ETFAL-motivering locatie Den Helder - Format Den Helder - FN Logo.pdf
Tekst van het document
Format: Onderbouwing voor de fysieke leefomgeving, te gebruiken bij buitenplanse afwijkingen van het omgevingsplan (BOPA)
Titel:
Realisatie Fastned snellaadstation – nabij Verkeerstorenweg 3, Den Helder
Datum:
18-7-2025
Zaaknummer: 294742
1
1 1
2
3
Inhoud Inleiding ........................................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding en doel ................................................................................................................. 5
1.2
Ligging projectgebied ............................................................................................................. 5
1.3
Toelichting op bestaande planologisch kader voor de locatie .............................................. 6
1.3.1
Omgevingsplan .................................................................................................................. 6
1.3.2
Bruidsschatregels............................................................................................................... 6
1.3.3
Tijdelijk deel Omgevingsplan ............................................................................................. 7
1.3.4
Conclusie.......................................................................................................................... 10
Huidige situatie en nieuwe situatie ............................................................................................... 11 2.1
Beschrijving huidige situatie ................................................................................................ 11
2.2
Beschrijving nieuwe situatie ................................................................................................ 12
Toetsing aan beleid ....................................................................................................................... 15 3.1 3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI).................................................................................... 15
3.1.2
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) ................................................................................ 15
3.1.3
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) ............................................................................ 18
3.1.4
Nationale agenda Laadinfrastructuur.............................................................................. 18
3.1.5
Nationaal waterprogramma ............................................................................................ 19
3.2
Toetsing provinciaal beleid/ provinciale verordening ......................................................... 19
3.2.1
Omgevingsvisie NH2050 – Balans tussen economische groei en leefbaarheid .............. 19
3.2.2
Omgevingsverordening NH2022 ..................................................................................... 20
3.3
Toetsing beleid waterschap ................................................................................................. 24
3.4
Toetsing gemeentelijk beleid ............................................................................................... 27
3.4.1 4
Toetsing rijksbeleid .............................................................................................................. 15
Omgevingsvisie gemeente Den Helder 2023................................................................... 27
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu ..................................................................................... 30 4.1
M.E.R.-beoordeling .............................................................................................................. 30
4.2
Duurzaamheid en klimaatadaptatie .................................................................................... 30
4.3
Gezondheid .......................................................................................................................... 31
4.4
Weging waterbelang ............................................................................................................ 31
4.5
Groen, ecologie en stikstofdepositie ................................................................................... 33
4.6
Verkeersgeneratie, -afwikkeling en (fiets)parkeren ............................................................ 35
4.7
Luchtkwaliteit....................................................................................................................... 35
4.8
Geluid ................................................................................................................................... 36
4.9
Geur ..................................................................................................................................... 37 2
5
6
7
4.10
Omgevingsveiligheid ............................................................................................................ 38
4.11
Trillingen .............................................................................................................................. 39
4.12
Welstand .............................................................................................................................. 40
4.13
Archeologie, cultuurhistorie en erfgoed .............................................................................. 40
4.14
Bodem .................................................................................................................................. 42
4.15
Beperkingsgebieden............................................................................................................. 43
4.16
Lichthinder ........................................................................................................................... 44
4.17
Sociale veiligheid en overlast ............................................................................................... 44
Participatie .................................................................................................................................... 44 5.1
Verplichte participatie ......................................................................................................... 44
5.2
Participatie omgeving .......................................................................................................... 45
5.3
Intaketafel/Omgevingstafel ................................................................................................. 45
Financiële haalbaarheid ................................................................................................................ 45 6.1
Kostenverhaal ...................................................................................................................... 45
6.2
Nadeelcompensatie ............................................................................................................. 45
Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties? ...................................................... 46
Bijlagen .................................................................................................................................................. 46
3
Hoofdstuk 1: Projectbeschrijving Hoofdstuk 2: Beschrijving van de huidige en nieuwe situatie Hoofdstuk: 3 Toetsing aan beleid Hoofdstuk: 4 Aspecten fysieke leefomgeving Hoofdstuk 5: Participatie Hoofdstuk 6: De financiële haalbaarheid en de overeenkomst nadeelcompensatie van het initiatief aan de orde. Hoofdstuk 7: Antwoord op de vraag of de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige functie toedeling.
