CConstaterende datDen Helder
Koppel je AI →
Document · PDF

PODH Onderzoek VSFPM Definitief 20220214.pdf

Gemeenteraad 7 maart 2022, gemeente Den HelderBij agendapunt: 15: Voorstel met betrekking tot het rapport ‘Den Helder in de lichtenlijn’ van Panteia naar aanleiding van het onderzoek naar de N.V. Port of Den Helder33.184 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Samenvattend: 

Is PoDH succesvol betrokken bij 1 windpark: dan resulteert (cumulatief) tot 2030 een tekort van € 26,4 miljoen en kan per 2030, zelfs bij het wegnemen van niet strategische delen van de haven, niet winstgevend geopereerd worden .

Is PoDH succesvol betrokken bij 2 windparken: dan resulteert een cumulatief tekort van € 23,4 miljoen. Ook dan kan, zelfs bij het wegnemen van niet-strategische delen van de haven, niet winstgevend geopereerd worden.

Is PoDH succesvol betrokken bij 3 windparken, dan resulteert een cumulatief tekort van € 20,3 miljoen. Tegen 2030 kan het havenbedrijf dan break -even resultaten noteren, indien niet-strategische delen van de haven weggenomen worden.

Is PoDH succesvol betrokken bij 4 windparken, dan resulteert een cumulatief tekort van € 17,2 miljoen. Tegen 2030 kan het havenbedrijf dan winstgevend opereren, als de niet strategische delen worden weggenomen.

Het perspectief na 2030 is positief, onder de voorwaarde dat er in de haven extra ruimte gecreëerd wordt om ondersteuning van windparken op zee mogelijk te maken.

45

6

Personeel Qua personele omvang komt PoDH wat de beheerstaken betreft overeen met vergelijkbare havens in het Noordzeegebied. Dit geldt ook voor havens die niet gelegen zijn in Nederland. Wel is het zo dat Den Helder van al deze havens tot de kleinere havens behoort in termen van areaal en kadelengte.

6.1

Benchmark PoDH vergeleken met andere havens In onderstaande tabel is de kadelengte en aantal FTE opgenomen. Een vergelijking direct tussen activiteiten enerzijds en het aantal meter kade en het aantal FTE anderzijds is moeilijk te maken. Wel blijkt uit onderstaande tabel dat Den Helder niet uit de pas loopt, over deze beperkte verzameling havens komt het gemiddelde uit op 137 m kade per FTE, Den Helder ligt op 126 meter kade per FTE. Benchmark in aantal meter kade en aantal personeelsleden in 2020 Haven

lengte kade (meter)

aantal personeelsleden (fte)

Den Helder

2510

22

Harlingen

1500

8

Delfzijl/Eemshaven

5970

83

IJmuiden

1720

28

Esbjerg (Denemarken)

10000

76

Kristiansand (Noorwegen)

3000

15

Stavanger(Noorwegen)

5300

22

Aberdeen (Schotland)

5900

79

Een vergelijking tussen Den Helder en een aantal andere Nederlandse havens met betrekking tot het areaal (aantal hectaren in beheer) is in onderstaande figuur opgenomen. Uitgedrukt in ha per FTE komt Den Helder in 2020 op 14 ha/FTE, Delfzijl/Eemshaven en IJmuiden scoren lager met respectievelijk 8 en 6 ha/FTE, Harlingen ligt hoger met 45 ha/FTE. Ook hieruit blijkt dat Den Helder niet uit de pas loopt met de andere havens. Voor de buitenlandse havens is het niet mogelijk om vergelijkbare nauwkeurige (IBIS) data te verkrijgen. Figuur Bruto aantal hectaren in beheer: Den Helder in vergelijking met IJmuiden, Eemshaven/Delfzijl en Harlingen (bron IBIS)

47

6.2

Inhuur Er is bij PoDH sprake van relatief veel inhuur. PoDH is door de beperkte personele omvang gevoelig voor uitval van personeel. Hiervoor vindt inhuur plaats. Daarnaast voorziet inhuur ook in de behoefte aan specifieke deskundigheid die niet permanent in de organisatie nodig is. Met name op het gebied van HR en juridische ondersteuning vindt inhuur plaats. Daar waar binnen de organisatie op specifieke gebieden structureel expertise dient te worden opgebouwd volstaat een dergelijke oplossing op termijn niet. In onderstaande tabel is te zien dat de inhuur fluctueert over de jaren wat weer samenhangt met de specifieke omstandigheden die zich in dat jaar voordoen. Opvallend is de hoge inhuur in 2018 dat mede wordt verklaard door 42 weken ondersteuning op het gebied van finance en control (203 kEuro). jaar

FTE's (gemiddeld over het

Inhuur (euro *1000)

jaar) 2013

12,4

586

2014

14,9

304

2015

17,0

127

2016

18,7

316

2017

21,6

325

2018

20,9

514

2019

21,6

250

2020

21,6

240

2021 t/m sept

20,0

De uitdagingen voor de toekomst liggen op het aantrekken en faciliteren van Maintenance & Operations voor Wind op Zee. Vooral op dit gebied dient expertise beschikbaar te zijn. Al met al speelt PoDH op dit moment op vele borden tegelijk, deels ten gevolge van de nieuwe, nog onvolwassen markten die zich aandienen, deels door de noodzaak om inkomsten te genereren, deels door de in de statuten vastgelegde taken. Dit alles vraagt veel en mogelijk zelfs te veel van de organisatie. Samenwerking met andere partijen en meer focus kunnen hier een deel van de oplossing voor bieden.

48

7

Marketing In het algemeen is het voor de marktbenadering van belang dat PoDH duidelijkheid schept in wat PoDH kan en doet: profilering en positionering. Qua positionering heeft PoDH gekozen voor een rol als belangrijke haven voor de energie transitie op de Noordzee als pitstop haven voor logistieke dienstverlening, onderhoud en bevoorrading (concreet voor de olie- en gasplatforms, decommissioning en de activiteiten gerelateerd aan Wind op Zee). PoDH is zich er van bewust dat men geen partij is bij de bouw van windparken.

7.1

Profilering Qua profilering is PoDH actief bezig zich te laten zien, zowel bij de huidige klanten als bij de potentiële klanten in binnen- en buitenland, alsmede bij de relevante andere stakeholders (overheden, brancheorganisaties, etc). Dit is echter een zeer brede en diffuse groep van partijen, die frequent moeten worden gecontacteerd, wat een forse belasting is voor PoDH. Tevens is PoDH actief met lobbyactiviteiten naar de nationale overheid. Uit reacties van belanghebbenden blijkt dat niet altijd duidelijk is wat PoDH doet en wat zij

zelf

kunnen

beslissen.

Dit

wordt

vooral

gerelateerd

aan

de

gronduitgifte

(bijvoorbeeld: waarom een droog bedrijventerrein als Kooypunt als onderdeel van een zeehaven zoals PoDH), de rol van de aandeelhouder (PoDH kan een aantal belangrijke beslissingen niet zelf nemen) en aan het huidige, niet toereikend zijnde verdienmodel van de PoDH. Deze onduidelijkheid wordt deels ook in de hand gewerkt door de brede opdracht die PoDH heeft: zowel de PoDH rendabel laten opereren als de stad en de regio economische groei bieden. Voor de profilering van PoDH is een goed georganiseerd bedrijfsleven, dat zich kan en wil uitspreken over de kracht van PoDH en de regio, een belangrijke asset. Dit is er echter tot nu toe te weinig. De pogingen om dit via NSEG te organiseren zijn tot nu toe niet gelukt. Wel heeft het bestaan van NSEG er toe geleid dat de PoDH zich beter heeft kunnen profileren. Er wordt op dit moment nog een (laatste) poging gewaagd om het bedrijfsleven wel te enthousiasmeren voor NSEG. Een van de redenen die vaak worden genoemd door het bedrijfsleven voor de aarzelingen om mee te doen en om zich duidelijk uit te spreken voor PoDH is de door hen ervaren bestuurlijke onrust in Den Helder. De combinatie van een goed functionerende zeehaven en een goed functionerende luchthaven wordt door huidige klanten als positief ervaren.

7.2

Wind op Zee is cruciaal Het is cruciaal voor PoDH om bij de komende tenders voor windparken op zee op het netvlies te staan van deelnemende partijen als haven van waaruit Maintenance & Operations activiteiten plaats kunnen vinden. PoDH is zich daar ook volledig van bewust. De markt die samenhangt met offshore wind wordt als groot genoeg gezien voor iedereen, daarnaast wil de Nederlandse overheid voor 2030 nog eens 10 GW extra (en mogelijk nog 6 GW meer) op de Noordzee op delen van het continentaal plat die voor PoDH gunstig zijn gelegen).

