2022-815-bijlage 3-Deelrapportage I - PvE Verfijningsonderzoek BWH 1pt2 integraal
Tekst van het document
Deelrapportage I - Programma van Eisen Verfijningsonderzoek Burgerweeshuis Haveneiland
27
Voor vergaderingen van de medewerkers zijn de volgende ruimtes beschikbaar:
Vergaderruimte 4-6 personen. Primaat van deze ruimte ligt bij BWH. Artiestenfoyer (capaciteit 10-14 personen), als deze niet bezet is. Primaat van deze ruimte ligt bij BWH. Vergader-/lunchruimte van BRUT (capaciteit ca. 14 personen). Primaat van deze ruimte ligt bij BRUT.
Daarnaast kan de foyer worden gebruikt voor informelere overleggen of - op tijden dat BWH voor publiek is gesloten – voor besloten overleggen. Overige ruimten: Kopieer-/archiefruimte (kan ook in de vorm van een vaste kastenwand) Toiletten (geen scheiding m/v) 3.10.6
Facilitaire ruimten Laad- en losvoorziening zalen De laad- en losvoorziening is inpandig. In de laad-losruimte dient oplegger of een nightliner met aanhanger tot een maximumlengte van 18,75 te kunnen laden en lossen. De volgende goederen worden via de Laad- en losvoorziening aan- en afgeleverd in het gebouw: Voor de zalen: muziekinstrumenten, decorattributen, versieringen, licht- en geluidsapparatuur regelmatig Voor de kleedkamers: kledingkisten en –rekken incidenteel Laden en lossen mag geen geluidsoverlast naar de zalen veroorzaken. Dit betekent dat deuren tussen Laad- en losvoorziening en zalen geluidwerend moeten zijn. Ten behoeve van de goederen voor de grote zaal en de kleedkamers is voorzien in een verhoogde laad- en losvloer (podiumniveau grote zaal) waarin een hefplateau is geïntegreerd. Vanaf de verhoogde vloer kunnen de goederen via korte lijnen naar de backstage ruimten en het podium van de grote zaal worden gebracht. De Laad- en losvoorziening biedt tevens ruimte voor het kortstondig parkeren van goederen. Bij alle verbindingen, gangen en deuren, dient rekening te worden gehouden met het volume van de goederen die geladen en gelost worden. Ingang goederen Een separate goedereningang dient te worden voorzien: Voor de horeca: kelderbier, kratten, etenswaren Voor het gehele complex: afval, schoonmaakmiddelen, enz.
regelmatig wekelijks
De volgende goederen gaan via de goedereningang of hoofdingang: Voor de kantoren: kantoorbenodigdheden, inventaris Voor de foyer en zalen: inventaris, standmateriaal, etc.
incidenteel incidenteel
Goederen voor horeca, kantoren, foyer en café zullen op maaiveldniveau worden gelost.
Deelrapportage I - Programma van Eisen Verfijningsonderzoek Burgerweeshuis Haveneiland
28
Bergruimte horeca normaal Voor voorraad en emballage. Korte lijnen met Laad- en losvoorziening en met Bergruimte horeca gekoeld. Bergruimte horeca gekoeld Gekoelde voorraad. Korte lijnen met Laad- en losvoorziening en keuken en grenzend aan Bergruimte horeca normaal. Bierkoeling Biertanks. Zodanig gesitueerd dat levering van bier vanuit de Laad- en losvoorziening alsmede doorgifte aan de verschillende horecapunten in het gebouw op efficiënte wijze kan plaatsvinden, waardoor bierverlies zoveel als mogelijk voorkomen wordt. Werkplaats techniek Reparaties aan geluid en licht. Korte lijnen met Laad- en losvoorziening en Bergruimte techniek. Deze ruimte wordt tevens als kantoor voor het Hoofd Producties en Techniek gebruikt. Opslag producties Opslag voor eigen producties van het Burgerweeshuis. Precieze situering in overleg met de gebruiker te bepalen in het ontwerp. Opslag marketing en PR Door gebruiker te voorzien van stellingkasten voor posters, banners, etc. Washok Om tourende artiesten te faciliteren is het washok nabij het artiestendomein gepositioneerd. In het washok worden 2 wasmachines en 2 drogers geplaatst (losse inrichting). Ook het Burgerweeshuis maakt gebruik van deze faciliteit voor het wassen van de kleding van vrijwilligers en event-personeel (handdoeken, theedoeken etc.). Bergruimte algemeen Algemene berging. Goede verbinding met Laad- en losvoorziening.
Goed bereikbaar vanuit zalen + café. Bij grote afstanden: ruimte knippen in meerdere kleinere bergingen. Bergruimte schoonmaak Hierin moet ruimte zijn voor de schoonmaakapparatuur zoals een boenmachine (rekening houden met breedte ruimte en deur), stofzuiger, bezem, mop e.d. alsmede voor voorraden schoonmaakmiddelen. In de werkkast moet een uitstortgootsteen zijn opgenomen met een aansluiting op warm en koud water. Berging vuilniscontainers In principe inpandig en indien mogelijk uitpandig. Meubelberging Ten behoeve van (tijdelijke) opslag van tafels en stoelen (café).
Deelrapportage I - Programma van Eisen Verfijningsonderzoek Burgerweeshuis Haveneiland
29
3.10.7
Producersruimte en popoefenruimten Deze ruimten kunnen ook door gebruikers van BRUT en STROOM worden gebruikt.
3.10.7.1
Producersruimte Ruimte waarin muzikantenmakers zelfstandig in groepsverband elektronische producties kunnen maken. Het betreft een faciliteit ten behoeve van de uitvoering van het talentontwikkelingsprogramma van Burgerweeshuis en verhuurmogelijkheden. Situering te bepalen in dialoog met de gebruiker. De ruimte hoeft geen zelfstandige buitenentree te hebben.
3.10.7.2
Popoefenruimten De bestaande voorzieningen zullen zoveel mogelijk worden gehandhaafd. Ruimten waarin muzikanten zelfstandig en in groepsverband kunnen repeteren. Het betreffen faciliteiten ten behoeve van de uitvoering van het talentontwikkelingsprogramma van Burgerweeshuis en verhuurmogelijkheden voor zowel amateur als (semi)professionele muzikanten. Situering te bepalen in dialoog met de gebruiker. De ruimten moeten een zelfstandige buitenentree hebben en/of door middel van elektronische toegangscontrole toegankelijk zijn.
3.10.8
BRUT BRUT heeft kantoorruimte nodig, met een open karakter en tegelijkertijd ruimte om in rust te kunnen werken, een aantal flexwerkplekken (zie paragraaf Kantoren), een bergruimte en een vergader/lunchruimte met keuken. Daarbij een repetitieruimte die tevens kan dienen voor bijeenkomsten en kleine try-outs en plek biedt voor een kleine podcaststudio. Al eerder genoemd, maar belangrijk om te benadrukken, is dat dit alles zich onder hetzelfde dak bevindt als het poppodium en STROOM.
3.11
Aanpasbaarheid, flexibiliteit, multifunctionaliteit
3.11.1
Aanpasbaarheid Geen specifieke aandachtspunten.
3.11.2
Flexibiliteit Het kantorencluster is flexibel indeelbaar. De schalen zijn schaalbaar, naar gelang het aantal bezoekers dat aanwezig is. Overruimte binnen de bestaande hal kan in de toekomst opnieuw worden ingedeeld.
Deelrapportage I - Programma van Eisen Verfijningsonderzoek Burgerweeshuis Haveneiland
30
3.11.3
Multifunctionaliteit Met name voor de foyer, de artiestenfoyer, de vergader-/lunchruimte van BRUT en de repetitieruimte van BRUT moet rekening worden gehouden met multifunctioneel gebruik. Deze ruimten worden op specifieke dagen en tijdstippen gebruikt voor hun hoofdfunctie. Daarbuiten is er gelegenheid om ze te benutten voor vergaderingen, workshops en dergelijke.
Deelrapportage I - Programma van Eisen Verfijningsonderzoek Burgerweeshuis Haveneiland
31
4
Technische eisen
4.1
Eisen op gebouwniveau
4.1.1
Wet en regelgeving Het gebouw en de daarin aanwezige installaties dienen te voldoen aan de geldende eisen en regelgeving. Voor het gebouw zijn de eisen welke gesteld worden door de overheid, nutsbedrijven en brandweer van toepassing. Aanvullend aan de in het Bouwbesluit genoemde NEN-normen worden de in dit programma van eisen NEN-normen van toepassing verklaard. Hiervoor geldt dat moet worden uitgegaan van de meest recente versies inclusief eventuele wijzigingsbladen. Bestaande kapconstructie Uitgangspunt is behoud van de bestaande kapconstructie met lichtstraten. Uit de bouwhistorische verkenning komt een duidelijk beeld van de constructieopzet van de bestaande hal naar voren. De technische staat is slechts globaal bekeken. Vraag is of de kapconstructie voldoet aan de wettelijke eisen – zoals ten aanzien van brandveiligheid - (die gelden voor een bijeenkomstfunctie). Om dit te bepalen moet de constructie worden ingemeten, beoordeeld en doorgerekend. Dit behoort niet tot de scope van dit onderzoek.
