Z2025-11-0104 - D2026-01-000882 - 20260121 - Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier fase 1A.pdf
Tekst van het document
Het project past daarmee binnen de woonvisie en draagt bij aan de doelen.
Sweco | Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier – Fase 1a Datum 21-01-2026
Versie D.05
Documentreferentie 20260121 - Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier fase 1A
28/66
4
Omgevingsaspecten
4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt voor verschillende omgevingsaspecten beschreven wat de invloed van dit aspect is op de beoogde ontwikkeling of wat de invloed van de beoogde ontwikkeling is op de omgeving. Er wordt hierbij getoetst in hoeverre er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (EFTAL).
4.2
Bodem
Wettelijk kader Met het oog op een ETFAL dient in het geval van een ruimtelijke ontwikkeling te worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. Conform artikel 5.89g van het Bkl moet een omgevingsplan voorzien in waarden van de toelaatbare kwaliteit van het bouwen van een bodemgevoelig gebouw. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen is paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het Aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: -
Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen; Evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.
Beschouwing Er is een vooronderzoek milieuhygiënische bodemkwaliteit (Sweco, 25 maart 2025) uitgevoerd ter plaatse van Dijkkwartier fase 1 en 2. Dit vooronderzoek is ingevoegd in Bijlage 3. Voor het vooronderzoek is gebruik gemaakt van de onderzoeksnorm ‘NEN 5725:2023 nl – bodem – Landbodem – strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek’. De bevindingen van het vooronderzoek staan hieronder beschreven: -
De bovengrond, tussenlaag en ondergrond van de locatie zijn gelegen in respectievelijk bodemkwaliteitszone B1, T1 en O1: Binnenstad en Fort Erfprins (Den Helder), waar veelal sprake is van verhoogde gehalten aan lood, zink, kwik, PCB en PAK.
Sweco | Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier – Fase 1a Datum 21-01-2026
Versie D.05
Documentreferentie 20260121 - Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier fase 1A
29/66
-
-
-
Uit voorgaande bodemonderzoeken blijkt dat in het noorden van de projectlocatie van Dijkkwartier fase 1a (rondom Kanaalweg 140) de bovengrond matig tot sterk verontreinigd is met lood, zink en PAK. De locatie is niet asbestverdacht. Bij het vooronderzoek zijn ten aanzien van PFAS geen potentiële risicoactiviteiten geconstateerd. Wel worden verhoogde gehalten aan PFAS verwacht door diffuse atmosferische depositie middels seaspray. Verwacht wordt dat de PFAS-gehalten mogelijk niet voldoet aan de achtergrondwaarden zoals vastgesteld in het ‘Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’ (versie december 2023). De grond is wat PFAS betreft vrij toepasbaar, behalve in grondwaterbeschermingsgebieden. Op basis van een boorprofiel gelegen in het onderzoeksgebied blijkt dat de bovenste 6 meter antropogene grond betreft.
Naast het vooronderzoek milieuhygiënische bodemkwaliteit is er nog een verkennend bomdenonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het projectgebied. Dit onderzoek is bijgevoegd in bijlage 4. Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de Nederlandse Norm NEN 5725:2023 “Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieu hygiënisch vooronderzoek”, aanleiding A (uitvoeren van bodemonderzoek, saneren van een milieubelastende activiteit en/of realiseren van een gebouw op een bodemgevoelige locatie). Op basis van de onderzoeksresultaten dient de hypothese verdachte locatie op het voorkomen van een lichte bodemverontreiniging van de geanalyseerde parameters formeel te worden aangenomen. In zowel de boven- als de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan de geanalyseerde parameters boven de interventiewaarden aangetoond. Zowel zintuiglijk als analytisch zijn in de bovengrond geen verhoogde concentraties aan asbest aangetoond. In het grondwatermonster is in eerste instantie een sterk verhoogde concentratie aan koper en zink aangetoond. Na herbemonstering zijn de verhoogde concentraties niet bevestigd. Indien getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit voldoet de bovengrond indicatief aan kwaliteitsklasse landbouw/ natuur. De ondergrond voldoet indicatief aan kwaliteitsklasse wonen.
Conform de CROW400 zijn bij eventuele graafwerkzaamheden geen aanvullende veiligheidsmaatregelen van toepassing. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek is geen aanvullend of nader onderzoek noodzakelijk. Met dit onderzoek zijn milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen aangetroffen voor de voorgenomen bouwwerkzaamheden.
Conclusie Op basis van de beschikbare onderzoeken kan worden geconcludeerd dat er voor het projectgebied geen belemmeringen zijn aangetroffen voor de voorgenomen bouwwerkzaamheden. Bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Sweco | Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier – Fase 1a Datum 21-01-2026
Versie D.05
Documentreferentie 20260121 - Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier fase 1A
30/66
4.3
Archeologie
Wettelijk kader Gemeenten moeten bij de vaststelling van plannen en bij de verlening van omgevingsvergunningen rekening houden met de aanwezige en eventueel verwachte archeologische waarden. Hetzelfde geldt voor cultuurhistorische waarden zoals gebouwen of landschappen. Zo nodig worden in bestemmingsplannen regelingen opgenomen met betrekking tot de omgang met archeologische waarden. Dit principe houdt in dat degene die een ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of onderzoek naar archeologische waarden. Op basis van de hierboven gepresenteerde en geïnterpreteerde bronnen en gegevens is een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld voor het plangebied. Binnen het projectgebied geldt vanuit het voormalig bestemmingsplan een dubbelbestemming Waarde – Archeologie. Op grond van deze dubbelbestemming is een omgevingsvergunning nodig om af te wijken van de bouwregels van de dubbelbestemming.
Beschouwing Er is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor Dijkkwartier fase 1 en fase 2. Zie hiervoor Bijlage 5. Hieruit volgt dat er in het gehele gebied een lage archeologische verwachting is voor resten uit de Steentijd tot de Vroege Middeleeuwen vanwege de diepte van potentiële resten en de erosie door herhaalde overstromingen. Voor de Late Middeleeuwen is er een gemiddelde archeologische verwachting van sporen en vondsten die wijzen op landgebruik voor landbouw en mogelijk bewoning. Er is een zeer hoge verwachting van archeologische resten uit de Nieuwe Tijd, met name vondsten gerelateerd aan gebouwen, aangezien er sinds minstens de 19e eeuw woningbouw heeft plaatsgevonden binnen het plangebied. Er is ook een kans op het aantreffen van militaire resten uit deze periode. Archeologische resten uit de Nieuwe Tijd worden verwacht direct onder het grondoppervlak zichtbaar te zijn, mogelijk in de vorm van een dikke laag puin en zwaar verstoord. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek adviseert Sweco Nederland om bij ontgravingen dieper dan 35 cm – het huidige maaiveld om vervolgonderzoek uit te voeren. Een bureau- en booronderzoek uitgevoerd door ADC ArcheoProjecten in 2005 (archisnummer: 2090280100) heeft aangetoond dat de locaties niet intensief kunnen worden onderzocht door middel van boringen vanwege de aanwezigheid van puin in de ondergrond.