49

Voor de Maintenance & Operations diensten wordt meestal gebruik gemaakt van de dichtstbijzijnde haven. Nu zijn dat vaak nog IJmuiden, Vlissingen (voor Borssele) en Eemshaven (voor Gemini en de Duitse windparken). De nog te ontwikkelen velden liggen dichter bij PoDH, wat een voordeel voor PoDH betekent. Contacten met de tenderende partijen zijn dus zeer belangrijk. Voor Wind op Zee zijn de recente tenders gewonnen door partijen die niet of nauwelijks gebruik gaan maken van PoDH. Bij de komende tenders (2 kavels op Hollandse Kust West, 1 kavel Ten Noorden van de Waddeneilanden en 4 kavels van IJmuiden Ver) zouden partijen die PoDH wel willen gaan gebruiken, gegeven de voordelen van de ligging van PoDH t.o.v. de andere zeehavens, als winnaar uit de bus moeten komen. PoDH is actief bezig in dit spel. Ook hierbij geldt weer dat voldoende ruimte daarbij van groot belang is. Wel moet worden gezegd dat de afname van de havengelden gerelateerd aan olie en gas pas gecompenseerd gaat worden door de toename van havengelden gerelateerd aan Wind op Zee indien er 3 of meer kavels worden gewonnen door partijen die voor PoDH kiezen.

7.3

Lobby naar grotere verbanden PoDH wordt door veel stakeholders als een te kleine partij gezien voor zaken die de directe rol als havenbeheerder overstijgen. Gezien de omvang van de problematiek is PoDH te klein en onvoldoende sterk. Tevens is de spin-off van deze activiteiten vaak indirect relevant voor de PoDH zelf. Belangrijk is om daarom de lobby te organiseren naar grotere verbanden, bijvoorbeeld het Maritiem Cluster. Hierdoor kan PoDH makkelijker aan tafel komen bij grote partijen. Vooral voor ontwikkelingen op het gebied van gebiedsontwikkeling en markten voor de verder toekomst zoals waterstof is dit zeer belangrijk. Hoewel het hier gaat om ontwikkelingen die zich afspelen op langere termijn, is snel kunnen voorsorteren en handelen hier een vereiste.

7.4

Terreinen De verwachtingen rond het vermarkten van terreinen aan de Kooyhaven zijn niet hooggespannen. Kooyhaven heeft geen gunstige ligging met betrekking tot offshore activiteiten. Bovendien is de toegestane milieu categorie dermate laag dat dit bijzonder selectief uitpakt voor bedrijven die zich zouden willen vestigen. Ook de diepgang van de vaarweg is beperkt. Afgelopen jaren zijn er geen terreinen verkocht. Voor de toekomst lijkt dit beeld zich nauwelijks te gaan wijzigen. Met betrekking tot andere activiteiten zoals de visafslag zijn er geen grote plannen. Dit getuigt naar ons idee van een realistische kijk. Wel is de visafslag bezig om aan Wind op Zee gerelateerde activiteiten naar ‘hun’ areaal toe te trekken, een ontwikkeling die indien dit slaagt ook goed zal zijn voor PoDH.

50

Bijlagen Bijlage A

Tijdreeksanalyses

A.1 Olie- en gaswinning

(1000 Nm3, 101325 Pa, 0°C) (in miljoenen)

Het volgende overzicht toont de ontwikkeling van de gaswinning op de Noordzee.

30 25 20 15 10 5 2002

2004

2006

2008

2010

2012

2014

2016

2018

2020

Olie- en gaswinning pre-2006 De periode voor 2006 laat een groei van het opgeboorde volume aan olie- en gaswinning uit zee zien. In 2005 zijn er zeven nieuwe velden ontdekt. Verwachtingen van het Nederlandse Olieen Gasportaal (NLOG) wijzen echter uit dat de hoeveelheid aanbod van gas uit de Noordzee substantieel zal dalen, van ordegrootte 38 miljard m³ in 2005 naar 19 miljard m³ in 2015. Na 2040 zal er geen gas meer worden gewonnen uit de Noordzee. Periode 2007-2010 - overdracht haven naar gemeente Voor de periode 2007-2010 laat de bovenstaande figuur een dalende lijn zien. Er zijn 143 locaties voor olie- en gaswinning op zee in deze periode. Naar verwachting zal er nog slechts een beperkt aantal nieuwe winlocaties op de Noordzee tot ontwikkeling gebracht worden. De verwachting is dat de locaties tussen 2010 en 2050 uitgeput raken. Het tempo waarin dat gebeurt, is afhankelijk van de olieprijs. Tussen 2020 en 2030 zal het meeste worden afgebouwd. De productiewaarde neemt af van 7,1 miljoen in 2004 naar 3,4 miljoen in 2015. Er is een afname van offshore werkgelegenheid te zien: van 1830 personen naar 860 personen. Ondergrondse CO 2 -opslag (Carbon Capture and Storage: CCS) heeft kansen ten noordwesten van Texel, maar dit is voor 2020 nog niet aan de orde. Er staan pilots op de planning bij Rotterdam en IJmuiden.

51

Er wordt geen zonne-energie op zee voorzien. Periode 2011 - 2013 In deze periode daalt de olie- en gaswinning verder. Deltares (2012) voorspelt dat per 2020 het aantal platforms en de productiehoeveelheid zal afnemen. Vanaf 2020 worden de meeste olie- en gaswinningen stopgezet. Wageningen University & Research (WUR, 2011) voorziet uitputting van olie - en gasvelden. De meest waarschijnlijke ontwikkeling is daarom dat het aantal platforms op het Nederlands Continentaal Plat al in 2020 zal zijn afgenomen. Een trend die zich richting 2030 en met 2040 op basis van de verwachte uitputting van de reserves, verder zal doorzetten. De verwachting is dat er een afname van 40% zal zijn in 2020, 60% in 2030 en 75-90% naar 2040 toe. Na uitputting zullen platforms worden opgeruimd (decommissioning) en zijn er kansen om CO 2 op te slaan in de gasvelden. Periode 2014 - 2018 In het Nederlandse deel van de Noordzee wordt voornamelijk gas gewonnen en nauwelijks olie. In 2015 werd ca. 28% van het Nederlandse aardgas op zee gewonnen. Op de Noordzee zijn naast NAM nog andere gasproducenten werkzaam. NAM is derde gasproducent op zee, met in 2015 een productie van rond de 2,4 miljard m3 per jaar. 10 In de scenario’s van PBL (2018) gaat men uit van uitpu tting van de bestaande olie- en gasbronnen, tot zelfs het onbenut laten van grondstoffen om aan de Klimaatdoelen te voldoen.

Er is een afname van het aantal installaties voor olie-/gas naar 20-67 per 2030 en 0-30 per 2050. Niet alle scenario’s van het PBL gaan uit van Carbon Capture and Storage (CCS) in lege gasvelden in de Noordzee. Periode 2019 – heden en vooruitblik De NAM wint momenteel geen olie meer op de Noordzee. Het zwaartepunt van de oliewinning op land ligt in Drenthe (bij Schoonebeek) en in mindere mate ook in ZuidHolland. 11 Het Nederlandse deel van de Noordzee telt momenteel nog zo’n 160 productielocaties, waarvan enkele in de territoriale wateren, maar het merendeel in het centrale deel van het Nederlands Continentaal Plat. Ontwerp Programma Noordzee 2022-2027 gaat uit van uitfasering van de olie- en gaswinning op de Noordzee. Het kabinet verwacht dat in het kader van de energietransitie vóór 2030 ongeveer 60% van de huidige offshore installaties in het Nederlandse deel van de Noordzee word t gesloopt dan wel hergebruikt/herbestemd voor andere doeleinden. Tussen 2030 en 2040 volgt dan de resterende 40%. 12

10

https://www.nam.nl/gas-en-oliewinning/aardgaswinning-op-zee.html https://www.nam.nl/gas-en-oliewinning/locaties-en-activiteiten.html#iframe=L21hcHMvZGVmYXVsdC8 12 https://storymaps.arcgis.com/stories/86c9ba2e94544d7fa8c7ed5ebe914678 https://www.noordzeeloket.nl/functies-gebruik/olie-gaswinning/ 11

52

via:

Er wordt bekeken in welke mate hergebruik van de stations voor het transport van waterstof aan de orde is. Mogelijk kunnen platforms in de toekomst dienstdoen in het kader van CCS. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat geeft in de Havennota 2020 -2030 aan dat in alle vijf havens van nationaal belang en ook in Den Helder behoefte is om aangesloten te zijn op een CO 2 buisleidingen netwerk. Partijen in en rond de haven van Den

Helder

verkennen

mogelijkheden

voor

CO 2

afvang-

en

opslag

via

de

gasinfrastructuur vanaf de NAM-installatie naar de lege gasvelden in de buurt van Den Helder. Om de ontwikkeling van het maritiem cluster in de Kop van Noord-Holland te versterken, investeert het kabinet als onderdeel van de derde tranche Regio Deals .

