Ruimtelijke onderbouwing.pdf
Tekst van het document
omgevingsvergunning
Ruimtelijke Onderbouwing (Tijdelijke) Motorcrossbaan In Den Helder Den Helder
DATUM IMRO IDN
27-08-2021 NL.IMRO.0400.Luchthavenweg30-0001
PROJECT PROJECTLEIDER
Ruimtelijke onderbouwing (tijdelijk) motorcrossbaan Den Helder
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
20181745
AUTEUR STATUS
ontwerp
Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing
5
Hoofdstuk 1
Inleiding
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Voorgeschiedenis
6
1.3
Projectgebied
7
1.4
Planologische regeling
7
1.5
Leeswijzer
10
Projectbeschrijving
11
2.1
Huidige situatie
11
2.2
De aanvraag
13
2.3
Landschappelijke inpassing
14
2.4
Verkeer en parkeren
14
Hoofdstuk 3
Beleidskader
17
3.1
Rijksbeleid
17
3.2
Provinciaal beleid
18
3.3
Gemeentelijk beleid
19
Hoofdstuk 4
Toetsing omgevingsaspecten
21
4.1
Bedrijven en milieuzonering
21
4.2
Bodemkwaliteit
27
4.3
Ecologie
28
4.4
Wegverkeerslawaai
32
4.5
Water
33
4.6
Luchtkwaliteit
34
4.7
Cultuurhistorie en Archeologie
35
4.8
Externe veiligheid
35
4.9
Kabels en leidingen
36
4.10
MER (Milieu effect rapportage) verantwoording
37
Uitvoerbaarheid
39
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
39
5.2
Economische uitvoerbaarheid
40
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 5
3/41
Hoofdstuk 6
4/41
Afweging en Conclusies
41
6.1
Aanleiding
41
6.2
Afweging
41
6.3
Conclusie
41
Ruimtelijke onderbouwing
5/41
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Op én grenzend aan het bedrijventerrein 'Kooypunt' aan de Luchthavenweg 30 in Den Helder bevindt zich een tijdelijk motorcrossterrein. Hiervoor is op 8 februari 2007 tijdelijke vrijstelling ex artikel 19 WRO verleend. Omdat de termijn van de tijdelijke vergunning reeds is verstreken en de tweede tijdelijke vergunning niet in stand is gebleven bij de rechtbank, wordt het terrein sinds een aantal jaren niet meer gebruikt. De gebruikers zijn nu voornemens de activiteiten weer te hervatten. Op basis van de geldende bestemmingsplannen 'Kooypunt 2012' en 'Luchthaven 2013' is een motorcrossterrein niet toegestaan. Om het gewenste gebruik, voor een periode van maximaal 1.111 dagen, planologisch mogelijk te maken is een omgevingsvergunning voor de activiteit 'Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening' nodig. Hierbij geldt als voorwaarde dat de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Om dit te kunnen aantonen is een ruimtelijke onderbouwing noodzakelijk. Deze notitie voorziet hierin. Tevens wordt een vergunning voor de activiteiten bouwen en aanleg aangevraagd. De oorspronkelijke vergunningen zijn namelijk in januari 2012 verlopen. Er dient derhalve een volledige nieuwe aanvraag voor de realisatie van een tijdelijk motorcrossterrein aangevraagd te worden.
1.2
Voorgeschiedenis
De laatste tijdelijke vergunning dateert van 20 juli 2016. Op dit besluit is vervolgens een beroep ingesteld. Op 18 augustus 2017 heeft de rechtbank van Noord - Holland een gerechtelijke uitspraak over de tijdelijke omgevingsvergunning voor het motorcrossterrein te Den Helder gedaan. De rechter heeft geoordeeld dat de vergunning niet met toepassing van artikel 2.12, lid 1 onder a, sub 2 van de Wabo in samenhang met Bijlage II, artikel 4, lid 11 van het Besluit omgevingsrecht verleend mocht worden. Deze artikelen gaan namelijk uit van een omgevingsvergunning waarin tijdelijk, voor een termijn van maximaal 10 jaar, van het geldende bestemmingsplan afgeweken wordt. De totale tijdsduur van 10 jaar mag niet overschreden worden. Het is dan ook niet mogelijk om steeds opnieuw een vergunning te verlenen voor 10 jaar. De rechtbank is van oordeel dat de termijn van 10 jaar op 8 februari 2017 was geëindigd. De rechtbank heeft tevens in zijn uitspraak de verleende vergunning vernietigd en heeft aangegeven dat de gemeente opnieuw moet beslissen op de ingediende aanvraag. Doordat de termijn van 10 jaar reeds is overschreden kan de vergunning met toepassing van artikel 2.12, lid 1 onder a, sub 3 van de Wabo worden verleend. Aan deze omgevingsvergunning kan namelijk een termijn (langer dan 10 jaar) verbonden worden. Hiervoor is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing.
6/41
1.3
Projectgebied
De ligging van het projectgebied is weergegeven in figuur 1. Het plangebied is gelegen op het kadastrale perceel sectie C nummers 13527 en 13780. De omvang van het perceel bedraagt ruim 42.600 m². Er is overeenstemming met de eigenaar (gemeente Den Helder) van het perceel om het terrein tijdelijk te mogen gebruiken als motorcross terrein.
Figuur 1.
1.4
Ligging van het projectgebied
Planologische regeling
Het projectgebied maakt deel uit van het bestemmingsplan 'LUCHTHAVEN 2013' en 'Kooypunt 2012'.
7/41
Figuur 2. 2012'
Ligging plangebied met uitsnede bestemmingsplannen 'LUCHTHAVEN 2013' en 'Kooypunt
LUCHTHAVEN 2013 In het bestemmingsplan 'LUCHTHAVEN 2013' heeft het projectgebied de bestemming 'Agrarisch'. Binnen dit bestemmingsplan is het motorcrossterrein inclusief de reeds aanwezige gebouwen niet toegestaan. Daarnaast is een aantal gebiedsaanduidingen op het gebied van toepassing. Dit zijn de aanduidingen: Geluidzone - industrie 1 (Kooypunt); Geluidszone - luchtvaart 50 ke - 55 ke; Vrijwaringszone - radar - 1. Deze gebiedsaanduidingen hebben betrekking op bouwwerken die aangemerkt kunnen worden als een geluidsgevoelig object, dan wel een (beperkt) kwetsbaar object. Daar is in dit geval geen sprake van. Paragraaf 4.8 gaat hier nader op in. Een uitsnede van dit bestemmingsplan is weergegeven in figuur 2.
8/41
Figuur 3.
Uitsnede bestemmingsplan LUCHTHAVEN 2013
Kooypunt 2012 In het bestemmingsplan 'Kooypunt 2012' heeft het projectgebied de bestemmingen 'Groen', 'Water' en 'Verkeer'. Binnen deze bestemmingen is het motorcrossterrein inclusief de reeds aanwezige gebouwen niet toegestaan. Daarnaast is een aantal gebiedsaanduidingen op het gebied van toepassing. Dit zijn de aanduidingen: Geluidzone - industrie; Geluidszone - luchtvaart 45-50 ke; Geluidszone - luchtvaart >50 ke; Veiligheidszone - bevi. Deze gebiedsaanduidingen hebben betrekking op bouwwerken die aangemerkt kunnen worden als een geluidsgevoelig object, dan wel een (beperkt) kwetsbaar object. Daar is in dit geval geen sprake van. Paragraaf 4.8 gaat hier nader op in. Een uitsnede van dit bestemmingsplan is weergegeven in figuur 3.
Figuur 4.
9/41
Uitsnede bestemmingsplan Kooypunt 2012
1.5
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 van deze ruimtelijke motivering wordt de huidige situatie en het initiatief omschreven. Hoofdstuk 3 beschrijft het beleidskader voor dit gebied. Daarbij wordt ingegaan op het beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. Hoofdstuk 4 beschrijft de omgevingsaspecten waaraan de situatie is getoetst. In hoofdstuk 5 wordt de uitvoerbaarheid van het project toegelicht. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de maatschappelijke- en economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 6 sluit af met de afwegingen en conclusies.