Daarom wordt voorgesteld om daar waar ingrepen dieper dan 35 cm – mv plaatsvinden, deze onder archeologische begeleiding te laten uitvoeren. Dit geldt ook voor het slopen van bestaande funderingen dieper dan het maaiveld, en bijvoorbeeld bij de aanleg van kabelsleuven/rioolsleuven daar waar deze niet reeds aanwezig zijn. Voor aanvang van het onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd PvE opgesteld te worden. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden toch onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de minister verplicht (vondstmelding via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: d.m.v. een Archisvondstmelding) en de bevoegde overheid (gemeente Den Helder).
Sweco | Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier – Fase 1a Datum 21-01-2026
Versie D.05
Documentreferentie 20260121 - Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier fase 1A
31/66
De Omgevingswet regelt dat in het geval van archeologische toevalsvondsten van algemeen belang, niet alleen de minister van OCW, maar ook de gemeente bevoegd is om bodemverstorende werkzaamheden stil te leggen. De bevoegde overheid neemt op basis van dit rapport een (selectie)besluit. De mogelijkheid bestaat dat dit besluit afwijkt van het door ons opgestelde advies. De ontwikkeling betreft de realisatie van een gebouw en de ophoging van terrein. Er wordt daarbij ervan uitgegaan dat door de ophoging géén grootschalige bodemingrepen zullen plaatsvinden en dat er sprake is van in situ behoud van de potentieel aanwezige archeologische waarden. Uit een geotechnische analyse van het gebied blijkt dat de dijkversterking (ophoging van enkele meters) niet leidt niet tot grootschalige zettingen, namelijk enkele centimeters in 200 jaar tijd. Dit is in de memo waterveiligheid in Bijlage 6 benadrukt (uitgangspunt 0% zettingen). Er wordt daarom vanuit gegaan dat de ophoging niet leidt tot nadelige effecten voor de potentieel aanwezige archeologische waarden.
Cultuurhistorie In of rondom het projectgebied zijn geen monumenten gelegen. Wel maakt het projectgebied onderdeel uit van het instructieregel t.a.v. het Waddengebied. Dit gebied ligt over geheel Den Helder. Het project waarop de BOPA wordt aangevraagd, vindt plaats aan de binnenzijde van de dijk. Hoewel de bebouwing beperkt zichtbaar is vanaf de Waddenzee, zal van het leven op straat nauwelijks iets zichtbaar zijn vanaf de Waddenzee. Hierdoor zal de visuele verstoring, en daarmee verstoring van de rust in het Waddenzeegebied, beperkt zijn.
Conclusie Daar waar ingrepen dieper dan 35 cm – mv plaatsvinden, dienen deze onder archeologische begeleiding te worden uitgevoerd. Dit geldt ook voor het slopen van bestaande funderingen dieper dan het maaiveld, en bijvoorbeeld bij de aanleg van kabelsleuven/rioolsleuven daar waar deze niet reeds aanwezig zijn. Voor aanvang van het onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd PvE opgesteld te worden. Het project is uitvoerbaar in relatie tot het aspect archeologie. Binnen het projectgebied geldt vanuit het voormalig bestemmingsplan een dubbelbestemming Waarde – Archeologie. Op grond van deze dubbelbestemming is een omgevingsvergunning nodig om af te wijken van de bouwregels van de dubbelbestemming. Deze omgevingsvergunning kan met bijgaand rapport worden verleend. Met de BOPA wordt deze omgevingsvergunning ook aangevraagd.
4.4
Ontplofbare oorlogsresten
Wettelijk kader Het doen van onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten is wettelijk verplicht vanuit de Arbowetgeving. Voorheen werd dit ook wel Explosieven onderzoek, Niet Gesprongen Explosieven (NGE onderzoek) of conventionele explosieven (CE onderzoek) genoemd. Deze verplichting is vastgelegd in het Arbeidsomstandighedenbesluit artikel 4.10 en geldt voor alle opdrachtgevers en opdrachtnemers.
Sweco | Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier – Fase 1a Datum 21-01-2026
Versie D.05
Documentreferentie 20260121 - Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier fase 1A
32/66
Volgens het besluit dient een oriënterend onderzoek te worden uitgevoerd in alle gevallen waarin gevaar voor de veiligheid of gezondheid van werknemers kan bestaan door de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Indien uit het oriënterend onderzoek de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten niet kan worden uitgesloten, dient een nader onderzoek te worden uitgevoerd. De onderzoeken zijn niet verplicht in de planvormingsfase of voor een ruimtelijke vergunning, maar dienen te worden uitgevoerd voorafgaand aan de (graaf)werkzaamheden om de veiligheid te garanderen.
Beschouwing Er is gekeken naar de gemeentelijke NGE-risicokaart, zie Figuur 12. Hieruit blijkt dat het projectgebied van Dijkkwartier fase 1a niet verdacht is. Ten oosten en westen van het projectgebied is wél een verdenking op afwerpmunitie. Daarnaast is de zone rondom de waterkering verdacht op klein kaliber munitie. Dit betreft echter niet het projectgebied.
Figuur 12 - Verwachtingskaart NGE (OO) gemeente Den Helder. Paars vlak: verdacht op klein kaliber munitie. Blauw gearceerd vlak: verdacht op afwerpmunitie
Conclusie Het projectgebied is niet verdacht. Er is geen vervolgonderzoek nodig. Het project is uitvoerbaar in relatie tot het aspect ontplofbare oorlogsresten.
Sweco | Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier – Fase 1a Datum 21-01-2026
Versie D.05
Documentreferentie 20260121 - Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier fase 1A
33/66
4.5
Water(veiligheid)
Wettelijk kader Bij de beoordeling van een aanvraag om een buitenplanse omgevingsactiviteit moet het bevoegd gezag rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van de gevolgen, de opvatting van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken (artikel 5.37 Bkl). Eerder werd hieronder ook wel de ‘watertoets’ verstaan. Dit houdt in dat een verantwoording dient te worden afgelegd van het onderzoek naar het integrale beleid betreffende de afstemming van het ruimtelijk beleid met het waterbeleid. Alle relevante facetten van het waterbeheer in relatie tot de ruimtelijke ordening dienen in beeld te worden gebracht, zoals de waterkwantiteit en de waterkwaliteit, alsmede functies die aan in het projectgebied voorkomend water worden toegekend. De aandacht dient zich zowel tot het grondwater als het oppervlaktewater te richten. Bij beschouwing van de consequenties van het project op de waterhuishouding zijn de volgende aspecten van belang: -
Beïnvloedt het project een kering of dijk? Worden er sloten gedempt of sloten verlegd? Is er een toename van verhard oppervlak? Beïnvloedt het project het onderhoud van watergangen?
Daarnaast valt het projectgebied binnen het ‘beperkingengebied waterkering met bijbehorende beschermingszones’ zoals benoemd in de Waterschapsverordening van het HHNK. Het projectgebied valt binnen beschermingszone B van een primaire waterkering. Conform de Waterschapsverordening dient bij ontwikkelingen in deze zone te worden aangetoond dat de uitvoer en toekomstige situatie geen negatieve invloed heeft op de stabiliteit van de waterkering en op andere faalmechanismes.