4.1.2
Richtlijnen De volgende richtlijnen zijn van toepassing:
4.1.3
Integrale Toegankelijkheidsstandaard 2020, PBT. Minimale certificering ITS basis. 100% van het gebruiksoppervlak dient integraal toegankelijk te zijn. De op grond van de genoemde regelgeving vastgestelde voorschriften zoals het bestemmingsplan en de bouwverordening. De gemeentelijke duurzaamheidsambities (zie 1.1.8)
Tabel technische eisen In de Tabel technische eisen (bijlage 1) zijn per ruimte de uitgangspunten met betrekking tot bouwfysische en installatietechnische aspecten beschreven. Deze dienen in het ontwerp door architect en adviseurs te worden uitgewerkt. Indien aspecten worden aangeduid met ‘ntb’, dan dienen de exacte eisen nog te worden uitgewerkt door het ontwerpteam in vervolgfasen.
4.1.4
Flexibiliteit Het gebouw dient flexibel indeelbaar te zijn, waarbij de ruimte-indeling eenvoudig is te wijzigen. Uitzondering hierop vormen de ruimten die zijn voorzien van zware scheidingsconstructies vanwege een vereiste hoge geluidwering. Voor de overige scheidingen binnen het gebouw gelden de volgende uitgangspunten:
Geen dragende binnenwanden Dekvloer vrij van leidingwerk en gedilateerd per ruimte, hoogteverschillen aan weerskanten van scheidingswanden vermijden.
Deelrapportage I - Programma van Eisen Verfijningsonderzoek Burgerweeshuis Haveneiland
32
Zoveel mogelijk vrije ruimte om beleving in bestaande karakteristieke gebouw te versterken, ruimtelijke invulling wordt grotendeels gerealiseerd met inrichtingselementen. Ruimten met een verhoogde geluidsproductie (zoals de zalen of popoefenruimten) of andere vormen van hinder (zoal de keuken) dienen wel afgescheiden te worden.
4.1.5
Bouwfysische condities
4.1.5.1
Omgeving Windklimaat Gebouwen kunnen het windklimaat dusdanig negatief beïnvloeden dat er sprake is van een slecht windklimaat in de omgeving van het gebouw. Dit kan zich manifesteren in windhinder en/of windgevaar. Windhinder is niet gewenst maar windgevaar moet te allen tijde voorkomen worden. NEN 8100 dient bij de beoordeling van windhinder of het nemen van maatregelen als uitgangspunt te worden genomen. Indien op basis van NEN 8100 een windklimaatstudie noodzakelijk wordt geacht, wordt er een CFD onderzoek uitgevoerd. In de NEN 8100 zijn criteria opgenomen voor windhinder en windgevaar. Deze criteria zijn weergegeven in de navolgende tabel. overschrijdingskans dat
kwaliteitsklasse
v > 5 m/s in procenten
activiteiten 1. doorlopen
2. slenteren
3. langdurig
van het aantal uur per
zitten
jaar < 2.5
A
goed
goed
goed
2.5 – 5.0
B
goed
goed
matig
5.1 – 10.0
C
goed
matig
slecht
10.1 – 20.0
D
matig
slecht
slecht
> 20.0
E
slecht
slecht
slecht
Tabel 1 Beoordeling van het lokale windklimaat ten aanzien van windhinder Het windklimaat wordt opgedeeld in kwaliteitsklassen (A t/m E). Aan deze kwaliteitsklassen worden activiteiten gekoppeld. Op basis van de combinatie kwaliteitsklasse en activiteit is het windklimaat te beoordelen. In de windklimaatstudie worden de volgende gebieden met bijbehorende activiteit beschouwd: Entreegebied voor de hoofdtoegang(en): doorlopen Terras: langdurig zitten Voor de kwaliteit van het windklimaat in de hiervoor genoemde gebieden dient minimaal te worden voldaan aan de kwalificatie ‘matig’. Bezonning
Deelrapportage I - Programma van Eisen Verfijningsonderzoek Burgerweeshuis Haveneiland
33
Gezien de afstand tot omliggende bestaande woningen is bezonning/beschaduwing van omliggende woningen geen aandachtspunt. Zonreflectie In de omgeving van het gebouw is directe naburige bebouwing aanwezig. Om hinderlijke reflecties naar de omgeving te voorkomen, dient te worden uitgegaan van een beglazing met een RLext < 0.15. Voor beglazingen dient de buitenlichtreflectie bepaald te zijn volgens EN 410. Bij de keuze van de gevelafwerking dient eveneens rekening te worden gehouden met het aspect zonreflecties. Indien er redenen bestaan tot het vermoeden van hinderlijke zonreflecties dient een bezonningsonderzoek te worden verricht. Zicht op publieksruimten Vanuit de omgeving mag worden gezien dat er activiteiten zijn in de foyers van het gebouw. Rekening dient te worden gehouden met de spiegeling van glas als er buiten sprake is van een (veel) hoger lichtniveau dan binnen. Publieksruimten hebben dus bij voorkeur ook daglicht vanuit een andere gevel of van boven om het verschil in lichtniveau tussen binnen en buiten te verminderen. Lichtuitstraling In de Wet Milieubeheer zijn voorschriften opgenomen ten aanzien van lichthinder. Dit betreft echter de glastuinbouw en sportparken. Daarnaast zijn er door de NSVV (Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde) richtlijnen opgesteld.
Deze richtlijnen zijn echter nog nergens formeel vastgesteld en minder toepasbaar op een binnenstedelijke ontwikkeling. Voor de lichtuitstraling vanuit het gebouw, het aanlichten van het gebouw en het gebruik van beeldschermen of projecties, zal een balans moeten worden gevonden tussen de lichtuitstraling die daarmee gepaard gaat en de consequenties daarvan voor de directe omgeving van het complex. Over de intensiteit van de uitstraling en de tijdstippen van uitstraling zal overlegd worden met de afdeling Bouwen van de gemeente. Geluid vanuit de omgeving De geluidbelasting op het gebouw dient te worden onderzocht. Daarbij dient aandacht te zijn voor wegverkeer en het geluid van het gezoneerd industrieterrein. De akoestische situatie wordt niet alleen beoordeeld aan de hand van langtijdgemiddelde geluidniveaus (LA;eq of Lden) maar ook aan de hand van optredende maximale geluidniveaus (Lmax) als deze meer dan 10 dB hoger liggen dan de langtijdgemiddelde geluidniveaus. 4.1.5.2
Binnenklimaat Te openen ramen Gebouwgebruikers waarderen het binnenklimaat beter als zij daar zelf invloed op kunnen uitoefenen. Een te openen raam of vergelijkbare voorziening is één van de mogelijkheden om deze invloed te realiseren. In bijlage 1 is per ruimte aangegeven
Deelrapportage I - Programma van Eisen Verfijningsonderzoek Burgerweeshuis Haveneiland
34
of te openen ramen vereist zijn. In principe zijn ramen in werkruimten te openen en in publieksruimte niet. In geval een te openen raam vereist is, is per travee en mogelijke ruimteindelingsvariant, minimaal één te openen raam van 0,5 m² aanwezig. 4.1.5.3
Lucht- en waterdichtheid
Algemene uitgangspunten lucht- en waterdichtheid De volgende algemene eisen hebben betrekking op de lucht- en waterdichtheidseisen: De strengste eis is maatgevend. De oppervlakte van de gevel wordt bepaald ten opzichte van het buitenoppervlak. Maatgevend voor de luchtdoorlatendheidseis die aan naden en kieren wordt gesteld, is de totale lengte aan kieren gemiddeld per m2 over een representatief gevelgedeelte (per vertrek, per travee en/of per bouwlaag). Luchtdichtheidseisen Geveldeel: Vaste naden: gesloten bouwdelen en bouwkundige aansluitingen aan kozijnen Vaste beglazing en panelen in ramen Vliesgevels (e.g.) Buitendeuren, rolstoeltoegankelijk: Beweegbare ramen en deuren: (Ventilatie)roosters Plaatselijke lekken
Van toepassing: Ja, zie ad.1.
