CConstaterende datDen Helder
Koppel je AI →
Document · PDF

Veegplan Den Helder 2023_Toelichting.pdf

Raadscommissie Stadsontwikkeling en Beheer 17 juni 2024, gemeente Den HelderBij agendapunt: 5: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Veegplan Den Helder 202313.751 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023 vastgesteld

bestemmingsplan Toelichting

Veegplan Den Helder 2023 vastgesteld

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Geldende bestemmingsplannen 1.3 Leeswijzer

7 7 7 7

Hoofdstuk 2 Door te voeren wijzigingen 2.1 Opslagunits op bedrijventerreinen 2.2 Internetwinkels op bedrijventerreinen 2.3 Schuilstallen in het buitengebied 2.4 Kleine windturbines in het buitengebied 2.5 Snippergroen

9 9 10 12 15 19

Hoofdstuk 3 Randvoorwaarden 3.1 Bodem 3.2 Geluid 3.3 Externe veiligheid 3.4 Visuele hinder 3.5 Landschap en erfgoed 3.6 Ecologie 3.7 Water 3.8 Hoogtebeperkingen

21 21 22 22 24 25 26 27 28

Hoofdstuk 4 Juridische toelichting 4.1 Inleiding 4.2 Opzet regels Veegplan 4.3 Hoofdstukindeling bestemmingsplanregels

33 33 33 34

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.2 Economische uitvoerbaarheid

37 37 39

3

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

4

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

Toelichting

5

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

6

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

In de afgelopen jaren heeft de gemeente Den Helder diverse bestemmingsplannen vastgesteld. De gemeente wil in een aantal bestemmingsplannen wijzigingen doorvoeren. Met voorliggend Parapluplan worden deze wijzigingen middels één (veeg)plan doorgevoerd in de diverse bestemmingsplannen. Het Veegplan regelt in hoofdlijn de volgende onderwerpen: Nieuwe opslagunits op bedrijventerreinen: Naar aanleiding van de toenemende vraag naar opslagunits op bedrijventerreinen is hiervoor een regeling gewenst. Er is op regionaal niveau een strategie werklocaties vastgesteld met regionale afspraken over de bedrijventerreinen, waarin oplagunits een onderwerp zijn. Zo hebben de regiogemeenten afgesproken streng te zijn op het toestaan van opslagunits op bedrijventerreinen en zich in te zetten regels op te stellen die vastgelegd worden in de bestemmingsplannen. Internetwinkels op bedrijventerreinen: De gemeentelijke Beleidsnotitie Internetwinkels en ondergeschikte detailhandel formuleert voorwaarden voor internetwinkels op bedrijventerreinen. Deze voorwaarden worden opgenomen in het bestemmingsplan, zodat internetwinkels op bedrijventerreinen onder voorwaarden bij recht mogelijk worden gemaakt. Schuilstallen voor hobbyvee in het buitengebied: Er worden regels verwerkt om onder voorwaarden schuilstallen in het buitengebied te kunnen bouwen voor hobbyvee.

De regels zijn gebaseerd op gemeentelijke beleidsregels voor schuilstallen in het buitengebied. De schuilstallen worden onder voorwaarden per binnenplanse omgevingsvergunning mogelijk gemaakt. Kleine windturbines in het buitengebied: De gemeentelijke nota Beleidsvisie Kleine Windturbines en de Provinciale Omgevingsverordening van Noord-Holland stellen voorwaarden aan het bouwen van kleine windturbines in het buitengebied. Deze regeling wordt vastgelegd. De windturbines worden onder voorwaarden per binnenplanse omgevingsvergunning mogelijk gemaakt, waaronder de provinciale Handreiking windturbines. Snippergroen: Door de jaren zijn een aantal kleine perceeltjes grond verkocht door de gemeente aan particulieren, oftewel snippergroen. Deze grondverkopen worden planologisch geborgd in het Veegplan. Het Veegplan is een herziening van de plannen zoals die zijn opgesomd in artikel 1.4 van de regels.

1.2

Geldende bestemmingsplannen

Zoals gezegd, is het Veegplan een herziening van de plannen zoals die zijn opgesomd in artikel 1.4 van de regels. Voor wat betreft de onderwerpen opslagunits en internetwinkels op bedrijventerreinen worden de bestemmingsplannen voor de bedrijventerreinen aangepast. Voor wat betreft de schuilstallen voor hobbyvee en de kleine windturbines worden de bestemmingsplannen voor het buitengebied aangevuld. Het snippergroen ligt verspreid over diverse bestemmingsplannen. De overige veeg/parapluplannen die gelden in de gemeente Den Helder worden ook van toepassing verklaard: Kamerverhuur, woningsplitsing en Bed&Breakfast 2021 (vastgesteld 2021-09-06); Paraplubestemmingsplan Parkeren 2021 (vastgesteld 2021-09-27); Paraplubestemmingsplan supermarkten (vastgesteld op 21 november 2022).

1.3

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 beschrijft de wijzigingen die het Veegplan doorvoert. Hoofdstuk 3 bespreekt het onderzoek naar de omgevingsaspecten. Hoofdstuk 4 behandelt de juridische vormgeving van het Veegplan. Het laatste hoofdstuk 5 gaat ten slotte in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief.

7

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

8

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

Hoofdstuk 2

Door te voeren wijzigingen

Het voorliggende Veegbestemmingsplan heeft het karakter van een zogenaamd paraplubestemmingsplan. Het Veegplan voert een vijftal wijzigingen door. De wijzigingen worden in de onderstaande paragrafen besproken. Allereerst behandelen de paragrafen de aanleiding en het eventuele beleid. Vervolgens worden de voorwaarden geformuleerd, waarin de uitgangspunten die al dan niet uit het beleid volgen worden opgesomd voor de toekomstige regeling. Tenslotte wordt onder het kopje 'Vertaling Veegplan' een en ander concreet uitgewerkt in planregels (hoe de wijziging redactioneel wordt vormgegeven in de regels en op de verbeelding van het Veegplan).

2.1

Opslagunits op bedrijventerreinen

2.1.1

Aanleiding, regionale Convenant en Staat van bedrijvenlijst

In de gemeente Den Helder is sprake van een toenemende vraag naar zogenaamde opslagunits op bedrijventerreinen. Dit blijkt uit bestudering van het aantal ontvangen aanvragen. De nadruk ligt hierbij op 'kleine' units. Het effect hiervan is dat bedrijfskavels worden volgebouwd met kleine eenheden. Dit leidt ertoe dat minder grond beschikbaar blijft voor grotere bedrijven die een grotere toegevoegde waarde voor de lokale economie hebben. De gemeente Den Helder heeft daarom samen met de gemeenten Hollands Kroon en Schagen (regiogemeenten), gemeente Texel (status aparte) en de provincie Noord-Holland het Convenant Werklocaties Kop van Noord-Holland 2022 ondertekend. Doel van het Convenant is om de regio, maar ook de andere regio’s in Noord-Holland Noord (Regio Alkmaar en Westfriesland), te stimuleren en te ondersteunen in het proces om te komen tot sterke regionale afspraken over de planning en afstemming van bedrijventerreinen. In het Convenant is over opslagunits het volgende opgenomen: "Regiogemeenten en Texel (Status Aparte) zijn streng in het toestaan van de ontwikkeling van bedrijfsverzamelgebouwen, garageboxen en opslagunits.