10/41
Hoofdstuk 2 2.1
Projectbeschrijving
Huidige situatie
Het terrein grenst aan het bedrijventerrein 'Kooypunt' en ligt gedeeltelijk in het agrarisch (open) landschap. Het gebied grenst: 1. aan de noordkant aan agrarische gronden; 2. aan de oost- en zuidkant aan het bedrijventerrein 'Kooypunt'; 3. aan de westkant aan de spoorlijn Den Helder – Alkmaar. Het projectgebied, bekend als Luchthavenweg 30 in Den Helder, is in de huidige situatie reeds ingericht als motorcrossterrein. Voorheen maakte het gebied deel uit van een 'groen' overgangsgebied van het bedrijventerrein 'Kooypunt' richting het open agrarisch landschap. Het terrein heeft een oppervlakte van 4,26 hectare. De crossbaan bestaat uit een grote baan (2,26 hectare, baanlengte 1.210 meter) en een kleine baan (0,77 hectare, baanlengte 275 meter). De huidige inrichting bestaat uit een crossbaan en een gebouw in gebruik als kantine (oppervlakte 98 m²; recent afgebrand, maar wordt weer opgebouwd) en een tweetal containers in gebruik als sanitair gebouw (oppervlakte 17 m²) en jurygebouw (oppervlakte 17 m²) voor de tijdwaarneming. Ook is een starthek geplaatst. Middels een aardenwal aan de noord- en westkant (zie figuur 6) en enkel opgaande beplantingen is het terrein vanuit de openbare ruimte uit het zicht onttrokken. De aardenwal heeft een oplopende hoogte van rond de 1,1 meter aan de oostzijde tot rond de 3,9 meter aan de westzijde. Het terrein is bereikbaar via de Luchthavenweg.
De planlocatie is weergeven in figuur 4. Een aanzicht vanaf de Kortevliet is weergeven in figuur 5. Aan deze weg bevinden zich een aantal woningen.
11/41
Figuur 5.
Overzicht bestaande situatie
Figuur 6.
Aanzicht projectgebied vanaf de openbare weg Kortevliet
12/41
Figuur 7.
2.2
Situatie met daarin de bestaande aardenwal
De aanvraag
De aanvraag voorziet in het in gebruik nemen van het bestaande motorcrossterrein. Op het terrein worden geen ruimtelijke ingrepen voorgesteld. Het voornemen bestaat om het terrein weer te gaan gebruiken ten behoeve van trainingen en wedstrijden. De aanvraag heeft betrekking op het mogelijk maken van en het gebruik van de gebouwen en de motorcrossbanen voor motorcrosstrainingen en wedstrijden. Uitgangspunten hierbij zijn: 1. Maximaal 12 keer motorcrossen per jaar (trainingen/wedstrijden) , waarvan maximaal 4 keer een wedstrijd en maximaal één keer per week een wedstrijd of training; 2. De activiteit zal minder dan 8 uur per keer plaats vinden. Voor zowel een training als voor een wedstrijd wordt een bedrijfsduur aangehouden van 150 gewogen motoruren. Voor de berekening in het geluidsonderzoek wordt uitgegaan van 25 motoren met een nettobedrijfstijd van 6 uur; 3. Het betreft zowel 2-taktmotoren als 4-taktmotoren. Voor de verhouding tussen 2-taktmotoren en 4-taktmotoren wordt verwezen naar paragraaf 2.3 uit bijlage 5; 4. Het tanken van de motoren plaatsvindt op een daartoe aangewezen locatie binnen de inrichting: dit betreft in en op voertuigen en overal waar een milieumat wordt toegepast onder de motor die getankt wordt; 5. Voor de verkeersaantrekkende werking vanwege de coureurs en bezoekers wordt uitgegaan van 100 personenauto's per keer.
Voor een wedstrijd wordt uitgegaan van 150 personenauto's; 6. Aan de oostzijde van het circuit is een klein circuit voor jeugdige rijders die met 50 cc en 65 cc motoren rijden. Hier zullen maximaal vier kleine motoren in bedrijf zijn; 7. Het gebruik van het kantinegebouw ten behoeve van het ontvangen van bezoekers; 8. Het gebruik van de twee containers ten behoeve van een sanitaire voorziening en een jurygebouw; 9. een totale gebruiksperiode van 1.111 dagen*, dus in totaal 39 trainingen of wedstrijden.
13/41
* Uitgangspunt was dat het terrein voor een periode van maximaal 4 jaar gebruikt mag worden voor motorcrosstrainingen. Met inachtneming van de reeds verstreken tijd is de aanvrager tot de conclusie gekomen dat de resterende periode 3 jaar en 89 dagen, zijnde 1184 dagen, bedraagt. Het bevoegd gezag deelt die mening niet en heeft bij brief van 15 juli 2019, kenmerk ID19304755, kenbaar gemaakt dat het tot de conclusie komt dat de resterende periode 1.111 dagen is. Op basis van diens berekeningen is de eerder voor de aanvraag verleende vergunning 349 dagen van kracht geweest. Dit betekent dat een nieuwe vergunning verleend kan worden voor 1.111 (1460-349) dagen of zoveel minder als de baan in Hollands Kroon gebruik kan worden voor motorcrossactiviteiten. De aanvrager heeft hiermee ingestemd, en nu is de beoogde periode 1.111 dagen geworden. De activiteiten worden beëindigd op het moment dat in Noord - Holland (binnen de gemeente Hollands kroon) een permanente crossbaan in gebruik wordt genomen of wanneer de termijn van maximaal 1.111 dagen na datum inwerkingtreding van de vergunning is verstreken. Na afloop van de termijn wordt de oude situatie hersteld. Dit betekent dat de tijdelijke bouwwerken (2 containers, kantine en starthek) worden verwijderd en het terrein wordt geëgaliseerd.
2.3
Landschappelijke inpassing
Het projectgebied mag in de huidige situatie agrarisch worden gebruikt, maar is reeds ingericht als motorcrossterrein. Het terrein is gelegen tegen een bestaand bedrijventerrein, en vormt als het ware een geleidelijke overgang tussen de vlakke polder en het bedrijventerrein. De geluidswallen (hoogte variërend tussen 1,1 meter en 3,9 meter) schermen de bebouwing op het bedrijventerrein deels af. De landschappelijke impact van de (reeds aanwezige) geluidsmaatregelen is hierdoor beperkt. De aanvraag heeft geen invloed op de landschappelijke kenmerken van de omgeving. De huidige inrichting van het perceel is passend in het landschap. De inrichting als crossterrein past in het open polderlandschap met groene hoogteaccenten (de aardenwal). De groene inrichting (de aardenwal) van het terrein zorgt daarnaast voor een goede afscherming richting de omgeving. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de huidige landschappelijke inpassing van het motorcrossterrein goed is. Aanvullende eisen aan de landschappelijke inpassing zijn dan ook niet noodzakelijk.
2.4
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Parkeernormen Gemeente Den Helder Het parkeerbeleid van de gemeente Den Helder is vastgelegd in de 'Nota Parkeernormen Den Helder'. In deze nota zijn de kencijfers van het CROW (publicatie 317, 2012) gehanteerd. Echter zijn geen kencijfers bekend voor de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie van een motorcrossterrein, er wordt zodoende gebruik gemaakt van kencijfers van de initiatiefnemer. Ontsluiting De ontwikkeling is gelegen aan de Luchthavenweg 30 te Den Helder. De ontsluiting ligt net buiten de bebouwde
14/41
kom (bedrijventerrein Kooypunt), en is voornamelijk bedoeld voor bestemmingsverkeer van het bedrijventerrein en kent een maximale snelheid van 50 km/u. De Luchthavenweg is een gebiedsontsluitingsweg met een maximum toegestane snelheid van 80 km/u. In onderstaand figuur is een luchtfoto weergegeven van het terrein, met daarbij de interne ontsluitingsweg op de Luchthavenweg. Voor de bestaande aansluiting richting het motorcrossterrein wordt een inrit vergunning aangevraagd.