Beschouwing Er zijn twee onderzoeken die ingaan op het thema water(veiligheid). Memo Waterveiligheidsanalyse Dijkkwartier Den Helder fase 1a Er is een beschouwing gemaakt in hoeverre er invloed is vanuit de beoogde ontwikkeling van Dijkkwartier fase 1a op de stabiliteit en waterveiligheid van de primaire waterkering. Zie ook Bijlage 6. Met Dijkkwartier fase 1a wordt een beperkte ophoging in zand mogelijk gemaakt rondom en onder het beoogde woningblok, zodat er toekomstig wordt aangesloten op de toekomstige maaiveldhoogtes van fase 1 van het Dijkkwartier. Voor de berekening zijn de uitganspunten uit de eerdere studie naar de technische haalbaarheid van Dijkkwartier aangehouden. Uit de berekening wordt geconcludeerd dat de stabiliteitsfactor in de beoogde situatie niet verandert (en tenminste niet verslechterd) ten opzichte van de huidige situatie. De ophoging ten behoeve van Dijkkwartier fase 1a heeft daarmee geen negatieve invloed op de stabiliteit van de dijk en andere faalmechanismes. Memo Waterberging en watercompensatie Dijkkwartier fase 1a
Sweco | Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier – Fase 1a Datum 21-01-2026
Versie D.05
Documentreferentie 20260121 - Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier fase 1A
34/66
Er is een beschouwing gemaakt van de benodigde waterberging en watercompensatie voor het project. Zie ook Bijlage 7. In de strategie van waterberging en watercompensatie wordt aangesloten op het Masterplan van Dijkkwartier fase 1. Hierbij wordt uitgegaan van het alternatief bergen van hemelwater via infiltratiekratten en het infiltreren van water, onder andere via waterpasserende verharding (geen onderdeel fase 1a). Er is een maatwerkberekening opgesteld van de huidige en toekomstige oppervlakten om te bepalen wat de af- of toename aan verhard oppervlak is en er compensatie nodig is conform artikel 2.76 van de Waterschapsverordening van het HHNK. Uit de berekening blijkt dat er sprake is van een afname aan verhard oppervlak als gevolg van de ontwikkeling. Dit komt doordat het projectgebied in de huidige situatie grotendeels een parkeerplaats beslaat. In de beoogde situatie ontstaan er hoogteverschillen als gevolg van de ophoging die benodigd is om aan te sluiten bij de rest van het Dijkkwartier. Als gevolg van dit hoogteverschil stroomt het hemelwater van het hoger gelegen gedeelte (noord) van het terrein naar het lager gelegen gedeelte (zuid). Om te voorkomen dat het hemelwater naar de omgeving stroomt is in het zuidoosten van het projectgebied een infiltratiekrat voorzien, en in het zuidwesten een watergoot.
Hiermee sluit Dijkkwartier fase 1a aan op de waterbergingsstrategie van het Masterplan. In het project wordt hierdoor voldoende rekening gehouden met het afwateren van hemelwater richting de lager gelegen gedeeltes. Het beleidsdocument Klimaatbestendige Nieuwbouw stelt aanvullende eisen aan het bergen van hemelwater binnen een projectgebied. Eén van de eisen is dat er minimaal 40 mm vallend hemelwater dat op nieuw dakoppervlak valt, wordt geborgen binnen de projectgrenzen. Dijkkwartier fase 1a heeft een dakoppervlak van 492 m², wat resulteert in een minimale berging van circa 20 m³. Dit hemelwater wordt binnen het projectgebied geborgen in infiltratiekratten (circa 50 m2) en in de zandige ophooglaag (circa 120 m3). Er is dus ruim voldoende mogelijkheden om water te bergen in het projectgebied. De beide notities zijn afgestemd in een overleg in september 2025 met het HHNK en akkoord bevonden.
Conclusie Het project heeft geen negatieve invloed op de stabiliteit en andere faalmechanismes van de primaire waterkering (en dus op de waterveiligheid). Het project kent een verhardingsafname waardoor er geen watercompensatie nodig is. Er kan voldoende water worden geborgen in het projectgebied. Er is rekening gehouden met afstromend hemelwater. Het project bevindt zich in de vrijwaringszone – waterkering. Op grond van de zone is een watervergunning nodig, die verleend kan worden met een positief advies van het waterschap. Dit positieve advies is op 25-11-2025 per mail met de gemeente gedeeld. De vergunning wordt middels deze BOPA aangevraagd en kan worden verleend. Het project is uitvoerbaar in relatie tot het aspect water(veiligheid).
Sweco | Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier – Fase 1a Datum 21-01-2026
Versie D.05
Documentreferentie 20260121 - Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier fase 1A
35/66
4.6
Geluid
Wettelijk kader Het Bkl stelt eisen aan nieuwe geluidgevoelige functies binnen het geluidsaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein. Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). Voor het bepalen van de omvang van het geluidaandachtsgebied gelden de regels uit bijlage IVc van de Omgevingsregeling. Bij een lokale (spoor)weg is het geluidaandachtsgebied tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip begrenst door een vaste afstanden (artikel 17.5 Omgevingsregeling). Artikel 5.78t Bkl geeft aan dat een omgevingsvergunning waarmee een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegestaan, erin voorziet dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 5.78t. Voor rijkswegen is dat 50 Lden. Voor gemeentewegen is dat 53 Lden. Voor (hoofd)spoorwegen is dat 55 dB. Het is mogelijk om een overschrijding van de standaardwaarde toe te staan als: a. er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; b. de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en c. het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan 65 L den voor rijkswegen en 70 Lden voor gemeentewegen en (hoofd)spoorwegen.
De gemeente Den Helder heeft aangegeven dat het oude gemeentelijk geluidbeleid uit 2013, met bijbehorende nota hogere grenswaarde, nog steeds het kader vormt voor de gemeentelijke geluideisen. De gemeente Den Helder hanteert een gebiedsgerichte aanpak. Het karakter van het gebiedstype is bepalend voor de ambitie van geluid. Bij de hoogdynamische gebieden, zoals woonwijken en industriegebieden, gaat het om de bescherming van woningen. In de laagdynamische functies (natuur en agrarisch) gaat het niet om specifiek de woningen, maar om het gebied zelf. De aangegeven geluidsklassen hebben door de gehanteerde bandbreedte een indicatieve status.
Beschouwing Het beoogde woonblok van maximaal 30 woningen is op het aspect geluid getoetst. Hiervoor is een notitie opgesteld, zie bijlage 8. Het geluid veroorzaakt door de gemeentelijke wegen op de nieuwe woningen van Dijkkwartier fase 1a is hoogstens 61 dB op de zuidelijke gevel van het pand, 55 dB op de westelijke gevel, 55 dB op de noordelijke gevel en 57 dB op de oostelijke gevel. De toetswaarden zijn als volgt: • • • •
Landelijk geldende standaardwaarde: 53 dB Gemeentelijke ambitiewaarde: 53 dB Gemeentelijke bovengrens: 58 dB Landelijk geldende grenswaarde: 70 dB
Het geluid op de gevels is als volgt: •
Noordgevels: 51 tot 55 dB -> dit voldoet niet aan de standaardwaarde en gemeentelijke ambitiewaarde (53 dB), maar wel aan gemeentelijke bovengrens (58 dB).