Met ontwikkelaars worden privaatrechtelijk afspraken gemaakt dat zij van huurders of kopers een KvK-inschrijving eisen voor alle units onder de 50 m2 of publiekrechtelijk (door bijvoorbeeld minimale oppervlakte) in het bestemmings-/omgevingsplan." Naar aanleiding van de strategie en regionale afspraken worden opslagunits onder voorwaarden bij recht mogelijk gemaakt op bedrijventerreinen. De huidige bestemmingsplannen hebben veelal een Staat van bedrijvenlijst. Hierin is opgenomen dat 'verhuur opslagruimte' is toegestaan. Vervolgens zijn geen nadere regels en/of regels over oppervlakte geformuleerd. Dit wil de gemeente aanpassen. 2.1.2

Voorwaarden opslagunits bedrijventerreinen

De volgende voorwaarden worden geformuleerd voor het bouwen van nieuwe opslagunits op bedrijventerreinen: De oppervlakte van de opslagruimte bedraagt minimaal 100 m2 . De opslagunits zijn bedoeld voor (bedrijfsmatige) opslag van goederen in een gebouw of een gedeelte van een gebouw. Het gebruik van opslagunits voor horeca is niet toegestaan. 2.1.3

Vertaling Veegplan

In het Veegplan wordt in de bestemmingsplannen voor bedrijventerreinen de aanvullende regeling voor opslagunits verwerkt in de regels. Te weten: 'Bestemmingsplan Westoever 2011', 'Bestemmingsplan De Dogger Zuid-West 2010', 'Bestemmingsplan Kooypunt 2012' en 'DE SCHOOTEN 2012'. Specifiek de bestemmingen Bedrijf en Bedrijventerrein worden aangevuld. De verbeelding behoeft geen aanpassing. Opslagunit wordt als volgt gedefinieerd: "gebouw of een gedeelte van een gebouw uitsluitend bedoeld voor het opslaan van goederen."

9

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

In de bestemmingen Bedrijf en Bedrijventerrein van deze bestemmingsplannen wordt in de bouwregels een nieuw lid toegevoegd: Opslagunits Voor het bouwen opslagunits gelden de volgende regels: a.

de oppervlakte van de opslagunit bedraagt minimaal 100 m2.

In de bestemmingen Bedrijf en Bedrijventerrein van deze bestemmingsplannen wordt in de specifieke gebruiksregels een nieuw lid toegevoegd: Opslagunits Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend: a.

het gebruik van opslagunits voor horeca.

2.2

Internetwinkels op bedrijventerreinen

2.2.1

Aanleiding en gemeentelijke beleidsnota

In 2021 is de gemeentelijke beleidsnotitie Internetwinkels en ondergeschikte detailhandel vastgesteld. In de afgelopen jaren heeft de verkoop van goederen via internet een grote vlucht genomen. Een vernieuwde, aangescherpte regulering is gewenst. De nota bevat voorwaarden voor internetdetailhandel op bedrijventerreinen die verwerkt zijn in dit Veegplan. Er worden in deze nota vijf soorten internetwinkels onderscheiden: 1. 2. 3. 4. 5.

internetwinkel waar alleen een elektronische transactie tot stand komt; internetwinkel met opslag- en verzendfunctie; internetwinkel met (beperkte) afhaal- en afrekenmogelijkheid; internetwinkel met afhaalmogelijkheid en mogelijkheid de goederen ter plaatse te bekijken; internetwinkel met uitsluitend afhaalmogelijkheid. Ook wel stand-alone pick-up-points genoemd.

In de huidige bestemmingsplannen wordt het begrip internetwinkel nu als volgt omschreven: Een bedrijf, dat vanaf een perceel detailhandelsactiviteiten ontplooit welke louter via internet verlopen en geen ruimtelijke uitstraling heeft. Onder dit begrip vallen: internetwinkels waar alleen een elektronische transactie tot stand komt; internetwinkels met opslag- en verzendfunctie; Aanvullend binnen de bestemming Bedrijf / Bedrijventerrein in sommige gevallen: internetwinkel met (beperkte) afhaal- en afrekenmogelijkheid; niet binnen dit begrip valt een internetwinkel met afhaalmogelijkheid en mogelijkheid de goederen ter plaatse te bekijken. Internetwinkels op bedrijventerreinen Voor het realiseren van een internetwinkel op een bedrijventerrein hanteert de gemeente Den Helder op grond van vorenstaande gegevens de navolgende beleidslijnen. Internetwinkels die geen ruimtelijke uitstraling hebben, passen in principe binnen de toepasselijke bedrijfsbestemmingen. Een internetwinkel waar alleen een elektronische transactie tot stand komt en die dus verder geen ruimtelijke uitstraling heeft, past binnen de bestemming. De vestiging van een internetwinkel met een opslag- en verzendfunctie kan worden aangemerkt als de uitoefening van een bedrijf aan huis, waaraan volgens de bestemmingsplanregels tot een bepaalde omvang onder voorwaarden kan worden meegewerkt.

Dus soort 1 en 2, zoals genoemd in de beleidsnota, zijn momenteel geregeld in Den Helder via planregels. Aan de laatste drie vormen van internetwinkels wordt stedenbouwkundig en planologisch geen medewerking verleend. Dit soort internetwinkels dient zich te vestigen op een locatie met een

10

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

detailhandels-/winkelbestemming. Internetwinkels hebben de laatste jaren een vlucht genomen. De gemeente ziet daarbij dat de afhaalmogelijkheid bij internetwinkels in sommige gevallen steeds grotere vormen aanneemt. Daarmee schuift de internetwinkel op in de richting van reguliere detailhandel. In de vorige gemeentelijke beleidsnotitie van 2013 was een internetwinkel met (beperkte) afhaalmogelijkheden toegestaan op bedrijventerreinen. Daarbij is echter het begrip “beperkt” niet nader omschreven. Naast de afhaalpunten bij internetwinkels, vindt de laatste jaren ook een ontwikkeling plaats dat supermarkten ook solitaire afhaalpunten beginnen, waar de consument zijn via internet bestelde artikelen snel en makkelijk kan afhalen, zonder een winkelcentrum te bezoeken. Hierdoor is er weer een reden minder om een winkelcentrum te bezoeken, waardoor de aantrekkingskracht en omzet van de winkelcentra verminderen. Vrijwel alle supermarkten zijn bezig met het ontwikkelen van afhaalpunten, vaak in de supermarkt zelf (store-based), als op makkelijk bereikbare locaties langs doorgaande routes (stand-alone). De groei van stand-alone pick-up-points is tot nu toe echter beperkt en deze bevinden zich vaak nabij grootstedelijke locaties. De groei van de store-based pick-up-points heeft wel doorgezet. De trend verschuift echter naar thuisbezorgen.