A.2 Wind op Zee Onderstaand overzicht toont de ontwikkeling van de capaciteit aan windenergie op de Noordzee, in MW.

4500 4000 3500

Aantal MW

3000 2500 2000 1500 1000 500 0 2002

2004

2006

2008

2010

2012

2014

2016

2018

2020

Wind op Zee pre-2006 Met de Noordzee heeft Nederland een gunstige plek voor windenergie vanwege: 

Relatief geringe waterdiepte;

Een gunstig windklimaat;

Goede havens en (industriële) energieverbruikers in de buurt. 13

Het aandeel van Wind op Zee in de totale winning van windenergie is sinds 2006 toegenomen, zie bovenstaand overzicht.

13

https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/duurzame-energie/windenergie-op-zee

53

Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat rapporteert in 1997 voor het eerst over Wind op Zee: “Massale plaatsing op zee wordt pas ruim na het jaar 2000 voorzien.” In 1999 volgt het “Plaatsingsplan Buitengaats”. In de Vierde Nota Ruimte (2004) wordt voor het eerst in Rijksbeleid de mogelijkheid opgenomen om windenergie op zee op te wekken. De doelstelling is 6.000 MW capaciteit per 2020.De eerste twee windparken (OFEZ en Prinses Amaliapark) worden vanuit IJmuiden gebouwd en komen in 2007 en 2008 gereed. Periode 2007 - 2010 - overdracht haven naar gemeente In 2010 worden windenergiegebieden op de Noordzee aangewezen: de Hollandse Kust, Borssele, het gebied ten Noorden van de Waddeneilanden en IJmuiden Ver. Vooralsnog is het totale vermogen in deze periode zeer beperkt. Er wordt een doelstelling gesteld voor 2020 van 4.450 MW op zee. Dit is een uitbreiding van 3.450 MW ten opzichte van het reeds opgestelde vermogen, maar een afzwakking van de eerdere doelstelling van 6.000 MW. Periode 2011 - 2013 Volgens het Energieakkoord voor duurzame groei (2013) 14 moet er in 2023 voor minimaal 4.500 MW vermogen aan windmolens op zee staan. Windmolens op zee leveren dan 3,3% van alle energie in Nederland. In deze periode ontwikkelt “Wind op Zee” zich verder. In 2013 publiceert het Rijk de Rijksstructuurvisie Windenergie op Zee. Er worden zes gebieden aangewezen in de Noordzee.

14

54

https://www.ser.nl/nl/thema/energie-en-duurzaamheid/energieakkoord/wat

Gebieden voor windenergie In de bovenstaande figuur zijn de volgende gebieden aangegeven :  Gebied Hollandse Kust – zoekopdracht 3.000 MW – vijf deelgebieden (Borssele, Hollandse Kust Zuid, Hollandse Kust Noord, Hollandse Kust West en IJmuiden Ver.  Gebied Ten Noorden van de Waddeneilanden – zoekopdracht minstens 1.000 MW.  Eerste parken (Hollandse Kust Zuid, Noord, Borselle) worden aangesloten in de periode 2016-2023. In het Energieakkoord voor duurzame groei is met de betrokken partijen afgesproken dat 4.450 MW aan windvermogen op zee operationeel is in 2023. WUR (2011) verwacht 9.000 MW in 2030 en 12-20 duizend MW in 2040. Tennet voorziet aanlanding van Wind op Zee bij de Eemshaven, IJmuiden, Maasvlakte en Vlissingen. Des te dichter op de Randstad, des te gunstiger. Periode 2014 - 2018 Vanaf 2015 neemt het aandeel van Wind op Zee in de totale winning van windenergie verder toe. In het Regeerakkoord (2017) 15 wordt afgesproken om het beleid van windenergie op zee verder door te zetten.

15

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/publicaties/2017/10/10/regeerakkoord2017-vertrouwen-in-de-toekomst/Regeerakkoord+%27Vertrouwen+in+de+toekomst%27.pdf

55

De komst van nieuwe windparken op zee brengen economische kansen met zich mee. Een grote thuismarkt geeft de Nederlandse offshore- en windsector de kans om zijn expertise verder te ontwikkelen en daarmee zijn internationale positie te versterken. In de Routekaart Windenergie op Zee geeft het kabinet aan waar en wanneer de nieuwe windparken komen. 16 Er worden tenders gepland die in 2021, 2022 en de periode 2023-2026 worden uitgezet voor de ontwikkeling van de gebieden Hollandse Kust West, Ten Noorden van de Waddeneilanden en IJmuiden Ver. Windparken zullen per 2024 t/m 2030 geleidelijk operationeel worden. Rekening houdend met de al bestaande windparken (circa 1 GW) en de te realiseren windparken uit de huidige routekaart Windenergie op Zee tot en met 2023 (circa 3,5 GW), betekent dit dat er tussen 2024 en 2030 windparken bij moeten komen met een gezamenlijk vermogen van circa 7 GW. PBL (2018) gaat uit van 4,5 tot 15 GW windvermogen op zee per 2030 en 12 tot 60 GW per 2050. Periode 2019 – heden en vooruitblik Het aandeel van Wind op Zee in de totale winning van windenergie is sinds 2006 toegenomen. Deze stijging geldt vooral voor de periode vanaf 2015 en zet in 2020 nog verder door. In 2020 waren er 462 opgestelde installaties in de winning van windenergie op zee (18% van het totaal) tegenover 36 in 2006 (2%).

Bij het opgesteld vermogen ging het in 2020 om 2.460 MW (2,5 GW, 37% van het totaal) tegenover 108 MW in 2006 (0,1 GW. 7%). In het Klimaatakkoord (2019) 17 is afgesproken om het beleid van windenergie op zee verder door te zetten. Het klimaatakkoord gaat uit van realisatie van circa 11,5 GW aan windenergie op zee. Dat is meer dan de 7 GW uit de Routekaart Windenergie op Zee 2030 uit 2018. In het Klimaatakkoord committeert de Rijksoverheid zich aan de volgende afspraken. De Rijksoverheid: 

neemt voor 2030 tijdig en voldoende kavelbesluiten;

verricht vooronderzoek, schrijft de vergunning en voldoende tenders;

geeft TenneT opdracht voor het aanleggen van het net op zee (zolang windparken elektrisch worden ontsloten);

en biedt zo mogelijk jaarlijks de tenders aan de markt voor de uitrol van tenminste 49 TWh (circa 11,5 GW) in overeenstemming met de routekaart 2030.

Aanscherping doelstellingen nieuwe windparken (tot 2030) In 2018 publiceerde het kabinet de tweede fase van de routekaart Windenergie op Zee voor de windenergiegebieden die tot en met 2030 in gebruik worden genom en voor het Klimaatakkoord. Samen met de windparken uit de eerste fase van de routekaart Windenergie op Zee, die in de periode tot en met 2023 gaan draaien, en de al bestaande windparken Luchterduinen en Gemini betreft dit een totale capaciteit van circa 10.700 MW. In 2018 was het beeld dat hiermee vanaf 2030 de afgesproken 49 TWh elektriciteit geproduceerd zou kunnen worden. Eind 2020 constateerde minister van Economische Zaken en Klimaat in een brief aan de Tweede Kamer dat op grond van de tot dan toe gehouden tenders voor Wind op Zee een nauwkeuriger voorspelling gemaakt kon worden van de productie van windenergie op

16 17

56

https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/duurzame-energie/windenergie-op-zee https://www.klimaatakkoord.nl/documenten/publicaties/2019/06/28/klimaatakkoord

zee in 2030. Op basis daarvan concludeerde minister dat het nodig is om tot en met 2030 nog circa 0,7 GW extra windcapaciteit te bouwen om er zeker van te zijn dat de afgesproken 49 TWh ook echt gehaald wordt. Daarmee zou de totale capaciteit in 2030 op circa 11,5 GW uitkomen. Daarnaast hebben in 2020, mede op aandringen van ons land, zowel de Europese Commissie als het Europees Parlement zich uitgesproken voor een ambitieuzere CO2reductiedoelstelling in 2030. Het advies van de Studiegroep Klimaatopgave Green Deal en het advies van de Stuurgroep extra opgave suggereren dat Wind op Zee een belangrijk aandeel moet hebben in het behalen van het strengere CO2-doel. Mogelijk is hiervoor tot 45 TWh elektriciteit extra nodig in 2030, wat overeen zou komen met circa 10 GW extra Wind op Zee. In het Aanvullend Ontwerp Programma Noordzee 2022-2027 worden, op basis van een integrale belangenafweging, de windenergiegebieden aangewezen die nodig zijn om tot 2030 invulling te kunnen geven aan de 49% CO2-reductiedoelstelling van dit kabinet. Tevens wordt hiermee de extra opgave van 10 GW windenergievermogen, noodzakelijk voor het halen van de 55% CO2- reductiedoelstellingen van de EU, mogelijk. Met het Aanvullend Ontwerp wordt met 16,7 GW meer ruimte aangewezen dan strikt noodzakelijk is. Dat biedt voldoende flexibiliteit om binnen die ruimte maximaal 10,7 GW

te

kunnen

realiseren

in

de

periode

tot

en

met

2030.

