CConstaterende datDen Helder
Koppel je AI →
Document · PDF

ETFAL-motivering locatie Den Helder - Format Den Helder - FN Logo.pdf

Gemeenteraad 3 november 2025, gemeente Den HelderBij agendapunt: 7: Voorstel met betrekking tot het afgeven van een advies over de aanvraag omgevingsvergunning voor een laadplein tussen Verkeerstorenweg 1 en 3.14.001 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.3 Gezondheid Wettelijk kader De grondslag voor het beschermen van de gezondheid wordt gevonden in artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet. Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Het artikel benadruk de samenhangede benadering van de fysieke leefomgeving in plaats van een sectorale. De Omgevingswet is in ieder geval gericht op veiligheid en gezondheid van de mens. Bij veiligheid gaat het om aspecten van fysieke veiligheid zoals externe veiligheid en bescherming tegen overstromingen. Bij gezondheid van de mens gaat het om aspecten zoals geluid en luchtverontreiniging. Een goede omgevingskwaliteit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed en de kwaliteit van bouwwerken, natuur en landschap. Motivering Wederom zal uit onderstaande paragrafen lijken dat er met onderhavig planinitiatief sprake zal zijn van goede veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Zo zullen er geen externe veiligheidsrisico’s optreden voor het gebied en voor de gebruikers van het beoogde object, zal de luchtkwaliteit ter plaatse niet verslechteren en wordt er geen wateroverlast verwacht. Ook zal geluid geen significante rol spelen vanwege het feit dat er geen gevoelig object aanwezig is en het object zelf niet zal resulteren in een toename van geluid voor de omgeving.

Tenslotte zal het bouwwerk op juiste wijze worden ingepast in de omgeving zonder daarbij afbreuk te doen aan eventuele landschappelijke kernwaarden. Conclusie Met onderhavig planinitiatief zal sprake zijn van goede veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Dit zal blijken uit onderstaande paragrafen.

4.4 Weging waterbelang Wettelijk kader Waterwet De Waterwet is grotendeels opgegaan in de Omgevingswet. De volgende onderdelen blijven echter in de Waterwet achter: de regels voor het Deltaprogramma, de Deltacommissaris en het Deltafonds. Er staan ook een aantal financiële bepalingen in de Waterwet. Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is vastgesteld op 18 maart 2022. In het NWP beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren- en vaarwegen. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein. Zo moet Nederland zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. Ook moet men blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaat-robuuste zoetwatervoorziening tegen 31

toenemende droogte. Ook verdient de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening de aandacht. Daarnaast hebben diverse functie het water nodig, zoals scheepsvaart, landbouw en natuur. In het NWP zijn deze uitdagingen uitgewerkt en is aangegeven hoe hiermee om wordt gegaan. Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Paragraaf 5.1.3 van het Bkl bevat instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. Er wordt gesteld dat in het Omgevingsplan rekening gehouden moet worden met de gevolgen voor het beheer van de watersystemen. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 tot en met 5.49 van het Bkl rijksregels met betrekking tot: • • •

Het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; Het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; Het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.

De watertoets die was opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening is vervangen door een inhoudelijke instructieregel die is opgenomen in artikel 5.37 van het Bkl. De ‘weging van het waterbelang’, voorheen bekend als de watertoets, biedt de waterbeheerder de mogelijkheid aandacht te vragen voor waterveiligheid en voor het voorkomen van wateroverlast in het kader van waterrobuust bouwen. De oorspronkelijke watertoets wordt niet langer voorgeschreven, de gemeente is vrij om her zelf invulling aan te geven. Tenslotte zijn de regels van artikel 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het Omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Waterschap Hollands Noorderkwartier Het waterschap Hollands Noorderkwartier is bevoegd gezag op het gebied van waterhuishouding ter plaatse van het plangebied. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft het waterschap een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheerfase heeft het waterschap een regelgevende rol.

Waterschapsverordening waterschap Hollands Noorderkwartier het waterschap is verantwoordelijk voor haar grondgebied als het gaat om onder meer waterveiligheid, wateroverlast beperken, watertekorten voorkomen, schoon en gezond water behouden, crisisbeheersing en het zorgen voor veilige (vaar)wegen. Dit zijn tevens thema’s zoals opgenomen in het ‘Waterplan 2022 – 2027’. Om de bijbehorende doelen te bereiken is de waterschapsverordening opgesteld. De hierin opgenomen regels zijn in beginsel opgesteld voor het regelen van de waterhuishouding. Motivering Voor een goede weging van het waterbelang is, zoals ook geadviseerd wordt door het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, de digitale watertoets doorlopen. Hieruit volgt een wateradvies op basis van de locatie en de ingevulde antwoorden. Uit het doorlopen van de toets volgen diverse adviezen. Deze worden hieronder beknopt toegelicht. Het wateradvies, het resultaat van de doorlopen digitale watertoets, is bijgevoegd in de bijlagen. Compenserende maatregelen Onderhavig plangebied is in de huidige situatie en (bijna) compleet verhard oppervlakte in gebruik als parkeerplaats. In de nieuwe situatie zal hier nagenoeg geen verandering in optreden. Er is in de digitale watertoets daarom aangegeven dat er sprake zal zijn van minder dan 230 m2 toevoeging

