Veegplan Den Helder 2023_Toelichting.pdf
Tekst van het document
In de regels opgenomen dat een kleine windturbine alleen kan worden gerealiseerd op een agrarisch bouwperceel of op een bouwperceel van ten minste 1 hectare waar een stedelijke activiteit is toegestaan. Daarnaast is bepaald dat kleine windturbines zijn uitgesloten in open agrarisch gebied, natuurgebieden en gebieden met een hoge cultuurhistorische waarde. Verder is opgenomen dat de kleine windturbines landschappelijk moeten worden ingepast (de windturbine moet in landschappelijk opzicht aansluiten op de bijbehorende bebouwing en de windturbine moet zorgvuldig ruimtelijk worden ingepast). Door de bovenstaande manier zijn de cultuurhistorische waarden in het plangebied van dit bestemmingsplan voldoende geborgd en kan dit bestemmingsplan op het milieuaspect cultuurhistorie als uitvoerbaar worden geacht. Archeologie Gronden met een archeologische dubbelbestemming zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden.
25
bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023
Afhankelijk van de archeologische dubbelbestemming gelden bouwregels, waarbij bouwen boven een bepaalde vrijstellingsgrens vergunningsplichtig is. Indien deze vrijstellingsgrens wordt bereikt, zal voor de verlening van deze benodigde vergunning (verkennend) archeologisch onderzoek moeten worden verricht. Daarnaast geldt ter plaatse van de archeologische dubbelbestemmingen een vergunning- en onderzoeksplicht voor het uitvoeren van een aantal werken, geen bouwwerk zijnde, en van werkzaamheden. De vigerende archeologische dubbelbestemmingen worden overgenomen op de verbeelding van het veegplan. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt bekeken of het initiatief vergunning- en onderzoeksplichtig is. Zo bezien, vormt het aspect landschap en erfgoed geen belemmering voor het onderhavige planvoornemen en kan het op dit onderdeel als uitvoerbaar worden geacht.
3.6
Ecologie
In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het van belang om aandacht te besteden aan beschermde natuurwaarden. De effecten op natuurwaarden moet men beoordelen in relatie tot bestaande wet- en regelgeving op het gebied van soortenbescherming en gebiedsbescherming. De wettelijke grondslag hiervan ligt per 1 januari 2017 in de Wet natuurbescherming (Wnb) en in het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid. De Wnb regelt onder andere de soortenbescherming van planten en dieren, dit betreft de in het wild voorkomende vogels onder de vogelrichtlijn, de dier- en plantensoorten onder de habitatrichtlijn. Dier- en plantensoorten die in de bijlage van de wet genoemd worden vallen ook onder de beschermde soorten, op deze lijst mogen provincies een 'lijst met vrijstellingen' opstellen (artikel 3.11 van de Wnb). In de Wnb is eveneens de bescherming van Natura 2000-gebieden geregeld. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Door de plaatsing van windturbines kunnen ecologische belangen worden geschaad. Het gaat daarbij met name om effecten voor (beschermde) vogels of vleermuizen.
Dit is op voorhand niet direct duidelijk en afhankelijk van de locatie. Voor de soortenbescherming geldt dat deze vraag pas aan bod komt als voor een concrete activiteit een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Dit is alleen anders als op voorhand duidelijk is dat de soortenbescherming de uitvoering van het bestemmingsplan in de weg staat. Het enkele feit dat er voor een kleine windturbine mogelijk een ontheffing nodig is op grond van de Wnb vanwege de soortenbescherming betekent dus nog niet dat het veegplan niet uitvoerbaar is. Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een globele toets aan de natuurwetgeving uitgevoerd. Het doel hiervan is om na te gaan of het plan effecten kan hebben op in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid beschermde soorten en gebieden. Vanwege de globale opzet van het plan, zonder vastlegging van exacte locaties, is het onderzoek beperkt tot een bureauonderzoek. In het uitgevoerde natuurwaardenonderzoek (Bijlage 2) is onderbouwd dat er van een ernstige bedreiging van beschermde soorten als gevolg van de planregeling voor de kleine windturbines als geheel geen sprake is. Beargumenteerd wordt dat er een zeker maar beperkt risico is op aanvaringen afhankelijk van de locatiekeuze maar dat er op voorhand geen sprake is van significante effecten.