De

aangewezen

windenergiegebieden IJmuiden Ver (noord), zuidelijk deel Hollandse Kust (west), en de windenergiegebieden 1, 2 en 5 oost bieden maximaal ruimte voor 16,7 GW aan windenergie. De voorwaarde is dat hiervan tot en met 2030 maximaal ruimte voor 10,7 GW wordt benut. In welke gebieden en in welke volgorde beschikbare ruimte wordt gebruikt voor windparken, wordt besloten in het kader van de Routekaart 2030+. Het ministerie van EZK stelt deze in afstemming met andere departementen op. Beeld op de langere termijn Het kabinet publiceert ook een Vervolgroutekaart voor de periode na 2030. Daarin worden 8 zoekgebieden geïdentificeerd, naast uitbreiding binnen 2 bestaande gebieden. In 2050 is 38 GW tot 72 GW op zee nodig. Het Klimaatakkoord spreekt van gro ei naar maximaal 60 GW in 2050. De Rijksoverheid geeft de kavels uit met tenders, waarin windparkontwikkelaars met elkaar concurreren om de vergunning. De windparken in het windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) zullen in 2022 en 2023 de eerste subsidievrije windparken ter wereld in bedrijf zijn. De energie van windparken gaat via elektriciteitskabels naar land: het net op zee. TenneT is hiervoor aangewezen als netbeheerder. TenneT zorgt dan ook voor de aansluiting van de windparken via het net op zee op het elektriciteitsnet op land. 18 De eerste tenders voor windparken tot en met 2030 hebben inmiddels plaatsgevonden.

De installatie en Maintenance & Operations van deze windparken worden vanuit IJmuiden

gedaan

en

niet

vanuit

Den

Helder.

Er

zijn

nog

twee

kansen:

de

windparkontwikkeling voor de Hollandse Kust West en IJmuiden Ver. Maintenance & Operations activiteiten worden pas na 2025 voorzien.

18

https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/duurzame-energie/windenergie-op-zee

57

 

  

 

58

Zoekgebieden 2-3, 6-8 liggen het gunstigst voor Den Helder. Zoekgebied 8 (<2 GW) kent een hoge toegevoegde waarde per TWh, maar biedt slechts beperkte ruimte en het is onzeker of alle geïdentificeerde risico’s (scheepvaart, natuur) hier te mitigeren zijn. Zoekgebied 7 (8 GW) kent een negatief maatschappelijk rendement. Zoekgebied 6 (10 GW): Lage toegevoegde waarde per TWh, risico’s met natuur.. Koppeling aan een energiehub. Zoekgebied 2 (5 GW): Hoge toegevoegde waarde per TWh, koppeling met IJmuiden Ver. Knelpunt: mijnbouw is hier tot 2035 zeker nog actief. Verder aandachtspunten voor de natuur. Zoekgebied 3: klein gebied, potentie voor 2 GW, aandachtspunten voor de natuur. Aanzienlijke toegevoegde waarde per TWh. Rapport Economische bijdrage Windenergie op Zee becijfert de directe economische toegevoegde waarde van Maintenance & Operations van windturbines op zee op 50 miljoen euro per jaar. Daar zijn 200 FTE aan banen mee gemoeid. Het rapport toont wel een sterke groei van de Maintenance & Operations sector en signaleert grote kansen. Het rapport van ECHT (2019) laat zien dat de sector kan groeien naar 420 FTE voor het in Nederland opgestelde vermogen in 2030. Ter vergelijking: de offshore olie & gas sector kent een werkgelegenheid van ongeveer 4.000 personen.

A.3 Visserij Het volgende overzicht toont de ontwikkeling van de omzet van de visafslagen in Nederland, in miljoenen euro.

140 120 100 80 60 40 20

1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020

0

Urk

IJmuiden

Den Helder

Harlingen

Scheveningen

V i s s eri j p r e- 20 06 De vloot die gebruik maakt van de Helderse afslag bestaat uit ca. 20 schepen uit Den Helder en 20 uit Texel. De onderstaande figuur laat zien dat de omzet van de visafslagen tot 2006 min of meer constant blijft (Urk, Harlingen, Scheveningen) of daalt (Den Helder, IJmuiden). In het kader van het Europees Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) worden restricties op vangsten en vistuigen gebiedsgericht opgelegd. De vangstquota nemen af waardoor er minder vis aan wal aangeland kan worden. Periode 2007 - 2010 - overdracht naar gemeente Onderzoeksinstituut Deltares rapporteert in 2012 dat de economische waarde van de visserij op het Nederlandse deel van de Noordzee tussen 2005-2015 met 8% tot 50% zal afnemen. Een onderzoek van Royal Haskoning en Rebel uit 2008 wijst uit dat de productiewaarde van vis zal dalen van 108 miljoen per jaar (2004) naar 79 miljoen per jaar (2015). De werkgelegenheid neemt af van 610 werknemers naar 445 werknemers. De omzet van de visafslagen laat een wisselend beeld zien. IJmuiden en Scheveningen laten een stijgende lijn zien. De omzet van Urk fluctueert met de jaren, maar de tendens is omlaag. Harlingen en Den Helder dalen vooral.

59

Periode 2011 - 2013 Naar verwachting zal de intensiteit van de diverse vormen van visserij tot 2040 in omvang van de vangst afnemen door de afnemende quota. Alleen de quota voor schol en tong vertonen de laatste paar jaar weer een kleine toename. De omzet van de visafslagen in Nederland vertonen een grillig patroon. In het bijzonder geldt dit voor Urk, IJmuiden stijgt, ook Harlingen herstelt zich van eerdere dalingen. Scheveningen en Den Helder blijven gelijk, zie de bovenstaande figuur. De WUR verwacht in 2011 dat er een afname van de visserij van 2% per jaar zal zijn. In 2020 nog 70-90% van het volume in 2010; naar 2030 slechts 50-85%. Er wordt een geleidelijke toename van aquacultuur verwacht, maar er is op dit vlak nog veel onderzoek en innovatie nodig. Periode 2014 - 2018 Er wordt spanning bemerkt tussen duurzame voedselvoorziening uit de Noordzee en natuurbescherming. De gemeenschappelijke deler is dat beide functies baat hebben bij een gezond ecosysteem. Traditionele vormen van visserij brengen schade aan de bodem. Diversiteit van de visstand is een probleem. Er wordt geconstateerd dat de economische toegevoegde waarde in de periode 2005-2015 ongeveer gelijk gebleven is. Op de langere termijn ontstaat druk op de visserij door ruimteclaims vanuit Wind op Zee en N2000. De krimp van de vloot zal zich verder doorzetten. Aquacultuur is in opkomst.

Periode 2019 – heden en vooruitblik Als gevolg van Brexit start in deze periode uitfasering van het gebruik van Britse visgronden voor EU-vissers. De beschikbare ruimte voor de visserij op de Noordzee zal de komende jaren (aanzienlijk) afnemen. Er wordt groei verwacht voor aquacultuur.

A.4 Marine Het volgende overzicht toont de ontwikkeling van de werkgelegenheid bij de Koninklijke Marine in duizenden personen.

60

(x 1.000)

20 18 16 14 12 10 8 6 4 2 0

Bron: De Nederlandse Maritieme cluster: Monitor (diverse jaargangen)

M a r in e p re - 20 06 Bovenstaand overzicht laat zien dat het aantal arbeidsplaatsen bij de Marine in deze periode daalt van 18.000 naar 14.500. Daarvan zijn er 8.000-9.000 werkzaam in Den Helder. De Marine is niet bereid ruimte af te staan aan de haven voor civiel medegebruik. Periode 2007 - 2010 - overdracht naar gemeente In deze periode worden er geen veranderingen verwacht in de ruimtebehoefte op zee. Het aantal werknemers blijft verder dalen, van 14.500 in 2006 naar ongeveer 14.000 in 2010. Civiel medegebruik van de voor militair gebruik aangewezen gebieden is toegestaan voor zover dit is te verenigen met de militaire oefeningen. Periode 2011 - 2013 Het aantal werknemers bij de Koninklijke Marine daalt in deze periode verder, van ordegrootte 14.000 werknemers in 2010 naar ordegrootte 12.000 werknemers eind 2013. Periode 2014 - 2018 Bovenstaande figuur toont de ontwikkeling van de werkgelegenheid bij de Koninklijke Marine (landelijk) in de periode t/m 2018. Duidelijk zichtbaar is dat de eerdere afname gestopt is. Periode 2019 – heden en vooruitblik De werkgelegenheid bij de Koninklijke Marine neemt in deze periode toe van 12.400 mariniers (landelijk) naar ordegrootte 13.400 mariniers in 2020. De defensienota wijst op 6,4 miljard investeringsruimte voor d e Marine, in te zetten voor nieuwe schepen.