32

verhard oppervlakte in het plangebied. Dit resulteert in een beperkt effect op de waterhuishoudkundige situatie waardoor compenserende maatregelen niet nodig zullen zijn. Geen Verontreiniging Verder zal de ontwikkeling zien op een overkapping boven de laadinfrastructuur. Het hemelwater zal hier vanaf kunnen stromen. Daarbij zal het hemelwater onderweg niet verontreinigd worden. Het doelmatig afvoeren van hemelwater naar de rioolwaterzuiveringsinrichting zal in dat geval niet noodzakelijk zijn. Beheer en onderhoud waterlopen Het plangebied is gelegen binnen een zone van 5 meter van de insteek van een waterloop. Echter zal de huidige situatie nagenoeg ongewijzigd blijven. Het plangebied betreft een verhard oppervlakte met aan de kant van de waterloop een onverharde berm. Impact op de waterloop wordt op basis daarvan niet verwacht. Daarnaast volgt uit de digitale watertoets een advies in het geval van de aanleg van nieuw water in het plangebied. Hiervan is met onderhavig planinitiatief geen sprake. Het advies kan derhalve buiten beschouwing gelaten worden. Waterkwaliteit en riolering Voor het afvoeren van afvalwater en hemelwater is het de wens van zowel de gemeente als het hoogheemraadschap dit van elkaar te scheiden. Verzocht wordt het hemelwater op eigen terrein te verwerken in de bodem of rechtstreeks te lozen op het aanwezige oppervlaktewater.

Het hemelwater moet dan wel schoon zijn. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater eerst gefilterd door een berm, wadi of bodempassage voordat het oppervlaktewater bereikt wordt. Onderhavig planinitiatief zal geen afvalwater hoeven af te voeren, enkel hemelwater. Het hemelwater kan van het verhard oppervlakte afstromen richting onverhard gebied en oppervlaktewater. Er wordt met betrekking tot de afvoer daarom geen belemmering verwacht. Primaire waterlopen Aangezien er een primaire waterloop gelegen is naast het plangebied dient daar voldoende rekening mee gehouden te worden. Zoals bovenstaande al motiveert zal er geen sprake zijn van significante impact op de waterloop. Niettemin staat het het hoogheemraadschap vrij de situatie nader te beoordelen. Conclusie Er zal voldaan worden aan een goede waterhuishouding. Niettemin zal het hoogheemraadschap de situatie moeten beoordelen.

4.5 Groen, ecologie en stikstofdepositie Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de (inmiddels vervallen) Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze Wnb is vervolgens met het zogenoemde aanvullingsspoor natuur ogenomen in de Omgevingswet. Het aanvullingsspoor natuur zorgt voor de integratie van de regelgeving over natuur, flora en fauna in de Omgevingswet. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl en Bal diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die opgenomen waren in de Wnb. Het gaat in de eerste plaats om regels voor de soortenbescherming van te beschermen plant- en diersoorten en regels ter bescherming van houtopstanden.

33

Soortenbescherming Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en faunaactiviteiten. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Deze activiteit is vaak het gevolg van een andere activiteit, zoals bouwactiviteiten. In afdeling 8.6 van het Bkl zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunningen Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten. Artikel 8.74j tot en met 8.74n bevatten beoordelingsregels voor flora- en fauna-activiteiten. Motivering Groen In de huidige situatie is het bijna het gehele plangebied verhard oppervlakte. In de nieuwe situatie zal er enkele bosschage en een boompje verwijderd worden. In de nieuwe situatie zal er echter een zachte berm, eventueel met bosschage, en een perkje rondom de trafo teruggebracht worden. Er zal met betrekking tot groen in het plangebied dus weinig veranderen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 285 meter tot aan het dichtstbijzijnde NNN gebied. Dit is weergegeven op onderstaande afbeelding. Van een direct effect op dit NNN gebied zal gezien deze afstand geen sprake zijn.

Ook een indirect effect op dit gebied zal gezien de afstand, de tussengelegen provinciale weg N250 en de waterloop niet optreden. Houtopstanden Voor onderhavig planinitiatief zal het nodig zijn de boom, gesitueerd op het midden van de huidige parkeerplaats, te verwijderen. Soortenbescherming gelet op de locatie van het plangebied wordt niet verwacht dat de beoogde ingreep significante effecten op plant- en/of diersoorten zal hebben. Namelijk, het plangebied is in de huidige situatie nagenoeg compleet verhard en in gebruik voor het parkeren van auto’s op een bedrijventerrein. Ondanks dat het uitsluiten van beschermde flora en fauna enkel met onderzoek mogelijk is, wordt er gezien de huidige invulling van het plangebied niet verwacht dat er beschermde flora en fauna aanwezig is. Niettemin zal men ten alle tijden de zorgplicht in acht nemen en op de juiste wijze handelen bij het incidenteel aantreffen van flora en fauna. Natura 2000 De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Waddenzee, betreft circa 800 meter. Dit is ruim voldoende om effecten van trillingen, geluid en menselijke aanwezigheid op voorhand uit te sluiten. Effecten van stikstofdepositie zullen gezien de afstand en de kleinschaligheid van de werkzaamheden ook gering zijn.