Sweco | Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier – Fase 1a Datum 21-01-2026
Versie D.05
Documentreferentie 20260121 - Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier fase 1A
36/66
•
•
•
Oostgevels: 55 tot 57 dB -> dit voldoet niet aan de standaardwaarde en gemeentelijke ambitiewaarde (53 dB), maar wel aan gemeentelijke bovengrens (58 dB). Westgevels: 53 tot 55 dB -> dit voldoet niet aan de standaardwaarde en gemeentelijke ambitiewaarde (53 dB), maar wel aan de gemeentelijke bovengrens (58 dB). Zuidgevels: 57 tot 61 dB -> dit voldoet niet aan de standaardwaarde en gemeentelijke ambitiewaarde (53 dB), en ook niet aan de gemeentelijke bovengrens (58 dB). Het voldoet wel aan de landelijk geldende grenswaarde (70 dB).
Doordat de standaardwaarde wordt overschreden, moeten aanvullende maatregelen worden onderzocht. Hieronder wordt een verwachting van de mogelijke opties beschreven in de bijlage 8. Uiteindelijk is het aan de gemeente om de maatregelen af te wegen en er een keuze in te maken. Dit kan op basis van het advies, zoals beschreven in de bijlage. De Kanaalweg levert de grootste bijdrage aan het geluid op de woningen met een overschrijding van de standaardwaarde, dus worden in eerste instantie maatregelen aan deze weg onderzocht. Er moeten bron- en overdrachtsmaatregelen worden overwogen en, indien doelmatig, worden getroffen. Het onderzoek verwacht het volgende: • • •
Verwachting dat een scherm of grondwal niet mogelijk is Verwachting dat een bronmaatregel in de vorm van geluidreducerend wegdek onvoldoende effect heeft, en geen reële optie zal zijn. Verwachting dat een bronmaatregel in de vorm van een snelheidsverlaging op de Kanaalweg een duidelijk hoorbaar effect en een verbetering van het akoestisch woon- en leefklimaat kan leveren. De gemeente dient het geluidreducerend effect van deze snelheidsverlaging af te wegen tegen de bijkomende nadelen. Mogelijk kan hiermee worden voldaan aan de gemeentelijke bovengrens. De gemeente heeft aangegeven dat de brug (kruising Kanaalweg/Koningsplein) in de toekomst een herinrichting zal krijgen, daarbij worden ook drempels aangelegd om de rijsnelheid te beperken ter hoogte van het kruispunt, om de veiligheid van overstekende fietsers en voetgangers te waarborgen. Op en rond dit kruispunt kan daarom worden verwacht dat de rijsnelheid niet hoger is dan 30 km/uur. De gemeente heeft aangegeven dat de maximum rijsnelheid op de Kanaalweg niet zal wijzigen. De Kanaalweg is een gebiedsontsluitingsweg die een belangrijke rol speelt voor nood- en hulpdiensten én voor het openbaar vervoer. Daarbij is het behouden van de ontsluitingsfunctie belangrijk om sluipverkeer tegen te gaan op plekken waar veel autoverkeer onwenselijk is zoals in de woonbuurten.
Dit principe wordt ook op de Polderweg toegepast: deze weg wordt heringericht vanwege wateroverlast en blijft ook een gebiedsontsluitingsweg 50 km/uur. Een snelheidsverlaging op de Kanaalweg ten oosten van de Koningsplein stuit daarmee op overwegende bezwaren van verkeerskundige aard, en is daarom geen mogelijke optie.
Sweco | Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier – Fase 1a Datum 21-01-2026
Versie D.05
Documentreferentie 20260121 - Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier fase 1A
37/66
Omdat de gemeentelijke ambitiewaarde bij bijna alle woningen wordt overschreden, zoals in voorgaande opsomming beschreven, stelt het gemeentelijk beleid dat bijna alle woningen moeten beschikken over een geluidluwe gevel en buitenruimte. In dit project kan niet aan het gemeentelijk beleid worden voldaan met het gebouwontwerp, zoals besproken in de GAO. In de bijgevoegde tekeningen zijn er 28 woningen voorzien in het gebouw en voldoen er 6 woningen aan het gemeentelijk geluidbeleid. Dit zijn de woningen op de bovenste drie verdiepingen, gericht naar de zeedijk. Dat er niet aan kan worden voldaan voor de overige woningen, heeft twee redenen. De eerste reden is dat een aantal woningen slechts één gevel krijgt. De tweede reden is dat er woningen in het gebouw zijn die wel twee gevels krijgen, maar waarbij beide gevels niet als geluidluw zijn te beschouwen volgens het gemeentelijk geluidbeleid. In afwijking van het gemeentelijk geluidbeleid is er met in ontwerp een andere oplossing aangedragen die ook een goed woon- en leefklimaat garandeert voor de afwijkende woningen. De doelen van het geluidbeleid worden met het project wel gehaald. Het ontwerp voorziet met de huidige technologische mogelijkheden in voldoende geluidwerende voorzieningen. Dit kan door voldoende isolatie en met gebruik van dubbel glas binnen de gestelde kaders van de GAO.
In isolatie en technologische oplossingen is het gemeentelijk geluidbeleid enigszins verouderd. De gevelwering wordt verder toegelicht onder het hierna volgende kopje ’geluidwering gevels’. Er moet worden afgeweken van het gemeentelijk beleid. Nadelige gevolgen van een besluit moeten in verhouding staan met het doel dat met een besluit wordt bereikt. Dit is het evenredigheidsbeginsel. Op basis van bovenstaande, is de de afwijking van het gemeentelijk geluidbeleid voldoende gemotiveerd en evenredig. Middels deze BOPA wordt aan de gemeente verzocht om af te wijken van het gemeentelijk geluidbeleid. De gemeente heeft aangegeven dat dit mogelijk is, onder voorwaarde dat de gevels beschikken over voldoende geluidwering, zodat het geluid in de woningen voldoende laag is. Dit wordt in onderstaande paragraaf gemotiveerd.
Geluidwering gevels Om aan te tonen dat de gevels voldoende geluidwering zullen krijgen, zijn de twee maatgevende woningen onderzocht. Dit onderzoek is bijgevoegd in bijlage 20. De maatgevende woningen zijn respresentatieve woningen voor het gebouw met de hoogste geluidbelasting op de toetspunten. Hierbij is uitgegaan van het ontwerp van het gebouw, zoals in bijlage 19. Uitgangspunt is dat er stedenbouwkundig niets aan het gebouw hoeft te veranderen en dat het ontwerp dus niet opnieuw langs de GAO hoeft. In onderstaande afbeelding zijn de maatgevende appertementen op de eerste verdieping aan de kanaalweg weergegeven:
Sweco | Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier – Fase 1a Datum 21-01-2026
Versie D.05
Documentreferentie 20260121 - Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier fase 1A
38/66
Plattegrond tweede bouwlaag (1e verdieping). In rood en oranje schematisch aangegeven de twee maatgevende woningen voor geluid, waarvoor de geluidwering in de gevels is onderzocht.