Figuur 8.
Ontsluiting motorcross terrein
Parkeren De parkeerbehoefte kan bepaald worden aan de hand van de parkeernormen die de Den Helder hanteert. Voor de functie motorcrossterrein zijn geen specifieke kengetallen opgenomen voor de parkeerbehoefte. Voor de parkeerbehoefte wordt derhalve uitgegaan van de volgende uitgangspunten: maximaal 12 keer per jaar vinden er crossactiviteiten plaats, met een frequentie van maximaal 1 keer per week; totaal kunnen tegelijkertijd 150 motoren en rijders aanwezig zijn. Over het algemeen komen deze samen in busjes of op aanhangwagens naar de baan toe; aan de oostzijde van het circuit is een klein circuitje gelegen voor kinderen. Hier zullen maximaal 4 kleine motoren in bedrijf zijn. Voor de verkeersaantrekkende werking vanwege de coureurs en bezoekers wordt een uitgangspunt gehanteerd van 100 auto's op een maatgevende dag. Bij wedstrijden kunnen er 150 auto's en busjes op het terrein aanwezig zijn. De parkeerbehoefte wordt voldaan langs de interne toegangsweg die ontsloten wordt aan de Luchthavenweg. Langs deze weg die circa 375 meter lang is kan men aan beide kanten parkeren in de berm. Maximaal kunnen hier 150 voertuigen geparkeerd worden. Hiermee zijn voldoende parkeerplaatsen beschikbaar op eigen terrein. Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling Op een maatgevende dag wordt een verkeersaantrekkende werking van 150 auto's verwacht.
Er vinden derhalve 300 verkeersbewegingen per dag plaats (uitgangspunt initiatiefnemer). De verkeersgeneratie op het maatgevende moment bedraagt dan ook 300 mvt. Het overgrote deel van deze voertuigen komt via de N9 of N99 naar het circuit. Beide wegen liggen op een afstand van circa 500 meter van het circuit. Voor beide wegen wordt gesteld dat de extra verkeersbewegingen ten gevolge van het motorcrossterrein, voor zover deze al zijn opgenomen in het beeld van autonome groei van de wegen, volledig verwaarloosbaar zijn op het brede profiel van de ontsluitende wegen. In het geval dat alle bezoekers op hetzelfde tijdstip vertrekken zal er op de interne
15/41
weg een wachtrij ontstaan, deze wachtrij zal geen effect hebben op de omliggende wegen vanwege de voorrangssituatie. De minimale toename van het verkeer zal dan ook niet leiden tot een verminderde doorstroming op de wegvakken in de omgeving. Conclusie Door de ontwikkeling op het plangebied neemt de verkeersintensiteit op de ontsluitingswegen beperkt toe, er zullen geen problemen op het gebied van de verkeersafwikkeling ontstaan. De toekomstige parkeerbehoefte wordt opgevangen op de interne weg en de overcapaciteit op het bedrijventerrein 'Kooypunt'. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling dan ook niet in de weg.
16/41
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijk beleid. Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen draagt het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Voor het motorcrossterrein zijn de beleidsregels met betrekking tot de Waddengebied relevant. Bij nieuwe ruimtelijke plannen die betrekking hebben op de Waddenzee en het Waddengebied moet een beoordeling plaatsvinden van de mogelijke gevolgen voor de landschappelijke en cultuurhistorische waarden in het gebied. Deze waarden zijn in de verordening benoemd. Nieuwe bebouwing of verandering van het gebruik is niet toegestaan als dit leidt tot significante aantasting van de waarden in het gebied. De aanvraag heeft geen invloed op de landschappelijke kenmerken van de omgeving.
De huidige inrichting van het perceel is passend in het landschap. De inrichting als crossterrein past in het open polderlandschap met groene hoogteaccenten (de aardenwal). Het is niet noodzakelijk om nadere eisen te stellen aan de landschappelijke inpassing van het perceel. Het initiatief leidt niet tot aantasting van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden in het gebied. Daarnaast is de bouwhoogte van de gebouwen in het projectgebied ondergeschikt aan de bouwhoogtes in de nabije omgeving van het plangebied. Ladder voor duurzame verstedelijking In het Bro (artikel 3.1.6) is geregeld dat een toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voorzien in duurzame verstedelijking. Het artikel is op 12 mei 2017 gewijzigd en op 1 juli 2017 in werking getreden. Voor dit plan wordt getoetst aan deze nieuwe regeling, die inhoudt dat de toelichting bij een ruimtelijke plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling bevat. Indien het ruimtelijke plan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet er tevens gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. In dit ruimtelijk plan is sprake van een stedelijke ontwikkeling, conform artikel 3.1.6 BRO.
Deze ontwikkeling vindt plaats buiten het bestaand stedelijk gebied. Het is vanuit milieutechnisch oogpunt niet wenselijk om de activiteiten van een motorcross terrein binnen bestaand stedelijk gebied te houden. Vanuit de omgeving is echter wel nadrukkelijk behoefte aan een motorcrossterrein in de omgeving. Het betreft een behoefte die niet
17/41
alleen in Den Helder ligt, maar juist een provinciaal behoefte karakter kent. Uit analyse, zie bijlage 1, blijkt dat veruit de meeste leden van de bestaande motorcrossverenigingen in de kop van Noord - Holland wonen. Er is derhalve voldoende behoefte voor een motorcrossterrein in de kop van Noord - Holland.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening NH 2020 Het ruimtelijk beleid van de provincie Noord-Holland is vastgelegd in de Omgevingsvisie Noord-Holland 2050. In de Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 geeft de provincie een toekomstbeeld, waaruit het provinciaal belang volgt. Het toekomstbeeld is als volgt gedefinieerd: 'De Provincie Noord-Holland zorgt dat Noord-Holland een mooie, veelzijdige en internationaal concurrerende provincie blijft door in te zetten op klimaatbestendigheid, ruimtelijke kwaliteit en duurzaam ruimtegebruik'. Om het geschetste toekomstbeeld ruimtelijk te realiseren, heeft de provincie provinciale belangen benoemd. De drie hoofdbelangen (klimaatbestendigheid, ruimtelijke kwaliteit en duurzaam ruimtegebruik) vormen gezamenlijk de ruimtelijke hoofddoelstelling van de Provincie. De hoofdbelangen uit de Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 zijn juridisch vertaald in de Omgevingsverordening NH2020. Omgevingsverordening NH2020 De provincie heeft op 16 november 2020 de nieuwe omgevingsverordening genaamd 'Omgevingsverordening NH2020' vastgesteld. In de Omgevingsverordening NH2020 zijn de beleidsuitgangspunten juridisch vastgelegd. Hieronder wordt ingegaan op de beleidsuitgangspunten die betrekking hebben op onderhavige ontwikkeling.