Het overgrote deel van de klanten dat online bestelt, laat de boodschappen ook thuis bezorgen. In 2018 is de Regionale retailvisie Kop van Noord-Holland vastgesteld. Hierin is duidelijker omschreven hoe om te gaan met internetwinkels en ook de ontwikkeling van pick-up-points: "De Regionale retailvisie Kop van Noord-Holland 2018 stuurt op ruimtelijke fysieke verschijningsvorm van retail. Het voornaamste onderscheid hierbij: kan de klant er komen of niet en vindt er verkoop plaats. Als de klant er kan komen en kopen is (fysieke) vestiging in een regionaal of lokaal centrumgebied mogelijk. Dit om zoveel mogelijk publieksstromen te concentreren en combinatiebezoeken te stimuleren. Hierbij gaat het onder meer om winkels, concept-stores, pick-up-points, afhaalpunten en showrooms. In dit opzicht wordt deze vorm van detailhandel beschouwd als een (gewone) winkel. Vestiging buiten de winkelgebieden is dan niet aan de orde. Als de klant er niet kan komen en niet kan kopen, zoals kantoorruimte of bedrijfsruimte voor opslag, dan is vanuit het retailbeleid vestiging op andere locaties mogelijk." Dit komt erop neer dat internetwinkels met een (beperkte) afhaalmogelijkheid (zijnde soort 3) en ook pick-up-points (zijnde soort 5) niet zijn toegestaan op bedrijventerreinen. 2.2.2

Voorwaarden internetwinkel bedrijventerrein

Op basis van bovenstaande uitgangspunten, stelt de beleidsnota 2021 de volgende voorwaarden aan het uitoefenen van een internetwinkel: De activiteiten worden uitsluitend uitgeoefend door de gebruiker van het pand. (Beperkte) afhaal- en afrekenmogelijkheden zijn niet toegestaan. Parkeren op eigen terrein (voldoen aan de Nota Parkeernormen Den Helder 2017 – 2021). Geen toonzaal (goederen kunnen niet ter plaatse worden bezichtigd). Geen inloop of kijkdagen. Voor de volledigheid: dit Veegplan ziet niet op het toevoegen dan wel wijzigen van regels met betrekking tot internetwinkels in of bij woningen. Dit laatste betreft namelijk (lichte) bedrijvigheid binnen de planologische woonbestemming (wat een ander vraagstuk is). 2.2.3

Vertaling Veegplan

In het Veegplan wordt in de bestemmingsplannen voor bedrijventerreinen het beleid verwerkt in de regels. Te weten: 'Bestemmingsplan Westoever 2011', 'Bestemmingsplan De Dogger Zuid-West 2010', 'Bestemmingsplan Kooypunt 2012' en 'DE SCHOOTEN 2012'. Specifiek de bestemmingen Bedrijf en Bedrijventerrein worden aangevuld. De verbeelding behoeft geen aanpassing.

11

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

Het begrip internetwinkel wordt als volgt aangepast naar: het uitsluitend via het internet verkopen of leveren van goederen aan consumenten waarbij er ter plaatse alleen sprake is van: 1. 2.

een elektronische transactie; een opslag- en verzendfunctie.

In de bestemmingen Bedrijf en Bedrijventerrein van deze bestemmingsplannen wordt in de bestemmingsomschrijving een nieuw sub toegevoegd: De voor ‘Bedrijf / Bedrijventerrein’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: internetwinkels; In de bestemmingen Bedrijf en Bedrijventerrein van deze bestemmingsplannen wordt in de specifieke gebruiksregels een nieuw lid toegevoegd: Internetwinkels Voor de uitoefening van een internetwinkel gelden de volgende regels: a. b. c. d.

de (detail)handel verloopt louter via het internet; een afhaalpunt, pick-up-point en retourpunt is niet toegestaan, met uitzondering van bestaande situaties; er is geen sprake van uitstalling ten verkoop (toonzaal/showroom waar goederen kunnen worden bezichtigd) en er kunnen geen goederen worden uitgeprobeerd, hierbij inbegrepen inloop- of kijkdagen; parkeren vindt uitsluitend op eigen terrein plaats.

Met deze nieuwe regels worden internetwinkels in alle bedrijfsbestemmingen op bedrijventerreinen onder voorwaarden bij recht mogelijk. Het betreft een functiewijziging die binnen de bestaande (planologische) ruimte moet worden gerealiseerd en ook passend is binnen de reeds toegestane milieucategorieën. Gevolg van de wijziging is dat de volgende type internetwinkels niet (meer) zijn toegestaan op bedrijventerreinen, ook niet bij binnenplanse omgevingsvergunning: internetwinkel met (beperkte) afhaal- en afrekenmogelijkheid; internetwinkel met afhaalmogelijkheid en mogelijkheid de goederen ter plaatse te bekijken; internetwinkel met uitsluitend afhaalmogelijkheid, ook wel stand-alone pick-up-points genoemd.

2.3

Schuilstallen in het buitengebied

2.3.1

Aanleiding, gemeentelijk beleidskader en Provinciale Omgevingsverordening

De gemeenteraad heeft op 6 april 2021 het "Beleidskader Schuilstallen" vastgesteld. Vervolgens heeft het college op 8 juni 2021 de "Beleidsregel schuilstallen Den Helder 2021" vastgesteld. Er zijn meerdere aanvragen naar schuilstallen. Onder voorwaarden kunnen schuilstallen worden gebouwd in het buitengebied, voor particulieren die hobbymatig vee houden. Zodoende worden de dieren tegen regen en kou beschermd. Meestal wonen de dierenhouders niet in de buurt van het weiland, zodat er niet aangesloten kan worden bij bestaande bebouwing en er een wens bestaat voor een solitaire schuilstal. Het gemeentelijke beleid is erop gericht losse bebouwing in het buitengebied zoveel mogelijk te voorkomen, om de openheid van het buitengebied te bewaren en niet meer bebouwing toe te staan dan noodzakelijk. Op deze manier wordt het buitengebied zoveel mogelijk gevrijwaard van verstening, versnippering en verrommeling en behoudt het buitengebied haar landelijke uitstraling. Het hobbyvee wordt vaak gehouden op gronden met de bestemming agrarisch gebied, zonder bouwvlak. Behalve erfafscheidingen en kleine bouwwerkjes zoals bankjes, palen en masten is het oprichten van gebouwen niet toegestaan op deze gronden. Daarbij is het oprichten van een schuilstal bijna altijd in strijd met het bestemmingsplan.

12

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

De provincie ziet een belang om versnippering en verrommeling van het landschap tegen te gaan. Toch heeft de provincie in de Omgevingsverordening NH2020 een regeling voor schuilstallen opgenomen, vanuit de gedachte dat weidegang goed is voor het dierenwelzijn. In de verordening staat een algemene regeling die ruimte biedt voor schuilstallen ten behoeve van recreatief/hobbymatig gebruik onder de volgende voorwaarden: Artikel 6.6 Schuilstallen Ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied kan een ruimtelijk plan voorzien in de bouw van een schuilstal, indien: a. b. c.

deze uitsluitend is bedoeld als schuilvoorziening voor dieren voor weersomstandigheden; het grondoppervlak van de schuilstal niet meer bedraagt dan 30 m2; en er niet meer dan één schuilstal per perceel met een minimum omvang van 5.000 m2 wordt gebouwd.

