nieuwe verhard oppervlak (dakoppervlak + terreinverharding) mee. De totale bergingsopgave bedraagt daarmee
73
vastgesteld bestemmingsplan Chw Oranjekwartier
maximaal 369 m3. Er dient circa 146 m3 waterberging gerealiseerd te worden in openbaar terrein en maximaal 223 m3 waterberging op uitgeefbaar terrein. Deze oppervlakken en berging zijn aangemerkt als worst-case situatie, in de praktijk zal de hoeveelheid verharding vermoedelijk minder zijn. Om de waterbergingsopgave te realiseren zijn een aantal aspecten van belang: Het verhard oppervlak moet hemelwater af kunnen voeren naar de voorziening. Zo mogen de afvoerafstanden bijvoorbeeld niet te groot zijn en dient de neerslag onder vrij verval naar de voorziening geleid te worden. Daarom geen bergingsvoorziening realiseren op grote afstand van verhard oppervlak en ook niet op de hoger gelegen delen van het plangebied Wanneer het hemelwater eenmaal is geborgen, dient dit vertraagd afgevoerd te worden. Dit kan middels infiltratie naar de ondergrond, waarbij de bodem voldoende doorlatend moet zijn (maar niet té doorlatend), of via een knijpconstructie naar oppervlaktewater (rekening houdend met een afvoercapaciteit van 0,8 l/s/ha) Om water zichtbaar te maken in de wijk, heeft het de voorkeur om bovengrondse bergingsvoorzieningen toe te passen, bijvoorbeeld wadi's. Mocht er niet voldoende ruimte beschikbaar zijn, dan kunnen ondergrondse voorzieningen worden toegepast, bijvoorbeeld IT-riolering of waterbergende wegfundering.
Deze keuze staat nog vrij, echter gaat wel de voorkeur uit naar een beperkt aantal systemen vanwege het beheer en onderhoud. In het plangebied van Oranjekwartier volgt uit de doorlatendheidsmetingen dat de eerste meters van de ondergrond slecht tot matig doorlatend zijn. Hierdoor zijn infiltratievoorzieningen in deze laag niet zonder meer mogelijk. Op grotere diepte is wel sprake van een hoge doorlatendheid met een potentieel grote infiltratiecapaciteit. Voor het realiseren van de infiltratie/afvoer zijn de volgende opties mogelijk: Onder wadi's bodemverbetering met een afvoerdrain toepassen, zodat neerslag in de wadi geborgen kan worden, om vervolgens vertraagd via de bodemverbetering en of drainageleiding afgevoerd te kunnen worden (al dan niet via een HWA-stelsel). Ook is het mogelijk om een verbinding te maken met het goed doorlatende watervoerend pakket door middel van diepte-infiltratie met infiltratieputten of zand-/grindpalen. De bergingsvoorzieningen (wadi's, waterbergende wegfundering, IT-riolering, et cetera) worden verbonden met deze putten of zand-/grindpalen. Daarmee komt de neerslag ten goede aan het grondwatersysteem. Van belang is dat er goede voorzuivering plaatsvindt, zodat er geen vuil in de diepte-infiltratie terechtkomt. Specifiek voor de waterberging op eigen terrein is de vertraagde afvoer van neerslag een belangrijk aandachtspunt.
Omdat de ondiepe ondergrond matig tot slecht doorlatend is, kan dit leiden tot 'badkuipjes', infiltratievoorzieningen die één keer volstromen, maar daarna slecht ledigen. Indien nodig moeten op eigen terrein (individuele) maatregelen worden getroffen om te zorgen dat de voorziening zich binnen afzienbare tijd (circa 24-48 uur) kan ledigen. Een koppeling met het infiltratiesysteem in openbaar terrein is niet toegestaan. In het waterstructuurplan is per deelgebied opgenomen aan welke bergseisen moet worden voldaan. In het plan is daarbij gekozen voor een beperkt aantal systemen. Een veelvoud aan systemen bemoeilijkt het ontwerp, het beheer en onderhoud en kent een groter risico op foute aansluitingen of het verkeerd functioneren van voorzieningen. Nieuw verhard oppervlak van uitgeefbaar terrein dient 20 mm neerslag op eigen terrein te bergen. Een teveel aan neerslag mag (bovengronds, oppervlakkig) afstromen naar openbaar terrein. Trottoirs welke direct aan groenstroken grenzen, kunnen afwateren op een te realiseren laagte in het groen, alwaar het water wordt geborgen en in de bodem kan infiltreren. Voor nieuwe openbare wegverharding en parkeerplaatsen wordt gekozen voor waterbergende wegfundering. Vanuit deze voorziening kan neerslag in de bodem infiltreren, of via een overloop
74
vastgesteld bestemmingsplan Chw Oranjekwartier
naar een diepte-infiltratieput stromen, alwaar het in een goed doorlatend zandpakket kan infiltreren. De wegfundering bestaat uit circa 15 cm dik 'Deventer mengsel'. Op deze manier wordt de volledige bergingsopgave gerealiseerd. Door in de wegfundering enige overcapaciteit te creëren met een overloop (vertraagde afvoer) naar het watervoerend pakket (diepte-infiltratie) wordt een robuust systeem verkregen. Daarmee wordt zoveel mogelijk neerslag in het gebied vastgehouden, waarmee gelijk ook wordt bijgedragen aan het tegengaan van droogtestress in het gebied. In het definitief ontwerp wordt de waterstructuur nader gedimensioneerd.