Artikel 6.3 nieuwe stedelijke ontwikkeling Een ruimtelijk plan kan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. Onderhavig project maakt een bestaande stedelijke ontwikkeling mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied. De gemeente heeft hierover afspraken gemaakt met de provincie. De provincie heeft aangeven aan het tijdelijke motorcrossterrein te willen meewerken. Artikel 6.4 kleinschalige ontwikkelingen Het noordelijk deel van het projectgebied valt binnen de aanduiding landelijk gebied. Hierbinnen kan een kleinschalige ontwikkeling als de onderhavige worden toegestaan als de ontwikkeling plaatsvindt op een locatie waar een stedelijke functie is toegestaan en het toegestane bebouwde oppervlak niet wordt vergroot. Het betreft hier een zodanige kleinschalige ontwikkeling. Deze vindt plaats op een locatie waar eerder een stedelijke functie in de vorm van een motorcrossterrein tijdelijk was toegestaan. De voorzieningen zijn nog aanwezig, het gaat nu om een tijdelijke heringebruikname. Het destijds toegestane bebouwde oppervlak wordt niet vergroot. Artikel 6.59 Ruimtelijke kwaliteitseis De ruimtelijke kwaliteitseis is van toepassing ingeval een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk
18/41
gebied mogelijk wordt gemaakt. De aanvraag heeft een beperkte, niet onevenredige invloed op de landschappelijke kenmerken van de omgeving. De huidige inrichting van het perceel is passend in het landschap. De inrichting als crossterrein past in het open polderlandschap met groene hoogteaccenten (de aardenwal). Het is niet noodzakelijk om nadere eisen te stellen aan de landschappelijke inpassing van het perceel. Het initiatief is getoetst aan de 'leidraad Landschap en cultuurhistorie'. Het gebied is gelegen binnen de 'Koegras - Anna Paulownapolder'. De openheid en ruimtebeleving zijn de kenmerken van dit gebied. De algemene ambitie voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn: bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek; bij te laten dragen aan het versterken van (de beleving van) openheid en; helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers. Het tijdelijke motorcrossterrein is gelegen tegen een bestaand bedrijventerrein. Hiermee is de ruimtelijke impact van het initiatief zeer beperkt. Door de landschappelijke inpassing in de vorm van aarde wallen, wordt het terrein daarnaast deels afgeschermd van de omgeving.
Artikel 6.36 Permanente bollenteelt Een ruimtelijk plan kan uitsluitend ter plaatse van het werkingsgebied permanente bollenteelt voorzien in het toestaan van grondbewerkingen ten behoeve van de permanente bollenteelt, zoals bezanden, omzetten en opspuiten. Zoals uit onderstaande uitsnede uit de Omgevingsverordening NH 2020 blijkt, valt een deel van het tijdelijke motorcrossterrein binnen het werkingsgebied permanente bollenteelt.
Figuur 9.
Uitsnede Omgevingsvisie NH 2020, permanente bollenteelt
Echter sluit artikel 6.36 geen andere functies dan bollenteelt uit. De realisatie van een motorcrossterrein is dan ook niet in strijd met dit artikel. Tevens worden geen significante gevolgen voor het belang van de 'bollenteelt' verwacht. De gronden kunnen tevens na de exploitatieperiode van 4 jaar geschikt gemaakt worden voor bollenteelt.
3.3
Gemeentelijk beleid
Structuurvisie Den Helder 2025
19/41
Met de Structuurvisie wordt beoogd sturing te geven aan en samenhang aan te brengen in de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen in de periode tot 2025. De gemeente geeft in de Structuurvisie aan dat aan het beleid van de provincie Noord-Holland om een permanente voorziening voor motorcross te vestigen in Den Helder, alleen wordt meegewerkt wanneer er rond deze voorziening ruim afdoende geluidsreducerende maatregelen worden getroffen, en wanneer deze niet op een locatie wordt gesitueerd die volop in het zicht van het open landschap ligt. Dit project voorziet een tijdelijke voorziening voor motorcrossen. Rondom het terrein worden geluidsreducerende maatregelen toegepast. Een nadere beschrijving hiervan is opgenomen in paragraaf 4.1. De gemeente Den Helder heeft reeds in het verleden tijdelijk voorzien in de behoefte van de uitoefening van motorsportactiviteiten. De gemeente is bereidt zijn deel van de regionale verantwoordelijkheid op zich te nemen. De beoogde locatie ligt aan de rand van een bestaand bedrijventerrein. Het betreft dan ook geen locatie die volop in het zicht van het open landschap ligt. Voor onderhavige aanvraag heeft de gemeente daarnaast geen specifiek ruimtelijke beleid, waarbinnen de aanvraag past. Conclusie Het gemeentelijk beleid staat de ontwikkeling van een tijdelijk motorcrossterrein niet in de weg.
20/41
Hoofdstuk 4
Toetsing omgevingsaspecten
Voor de beoogde ontwikkeling is het van belang dat tijdens de uitvoering en in de huidige situatie sprake is van een goede omgevingssituatie. Deze omgevingstoets gaat in op de relevante milieuaspecten (bodem, water, milieuzonering en externe veiligheid) en om andere sectorale regelgeving (bijvoorbeeld archeologie, cultuurhistorie en ecologie).
4.1
Bedrijven en milieuzonering
4.1.1
Algemeen
Om een belangenafweging tussen een goed woon- en leefklimaat in de omgeving en bedrijvigheid te kunnen maken, wordt in het algemeen gebruik gemaakt van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” (editie 2009). In deze uitgave is een lijst opgenomen met allerhande activiteiten en bijbehorende richtafstanden en milieu normen die gehanteerd worden voor gevoelige functies. De VNG-publicatie is bedoeld voor nieuwe situaties en niet voor de toetsing van bestaande situaties. In bestaande situaties kan de VNG-brochure evenwel een indicatie geven van de mate van hinder bij bestaande conflictsituaties. Omdat op basis van de geldende bestemmingsplannen een motorcrossterrein niet is toegestaan, is ruimtelijk gezien sprake van een nieuwe situatie. De VNG-brochure hanteert twee soorten omgevingstypen. Een rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied, voor beide omgevingstypen gelden andere richtafstanden en/of normen. De definitie van een rustige woonwijk/rustig buitengebied is: “Een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer.
Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.“ De definitie van een gemengd gebied is: “Een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden en hogere milieunormen rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten meestal bepalend.“ De omgeving van het plangebied is, vanwege het bedrijfsmatige karakter van de omgeving, volgens de VNG-systematiek te karakteriseren als een gemengd gebied. In onderstaande afbeelding is de ruimtelijke
21/41
structuur van de omgeving weergegeven. Deze bestaat uit een bedrijventerrein met daarop bedrijfsbebouwing agrarisch gebied (bollenteelt) met daarop agrarische opstallen in de vorm van schuren en bedrijfswoningen, een luchthaven en langs de crossbaan een spoorweg.
Figuur 10.
Ruimtelijke situatie omgeving motorcrossterrein
De meest nabijgelegen woning aan de Kortevliet 62 Den Helder ligt op iets meer dan 200 meter van het tijdelijke motorcrossterrein. De afstand tot de woning aan de Middenvliet 16 Julianadorp bedraagt circa 220 m. De richtafstand bedraagt op basis van de VNG-publicatie 700 m, gebaseerd op “Autocircuits, motorcross- terreinen e.d., < 8 uur/week in gebruik” (SBI-2008 code 931, nr. D, milieucategorie 5.2), waarbij het aspect geluid de richtafstand bepaalt. De richtafstand geldt voor het omgevingstype "rustige woonwijk/rustig buitengebied". Omdat er sprake is van een "gemengd gebied", is de richtafstand in het onderhavige geval 500 m. De woningen liggen binnen de richtafstand van 500 m. Om deze reden is het aspect geluid nader beschouwd. 4.1.2
Geluid
De achterliggende geluidnormen die in de VNG-publicatie worden gehanteerd om de richtafstanden te bepalen, zijn weergegeven in tabel 4.1. Periode
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) rustige woonwijk/ gemend gebied rustig buitengebied 45 dB(A) 50 dB(A)
Maximale geluidniveaus (LAmax) rustige woonwijk/ rustig buitengebied 65 dB(A)
gemend gebied
dagperiode 70 dB(A) (07:00 - 19:00 uur) avondperiode 40 dB(A) 45 dB(A) 60 dB(A) 65 dB(A) (19:00 - 23:00 uur) nachtperiode 35 dB(A) 40 dB(A) 55 dB(A) 60 dB(A) (23:00 - 07:00 uur) Tabel 4.1: Geluidnormen (richtwaarden) voor een "rustige woonwijk/rustige buitengebied" en "gemengd gebied" (2009). Deze richtwaarden hebben geen wettelijke status, maar zijn algemeen aanvaarde waarden. Het is mogelijk om
22/41
op basis van een bestuurlijke afweging af te wijken van deze richtwaarden. De VNG-publicatie biedt hiervoor een stappenplan, opgenomen in bijlage B5.3 van de VNG-publicatie. Het stappenplan omvat de volgende methodiek: stap 1: indien de richtafstand voor het aspect geluid niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect geluid in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk; stap 2: indien stap 1 niet toereikend is, dan is inpassing mogelijk bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen van: maximaal 45 dB(A) in een rustige woonwijk/rustig buitengebied en 50 dB(A) in gemengd gebied; voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (etmaalwaarde), 65/60/65 dB(A); voor maximale geluidniveaus en 50 dB(A) etmaalwaarde t.g.v. de verkeersaantrekkende werking (indirecte hinder); stap 3: indien stap 2 niet toereikend is, dan is inpassing mogelijk bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen van: maximaal 50 dB(A) in een rustige woonwijk/rustig buitengebied en 55 dB(A) in gemengd gebied voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; 70/65/60 dB(A) voor maximale geluidniveaus en; 65 dB(A) etmaalwaarde t.g.v. de verkeersaantrekkende werking (indirecte hinder).