Dit kan dan via een eventueel noodzakelijke Wnb-ontheffing nader worden afgewogen. Voor de gebiedsbescherming (Natura 2000 gebieden) geldt in principe de regel dat een natuuronderzoek of een beoordeling van de ecologische gevolgen van een activiteit niet naar de uitvoering van een bestemmingsplan mag worden geschoven. Het gaat daarbij om de vraag of er (mogelijk) sprake is van een
26
bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023
significant negatief effect. Dit in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000 gebied. Het gaat in dit geval om drie nabij gelegen Natura 2000 gebieden: Callantsoog, Noordzeekustzone en Waddenzee. Van deze drie gebieden hebben, afgezien van stikstofdepositie, alleen de laatste twee instandhoudingsdoelen voor (broed)vogels. Wat betreft de (broed)vogels in of afkomstig van deze Natura 2000 gebieden wordt in het natuurwaardenonderzoek beoordeeld dat deze vogels niet continue in deze gebieden zullen verblijven. Sommige soorten, met name watervogels en steltlopers, kunnen ook in open agrarisch gebied foerageren. Maar omdat deze volgens open landschap prefereren zullen ze zich niet of nauwelijks op en rond agrarische erven vliegen of ophouden. Op basis daarvan wordt de kans op aanvaringsslachtoffers, onder volgens waarvoor de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000 gebieden van toepassing zijn, als nihil ingeschat. In zoverre is er dus geen sprake van een significant negatief effect. Mede omdat het plaatsen van kleine windturbines en schuilstallen binnen NNN en Natura 2000- gebied niet mogelijk wordt gemaakt, zijn geen negatieve effecten op deze de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de oppervlakte, samenhang en wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN-gebieden te verwachten.
Verder dient bij de plaatsing aantasting en verstoring van bezette nestplaatsen van vogels en verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde amfibieën (rugstreeppad) en grondgebonden zoogdieren (kleine marterachtigen) te worden voorkomen. Omdat het op voorhand niet mogelijk is om voor het totale plangebied in kaart te brengen wat de eventuele gevolgen zullen zijn voor ecologie, is in eerste instantie het eerder genoemde natuurwaardenonderzoek op hoofdlijnen uitgevoerd en wordt niet nu, maar ten tijde van een aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van een kleinschalige windturbine onderzoek voor die specifieke locatie uitgevoerd. De Wet natuurbescherming is hierbij onverkort van kracht. Er zal dus bij elke aanvraag worden afgewogen of de bouw van een windturbine ter plaatse leidt tot onevenredige gevolgen voor de beschermde natuurwaarden in dat gebied. In het bestemmingsplan is geborgd dat elke aanvraag getoetst moet worden aan de natuurbelangen. Dit kan in de vorm van een quickscan. Met een natuurtoets (quickscan) moet worden onderzocht welk effect de windturbine heeft. Worden beschermde soorten verstoord, verwond of zelfs gedood? Dan kan het reden zijn om de windturbine niet toe te staan. Bij elke aanvraag voor plaatsing van een kleinschalige windturbine wordt per locatie gekeken of de Flora- en Faunawet van toepassing is.
Wanneer dit het geval is, zal de initiatiefnemer een ontheffing moeten aanvragen. In de regels is hiertoe een bepaling opgenomen. Gebiedsbescherming stikstof Voor het onderdeel stikstof is een worst-case berekening (op korte afstand van Natura 2000-gebieden) uitgevoerd om na te gaan wat de effecten zijn van de aanlegfase van een kleine windturbine. Insteek van deze berekening was om na te gaan hoeveel windturbines er maximaal gebouwd kunnen worden zonder dat er sprake is van een depositie. Uit de worst-case berekening blijkt dat er bij de aanleg van één kleine windturbine al sprake is van een depositie. Gelet hierop is in de regels geborgd dat het plaatsen van een kleine windturbine alleen mogelijk is mits dit emissieloos gebeurd. Omdat de berekening worst-case is ingestoken kan het zijn dat er op grotere afstand mogelijk wel mogelijkheden zijn om kleine windturbines te plaatsen waarbij sprake is van emissie. Hiertoe is een ontheffing opgenomen waarin is bepaald dat dit mogelijk is mits dit door middel van een Aeriusberekening is aangetoond. Zo bezien, vormt het aspect ecologie geen belemmering voor het onderhavige planvoornemen.
3.7
Water
Vanwege het grote belang van water in de ruimtelijke ordening, wordt van waterschappen een vroege en intensieve betrokkenheid bij het opstellen van ruimtelijke plannen verwacht. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van waterschap Hollands Noorderkwartier (HHNK).