4
1
Inleiding
1.1 Aanleiding en doel Aanleiding Aangevraagd wordt het realiseren van 16 laadplekken onder een overkapping. Ook zal ten behoeve van deze ontwikkeling een in- en uitrit gerealiseerd worden naar de Verkeerstorenweg, wordt er een totem gerealiseerd en wordt er een reclamepaal gerealiseerd waardoor men snel kan herkennen dat hier een Fastned laadstation aanwezig is. Fastned (hierna ook: initiatiefnemer) zal met deze nieuwe laadplekken bijdragen aan de ambitie van de initiatiefnemer om de transitie naar elektrische mobiliteit te versnellen. Op Fastned laadstations kan elk type elektrische auto bijladen met hernieuwbare energie afkomstig van zo of wind. Inmiddels kent het netwerk van Fastned al 364 stations operationeel in Europa waarvan 181 locaties in Nederland, met herkenbare overkapping op goed bereikbare locaties. Echter, naast het internationale netwerk van laadstations langs voornamelijk snelwegen, zijn ook locaties buiten snelwegen van belang voor een goede dekking van het netwerk. Bovendien kan het opladen steeds sneller, al met 10 minuten laden per week is een gemiddelde rijder voldaan. Het doet dus niet meer onder voor tanken. Doel Onderhavige locatie is zo een locatie om de dekking buiten snelwegen om te verbeteren.
Op deze locatie is het Omgevingsplan gemeente Del Helder van kracht, en daarmee als onderdeel van het tijdelijk deel Omgevingsplan, het bestemmingsplan ‘LUCHTHAVEN 2013’. De gronden kennen de bestemming ‘Kantoor’. Het realiseren van het beoogde overkapte laadstation voor elektrische auto’s is op deze gronden volgens de planregels niet toegestaan. Er zal daarom een afwijking van de planregels mogelijk gemaakt moeten worden om de beoogde ontwikkeling te realiseren. Voor een dergelijke afwijking dient een procedure te worden doorlopen voor een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (BOPA). Dit betreft een reguliere procedure. Voorliggend document ziet op de motivering die aantoont dat er met onderhavige ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Voorliggende motivering maakt daarmee deel uit van de aanvraag Omgevingsvergunning. 1.2 Ligging projectgebied De locatie betreft een huidig parkeerterrein nabij het adres Verkeerstorenweg 3. Op het terrein zijn verder 2 kantorenpanden en een McDonald’s te vinden. Het terrein is gelegen langs de provinciale wegen N250 (Karel Doormanweg) en N99.
De wijdere omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door een bedrijventerrein ten zuiden/zuidwesten, het Noordhollandsch Kanaal en het Balgzandkanaal met daarachter de Waddenzee ten oosten en Den Helder Airport gelegen achter een zonnepanelen-park ten noorden/noordwesten van het plangebied. Het plangebied staat kadastraal bekend als HDR00-C-12772 (Den Helder), met uitzondering van de beoogde in- en uitrit welke is gelegen op een zeer beperkt stuk van het kadastrale perceel HDR00-C14475 (Den Helder). Onderstaande afbeelding toont de locatie van het plangebied.
5
Afbee lding 1.1: L igging plange bie d
1.3 Toelichting op bestaande planologisch kader voor de locatie 1.3.1 Omgevingsplan Het plangebied is gelegen binnen het Omgevingsplan van gemeente Den Helder. 1.3.2 Bruidsschatregels Van rechtswege opgenomen in het Omgevingsplan is de bruidsschat (hoofdstuk 22 van het Omgevingsplan). Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet verhuizen een aantal regels van het Rijk naar de gemeente door middel van de bruidsschat. De regels uit deze bruidsschat zijn automatisch in het tijdelijk deel van het Omgevingsplan geland. Hierdoor worden deze regels niet meer op rijksniveau geregeld, maar lokaal. Gemeenten dienen zelf een afweging te maken in hoe zij de onderwerpen uit de bruidsschat willen regelen en wat zij wel en niet over willen nemen in het toekomstige nieuwe deel van het Omgevingsplan. Van belang is dat de regels moeten voldoen aan artikel 4.1 lid 1 van de Omgevingswet: de regels moeten nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bovendien moeten de regels voldoen aan de instructieregels voor omgevingsplannen die zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De regels uit de bruidsschat zijn beleidsneutraal overgenomen, hierdoor voldoen niet alle regels aan het Bkl. Dat betekent dat gemeenten in ieder geval die artikelen moeten gaan omzetten of schrappen.