5.5.7
Afvalwater Het overgrote deel van het plangebied is aangesloten op een gemengd rioolstelsel (figuur 2.7), welke afvoert naar de RWZI Deventer nabij de IJssel. Het hoofdriool is gelegen in de Koningin Wilhelminastraat en Prinses Beatrixstraat (diameter van Ø 400 tot 600 mm) en voert in noordwestelijke richting af naar de Karel de Grotelaan (figuur 2.7). Het gemengde riool in de Princes Margrietstraat, Princes Marijkestraat, Mecklenburgstraat, Wezenland en Prinses Irenestraat heeft een diameter van Ø 285 tot 300 mm. Vanuit digitale inventarisatie is gebleken dat een IT-riool in de prinses Marijkestraat aanwezig is.
5.5.8
Overstromingsrisico In de omgevingsverordening heeft de provincie Overijssel in artikel 2.14.3 aangegeven dat voor gebieden met het risico op overstroming een onderbouwing in het bestemmingsplan moet worden opgenomen in de vorm van een overstromingsrisicoparagraaf. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen minder snel en ondiep onderlopende gebieden en snel diep onderlopende gebieden. Het bestemmingsplangebied ligt binnen de dijkring 53: Salland. De dijkring betreft een gebied met een risico op overstroming waarbij het gaat om minder snel en ondiep onderlopende gebieden en heeft volgens de Waterwet een gemiddeld overschrijdingskans van 1/1250 per jaar. Nieuwe grootschalige ontwikkelingen binnen de dijkring zijn mogelijk indien in het bestemmingsplan voorwaarden worden opgenomen om de veiligheid ook op lange termijn voldoende te waarborgen. Door klimaatveranderingen moeten we meer rekening houden met de gevolgen van een overstroming. Inzet is het voorkomen van slachtoffers (rampenbeheersing) en van economische schade (gevolgenbeperking). In deze overstromingsrisicoparagraaf wordt ingegaan op de risico's bij overstroming en de stand van zaken van maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om deze risico's te voorkomen of te beperken. De primaire keringen worden op veiligheid beoordeeld door de beheerders.
De Europese richtlijn overstromingsrisico's (2007) verplicht tot het inzetten van drie instrumenten voor een betere bescherming tegen overstromingen: een voorlopige risicobeoordeling (gereed in 2011), kaarten (gereed 2014) en risicobeheersplannen (in werking per 22 december 2015). De richtlijn geldt voor de binnendijkse (dijkringen) en buitendijkse gebieden van de IJssel. Voor woon- en werkgebieden dienen rampenplannen opgesteld te worden. De gemeente Deventer zal de komende jaren samen met de Waterschappen en Rijkswaterstaat de overstromingsrisico's in het plangebied onderzoeken en hiervoor beleid opstellen. Omdat er voor het dijkringgebied sprake is van een minder snel en ondiep onderlopend gebied, in het gebied is er een kleine kans op overstroming. Het gaat hier dan ook vooral om bewustwording.
75
vastgesteld bestemmingsplan Chw Oranjekwartier
5.5.9
Watertoets Op 28 mei 2021 is ten behoeve van dit bestemmingsplan de digitale watertoets ingevuld. Het resultaat is dat de normale procedure doorlopen moet worden. Het Waterstructuurplan dat wordt opgesteld voor de ontwikkelingen in het plangebied zal worden besproken met het waterschap.
5.6
Verkeer en parkeren Ontsluiting Bij de ontwikkeling in het Oranjekwartier blijft de verkeersstructuur grotendeels hetzelfde. De bestaande woningen blijven via dezelfde wegen ontsloten. Wel zal de openbare ruimte op een aantal locaties heringericht worden. Ook is door het omdraaien van de woningen op enkele locaties de openbare ruimte verruild voor tuinen en vice versa. Deze grondruilen hebben geen invloed op de ontsluitingsstructuur van de wijk. Met de nieuwbouw worden er tientallen woningen toegevoegd. Deze woningen komen in plaats van schoolgebouwen, waardoor het aantal verkeersbewegingen niet aanzienlijk zal toenemen. Het aantal verkeersbewegingen leidt niet tot aanpassingen in de hoofdwegenstructuur. Park eren Voor het totaal aantal te realiseren parkeerplaatsen ten behoeve van de nieuwbouw van de woningen in het Oranjekwartier wordt aangesloten bij de normen uit het gemeentelijk parkeerbeleid. Hiertoe is in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Voor de ontwikkeling van de 65 nieuwe woningen in de Koninklijke driehoek geldt een parkeernorm van 1,8 parkeerplaats per woning. In het plangebied worden 117 nieuwe parkeerplaatsen aangelegd, waarmee wordt voldaan aan de normen in het parkeerbeleid. Ook is er een parkeertelling uitgevoerd door NDC, waarin geconcludeerd wordt dat er voldoende nieuwe parkeerplaatsen worden aangelegd.