27
bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023
Op verschillende bestuursniveaus zijn beleidsnota’s verschenen die zich richten op een (zowel kwalitatief als kwantitatief) duurzaam waterbeheer. Op het hoogste niveau zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Nationaal Waterplan (NW) richtinggevend. Op een lager schaalniveau is voor dit planvoornemen met name het beleid van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier relevant. Dit beleid is in lijn met, en in aanvulling op, de plannen die Rijk en provincies hebben op het gebied van waterbeheer. Het HHNK heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterplan 2022-2027) opgesteld. In het Waterplan 2022-2027 zijn de ambities en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig, gebiedsgericht waterbeheer mogelijk. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn.
Omdat de opslagunits en de internetdetailhandel op bestaande bedrijventerreinen mogelijk worden gemaakt, speelt water hier geen rol. Voor het snippergroen is een eerder stadium al een ruimtelijke afweging gemaakt. Omdat het bestemmingsplan voorziet in het algemeen mogelijk maken van kleinschalige windturbines en schuilstallen is op voorhand niet duidelijk waar eventuele kleinschalige windturbines en schuilstallen zullen komen. De locatie van kleinschalige windturbines en schuilstallen is pas duidelijk ten tijden van de aanvraag voor de omgevingsvergunning. Desalniettemin geldt dat de plaatsing ten opzichte van hoofdwatergangen en overige eigendommen van de waterschappen geen obstakel mogen vormen voor onderhoudswerkzaamheden aan de betreffende eigendommen van de waterschappen. Het onderhoud mag op geen enkele manier worden gehinderd en moet ten alle tijden mogelijk zijn (conform de regels van de Keur van de waterschappen). Tot slot wordt opgemerkt dat kleinschalige windturbines en schuilstallen niet tot een negatief effect leiden op de kwaliteit van eventueel aanwezige oppervlaktewater alsmede geen negatieve effecten optreden voor de waterhuishouding. Naar aanleiding van de waterschapsverordening wordt wel geregeld dat de afstand van een kleine windturbine tot een waterkering niet minder bedraagt dan de tiphoogte van de windturbine.
Zo bezien, vormt het aspect water geen belemmering voor het onderhavige planvoornemen en kan het op dit onderdeel als uitvoerbaar worden geacht.
3.8
Hoogtebeperkingen
Het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (BARRO) verwijst in artikel 2.6.4, lid 4 dat ten aanzien van de hoogtebeperkingen rondom militaire luchthavens voldaan dient te worden aan wat gesteld wordt in artikel 16 van het Besluit Militaire Luchthavens. Het beleid welke in het Besluit Militaire Luchthavens is gesteld, sluit aan bij het in het Tweede Structuurschema Militaire Terreinen (SMT-2) geformuleerde beleid over obstakelvrije vlakken rond militaire luchtvaartterreinen waaraan toelaatbare hoogtes zijn verbonden voor objecten in de nabije omgeving. De ruimtelijke gevolgen voor gebieden gelegen in de nabijheid van een militair luchtvaartterrein of een radarstation zijn: Bestaande objecten, die de maximaal toelaatbare hoogte overschrijden en strijdig zijn met de geldende criteria en daardoor resulteren in beperkingen op het vliegen of verstoring van apparatuur, zullen worden gerespecteerd;
28
bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023
Bestemmingsplannen waarin mogelijkheden zijn vastgelegd voor bouwwerken hoger dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte en bouwplannen die de maximaal toelaatbare bouwhoogte overschrijden maar al een onherroepelijke bouwvergunning hebben verkregen, worden eveneens gerespecteerd; Nieuwe strijdigheden met de maximaal toelaatbare bouwhoogte kunnen daarentegen niet worden gerespecteerd, tenzij uit een toetsing van het Ministerie van Defensie blijkt dat er geen sprake is van onaanvaardbare verstoring. In de Ministeriële Regeling van 9 dec 2011 (Rarro) worden in artikel 2.1 o.a. de militaire luchtvaartterreinen, de daarbij behorende geluidszones, obstakelbeheergebieden, bouwbeperkingengebieden rondom zend- en ontvanginstallaties en radarstations aangewezen en nader toegelicht. In de wijziging van het Rarro die op 1-10-2012 van kracht is geworden, worden de radarverstoringsgebieden rondom de aangewezen radarstations nader aangewezen. Tevens worden hierin de bouwbeperkingen, de procedure en de inhoud beoordeling gevolgen aangegeven en uitvoerig toegelicht. De Regeling (Rarro) en de wijziging Rarro treden in plaats van de brief van de Staatssecretaris van Defensie van 27 oktober 2006. Beschouwing. De obstakelvrije zone rondom het vliegveld van Den Helder is opgebouwd uit twee componenten, de invliegfunnels, een obstakelvrije zone van de Inner Horizontal en Conical Surface.