Figuur :
Uitgangspunten Voor de berekening zijn de volgende uitgangspunten aangehouden: • • • • •
Gevel betreft spouwmuur met steens binnenblad en metselwerk als buitenblad Kozijnen zijn van hout Naaddichting eenzijdig gekit Kierdichting O-profiel met 3,5 mm indrukking (standaard is 3 mm, dus is iets betere kierdichting toegepast om te kunnen voldoen) Dubbelglas met opbouw 4/15/5 mm (betreft standaard dubbelglas)
Resultaten Er wordt voldaan aan de eisen uit het Bbl voor nieuwbouw, woningbouw. Indien bovenstaande uitgangspunten wijzigen, heeft dit invloed op de resultaten. Het glas is maatgevend. Er is nu dus voor standaard dubbelglas gekozen in de berekening. Het is dus haalbaar om de voldoen aan de geluidwering gevel zonder aanvullende maatregelen. Onderstaand zijn de rekenresultaten weergegeven. Woning
GA;k eis
GA;k resultaat
Voldoet
>27 dB >25 dB >25 dB
28,1 dB 27,5 dB 28,1 dB
Ja Ja Ja
Tussenwoning 1e verdieping Verblijfsgebied Woonkamer Slaapkamer Kopwoning 1e verdieping
Sweco | Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier – Fase 1a Datum 21-01-2026
Versie D.05
Documentreferentie 20260121 - Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier fase 1A
39/66
Verblijfsgebied Woonkamer Slaapkamer 1 Slaapkamer 2
>28 dB >26 dB >26 dB >26 dB
27,8* dB 26,6 dB 28,6 dB 27,4 dB
Ja Ja Ja Ja
*Mag naar boven afgerond worden, dus voldoet Uit het onderzoek naar de geluidwering blijkt dat de maatgevende appartementen voldoende geluidwering hebben om te voldoen aan de wettelijk vereiste binnenwaarde. Het ontwerp voldoet daarbij ook aan de gewenste beeldkwaliteit met betrekking tot opbouw van de gevel. Het glas is maatgevend. Er is nu dus voor standaard dubbelglas gekozen in de berekening. Het is dus haalbaar om de voldoen aan de geluidwering gevel zonder aanvullende maatregelen. De beoogde bebouwing is dus uitvoerbaar, en er kan worden voldaan aan het Bbl en aan de gewenste beeldkwaliteit. Richting de bouwtechnische aanvraag kan verdere uitwerking plaatsvinden, waarbij de uitkomsten worden afgestemd met de architect. Hiermee voldoen de gevels aan de vereiste geluidwering, en tevens aan de gewenste beeldkwaliteit. Daarmee voldoet het bouwplan aan ETFAL met betrekking tot geluid en is het uitvoerbaar in de huidige vorm. In het geluidrapport is gerekend met de gehele ontwikkeling van fase 1 en 2 van Dijkkwartier. Dat de ontwikkeling in z’n geheel wordt ontwikkeld is niet zeker. In dat geval zal het uiteindelijke wegverkeerslawaai minder toenemen en zal het geluid op de nieuwbouwgevels lager zijn dan in het akoestisch onderzoek is berekend. Het akoestisch onderzoek kan daarom beschouwd worden als een worst-case berekening.
Conclusie De beoogde woningbouw van fase 1a wordt daarmee haalbaar geacht, onder voorwaarde dat het uiteindelijke bouwplan rekening houdt met voldoende geluidluwheid en waarborgen van het toegestane binnenniveau. Zoals aangetoond, kan dit binnen de door de GAO gestelde kaders en binnen het huidige ontwerp. Wel is er gemotiveerd afgeweken van het gemeentelijk geluidbeleid. Het plan is uitvoerbaar en er is sprake van ETFAL.
4.7
Stikstof
Wettelijk kader Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Het netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen op basis van de Europese Vogel- en/of Habitatrichtlijnen. Het uiteindelijke doel is het bereiken van een gunstige staat van instandhouding voor alle door de richtlijnen beschermde soorten en habitats. De gebiedsbescherming van de Nederlandse Natura 2000gebieden is geregeld onder de Omgevingswet. In de Nederlandse Natura 2000-gebieden is door een overbelasting met stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) de staat van instandhouding van veel soorten en habitats niet gunstig en worden de instandhoudingsdoelstellingen niet
Sweco | Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier – Fase 1a Datum 21-01-2026
Versie D.05
Documentreferentie 20260121 - Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier fase 1A
40/66
behaald. Nieuwe ontwikkelingen die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben kunnen negatieve effecten hebben op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Voor nieuwe plannen of projecten, binnen of buiten een Natura 2000-gebied, moet daarom onderzocht worden of deze ontwikkelingen significant negatieve effecten hebben op het behalen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten en habitats. Onder de Omgevingswet worden activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied een Natura 2000-activiteit genoemd. Stikstofdepositie bestaat in gereduceerde vorm (NH3, ammoniak) en geoxideerde vorm (stikstofoxide, NOx). Beide vormen van stikstof kunnen worden omgezet tot de nutriënten ammonium (NH4+) en nitraat (NO3-). De extra aanvoer van deze voedingsstoffen kan vooral bedreigend zijn voor voedselarme habitattypen. Door de verrijking kan de vegetatie verruigen en kunnen kenmerkende soorten van schrale milieus verdwijnen. Daarnaast kan depositie van stikstof, in het bijzonder door ammoniak na nitrificatie, leiden tot een daling van de bodem-pH. Door verzuring verdwijnen gevoelige soorten en neemt de soortenrijkdom en kwaliteit van zuurgevoelige habitattypen af. Beoordelingslocaties Voor elk Natura 2000-gebied zijn habitattypen en/of soorten aangewezen.
Elk habitattype of het leefgebied van deze soorten is in meer of minder mate gevoelig voor de gevolgen van stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde (KDW) geeft voor elk habitattype en elk leefgebied van soorten aan bij welke mate van stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) er een risico is dat de kwaliteit verslechtert ten gevolge van de verzuring en/of vermesting die de stikstofdepositie veroorzaakt. Voor de beoordeling van de stikstofdepositie wordt gekeken naar de locaties binnen Natura 2000-gebieden waar er een overbelasting van stikstofdepositie is. Dat wil zeggen dat de heersende achtergronddepositie groter is dan de KDW van de gekarteerde habitattypen en/of leefgebieden. Uit voorzorg worden ook locaties beoordeeld waar de achtergronddepositie tot 70 mol N/ha/jaar onder de KDW ligt (een naderende overschrijding KDW). Beoordeling Indien uit de berekeningen met AERIUS Calculator blijkt dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie (kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol N/ha/jaar) op overbelaste habitats, dan kunnen significante effecten ten gevolge van stikstofdepositie op voorhand worden uitgesloten. Voor het onderdeel stikstofdepositie is er dan geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000activiteit nodig.