Met betrekking tot de maximale geluidsniveaus geldt dat de beoordeling plaatsvindt exclusief de maximale geluidniveaus vanwege aan- en afrijdend verkeer. In het kader van stap 3 dient het bevoegd gezag te motiveren waarom het deze geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel acht, waarbij tevens de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidbelasting moet worden betrokken. Bij een hogere geluidbelasting dan aangegeven in stap 3 zal inpassing doorgaans niet mogelijk zijn. Indien het bevoegd gezag niettemin tot inpassing wil overgaan, dient dit grondig onderzocht, onderbouwd, en gemotiveerd te worden, waarbij cumulatie met andere geluidbronnen/geluidbelastingen moet worden meegenomen. Deze laatste stap wordt aangeduid als stap 4. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidemissie vanwege het tijdelijke motorcrossterrein. Dit onderzoek is vastgelegd in rapport "Motorsportfaciliteit Den Helder - Akoestisch onderzoek", referentienummer SWNL023788502, d.d. 30 november 2020. Dit rapport is opgenomen in Bijlage 5. Ook de gecumuleerde geluidsbelasting is bepaald. Dit aanvullend geluidsonderzoek is opgenomen in Bijlage 6. Uit dit aanvullend onderzoek blijkt dat de gecumuleerde geluidsbelasting als gevold van de motorcross faciliteiten bij twee adressen toeneemt, maar dat de milieukwaliteit ter plaatse niet veranderd. De beoordeling blijft gelijk.
In het rapport is de geluidimmissie in de omgeving van het motorcrossterrein berekend op basis van een
23/41
bron-overdrachtsmodel conform de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai" (Samsom, 1999). Voor de berekening wordt uitgegaan van een representatieve bedrijfssituatie en een incidentele bedrijfssituatie. Representatieve bedrijfssituatie De representatieve bedrijfssituatie wordt gevormd door onderstaande activiteiten welke gedurende een trainingsdag kunnen plaatsvinden.
a. b. c. d. e.
Maximaal acht keer per jaar vinden er crossactiviteiten plaats, maximaal één keer per week. De motoren moeten voldoen aan de KNMV emissie eis van 94 dB(A) op een afstand van 7,5 meter. Het betreft hier een eis voor het maximale bronvermogen. De volgende klassen en bronvermogens zijn aangehouden. 65 cc 2 takt motoren; Lw105 dB(A); 85 cc kleine wielen 2 takt motoren; Lw104 dB(A); 85 cc grote wielen 2 takt motoren; Lw111 dB(A); Hobby-, dames- en veteranenklasse 250 / 350 / 450 cc 4 takt motoren; Lw112 dB(A); 125 cc 2 takt motoren en superklasse 250 / 350 / 450 cc 2 takt en 4 takt motoren Lw115 dB(A). De activiteit crossen zal minder dan 8 uur per dag duren. Voor de berekening is uitgegaan 25 motoren per klasse. Uitgegaan is van de volgende rijtijden: 1. klassen a en b 1,5 uur waarbij 95% op volvermogen en 5% op 50% vermogen. 2. klassen genoemd onder c 1,5 uur waarbij 95% op volvermogen en 5% op 50% vermogen. 3. klassen genoemd onder d en e 2,5 uur waarbij 95% op volvermogen en 5% op 50% vermogen. In de 5% zit het rijden met gasdicht. Dit vindt bijvoorbeeld plaats bij het aansnijden van de bochten en boven de springschansen. Het bronvermogen van de motoren is hiervoor met 3 dB(A) verlaagd. Aan de oostzijde van het circuit is een klein circuitje gelegen voor kinderen. Hier zullen maximaal vier kleine motoren (50 cc) rijden. Bedrijfsduur ten hoogste 24 gewogen motoruren.
Het bronvermogen van deze 4 motoren bedraagt 107 dB(A); Voor de verkeersaantrekkende werking vanwege de coureurs en bezoekers wordt uitgegaan van 200 bewegingen door personen/bestelwagens per keer met een bronvermogen van 93 dB(A) bij een snelheid van 10 km/uur; Het egaliseren van het crossterrein vindt plaats met een trekker of kleine shovel. Dit duurt maximaal 2 uur. Als bronvermogen voor shovel/tractor is 104 dB(A) [LAmax114 dB(A)] aangehouden.
Incidentele bedrijfssituatie De incidentele bedrijfssituatie wordt gevormd door onderstaande activiteiten welke gedurende een wedstrijdag kunnen plaatsvinden. Maximaal vier keer per jaar vinden er crossactiviteiten plaats, maximaal één keer per week. De motoren moeten voldoen aan de KNMV emissie eis van 94 dB(A) op een afstand van 7,5 meter. Het betreft hier een eis voor het maximale bronvermogen. De volgende klassen en bronvermogens zijn
24/41
a. b. c. d. e.
aangehouden: 65 cc 2 takt motoren; Lw107 dB(A); 85 cc kleine wielen 2 takt motoren; Lw106 dB(A); 85 cc grote wielen 2 takt motoren; Lw113 dB(A); Hobby-, dames- en veteranenklasse 250 / 350 / 450 cc 4 takt motoren; Lw114 dB(A); 125 cc 2 takt motoren en superklasse 250 / 350 / 450 cc 2 takt en 4 takt motoren; Lw117 dB(A).
De activiteit crossen zal minder dan 8 uur per dag duren. Voor een wedstrijddag wordt een bedrijfsduur aangehouden van 150 gewogen motoruren. Voor de berekening is uitgegaan 25 motoren per klasse. Uitgegaan is van de volgende rijtijden: 1. klassen a en b 1,5 uur waarbij 95% op volvermogen en 5% op 50% vermogen; 2. klassen genoemd onder c 1,5 uur waarbij 95% op volvermogen en 5% op 50% vermogen. 3. klassen genoemd onder d en e 2,5 uur waarbij 95% op volvermogen en 5% op 50% vermogen. In de 5% zit het rijden met gasdicht. Dit vindt bijvoorbeeld plaats bij het aansnijden van de bochten en boven de springschansen. Het bronvermogen van de motoren is hiervoor met 3 dB(A) verlaagd. Aan de oostzijde van het circuit is een klein circuitje gelegen voor kinderen. Hier zullen maximaal vier kleine motoren (50 cc) rijden. Bedrijfsduur ten hoogste 24 gewogen motoruren. Het bronvermogen van deze 4 motoren bedraagt 109 dB(A). Voor de verkeersaantrekkende werking vanwege de coureurs en bezoekers wordt uitgegaan van 300 bewegingen door personen/bestelwagens per keer met een bronvermogen van 93 dB(A) bij een snelheid van 10 km/uur; Het egaliseren van het crossterrein vindt plaats met een trekker of kleine shovel. Dit duurt maximaal 2 uur. Als bronvermogen voor shovel/tractor is 104 dB(A) [LAmax114 dB(A)] aangehouden.