Prestatie-eisen: Naden ≤ 0,50 m3/h.m1 (300 Pa)
Ja Ja Ja, zie ad.2 Ja, zie ad.3 Ja Ja
Naden ≤ 0,50 m3/h.m1 (300 Pa) Klasse A2 (NEN-EN 12152) Klasse 2 (NEN-EN 12207) Klasse 4 (NEN-EN 12207) (Av /10) m3/s (300 Pa) Max. 0,50 l/s per Ø 100 mm (300 Pa)
Tabel 2 Eisen aan de luchtdichtheid Ad.1: De omschreven eis die wordt gesteld aan naden geldt ook voor de overgang van ramen, deuren, vliesgevels en soortgelijke constructies ten opzichte van de gesloten geveldelen (‘de zogenaamde bouwkundige aansluiting’). Dergelijke aansluitingen dienen adequaat afgeplakt te worden met de daarvoor geschikte tape of te worden voorzien van een kitvoeg op rugvulling. Hierbij wordt er van uit gegaan dat gesloten geveldelen, zoals bijvoorbeeld betonconstructies, volledig gesloten zijn en dat luchtlekkages hierdoor dus zijn uitgesloten. Houtskeletbouw-achtige constructies met onderlinge naden (tussen twee onderlinge elementen) dienen zodanig dichtgezet te worden dat aan een luchtdoorlatendheid wordt voldaan zoals hier boven vermeld. Ad.2: Voor buitendeuren in rolstoeltoegankelijke ruimten komt een hoge luchtdichtheidsklasse met een aantal praktische nadelen (o.a. een opstaande onderdorpel met een vierzijdig ononderbroken doorlopende luchtdichting. Omdat de luchtdichting voor de buitendeuren minder kritisch is - aangezien deze in verkeersgebieden zijn gelegen en er geen werk-/woonplekken nabij zijn gesitueerd wordt er een lagere luchtdichtheid aangehouden voor deze buitendeuren. Op basis van conventionele systemen is een luchtdichtheid klasse 2 conform NEN-EN 12207 goed haalbaar (bijvoorbeeld Forster, Schüco).
Ad.3: In het kader van het voorkomen van tochtklachten is voor de ramen (i.e. raamconstructies) een luchtdichtheidsklasse 4 conform NEN-EN 12207 noodzakelijk. De bijbehorende toetsingsdruk is voor deze klasse echter aan de hoge kant (600 Pa).
Deelrapportage I - Programma van Eisen Verfijningsonderzoek Burgerweeshuis Haveneiland
35
De bijbehorende luchtdoorlatendheid is voor deze klasse een goed uitgangspunt. Derhalve wordt voorgesteld een luchtdoorlatendheidsklasse 4 aan te houden voor het onderhavige project met een vertaling van deze klasse naar 300 Pa. De bijbehorende luchtdoorlatendheid wordt dan (zie classificatiegrafiek NEN-EN 12207):
Eis per m1 sluitnaad: luchtdoorlatendheid ≤ 1,56 m3.h/m1 (tot 300 Pa). Eis per m2 oppervlak: luchtdoorlatendheid ≤ 6,24 m3.h/m2 (tot 300 Pa).
Waterdichtheidseisen Eisen geldend voor alle gevels/geveltypen/daken van nieuw aan te brengen onderdelen en (bouwkundige) aansluitingen daarvan. De gevel moet waterdicht zijn. Er mag geen waterlekkage optreden op plaatsen waar het niet gecontroleerd afgevoerd kan worden. Voor de waterdichtheid zijn de volgende eisen van toepassing: Geveldeel: Gesloten geveldelen en bouwkundige aansluitingen Vliesgevels (e.g.) Buitendeuren, rolstoeltoegankelijk: Ramen en deuren, inclusief beglazing en panelen (Ventilatie)roosters
Van toepassing: Ja
Prestatie-eisen: Volledig waterdicht (300 Pa)
Ja Ja, zie Ad.1 Ja
Klasse R5 (NEN-EN 12154) Klasse 3A (NEN-EN 12208) Klasse 7A (NEN-EN 12208)
Ja, zie Ad.2.
In overleg met de opdrachtgever.
Tabel 3 Eisen aan de waterdichtheid Ad.1: De buitendeuren in rolstoeltoegankelijke ruimten kunnen – zeker in geval van dubbele deurconstructies – moeilijk voldoen aan een waterdichtheidsklasse 7A (overeenkomend de klasse voor de ramen), omdat de onderdorpel slecht 0,02 m hoog mag zijn. In de regel is een klasse 3A/4A voor dergelijke deuren maximaal haalbaar. Voorgesteld wordt aan de hand van de detaillering te bekijken hoe er eventueel extra voorzieningen aan de buitendeuren toegevoegd kunnen worden, zodat waterinfiltratie niet direct leidt tot problemen (bijvoorbeeld een rooster in de vloer, leklijst of luifel). Dergelijke details dienen met goedkeuring van de opdrachtgever te worden toegepast. Ad.2: Ventilatieroosters (i.e. geen natuurlijke ventilatieroosters, maar bijv. een ventilatierooster voor een technische ruimte o.i.d.) kunnen niet aan de gevraagde waterdichtheid classificaties voldoen. Enerzijds is dit vanuit het feit dat deze ventilatieroosters moeten kunnen ‘ventileren’, anderzijds omdat de beproevingsmethode en de classificatie niet overeenkomt met die van een normale gevelconstructie. De detaillering van de aannemer moet ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Opdrachtgever. 4.1.5.4
Energiezuinigheid Energetische aspecten Energiebesparende maatregelen moeten gebaseerd worden op een drie-stappenstrategie, namelijk:
Minimaliseer energiegebruik; Efficiënt gebruik niet-duurzame energie (bijv. energieterugwinning). Toepassing duurzame energie (afstemmen met specialist/adviseur);
Deelrapportage I - Programma van Eisen Verfijningsonderzoek Burgerweeshuis Haveneiland
36
Hierbij geldt dat vooral maatregelen met een lange levensduur, met name dus isolatie van de gebouwschil, sterk de voorkeur genieten. Thermische isolatie In de bouwregelgeving zijn eisen geformuleerd voor de thermische isolatie van de uitwendige scheidingsconstructie om de energievraag van een gebouw te beperken. Er is vanuit bouwfysisch oogpunt geen aanleiding om aanvullende eisen te stellen aan de thermische isolatie van de uitwendige scheidingsconstructie, anders dan de eisen van het Bouwbesluit. Koudebruggen In de bouwregelgeving zijn eisen geformuleerd ten aanzien van koudebruggen in de uitwendige scheidingsconstructie. Er is geen aanleiding om aanvullende eisen te stellen aan het ondervangen van koudebruggen of de binnenoppervlaktetemperatuur danwel de temperatuurfactor ter plaatse van een koudebrug. Bestaande omhulling Het is lastig om aan de bestaande omhulling specifieke eisen te stellen op het gebied van energiezuinigheid. De reden hiervoor is dat de huidige mate van energiezuinigheid onbekend is en nog niet duidelijk is welke maatregelen kunnen worden getroffen in verband met de monumentale status en constructieve sterkte van enkele delen van het pand.
De bestaande omhulling moet in de ontwerpfase worden geïnspecteerd en er moet onderzoek worden gedaan naar de mogelijkheden om de schil te herstellen of verbeteren op het gebied van luchtdichtheid, waterdichtheid, thermische isolatie en geluidsisolatie. Op basis van dit onderzoek is het aan de opdrachtgever te besluiten welke maatregelen doelmatig zijn. Het ontwerpteam gebruikt deze uitgangspunten in het ontwerp.
4.1.5.5
BENG Energetische schematisering Uitgangspunt is dat alle volledig geklimatiseerde en verwarmde verblijfsruimten, binnen een goed geïsoleerde schil komen te liggen. De thermische isolatiewaarde van deze schil voldoet minimaal aan de nieuwbouw-eis van het Bouwbesluit. Op het bouwdeel of de bouwdelen waarin de volledig geklimatiseerde en verwarmde verblijfsruimten zijn gelegen, zijn de BENG-eisen van toepassing. Aan te tonen met een BENG berekening conform NTA 8800. Verkeersruimten en de foyer hoeven niet binnen een goed geïsoleerde schil komen te liggen. Die mogen ook binnen de bestaande, matig geïsoleerd gebouwschil liggen. Voor deze ruimten wordt uitgegaan van een ruwer tussenklimaat. Deze ruimten vallen dan buiten de BENG berekening.