Doorwerking planinitiatief Indien noodzakelijk wordt in hoofdstuk 5 per omgevingsaspect getoetst aan de bruidsschatregels. Voorts worden de instructieregels van het Bkl aangehouden, zodat later verwerking van de BOPA in het Omgevingsplan probleemloos kan worden uitgevoerd. 6
1.3.3 Tijdelijk deel Omgevingsplan Op grond van artikel 22.1 onder a van de Omgevingswet gelden de regels uit voormalige en huidige ruimtelijke plannen van rechtswege voor het tijdelijk deel Omgevingsplan na het in werking treden van de Omgevingswet. Daarbij dient vermeld te worden dat de terminologie onder de Omgevingswet is veranderd. Onder de Omgevingswet spreek men niet meer van ‘bestemmingen’ maar van ‘functies’. Echter, in voorliggende motivatie wordt voor een goede leesbaarheid en vanwege het vigerende bestemmingsplan nog wel gesproken over ‘bestemmingen’. De volgende ruimtelijke plannen zijn van kracht ter plaatse van het plangebied als onderdeel van het tijdelijk deel Omgevingsplan: • • • • • •
Voorbeschermingsregels ‘hyperscale datacentra’ (in werking vanaf 01-01-2024); Voorbereidingsbesluit ‘Omgevingsverordening NH2022 – gemeente Den Helder’ (in werking vanaf 01-01-2024); Bestemmingsplan ‘LUCHTHAVEN 2013’ (vastgesteld 14-10-2013); Bestemmingsplan ‘Kamerverhuur, woningsplitsing en Bed&Breakfast 2021’ (vastgesteld 0609-2021); Paraplubestemmingsplan ‘Parkeren 2021’ (vastgesteld 27-09-2021); Paraplubestemmingsplan ‘supermarkten’ (21-11-2021);
1.3.3.1 Voorbeschermingsregels ‘hyperscale datacentra’ Dit plan betreft regels met betrekking tot het verbod op activiteiten die betrekking hebben op een hyperscale datacentra. Doorwerking plangebied Gezien de aard van onderhavige ontwikkeling is dit plan niet relevant. 1.3.3.2 Voorbereidingsbesluit ‘Omgevingsverordening NH2022 – gemeente Den Helder’ Dit plan betreft voorbeschermingsregels met betrekking tot geitenhouderijen en windenergie. Doorwerking plangebied Gezien de aard van onderhavige ontwikkeling is dit plan niet relevant. 1.3.3.3 Bestemmingsplan ‘LUCHTHAVEN 2013’ Dit bestemmingsplan kent ter plaatse van het plangebied de volgende bestemming: •
Kantoor (artikel 6.1).
Ook gelden de volgende gebiedsaanduidingen: • • • • •
Geluidszone – industrie – 2 (Luchthaven) (artikel 19.2); Geluidszone – industrie – 1 (Kooypunt) (artikel 19.2); Geluidzone – luchtvaart 30ke – 35ke (artikel 19.3); Geluidzone – luchtvaart 40ke – 45ke (artikel 19.3); Veiligheidszone – bevi – 2 (artikel 19.5).
Verder geldt ter plaatse van de beoogde in- en uitrit: •
Verkeer – Verblijf (artikel 12).
Onderstaande afbeelding toont het plangebied en daar geldende bestemmingen en aanduidingen.