Resultaat representatieve bedrijfssituatie Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de hoogst berekende geluidsbelasting op een woning 50 dB(A) bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de in de Handreiking industrielawaai en vergunninverlening gestelde richtwaarde van ten hoogste 50 dB(A) etmaalwaarde. Voor een trainingsdag is op basis van de uitgangspunten met een bedrijfsduur van <8 uur een gemiddeld bronvermogen van 123,4 dB(A) aangehouden. Alle bedrijfssituaties met een afwijkend aantal motoren is toegestaan binnen deze berekende geluidsruimte, zolang de gewogen bedrijfstijd niet wordt overschreden. Dit kan betekenen dat de totale netto bedrijfstijd elke trainingsdag verschillend kan zijn en berekend kan worden uit het werkelijke gemiddelde aantal motoren per klasse maal de duur van elke training. Het aantal motoren en de duur van elke trainingsronde dient te worden geregistreerd middels het Mylaps systeem. Elke motor dient met een transponder te zijn uitgerust. De vergunninghouder dient elke trainingsdag de feitelijk aantal motoren en de geregistreerde motoruren te registreren en op verzoek aan het bevoegd gezag te verstrekken. Resultaat incidentele bedrijfssituatie Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de hoogst berekende geluidsbelasting op een woning 52 dB(A) etmaalwaarde bedraagt. Dit betekent een overschrijding van de richtwaarde van 50 dB(A).
Er kan wel worden voldaan aan de in de Handreiking industrielawaai en vergunninverlening gestelde grenswaarde van ten hoogste 55 dB(A) etmaalwaarde en aan de grenswaarde gesteld in de op 3 juni 2008 door gemeente Den Helder
25/41
afgegeven oprichtingsvergunning. Omdat de waarde van 55 dB(A) niet wordt overschreden, is in het kader van stap 3 inpassing mogelijk. Op basis van onderstaande overwegingen kan worden geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de naastgelegen woningen. wedstrijd-dagen vinden niet vaker dan 4x per jaar plaats; MC Noord-Holland is bereid afspraken te maken met de bewoners van de woningen aan de Middenvliet, dat indien zij daar prijs op stellen, de wedstrijden bij oostenwind worden afgelast en worden verschoven naar een situatie waarin de wind uit een andere richting komt. De te meten geluidniveaus zullen dan naar schatting 2-3 dB lager zijn dan onder meewindcondities (oostenwind) en hiermee de waarde van 50 dB(A) benaderen; op basis van een eerdere tijdelijke vergunning uit 2008 zijn 8 wedstrijd-dagen toegestaan, zonder dat er een limiet is gesteld aan de geluidimmissie in de omgeving. In de huidige situatie worden de crossmotoren gehouden aan de "94 dB(A)-eis" van de KNMV (Bbt maatregel). De norm die de KNMV per 1 januari 2011 heeft ingevoerd. Hierop zal door de vereniging zelf continue worden gemonitord middels een geluidsmeting langs de baan en kan door het bevoegd gezag worden gehandhaafd, indien daarmee niet aan de voorwaarden wordt voldaan. Er is derhalve sprake van een verbetering/aan scherping t.o.v.
de toenmalige tijdelijke vergunning; de gehanteerde geluidnormen gelden in het algemeen voor bedrijven die iedere dag in werking kunnen zijn. Voor het tijdelijke motorcrossterrein geldt dat het 12x per jaar wordt gebruikt. De geringe overschrijding van de richtwaarde van 50 dB(A) tijdens wedstrijd-dagen komt slechts maximaal 4x per jaar voor en kan daarmee als aanvaardbaar worden geacht. Aanvullend daarop geldt dat voor de woningen waar deze overschrijding van toepassing is, Middenvliet 14b en 16, een MTG-waarde vanwege industrielawaai (gezoneerde industrieterrein Kooypunt) van respectievelijk 54 dB(A) en 55 dB(A) geldt. De bijdrage voor de maximaal 4 wedstrijddagen per jaar ligt lager dan deze MTG-waarde, zodat de geluidniveaus vanwege wedstrijd-dagen ook om die reden als aanvaardbaar kunnen worden geacht. Een vergelijking met reguliere motorcrossterreinen is niet aan de orde. Reguliere motorcrossterreinen worden vaak wekelijks (twee dagen in de week) gebruikt. Het tijdelijke motorcrossterrrein is in totaliteit slechts 12x per jaar in gebruik, waarvan maximaal 4 wedstrijddagen.
Ondanks dat sprake is van een overschrijding van de grenswaarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus op wedstrijddagen is op basis van bovenstaande overwegingen toch sprake van aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omliggende woningen, te meer omdat het hier om een tijdelijke activiteit gaat die maximaal 12 keer per jaar plaatsvindt. De overschrijding van de richtwaarde vindt alleen plaats in de incidentele bedrijfssituatie. Indirecte hinder In het uitgevoerde akoestisch onderzoek is onderbouwd dat de ontsluiting van het motorcrossterrein op dusdanige afstand van de woningen van derden is gelegen dat er geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde ontstaat. Na de ontsluiting op de Luchthavenweg/ Scheepmakersweg zijn er geen geluidsgevoelige bestemmingen gelegen binnen een afstand waar het verkeer
26/41
van en naar het crossterrein als akoestisch herkenbaar is te onderscheiden van het overig verkeer. Het verkeer is bij de dichtstbijzijnde geluidsgevoelige bestemming als opgenomen in het heersende verkeersbeeld te beschouwen. Hierdoor is indirecte hinder niet verder beschouwd 4.1.3 Geur Voor geur geldt een richtafstand van 100 meter tot gevoelige functies. De afstand tot de omliggende woningen bedraagt meer dat 200 meter, waardoor aan de de richtafstand wordt voldaan. Met de overwegende westenwind is dit ook nog eens van deze woningen af. 4.1.4 Stof en gevaar Voor stof en gevaar geldt een richtafstand van 50 meter. Aan de richtafstand wordt voldaan. Daarnaast zorgt de aarden wal aan de noord- en westzijde ervoor dat het opwaaiende stof beperkt wordt. Uit een luchtkwaliteitsonderzoek (zie bijlage 7) blijkt tevens dat er geen overschrijdingen zijn van de grenswaarden van de concentratie luchtverontreinigde stoffen ten gevolge van de geplande activiteiten van de inrichting. Tot slot wordt stofhinder zoveel mogelijk voorkomen door voorafgaand aan de activiteiten het circuit te bevochtigen. Indien er stofhinder dreigt op te treden door een te droge baan, dient de gebruiker te bevochtigen. Enerzijds om hinder naar de omgeving te voorkomen, maar ook om te voorkomen dat rijders en publiek worden belast met stof, e.e.a. volgens de richtlijnen van de KNMV.
4.1.5 licht De motorcross activiteiten vinden overdag plaats. Er worden dan ook geen lichtmasten geplaatst. Er is hierdoor geen sprake van licht overlast. 4.1.6 Conclusie milieuzonering Op basis van de hiervoor opgenomen motivering wordt geconcludeerd dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten opzichte van de woningen in de omgeving. In de toekomstige situatie is sprake van een milieuhygienische aanvaardbare situatie.
4.2
Bodemkwaliteit
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik en met name ten behoeve van de veiligheid en gezondheid van omwonenden, rijders en bezoekers. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet ten minste verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. Bodemonderzoek is noodzakelijk, indien er personen langer dan 2 uren per dag in een bouwwerk verblijven. Binnen het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig waar mensen langer dan 2 uur per dag verblijven. Hiervoor zijn de gebouwen te beperkt in omvang. Voor het aftanken van motoren wordt een milieumat, conform de richtlijnen van de KNMV gebruikt. Hierdoor wordt voorkomen dat de grond verontreinigd raakt. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is niet nodig. Het aspect bodem staat de uitvoerbaarheid niet in de weg. Bovendien is bij verlening van de tijdelijke vergunning in 2016 reeds bodemonderzoek uitgevoerd, waaruit is gebleken dat er geen belemmering is om de grond te gebruiken als motorcrossterrein.