Een flink deel van de bijbehorende werkgelegenheid en investeringen komt in Den Helder terecht. Het ruimtegebruik door de Marine in de haven neemt dus toe. Er wordt gesproken over forse investeringen en over 2000 (in)directe arbeidsplaatsen in Den Helder.

61

Het Maritiem Masterplan gaat uit van een launching customer rol voor de overheid om vaartuigen te vergroenen. Het gaat om hulpvaartuigen en havenduikvaartuigen van de Marine. Er is een aanvraag ingediend voor het Nationaal Groeifonds. Er ontstaat spanning tussen energieopwekking op zee en de militaire oefengebieden. De mogelijkheden tot verplaatsing of medegebruik wordt onderzocht.

A.5 Zeevaart en binnenvaart Het volgende overzicht toont de ontwikkeling van de binnenvaartoverslag in de haven van Den helder in miljoenen tonnen.

1400

1200

1000

800

600

400

200

0 1996

2001

2006

2011

2016

Z ee va a r t e n bi nn en va a rt p r e -2 00 6 In deze periode wordt de uitbreiding van binnenvaartoverslag met regionale, beperkt tijdgevoelige ladingstromen, zoals bouwmaterialen, schroot en biomassastromen, als kansrijk geacht. De totale volumes zijn beperkt, zoals het onderstaande overzicht laat zien.

62

1400

[x 1.000 ton]

1200 1000 800 600 400 200 0 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 Landbouw- producten; dieren

Voedings- producten; veevoeder

Vaste brandstoffen

Aardoliën; aardolieproducten

Ertsen en metaalresiduen

Metalen; metalen halffabrikaten

Ruwe mineralen en bouwmaterialen

Meststoffen

Chemische producten In 2003 besluit Spaansen B.V. weg te trekken van de Westoever van Den Helder en zich te vestigen in Harlingen. Periode 2007 - 2010 - overdracht haven naar gemeente De binnenvaartoverslag bij Den Helder fluctueert sterk, maar in absolute waarde is deze klein. De belangrijkste goederensoorten die hier worden opgeslagen zijn aardgascondensaat bij

de

NAM,

bunkerolie

bij

Gulf,

bouwmaterialen

bij

de

betoncentrale

en

zand/grindwinning van Spaansen. Periode 2011 - 2013 Tussen 2011 en 2014 is er een daling van overslag in de binnenvaart te zien door minder aardgascondensaat. Periode 2014 - 2018 Tussen 2015 en 2018 is er een daling van de binnenvaartoverslag door afnemende aardgasopbrengsten (en dus minder condensaat). Verder is er minder bunkerolie door afname van de havenactiviteiten. De betoncentrale voert nauwelijks nog grondstoffen aan over water. Periode 2019 – heden en vooruitblik De

binnenvaartoverslag

stabiliseert

zich

op

een

laag

niveau.

Er

is

weinig

aardgascondensaat en minder diesel benodigd. Er is interesse vanuit Kolhorn om zich te vestigen op Kooyhaven: brandstoffendepot. KiM concludeert dat de Kop van Noord-Holland een witte vlek is in het netwerk van containeroverslagpunten.

63

A.6 Bedrijventerreinen Bedrijventerreinen pre-2006 In de periode 2000-2005 krimpt de werkgelegenheid in de Kop van Noord-Holland. De omzetgroei van bedrijven blijft achter bij het landelijke gemiddelde. Ook trekken diverse bedrijven weg uit Den Helder, waaronder Spaansen B.V. dat haar hoofdkantoor verplaatst naar Harlingen. In 2002 wordt er ingezet op de realisatie van een Regionaal Havengebonden Bedrijventerrein (RHB) in de kop van Noord-Holland. Een regionaal bedrijventerrein is vooral bestemd voor bedrijven met een bovenregionale afzetmarkt die inkomsten voor de regio genereren. Een harde randvoorwaarde voor ontwikkeling van het RHB is, zoals de naam al zegt, dat de te vestigen economische activiteiten zowel regionaal als havengebonden zijn. Prognoses van de ruimtebehoefte op het RHB lopen uiteen, afhankelijk van aannames en de gehanteerde periode. Er

wordt

hiervoor

een

gebied

aangewezen

ten

zuidoosten

van

het

Helderse

bedrijventerrein Kooypunt, op grondgebied van de gemeente Anna Paulowna. Het gebied beslaat circa 84 hectare landbouwgrond (bollenteelt) en aan de randen van het gebied bevinden zich woningen. Verwacht wordt dat het terrein zich zal specialiseren in offshore en / of duurzame energie. 19 In 2004 wint Heijmans Vastgoed een Europese aanbesteding voor de ontwikkeling van het RHB. Na deze procedure ligt het project echter een aantal jaren stil, mede doordat de gemeenteraad van Anna Paulowna nog niet overtuigd is van het nut en de noodzaak. 20 Periode 2007 - 2010 - overdracht haven naar gemeente Vanuit het Rijk maakt Staatssecretaris Huizinga €62 miljoen beschikbaar voor de tijdelijke regeling Quick Wins Binnenhavens. De financiële bijdrage die gemeenten en provincies via deze regeling kunnen ontvangen is bedoel d voor de uitvoering van zogenaamde “snel” uit te voeren infrastructurele binnenvaartprojecten. Deze projecten bestaan uit snelle maatregelen om het functioneren van binnenhavens en regionale vaarwegen voor het beroepsgoederenvervoer over water te verbeteren. Verder financiert

de

regeling

projecten

om

de

mogelijkheden

voor

overslag

vanuit

binnenschepen naar de wal te vergroten of op zijn minst op peil te houden. Voorbeelden van investeringen in infrastructuur die in aanmerking komen voor een bijdrage zijn:  Extra verdieping van vaarwegen;  Uitbreiding van bestaande loskades en loswallen langs vaarwegen;  Nieuwe loskades en loswallen, bijvoorbeeld in het geval van herstructurering of verplaatsing van natte bedrijventerreinen;  Het aanleggen van de noodzakelijke droge of natte ontsluitingsweg om de logistieke functie van de nieuwe kade te garanderen (in het geval van een herstructurering of verplaatsing);  Het aanleggen van een geluidswal in het geval de geluidhinder een hinderpaal vormt voor uitbreiding van een nat bedrijventerrein;  Maatregelen ter verbetering van brugbediening.

19

VENW DGLM-2008, Quick wins vaarwegen en binnenhavens Noord-Holland, selectie, beoordeling en prioritering t.b.v. aanvraag rijksbijdrage, concept, 27-8-2008. 20 Idem.

64

Het project RHB Kooyhaven is één van de projecten die in aanmerking komen voor deze regeling. 21 In 2007 gaat de gemeenteraad van Anna Paulowna, die aanvankelijk tegenstemde, alsnog akkoord met de ontwikkeling van RHB Kooyhaven na een aanvullend onderzoek door Decisio. 22 In maart 2008 sluiten Heijmans Vastgoed en het Ontwikkelingsbedrijf Noord-Holland Noord (NHN) een samenwerkingsovereenkomst als risicodragende partijen. De gemeenten Anna Paulowna en Den Helder hebben de overeenkomst mede ondertekend, de eerste vanuit planologisch perspectief en de tweede vanuit het oogpunt van afstemming van het bedrijventerrein op haar havenfuncties. De provincie Nood-Holland heeft een coördinerende rol bij het project. 23 De procedure wordt vervolgens in gang gezet om het RHB Kooyhaven planologisch te regelen. In 2009 brengt Royal Haskoning echter een negatief advies uit aan Gedeputeerde Staten over financiering van de Kooyhaven. Volgens het adviesbureau zijn de risico’s te groot, is de Kooyhaven niet aantrekkelijk voor bedrijven die met windenergie te maken hebben en leidt de ontwikkeling van de RHB tot weinig extra werkgelegenheid. Projectgroep RHB, waarin bouwbedrijf Heijmans en de gemeenten Den Helder en Anna Paulowna in zitten, is het hier mee oneens en stelt dat er een groot tekort is aan terreinen aan het water waar bedrijven zich kunnen vestigen.