Het gemeentelijke beleidskader, in casu de beleidsregels, stelt dat de centrale uitgangspunten zijn: Het moet mogelijk zijn hobbyvee te houden in het buitengebied, enerzijds om de behoefte hiernaar te faciliteren, anderzijds omdat vee in de wei bijdraagt aan het karakter van het buitengebied en op een natuurlijke manier de weilanden onderhouden. Het moet mogelijk zijn om in het kader van dierenwelzijn de hobbydieren adequate schuilmogelijkheid te bieden. Om specifieke gebiedskenmerken te beschermen dient het plaatsen van schuilstallen niet op alle gronden te worden toegestaan. Daarbij dienen de bestemming, de ligging en de specifieke waarde van het gebied in overweging te worden genomen. Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen moeten er eisen worden gesteld aan omvang en materialisering. 2.3.2

Voorwaarden schuilstallen buitengebied

Bovengenoemde beleidsuitgangspunten worden nader uitgewerkt in een concreet toetsingskader: Het gaat om het bieden van schuilmogelijkheden voor hobbydieren van een particulier. Dat wil zeggen het dusdanig houden van dieren dat er geen sprake is van bedrijfsmatige activiteiten, in een niet bedrijfsmatige context. Een schuilstal mag enkel worden opgericht op percelen met de bestemming agrarisch. Schuilstallen in natuur- en bosgebieden zijn niet toegestaan. De schuilstal moet landschappelijk worden ingepast. Schuilstallen dienen aan de randen van het perceel te worden gepositioneerd of in de hoek van een perceel, bij voorkeur aansluitend bij bestaande opstanden, bosschages, waterlopen of erfafscheidingen. Daarbij is een clustering van schuilstallen bij aangrenzende weilanden wenselijk als de mogelijkheid er is. Verder is het verwijderen van bouwwerken of inrichtingselementen op het perceel die in strijd zijn met het bestemmingsplan of als zodanig niet vergund zijn een strikte voorwaarden voor het realiseren van een schuilstal. In het kader van de inpassing van de schuilstal regelt de gemeente dat de schuilstal op een minimale afstand van 30 meter tot de openbare weg moet worden gebouwd. Zo wordt voorkomen dat geen (extra) lintbebouwing langs de wegen ontstaat en wordt vrije ruimte en openheid vanaf de openbare weg gewaarborgd. De schuilstal is aan minstens één zijde open.

Met andere woorden: het gebouw is met maximaal drie wanden omsloten. Het is niet toegestaan een schuilstal te realiseren voor de (semi-)permanente stalling van dieren. De schuilstallen zijn uitsluitend bedoeld om dieren schuilmogelijkheid te bieden vanwege (slechte) weersomstandigheden. Toegestaan is één schuilstal per perceel met een minimum omvang van 5.000 m2 . De afstand tot een woning of bedrijfswoning van derde moet minimaal 50 meter zijn. Dit om een aantasting van het woongenot van bestaande (bedrijfs)woningen te voorkomen. Het dient te gaan om een solitair gelegen weiland. Indien een weiland aansluit op het huisperceel van de aanvrager, dient de schuilgelegenheid binnen het bouwperceel en binnen de vigerende bebouwingsvoorschriften te worden gerealiseerd. Het feit dat de bebouwing als huishoudelijke berging

13

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

in gebruik is, is daarbij geen argument voor het niet beschikbaar stellen voor de hobbydieren. Toegestaan is een maximale oppervlakte van 30 m2 , een maximale goothoogte van 2 meter en een maximale bouwhoogte van 3 meter. Materialiseringseisen: gepotdekselde houten gevelbekleding waarbij geen sterk contrasterende felle of bonte kleuren zijn toegestaan, schuine afdekking met een dakbedekking van bitumen singels, leitjes of donkere dakpannen. Een groen sedumdak is ook toegestaan. Niet toegestaan zijn stalen (damwand) profielen, gemetselde of anderszins stenen muren, kunststof of golfplaten. De constructie mag maximaal drie dichte wanden hebben. Er mogen geen schuilstallen worden gebouwd in N2000- en NNN-gebied. De afstand van een schuilstal tot gasinfrastructuur bedraagt niet minder dan de bij de leiding behorende belemmeringenstrook (omvang van de belemmeringenstrook is afgestemd op de aard van de leiding, de druk of diameter), tenzij de leidingbeheerder instemt met een kortere afstand. Er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de verkeersveiligheid, het straat- en bebouwingsbeeld, de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Voor dubbelbestemmingen en (gebieds)zones geldt dat deze blijven gelden op grond van de moederplannen. Deze worden dus ook ten tijde van een aanvraag afgewogen.

Omdat het op voorhand niet mogelijk is om voor het plangebied in kaart te brengen wat de eventuele gevolgen zullen zijn voor ecologie, wordt dit niet nu maar ten tijden van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen gedaan. Het is dan de taak van de gemeente om te beoordelen of de Wnb van toepassing is. Er wordt ecologisch onderzoek op dat moment verricht. Zie ook de paragraaf ecologie (paragraaf 3.6). Mede om verrommeling in het buitengebied te voorkomen en de voorwaarden nader te kunnen toetsen, is ervoor gekozen schuilstallen onder voorwaarden per binnenplanse omgevingsvergunning mogelijk te maken. 2.3.3

Vertaling Veegplan

In het Veegplan wordt in de bestemmingsplannen voor het buitengebied de regeling voor schuilstallen verwerkt in de regels. Te weten: 'Bestemmingsplan Kooypunt 2012', 'Bestemmingsplan Julianadorp Zuid-Oost 2010', 'Rijksweg 109' en 'Huisduinen en de Stelling 2015'. Specifiek de bestemming Agrarisch worden aangevuld. De verbeelding behoeft geen aanpassing. De huidige regeling voor schuilstallen (schuilhutten) in het plan 'LANDELIJK GEBIED 2011' wordt niet gewijzigd; deze regels worden behouden. In de begrippenlijst wordt schuilstal als volgt gedefinieerd: een niet voor bewoning bestemd gebouw dat dient voor het onderbrengen van hobbymatig gehouden vee tegen weersinvloeden; In de bestemming Agrarisch van deze bestemmingsplannen wordt in de specifieke gebruiksregels een nieuw sub toegevoegd: Tot een gebruik van gronden en bouwwerken strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, lid 1, sub c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt in ieder geval gerekend: het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van schuilstallen voor hobbymatig gehouden vee; In de afwijking van de gebruiksregels wordt het volgende nieuwe sub toegevoegd: Het bevoegde gezag kan mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: de verkeersveiligheid; het straat- en bebouwingsbeeld; de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden; de gebruiksmogelijkheden van

aangrenzende gronden, met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

14

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

artikel X, en toestaan dat een schuilstal voor vee wordt gebouwd, met dien verstande dat: 1. de schuilstal uitsluitend bestemd is als schuilvoorziening voor weersomstandigheden voor hobbymatig gehouden vee, zijnde vee dat niet bedrijfsmatig wordt gehouden; 2. op of aansluitend aan het bouwperceel van aanvrager geen ruimte is voor een schuilstal; 3. een schuilstal uitsluitend mag worden gebouwd op een perceel met een minimum oppervlakte van 5.000 m2; 4. er niet meer dan 1 schuilstal per perceel met een minimum oppervlakte van 5.000 m2 wordt gebouwd. 5. de afstand tot een (bedrijfs)woning bedraagt minimaal 50 m; 6. de oppervlakte van de schuilstal maximaal 30 m2 bedraagt; 7. de goot- en bouwhoogte van de schuilstal maximaal 2 respectievelijk 3 meter bedragen, met dien verstande dat de schuilstal niet plat afgedekt mag worden; 8. het gebouw is met maximaal drie wanden omsloten; 9. de schuilstal wordt op minimaal 30 m vanaf de openbare weg gebouwd; 10. de schuilstal landschappelijk wordt ingepast, met dien verstande dat de schuilstal dient te worden gesitueerd aan de randen van het perceel, nabij bestaande bosschages, houtwallen, begroeiingen, opstanden, waterlopen of erfafscheidingen, of in de hoek van een perceel, bij voorkeur aansluitend bij bestaande opstanden; 11.

het opslaan van bouwmateriaal, gemotoriseerde voertuigen, landbouw voertuigen is niet toegestaan, evenals het gebruik als berging of hobbyruimte ten behoeve van een bedrijf of (bedrijfs)woning; 12. het is niet toegestaan een schuilstal te realiseren voor de (semi-)permanente stalling van dieren; 13. geen afbreuk wordt gedaan aan natuurlijke waarden en de waterhuishouding; 14. de afstand van een schuilstal tot gasinfrastructuur bedraagt niet minder dan de bij de leiding behorende belemmeringenstrook, tenzij de leidingbeheerder instemt met een kortere afstand; 15. schuilstallen in N2000- en NNN-gebied niet zijn toegestaan; 16. ecologisch onderzoek wordt verricht.