7
Afbeelding 1.2: Uitsnede Regels op de kaart (bron: Omgevingsloket)
Doorwerking plangebied Kantoor De gronden aangewezen als ‘Kantoor’ zijn bestemd voor kantoren en dienstverlening op de eerste bouwlaag. Het gebruik van de gronden als snellaadstation voor elektrische auto als losse voorziening is niet opgenomen in de gebruiksregels. Er is derhalve sprake van strijd met het bestemmingsplan onder artikel 6.1. Verder is er in de bouwregels opgenomen dat een bouwwerk, geen gebouw zijnde, zoals een overkapping (overig bouwwerk) niet meer mag bedragen dan 2,00 meter. De beoogde overkapping, reclamepaal en totem zijn hoger dan de toegestane bouwhoogte. Er is derhalve sprake van strijd met artikel 6.2 van het bestemmingsplan. Geluidszone – industrie – 2 (Luchthaven) en Geluidszone – industrie – 1 (Luchthaven) Op deze gronden is het onder voorwaarden toegestaan een (geluidsgevoelig) gebouw te bouwen. Verder wordt benoemd dat als strijd gebruik met deze gebiedsaanduiding in ieder geval wordt gerekend het gebruiken van niet-geluidsgevoelig gronden en bouwwerken als geluidsgevoelig object. Het planvoornemen ziet niet op het bouwen van een (geluidsgevoelig) gebouw of een geluidsgevoelige functie. Deze gebiedsaanduidingen zijn derhalve niet relevant. Geluidszone – luchtvaart 30ke – 35ke (Luchthaven) en Geluidszone – luchtvaart 40ke – 45ke (Luchthaven) Deze gronden zijn, naast de aldaar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het
8
tegengaan van een te hoge geluidsbelasting op nieuwe geluidsgevoelige objecten als gevolg van landende en stijgende luchtvaartuigen. In afwijking van het overigens in het plan bepaalde is het niet toegestaan nieuwe geluidsgevoelige objecten te bouwen of geluidsgevoelige terreinen aan te leggen, in te richten of te gebruiken ter plaatsen van de aanduidingen. Het planvoornemen ziet niet op het bouwen van een (geluidsgevoelig) gebouw of een geluidsgevoelige functie. Deze gebiedsaanduidingen zijn derhalve niet relevant Veiligheidszone – bevi – 2 Deze gronden zijn tevens bestemd voor het tegengaan van een te hoog veiligheidsrisico van kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Het planvoornemen ziet niet op het realiseren van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object waardoor deze gebiedsaanduiding in beginsel niet relevant is. Niettemin zal voorliggende motivering nader aantonen waarom het snellaadstation niet zal resulteren in een toename van plaatsgebonden risico en groepsrisico. Namelijk, het object zal in enige mate mensen aantrekken maar deze personen blijven slechts voor beperkte tijd aanwezig in het gebied. Verkeer – Verblijf Ter plaatse van de beoogde in- en uitrit geldt de bestemming ‘Verkeer – Verblijf’. Deze gronden zijn bestemd voor onder meer wegen, straten en paden. Het realiseren van een in- en uitrit kan aangemerkt worden als passend binnen de bestemming.
Er is derhalve geen sprake van strijd met deze bestemming. Resumé Het planvoornemen is in strijd met artikel 6.1 en artikel 6.2 (bestemming ‘Kantoor’) van het bestemmingsplan ‘LUCHTHAVEN 2013’. Om het planvoornemen te realiseren zal daarom een afwijking van de planregels mogelijk gemaakt moeten worden middels het verlenen van een 1.3.3.4 Bestemmingsplan ‘Kamerverhuur, woningsplitsing en Bed&Breakfast 2021’ Dit bestemmingsplan betreft regels omtrent kamerverhuur, woningsplitsing en Bed&Breakfast. Doorwerking plangebied Gezien de aard van onderhavig planvoornemen zijn de regels opgenomen in dit bestemmingsplan niet relevant voor het planvoornemen. 1.3.3.5 Paraplubestemmingsplan ‘Parkeren 2021’ In dit paraplubestemmingsplan zijn regels opgenomen met betrekking tot parkeren. Namelijk; een omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk en/of het wijzigen van het gebruik van gronden en/of bouwwerken wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de normering zoals deze is opgenomen in de ‘Nota Parkeernormen Den helder 2017-2021’ (vastgesteld op 20 januari 2017) en diens rechtsopvolger(s). Doorwerking plangebied Voorliggende motivering zal aantonen dat er voor onderhavig planvoornemen geen belemmeringen optreden met betrekking tot het parkeren.
9
1.3.3.6 Paraplubestemmingsplan ‘supermarkten’ Dit paraplubestemmingsplan betreft regels omtrent supermarkten. Doorwerking plangebied Gezien de aard van onderhavig planvoornemen zijn de regels opgenomen in dit bestemmingsplan niet relevant voor het planvoornemen.