Deelrapportage I - Programma van Eisen Verfijningsonderzoek Burgerweeshuis Haveneiland
37
Als de grote zaal buiten de bestaande hal komt te liggen, dan wordt deze meegenomen in de BENG berekening van de bouwdelen die in de bestaande hal liggen. De mogelijkheden om een zo energiezuinig gebouw te realiseren dienen in de ontwerpfase in kaart te worden gebracht. Hierbij moet rekening worden gehouden met de beperkingen van de monumentale kapconstructie van de bestaande hal. Verder kan worden gekeken naar de mogelijkheden voor energieopwekking in de omgeving. 4.1.5.6
Visueel comfort Daglichttoetreding Op werkplekken en in verblijfsruimten is toetreding van daglicht gewenst. In bijlage 1 is per ruimte aangegeven waar daglichttoetreding vereist (x) of optioneel is. Lichttoetredingsfactor Om de kwaliteit van daglichttoetreding te bevorderen is in bijlage 1 per ruimte de minimaal vereiste lichttoetredingsfactor (LTA waarde) voor de beglazing aangegeven. Lichtwering Om zo min mogelijk hinder te ervaren van helderheidverschillen, verblinding, spiegeling, reflectie of directe zoninstraling, is in bijlage 1 per ruimte aangegeven of moet worden voorzien in lichtwering om zon- en daglicht te kunnen temperen. Voor kantoorruimten geldt daarnaast een maximale luminantieverhouding tussen taak, directe omgeving en periferie (conform NEN-EN 12464). Deze verhouding mag niet meer zijn dan 1:10:30 (conform SBR Praktijkboek gezonde gebouwen). Voor de ruimte waar deze eis geldt, is dit aangegeven in bijlage 1. Verduistering In de zalen en op het podium moet verduistering van aanwezige daglicht-openingen mogelijk zijn. In bijlage 1 is per ruimte aangegeven waar verduistering vereist is.
Uitzicht Bij het ontwerp van het gebouw, en met name de (kantoor)werkplekken, moet zoveel mogelijk rekening worden gehouden met elementen die de kwaliteit van het uitzicht bepalen, namelijk: de afstand van de bebouwing waarop wordt uitgekeken het waarnemen van het weer het waarnemen van beweging, zoals die van mensen en verkeer het waarnemen van natuurlijke elementen, zoals groenaanplant privacy.
Deelrapportage I - Programma van Eisen Verfijningsonderzoek Burgerweeshuis Haveneiland
38
4.1.6
Akoestisch comfort
4.1.6.1
Geluiduitstraling naar de omgeving Met betrekking tot de geluiduitstraling naar de omgeving dient te worden voldaan aan het Activiteitenbesluit (Wet milieubeheer). In tabel 3 is een overzicht van de toetsingswaarden voor geluidsgevoelige bestemming opgenomen. In bijlage 1 is opgenomen wat de verwachte binnengeluidniveaus zijn van de verschillende ruimtes. De grote en kleine zaal zullen maatgevend zijn met een geluidniveau van 103 dB(A) (housespectrum). Uitgegaan moet worden van een doos-in-doos constructie met minimaal een zware binnen- of buitendoos, om voldoende geluidisolatie naar de omgeving te realiseren. Dagperiode
Avondperiode
Nachtperiode
07.00 - 19.00 uur
19.00 - 23.00 uur
23.00 - 07.00 uur
LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen
50
45
40
LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen
70
65
60
Toetsingspunt
Tabel 4 toetsingswaarden (LAr,LT / LAmax in dB(A)) De woning in het naastgelegen DAVO gebouw heeft geen formele woonbestemming en hoeft niet meegenomen te worden in de beoordeling van de geluiduitstraling naar de omgeving. 4.1.6.2
Geluidwering van de gevel Het maximaal achtergrondgeluidsniveau in een ruimte ten gevolge van geluid van buiten is opgenomen in de tabel in bijlage 1. In de beoordeling dienen naast wegverkeer en industrielawaai ook nabijgelegen en aangrenzende inrichtingen/bedrijven waar sprake is van hoge geluidniveaus (> 80 dB(A)) meegenomen te worden. Bedrijven die hiervoor in aanmerking komen zijn: PontMeyer Meubelwerkplaats De Energiefabriek Deventer
4.1.6.3
Interne lucht- en contactgeluidsisolatie Algemeen Voor het formuleren van de eisen ten aanzien van de interne geluidsisolatie, is het belangrijk om de akoestische uitgangspunten ten aanzien van de verwachte geluidsniveaus en gewenste achtergrondgeluidniveaus in de verschillende ruimten vast te stellen. In de tabel in bijlage 1 is per ruimte aangegeven: Het maximaal verwacht equivalent geluidniveau in een ruimte in dB(A) Het bijbehorend karakter (spectrum) van het geluid Het toelaatbaar achtergrondgeluidniveau t.g.v. geluid uit omliggende ruimten in dB(A). De te hanteren correctiewaardes bij de gehanteerde spectra zijn weergegeven in de navolgende tabel.
Deelrapportage I - Programma van Eisen Verfijningsonderzoek Burgerweeshuis Haveneiland
39
frequentie [Hz] referentiespectrum
63
125
250
500
1.000
2.000
4.000
popmuziek
-27
-14
-9
-6
-5
-6
-10
dancemuziek
-20
-11
-8
-5
-6
-8
-12
housemuziek
-20
-11
-8
-5
-6
-8
-12
-21
-14
-8
-5
-4
-14
-10
-7
-4
-6
C van ISO 717-1 (neutraal spectrum) Ctr van ISO 717-1 (verkeer spectrum)
Tabel 5 Correctiewaardes per octaafband behorend bij de referentiespectra Uit het verschil tussen het verwacht equivalent geluidniveau in de ene ruimte en het toelaatbaar achtergrondgeluidniveau in de andere ruimte, wordt de benodigde luchtgeluidisolatie tussen ruimten onderling bepaald (DnT;A). In geval van muziekgeluid dient daarbij rekening te worden gehouden met een straffactor van 5 dB vanwege de snellere waarneming/herkenbaarheid van muziekgeluid. Als door de indeling in ruimten een overlap van eisen ontstaat, zal de strengste richtwaarde voor de geluidsisolatie worden aangehouden. Er wordt uitgegaan van gelijktijdig gebruik van de kleine en grote zaal. Om te voldoen aan de eisen moet in het ontwerp rekening worden gehouden met: Doos-in-doos constructies voor de kleine zaal en grote zaal Indeling met tussenruimten (bufferfunctie) De lucht- en contactgeluidisolatie moet gemeten worden volgens NEN 5077:2019. Geluidisolatie foyer De foyer fungeert als wachtruimte en nazit bij concerten in de grote en/of kleine zaal, maar ook als zelfstandig café. Er zullen normaal gesproken geen bands/Dj’s in de foyer staan tijdens concerten in één van de zalen. Wanneer er geen programmering in de zalen is kan er in de foyer wel een band/DJ staan die een hoger geluidniveau produceert.
De foyer staat altijd ondergeschikt aan de programmering in de concertzalen en dat betekent dat in de foyer wel het geluid vanuit de zalen waargenomen mag worden, dit zal niet als hinderlijk ervaren worden door de bezoekers. Als uitzondering is vanuit de zalen in de foyer(s) een hoger toelaatbaar achtergrondgeluidniveau acceptabel tot 60 dB(A) (hierbij is de 5 dB straffactor van muziekgeluid al opgenomen). Omgekeerd mogen geluiden uit de foyer niet hoorbaar zijn in de zalen tijdens een concerten. Dit wordt gerealiseerd door de gelijktijdigheid tussen de zalen en foyer te beperken. De geluidisolatie van foyer naar zaal hoeft dus alleen voldoende zijn om stemgeluid/achtergrond muziek van het café voldoende te isoleren.
Deelrapportage I - Programma van Eisen Verfijningsonderzoek Burgerweeshuis Haveneiland
40
Een uitzondering is de situatie met een groot evenement, waarbij in het hele gebouw sprake is van activiteit en muziek. In dat geval zijn de geluideisen tussen foyer en de zalen niet van toepassing. Met deze beperkingen in gelijktijdigheid wordt voorkomen dat er zware dubbele sluisdeuren nodig zijn tussen foyer en grote/kleine zaal. 4.1.6.4
Ruimte-akoestiek Algemene ruimtes De (zaal)akoestische eisen van de concertzalen zijn in een afzonderlijke paragraaf beschreven. Voor de overige ruimten wordt volstaan met een eis aan de nagalmtijd. De nagalmtijd wordt bepaald als rekenkundig gemiddelde van de vijf genormaliseerde octaafbanden (125 t/m 2.000 Hz). Deze eisen zijn per ruimte opgenomen in bijlage 1. Ter voorkoming van ruimteresonanties en flutterecho’s dienen evenwijdige akoestisch harde vlakken te worden vermeden en dient voldoende effectieve lagetonen-absorptie te worden toegepast, dit geldt met name voor de foyer. De nagalmtijd moet gemeten worden volgens NEN 5077:2019. Zaalakoestiek grote en kleine zaal De zalen moeten akoestisch geschikt zijn voor alle gangbare elektrisch (pop)muziek en dance/house concerten. Het bouwkundig ontwerp van de zaal dient op dit gebruik te worden ontworpen. De volgende akoestische fenomenen dienen in de zaal te worden voorkomen: Flutterecho’s door herhalende reflecties tussen twee evenwijdige harde vlakken, dit geldt nadrukkelijk voor de achterwand tegenover het podium. Tonale kleuring door regelmatige patronen in wanden en/of plafond. Selectieve absorptie door resonantie van dunne panelen e.d. Om deze fenomenen te vermijden dient er rekening gehouden te worden met: Absorptie langs de achterwand. Absorptie aan het plafond. Absorptie aan zijwanden nabij de P.A.