Volgens de projectgroep kan het ertoe leiden dat bedrijven wegtrekken, wat een zware klap zal betekenen

voor de

werkgelegenheid in de regio, die al te kampen heeft met een moeilijke economische tijd (marine bezuinigt, bollenteelt en visserij zitten in zwaar weer). 24 Uiteindelijk wordt de ontwikkelprocedure

van

milieueffectrapportage

RHB

(MER)

en

Kooyhaven het

na

het

gereedkomen

ontwerpbestemmingsplan

in

van

2009

de

wegens

financieel-economische redenen weer stilgelegd. 25 Periode 2011 - 2013 In 2012 onderzoekt het consortium Ballast Nedam Infra BV, Dura Vermeer en De Vries en Van de Wiel op welke wijze de ontwikkeling van RHB Kooyhaven tot een positief resultaat kan leiden. Dit leidt tot een nieuwe planopzet. Vanwege de verstreken periode na het stilleggen van de procedure en het aanpassen van het plan, wordt in 2013 opnieuw

de

planologische

procedure

opgestart.

De

besluitvorming

over

het

bestemmingsplan vindt plaats door een nieuwe raad, omdat er een gemeentelijke herindeling heeft plaatsgevonden. Periode 2014 - 2018 RHB Kooyhaven is het eerste ruimtelijke project uit de Routekaart van PoDH dat werd voltooid. De daadwerkelijk aanleg ervan startte op 25 januari 2016. De direct hierbij betrokken marktpartijen waren Dura Vermeer en De Vries & Van de Wiel . Oplevering van het bedrijventerrein vond plaats in voorjaar 2017. Tijdens de opening op 7 maart 2017 werd ook de eerste onderneming gepresenteerd, die zich op RHB Kooyhaven zou vestigen: Glomar Offshore B.V. Glomar is een gerenommeerde speler op de offshore markt, die een gevarieerde vloot van speciaal gebouwde offshore support schepen exploiteert en daarmee diens ten levert aan zowel 21

VENW DGLM-2008, Quick wins vaarwegen en binnenhavens Noord-Holland, selectie, beoordeling en prioritering t.b.v. aanvraag rijksbijdrage, concept, 27-8-2008. 22 Decisio, Nut en noodzaak Regionaal Havengebonden Bedrijventerrein Kop van Noord-Holland. Amsterdam, juni 2007: https://www.scribd.com/document/2531346/65-110564 23 VENW DGLM-2008, Quick wins vaarwegen en binnenhavens Noord-Holland, selectie, beoordeling en prioritering t.b.v. aanvraag rijksbijdrage, concept, 27-8-2008. 24 ‘Haskoning slaat plank over Kooyhaven mis’, 28-10-2009, https://www.stichting-jas.nl/2009/10/haskoningslaat-plank-over-kooyhaven-mis.html 25 Bestemmingsplan RHB Kooyhaven (2013), https://www.planviewer.nl/imro/files/NL.IMRO.1911.RHBKopvanNH-VA01/t_NL.IMRO.1911.RHBKopvanNHVA01.html

65

de olie & gas- als windindustrie. Glomar wilde op RHB Kooyhaven onder meer warehousing te vestigen voor klein onderhoud aan schepen en om mobilisaties voor de windindustrie te kunnen realiseren. De verwachting van PoDH was dat de komst van Glomar naar het RHB Kooyhaven een sterk aanzuigende werking zou hebben op de gehele offshore markt. Uiteindelijk zag Glomar echter af van vestiging, met name in verband met de toegestane diepgang. De insteekhaven op het RHB Kooyhaven is weliswaar aangelegd voor schepen met een diepgang van 4,5 meter, maar de toegang ertoe – het Noord-Hollands Kanaal – is vanwege regelgeving vanuit de provincie Noord-Holland niet toegankelijk voor schepen met een diepgang van meer dan 3,3 meter. De provincie is nameli jk bang zijn dat te diep stekende schepen schade toebrengen aan de kanaaloevers. Glomar heeft voor haar schepen een diepgang van 3,8 meter nodig. Periode 2019 – heden en vooruitblik STEC heeft in 2020 een behoefteraming gemaakt van de werklocaties in de pr ovincie Noord-Holland. Voor de regio ‘Kop van Noord-Holland’ wordt geconcludeerd dat er meer aanbod aan bedrijventerreinen is dan uitbreidings- en vervangingsvraag tot 2030 (en 2040). Er is dus geen additionele behoefte aan terrein. Wel geeft STEC aan dat additionele ruimtevragers zoals datacenters zijn geleid op bedrijventerreinen en dat juist deze partijen moeilijk te ramen zijn.

Ook wordt aangegeven dat het maritieme en offshore cluster in Den Helder er aan bijdraagt dat Den Helder potentie heeft om trends zoals de productie van waterstof en opslag van CO2 te faciliteren. Dit kan leiden tot ruimtevraag van nieuwe partijen die nu nog onvoldoende geraamd zijn in de kwantitatieve raming. Dit kan effect hebben op de ruimtevraag, maar volgens geluiden opgehaald tijdens de marktconsultatie zullen deze ontwikkelingen niet de komende tien jaar al spelen.

A.7 Recreatie In de volgende overzichten wordt in de vorm van tijdreeksen het aantal rivercruise aanlopen in Den Helder weergegeven. Vergeleken met het in de nabijhei d gelegen Enkhuizen en Hoorn zijn deze van een veel kleinere omvang. Ook de gemiddelde scheepsgrootte is kleiner.

Bron:

‘Update

Ontwikkeling

recreatievaart

in

2030,

2040

en

Passagiersvaart en gevolgen Corona’, Waterrecreatie Advies (2020 ).

66

2050,

inclusief

Het

aantal

sluispassages

over

de

jaren

is

opgenomen in het onderstaande overzicht.

De markt voor recreatievaartuigen is een kleine markt voor PoDH. Het bespreken van verschillende tijdvakken heeft hier geen zin: in het bedrijfsplan 2014 -2018 wordt alleen vermeld dat de Helderse haven betekenis heeft voor de recreatieve scheepvaart. Deze notie wordt verder niet uitgewerkt. In het bedrijfsplan voor 2018-2028 wordt voor de cruisevaart vermeld dat inkomsten geen substantiële omzet genereren. Panteia schat op basis van een ruwe berekening in dat de recreatieve scheepvaart voor PoDH een beperkte inkomstenbron kan opleveren in de orde van grootte van 100.000 euro per jaar die, zoals PoDH ook constateert, echter niet zal opwegen tegen de investeringen en onderhoudskosten.

67

Bijlage B

Antwoorden op specifieke vragen

B.1 Visie Hoe heeft de visie van de gemeente en het havenbedrijf zich ontwikkeld vanaf het moment dat nog sprake was van een gemeentelijk havenbedrijf en wat is de actuele visie voor de komende jaren? De realiteit van de actuele visie dient te worden onderbouwd met feitelijke gegevens en ontwikkelingen. Zie hoofdstuk 4 in de rapportage. Hier wordt uitgebreid ingegaan op de visie voor zowel verleden, heden als op het toekomstperspectief. Hoe reëel zijn de kansen die er thans worden gezien, waaruit blijkt dat en welke alternatieven zijn er voor nu, straks en in de toekomst? Welke alternatieven zijn er als de kansen langer op zich laten wachten? De inkomstenbronnen voor PoDH waren (en zijn) in belangrijke mate gerelateerd aan de scheepsbewegingen voor het beheer en onderhoud van olie- en gas installaties op de Noordzee. De afgelopen jaren zijn deze inkomsten teruggelopen door een verminderde olie- en gaswinning. Dit is een proces dat al jaren aan de gang is en wat door de energietransitie en het Rijksbeleid verder wordt versneld. In praktijk hebben de inkomsten een wisselend verloop maar rond 2040 zijn deze waarschijnlijk minimaal. Andere inkomstenbronnen, zoals de visserij nemen ook af. De huidige visafslag gaat zich op alternatieve markten richten. Het potentieel aan havengelden vanuit cruisevaart en recreatievaart is beperkt.