Daaraast is er een zone ter voorkoming van verstoring van van de Instrument Landing System apparatuur. Omdat de opslagunits en de internetdetailhandel op bestaande bedrijventerreinen (binnen bestaande bouwmogelijkheden) mogelijk worden gemaakt, speelt dit aspect hier geen rol. Voor het snippergroen is een eerder stadium al een ruimtelijke afweging gemaakt. Voor schuilstallen geldt een maximale hoogte van 3 meter en speelt gelet hierop ook geen rol. Onderstaande aspecten hebben dan ook enkel betrekking op de kleine windturbines. Obstakelbeheergebied Het obstakelbeheergebied rond het luchtvaartterrein is een samenstelling van verschillende obstakelvlakken: de funnel en het Inner Horizontal and Conical Surface (IHCS) die beide zijn gekoppeld aan de ligging van de start- en landingsbaan ter waarborging van veilige vliegprocedures voor startende en landende vliegtuigen, alsmede vlakken die verband houden met het goed functioneren van het Instrument Landing System (ILS) en eventuele andere aanwezige navigatiehulpmiddelen. Obstakelvrije zone funnels De funnels betreffen de start- en landingsvlakken met zijkanten, die zijn vastgesteld in het verlengde van de start- en landingsbaan. De funnel is opgebouwd uit een obstakelvrije rechthoek (strook) rond de start- en landingsbaan met aansluitend twee zijvlakken waarvan de hoogte oploopt van 10 tot 45 meter.
In elke baanrichting ligt een landingsvlak en een startvlak waarvan de hoogte oploopt met 1:50. Omdat het beginpunt van beide vlakken verschillend kan zijn (afhankelijk van de ligging t.o.v. NAP van de landingsdrempel) kunnen beide vlakken verschoven ten opzichte van elkaar liggen. De toegestane hoogtes gelden ten opzichte van de NAP-hoogte van de desbetreffende landingsdrempel. Hiervoor gelden beperkingen als het gaat om het oprichten van hoge obstakels. Vanaf het vliegveld lopen deze in zowel noordoostelijke en zuidwestelijke richting. De funnels liggen deels over het plangebied. Obstakelvrije zone Inner Horizontal en Conical Surface Het Inner Horizontal and Conical Surface (IHCS) wordt gerekend vanaf elk van de landingsdrempels en is gelegen boven de omgeving van het luchtvaartterrein en sluit aan op de funnel. Het IHCS bestaat uit een horizontaal vlak dat gelegen is op een hoogte van 45 meter met een straal van 4 kilometer rond de landingsdrempel, met aansluitend een conisch vlak waarvan de hoogte oploopt met een helling van 5% over een afstand van 2 kilometer tot een hoogte van 145 meter. Dit is een obstakelvrije zone voor het oprichten van bouwwerken met een hoogte van hoger dan 45 meter boven NAP.
29
bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023
Het IHCS wordt gemaakt voor elke landingsdrempel. De toegestane hoogten van het IHCS gelden ten opzichte van de laagste landingsdrempel van het luchtvaartterrein. Funnel en IHCS Deze zones liggen deels over het plangebied. In het gebied van de funnel en het IHCS mogen geen objecten voorkomen die hoger zijn dan de maximaal toelaatbare hoogte. Bestaande objecten met een grotere hoogte resulteren in restricties op het vliegen. Nieuwe strijdigheden met de maximaal toelaatbare hoogte zijn niet toegestaan. De kleine windturbines hebben een maximale hoogte van 22,5 meter. Voor delen van het plangebied geldt dat er hoogtebeperkingen van 10 tot 45 meter gelden naar aanleiding van de funnels. Er vindt geen overschrijding plaats van de normen van de de IHCS. Bij het opstellen van het bestemmingsplan is rekening gehouden met deze funnels door het beperken van de maximale bouwhoogten voor gebouwen en objecten binnen de plangrenzen. Hierdoor vindt geen overschrijding plaats van de toegestane maximale bouwhoogte. Om dit te borgen zijn de maximum toelaatbare hoogtes aangegeven op de verbeelding met de gebiedsaanduiding 'Luchtvaartverkeerszone Obstakelbeheergebied' en geborgd in de regels. Obstakelvrije zone Instrument Landing System apparatuur Ook geldt een zone ter voorkoming dat de werking van de Instrument Landing System apparatuur (ILS) gestoord wordt.