Indien uit de berekening blijkt dat er sprake is van een toename van de stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol N/ha/jaar) op overbelaste habitats, maar een verslechtering van stikstofgevoelige habitattypen of habitats van soorten kan, ondanks een toename van de depositie, volledig uitgesloten in een ecologische beoordeling (voortoets), dan is er ook geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Indien uit de berekening blijkt dat er sprake is van een toename aan stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol N/ha/jaar) en niet aan één van bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, is een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Een vergunning kan worden verleend als uit een passende beoordeling eventueel inclusief (extern) salderen en eventueel het succesvol doorlopen van de ADC-toets blijkt dat zekerheid is verkregen dat het
Sweco | Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier – Fase 1a Datum 21-01-2026
Versie D.05
Documentreferentie 20260121 - Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier fase 1A
41/66
project de natuurlijke kenmerken van de betreffende Natura 2000-gebieden niet zal aantasten.
Beschouwing Voor het projectgebied (aanlegfase en gebruiksfase) zijn de effecten op de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden berekend. De stikstofnotitie is te vinden in Bijlage 9. Er is geen gebruik gemaakt van saldering. Voor de berekeningen is gebruik gemaakt van AERIUS Calculator 2025. De berekeningen van de stikstofdepositie zijn uitgevoerd voor het rekenjaar 2026 in de realisatiefase en 2027 in de gebruiksfase. Er is voor beide berekeningen geen stikstofdepositie berekend hoger dan 0,00 mol N/ha/j. Onlosmakelijkheid In de gehele BOPA wordt duidelijk gemaakt dat fase 1a kan dienen als eindsituatie. Zoals aangegeven is het van belang om fase 1a op zichzelf staand te kunnen laten bestaan zonder dat eventuele verplichtingen doorgeschoven worden naar de volgende fase. De reden dat de BOPA voor fase 1a wordt aangevraagd is dat de ontwikkeling van Dijkkwartier in het geheel nog niet zeker is. Het besluit kan ook bestaan zonder verdere ontwikkeling en is dus niet onlosmakelijk. Indien er na fase 1a nog verdere ontwikkelingen van Dijkkwartier plaatsvinden, zal fase 1a ook weer worden beschouwd in het kader van stikstofdepositie.
Conclusie In de stikstofnotitie zijn de effecten van Dijkkwartier fase 1a op de stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuur in Natura-2000 gebieden inzichtelijk gemaakt. Er is geen toename van stikstofdepositie berekend tijdens de gebruiksfase en realisatiefase (0,00 mol N/ha/j). Significante effecten van de beoogde activiteiten op stikstofgevoelige habitattypen/leefgebieden van soorten kunnen op voorhand worden uitgesloten. Er is daarmee voor het onderdeel stikstofdepositie geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activteit nodig. Het project is daarmee uitvoerbaar in relatie tot het aspect stikstof.
4.8
Luchtkwaliteit
Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens de regels in deze paragraaf gelden omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) in de buitenlucht. Een activiteit is toegestaan indien er aan één van de onderstaande voorwaarden wordt voldaan: -
Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Het project draagt alleen niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging.
Sweco | Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier – Fase 1a Datum 21-01-2026
Versie D.05
Documentreferentie 20260121 - Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier fase 1A
42/66
Een beoordeling van de luchtkwaliteit vind niet overal plaats. Activiteiten die ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging, hoeven niet te worden getoetst aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie stikstofdioxide en fijnstof niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Die waarde geldt als 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft zijn er twee mogelijkheden: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze standaardgevallen NIBM vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Conform artikel 5.54 Bkl moet het project dan wel binnen een bepaalde omvang blijven. Indien een project wel binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt kan met een detailberekening worden aangetoond dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. De tweede mogelijkheid is om op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Dit kan doormiddel van een kwalitatieve berekening of door de NIBM-tool te gebruiken om te bepalen of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Beschouwing Er is een berekening gemaakt in de NIVBM-tool om te bepalen of er sprake is van een activiteit van betekende mate. De maximale verkeersgeneratie als gevolg van het project is 135 motorvoertuigen per etmaal, zo volgt uit de stikstofnotitie (zie Bijlage 9). Het percentage vrachtverkeer is ingesteld op 2,0%. Uit de berekening blijkt dat het project NIBM bijdraagt aan de luchtverontreiniging, zie ook Tabel 1. Dit betekent dat er geen nader onderzoek nodig is. Tabel 1 - NIBM-tool op basis van projectgegevens
Er is ook gekeken of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is om een goed woonen leefklimaat te bieden voor de toekomstige functies. In Tabel 2 staan de achtergrondwaarden binnen het projectgebied in relatie tot de advieswaarden van de World Health Organization (WHO) en de wettelijke grenswaarden. Deze waarden staan in de Atlas Leefomgeving. De achtergrondwaarden blijven onder de wettelijke grenswaarden.
Sweco | Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier – Fase 1a Datum 21-01-2026
Versie D.05
Documentreferentie 20260121 - Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier fase 1A
43/66
Tabel 2 - Achtergrondwaarden projectgebied in relatie tot advieswaarden WHO en wettelijke grenswaarden
Achtergrondwaarde (µg/m3)
Advieswaarde WHO (µg/m3)
Wettelijke grenswaarde (µg/m3)
Stikstofdioxide (NO2)
8,5
10
40
Fijnstof (PM10)
15,6
15
40
Fijnstof (PM2,5)
6,8
5
25
Conclusie Het project draagt niet in betekende mate bij aan de luchtvervuiling in de omgeving. De lucht in de omgeving is van voldoende kwaliteit voor de toekomstige (kwetsbare) functies. Het project is uitvoerbaar in relatie tot het aspect luchtkwaliteit.
4.9
Omgevingsveiligheid
Wettelijk kader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’.
Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het
Sweco | Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier – Fase 1a Datum 21-01-2026
Versie D.05
Documentreferentie 20260121 - Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier fase 1A
44/66
aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: -
-
Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).
Beschouwing Met het project wordt een kwetsbaar gebouw gerealiseerd (Bkl Bijlage VI), omdat het een woonfunctie betreft. Uit een raadpleging van de risicokaart van het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV) blijkt dat het projectgebied niet gelegen nabij transportroutes met gevaarlijke stoffen, EV-activiteiten of buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De N250 is binnen de bebouwde kom van Den Helder geen onderdeel van het basisnet voor vervoer van gevaarlijke stoffen. In Figuur 13 is het projectgebied in relatie tot de dichtstbijzijnde aandachtsgebieden zichtbaar.
Sweco | Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier – Fase 1a Datum 21-01-2026
Versie D.05
Documentreferentie 20260121 - Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier fase 1A
45/66
Figuur 13 - Dijkkwartier fase 1a in relatie tot bestaande risicobronnen REV
Het project introduceert geen nieuwe risicobron en heeft geen invloed op de bestaande veiligheidsniveaus.
Conclusie Het project is uitvoerbaar in relatie tot het aspect omgevingsveiligheid.