1.3.4 Conclusie Het planvoornemen is in strijd met artikel 6.1 en artikel 6.2 (bestemming ‘Kantoor’) van het bestemmingsplan ‘LUCHTHAVEN 2013’. Om het planvoornemen te realiseren zal daarom een afwijking van de planregels mogelijk gemaakt moeten worden middels het verlenen van een omgevingsvergunning. Hiervoor dient een procedure doorlopen te worden voor een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit. Dit betreft een reguliere procedure. Overige ruimtelijke plannen ter plaatse zijn niet relevant gezien de aard van onderhavige ontwikkeling.
10
2
Huidige situatie en nieuwe situatie
2.1 Beschrijving huidige situatie Het plangebied is gelegen op een parkeerterrein behorende bij een terrein voor kantoren. Er staan in de directe nabijheid daarom ook 2 kantoorpanden. Daarnaast is er een McDonalds aanwezig. Het terrein is ontsloten via de Verkeerstorenweg en de Rijksweg richting de provinciale wegen N250 en N99. Daarmee is de locatie goed bereikbaar. De wijdere omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door een bedrijventerrein ten zuiden/zuidwesten, het Noordhollandsch Kanaal en het Balgzandkanaal met daarachter de Waddenzee ten oosten en Den Helder Airport gelegen achter een zonnepanelen-park ten noorden/noordwesten van het plangebied. Onderstaande afbeeldingen zijn weergaven van de huidige situatie.
Afbeelding 2.1: Getekende weergave van de huidige situatie, plangebied met rood omkaderd (bron: Initiatiefnemer)
11
Afbeelding 2.2: Huidige situatie plangebied (bron: Google Street View, opnamedatum nov. 2022)
Afbeelding 2.3: Directe omgeving van het plangebied met 2 kantoorpanden, gezien vanaf de Verkeerstorenweg (bron: Google Street View, opnamedatum nov. 2022)
2.2 Beschrijving nieuwe situatie In de toekomstige situatie zal de initiatiefnemer een snellaadstation met overkapping realiseren voor elektrische auto’s. Ook zal daarbij ten noorden van het plangebied een in- en uitrit gerealiseerd worden die ontsluiting naar de Verkeerstorenweg mogelijk maakt. Daarnaast komt er in de zuidoostelijke hoek van het plangebied een reclame-paal te staan met een hoogte van 15 meter om duidelijk te maken dat er op deze locatie een Fastned laadstation aanwezig is. Op deze wijze zijn gebruikers van elektrisch aangedreven auto’s op de omliggende provinciale wegen beter geïnformeerd. Tevens zal er naast de inrit een Fastned totem van 4 meter hoog gerealiseerd worden. 12
Onderstaande afbeelding toont de indeling van het plangebied in de toekomstige situatie.
Afbeelding 2.4: Toekomstige situatie plangebied (bron: Google Street View, opnamedatum nov. 2022)
Ten behoeve van de realisatie zal nagenoeg geen toevoeging in verhard oppervlakte ten gevolge hebben. Namelijk, de huidige situatie betreft een volledig verhard parkeerterrein met daarop zeer beperkt groen. In de toekomstige situatie zal een deel van dit groen teruggebracht worden bij de inrit van het plangebied. Met het realiseren van dit planvoornemen zal de initiatiefnemer de vloot van elektrische auto’s beter faciliteren in de omgeving. Het zal namelijk resulteren in een betere dekking van laadvoorzieningen. Indirect is dit een manier om het elektrisch rijden te stimuleren.
13
Onderstaande afbeeldingen zijn een geïllustreerde weergave van de toekomstige situatie zoals gezien vanaf de grond. Het betreft een vooraanzicht vanaf het noorden en een zijaanzicht vanaf het oosten.
Afbeelding 2.5: Vooraanzicht van de toekomstige situatie zoals gezien vanuit het noorden (bron: Initiatiefnemer)
Afbeelding 2.6: Zijaanzicht van de toekomstige situatie zoals gezien vanuit het noorden (bron: Initiatiefnemer)
14
3 Toetsing aan beleid In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het voor onderhavig planinitiatief relevante ruimtelijk beleid op Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Dit beleidskader vormt de formele basis voor ontwikkelingen in het plangebied en is daarnaast een onderbouwing voor de beleidskeuze die in het plan zijn gemaakt. 3.1 Toetsing rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. De NOVI moet Nederland voorbereiden op de grote uitdagingen die de komende jaren opgepakt moeten worden. Internationale tot lokale ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering zijn voorbeelden van deze opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Ruimte, zowel boven- als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking.