5.7
Sociale veiligheid Naast een aantrekkelijke en aanpasbare woonomgeving zal de woonomgeving vooral ook (sociaal) veilig in het gebruik moeten zijn. Het gaat er om dat mensen zich veilig voelen en dat zoveel mogelijk daadwerkelijk zijn. Factoren die kunnen bijdragen aan (het gevoel van) meer veiligheid zijn: informeel toezicht op de openbare ruimte, persoonlijke controle over de ('eigen') omgeving en het imago van het (totale) gebied. Toegespitst op het plangebied betekent dit, dat door inrichting en beheer van de openbare ruimte een goede sociale controle mogelijk dient te zijn. Een aantal aspecten waarbij de sociale veiligheid bijzondere aandacht vraagt, is: stedenbouwkundige inrichting: daarbij gaat het ondermeer om de relatie openbaar-privé, menging tuin- en straatgericht wonen, overzichtelijkheid van stratenpatronen, parkeervoorzieningen en openbare verlichting; vrijliggende groenvoorzieningen: vooral de waarborging van overzichtelijkheid; langzaam-verkeerroutes: primaire routes moeten bij voorkeur 'begeleid' worden door woonbebouwing; buurtbeheer: optredende gebreken als gevolg van dagelijks gebruik adequaat en snel herstellen; jeugdopvang: creëren van adequate speel- en ontmoetingsplekken.
76
vastgesteld bestemmingsplan Chw Oranjekwartier
Hoofdstuk 6 6.1
Wijze van bestemmen
Algemeen Een bestemmingsplan op basis van de Wet ruimtelijke ordening Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. De Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (het overgangsrecht is hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (bouwvergunning) en regels voor het verrichten van 'werken' (aanlegvergunning). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van het ruimtelijke beleid.
Een bestemmingsplan op basis van de Crisis- en herstelwet De gemeente Deventer doet vooruitlopend op de komst van de Omgevingswet mee met een landelijk experiment onder de Crisis- en herstelwet om vast te oefenen met het instrument omgevingsplan. Daarom is een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte opgesteld voor het stedelijk gebied, het 'Chw bestemmingpsplan Deventer, stad en dorpen'. Hiermee hebben we ervaring opgedaan voor het later vormgeven van een 'echt' omgevingsplan. De Crisis- en herstelwet kan nog niet de mogelijkheden bieden die de Omgevingswet straks voor het omgevingsplan open stelt. Het bestemmingsplan 'Deventer, Stad en Dorpen' blijft een bestemmingsplan onder de huidige regelgeving. Later maken we samen met het bestaande bestemmingsplan voor het gehele buitengebied één omgevingsplan voor ons hele grondgebied. De gemeente Deventer is in de 8e tranche van de Crisis en herstelwet opgenomen, waarbij de mogelijkheid is geboden om te kunnen gaan experimenteren met het opstellen van een bestemmingsplan met een bredere reikwijdte voor het gehele (gemeentelijke) grondgebied. Van toepassing zijn de artikelen 7c en 7g van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. In de Deventer Chw bestemmingsplannen zijn de regels voor de bestemmingen gekoppeld aan vlakken op de verbeelding.
Hierbij is niet de standaard indeling van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012) aangehouden, maar is gekozen voor een andere indeling. De regels zijn direct gekoppeld aan vlakken op de digitale verbeelding. Door in de digitale verbeelding van het plan te klikken op een locatie is hierdoor meteen duidelijk welke regels van toepassing zijn. De vlakken zijn onderverdeeld in de volgende hoofdstukken: Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 2 Functieregels Hoofdstuk 3 Bouwregels Hoofdstuk 4 Dubbelbestemmingen
77
vastgesteld bestemmingsplan Chw Oranjekwartier
Hoofdstuk 5 Algemene regels Hoofdstuk 6 Overgangs- en slotregels De Bijlagen bij de regels zijn niet gekoppeld aan de verbeelding, maar zijn gekoppeld aan artikelen in de regels. Hieronder is per hoofdstuk omschreven wat de regels zijn en zijn de uitgangspunten voor die regels benoemd.