Namelijk, een project van dergelijk omvang zal in de realisatiefase slechts enkele weken duren en bovendien niet resulteren in al te veel werkverkeer. In beschouwing nemend dat de stikstofdepositie over een geheel rekenjaar berekend zal worden, kan op voorhand gesteld worden dat de stikstofdepositie in dat rekenjaar gering zal zijn. Daarnaast zal de gebruiksfase geen toename in stikstofdepositie tot gevolg hebben. De doelgroep van het object zijn mensen met een elektrische auto. De verkeersbewegingen naar en van het laadstation toe zijn daarom ook van elektrisch aangedreven auto’s, met uitzondering van een enkele hybride auto. Daarbij zal de uitstoot dus nihil 34

zijn waardoor een significante toename in stikstofdepositie in de gebruiksfase op voorhand uitgesloten kan worden. Verwacht wordt dat onderhavige ontwikkeling niet zal resulteren in een significant effect op Natura 2000. Conclusie Het effect van onderhavig planvoornemen op het groen en de ecologie zal naar verwachting minimaal zijn, mede gezien de huidige situatie van het plangebied en de beperkte omvang.

4.6 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en (fiets)parkeren Wettelijk kader Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag als gevolg van de ontwikkeling geen onaanvaardbaar effect optreden. Motivatie Verkeersgeneratie Onderhavig planinitiatief zal met name inspelen op de het al aanwezige verkeer in de omgeving, met name het verkeer op de provinciale wegen N250 en N99. Verwacht wordt daarmee niet dat de verkeersgeneratie in het gebied significant zal toenemen als gevolg van onderhavige ontwikkeling. Bovendien is het terrein geschikt om de verkeersgeneratie op te vangen. Het bedrijventerrein is voorzien van voldoende ruimte en een duidelijke inrichting. Verkeersafwikkeling Voor wat betreft de verkeersafwikkeling geldt dat de omgeving, met name de omliggende provinciale wegen, het verkeer goed kunnen afwikkelen. Voor het plangebied zelf geldt dat het laadstation goed en overzichtelijk te bereiken is. Er zal, in overleg met de gemeente, een gecombineerde in- en uitrit gerealiseerd worden waarmee bezoekers van het terrein makkelijk in en uit kunnen rijden.

(fiets)Parkeren Het beoogde laadstation is bedoeld om elektrische auto’s binnen korte tijd, circa 15 tot 20 minuten, op te kunnen laden. Daarna zal men hun weg vervolgen. Van een parkeerbehoefte is niet direct sprake. Mocht er alsnog behoefte zijn om de auto te parkeren zal de openbare ruimte om het plangebied heen daar voldoende ruimte voor bieden. Ook is het laadstation ruim genoeg opgezet voor auto’s om eventueel te wachten op een vrijgekomen plek om te laden. Conclusie Er zullen geen belemmeringen optreden als gevolg van de aspecten verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren.

4.7 Luchtkwaliteit Wettelijk kader In paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl staan instructieregels voor het beschermen van de luchtkwaliteit. De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenaamde aandachtsgebieden. Dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10) (artikel 5.51 lid 2 tot en met 5 van het Bkl). In de aandachtsgebieden kan niet worden uitgesloten dat lokaal een 35

overschrijding van de rijksomgevingswaarden kan optreden, rekening houdend met de realisatie van eventuele werken en activiteiten in deze gebieden. Boven genoemde paragraaf uit het Bkl heeft betrekking op activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de nabijheid van een aandachtsgebied. In sommige gevallen kunnen activiteiten buiten het aandachtsgebied zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Om deze reden dient een gemeente een initiatief te toetsen aan de omgevingswaarden. Motivatie Voor een toetsing van de luchtkwaliteit ter plaatse zijn de omgevingswaarden ter plaatse achterhaald aan de hand van de kaart van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Er is daarbij uitgegaan van de volgende (Europese) grenswaarden voor stikstofoxide en fijnstof: Stof

Toetsing van

Grenswaarde

Stikstofdioxide (NO2)

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/m3

Uurgemiddelde concentratie

Max. 18 keer per jaar meer dan 200 µg/m3

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/m3

24-uurgemiddelde concentratie

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3

Jaargemiddelde concentratie

25 µg/m3

Fijnstof (PM10)