De nagalmtijd moet ook bij afwezigheid van publiek voldoende laag zijn om een goede soundcheck mogelijk te maken. Met name de laagfrequente nagalmtijd is in praktijk lastig realiseerbaar. Er moet rekening gehouden worden met specifieke bass-absorbers die veel ruimte in beslag kunnen nemen. Grote zaal De zaal moet geschikt zijn voor allerlei soorten pop-, house- of dancemuziek. Om dit mogelijk te maken moet de ruimte redelijk droog zijn. Langere nagalmtijden kunnen elektro-akoestisch gerealiseerd worden met het P.A. systeem.
Deelrapportage I - Programma van Eisen Verfijningsonderzoek Burgerweeshuis Haveneiland
41
Tegelijkertijd moet de akoestische beleving aansluiten bij de verwachting van een grote concertzaal wanneer mensen de ruimte betreden, akoestisch moet het dus niet té droog zijn. De onderstaande waardes gelden voor een zaal zonder publiek. Nagalmtijd laagfrequent (125 – 250 Hz) ≤ 1,2 s ± 10% Gemiddelde nagalmtijd (125 – 4k Hz) ≤ 1,0 s ± 10% Kleine zaal De zaal moet geschikt zijn voor allerlei soorten pop-, house- of dancemuziek. Om dit mogelijk te maken moet de ruimte redelijk droog zijn. Langere nagalmtijden kunnen elektro-akoestisch gerealiseerd worden met het P.A. systeem. Tegelijkertijd moet de akoestische beleving aansluiten bij de verwachting van de kleinere concert zaal wanneer mensen de ruimte betreden, akoestisch moet het dus niet té droog zijn. De onderstaande waardes gelden voor een zaal zonder publiek. Nagalmtijd laagfrequent (125 – 250 Hz) ≤ 1,0 s ± 10% Gemiddelde nagalmtijd (125 – 4k Hz) ≤ 0,8 s ± 10% 4.1.6.5
Installatiegeluid Gebouwinstallaties Het achtergrondgeluidniveau in een verblijfsruimte ten gevolge van de gebouwtechnische installaties (werktuigbouwkundig, elektrotechnisch, lift), mag in totaal niet meer bedragen dan de maximale waarden die zijn weergegeven in bijlage 1. De eisen betreffen de maximaal toelaatbare geluiddrukniveaus voor de ingerichte ruimte. Indien het installatiegeluid een tonaal karakter heeft (het geluidniveau in een frequentieband is ≥ 10 dB hoger dan omliggende frequentiebanden) geldt een 5 dB zwaardere eis. Verder geldt dat overspraak via technische installaties of afstraling van technische installaties de bouwkundige isolatie niet mag benadelen. Om dit te realiseren dient de geluidisolatie van overspraak en afstraling minimaal 7 dB hoger te liggen dan de bouwkundige luchtgeluidisolatie, rekening houdend met de karakteristieke van het brongeluid en het frequentiebereik waarover de luchtgeluidisolatie wordt beschouwd. Er dient dus te worden getoetst aan zowel het maximaal toelaatbare A-gewogen equivalente installatiegeluidsniveau per ruimte als de minimaal benodigde geluidsisolatie ten behoeve van overspraak (intern en naar de omgeving). Voor de geluidproductie door de technische installaties in of aan het gebouw naar de omgeving dient voldaan te worden aan het Activiteitenbesluit (Wet Milieubeheer).
Er dient in dit verband vanuit te worden gegaan dat de installaties (koelmachines, warmtepompen) ook 's nachts in bedrijf kunnen zijn en dan mogelijk maatgevend zijn.
Deelrapportage I - Programma van Eisen Verfijningsonderzoek Burgerweeshuis Haveneiland
42
Het achtergrondgeluidniveau zal bij oplevering door meting volgens NEN 5077:2019 moeten worden aangetoond. 4.1.7
Onderhoud en exploitatie Het gebouw dient onderhoudsarm te zijn, waardoor:
Alle te verwerken materialen en alle aan te brengen installaties en gebouwdelen kritisch moeten worden beoordeeld op hun invloed op de exploitatiekosten; Het toepassen van corrosieve materialen vermeden dient te worden.
Overige eisen t.a.v. onderhoud en exploitatie:
4.1.8
De vormgeving van gebouw, gebouwdelen en gebouwelementen dient zodanig te zijn dat onderhoud gemakkelijk uitvoerbaar is. Overbodige randen, richels en bochten moeten vermeden worden; Niet gemetselde gevelafwerking dient zodanig te zijn dat vuilaanhechting beperkt wordt; Materiaal- en kleurkeuze van de toplagen van en afwerking van vloeren moeten worden afgestemd op de intensiteit van het gebruik; de slijtage en vervuiling dienen minimaal te zijn; De draagconstructie dient zodanig te worden ontworpen dat op eenvoudige wijze onderhoud gepleegd kan worden; Onderdelen van het gebouw die liggen op voor vandalisme gevoelige plaatsen, dienen qua detaillering en materiaalkeuze hierop te worden afgestemd; bovendien moet de buitenafwerking van de gevel tot tenminste 3m boven maaiveld grafity-proof zijn; Buitengevels en gevels in serres/atria moeten bereikbaar zijn voor technisch onderhoud en schoonmaakwerkzaamheden conform de richtlijnen van de ARBO; Exterieur en interieur van het gebouw moeten eenvoudig kunnen worden onderhouden en schoongemaakt en dienen daarnaast onderhoudsarm te zijn. Opstelling hoofd- en tussenmeters zoveel mogelijk centraal, geclusterd en goed bereikbaar situeren in een afsluitbare ruimte. Bij oplevering dienen de revisietekeningen, onderhouds- en bedieningsvoorschriften en garantiebepalingen aangeleverd te worden.
Classificatie risico’s t.b.v. verzekering De te verzekeren risico’s moeten geïnventariseerd worden bij de uitwerking van het ontwerp en het bestek. Dit geldt zowel voor brand (met name zonnepanelen in combinatie met de materialen van het dak) als voor inbraak. Het gebouw en de omgeving moeten volgens de risicoklasse - indeling van het NCP voldoen aan de eisen. De bepaling van de risicoklasse dient te worden uitgevoerd conform de uitgangspunten van NCP.
Deelrapportage I - Programma van Eisen Verfijningsonderzoek Burgerweeshuis Haveneiland
43
4.1.9
Duurzaamheid Het gebouw dient op een duurzame wijze te worden gerealiseerd en duurzaam kunnen worden gebruikt/geëxploiteerd. Daarvoor gelden de volgende eisen: Energie
Het gebouw dient te voldoen aan de BENG eisen in het bouwbesluit, aangetoond met een NTA 8800 berekening; Het gebouw dient te zijn voorzien van lage temperatuurverwarming en van hoge temperatuur koeling. Minimaal 30% van de gebouwgebonden energiebehoefte dient op de locatie duurzaam te worden opgewekt (BENG 3 = 30% of hoger)
Daarnaast gelden de volgende ambities (geen harde eisen) ten aanzien van circulariteit en water: Circulariteit
De MPG dient bepaald te worden, waarbij een streefwaarde van 1,0 geldt, berekend met NMD 3.0; De verbindingen in het gebouw dienen zoveel mogelijk losmaakbaar te zijn; Toepassing van natuurlijke materialen zoals hout geniet de voorkeur;
Water
4.1.10
Het gebouw en het bijbehorende terrein dienen te voorzien in een waterretentie van 45 mm gedurende 48 uur. Het gebouw dient te zijn berekend op een bui van 80 mm.