2.4

Kleine windturbines in het buitengebied

2.4.1

Aanleiding en gemeentelijke Beleidsvisie

In 2009 is de nota Beleidsvisie Kleine Windturbines vastgesteld door de gemeente Den Helder. De gemeente Den Helder staat zeer positief tegenover het opwekken van duurzame energie door middel van windenergie. Door de gunstige windconditie is de gemeente ook zeer geschikt voor het plaatsen van windturbines. De Beleidsvisie schetst de mogelijkheid voor de plaatsing van kleine windtubines. De windturbines maken het mogelijk om duurzame energie op te wekken op locaties waar dat met grote windturbines niet mogelijk is. De windturbines zijn namelijk speciaal ontwikkeld voor de gebouwde omgeving waar mensen wonen, werken en recreëren. Omdat het gemeentelijk beleid uit 2009 dateert, wordt aangesloten op de provinciale regeling en handreiking, zie navolgend. 2.4.2 Provinciale Omgevingsverordening en Handreiking Microturbines Noord-Hollandse Energieregio Artikel 6.27b van de POV voor het bouwen van kleine windturbines in het landelijk gebied luidt sinds 15 juni 2022 als volgt: 1.

2.

Voor zover een ruimtelijk plan van toepassing is op het werkingsgebied Landelijk gebied kan het, in afwijking van artikel 6.27a, ook buiten het werkingsgebied zoekgebieden wind en wind + zon RES 1.0 voorzien in de bouw van één windturbine per bouwperceel, als: a. de windturbine wordt gebouwd op een agrarisch bouwperceel of op een bouwperceel van ten minste 1 hectare waar een stedelijke activiteit is toegestaan; b. de ashoogte niet meer bedraagt dan 15 meter vanaf het maaiveld; c. de windturbine in landschappelijk opzicht aansluit op de bijbehorende bebouwing; en d. de windturbine zorgvuldig ruimtelijk wordt ingepast. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid.

15

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

Op de provinciale regeling wordt aangesloten. De toelichting bij het artikel luidt als volgt. Dit artikel regelt dat voor ruimtelijke plannen in het landelijk gebied mogelijk is te voorzien in de bouw van één kleine windturbine. Dit kan alleen als de windturbine wordt gebouwd op een agrarisch bouwperceel of op een bouwperceel van ten minste 1 hectare waar een stedelijke activiteit is toegestaan. Daarnaast mag de ashoogte niet meer bedragen dan 15 meter vanaf het maaiveld, dient de windturbine in landschappelijk opzicht aan te sluiten op de bijbehorende bebouwing en moet de windturbine zorgvuldig ruimtelijk wordt ingepast. Gedeputeerde Staten hebben een ruimtelijke handreiking wind op land vastgesteld als aanvulling op de leidraad Landschap en Cultuurhistorie. Deze handreiking biedt handvatten voor een weloverwogen en zorgvuldige ruimtelijke inpassing en positionering van deze kleine windturbines. Bij de integrale afweging tot het al dan niet toestaan van kleine turbines in een ruimtelijk plan dient daarnaast rekening te worden gehouden met de (andere) regels die gelden op grond van deze verordening. Zoals de regels voor o.a. het Bijzonder Provinciaal Landschap, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, het Natuurnetwerk Nederland of natuurverbinding en de Ruimtelijke inpassing in het landelijk gebied. De Beemster wordt in de regels expliciet genoemd.

Vanwege de te behouden cultuurhistorische kernwaarden van de polder zijn windturbines in de Beemster niet toegestaan. Soortenbescherming en veiligheidsaspecten zijn reeds geregeld via de Rijkswet- en regelgeving. De Noord-Hollandse Energieregio heeft een Handreiking Microturbines opgsteld (d.d. 30 juni 2021), voor de afweging van microturbines in het landelijk gebied in de Kop van Noord-Holland. De handreiking is opgesteld omdat er veel vraag en draagvlak is naar microturbines in onder andere de gemeente Den Helder. Zoals hierboven is opgenomen, staat de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland microturbines onder voorwaarden toe. Gemeenten hebben behoefte aan een nader afwegingskader en hebben dit met Mooi Noord-Holland, de provincie Noord-Holland, LTO en Liander binnen de deelregio Kop van Noord-Holland ontwikkeld. Doel van de handreiking is: een handreiking te bieden met te doorlopen stappen voor de aanvraag en toetsing van de plaatsing van een microturbine in het landelijk gebied; met een overzicht van de uitgangspunten uit de Omgevingsverordening Provincie Noord-Holland (OVNH2020); met ruimte voor maatwerk, ook per gemeente.

Uitgangspunten voor de microturbines zijn: Ashoogte maximaal 15 meter ten opzichte van maaiveld; Maximale rotordiameter gelijk aan ashoogte; Herkenbare eenduidige hoofdvorm als energieopwekker; Overwegend rank silhouet; Ingetogen kleurgebruik passend bij agrarisch of bedrijfserf in landelijk gebied; Bijbehorende elementen ondergeschikt in maat, eveneens in ingetogen kleuren; Reclame ten allen tijde ondergeschikt, zie hiervoor betreffende criteria in gemeentelijk welstandbeleid. De eerste twee punten zijn punten die ook in de planregels worden vastgelegd. De overige punten zien op welstand en inpassing. Er wordt een landschappelijk inpassingsplan vereist in de planregels. Bij het toetsen van het inpassingsplan kan met deze uitgangspunten rekening worden gehouden. Bij het zoeken naar een geschikte locatie voor de microturbine dient rekening te worden gehouden met onderstaande criteria: Maximaal 1 microturbine per bouwvlak. Op agrarisch of bedrijfs-bouwvlak in buitengebied. Als onderdeel van of in relatie met de bebouwing, maximaal 30 meter van de bebouwing. Binnen de erfbegrenzing, niet als onderdeel van de groene begrenzing en niet ten koste van groen / bomen. Binnen het erfensemble (geheel van bebouwing en beplanting).

16

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

Mogelijkheid tot afwijken buiten erfensemble, mits er geen afbreuk wordt gedaan aan het ruimtelijk beeld van het erf. Op een ondergeschikte positie in het bedrijfsgedeelte van het erf . Uit het zicht of verdekt ten opzichte van de openbare weg. Indien er microturbines op erven in de buurt zijn, onderzoek dan of het landschappelijk relevant is een zelfde microturbine te plaatsen en of er sprake moet zijn van ruimtelijke samenhang tussen de turbines. Zorg ervoor dat microturbines op voldoende afstand staan van beschermde cultuurhistorisch of landschappelijk waardevolle elementen en structuren zoals dijken of karakteristieke waterlopen, zodat daar geen onevenredig afbreuk aan wordt gedaan, zie voor ruimtelijke inpassingsprincipes deLeidraad Landschap en Cultuurhistorie | Provincie Noord-Holland. In Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) rekening houden met de benoemde kernkwaliteiten. De eerste twee punten zijn punten die ook in de planregels worden vastgelegd. De overige punten zien op inpassing. Er wordt een landschappelijk inpassingsplan vereist in de planregels. Bij het toetsen van het inpassingsplan kan met deze uitgangspunten rekening worden gehouden.