Fijnstof (PM2,5) Tabel 1: Grenswaarden luchtkwaliteit

Gekeken naar de dichtstbijzijnde meetpunten op de CIMLK-kaart voor luchtkwaliteit, gelegen langs de N99 en N250, zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 gelegen onder de grenswaarden. Ook zijn het aantal overschrijdingsdagen PM10 gelegen onder de grenswaarden. De geconstateerde waarden zijn als volgt: Jaargemiddelde NO2: Jaargemiddelde: PM10: Jaargemiddelde: PM2,5: Overschrijdingen 24-uurgemiddelde PM10:

10,43 µg/m³ 13,91 µg/m³ 5,86 µg/m³ 6 dagen

Conclusie De luchtkwaliteit ter plaatse zal derhalve geen belemmering vormen. Daarnaast kan op voorhand gesteld worden dat het laadstation zelf geen verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse tot gevolg zal hebben. Het laadstation trekt namelijk elektrisch aangedreven auto’s aan en geen auto’s die gebruik maken van fossiele brandstof.

4.8 Geluid Wettelijk kader Geluid van wegen, spoorwegen en industrie Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het geluid op de geluidgevoelige gebouwen beoordeeld worden. Hiertoe zijn in paragraag 5.1.4.2a van het Bkl instructieregels opgenomen. De instructieregels hebben tot doel het beheersen van geluid voor de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en plekken. Hiervoor zijn in het Bkl eisen gesteld aan het geluid en wordt invulling gegeven aan het begrip ‘geluidgevoelig gebouw’. Geen geluidgevoelig gebouw is een: 36

• • • •

Gebouw met een woonfunctie; Gebouw met een onderwijsfunctie; Gebouw voor kinderopvang met bedden; Gebouw voor gezondheidszorg met bedden.

Geluid door activiteiten In de regels van artikel 5.59 Bkl is geformuleerd dat er in het Omgevingsplan rekening gehouden moet worden gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar moet zijn. Overigens gaat het dan om het geluid van alle activiteiten samen. In artikel 5.56 van het Bkl zijn vervolgens de standaardwaarden opgenomen waarbij aan de eis van aanvaardbaarheid voldaan wordt. Van deze waarden mag alleen door het bevoegd gezag gemotiveerd afgeweken worden, mits aan de aanvaardbaarheid eis voldaan kan worden. Motivering het beoogde laadstation wort niet aangemerkt als gevoelig gebouw, gevoelig object of gevoelige plek. Er kan daarom op voorhand gesteld worden dat het aspect geluid geen belemmering zal vormen voor de realisatie van het planvoornemen. Daarnaast zal het laadstation zelf niet resulteren in een significante toename van geluid in de omgeving. Elektrische auto’s produceren over het algemeen namelijk weinig geluid. Enkel de technische installatie kan enig geluid produceren, wat zal wegvallen tegen het geluid al aanwezig in de omgeving. Bovendien is er in de directe omgeving geen gevoelig gebouw of gevoelige plek aanwezig. Conclusie Er kan daarom ook op voorhand worden uitgesloten dat het beoogde laadstation een belemmering zal vormen voor de omgeving.

4.9 Geur Wettelijk kader Geurhinder kan bij verschillende bedrijfsmatige activiteiten voorkomen, onder meer bij landbouwactiviteiten, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties en overige milieubelastende activiteiten. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl zijn instructieregels opgesteld over activiteiten die geur veroorzaken op geurgevoelige gebouwen. In artikel 5.91 Bkl is bepaald dat de woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie en bijeenkomstfunctie voor kinderopvang als geurgevoelig worden aangemerkt. Deze gebouwen moeten in ieder geval beschermd worden tegen geurhinder. De instructieregels moeten zorgen voor een aanvaardbaar geurhinderniveau (artikel 5.92 lid 2 van het Bkl). De gemeente bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Motivering Het beoogde object zal geen geurhinder veroorzaken voor de omgeving. Het is namelijk geen activiteit waarbij geurhinder voorkomt. Bovendien zijn er in de omgeving van het plangebied ook geen geurgevoelige functies of gebouwen aanwezig. Daarnaast betreft de ontwikkeling geen functie of gebouw die geurgevoelig is. Conclusie Een belemmering op basis van geur kan derhalve op voorhand uitgesloten worden.

37

4.10 Omgevingsveiligheid Wettelijk kader Paragraaf 5.1.2 van het Bkl bevat instructieregels over de manier waarop het omgevingsplan externe veiligheid moet waarborgen bij het toedelen van functies aan locaties; de zogeheten omgevingsveiligheid. Gemeenten dienen regels op te nemen in het omgevingsplan om kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen vanwege externe veiligheidsrisico’s. In de instructieregels van het Bkl wordt onderscheid gemaakt in de kwetsbaarheid van gebouwen en locaties. Hierin wordt uitgegaan van drie niveaus: • • •

Zeer kwetsbare gebouwen; Kwetsbare gebouwen; Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties.