Bouwkundige voorzieningen In het gebouw moeten alle ten behoeve van de installaties benodigde bouwkundige voorzieningen worden aangebracht, zoals:
4.1.11
Schachten ten behoeve van de verticale infrastructuur van de installaties, separaat voor klimaatinstallaties, sanitaire installaties en elektrotechnische installaties (de schachten moeten eenvoudig te openen en bereikbaar en te zijn voorzien van werkvloeren (roostervloeren) ten behoeve van onderhoudswerkzaamheden of voor de aanleg/vervanging van de kabels en leidingen); Alle benodigde op stortingen en doorvoeringen.
Bijzondere voorzieningen Naast de gebruikelijke, uit het functioneel programma volgende voorzieningen, dienen de volgende bijzondere voorzieningen in het gebouw aanwezig te zijn:
Verwarmingssysteem met separate pompgroepen voor de verschillende zones, waarbij de gebruikstijden en instellingen per zone geregeld kunnen worden. Ventilatiesysteem opgesplitst in zones waarvoor eveneens geldt dat de gebruikstijden en instellingen per zone geregeld kunnen worden. Elektrotechnische installatie met separate onderverdeelinrichtingen per zone, voorzien van energiemeting.
Deelrapportage I - Programma van Eisen Verfijningsonderzoek Burgerweeshuis Haveneiland
44
4.2
Inbraakalarminstallatie, opgedeeld in zones. Elke zone dient separaat geschakeld te kunnen worden. De zonering van het gebouw dient hierop te zijn afgestemd. Bekabeling voor datanetwerk toepassen in daartoe aangewezen kabelwegen Aansluiting op de openbare infrastructuur voor telefonie, internet. Vaste telefoonverbindingen ten behoeve van storingsmeldingen in de installaties, externe doormeldingen van alarminstallaties (brand en inbraak) en liftinstallaties. Bewegwijzering met ruimte aanduiding en naamsaanduiding op de gevel. Alle sloten in het gebouw op te nemen in een sleutelplan met nader te bepalen onderverdeling. Brandcompartimentering zodanig dat de verplichting om sprinklers toe te passen wordt vermeden.
Eisen op ruimteniveau In de integrale ruimtestaat is, in overleg met de gebruikers, het nuttig oppervlak per ruimte vastgesteld. De tabel van technische eisen toont de eisen op hoofdlijnen op het niveau van ruimtesoorten t.a.v.:
Bouwkundig Thermisch comfort Akoestiek Visueel comfort Constructie W-installaties E-installaties
De architect en installatieadviseurs dienen binnen de kaders van dit document in overleg met de gebruiker de eisen op ruimte niveau vast stellen ten aanzien van:
4.3
Eventueel benodigde extra data-aansluitingen; Afwerking vloer, wanden, plafonds; Eventuele transparantie van wanden; Eventuele flexibele scheidingswanden; Vaste inrichting, zoals keukenblokken, wastafels, werkbladen enz.; Voorzieningen in de kantoorruimten.
Eisen op elementniveau In deze paragraaf zijn de specifieke eisen voor de verschillende gebouwelementen weergegeven. De nummers tussen haakjes achter de sub-paragrafen zijn NL-Sfbcodes. NL-Sfb is een gebruikelijke begrotingssystematiek voor de ontwerpfase.
4.3.1
Onderbouw
4.3.1.1
Bodemvoorzieningen (11) Grondonderzoek In de ontwerpfase moet het benodigde grondonderzoek, zowel geotechnisch als milieutechnisch, uitgevoerd worden.
Deelrapportage I - Programma van Eisen Verfijningsonderzoek Burgerweeshuis Haveneiland
45
4.3.1.2
Vloeren op grondslag (13) Indien vloeren op grondslag worden toegepast dienen hieronder geen rioleringen of ander leidingwerk aanwezig te zijn.
4.3.1.3
Funderingsconstructies (16) In verband met flexibiliteit dient de funderingsconstructie een vrije indeelbaarheid van het gebouw niet te belemmeren.
4.3.1.4
Paalfunderingen (17) In overleg met de constructeur dient te worden bepaald welk type funderingsconstructie is vereist.
4.3.2
Bovenbouw
4.3.2.1
Buitenwanden (21) Aan de buitenwanden worden de volgende eisen gesteld:
4.3.2.2
Binnenwanden (22) Aan de binnenwanden worden de volgende eisen gesteld:
4.3.2.3
De buitenwanden dienen stootvast te zijn. Voor buitengevels en wanden dienen onderhoudsarme materialen te worden toegepast. De buitenwanden dienen een Rc-waarde van minimaal 6,3 m2K/W te hebben. De licht doorlatende delen in de gevel dienen voor verwarmde ruimten een U-waarde < 1,0 te hebben.
De binnenwanden dienen zodanig te worden uitgevoerd dat de ruimteindeling kan worden gewijzigd zonder aanpassing van de draagconstructie van het gebouw; De binnenwanden dienen aan te sluiten tegen de vloerconstructie van de bovengelegen verdieping boven verlaagde plafonds; eventuele leidingdoorvoeren moeten worden afgedicht; Bij toepassing van metal-stud binnenwanden moeten op gewaarmerkte plekken geschikt zijn voor ophanging van wastafels, uitstortgootstenen, wastafels, wandkasten en t.v./videoapparatuur. Binnenwanden dienen geschikt te zijn voor de bevestiging van platen/schilderijen en waar nodig andere voorzieningen; afhankelijk van de functie kan er gekozen worden voor een railsysteem aan het plafond; De wanden van de toiletten dienen geschikt te zijn voor toepassing/bevestiging van vrij hangende toiletpotten en stootvast klasse 4 uitgevoerd te worden.
Vloeren (23) De vloeren dienen aan de volgende eisen te voldoen:
Uitgangspunt is een vloer met daarin installaties geïntegreerd; bij het aanbrengen van installatieonderdelen/mantelbuizen en sparingen moet de betonsterkte en de betondekking op de wapening voldoende gewaarborgd zijn;
Deelrapportage I - Programma van Eisen Verfijningsonderzoek Burgerweeshuis Haveneiland
46
4.3.2.4
De contouren van mantelbuizen en leidingen mogen in de afgestorte betonvloer (of wand) niet aan de oppervlakte herkenbaar zijn, de benodigde dekking bepalen op basis van de gekozen vloerafwerking; De begane grond vloer dient een Rc-waarde van minimaal 4,7 m2K/W te hebben.
Trappen en hellingen (24) Trappen uitvoeren overeenkomstig NEN 3509-1. Buitentrappen dienen in natte toestand een stroefheid te hebben van µ = 0,45 bepaald conform NEN 7909. In verband met geluidsoverlast dienen trappen niet in staal te worden uitgevoerd, evt. vluchttrappen buiten wel. Locatie en uitvoering van de trappen vaststellen in overleg met de plaatselijke brandweer. De trappen worden benut als vluchtwegen.
4.3.2.5
Daken (27) Aan de daken worden de volgende eisen gesteld:
4.3.2.6
Accumulatie van water op platte daken en beperkt hellende dient te worden voorkomen. Hiertoe dienen benodigde overstort voorzieningen in de constructie te worden opgenomen. De benodigde overstortvoorzieningen moeten worden bepaald op basis van berekeningen door de constructeur. De Rc-waarde van daken boven verwarmde ruimten bedraagt minimaal 6,3 m2K/W. Platte, nieuw te realiseren daken dienen geschikt te zijn voor het aanbrengen van zonne-energiesystemen. Alle daken dienen geïsoleerd te worden met een brandvertragend isolatiemateriaal i.v.m. verzekerbaarheid in combinatie met de zonnepanelen op het dak.
Hoofddraagconstructies (28) Aan de hoofddraagconstructies worden de volgende eisen gesteld:
In verband met flexibiliteit dienen de hoofddraagconstructies een vrije indeelbaarheid van het gebouw niet te belemmeren; De drager en het inbouwpakket dienen te worden onderscheiden; In verband met latere aanpassingen en/of herindelingen van het gebouw moet het mogelijk zijn in nader te bepalen zones nieuwe sparingen (minimaal 200mm x 200mm) in de vloer aan te brengen zonder het draagvermogen van de vloer aan te tasten.