Technische plaatsingscriteria zijn: De afstand van een kleine windturbine tot: een andere kleine windturbine bedraagt niet minder dan drie keer de rotordiameter; gasinfrastructuur bedraagt niet minder dan 25,00 m, tenzij de leidingbeheerder instemt met een kortere afstand; hoogspanningsinfrastructuur bedraagt niet minder dan de maximale werpafstand bij twee keer het nominaal toerental van de kleine windturbine (HAT-type), tenzij de netbeheerder instemt met een kortere afstand; de meest nabijgelegen gevoelige bestemming bedraagt niet minder dan vier maal de ashoogte van de windturbine; openbaar gebied is zodanig dat de wieken of de constructie van de kleine windturbine niet overhangt boven openbaar gebied. Deze punten worden ook gewaarborgd in de planregels. De gemeente kan nadere eisen stellen aan de plaats, omvang en het gebruik van de kleine windturbine ten behoeve van: de bezonningsituatie; lichttoetreding in nabijgelegen bebouwing; zichtlijnen of visuele hinder; het voorkomen van slagschaduw; risico's voor gevoelige of kwetsbare objecten; geluidshinder; de mogelijkheid tot voortzetting dan wel uitbreiding van een bestaand bedrijf. De nadere eisen worden ook geregeld. In principe is het gehele buitengebied van Den Helder aangemerkt als provinciaal Landelijk gebied.

Het buitengebied van de gemeente Den Helder is grotendeels opgenomen in het bestemmingsplan 'LANDELIJK GEBIED 2011'. In de aangrenzende bestemmingsplannen 'Bestemmingsplan Kooypunt 2012' en 'Bestemmingsplan Julianadorp Zuid-Oost 2010' ligt echter ook nog een stukje buitengebied van de gemeente. Deze agrarische gronden worden meegenomen in de regeling voor de kleine windturbines. Dit houdt in dat de paar agrarische bedrijven die binnen de agrarische gronden vallen ook worden geschaard onder de regeling.

17

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

Daarnaast wordt opgemerkt dat de windturbines aan alle relevante wet- en regelgeving moeten voldoen, zoals het Bouwbesluit 2012, de (geluids)normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer (dan wel diens rechtsopvolgers), de Welstandsnota, et cetera. Tot slot worden hoogtebeperkingen vanwege militaire luchthavens verwerkt in de aanduidingsregels. Zie voor een nadere toelichting van de hoogtebeperkingen paragraaf 3.8.

algemene

De Omgevingswet treedt naar verwachting op 1 januari 2024 in werking. Voor windturbines gelden algemene rijksregels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Hoofdstuk 3 van het Bal bevat de aanwijzing van wat er onder de milieubelastende activiteit valt en wat vergunningplichtig is. Ook staat hier welke inhoudelijke regels gelden. De technische bouwregels voor windturbines staan in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). 2.4.3

Voorwaarden kleine windturbines buitengebied

Uit de POV, de handreiking en omgevingsaspecten (zie Hoofdstuk 3 Randvoorwaarden) volgen samengevat de volgende voorwaarden: één windturbine per bouwperceel; op een agrarisch bouwperceel of op een bouwperceel van ten minste 1 hectare waar een stedelijke activiteit is toegestaan; de ashoogte bedraagt niet meer dan 15 meter gemeten vanaf het maaiveld de maximale rotordiameter is gelijk aan ashoogte; de windturbine moet landschappelijk worden ingepast (de windturbine moet in landschappelijk opzicht aansluiten op de bijbehorende bebouwing en de windturbine moet zorgvuldig ruimtelijk worden ingepast); hiertoe moet bij de aanvraag omgevingsvergunning een landschappelijk inpassingsplan worden bijgevoegd; de afstand tot de dichtstbijzijnde gevoelige bestemming bedraagt minimaal viermaal de masthoogte; de afstand tot een andere kleine windturbine bedraagt niet minder dan drie keer de rotordiameter; de afstand tot ondergrondse en bovengrondse leidingen als bedoeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (dan wel diens rechtsopvolger) bedraagt niet minder dan 25,00 m, tenzij de leidingbeheerder instemt met een kortere afstand; de afstand tot hoogspanningsinfrastructuur bedraagt niet minder dan de maximale werpafstand bij twee keer het nominaal toerental van de kleine windturbine (HAT-type), tenzij de netbeheerder instemt met een kortere afstand; de afstand tot openbaar gebied is

zodanig dat de wieken of de constructie van de kleine windturbine niet overhangt boven openbaar gebied. er mogen geen windturbines worden gebouwd in N2000- en NNN-gebied; Omdat het op voorhand niet mogelijk is om voor het plangebied in kaart te brengen wat de eventuele gevolgen zullen zijn voor ecologie, wordt dit niet nu maar ten tijden van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen gedaan. Het is dan de taak van de gemeente om te beoordelen of de Wnb van toepassing is. Er wordt ecologisch onderzoek op dat moment verricht. Zie ook de paragraaf ecologie (paragraaf 3.6); Er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de verkeersveiligheid, het straat- en bebouwingsbeeld, de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Voor dubbelbestemmingen en (gebieds)zones geldt dat deze blijven gelden op grond van de moederplannen. Deze worden dus ook ten tijde van een aanvraag afgewogen; de geluidsproductie van de kleine windturbines voldoet aan de eisen van het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer, dan wel diens rechtsopvolger. Afhankelijk van de situatie en indien nodig wordt dit onderbouwd met een akoestisch onderzoek. binnen de contouren van diverse complexen van het ministerie van defensie en derden gelden hoogtebeperkingen.

de afstand tot de dichtstbijzijnde beperkt kwetsbare objecten van derden bedraagt minimaal eenmaal de rotordiameter;

18

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

een kleine windturbine moet buiten de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 /jr per jaar voor kwetsbare objecten worden gesitueerd. Huisvestingslocaties voor arbeidsmigranten liggen eveneens buiten de PR 10-6 van de windturbines; De afstand van een kleine windturbine tot een waterkering bedraagt niet minder dan de tiphoogte van de windturbine (zie paragraaf 3.7). Er wordt gebruik gemaakt van bouwmaterieel voor het bouwrijp maken en het bouwen dat emissieloos is. Tenzij aanvrager aanlevert dat aantoonbaar op een andere manier kan worden bereikt dat het bouwrijp maken en het bouwen niet leidt tot significante negatieve gevolgen voor stikstof gevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Eveneens worden de eerder aangehaalde nadere eisen geregeld. Aanvullend worden enkele begrippen en wijze van meten opgenomen. 2.4.4

Vertaling Veegplan

In het Veegplan wordt in de bestemmingsplannen voor het buitengebied de regeling voor kleine windturbines verwerkt in de regels. De aanvulling wordt gedaan middels de algemene regels (hoofdstuk 3). De verbeelding behoeft geen aanpassing. In de algemene bouwregels wordt opgenomen dat het bouwen van kleine windturbines niet is toegestaan, met uitzondering van windturbines waarvan de bouw wordt toegestaan in de regels van de moederplannen. In de algemene afwijkingsregels wordt een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om bij omgevingsvergunning één kleine windturbine te plaatsen. Dit onder de voorwaarden zoals deze zijn besproken in de voorgaande subparagraaf 2.4.3.