Het ILS is bedoeld voor het nauwkeurig uitvoeren van naderingen ook onder slechte weersomstandigheden. Voor het goed functioneren van het ILS geldt dat een gebied rondom de start- en landingsbaan geen verstoring mag opleveren. Deze zone bestaat uit meerdere vlakken, zowel horizontaal als oplopend, waarin een maximale bouwhoogte van toepassing is. Het ILS-verstoringsgebied bestaat uit een rechthoekige deelgebieden waar de maximaal toelaatbare hoogtes respectievelijk, 1,1, 11,1 en 21, 1 meter bedraagt. De genoemde hoogtes gelden ten opzichte van de NAP-hoogte van de landingsbaan. Afwijking van deze maximum bouwhoogte is via vrijstelling toegestaan na ontvangst van een positief advies van het Ministerie van Defensie, mits de werking van de ILS niet in onaanvaardbare mate negatief wordt beïnvloed. De mate van verstoring is afhankelijk van ondermeer de afstand van het object tot het ILS en de dimensies (hoogte, breedte, oriëntatie) en materialisatie van het object. Om dit te borgen zijn de maximum toelaatbare hoogtes aangegeven op de verbeelding met de gebiedsaanduiding 'Luchtvaartverkeerszone ILS' en geborgd in de regels. De verschillende obstakelvlakken / verstoringsgebieden van funnel, IHCS en ILS vallen deels samen. Er zijn derhalve binnen het obstakelbeheergebied deelgebieden waarin meer dan één beperking geldt.
Radarverstoringsgebied Een andere hoogtebeperking komt voort uit het Radarstation in Wier, alsmede Leeuwarden. In relatie tot deze radarverstoringsgebieden geldt op een afstand van minimaal 15 kilometer een hoogtebeperking van respectievelijk 95 en 89 meter. Dit is ruim hoger dan de maximale bouwhoogte van een kleine windturbine. Toetsingsvlakken Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) De wettelijke taak van LVNL om communicatie-, navigatie- en plaatsbepalingsdiensten te verlenen omvat mede het definiëren, verwerven, installeren, beheren en in standhouden van technische installaties en systemen ten behoeve van de luchtverkeersbeveiliging. Communicatie-, navigatie- en surveillance (hierna: cns) apparatuur wordt gebruikt om het radiocontact tussen de verkeersleiding en de piloten te onderhouden, navigatie in het naderingsgebied en en-route mogelijk te maken en de plaatsbepaling van vliegtuigen zeker te stellen. Alle cns apparatuur maakt gebruik van radiogolven die uitgezonden en/of ontvangen worden door antennesystemen. Objecten, zowel vast (gebouwen, windmolens, bomen etc.) als mobiel (bouwkranen, heistellingen etc.) vormen in potentie een bedreiging voor de goede werking van de apparatuur omdat ze de uitgezonden radiosignalen kunnen verstoren. Er zijn specificaties waaraan cns
30
bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023
apparatuur moet voldoen om als veilig en goedwerkend te kunnen worden beschouwd. Daarnaast zijn er door de Europese Unie toetsingsvlakken opgesteld die nodig zijn rond cns apparatuur (ICAO EUR DOC 015 ‘’ European guidance material on managing building restricted areas"). Deze toetsingsvlakken zijn noodzakelijk om apparatuur vrij te houden van verstoringen door objecten zoals gebouwen, windmolens of hijskranen. Objecten die een toetsingsvlak doorsnijden kunnen verstoring opleveren. In dit kader beoordeelt de LVNL of de uitvoering van voorgenomen (bouw) plannen inderdaad van invloed zijn op de correcte werking van cns apparatuur. De nieuwe Defensieradar De Kooy heeft een hoogte van 27 meter. Dit is hoger dan de maximale tiphoogte van 22,5 meter van een kleine windturbine. Voor de defensieradar is het dan ook niet nodig om hoogtebeperkingen op te nemen in relatie tot de kleine windturbines. Daarnaast is het in het plangebied sprake van een DME (Distance Measuring Equipment). Een DME geeft een vliegtuig afstandsinformatie. Technisch worden hoge eisen gesteld aan het terrein en de obstakels in de nabijheid van deze bakens. Het toetsingsvlak kent een vrije straal gemeten vanaf de basis van de antenne op maaiveldhoogte. Binnen deze straal geldt een toetsingshoogte van O meter; elk op te richten object binnen dit gebied kan verstoring veroorzaken.