4.3.3
Afbouw
4.3.3.1
Buitenwandopeningen (31) Ten aanzien van de gevelopeningen gelden de volgende eisen:
Glas in en naast deuren moet worden uitgevoerd in veiligheidsglas conform NEN 3569;
Deelrapportage I - Programma van Eisen Verfijningsonderzoek Burgerweeshuis Haveneiland
47
4.3.3.2
Binnenwandopeningen (32) Voor binnenwandopeningen gelden de volgende eisen:
4.3.3.3
Er dienen meerpuntssluitingen met verbeterde kierdichting in draaiende delen toegepast te worden, overeenkomstig de water- en wind dichtheidseisen conform NEN-EN 12207 en NEN-EN 12208; Hang en sluitwerk corrosievrij uit te voeren met keur SKG** zonder scherpe randen ter voorkoming van verwondingen; Mogelijke geluidsoverlast van buitenzonwering bij hogere windsnelheden dient te worden voorkomen; Indien houten buitenkozijnen dan in hardhout met duurzaamheids klasse II en duurzaam geproduceerd, voorzien van door SKH erkend keurmerk. Bij aluminium of kunststof kozijnen dient te worden gekozen voor materialen met een zo laag mogelijke milieubelasting volgens de Nationale Milieu Database versie 3.0. Buitendeuren: uitsluitend veiligheidsscharnieren en inbraakwerende sloten toepassen of 3-puntssluitingen, cilinderbediend, SKG 2** en politiekeurmerk veilig wonen).
De vrije doorgang van deuren dient minimaal 900 mm te zijn; de hoogte 2300 mm; De deuren uit te voeren in stootvast materiaal met een onderhoudsvrije afwerking; Glas in deuren dient te bestaan uit veiligheidsbeglazing conform NEN 3569; Zo min mogelijk deuren toepassen in wanden waaraan eisen worden gesteld voor geluidsisolatie (waar nodig sluizen toepassen); Hang en sluitwerk uit te voeren zonder scherpe randen ter voorkoming van het risico op verwondingen; Een eventuele glasopening in binnenwanden dient tot een hoogte van 1,5 m te worden uitgevoerd in veiligheidsglas; In brandcompartimentering wanden dienen brandwerende deuren/kozijnen te worden toegepast, passend bij de vereiste brandwerendheidsklasse. In natte ruimten de sloten volledig uitvoeren in RVS; Alle toegangsdeuren bij de ingang en toiletruimten voorzien van deurdrangers. De deurdrangers bij de ingang, en technische ruimte moeten voorzien zijn van een vastzetinrichting. Toegangsdeuren entree binnenzijde voorzien van schopplaten; Deurkozijnen in natte ruimten zodanig uitvoeren dat deze bestand zijn tegen inwerking van vocht nabij de vloer. Toegangsdeuren van de zalen en geschikt van voldoende afmetingen voor de toe te passen apparatuur en decorstukken t.b.v. concerten.
Vloeropeningen (33) Aan de vloeropeningen worden de volgende eisen gesteld:
Vloeropeningen in de begane grondvloer (kruipluiken) dienen zodanig te zijn uitgevoerd dat aan de eisen voor luchtdichtheid in het Bouwbesluit wordt voldaan.
Deelrapportage I - Programma van Eisen Verfijningsonderzoek Burgerweeshuis Haveneiland
48
T.p.v. luikranden dienen geïsoleerde kunststenen vloerluiken met een minimale Rc-waarde van 3,7m2K/W te worden toegepast met gegalvaniseerde hoekprofielen en luikring
4.3.3.4
Balustrades en leuningen (34) Balustrades en leuningen dienen te worden uitgevoerd overeenkomstig de daarvoor geldende eisen in het bouwbesluit.
4.3.3.5
Dakopeningen (37) Eventuele dakopeningen dienen te voldoen aan de volgende eisen:
Bij platte daken inbraakwerende lichtkoepels toepassen; Lichtkoepels dienen doorvalveilig te zijn; Eventuele dakopeningen dienen te voldoen aan de eisen op het gebied van brandoverslag in het Bouwbesluit/ de bouwverordening; Warmtedoorgangscoëfficiënt U < 1,0 m2K/W. De lichtstraten van de bestaande dakconstructie dienen een U-waarde van maximaal 2,8 W/m2K te hebben. 4.3.3.6
Inbouwpakketten (38) Metalen constructies dienen fabrieksmatig te worden voorzien van een dekkend meerlaags en roestwerend schildersysteem in een droge laagdikte van 80μm.
4.3.4
Afwerkingen
4.3.4.1
Buitenwandafwerkingen (41) De buitenwandafwerking dient aan de volgende eisen te voldoen:
4.3.4.2
De gevels dienen eenvoudig te kunnen worden gereinigd (i.v.m. graffiti); De gevels dienen bestand te zijn tegen mechanische invloeden (slag en stootvast); De binnenspouwbladen aan de interieurzijde dienen vlak afgewerkt te worden ter plaatse van mogelijke binnenwandaansluitingen alsmede ten behoeve van een eenvoudige doorvoering van wandgoten. Kolommen integreren in binnenspouwblad; Het binnen spouwblad dient voldoende mogelijkheden te hebben voor de bevestiging van installatieonderdelen, vensterbanken e.d.
Binnenwandafwerkingen (42) Voor de wandafwerking gelden de navolgende eisen:
Wandafwerkingen dienen functioneel, onderhoudsvrij en eenvoudig reinigbaar te zijn; De afwerking van de wanden dient i.v.m. gelijkmatigheid van de verlichting en ter voorkoming van hinderlijke helderheidverschillen licht van kleur te zijn; De wanden en de afwerking dienen bestand te zijn tegen mechanische beschadigingen (slag- en stootvast); In of naast de deuren een glasstrook in de gangwanden aanbrengen, uit te voeren in veiligheidsglas (zie ook functioneel PvE) De binnenwanden dienen geen scherpe hoeken of randen te hebben, in verband met het voorkomen van verwondingen;
Deelrapportage I - Programma van Eisen Verfijningsonderzoek Burgerweeshuis Haveneiland
49
4.3.4.3
Wandtegelwerk of dezelfde principe kunststofwand afwerking waterdicht aan te brengen tot aan plafond in de navolgende (natte) ruimten: o Sanitaire ruimten o Kleedruimten en doucheruimten o Keukens/pantry o Was- en droogruimte o In werkkasten: achter de uitstortgootsteen vanaf de vloer tot 0,5 m boven de gootsteen Bij de toepassing van plinttegels aansluitend op een schoonwerk wand, moeten deze terugliggend ten opzicht van de wand worden aangebracht. De wanden in de concertzalen dienen vrij te zijn van uitstekende delen tot een hoogte van 2,3 m boven de vloer;
Vloerafwerkingen (43) Voor de vloerenafwerking gelden de volgende eisen:
Ter plaatse van publieksruimten dient gekozen te worden voor een vloerafwerking. met een hoge slijtvastheid, goede stroefheid (in natte toestand minimaal µ = 45 conform NEN 7909), antistatisch en dient geschikt te zijn voor het berijden met kleine wagentjes (koffie, magazijngoederen, schoonmaak); De vloerafwerking dient vochtbestendig te zijn in verband met het eventueel nat reinigen. Inwerking van vocht op de wanden door natte schoonmaak van de vloer dient vermeden te worden, bijvoorbeeld door toepassing van een plint. Bij de keuze van vloer afwerkingen dient aandacht geschonken te worden aan reinigbaarheid, krasvastheid en duurzaamheid in relatie tot de functie van de ruimte; Vloeren inclusief afwerkvloer moeten geschikt zijn voor zachte vloerbedekking (projecttapijt), vloeibaar aan te brengen afwerkingen en elastische vloerbedekking (linoleum); Ter plaatse van alle ingangen dienen schoon- en droogloop matten te worden voorzien. De vloerafwerking moet doorlopen onder eventueel verplaatsbare scheidingswanden. Vloerafwerking in foyer en zalen geschikt voor verrijdbare inrichtingselementen, zie ook de tabel van technische eisen. In concertzalen vloer van type Veka original of gelijkwaardig;.
Naadloze kunststof vloerafwerking of tegels: goede slijtvastheid, grote oppervlaktehardheid; wateropneming < 3%; bestand tegen huishoudchemicaliën; goede stroefheid: o Sanitaire ruimten o Keukens/pantry’s o Werkkasten o Overige natte ruimten De emissie van Vluchtige Organische Stoffen door de vloerafwerking dient vermeden de worden; Betonvloeren in technische ruimten en patchkasten afwerken met een stofwerende (olie) afwerking of daarvoor geschikte gladde en niet brandbare vloerafwerking, zoals vloertegels
Deelrapportage I - Programma van Eisen Verfijningsonderzoek Burgerweeshuis Haveneiland
50
4.3.4.4
Trap en hellingafwerkingen (44) De afwerking van trappen en hellingbanen dient te beschikken over een hoge slijtvastheid en een goede stroefheid (in natte toestand minimaal µ =45 conform NEN 7909). Er dient een goed reinigbare vloerafwerking te worden gebruikt. Tapijt mag niet worden toegepast op trappen en hellingbanen.