De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij de provincies, gemeenten en waterschappen. Inhoudelijke keuzes kunnen in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. De NOVI moet Nederland houvast bieden om keuzes voor de leefomgeving sneller en beter te kunnen maken. Ingrepen in de leefomgeving kunnen niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. In de NOVI zijn vier landelijke prioriteiten vastgesteld, aan de hand van deze prioriteiten is een toekomstperspectief voor 2050 vastgesteld en brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. De vier prioriteiten zijn: 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Doorwerking planinitiatief Met onderhavige ontwikkeling kan gesteld worden dat er een bijdrage geleverd wordt aan het faciliteren van de transitie naar elektrisch, en daarmee duurzamer, rijden. Dit is passend binnen de prioriteit ‘Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’. Er kan dan ook gesteld worden dat de ontwikkeling (alhoewel op relatief kleine schaal) een bijdrage levert aan de ambities uit het NOVI.
3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. Het Bkl is één van de vier AMvB’s die invulling geven aan de Omgevingswet en bieden het juridisch kader voor maatschappelijke opgaven en ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. Besluiten die geheel overgaan naar het Besluit kwaliteit leefomgeving is bijvoorbeeld het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). 15
Het Bkl bevat ook de regels die het bevoegd gezag hanteert bij het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning, het opnemen van voorschriften in een omgevingsvergunning en het wijzigen van voorschriften of intrekken van een omgevingsvergunning. Waar voorheen dergelijke regels in een groot aantal wetten, AMvB’s en ministeriële regelingen verspreid stonden, zijn ze samengebracht in één hoofdstuk. Het Bkl draagt daarmee bij aan de vereenvoudiging van het omgevingsrecht. Ingevolge artikel 8.0b lid 1 van het Bkl, voor zover een aanvraag van een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, zijn op de beoordeling van de aanvraag de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructiebesluiten van het Rijk en de Provincie het beoordelingskader. In afdeling 5.1 van het Bkl zijn instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties opgenomen zoals: • • • • • • • •
Waarborgen van de veiligheid; Beschermen van de waterbelangen; Beschermen van de gezondheid en van het milieu; Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed; Behoud van ruimte voor toekomstige functies; Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten; Gebruik van bouwwerken; Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.
In afdeling 5.2 van het Bkl zijn de instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving opgenomen zoals: • • •
Voorkomen van belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorwegeninfrastructuur en rijkswegen; Lokale spoorwegen binnen vervoerregio’s; Lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool.
Ook is in het Bkl de Ladder voor duurzame verstedelijking verankerd. Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is het zorgvuldig gebruik maken van de ruimte in bestaand of nieuwe stedelijke gebieden en het tegengaan van leegstand. In het geval van nieuwe stedelijke ontwikkelingen buiten het stedelijk gebied dient daarom aangetoond te worden wat de behoefte naar de nieuwe stedelijke ontwikkeling is en hoe het stedelijk gebied in die behoefte kan voorzien. Kortom, de nut en de noodzaak van de ontwikkeling dient toegelicht te worden. Doorwerking planinitiatief In hoofdstuk 4 van voorliggende motivering wordt getoetst aan de instructieregels die in afdeling van 5.1 van het Bkl worden genoemd. In voorgenoemd hoofdstuk wordt derhalve onderbouwd dat met het realiseren van onderhavig planinitiatief sprake zal zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). 3.1.2.1 Ladder voor duurzame verstedelijking Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er behoefte aan stedelijke ontwikkeling is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. Hiervoor is de instructieregel ‘Ladder voor 16
duurzame verstedelijking’ opgesteld (paragraaf 5.1.5.4 van het Bkl). Artikel 5.129g bevat regels over zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Voor de volledigheid is artikel 5.129g hieronder opgenomen. Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. De behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a.