4.10 Verkeer en parkeren Wettelijk kader De toename van functies zorgt voor een verkeersgeneratie en dus een belasting op het omliggende verkeersnetwerk en een hogere parkeerdruk. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente Den Helder heeft in haar “Beleidsregels van de raad van de gemeente Den Helder, houdende regels omtrent parkeernormen (Nota Parkeernormen Den Helder 2022) opgenomen wat de parkeernormen zijn voor verschillende zones van de stad. Aan deze normen in het gemeentelijk beleid wordt de ontwikkeling getoetst.
Beschouwing Verkeersgeneratie
Sweco | Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier – Fase 1a Datum 21-01-2026
Versie D.05
Documentreferentie 20260121 - Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier fase 1A
46/66
Om de verkeersgeneratie van het project te berekenen is gebruik gemaakt van de kencijfers uit de CROW publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers 2024’. Het projectgebied bevindt zich in het de categorie ‘centrum’ met locatie gemeente Den Helder (stedelijkheid: sterk stedelijk). Er is voor locatie centrum gekozen, omdat de gemeente de ambitie heeft dit project onderdeel te maken van het nieuwe centrum (aan zee). Er is uitgegaan dat alle appartementen het type ‘koop, appartement, 75-100 m2 BVO’ zijn. In werkelijkheid worden de appartementen verhuurd en komen er enkel kleinere appartementen in het woningblok terecht. De gekozen woningtypologie geeft een goed algemeen beeld van de te realiseren appartementen en de daarbij behorende verkeersgeneratie. De gekozen woningtypologie zorgt voor een hogere verkeersgeneratie dat de 30 kleine huurappartementen die gerealiseerd worden. Hiermee is dit al worst-case. Zie Tabel 3 voor de berekening. De realisatie van het project leidt tot een maximale toename (“worst-case”) van 135 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Tabel 3 - Berekening verkeersgeneratie a.h.v. CROW-kengetallen
Functie
Programma
Koop, appartement, 75-100 m2
30
Totaal
30
Verkeersgeneratie per woning (per etmaal)
Totale verkeersgeneratie (per etmaal)
Minimaal
Gemiddeld
Maximaal
Maximaal
3,7
4,1
4,5
135
135
In het worst-case scenario genereert de ontwikkeling 135 motorvoertuigbewegingen pet etmaal. Er wordt vanuit gegaan dat deze verkeersgeneratie gedurende een weekdag is. Om de maximale belasting van de ontwikkeling op het omliggende wegennet te beschouwen wordt er gekeken naar werkdagen. Werkdagen leveren een hogere belasting op het wegennet op omdat mensen bijvoorbeeld van en naar werk reizen. Er wordt vanuit gegaan dat op een werkdag 11% meer motorvoertuigen rijden dan op een weekdag. Dit levert een verkeersgeneratie op van 150 motorvoertuigbewegingen/werkdag. Voor het drukste spitsuur is de vuistregel gehanteerd waarbij 10% van de etmaalintensiteit in dit spitsuur rijdt. Dit kan zowel de ochtend- als avondspits zijn. Dit geeft een maximale toename van verkeer op het omliggende verkeersnetwerk van 15 mvt/uur. Verkeersafwikkeling De auto’s van de toekomstige bewoners worden geparkeerd op de parkeerplaats die ten noorden ligt van de Postbrug, of bij de nieuw te realiseren tijdelijke parkeerplaats ten noorden en/of oosten van de adressen Kanaalweg 141 t/m 172. Vanuit het projectgebied rijdt het verkeer de Kanaalweg op vanaf (waarschijnlijk) twee verschillende plekken. Dit betreffen huidige inritten op de Kanaalweg. Vanuit hier kan het verkeer naar de volgende richtingen rijden: •
Oostelijke richting, via Kanaalweg naar het kruispunt met de Weststraat (N250) om naar de veerpont naar Texel te komen of Den Helder uit richting de omgeving (zuiden).
Sweco | Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier – Fase 1a Datum 21-01-2026
Versie D.05
Documentreferentie 20260121 - Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier fase 1A
47/66
• •
Westelijke richting, Kanaalweg volgend richting het kruispunt met de Theodorus Rijkersstraat, richting Fort Erfprins en het ziekenhuis. Zuidelijke richting, via de Postbrug en het Koningsplein richting het centrum en het treinstation.
Er wordt vanuit gegaan dat het meeste verkeer in oostelijke of zuidelijke richting rijdt, omdat dit doorgaande wegen zijn. De Kanaalweg in westelijke richting leidt tot specifieke voorzieningen. In een eerder onderzoek is de invloed van de verkeersgeneratie van Dijkkwartier fase 1 en fase 2 op het kruispunt met de Weststraat geanalyseerd. Dit rapport “Kruispuntanalyse VRI N250 – Kanaalweg – Het nieuwe Diep, Den Helder” (Sweco, 03-07-2023) staat in Bijlage 10. Uit de analyse volgt dat het kruispunt volstaat met de toename van het verkeer van circa 2.500 mvt/etm vanuit deze (grotere) ontwikkeling. Hierbij is ervanuit gegaan dat 100% van het verkeer van Dijkkwartier fase 1 en fase 2 naar het oosten rijdt. Er kan worden gesteld dat het kruispunt ook volstaat bij de deelontwikkeling Dijkkwartier fase 1a. In de kruispuntanalyse van de N250-Kanaalweg is opgenomen wat de verkeersintensiteit per uur is op de Kanaalweg. Dit is het resultaat geweest van een verkeerstelling in maart 2022 op het kruispunt. Hieruit blijkt dat het drukste moment van de dag op de Kanaalweg niet tijdens de ochtend- of avondspits is, maar rondom het middaguur. De gemiddelde hoogste uur-intensiteit op de Kanaalweg is circa 750 mvt/uur. In de rapportage wordt gesteld dat de algemene ervaring (“expert judgement”) tijdens de tellingen in maart 2022 was dat de Kanaalweg niet als druk wordt ervaren.
De toevoeging van 15 mvt/etm vanuit het project Dijkkwartier fase 1a is een marginale verhoging (2%) van de huidige intensiteiten. Er kan daarom worden gesteld dat de verkeersgeneratie vanuit Dijkkwartier fase 1a geen negatieve invloed heeft op het verkeer op de Kanaalweg. De weg Koningsplein en Prins Hendriklaan in zuidelijke richting kennen beiden in de huidige situatie een nog hogere etmaal- en uur-intensiteit dan de Kanaalweg. Uit een akoestisch onderzoek naar het Prins Hendrik Kwartier (Tauw, 2016) behorend bij de “Ruimtelijke onderbouwing Prins Hendrik Kwartier” (Tauw, 2016) blijkt dat de Prins Hendriklaan een verkeersintensiteit heeft van circa 6.500 mvt/etm. De maximale toename van 150 mvt/etm is een marginale verhoging (2%) van de huidige intensiteiten. Er kan daarom worden gesteld dat de verkeersgeneratie vanuit Dijkkwartier fase 1a geen negatieve invloed heeft op het verkeer op de Prins Hendriklaan. In bovenstaande situaties is ervanuit gegaan dat 100% van het verkeer vanuit Dijkkwartier fase 1a in één van de richtingen rijdt. In werkelijkheid verspreid het verkeer zich over het verkeersnetwerk en zal de toename op de wegvakken minder zijn. Ook is er uitgegaan van de maximale verkeersgeneratie volgens de kengetallen van het CROW, wat een “worst-case” scenario oplevert.