27/41
Ondanks dat planologisch gezien geen bodemonderzoek plaats hoeft te vinden, is bij de start van de motorcrossactiviteiten wel de 0-situatie van de bodem bepaald (zie bijlage 2). Dit onderzoek is uitgevoerd door het bedrijf Bodemvisie en milieu (d.d. 18-10-2016, rapportnummer 160276). Tijdens de veldwerkzaamheden zijn plaatselijk enkele sporen asfaltgranulaat aangetroffen. Verder zijn geen waarnemingen gedaan, die op de mogelijke aanwezigheid van gelekte c.q. gemorste brandstofproducten en/of smeermiddelen zouden kunnen wijzen. Eveneens zijn geen aanwijzingen gevonden voor het eventueel recentelijk bijstorten van partijen grond. In de bovengrond zijn lichte verontreinigingen met metalen (overwegend kwik), PAK (VROM 10), PCB's en minerale olie aangetroffen. Deze resultaten geven, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen belemmeringen ten aanzien van het voorgenomen gebruik als crossbaan. Met de resultaten van het onderhavige onderzoek, is de 'nulsituatie' (voorafgaand aan de eerste crossactiviteiten) vastgelegd, met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bovengrond. De afgelopen jaren is baan incidenteel gebruik. Naar verwachting zullen er geen grote veranderingen plaats hebben gevonden aan de bodemkwaliteit.
Door na afloop van de tijdelijke situatie een vergelijkbaar 'eindsituatie onderzoek' uit te voeren, kan eventueel worden vastgesteld of de activiteiten al dan niet tot (additionele) bodemverontreiniging hebben geleid. De grond dient door de gebruiker schoon opgeleverd te worden. Voor wat betreft bodem wordt het plan uitvoerbaar geacht.
4.3
Ecologie
Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. in de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Voor deze ontwikkeling is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 3. De resultaten ten behoeve van de soortenbescherming zijn hieronder weergegeven. In het rapport wordt geadviseerd een Aerius berekening uit te voeren. Deze is uitgevoerd en opgenomen bij het onderdeel gebiedsbescherming. Soortenbescherming Uit de quickscan wet natuurbescherming blijkt dat niet valt uit te sluiten dat de voorgenomen activiteiten (naar verwachting) in strijd zijn met het onderdeel soortbescherming uit de Wet natuurbescherming. Er kunnen namelijk kleine marters en nesten van 'vogels zonder jaarrond beschermd nest' op de projectlocatie aanwezig zijn. In hoofdstuk 5 van het ecologisch onderzoek staan maatregelen die genomen kunnen worden om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen.
Voorkomen moet worden dat vernietiging plaatsvindt van vogelnesten óf een verstoring die van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van een in Europa inheemse vogelsoort. Nesten van deze soorten mogen niet beschadigd, weggehaald of vernietigd worden. Ook verstoringen die leiden tot het verlaten van het nest zijn verboden. De meeste vogels broeden globaal tussen half maart en half augustus. Echter, alle broedende
28/41
in Europa inheemse vogelsoorten zijn te allen tijde beschermd. In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen. Uit de zorgplicht volgt dat nadelige gevolgen voor flora of fauna voorkomen worden óf dat noodzakelijke maatregelen getroffen worden. Hiervoor zijn preventieve maatregelen mogelijk. De volgende preventieve maatregelen, ten aanzien van Vogels zonder jaarrond beschermd nest, kunnen worden gevolgd: Maatregel 1: voorkom dat vogels tot broeden komen op de crossbaan zelf. Tijdens het veldbezoek was er op de crossbaan een zandvlakte met een zeer korte vegetatie aanwezig. Broedgevallen op de baan kunnen voorkomen worden door te voorkomen dat de vegetatie kan groeien, bijvoorbeeld door buiten het broedseizoen te maaien en/of door op de baan zelf regelmatig te vlakken en nat te maken met een waterwagen als de grond droog is of onderhoud te plegen met shovel of tractor met rotorkopeg, schuifbord of sleepbord. Maatregel 2: Wanneer crossactiviteiten plaatsvinden buiten het broedseizoen, zullen broedvogels niet verstoord worden. Bij crossactiviteiten binnen de broedperiode zal vooraf een broedvogelinspectie uitgevoerd worden om te checken of er inderdaad geen broedvogels aanwezig zijn op de crossbaan.
De volgende preventieve maatregelen, ten aanzien van Kleine marters (wezel, hermelijn, bunzing), kunnen worden gevolgd: Maatregel 1: Voorkomen dat konijnenholen beschadigd of vernield worden. Het is voor bezoekers en motorrijders verboden om op het deel met de konijnenholen te komen. Uitsluitend vlaggers die op de springbulten moeten staan komen op het terrein tussen het parcours. Met name de vlaggers, maar ook bezoekers, motorrijders en andere betrokkenen dienen ingelicht te worden dat de het verboden is om de konijnenholen aan te raken in welke vorm dan ook. De vlaggers zullen door de motorcrossvereniging geïnstrueerd worden en een protocol uitgereikt krijgen. De konijnenholen kunnen in het veld gemarkeerd worden met bijvoorbeeld een laag paaltje zodat deze ten allen tijden zichtbaar zijn. Maatregel 2: Voordat activiteiten starten zullen aanwezige dieren (zoogdieren, kleine marters) tijdelijk verstoord moeten worden zodat zij vluchten en niet aanwezig zijn op de baan als de activiteiten bezig zijn. Na de activiteiten kunnen de dieren dan terugkeren. Om verkeersaanrijdingen zoveel mogelijk te voorkomen zal er vooraf aan de activiteiten tweemaal een onderhoudsactiviteit plaatsvinden: één de avond van te voren en één op de ochtend van de activiteiten. Deze onderhoudsactiviteiten moeten uitgevoerd worden door een tractor of shovel.
Deze zullen op gepast tempo rijden zodat de bestuurder alert kan zijn op eventueel overstekend wild. Door deze onderhoudsactiviteit vooraf over de gehele baan uit te voeren, is de verstoring (geluid, trillingen) van dermate orde, dat marters en zoogdieren zeker verstoord worden en vluchten. Ten zuiden van de crossbaan is een bosschage aanwezig waar ze kunnen schuilen. Door de onderhoudsactiviteit zowel in de avond als de ochtend uit te voeren, vind de verstoring plaats op verschillende momenten en is de kans het meest groot dat de dieren verstoord worden als ze in het plangebied aanwezig zijn en dus gevlucht zijn als de activiteiten starten. Wezels zijn namelijk dagactief, hermelijnen overdag en in de nacht, konijnen in de avond en nacht en bunzings in de nacht. In het plangebied kunnen zorgplichtsoorten voorkomen. De volgende maatregelen zijn aanvullend nodig om rekening te houden met zoogdieren en amfibieën: Voorkom betreding en activiteiten bij de ondiepe wateren tussen de paden van de crossbaan, om te voorkomen dat deze plekken vernietigd worden.
29/41
Kunstmatige verlichting werkt verstorend op zoogdieren en andere fauna. Voer de activiteiten daarom niet uit tussen zonsondergang en zonsopkomst. Voorkom of beperk daarnaast de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de projectlocatie. Voorkom ook het direct schijnen op wateroppervlakken of groenelementen, zoals bosschages en ruigtes. Verplaats individuen die aanwezig zijn op de crossbaan naar een vergelijkbare, veilige plek buiten de invloedssfeer van de activiteiten. Bij de start van de cross activiteiten zullen de initiatiefnemers rekening houden met de uitkomsten uit de quickscan en zullen de activiteiten op een zodanige wijze uitgevoerd worden dat rekening wordt gehouden met de voorgestelde werkwijze zoals beschreven in het rapport van Habitus. Wellicht ten overvloede, maar de bestaande situatie met zanderige hellingen langs waterpartijen heeft een groot positief effect op de biodiversiteit van de crossbaan. Deze hellingen zijn uitermate geschikt voor insecten. Dit is voor motorcrossterreinen in zijn algemeenheid ook aangetoond in een studie van de Zweedse professor Nils Ryrholm van de universiteit van Gävle.