Vanaf het O meter vlak loopt het toetsingsvlak trechtervormig omhoog (gemeten ten opzichte van NAP) op een afstand van 3 km. De kleine windturbines hebben een maximale hoogte van 22,5 meter wat betekent dat deze in een deel van het plangebied niet tot de maximale toegestane hoogte opgericht kunnen worden. Deze gebieden zijn op de verbeelding opgenomen met de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - DME' en geborgd in de regels .
31
bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023
32
bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023
Hoofdstuk 4 4.1
Juridische toelichting
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de regels en de verbeelding van het bestemmingsplan. De regels vormen samen met de verbeelding het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Zowel de verbeelding als de regels voldoen aan de verplichte landelijke standaarden voor de uitwisseling en vergelijkbaarheid van digitale bestemmingsplannen (IMRO2012 en SVBP2012). Het bestemmingsplan bestaat uit: een verbeelding van het plangebied waarin alle bestemmingen van de gronden worden aangewezen; de regels waarin de bestemmingen worden beschreven en waarbij per bestemming het doel wordt of de doeleinden worden genoemd. Bij het bestemmingsplan hoort een toelichting. Het bestemmingsplan met de daarbij behorende toelichting wordt langs elektronische weg beschikbaar gesteld.
4.2
Opzet regels Veegplan
Met voorliggend Veegplan worden een aantal wijzigingen middels één plan aangepast in diverse bestemmingsplannen. Verbeelding De plangrens van de verbeelding bestaat uit de contour van alle ruimtelijke plannen (bestemmingsplannen, uitwerkingsplannen en wijzigingsplannen) die deel uitmaken van het Veegplan. Vervolgens is per geldend ruimtelijk plan een deelgebied aangemaakt. Dit deelgebied wordt vormgegeven door middel van een gebiedsaanduiding. De gebiedsaanduiding heeft in de naamgeving een link met het geldende ruimtelijk plan, denk hierbij aan "overige zone - LANDELIJK GEBIED 2011" of "overige zone - Julianadorp 2017". Het werken met gebiedsaanduidingen maakt het mogelijk om in de gml de digitale koppelingen met het onderliggende ruimtelijke plan aan te maken in de gml. Van toepassingverklaring geldende plannen In de planregels is in artikel 1.4 de lijst opgenomen van de geldende ruimtelijke plannen die worden herzien met het Veegplan.
Voor de gronden gelegen binnen het Veegplan, blijven alle regels van de geldende ruimtelijke plannen zoals genoemd in artikel 1.4 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: ter plaatse van de in het Veegplan opgenomen bestemmingen, de verbeeldingen van de geldende ruimtelijke plannen zoals genoemd in artikel 1.4 worden vervangen, en; het bepaalde in de regels van het Veegplan wordt inachtgenomen, voor zover dit van toepassing is op de de geldende ruimtelijke plannen zoals genoemd in artikel 1.4. In geval van strijdigheid gaan de regels van het Veegplan voor. Ook worden de bestemmingsplannen "Kamerverhuur, woningsplitsing en Bed&Breakfast 2021" en "Paraplubestemmingsplan Parkeren 2021" van toepassing verklaard. Wijzigingen voor opslagunits, internetdetailhandel en schuilstallen De wijzigingen voor opslagunits, internetdetailhandel en schuilstallen worden doorgevoerd middels de planregels van het Veegplan. Het toevoegen van de nieuwe regels in de geldende ruimtelijke plannen gebeurt als volgt. Dit gebeurt per bestemming, onder het lid 'Toegevoegde regeling(en)'. Zo wordt bijvoorbeeld in artikel 4.2.1 in de bestemmingsomschrijving van een aantal bedrijfsbestemmingen de functie internetwinkels toegevoegd. In welke bedrijfsbestemmingen dit gebeurd, is opgesomd in de bij het sublid behorende tabel. Zo wordt de
33
bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023
functie internetwinkels bijvoorbeeld in de bedrijfsbestemming van het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Westoever 2011' (artikel 3) toegevoegd. Bestemmingsplan
Bestemming
Regeling
'Bestemmingsplan Westoever 2011' ter plaatse van de aanduiding 'overige zone Bestemmingsplan Westoever 2011'
Bedrijf
Artikel 3
De overige regels van het moederplan blijven gewoon gelden. In geval van strijdigheid gaan de regels van het Veegplan voor. Wijzigingen voor snippergroen Op de verbeelding krijgen de 'snipperpercelen' een nieuwe bestemming. De bestemming van het snipperperceel sluit aan bij de bestemming van het perceel waarvan de snipper onderdeel wordt. In de regels wordt in het lid 'Van toepassing verklaring' de nieuwe bestemming van toepassing verklaard. Hiermee vervalt de oude bestemming van de snipper (bijvoorbeeld Verkeer) en wordt de nieuwe bestemming van toepassing verklaard (bijvoorbeeld Tuin). De overige regels van het moederplan blijven gewoon gelden, de snipper krijgt enkel een nieuwe bestemming. Kortom: er worden geen extra bouwmogelijkheden gecreëerd, behoudens hetgeen in de bouwregels van de toekomstige bestemming staat, evenals behoudens hetgeen vergunningsvrij is op grond van het Besluit omgevingsrecht. Wijzigingen voor kleine windturbines De wijzigingen voor kleine windturbines worden doorgevoerd middels de planregels van het Veegplan. Het toevoegen van de nieuwe regels in de geldende ruimtelijke plannen gebeurt via de algemene regels (hoofdstuk 3) van voorliggend Veegplan. Te weten in de algemene bouwregels en de algemene afwijkingsregels.