Op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. Nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling allen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In artikel 5.129g is niet concreet aangegeven bij welke omvang van een ontwikkeling er ook daadwerkelijk sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ is nader gespecificeerd in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 23 april 2014. De Afdeling noemt in de uitspraak de uitgangspunten die zij hanteert voort de beoordeling of een voorziene ontwikkeling voldoende substantieel is om als stedelijke ontwikkeling te kunnen gelden. In aanvulling heeft de Afdeling op 28 juni 2017 een overzichtsuitspraak gedaan over de Ladder voor duurzame verstedelijking. Relevant voor onderhavige ontwikkeling is het uitgangspunt met betrekking tot de uitbreiding van terreinen. Namelijk, wanneer een bestemmingsplan voorziet in een stedelijke voorziening in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m2, kan de ontwikkeling in beginsel worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling (ECLI:NL:RVS:2015:2921). Doorwerking planinitiatief Onderhavige ontwikkeling betreft de ontwikkeling van een laadstation waarbij het plangebied een ruimte betreft van meer dan 500 m2. Uitgaande van het bovengenoemde kan daarom geconstateerd worden dat er sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
Echter, om te bepalen of er ook sprake is van een ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkeling dient de huidige situatie en de onderliggende bestemming ook in beschouwing genomen te worden. Op onderhavige locatie geldt dat het een bijna volledig 17
verhard terrein betreft, waarbij het toegestaan is kantoren met bijbehorende parkeervoorzieningen te realiseren. Een stedelijke ontwikkeling is derhalve al mogelijk, en dus is er met het onderhavig planvoornemen geen sprake van een ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkeling. Het doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijking is op basis van het bovenstaande niet noodzakelijk. Niettemin zal er met voorliggende motivering aangetoond worden dat er sprake is van ETFAL. 3.1.3 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) In het Besluit activiteiten leefomgeving staan regels van het rijk voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Tevens staat vermeld voor welke activiteiten een meld- of vergunningplicht geldt. Met het inwerking treden van de Omgevingswet wordt het begrip ‘inrichting’ vervangen door milieubelastende activiteit. Ingevolge de Begripsbepalingen (artikel 1.1 van de Omgevingswet) wordt met een milieubelastende activiteit het volgende bedoeld: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit.” In hoofdstuk 3 van de Bal is per bedrijfstak aangegeven welke activiteiten als milieubelastend moet worden aangemerkt.
Op grond van artikel 5.1 lid 2 is het verboden om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, voor zover het gaat om een bij AMvB aangewezen geval. In hoofdstuk 4 en 5 van het Bal staan de inhoudelijke regels die gelden voor de milieubelastende activiteit. Naast de rijksregels kunnen er ook decentrale regels gelden voor milieubelastende activiteiten. Deze kunnen in het omgevingsplan, de omgevingsverordening of de waterschapverordening zijn opgenomen. • • • • • • • • • • • • •
In de Bal worden verder nog regels opgesteld voor de volgende activiteiten: Activiteiten in of bij waterstaatswerken in beheer bij het Rijk (hoofdstuk 6); Activiteiten in de Noordzee (hoofdstuk 7); Activiteiten rond rijkswegen (hoofdstuk 8); Activiteiten rond spoorwegen (hoofdstuk 9); Activiteiten rond luchthavens (hoofdstuk 10); Activiteiten die de natuur betreffen (hoofdstuk 11); Landinrichtingsactiviteiten (hoofdstuk 12); Activiteiten die cultureel erfgoed betreffen (hoofdstuk 13); Activiteiten die werelderfgoed betreffen (hoofdstuk 14); Gelegenheid bieden tot zwemmen en baden (hoofdstuk 15); Grondwateronttrekkingen en ontgrondingen op land en in regionale wateren (hoofdstuk 16); Afval van schepen in binnenwateren (hoofdstuk 17).
Doorwerking planinitiatief Onderhavige ontwikkling ziet op geen van bovengenoemde activiteiten. Het Bal zal daarom geen belemmering vormen voor onderhavige ontwikkeling.
3.1.4 Nationale agenda Laadinfrastructuur Nederland staat voor een grote transitieopgave op het gebied van mobiliteit. Er is een trend van toename in het gebruik van elektrische voertuigen, die op zijn beurt een toename van laadinfrastructuur vraagt. Er is daarmee een vraag ontwikkeld voor een slim, dekkend en 18
betrouwbaar laadnetwerk en energiesysteem. Om een emissie-loos wagenpark te onderhouden is het daarom zaak om ervoor te zorgen dat de laadinfrastructuur geen drempel vormt voor de uitrol van elektrisch vervoer. De Nationale Agenda voor Laadinfrastructuur stelt daarom dat er activiteiten opgesteld moeten worden die zorg zullen dragen voor: • • • •
Een voldoende dekkende laadinfrastructuur; Een verkorting van de doorlooptijden en een strategische plaatsing van laadinfrastructuur alvorens de vraag ontstaat; Toegankelijke informatie zoals de locatie en de beschikbaarheid van de laadpunten en laadtarieven; Toekomstbestendige laadinfrastructuur gericht op smart charging om capaciteitsbelasting van het elektriciteitsnet zoveel mogelijk te voorkomen.