In de mobiliteitsnotitie van Dijkkwartier fase 1 en fase 2 (Bijlage 11) is uitgelegd dat voor de gehele gebiedsontwikkeling van Dijkkwartier een specifiek mobiliteitsconcept is ontwikkeld. Hierbij is gebruik gemaakt van het “STOMPprincipe” (stappen, trappen, OV, MaaS, parkeren), waarbij ingezet wordt op andersoortige mobiliteit dan de auto. De reductie die dit teweegbrengt (circa 12%19%) is niet meegenomen in de bovenstaande analyse. Tevens is er ook nog niet uitgegaan van deelmobiliteit voor Dijkkwartier fase 1a. Dit betreft dus een conservatieve aanname.
Sweco | Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier – Fase 1a Datum 21-01-2026
Versie D.05
Documentreferentie 20260121 - Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier fase 1A
48/66
Het kruispunt van de Kanaalweg met de Postbrug wordt toekomstig door de gemeente Den Helder aangepast. Het kruispunt wordt veiliger gemaakt en er wordt een inrit gerealiseerd richting het noorden. Bij de aanpassing van het kruispunt wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van Dijkkwartier fase 1, en daarmee ook met Dijkkwartier fase 1a. De aanpassing van het kruispunt is daarom positief voor Dijkwartier fase 1a. Parkeren In de mobiliteitsnotitie van Dijkkwartier fase 1 en fase 2 (Bijlage 11) is uitgelegd hoe er wordt omgegaan met mobiliteit en wat voor effect dit heeft op parkeren. Bij verdere ontwikkeling van Dijkkwartier betreft fase 1a een tijdelijke parkeersituatie. Echter, omdat de verder ontwikkeling planologisch niet geborgd is, dient fase 1a te voorzien in de eigen parkeerbehoefte. Ook dient er deels gecompenseerd te worden voor de parkeerplaatsen die worden weggehaald ten behoeve van de ontwikkeling van het gebouw. Bestaande parkeerterrein ter plaatse van projectgebied Het huidige parkeerterrein, waar het projectgebied zich deels op bevindt wordt ingezet als tijdelijke parkeervoorziening om de parkeerdruk in het centrum te verlichten tijdens de transformatieperiode. Het parkeerterrein is in eigendom van de Woningstichting. Het onderzoek dat door Trajan in opdracht van de gemeente is uitgevoerd geeft de volgende bezettingen aan:
Rekening houdend met een maximaal gewenste bezettingsgraad van 90 procent op het huidige parkeerterrein ziet de gemeente graag 42 parkeerplaatsen voor bezoekers/bewoners Den Helder. Toekomstige appartementen Er zullen maximaal 30 kleine appartementen gerealiseerd worden (<75 m2). Dit leidt tot een parkeerbehoefte op het drukste moment (avond) van 32 parkeerplaatsen. De rekenmethode die hierbij is aangehouden is dat de parkeernorm 1,3 per appartement is, waarbij het aandeel bezoekers 0,3 is. Dit geeft de volgende gezamenlijke parkeerbehoefte van bewoners en hun bezoek aan de hand van de aanwezigheidspercentages uit Nota Parkeernormen Den Helder 2022:
Totale parkeervraag
Sweco | Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier – Fase 1a Datum 21-01-2026
Versie D.05
Documentreferentie 20260121 - Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier fase 1A
49/66
De totale parkeervraag is de optelsom van drukste moment van het huidige parkeerterrein en de parkeerbehoefte toekomstige appartementen. Dit is de werkdagochtend. Hiermee dienen er 64 parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Locatie parkeerplekken 25 parkeerplekken van Dijkkwartier fase 1a worden gerealiseerd in het bestaande parkeergebied naast het te ontwikkelen gebouw, zie hiervoor bijlage 12. Het overige deel van de parkeervraag wordt opgelost op het terrein van de voormalige garage Zentveld. Op beide locaties is parkeren volgens het omgevingsplan al mogelijk en is de grond in het bezig van de initiatiefnemer.
Conclusie Het project is uitvoerbaar in relatie tot het aspect verkeer en parkeren. Het tijdelijk parkeren op het Zentveld dient in een verdere uitwerking te worden afgestemd met de gemeente Den Helder. Dit is een voorwaarde voor de verdere ontwikkeling. Er wordt conform het mobiliteitsconcept van Dijkkwartier fase 1 en fase 2 (Bijlage 11) sterk ingezet op ruimtelijke kwaliteit en voldoende (inpandige) fietsvoorzieningen. Dit is ook het uitgangspunt voor Dijkkwartier fase 1a en dient in een later stadium verder te worden uitgewerkt.
4.11 Milieuzonering Wettelijk kader Artikel 5.59, tweede lid van het Bkl verplicht dat een aanvaardbare geluidssituatie geborgd moet worden in het omgevingsplan (of in dit geval BOPA). Ook de bruidsschat bevat regels over milieubelastende activiteiten en is het primaire toetsingskader. De standaardwaarden van artikel 5.65 Bkl worden hierbij gehanteerd. Deze standaardwaarden worden in Figuur 14 weergegeven.
Figuur 14 - Tabel met standaardwaarden toelaatbaar geluid op geluidgevoelig gebouw artikel 5.65 Bkl
Bedrijven zijn milieubelastende bestemmingen die hinder ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen (waaronder wonen) kunnen veroorzaken. Om dergelijke hinderlijke situaties te voorkomen dient er bij ruimtelijke plannen, waarbij milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen in elkaars nabijheid mogelijk worden gemaakt, in principe uit te worden gegaan van scheiding van functies. Hiertoe zijn in de VNG-handreiking Activiteiten en Milieuzonering (2024; hierna te noemen A&M) richtafstanden opgesteld. De handreiking A&M bevat richtlijnen over afstanden, zogeheten milieuzoneringen, tussen bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige functies aangegeven waarmee wederzijdse hinder voorkomen wordt. Deze milieuzoneringen zorgen ervoor dat nieuwe bedrijven op passende afstand ten
Sweco | Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier – Fase 1a Datum 21-01-2026
Versie D.05
Documentreferentie 20260121 - Ruimtelijke onderbouwing BOPA Dijkkwartier fase 1A
50/66
opzichte van woningen worden gesitueerd en wederzijds dat nieuwe woningen op verantwoorde afstand van bestaande bedrijven worden gepland. Voorts maakt de handreiking A&M onderscheid in afstanden tot een rustige woonwijk en tot een gebied met menging van functies. Gebieden met gemengde functies kennen doorgaans hogere achtergrondwaarden wat betreft de hinderaspecten, waardoor milieuhinderlijke activiteiten van een specifiek bedrijf in hogere mate op zullen aan in de omgeving en minder snel als hinder zal worden ervaren.