De exacte indeling van de bovengenoemde gebouwen en locaties is te vinden in Bijlag VI van het Bkl. Hieronder vallen ook gebouwen die nog niet aanwezig zijn, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning mogen worden gebouwd (geprojecteerd gebouw). Het staat de gemeente vrij om een gebouw of locatie tot een zwaardere categorie te rekenen. Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. Voor deze activiteiten dienen gemeenten regels op te nemen in het omgevingsplan. De instructieregels hiervoor staan in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De activiteiten welke zijn aangewezen als risicobronnen zijn aangewezen in bijlage VII van het Bkl. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat per jaar iemand die onbeschermd en continu op een plek verblijft komt te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Dit kan zijn: blootstelling aan hitte door brand, overdruk door een explosie of een concentratie giftige stoffen in de lucht. Deze kans is groter of gelijk aan 1 op één miljoen, of te wel PR 10-6. Het plaatsgebonden risico is ruimtelijk vertaald naar vaste afstanden tot gebouwen en locaties. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl.

Deze afstanden zijn genoemd in Bijlage VII bij het Bkl. Groepsrisico en aandachtsgebieden Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de kans dat als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen een groep van tien of meer personen komt te overlijden (het groepsrisico). Bij een beoordeling van het groepsrisico wordt gebruik gemaakt van aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn een kenmerk van een activiteit met externe veiligheidsrisico’s. Het zijn gebieden rond een activiteit met een gevaarlijke stof die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er zijn een drietal aandachtsgebieden: • • •

Een brandaandachtsgebied; Een explosieaandachtsgebied; Een gifwolkaandachtsgebied.

Deze gebieden en hun begrenzing zijn beschreven in artikel 5.12 Bkl. Voor bepaalde activiteiten kan de omvang van deze gebieden worden afgelezen uit een tabel in Bijlage VII bij het Bkl en in bepaalde gevallen moet de omvang van deze gebieden worden berekend. Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV).

38

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van een aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Bbl (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen geldt altijd een voorschriftengebied en dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl). Motivering Onderhavig planvoornemen betreft geen zeer kwetsbaar, kwetsbaar of beperkt kwetsbaar gebouw of object. Het laadstation is bedoeld om slechts voor korte duur gebruik van te maken. Het opladen van de auto kan namelijk al in 15 tot 20 minuten, waarna met hun weg zal vervolgen en het gebied weer verlaat. De overzichtelijke en ruim opgezette inrichting van het terrein zal hierbij helpen. Ook is het gebied verder goed ontsloten. Er daarom op voorhand gesteld worden dat er geen belemmeringen zullen optreden als gevolg van externe veiligheid. Niettemin is de huidige situatie ter plekke geanalyseerd. Zo word geconstateerd dat het plangebied is gelegen binnen een aantal aandachtsgebieden: • • • • • •

Een gifwolkaandachtsgebied – ten aanzien van wegvervoer op de N99; Een gifwolkaandachtsgebied – ten aanzien van wegvervoer op de N9; Een explosieaandachtsgebied – ten aanzien van wegvervoer op de N99; Een explosieaandachtsgebied – ten aanzien van wegvervoer op de N9; Een brandaandachtsgebied – ten aanzien van een gasleiding ten noorden van het plangebied; Een brandaandachtsgebied – ten aanzien van een gasleiding ten westen van het plangebied;

Daarnaast is het plangebied gelegen in de PR10-8 contouren van een buisleiding ten noordwesten van het plangebied. Echter, zoals hierboven vermeld, zal dit gezien de aard van de ontwikkeling geen belemmering vormen. Conclusie het aspect omgevingsveiligheid zal geen belemmering vormen voor onderhavige ontwikkeling.

4.11 Trillingen Wettelijk kader Trillingen kunnen, net als geluid, nadelige invloed hebben op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Trillingen kunnen effect hebben op de gezondheid en het welzijn. Om trillinghinder te voorkomen, zijn er streef-, standaard- en grenswaarden voor trillingen. Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl bevat instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen. Hierin zijn onder meer regels opgesteld die voorzien dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimte van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Hierbij gaat het om trillingen van alle activiteiten samen. In artikel 5.87 en 5.78a van het Bkl zijn standaardwaarden opgenomen die aan de eis van aanvaardbaarheid voldoen. Heir kan een gemeente gemotiveerd van afwijken (artikel 5.86 lid 2 Bkl). Daarnaast heeft de gemeente te mogelijkheid om hogere waarden toe te staan (artikel 5.88 en 5.89 Bkl).

39

Motivering Het beoogde object betreft geen trillinggevoelig gebouw of object. Daarnaast zal het realiseren van het laadstation ook niet resulteren in een toename van trillingen voor de omgeving, waar bovendien geen trillinggevoelige gebouwen en objecten aanwezig zijn. Conclusie Een belemmering op het gebied van trillingen kan derhalve uitgesloten worden.