De mogelijkheden om de wegvallende omzet vanuit olie en gas kunnen alleen –en dan nog voor een deel- worden opgevangen door de activiteiten rond Wind op Zee. Inkomsten uit gronden worden als beperkt gezien (Kooypunt wel inkomsten, maar niet echt aan de zeehaven gekoppeld; Kooyhaven beperkte inkomsten verwacht). Hoe wordt de concurrentiepositie ten opzichte van andere Noordzeehavens beoordeeld? Voor de olie- en gasmarkt heeft Den Helder een sterke positie. Concurrentie met betrekking tot Wind op Zee wordt vooral ondervonden vanuit IJmuiden en de Eemshaven. De concurrentiepositie wordt sterk bepaald door de a fstand tot de windparken, in vergelijking met de andere havens. Haven- en kadegelden in Den Helder zijn verder vergelijkbaar met andere vergelijkbare havens. Voor het aankomend windpark HKW is Den Helder vergelijkbaar gepositioneerd vergeleken met IJmuiden . Voor IJmuiden Ver is Den Helder beter gepositioneerd (qua locatie). Wat gaan de ontwikkelingen met betrekking tot de infrastructuur van de haven betekenen voor N.V. Port of Den Helder als er een bestuurlijk akkoord dit najaar wordt afgesloten met de partijen van het havencluster? Deze vraag lijkt minder relevant. Er is afgelopen najaar geen bestuurlijk akkoord gesloten met de partijen van het havencluster.

Meer in het algemeen geldt dat wanneer er een klimaat geschapen wordt waarin een koers uitgezet kan worden voor de komende jaren voor de ontwikkeling van de haven van Den Helder, dit een positieve invloed zal hebben. Onzekerheid daarentegen leidt ertoe dat bedrijven afwachtend zijn of zich zelfs tot een concurrerende haven wenden.

69

B.2 Structuur In hoeverre zijn de argumentatie en verwachtingen die hebben geleid tot privatisering van het gemeentelijk havenbedrijf uitgekomen en nog steeds valide?

Hierbij

dient

ook

te

worden

ingegaan

op

de

beoogde

samenwerkingsverbanden met de provincie en/of andere havenbe drijven. Bij de verzelfstandiging lagen de argumenten voor verzelfstandiging o.a. op het vlak van meer efficiency, flexibiliteit en betere mogelijkheden voor marktbenadering. De vergelijking met het oorspronkelijke gemeentelijke havenbedrijf is op dit pun t lastig, aangezien de (markt)omstandigheden sterk afwijken van de situatie toen. Een ander argument om te verzelfstandigen was dat op deze manier de financiële risico’s voor de aandeelhouder beperkt konden worden tot maximaal de waarde van de aandelen. Di t argument blijkt niet te handhaven. De gemeente zal PoDH niet snel laten vallen, omdat PoDH ook een belangrijke functie heeft voor gemeente en regio. Daarom is op verzoeken tot bijstorten tot dusver positief gereageerd. In adviezen rond de verzelfstandiging werd een gedeeld aandeelhouderschap aanbevolen. Uiteindelijk is bij de verzelfstandiging gekozen voor de gemeente als 100% aandeelhouder. Medeaandeelhouders zijn toen niet gevonden. De inbreng van natte infrastructuur met publieke functie in PoDH zonder een directe vergoeding voor beheer en onderhoud af te spreken door gemeente aan PoDH heeft niet bijgedragen aan de bereidheid van derde partijen om toe te treden als aandeelhouder.

Vanuit de provincie Noord-Holland en Port of Amsterdam staat men niet open voor een gedeeld aandeelhouderschap waarbij men geconfronteerd wordt met het afdekken van kosten uit het verleden. Door nu duidelijke afspraken te maken over de vergoeding voor dit onderhoud, wordt aan een noodzakelijke voorwaarde voldaan. Er

is

gekozen

commissarissen.

voor

een

Welke

structuur

opties

van

een

er

bij

waren

N.V. de

met

een

privatisering

raad en

van

welke

overwegingen hebben geleid tot deze keuze? In principe is de N.V-vorm een gebruikelijke structuur voor een verzelfstandigde haven. Vergelijkbare havens in Nederland zijn ook meestal Naamloze Vennootschappen. De Startnotitie ‘naar een verzelfstandigd havenbedrijf’ spreekt over het feit dat (1) alleen publiekrechtelijke rechtspersonen aandeelhouder kunnen worden van PoDH, naast vennootschappen waarvan de aandelen door een publiekrechtelijke rechtspersoon worden gehouden (2) PoDH niet naar de beurs kan en (3) dat het aandelenpakket van de gemeente ten minste 51% dient te bedragen. Tevens wordt geadviseerd een RvC te installeren met drie commissarissen. Bij de verzelfstandiging werd verder een gedeeld aandeelhouderschap geadviseerd. Hiervoor is uiteindelijk niet gekozen (zie vorig punt). Een belangrijke constatering is dat de verschillende rapporten die toewerken naar verzelfstandiging niet eensluidend zijn over welke terreinen er ingebracht moeten worden in het verzelfstandigd havenbedrijf. Er is unanimiteit over Kooypunt, het Regionaal Havengebonden Bedrijventerrein en Oostoever. Over Westoever spreekt MTBS zich niet uit terwijl de notitie ‘naar een verzelfstandigd havenbedrijf’ dit terrein wel noemt.

Gebaseerd op de goede perspectieven die geschetst zijn in het MTBS-rapport is besloten om ook zowel natte infrastructuur met een publieke functie, als ook bedrijventerreinen waarvan de strategische waarde onduidelijk was, in te brengen in het verzelfstandige havenbedrijf. In hoeverre zijn de onderlinge bestuurlijke verhoudingen (e.g. bevoegdheden, taken

en

verantwoordelijkheden)

en

wederzijde

rapportages

helder

en

eenduidig belegd tussen de verschillende bestuursorganen (de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders, de raad van commissarissen en de directie van N.V. Port of Den Helder)?

70

De bestuurlijke verhoudingen zijn formeel helder en eenduidig belegd tussen de verschillende bestuursorganen. In praktijk geven externe partijen aan dat het onduidelijk is wie voor wat beslissingsbevoegd is en met wie men zaken moet doen. Tussen PoDH en gemeente lijkt er ook sprake van verschil in verwachtingen. De gemeente geeft aan dat men telkens voor verrassingen komt te staan en beter geïnformeerd wil worden. PoDH geeft juist aan informatie te verstrekken en dat daar niet op wordt gereageerd. En hoe zijn deze in de praktijk bijgesteld nadat de raad het college van burgemeester en wethouders heeft opgedragen de ontwikkelfunctie van N.V. Port of Den Helder naar de gemeente over te dragen? Aan de opdracht om de ontwikkelfunctie van de N.V. Port of Den Helder naar de gemeente over te dragen is tot dusver nauwelijks gevolg gegeven.

B.3 Financiën In hoeverre was de ‘bruidsschat’ die in 2012 aan de N.V. Port of Den Helder is meegegeven

afgestemd

op

geactualiseerde

inventarisaties

van

de

onderhoudsopgaven. Is er bij de verzelfstandiging een onderzoek uitgevoerd naar de status van de kunstwerken, watergebieden en gronden? De bruidsschat die in 2012 aan de Port of Den Helder is meegegeven was niet in overeenstemming

met

de

op

dat

moment

bekende

onderhoudsbehoefte.

Door

Oranjewoud is in 2010 becijferd dat er voor een periode van 30 jaar ca. € 9,6 miljoen nodig was voor het onderhoud in de haven van Den Helder. Op het moment dat dat onderzoek werd uitgevoerd, was de omvang van de onderhoudsvoorziening bij de gemeente Den Helder ordegrootte € 4,2 miljoen. Jaarlijks moest er € 165.000 aan de voorziening worden toegevoegd om de omvang van de voorziening op het gewenste niveau te krijgen. Daar komt nog eens bij dat de kwaliteit van de inventarisatie van Oranjewoud erg beperkt was. Zo bleken onderwaterinspecties beperkt tot slecht te zijn uitgevoerd, waardoor kort na verzelfstandiging al duidelijk werd dat de onderhoudsbehoefte vele malen groter was. In welke mate zijn sinds de privatisering van het gemeentelijk havenb edrijf extra algemene middelen naar N.V. Port of Den Helder gegaan? Sinds verzelfstandiging zijn er veel middelen naar de N.V. Port of Den Helder gegaan. Daarbij gaat het om: 

Een bedrag van € 7,0 miljoen in 2016 in de vorm van aandelenkapitaal ten behoeve van de renovatie van de Zeedoksluis en het afnemen van gronden uit de 2 e tranche van Kooyhaven.;

Een bedrag van andermaal € 7,0 miljoen in 2018, verdeeld naar aankoop van percelen op Westoever à € 4,2 miljoen en een bijdrage voor onderhoud à € 2,8 miljoen t.b.v. de Zeedoksluis, Van Kinsbergenbrug en Oostoeverbrug;

In 2019 is een bijdrage van € 2,5 miljoen ten behoeve van baggerwerkzaamheden in het Nieuwe Diep.

In 2020 is besloten om de lening die in 2019 is toegezegd à € 3,0 miljoen, om te buigen naar een agio-storing. Dit ten behoeve van de financiële afronding van het project Kooyhaven.