Gebiedsbescherming Met betrekking tot de gebiedsbescherming gaat het om de bescherming van gebieden die zijn aangewezen als onderdeel van de Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en/of om gebieden die zijn aangewezen als Natura 2000-gebied. Wet natuurbescherming Om eventuele negatieve effecten op stikstofgevoelig gebied te kunnen bepalen en of er een vergunningplicht is in het kader van de Wet natuurbescherming, is een berekening uitgevoerd met het rekenprogramma AERIUS (zie bijlage 4). De crossbaan ligt op circa 1.600 meter afstand van het Natura 2000-gebied Waddenzee en op circa 3.600 meter van het Natura 2000-gebied Duinen Den Helder Callantsoog. Vanwege deze grote afstanden zijn effecten als verstoring, versnippering, verdroging etc. op voorhand uitgesloten. Effecten als vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie zijn op dergelijke afstanden niet op voorhand uit te sluiten. Op basis van het maximale gebruik van de crossbaan worden hieronder de effecten als gevolg van stikstofdepositie bepaald.
30/41
Figuur 11.
Ligging motorcrossbaan (rood) t.o.v. Natura 2000.
Uitgangspunten Uitgaande van een worst-case scenario vinden op de crossbaan vinden maximaal 12 activiteiten per jaar plaats met een duur van maximaal 8 uur per dag. Hierbij zijn gemiddeld 30 motoren tegelijk actief. In totaal zijn de motoren dus gemiddeld 2.880 uur per jaar actief. De gemiddelde snelheid van de motoren bedraagt maximaal 50 km/uur (o.b.v. de baanontwerpeisen van de KNMV) waarmee de totale afgelegde afstand op maximaal 144.000 km per jaar uitkomt. Op de crossbaan voor de jeugdige rijders zijn gemiddeld 4 motoren tegelijk actief gedurende maximaal 8 uur per dag. Daarmee zijn deze motoren 384 uur per jaar actief waarbij 19.200 km wordt gereden. Uitgaande van de emissiefactoren van CBS StatLine voor motoren (buitenwegen: 0,2 g NOx /km) zijn de totale emissies bepaald: Grote crossbaan: 28,2 kg NOx /jaar Kleine crossbaan: 3,8 kg NOx/jaar Totaal: 32 kg NOx/jaar. Voor de verkeersaantrekkende werking vanwege de coureurs en bezoekers wordt uitgegaan van 200 bestelwagens tijdens trainingen en 300 tijdens wedstrijden. Uitgaande van 12 activiteiten per jaar gaat het dus om 3.600 verkeersbewegingen per jaar. De gemiddelde etmaalbelasting (gemiddeld per jaar) bedraagt dan 10 mvt. Dit verkeer gaat op circa een kilometer afstand op in het heersende verkeersbeeld op het provinciale wegennet en kan derhalve qua milieu-effecten niet meer worden toegerekend aan de inrichting.
Resultaten Bovengenoemde emissiebronnen zijn ingevoerd in AERIUS Calculator. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. De activiteiten worden op basis van het aspect stikstofdepositie uitvoerbaar geacht. De resultaten zijn opgenomen in Bijlage 4. Dit betekent dat de activiteiten op dit punt uitvoerbaar zijn.
31/41
NNN (EHS) en Weidevogelleefgebied Het NNN wordt beschermd via het ruimtelijke spoor en is opgenomen in de Provinciale Structuurvisie. Ook de aanduiding Weidevogelleefgebied is opgenomen in de Provinciale Structuurvisie. Ruimtelijke ontwikkelingen, die de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland en weidevogelleefgebieden aantasten, staat de provincie in beginsel niet toe. De locatie grenst niet aan het NNN en/of Weidevogelleefgebied. Gelet op de aard omvang van de ontwikkeling en de afstand tot beschermde gebieden kunnen negatieve effecten op het NNN (afstand dichtstbijzijnde NNN gebied ruim een kilometer) en het Weidevogelleefgebied (ruim 5,5 kilometer) worden uitgesloten.
Figuur 12.
Ligging motorcrossbaan (rood) t.o.v. NNN gebieden.
Houtopstanden zijn onder de Wnb niet aan de orde. Het aspect ecologie is niet strijdig met de uitgangspunten uit de Wet Natuurbescherming. Voorafgaand aan de uitvoering van de activiteiten wordt in het kader van de algemene zorgplicht bekeken of maatregelen noodzakelijk zijn ter bescherming van vaste rust- en verblijfplaatsen. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor het initiatief.
4.4
Wegverkeerslawaai
In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg in principe een zone heeft waar aandacht aan geluidhinder moet worden besteed. Dit geldt ook voor spoorwegen. Daarbij onderscheidt de Wgh geluidsgevoelige functies (zoals woningen) enerzijds en niet-geluidsgevoelige functies anderzijds. Het project stelt geen nieuwe geluidsgevoelige functies voor. Er ontstaan dan ook geen strijdigheden met de Wgh. Wat betreft geluid zijn dan ook er geen belemmeringen voor dit project.
32/41
4.5
Water
Sinds 1 november 2003 is het verplicht plannen in het kader van de Wet ruimtelijke ordening te toetsen op water. Het doel van deze watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen. De waterhuishouding bestaat uit de overheidszorg die zich richt op het op en in de bodem vrij aanwezige water, met het oog op de daarbij behorende belangen. Het oppervlaktewater en het grondwater vallen onder de zorg voor de waterhuishouding. Naast veiligheid en wateroverlast (waterkwantiteit) worden ook de gevolgen van het plan voor de waterkwaliteit en verdroging onderzocht. Watertoets De watertoets is een procesinstrument dat moet waarborgen dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder. Het projectgebied ligt in het beheersgebied van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Het voorgenomen plan is aan het Hoogheemraadschap kenbaar gemaakt via de digitale watertoets (kenmerk: 20161103-12-13995). De samenvatting van deze watertoets is bijgevoegd in bijlage 8. Vervolgens heeft het Hoogheemraadschap in haar mail van 11 februari 2019 op de ingevulde watertoets gereageerd. De reactie is in deze paragraaf verwerkt.
Het beoogde voornemen heeft in beginsel beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. Er is namelijk sprake van een bestaande inrichting, die niet in gebruik is en waarvoor het tijdelijke gebruik gedurende een periode van ruim 3 jaar gebruikt gaat worden. Er vinden geen ingrepen plaats waardoor de waterhuishouding veranderd. Compenserende maatregelen zijn dan ook niet nodig. Daarnaast ontstaan er binnen de inrichting geen afvalstoffen, waarvoor specifieke maatregelen genomen hoeven te worden. Onderhoud Het natte profiel van de aan de westelijke zijde, oostelijke zijde en de zuidelijke zijde (middenin-langs de Middenvliet) van het projectgebied gelegen primaire en secundaire waterloop is in onderhoud bij het hoogheemraadschap. De uitvoering van de activiteiten hebben geen nadelige gevolgen voor het kunnen uitvoeren van (varend) onderhoud aan deze waterloop. Voor het onderhoud aan het droge talud van deze waterloop zijn de aanliggende eigenaren zelf verantwoordelijk. Verder grenst een tertiaire waterloop aan de noordelijke kant van het projectgebied. Deze waterloop is volledig in onderhoud bij de aanliggende eigenaren. Vanuit praktisch oogpunt wordt aangeraden een onderhoudspad van 5,0 m breed vrij te houden langs deze waterlopen.