4.12 Welstand Wettelijk kader De regels voor een welstandstoets zijn opgenomen in artikel 22.7 en 22.29 van de bruidsschat en maken deel uit van het tijdelijk deel omgevingsplan. Met de welstandstoets beoordeelt de gemeente of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk voldoen aan redelijke eisen van welstand. Specifiek voor de welstandsnota geldt het overgangsrecht, zoals beschreven in artikel 4.114 lid 1 van de Invoeringswet Omgevingswet. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de welstandsnota aangemerkt als een beleidsregel op grond van artikel 4.19 van de Omgevingswet. Dit houdt in dat de gemeenteraad beleidsregels moet vaststellen als regels over het uiterlijk van bouwwerken. Onderdelen van de welstandsnota, zoals de regels over plaatsing en uiterlijk, blijven na de inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing bij de behandeling van bouwaanvragen. Dit wordt geregeld in artikel 22.29 van de bruidsschat. Voor de welstandsnota geldt ook overgangsrecht onder de Woningwet (artikel 12a, lid 1), waarin staat dat bouwwerken niet in strijd mogen zijn met redelijke eisen van welstand. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn deze artikel vervallen in de Woningwet. De inhoud van de welstandsnota blijft echter relevant en wordt meegenomen in de toetsing bij aanvragen voor een omgevingsvergunning.

Motivering De gemeente Den Helder kent de Welstandsnota ‘Een Helder Welstandsbeleid’. Daarbij is het grondgebied opgedeeld in verschillende gebieden. Het plangebied is gelegen binnen ‘Agrarisch gebied en volkstuincomplexen’. Hier is met name het behoud van open en weids karakter, de agrarische hoofdfunctie en de cultuurhistorische elementen in het landschap van belang. Het planvoornemen zal niet leiden tot afbreuk van bovengenoemde belangrijke factoren. Het plangebied is in de huidige situatie namelijk een parkeerterrein op een gebied aangewezen voor kantorenpanden. Het is daarmee passend in de omgeving. Conclusie Gezien de aard en locatie van de ontwikkeling wordt gesteld dat onderhavig planinitiatief passend is in de omgeving.

4.13 Archeologie, cultuurhistorie en erfgoed Wettelijk kader Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. De Erfgoedwet is de opvolger van de vervallen Monumentenwet 1988 en andere regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De huidige juridische basis in de Nederlandse wetgeving wordt gevormd door de Erfgoedwet (hoofdstuk 5) en 40

de Omgevingswet. De Omgevingswet en de Erfgoedwet zorgen samen voor een integrale bescherming va het cultureel erfgoed. De Erfgoed wet en de Omgevingswet worden daarmee complementair aan elkaar. De onderdelen van de vervallen Monumentenwet 1988 en die van toepassing zijn op de fysieke leefomgeving zijn naar de Omgevingswet overgeheveld. De Omgevingswet is van groot belang voor het cultureel erfgoed, omdat daarin een zorgvuldige omgang met het cultureel erfgoed en de fysieke leefomgeving is geborgd. De grondslag van de Omgevingswet is opgenomen in hoofdstuk 2 van de Omgevingswet. Voorst heeft de bescherming van (archeologische) monumenten, stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen een belangrijke plek gekregen in de Omgevingswet. De aanwijzing en bescherming van stads- en dorpsgezichten is naar de Omgevingswet overgeheveld (artikel 2.34, lid 4 van de Ow). Het belang van de bescherming van de stads- en dorpsgezichten is en blijft hiermee geborgd. Paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl bevat instructieregels over cultureel erfgoed en werelderfgoed. Artikel 5.130 Bkl ziet op het behoud van cultureel erfgoed en 5.131 ziet op het behoud van werelderfgoed. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels opgesteld voor de beoordeling van rijksmonumentactiviteiten en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Daarnaast zijn in Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) instructieregels opgenomen aangaande rijksmonumenten (hoofdstuk 13). Motivering Archeologie De gemeente kent het ‘Beleidskader Archeologie 2017’. Dit is een actualisatie van het archeologisch beleid uit 2003. Daarbij zijn diverse gebieden van archeologische verwachtingen aangegeven. Zoals op onderstaande kaarten duidelijk wordt geldt ter plaatse van het plangebied ‘Archeologische waarde’, wat inhoudt dat er een archeologisch onderzoek in beginsel nodig zal zijn bij ingrepen van 500 m2 of meer en dieper dan 30 cm. Gezien de omvang en aard van onderhavig planvoornemen is er een kans dat deze grenswaarden overschreden zullen worden waardoor een archeologisch onderzoek nodig zal zijn. Echter, het terrein is in de huidige situatie compleet verhard en dus reeds geroerd. Hierbij is het aannemelijk dat er met het realiseren van onderhavig laadstation geen nieuw risico op het aantasten van archeologische waarden optreedt. De gemeente zal daarom moeten oordelen over de noodzaak van een archeologisch onderzoek.