4.3.4.5
Plafondafwerkingen (45) Algemene eisen t.a.v. plafonds:
Systeemplafonds moeten eenvoudig uitneembaar zijn; Bij de keuze van het type plafond moet rekening worden gehouden met de gewenste/vereiste akoestiek in de betreffende ruimte; het behalen van de juiste akoestiek moet zo worden ingevuld dat de toepassing van losse akoestiek panelen niet nodig is; De lichtreflectiefactor van de afwerking van de plafonds dient tenminste ≥ 0,7 te zijn; In natte ruimten dienen de plafonds vochtbestendig te zijn; In de concertzalen dient het plafond geluidabsorberend te zijn en geschikt voor het ophangen van apparatuur en/of een grid; Boven het podium dient het plafond geschikt te zijn voor de bevestiging van diverse voorzieningen, zoals decordoeken, lampen etc.; In de keuken dient het plafond nat reinigbaar te zijn;
4.3.4.6
Dakafwerkingen (47) Platte daken dienen te worden afgewerkt met een tweelaags EPDM of APP dakbedekking, beloopbaar en geschikt voor het aanbrengen van zonneenergiesystemen. Bij voorkeur dient het dak te worden voorzien van een vegetatiedak. Hiervoor worteldichting geïntegreerd in dakbedekking toepassen.
4.3.4.7
Afwerkingspakketten (48) Zie de beschrijving hiervoor bij de afzonderlijke elementen (41 t/m 47).
4.3.5
Werktuigbouwkundige installaties Het installatieconcept en de daarvoor benodigde oppervlakte voor technische ruimten dient te worden vastgesteld door een installatieadviseur, in overleg met en na goedkeuring van de opdrachtgever.
4.3.5.1
Warmteopwekking (51) De warmte-opwekking vindt aardgasvrij plaats.
4.3.5.2
Afvoer (52) De riolering en HWA dienen als gescheiden systeem uitgevoerd te worden. De complete HWA en VWA installatie dient conform geldende voorschriften te worden berekend en aangelegd. Berekeningen in VABI-rekensoftware of gelijkwaardig aan te leveren. Voor de (groot)keuken in het horecadeel dient een vetafscheider van voldoende capaciteit te worden opgenomen.
Deelrapportage I - Programma van Eisen Verfijningsonderzoek Burgerweeshuis Haveneiland
51
De complete HWA en VWA installatie dient conform geldende voorschriften te worden berekend en aangelegd. Berekeningen in VABI-rekensoftware of gelijkwaardig aan te leveren 4.3.5.3
Water (53) Warm en koud tapwater De waterleidinginstallatie uitvoeren in meerdere groepen en beveiligen volgens geldende voorschriften en geldige ISSO-Publicaties. De berekeningen van de waterinstallatie uit te voeren in VABI-rekensoftware o.g. conform geldende voorschriften. Bij de hoofdaansluiting dient een onderverdeling aangebracht te worden voor de meerdere gebouwdelen: (gebouwdelen nader te bepalen) 1. Gebouwdeel 1 2. Gebouwdeel 2 3. Gebouwdeel 3 4. Gebouwdeel …… Iedere groep dient voorzien te worden van benodigde beveiligingen, afsluiters, aftapmogelijkheden. De hoofdwatermeter dient via het GBS te kunnen worden uitgelezen. Koppeling in het GBS systeem d.m.v. Mbus (geen puls-meters.) Afhankelijk van de plaatselijk gegarandeerde voordruk door het nutsbedrijf dient een drukverhogingsinstallatie opgenomen te worden. Indien nodig drukregelaars toepassen indien de maximum druk conform NEN1006/Waterwerkbladen wordt overschreden. Bij de oplevering van het project dient een Legionellabeheersplan inclusief een Nulmeting op basis van de hiervoor benodigde monstername aangeleverd te worden. De warmtapwater bereiding zal plaatsvinden door middel van decentrale elektrische boilers danwel door een opstelling waarbij de warmtapwateropwekking plaatsvindt d.m.v. een warmtepompsysteem met voldoende buffer.
De keuze voor één van de systemen dient op basis van een berekening waarbij investering en exploitatie in ogenschouw worden genomen onderbouwd voorgelegd te worden aan de opdrachtgever. Omvang te bepalen op basis van gevraagde capaciteit. Brandbestrijding Voor de uitwerking en het projecteren van de brandblusmiddelen (brandslanghaspels) dienen de uitgangspunten uit het (nog op te stellen) rapport Brandveiligheid te worden gehanteerd. Leveren en monteren van de benodigde brandslanghaspel/inbouwkasten incl. omlijsting / pictogrammen / afsluiters / beveiligingen. De brandslanghaspels doorstromend aansluiten op de koudtapwater installatie van het betreffende bouwdeel.
Deelrapportage I - Programma van Eisen Verfijningsonderzoek Burgerweeshuis Haveneiland
52
4.3.5.4
Gassen (54) Het gebouw dient volledig aardgasvrij te worden uitgevoerd.
4.3.5.5
Koudeopwekking en distributie (55) Het gebouw dient uitgevoerd te worden als volledig gasloos gebouw. De warmte en koude opwekking dient derhalve plaats te vinden door elektrische warmtepompen. In de ontwerpfase dienen minimaal de volgende opwekkingsconcepten rekenkundig op investerings- en exploitatiekosten worden doorgerekend. De resultaten van deze doorrekening dienen voorgelegd te worden aan de opdrachtgever. De opdrachtgever zal vervolgens op basis van deze doorrekening een keuze maken voor het opwekkingssysteem. De onderstaande scenario’s dienen hierin minimaal te worden opgenomen: 1. Opwekking door middel van lucht/water warmtepomp (al dan niet aangevuld met Elektrische cv-ketel voor piek warmtevraag) 2. Opwekking doormiddel van een water/water warmtepomp met bodemwisselaar of open Bron. 3. Combinatie van opwekking door middel van water/water warmtepomp en lucht/water warmtepomp, waarbij de luchtwater warmtepomp de piekvraag voor verwarmen en koelen verzorgt en de water/water warmtepomp de basis warmte en koude opwekking. Buitenluchtcondities: Voor de berekeningen van de maximum warmte- en koudebehoefte van het gebouw, alsmede voor de berekeningen van het aantal gewogen overschrijdingsuren, dient uit te worden gegaan van uitgangspunten in onderstaande tabel.
Periode Winter Zomer
Temperatuur in °C -10 28
Windsnelheid in m/s 5 n.v.t.
Luchtvochtigheid in % 90 60
Enthalpie kj/kg 61
Tabel 6 buitenluchtcondities 4.3.5.6
Afgifte verwarmen en koelen (56) Voor het accuraat klimatiseren van de verschillende gebouwdelen zijn verschillende types afgiftesystemen noodzakelijk. Hierbij dient voor ieder specifiek gebruik het passend afgifte systeem te worden toegepast. Als aanzet tot de door de adviseur in de ontwerpfase definitief vast te stellen afgifte systemen is er reeds een voorlopige verdeling van de klimaatsystemen bijgevoegd bij dit TPvE. Voor de verdeling van de klimaatsystemen zie het bijgevoegde vlekkenplan. De volgende hoofdopzet van de klimaatsystemen wordt hierbij aangehouden: Klimaatsysteem 1: (Geen conditionering)
Geen verwarming Geen Koeling Geen Ventilatie
Deelrapportage I - Programma van Eisen Verfijningsonderzoek Burgerweeshuis Haveneiland
53
Klimaatsysteem 2: (All-Air)
All-Air systeem o.b.v. balansventilatie met WtW gebaseerd op warmte/koelvraag/bezetting. (Grootste vraag is maatgevend) LBK met centrale koelbatterij Na-regeling per ruimte Regeling op basis van CO2/ruimtetemperatuur
Klimaatsysteem 3: (Beperkte conditionering met ventilatie op basis van bezetting)
Balansventilatie met WtW gebaseerd op bezetting Verwarming d.m.v. LT-stralingspanelen Geen Koeling Na-regeling per ruimte Regeling op basis van CO2/ruimtetemperatuur
Klimaatsysteem 4: (Beperkte conditionering met ventilatie op basis van functie)
Beperkte ventilatie afgestemd op functie Verwarming d.m.v. LT-systeem. Afhankelijk van de functie kunnen hiervoor de volgende systemen worden toegepast: Indirect gestookte luchtverwarming, Vloerverwarming, LT-radiatoren Geen Koeling Na-regeling per ruimte Regeling op basis van Ruimtetemperatuur
Klimaatsysteem 5: (Vloerverwarming/vloerkoeling aangevuld met koeling uit de ventilatielucht)
4.3.5.7
Vloerverwarming/vloerkoeling Balansventilatie met WtW gebaseerd op koelvraag danwel bezetting. (Grootste is maatgevend) LBK met centrale koelbatterij Na-regeling per ruimte Regeling op basis van CO2/ruimtetemperatuur