2.5

Snippergroen

2.5.1

Aanleiding

Door de jaren zijn tientallen kleine perceeltjes grond verkocht door de gemeente aan particulieren, oftewel snippergroen. Deze grondverkopen worden planologisch geborgd in het Veegplan. Het betreft een beleidsarme omzetting. In een eerder stadium is al een ruimtelijke afweging gemaakt. 2.5.2

Vertaling Veegplan

Op de verbeelding krijgen de 'snipperpercelen' een nieuwe bestemming. De bestemming van het snipperperceel sluit aan bij de bestemming van het perceel waarvan de snipper onderdeel wordt. In de regels wordt in het lid 'Van toepassing verklaring' de nieuwe bestemming van toepassing verklaard. Het overzicht van de percelen die mee worden genomen is opgenomen in Bijlage 1.

19

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

20

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

Hoofdstuk 3

Randvoorwaarden

Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkelingen geldt dat niet alle milieuaspecten zoals die normaal in een bestemmingsplan worden besproken relevant zijn. De onderwerpen internetdetailhandel en opslagunits mogen slechts bij bestaande bedrijven/op bestaande bedrijfsbouwvlakken worden opgericht. Hiertoe is bij het planologisch verlenen van de bedrijfsbestemming en het bedrijfsbouwvlak al een milieuafweging gemaakt. Voor het snippergroen is ook in een eerder stadium al een ruimtelijke afweging gemaakt. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk dan ook niet nader belicht. De omgevingsaspecten met betrekking tot de schuilstallen voor hobbyvee in het buitengebied en de kleine windturbines in het buitengebied die wel een rol spelen, zullen in dit hoofdstuk waar nodig per aspect worden besproken. Deze aspecten worden meegenomen in de overwegingen om wel of geen vergunning te kunnen verlenen. Kleine windturbines in relatie tot Wet Milieubeheer Kleine windturbines met een rotordiameter groter dan twee meter vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 3.13 en verder). Dit kan worden afgeleid uit het Besluit omgevingsrecht, Bijlage 1, onder 20.2.

Deze windturbines worden als een zelfstandige inrichting gezien en moeten daarom voldoen aan de bepalingen ten aanzien van geluid, veiligheid en visuele hinder zoals die in het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn opgenomen. Voor deze kleine windturbines vormt het Activiteitenbesluit milieubeheer dus het toetsende kader ten aanzien van milieuaspecten. Kleine windturbines met een rotordiameter kleiner dan twee meter vallen niet onder de regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor deze windturbines kan worden volstaan met een omgevingsvergunning voor het bouwen. Omdat in de Wet milieubeheer de kleine windturbines (rotordiameter kleiner dan twee meter) zijn uitgezonderd vanwege de beperkte overlast die zij met zich meebrengen voor de omgeving, wil de gemeente ook niet op voorhand voor deze kleine windturbines een aanvullende regeling opnemen in het bestemmingsplan. Desondanks wil de gemeente, mocht daarvoor een noodzaak aanwezig zijn omwille van verschillende omgevingsfactoren, wel de mogelijkheid houden nadere eisen te stellen aan geluid, veiligheid en visuele hinder van kleine windturbines. In die gevallen zal de gemeente de normering zoals die in het Activiteitenbesluit milieubeheer is opgenomen voor windturbines aanhouden.

Ook kan bij een aanvraag bekeken worden of de windturbine een NEN-EN-IEC 61400-2 certificering heeft dan wel voldoet aan Handreiking miniwind en kleine windmolens van Nederlandse WindEnergie Associatie (NWEA). In dat eerste geval kan de toetsing bij de omgevingsvergunning beperkt blijven tot de vraag of het bedoelde certificaat aanwezig is. De paragrafen van dit hoofdstuk gaan met betrekking tot de kleine windturbines per thema in op de normeringen vanuit het Activiteitenbesluit milieubeheer voor geluid, externe veiligheid, ecologie en visuele hinder. Daarnaast wordt aanvullend nog ingegaan op de landschappelijke randvoorwaarden die de gemeente stelt voor het plaatsen van kleine windturbines.

3.1

Bodem

Het Besluit Bodemkwaliteit streeft naar duurzaam bodembeheer waarbij een balans gezocht wordt tussen bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu enerzijds en het gebruiken van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen anderzijds. Het Besluit bevat regels voor kwaliteitsborging (Kwalibo), bouwstoffen, grond en baggerspecie. Bij het mogelijk maken van ruimtelijke initiatieven moet de vraag worden gesteld of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Bodemonderzoek is noodzakelijk wanneer een ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt waar mensen voortdurend of nagenoeg voortdurend (langer dan twee uur per dag) verblijven. Dit is niet het geval bij de

21

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

schuilstallen en de kleine windturbines in het buitengebied. De internetdetailhandel en opslagunits mogen slechts bij bestaande bedrijven/op bestaande bedrijfsbouwvlakken worden opgericht. Hiertoe is bij het planologisch verlenen van de bedrijfsbestemming en het bedrijfsbouwvlak al een milieuafweging gemaakt. Voor het snippergroen is ook in een eerder stadium al een ruimtelijke afweging gemaakt. De ontwikkelingen zijn uitvoerbaar wat betreft het aspect bodem.

3.2

Geluid

Het aspect geluid is in dit geval alleen van toepassing met betrekking tot kleine windturbines. Een kleine windturbine produceert geluid. Hoeveel geluid precies is afhankelijk van het type en de windsnelheid. Artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat geluidsnormen voor windturbines. Daarin staat dat een windturbine of een combinatie van windturbines voldoet ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen, tenzij deze zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein, en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein. Deze geluidsnormering wordt landelijk acceptabel geacht. De windturbine moet hieraan voldoen op grond van landelijke wetgeving. Afhankelijk van de situatie en indien nodig wordt dit onderbouwd met een akoestisch onderzoek. Er is op voorhand geen reden om hier in het algemeen een nog strengere normering voor te hanteren. In bijzondere omstandigheden, zoals cumulatie van verschillende geluidsbronnen of andere windturbines, kunnen op grond van artikel 3.14a, tweede en derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer maatwerkvoorschriften worden gesteld.

Omdat het bestemmingsplan slechts een beperkt aantal kleine windturbines toestaat (namelijk niet meer dan nodig voor de eigen energievoorziening) per bouwvlak of bouwperceel, zijn deze omstandigheden vooralsnog niet te verwachten. Daarom zijn er bij dit bestemmingsplan ook geen algemene op het Activiteitenbesluit milieubeheer aanvullende richtlijnen voor cumulatieve toetsing (ten behoeve van meldingstoetsing) nodig geacht. Dat betekent dat het milieuaspect geluid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

3.3

Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor inrichtingen is dit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), voor transportroutes het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor hogedruk aardgastransportleidingen het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Op 27 oktober 2004 zijn het Bevi en de Regeling externe veiligheid inrichtingen van kracht geworden. In het Bevi zijn risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot inrichtingen met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 /jaarcontour (die als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden.