4.3
Hoofdstukindeling bestemmingsplanregels
4.3.1
Inleidende regels
Dit onderdeel bestaat uit de begrippen en wijze van meten. De begrippen geven aan wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, in overeenstemming met normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. Alle begrippen zijn in alfabetische volgorde opgenomen, met uitzondering van de eerste begrippen 'plan' en 'bestemmingsplan'. Zoals ook in de voorgaande paragraaf 4.2 is toegelicht, is in het eerste artikel de van toepassingverklaring opgenomen van alle geldende plannen. Er worden een aantal nieuwe begrippen en wijze van meten toegevoegd aan de in artikel 1.4 genoemde ruimtelijke plannen. 4.3.2
Bestemmingsregels
Het bestemmingsplan kent een aantal bestemmingen. Deze zijn opgenomen in het tweede hoofdstuk van de planregels. In de voorgaande paragraaf 4.2 is toegelicht hoe de wijzigingen voor snippergroen, opslagunits, internetdetailhandel en schuilstallen zijn doorgevoerd.
34
bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023
In de bestemming 'Agrarisch' is de regeling voor de schuilstallen verwerkt. In de bestemming 'Bedrijf' is de regeling voor de internetwinkels en opslagunits verwerkt. Ook zit er een van toepassingverklaring in voor snippergroenpercelen die omschakelen naar een bedrijfsbestemming. In de bestemming 'Bedrijventerrein' is de regeling voor de internetwinkels en opslagunits verwerkt. In de bestemmingen 'Gemengd - 3', 'Maatschappelijk', 'Recreatie', 'Tuin', 'Verkeer - Verblijf', 'Wonen' en 'Woongebied' zit een van toepassingverklaring in voor snippergroenpercelen die omschakelen naar de genoemde bestemmingen. 4.3.3
Algemene regels
In hoofdstuk 3 zijn de algemene regels opgenomen. Het doel van de anti-dubbeltelregel is om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Kort gezegd, komt het erop neer, dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede maal mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren. In de algemene bouwregels en algemene afwijkingsregels zijn de regels voor de kleine windturbines ingevoegd. 4.3.4
Overgangs- en slotregels
In dit hoofdstuk zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Voor de redactie van het overgangsrecht geldt het Besluit ruimtelijke ordening. Bebouwing die niet voldoet aan de bepalingen van dit bestemmingsplan is onder het overgangsrecht gebracht. Een geringe uitbreiding van de bebouwing met 10% wordt mogelijk gemaakt. Het gebruik van gronden en bebouwing dat in strijd is met dit nieuwe bestemmingsplan op het tijdstip van inwerkingtreding, mag in beginsel worden voortgezet. Wijziging van dit strijdige gebruik is verboden, indien de afwijking van het plan wordt vergroot. Indien het strijdige gebruik, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. In de slotregel wordt aangegeven onder welke titel het bestemmingsplan wordt vastgelegd.