41

Afbeelding 4.1: Uitsnede Archeologische Beleidskaart Den Helder, plangebied binnen zwarte cirkel (bron: gemeente Den Helder)

Cultuurhistorie Ter plaatse van en in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Er zal derhalve ook geen sprake zijn van een aantasting van cultuurhistorische waarden. Daarnaast zal het planvoornemen ook geen landschapswaarden aantasten gezien de ligging van het plangebied op een bedrijventerrein. Bovendien zijn de huidige gronden compleet verhard voor het parkeren van auto’s. Er zal derhalve geen sprake zijn van een belemmering op het gebied van cultuurhistorie. Conclusie Op het gebied van archeologie en cultuurhistorie zal geen belemmering ontstaan. Er zijn namelijk geen cultuurhistorische waarden aanwezig in de omgeving en de gronden zijn reeds geroerd.

4.14 Bodem Wettelijk kader Paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl bevat instructieregels over het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Tevens is een woonschip of een woonwagen ook aangemerkt als een bodemgevoelig gebouw. Een uitzondering is een uitbreiding of een wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk van ten hoogste 50 m2. Dit wordt niet beschouwd als een bodemgevoelig gebouw. Artikel 5.89i van het Bkl bepaalt de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Artikel 5.89ka bepaalt dat er een omgevingsvergunning nodig is voor de bouw van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een toelaatbare waarde. Tevens bij een overschrijding 42

van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Motivering Onderhavige ontwikkeling ziet op het realiseren van een laadstation voor elektrische auto’s. De insteek van een dergelijk laadstation is dat men in korte tijd hun elektrische auto opladen om vervolgens de weg te vervolgen. Gebruikers van het laadstation zullen daarom circa 15 tot 20 minuten aanwezig zijn op locatie. Dit is aanzienlijk korter dan 2 uur aaneengesloten, waardoor het station niet wordt aangemerkt als bodemgevoelig object. Ruimtelijk gezien kan er daarom op voorhand gesteld worden dat de bodemkwaliteit ter plaatse geen belemmering zal vormen voor het in gebruik nemen van het laadstation. Daarnaast zal het object zelf ook niet resulteren in een verslechtering van de bodemkwaliteit ter plaatse. Niettemin is er door WMC Bodem B.V., in opdracht van de initiatiefnemer, een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Op basis van het onderzoek is geconcludeerd dat er in de bodem (grond en grondwater) geen sterke verontreinigingen aangetoond zijn.

Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten is een nader bodemonderzoek dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Vanuit milieuhygiënisch oogpunt worden geen belemmeringen voorzien met betrekking tot de voorgenomen realisatie van het snellaadstation.

4.15 Beperkingsgebieden Wettelijk kader Het Rijk stelt regels vast voor beperkingengebiedactiviteiten rondom onder meer spoorwegen rijkswegen en waterstaatswerken. Deze regels, vastgelegd in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), zijn bedoeld om de staat, werking en uitbreidingsmogelijkheden van deze werken te beschermen. Activiteiten die onder deze regels vallen zijn onder andere het aanleggen of verwijderen van kabels en leidingen, bouwen of slopen van bouwwerken, en het opslaan van licht ontvlambare stoffen. Specifieke zorgplicht en meldingsplicht Voor alle beperkingengebiedactiviteiten geldt een specifieke zorgplicht (artikel 9.8 Bal). Dit betekent dat activiteiten geen nadelige gevolgen mogen hebben voor de veiligheid, werking of bereikbaarheid. In sommige gevallen is een meldingsplicht vereist, waarbij een melding minimaal 4 weken van tevoren moet plaatsvinden. Maatwerkregels en voorschriften Het bevoegd gezag, zoals het Rijk of de provincie, kan maatwerkegels of-voorschriften opstellen om specifieke situaties te reguleren. Deze regels mogen echter niet de specifieke zorgplicht versoepelen of de meldplicht opheffen. Vergunningplicht Voor bepaalde activiteiten, zoals het opslaan van lichtontvlambare stoffen, is een omgevingsvergunning vereist.

De beoordelingsregels in afdeling 8.2 van het Bkl bepalen dat een vergunning alleen wordt verleend als de activiteit geen nadelige gevolgen heeft voor de veiligheid, werking of uitbreidingsmogelijkheden. 43

Motivering Uit de interactieve kaart van het Bal zoals te raadplegen via het Omgevingsloket ‘Regels op de kaart’ blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen een beperkingsgebied. Er is daarom ook geen sprake van een beperkingengebiedactiviteit. Conclusie Er is geen sprake van een beperkingsgebied ter plaatse van het plangebied.