In 2021 is in de gemeentebegroting jaarlijks € 540.000 gereserveerd als bijdage voor onderhoud in de haven. Dit bedrag is echter nog niet ontvangen.

71

Dit alles maakt dat er sinds verzelfstandiging al € 19.500.000 aan algemene middelen naar de N.V. Port of Den Helder is gevloeid. Daarin is de huidige hulpvraag nog niet meegenomen. De beschikbaar gestelde middelen zijn allen geoormerkt en kunnen niet worden besteed aan andere delen van de bedrijfsvoering. Alleen als er uitgaven op stapel staan die voor onderhoud en renovatie bestemd zijn, worden deze middelen beschikbaar gesteld door de gemeente Den Helder conform afspraken met de gemeente en de mogelijkheden rondom staatssteun. Bovenop deze bijdrage vanuit de algemene middelen, is er door de gemeente Den Helder ook een toezegging gedaan à €14,4 miljoen voor de periode 2019 -2028 ten behoeve van het onderhoud aan openbare kunstwerken, kades en baggerwerkzaamheden in de openbare haven. Hoe actueel en volledig is het meerjarig onderhouds- en verduurzamingsplan voor kades, water, kunstwerken en bedrijventerreinen en sluit dit aan bij de meerjarenbegroting van de N.V. Port of Den Helder? De onderhoudsbegroting van Port of Den Helder stamt uit 2018 en is volledig. De meerjarenbegroting zoals verantwoord in het bedrijfspl an past de onderhouds- en verduurzamingsopgave. Port of Den Helder geeft in de meest recente begroting in 2021 aan dat de afschrijvingslasten lager uitvallen dan in de meerjarenbegroting 2019 -2028.

Dat heeft te maken met het uitstellen van een aantallen projecten, maar ook met een toegezegde bijdrage van de gemeente die leidt tot lagere afschrijvingslasten. Wij merken op dat deze werkwijze op de langere termijn tot dezelfde problematiek leidt; de vervangingswaarde ligt namelijk hoger dan het bedrag dat Port of Den Helder afschrijft. Enkel als de gemeente Den Helder voor haar aandeel afschrijvingen doet in de gemeentebegroting, geldt dat dit op de langere termijn een duurzaam model is. Wij hebben hier echter geen signalen van gezien. Opgemerkt dient te worden dat de toegenomen grondstoffenprijzen leiden tot grotere investeringen in beheer

en onderhoud.

Daarmee kan gesteld worden dat het

meerjarenonderhoudsplan actueel is op het type onderhoud en qua planning, maar op kosten (mogelijk) achterhaald is. Hoe reëel is de huidige meerjarenbegroting van N.V. Port of Den Helder (inclusief investeringsbegroting), gelet op de huidige omstandigheden en verwachte ontwikkelingen? De meerjarenbegroting van de N.V. Port of Den Helder beoordelen wij grotendeels als realistisch. Echter, daar waar het gaat om de ontwikkelingen met betrekking tot inkomsten, wijzen wij er op dat er tot 2028 een neergang wordt verwacht in activiteiten voor offshore olie- en gas. De inkomsten vanuit haven- en kadegelden kunnen daardoor extra onder druk komen te staan. Positief is de ontwikkeling vanuit Wind op Zee, maar gelet uit op de uitkomst van de tender voor het windpark Hollandse Kust Noord, verwachten wij de eerste serieuze inkomsten voor Port of Den Helder pas in 2025. Dat is twee jaar later als waar Port of Den Helder in haar meerjarenbegroting vanuit gaat. Ten aanzien van de verwachtingen voor verkoop van grond vinden wij de verwachtingen irreëel, mede ingegeven door de beperkte milieuruimte die beschikbaar is op Kooyhaven en het overschot aan bedrijventerreinen in de Kop van Noord-Holland. De investeringsbegroting is solide opgezet maar houdt nog geen rekening met de sterk gestegen grondstoffenprijzen in 2021.

Wij verwachtingen serieuze meerkosten bij investeringen door een hoger prijspeil en verwachten dat dit zich uit in aanvullende financieringsbehoefte bij Port of Den Helder.

72

Welke

ontwikkelingen

hebben

plaatsgevonden

ná

vaststelling

van

het

bedrijfsplan 2019-2028 die leiden tot extra uitgaven / investeringen bij de Port of Den Helder en worden er nieuwe ontwikkelingen voorzien die leiden tot extra uitgaven / investeringen waarmee nog geen rekening is gehouden? Voor zover wij kunnen beoordelen zijn er geen ontwikkelingen die leiden tot aanvullende investeringen. De hoge inflatie in 2021 en stijgende grondstoffenprijzen maken echter wel dat de ramingen achterhaald zijn en significant hoger kunnen uitvallen. Dit is een risico. Welke kades zijn in meer of mindere mate kostendekkend en hoe het perspectief eruit? Het verdienvermogen van de Port of Den Helder is in sterke mate te relateren aan de economische activiteiten op de Paleiskade en aan het Nieuwe Diep. Onderstaand het antwoord per kade: 

De Paleiskade is winstgevend. Voor de Paleiskade is een langdurig contract afgesloten waardoor inkomsten verzekerd zijn en kosten gedekt. Wel verwachten we door de neergang in de offshore olie- en gassector minder variabele inkomsten vanuit het contract met Peterson.

Aan het Nieuwe Diep benoorden de Moormanbrug verdient Port of Den Helder zowel aan haven- en kadegelden als aan erfpacht. Ook dit is winstgevend. Door naar verwachting toenemende activiteiten gerelateerd aan offshore wind maken dat we hier grotere inkomsten verwachten op langere termijn (> 2025). De visserij zal minder inkomsten genereren.

De kades aan het Nieuwe Diep bezuiden de Moormanbrug zijn verlieslatend maar hebben potentie daar deze aan diep water gelegen zijn. In de toekomst kan ook hier geld verdiend worden.

Aan de Koopvaardersbinnenhaven verdient men enkel door huurcontracten; de kades zelf zijn niet kostendekkend en leiden tot verlies. Dat geldt ook voor Westoever. Op Oostoever is de provincie verantwoordelijk voor onderhoud aan de kade en het baggeren en verdient het havenbedrijf aan huurinkomsten. Hier resulteert een positief saldo.

Kooyhaven is in de huidige staat verlieslatend, al worden pas op zeer lange termijn significante uitgaven verwacht voor beheer- en onderhoud van de kades.

Aan Westoever verdient men niets en moeten enkel uitgaven gedaan worden.

Port of Den Helder heeft een aantal hoofdtaken. In hoeverre zijn deze hoofdtaken kostendekkend of kostendekkend te maken? Bij welke taken is er nog efficiencywinst te behalen? Port of Den Helder heeft een viertal hoofddoelstellingen: 

Het faciliteren en coördineren van het havengebruik door scheepvaart;

Het aantrekken en stimuleren van bedrijvigheid in de haven;

Het

invullen

van

gebieds-

en

havenontwikkeling

en

ruimte-uitgifte

voor

(watergebonden) bedrijvigheid; 

Het uitvoeren van technisch beheer en onderhoud van havenfaci liteiten en kunstwerken.

Op basis van genoemde taken kan niet beoordeeld worden welke wel en niet kostendekkend zijn. In casu geldt wel dat de haven haar belangrijkste verdienmodel ontleend aan het verlenen van diensten aan de scheepvaart – in de vorm van havenen kadegelden. Daarnaast ontvangt Port of Den Helder inkomsten door verhuur van terreinen. Tegenover deze inkomsten staan uitgaven. Kosten voor beheer - en onderhoud van kades kunnen worden vergeleken met de inkomsten die aan eenzelfde kade gegener eerd

73

worden. Per kade is dit beoordeeld; zie de vorige vraag. Voor bruggen en sluizen is dat al lastiger, daar deze infrastructuur doorgaans faciliterend is aan de achterliggende kades. Gesteld kan worden dat voor alle beweegbare bruggen en alle sluizen di e PoDH beheert,

geldt

dat

deze

louter

geld

kosten

en

dat

deze

niet

bijdragen

aan

scheepvaartverkeer naar kades die wel geld kunnen opleveren. Voor het aantrekken en stimuleren van bedrijvigheid in de haven geldt dat deze taak moet worden gezien als overhead. Daar waar dit resulteert in verkoop van terreinen, leidt dit tot incidentele inkomsten, bij verhuur of (erf)pacht leidt dit tot structurele inkomsten. Hoe verhouden de tarieven van Den Helder zich tot de tarieven van de vergelijkbare havens en zitten daar nog mogelijkheden in? Op basis van een vergelijking met een groot aantal havens in het binnen- en buitenland (Scheveningen,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.denhelder.nl/api/v1/meetings/1779/documents/17886