35
bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023
36
bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.1.1
Inspraak
Gelet op de aard van het voorliggende veegplan wordt afgezien van het houden van inspraak. 5.1.2
Vooroverleg
Het bestemmingsplan zal in het kader van het wettelijke vooroverleg (artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) aan vooroverleginstanties worden voorgelegd. Zij hebben gereageerd op het plan. De reacties zijn allen voorzien van een wederreactie. Waar nodig is de reactie ook in de toelichting en in de regels verwerkt. De reactienota is opgenomen als Bijlage 3. 5.1.3
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan Veegplan Den Helder heeft van 15 december 2023 tot en met 25 januari 2024 ter inzage gelegen. Er is één zienswijze ingediend. Deze zienswijze is ingediend door: Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) De zienswijze is hierna samengevat en van een antwoord (cursief) voorzien. Het LVNL belang is opgenomen in paragraaf 3.8 van het bestemmingplan. Onder het kopje "Toetsingsvlakken Luchtverkeersleiding Nederland" wordt het vlak van de CVOR/DME genoemd. De CVOR/DME is echter vervangen door een DME met een aangepast toetsingsvlak. DME Den Helder is onderdeel van de navigatie infrastructuur van LVNL. Een DME (Distance Measuring Equipment) geeft een vliegtuig afstandsinformatie. Technisch worden hoge eisen gesteld aan het terrein en de obstakels in de nabijheid van deze bakens. Het toetsingsvlak kent een vrije straal gemeten vanaf de basis van de antenne op maaiveldhoogte. Binnen deze straal geldt een toetsingshoogte van O meter; elk op te richten object binnen dit gebied kan verstoring veroorzaken. Vanaf het O meter vlak loopt het toetsingsvlak trechtervormig omhoog (gemeten ten opzichte van NAP) op een afstand van 3 km. Wat er over de LVNL radar (LAR) staat is ook niet meer van toepassing. Deze is vervangen door de nieuwe Defensie radar de Kooy. Voor deze approach radar gelden dezelfde randvoorwaarden als voor de vijf bestaande MASS radars.
Verder worden de Defensie radarstations Wier en Leeuwarden nog genoemd (onder "radarverstoringsgebied"). Leeuwarden is ook een MASS radar. De hoogtebeperking (eigenlijk een toetsingshoogte) komt uit de regelgeving (Rarro). LNVL adviseert om het bestemmingsplan op de volgende onderdelen te wijzigen: Het nieuwe toetsingsvlak van DME Den Helder op te nemen in het bestemmingsplan en te borgen dat indien de maximale hoogtes van het toetsingsvlak worden doorsneden er advies wordt ingewonnen bij LVNL over het effect hiervan op de goede werking van deze apparatuur. Tekst m.b.t. LAR aan te passen Reactie gemeente: Het nieuwe toetsingsvlak van DME Den Helder is verwerkt in de verbeelding overeenkomstig de onderstaande figuur. In de regels van het bestemmingsplan is reeds vastgelegd dat bij afwijkingen advies wordt ingewonnen bij de beheerder.
37
bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023
Figuur 5.1 Toetsingsvlak DME De nieuwe defensieradar De Kooy heeft een hoogte van 27 meter. Dit is hoger dan de tiphoogte van 22,5 meter van een kleine windturbine. De Vrijwaringszone – LAR kende een minimale beperking van 22,7 meter. Gelet op het kleine verschil is in het ontwerp bestemmingsplan de keuze gemaakt om een hoogtebeperking in relatie tot de LAR op te nemen. Het hoogteverschil met de defensieradar is echter veel groter. Voor de defensieradar wordt geen hoogtebeperking opgenomen in relatie tot de kleine windturbines. De Vrijwaringszone – LAR en de daarmee samenhangende hoogtebeperkingen komen te vervallen. De tekst in de toelichting is aangepast en de aanduiding is van de verbeelding gehaald en de regels op dit onderdeel zijn ook verwijderd. In relatie tot de radarverstoringsgebieden van Leeuwarden en Wier geldt op een afstand van minimaal 15 kilometer een hoogtebeperking van respectievelijk 95 en 89 meter. Dit is ruim hoger dan de maximale bouwhoogte van een kleine windturbine. De toelichting is op dit onderdeel bijgewerkt. Op PM is het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld.
38
bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023
5.2
Economische uitvoerbaarheid
Dit plan heeft uitsluitend als doel om de diverse beleidskaders te vertalen naar de bestemmingsplannen waarop dit bestemmingsplan van toepassing is verklaard. De kosten voor het opstellen van dit plan komen voor rekening van de gemeente. Het oprichten van kleine windturbines en schuilstallen is alleen toegestaan na het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de bestemmingsregels. De kosten voor de gemeente betreffen het beoordelen van deze aanvragen. Deze kosten worden door middel van leges gedekt. De economische uitvoerbaarheid ligt in de handen van initiatiefnemers. Dit bestemmingsplan bevat geen aangewezen bouwplan (artikel 6.12 in samenhang met artikel 6.2.1 van de Wro). Het opstellen van een exploitatieplan is daarom niet aan de orde.
39