4.16 Lichthinder Wettelijk kader Strikte normen voor kunstmatige verlichting zijn er niet. De regelgeving richt zich vooral op de lichtbronnen, de veroorzakers van licht. Dit staat beschreven in de bruidsschat en artikel 2.2, lid 1, sub c, onderdeel 5 van het Bal. Motivering Ten behoeve van het laadstation zal slechts de noodzakelijk verlichting gerealiseerd worden, zodat ook voldaan kan worden aan een veilige omgeving. Daarbij zal, gezien de ligging van het plangebied, geen overlast optreden voor omliggende panden. De locatie betreft namelijk enkel 2 kantoorpanden en een McDonalds in de directe omgeving. Deze panden zullen geen overlast van licht ondervinden. Daarnaast wordt ook voor de natuur geen extra overlast verwacht. Het plangebied is namelijk gelegen langs twee provinciale wegen. Het realiseren van het laadstation zal niet resulteren in dermate meer licht in het gebied waardoor de natuur hier last van zal ondervinden. Conclusie Van lichthinder in de omgeving zal als gevolg van onderhavig planinitiatief geen sprake zijn.

4.17 Sociale veiligheid en overlast Bij het realiseren van het beoogde laadstation zal de noodzakelijke verlichting gerealiseerd worden zodat er een veilige sociale situatie behouden blijft. Daarnaast is het gebied gemakkelijk toegankelijk met de auto. Bovendien zijn er in de directe omgeving van het plangebied twee kantoorpanden aanwezig en een McDonald’s. Er is daarom, met name in de dagperiode, sprake van een zekere hoeveelheid sociale controle. Er kan daarom gesteld worden dat er sprake is van voldoende sociale veiligheid. Van overlast zal geen sprake zijn. Namelijk, het terrein is gelegen op een bedrijventerrein. Er zijn geen gebouwen, functies of terreinen aanwezig in de directe omgeving die overlast van een laadstation zullen ondervinden. Daarnaast is het terrein goed ontsloten waardoor en ook geen verkeersoverlast verwacht wordt.

5

Participatie

5.1 Verplichte participatie De gemeente Den Helder kent een lijst met gevallen waarin verplichte participatie door de initiatiefnemer geldt. Onderdeel van deze lijst is punt 1.3: “De functiewijziging van onbebouwde gronden/terreinen, indien tevens extra bebouwing wordt toegevoegd”. Onderhavig planinitiatief kan onder punt 1.3 geschaald worden. 44

5.2 Participatie omgeving Binnen bovengenoemd kader is door de aanvrager gedaan aan participatie in de vorm van een omgevingsdialoog. Er zijn naar de omliggende panden brieven verstuurd met daarin toelichting over het planvoornemen. Op deze brief bestaat de mogelijkheid te reageren. Bij het uitblijven van een reactie wordt er aangenomen dat er geen bezwaren zijn tegen de plannen. Er wordt daarmee gesteld dat er voldaan is aan de participatieverplichting. 5.3 Intaketafel/Omgevingstafel Op 27 januari 2025 is er door de initiatiefnemer een aanvraag omgevingsvergunning gedaan. Deze is door de gemeente Den Helder beoordeeld. Geconcludeerd werd dat het verzoek nog niet volledig was waardoor een complete beoordeling niet mogelijk is gebleken. Verzocht is om een aanvullende onderbouwing aan te leveren waarin de evenwichtige toedeling van functies aan locaties is gemotiveerd. Voorliggend document voorziet in die aanvullende onderbouwing.

6 Financiële haalbaarheid In dit hoofdstuk wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven. Uitgangspunt is dat de kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een buitenplanse omgevingsplan activiteit voor rekening komen van de initiatiefnemer. Afdeling 13.6 van de Omgevingswet bevat de regeling voor het kotenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan wordt bepaald of kostenverhaal verplicht is en hoe de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald. De verplichting tot kostenverhaal geldt voor particuliere grondeigenaren die een bouwplan als bedoeld in artikel 13.11 Omgevingswet en artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit realiseren. 6.1 Kostenverhaal Daar waar nodig zal het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow). Tevens worden voor het in behandeling nemen van en de procesbegeleiding kosten gerekend. Deze worden verrekend via de leges. Daarmee zal de initiatiefnemer de financiële risico’s dragen voor onderhavig project. 6.2 Nadeelcompensatie Voor iedere buitenplanse omgevingsplan activiteit wordt een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten op basis van art. 4.5 Awb. Ondanks dat er naar verwachting geen sprake zal zijn nadeelcompensatie als gevolg van onderhavige ontwikkeling staat het de gemeente vrij een overeenkomst op te stellen.

45

7 Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties? Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Naast de regels dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op ETFAL, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Uit voorliggende ETFAL-motivering blijkt dat het planinitiatief aansluit op het beleidskader van het Rijk, de provincie en de gemeente. De ontwikkeling zal een bijdrage leveren aan de mobiliteitstransitie naar elektrisch aangedreven auto’s zonder daarbij de omgeving te belemmeren. Daarnaast is getoetst aan de voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten. Hieruit blijkt dat met de beoogde ontwikkeling nog steeds sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Bijlagen Bijlage 1: Bodemonderzoek Snellaadstation Den Helder Bijlage 2: resultaat-check – digitale watertoets

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.denhelder.nl/api/v1/meetings/2258/documents/25579