Een kleine windturbine moet aantoonbaar buiten de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 / per jaar voor kwetsbare objecten worden gesitueerd. Voor beperkt kwetsbare objecten dient te worden voldaan aan het plaatsgebonden risico van 10-5 per jaar. Deze afstand is gelijk aan de wieklengte. Binnen deze afstand mogen geen beperkt kwetsbare objecten zijn gelegen. Geregeld wordt dat de afstand tot de dichtstbijzijnde beperkt kwetsbare objecten van derden minimaal eenmaal de rotordiameter bedraagt. Om huisvesting voor arbeidsmigranten bij een inrichting waar een windturbine wordt geplaatst extra bescherming te geven, wordt in overleg met de Omgevingsdienst het volgende geregeld. Omdat de windturbine onderdeel uitmaakt van de inrichting en deze arbeidsmigranten ook onderdeel zijn van de

22

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

inrichting, zijn zij feitelijk geen kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten van derden. Dit is niet wenselijk. Zij worden onder dezelfde bescherming geschaard als reguliere woningen. Een windturbine wordt zodanig geplaatst dat de huisvestingslocatie voor arbeidsmigranten buiten de PR 10-6 van de windturbines ligt. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1%-letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve.

Figuur 3.1. Uitsnede risicokaart met gemeentegrens aan zuid en oostzijde met zwarte lijn weergegeven d.d. 26 september 2022 Binnen het plangebied waarop dit bestemmingsplan van toepassing is, liggen verscheidene transportroutes, buisleidingen, inrichtingen (vuurwerk, ontplofbare stoffen, opslag, defensie, BRZO, LPG, regionale wegen en andere risicobronnen. Omdat het echter op voorhand niet mogelijk is om gebieden te toetsen aan de mogelijkheid om de bouw van een kleine windturbine of schuilstal al dan niet uit te sluiten, wordt dit niet nu maar ten tijden van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen

23

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

gedaan. Om die reden zijn in de regels eisen gesteld aan de kleine windturbines en schuilstallen ten aanzien van de afstand ervan tot risicobronnen en risicovolle inrichtingen. Omdat de opslagunits en de internetdetailhandel op bestaande bedrijventerreinen mogelijk worden gemaakt, speelt het thema hier geen rol. Voor het snippergroen is een eerder stadium al een ruimtelijke afweging gemaakt. Tijdens de verlening van een omgevingsvergunning voor de bouw van een kleinschalige windturbine of schuilstallen moet bekeken worden of er redenen zijn om op grond van externe veiligheid de omgevingsvergunning niet te verlenen of om voorwaarden te stellen. Op basis van het bovenstaande is de conclusie dat het milieuaspect externe veiligheid op voorhand geen belemmering opwerpt. Zodoende kan het planologische voornemen als uitvoerbaar worden geacht.

3.4

Visuele hinder

Omdat de opslagunits en de internetdetailhandel op bestaande bedrijventerreinen mogelijk worden gemaakt, speelt visuele hinder hier geen rol. Voor het snippergroen is een eerder stadium al een ruimtelijke afweging gemaakt. Het plaatsen van een kleine windturbine heeft naast ruimtelijke gevolgen ook visuele gevolgen. Hoewel de windturbines maximaal vijftien meter hoog mogen zijn, kunnen de windturbines in het open karakter de gemeente gevolgen teweegbrengen. Zo hebben de draaiende wieken van een windturbine mogelijk slagschaduw en lichtreflectie als gevolg. De positionering van kleine windturbines kan veel uitmaken in het al dan niet optreden van visuele hinder. Door een goede positionering van kleine windturbines, waarbij men rekening houdt met zonlicht en schaduwwerking kan men het effect van slagschaduw en lichtreflectie beperken. Ook stelt het Activiteitenbesluit milieubeheer regels omtrent lichtschittering en slagschaduw.

Het Activiteitenbesluit milieubeheer bepaalt in artikel 3.14, vierde lid, en in samenhang met artikel 3.12, eerste lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer dat om slagschaduw en lichtschittering te voorkomen een windturbine is: "voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt indien slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige objecten voorzover de afstand tussen de windturbine en de gevoelige objecten minder dan 12 maal de rotordiameter bedraagt en gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw kan optreden en voorzover zich in de door de slagschaduw getroffen uitwendige scheidingsconstructie van gevoelige gebouwen of woonwagens ramen bevinden". Wanneer men dit toepast op bijvoorbeeld een windturbine met een rotordiameter van twaalf meter, betekent dat indien een windturbine zich op minder dan 144,00 m (twaalf maal een rotordiameter van twaalf meter) bevindt, de windturbine moet zijn voorzien van een stilstandvoorziening als de mogelijke slagschaduw zich anders meer dan zeventien keer per jaar gedurende meer dan twintig minuten per dag zou voordoen. Slagschaduw en lichtschittering moeten zoveel mogelijk worden beperkt (artikel 3.13, eerste lid van het Activiteitenregeling milieubeheer) door de toepassing van niet-reflecterende materialen of coatinglagen op de betreffende onderdelen.

Van deze minimale afstandsmaat kan worden afgeweken als kan worden aangetoond dat er van slagschaduw geen sprake is of als deze zo kan worden beperkt dat van hinder in redelijkheid geen sprake meer is. Met betrekking tot de schuilstallen is in de betreffende afwijkingsregeling als voorwaarde opgenomen: De schuilstal landschappelijk wordt ingepast, met dien verstande dat de schuilstal dient te worden gesitueerd aan de randen van het perceel, nabij bestaande bosschages, houtwallen, begroeiingen, opstanden, waterlopen of erfafscheidingen, of in de hoek van een perceel, bij voorkeur aansluitend bij bestaande opstanden. Door middel van de regelgeving van het Activiteitenbesluit milieubeheer voor kleine windturbines en de (aanvullende) regels voorkomt de gemeente Den Helder zoveel als mogelijk visuele hinder. Omdat de beleidsregel, die onderdeel is van dit bestemmingsplan, eisen bevat die voldoen aan de geldende wet- en regelgeving, vormt het aspect visuele hinder geen belemmering voor het onderhavige planvoornemen en kan het op dit onderdeel als uitvoerbaar worden geacht.

24

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

3.5

Landschap en erfgoed

De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Vooruitlopend hierop zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast moet ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied bevatten. Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden mee gewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. De overige cultuurhistorische waarden moeten, naast de archeologische waarden, worden betrokken in het onderzoek.

Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, moet op grond van het voorgaande dan ook worden aangegeven op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden rekening wordt gehouden. Cultuurhistorie Omdat de opslagunits en de internetdetailhandel op bestaande bedrijventerreinen mogelijk worden gemaakt, speelt cultuurhistorie hier geen rol. Voor het snippergroen is een eerder stadium al een ruimtelijke afweging gemaakt. Voor het plangebied van dit bestemmingsplan geldt dat er verscheidene cultuurhistorische locaties voorkomen, verspreid over de gehele gemeente. Om toch die waarden te beschermen en om tot een uitvoerbaar plan te komen, regelt het bestemmingsplan dat kleine windturbines niet zijn toegestaan in gebieden met een hoge cultuurhistorische waarde. Daarnaast is opgenomen dat bij elke aanvraag wordt afgewogen dat of de bouw van een kleine windturbine ter plaatse leidt tot onevenredige gevolgen voor de cultuurhistorische waarden in dat gebied. Voor het bouwen van de schuilstallen is onder andere als voorwaarde opgenomen dat de schuilstal landschappelijk moet worden ingepast. Hiertoe wordt voorkomen dat cultuurhistorische waarden worden verhinderd. Voor schuilstallen is opgenomen dat de cultuurhistorische waarde ter plaatse wordt afgewogen in de afwijking.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.denhelder.nl/api/v1/meetings/2134/documents/22555