Dit alles wordt nodig geacht om er voor te zorgen dat het voor de consument nu en in de toekomst aantrekkelijk is om elektrisch te rijden, en daarbij overal in Nederland op een eenvoudige manier gebruik kan maken van laadinfrastructuur. Doorwerking planinitiatief Onderhavig plan ziet op een ontwikkeling die onderdeel is van het (inter)nationale laadnetwerk van Fastned. Het plan draagt hiermee dus bij aan het realiseren en uitbreiden van een voldoende dekkende laadinfrastructuur. Mede door deze ontwikkeling zal het gebruik van elektrische voertuigen worden gestimuleerd en mogelijk gemaakt. Het plan sluit daarom goed aan op de Nationale Agenda Laadinfrastructuur.
3.1.5 Nationaal waterprogramma Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is vastgesteld op 18 maart 2022. In het NWP beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en rijksvaarwegen. Er liggen grote opgaven van het waterdomein. Zo moet Nederland zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. Ook moeten we blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook verdient de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening aandacht. Daarnaast hebben diverse functies het water nodig, zoals scheepsvaart, landbouw en natuur. Doorwerking planinitiatief Op het gebied van water wordt voor onderhavige ontwikkeling geen belemmering verwacht. In de huidige situatie is het plangebied namelijk bijna volledig verhard. Er zal derhalve geen tot weinig toename in verharding optreden. Een nadere toelichting van het aspect water is opgenomen in hoofdstuk 4 van voorliggende motivering.
3.2
Toetsing provinciaal beleid/ provinciale verordening
3.2.1 Omgevingsvisie NH2050 – Balans tussen economische groei en leefbaarheid De provinciale omgevingsvisie is vastgesteld op 19-11-2018. Met deze visie is gepoogd in samenhang te kijken naar de opties van de provincie. Hierbij staat, als hoofdambitie, de balans tussen economische groei en leefbaarheid centraal. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is
19
ook een duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor investeringen en een prettige leefomgeving. Binnen dit kader worden in de omgevingsvisie acht hoofdthema’s benoemd. Deze kennen elk hun eigen trends, ontwikkelingen en kernopgaven. Ook worden er bij deze thema’s ambities benoemd. De acht thema’s zoals benoemd zijn: • • • • • • • •
Klimaatverandering; Bodem, water en luchtkwaliteit; Biodiversiteit; Economische transitie; Energietransitie; Mobiliteit; Verstedelijking; Landschap.
Doorwerking planinitiatief Niet elk van bovengenoemde thema’s zijn relevant gezien de aard van onderhavig planvoornemen. Wel relevant is met name de ambitie op het gebied van ‘mobiliteit’. Hieronder wordt gemotiveerd op welke wijze het planvoornemen aansluiting vindt op de visie. Mobiliteit De omgevingsvisie benoemd een ambitie op het gebied van mobiliteit. Namelijk, de inwoners en bedrijven van Noord-Holland dienen zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt te kunnen verplaatsen, waarbij de negatieve gevolgen van mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap nadrukkelijk meegewogen moet worden. De provincie zet zich naar eigen zeggen in voor het versterken van mobiliteitsopties die hieraan bijdragen. Onderdeel daarvan is het inzetten op uitstekende infrastructuur voor alle modaliteiten en technologische innovatie. Onderhavige ontwikkeling voorziet in een uitbreiding van het netwerk van elektrische laadstations. Hiermee wordt de vloot van elektrische auto’s in de regio beter voorzien van oplaadpunten. Dit maakt het elektrisch rijden toegankelijker. Dit draagt bij aan de transitie van rijden op fossiele brandstoffen naar elektrisch rijden, wat een positieve bijdrage levert aan luchtkwaliteit en natuur. Er is daarmee sprake van het versterken van mobiliteitsopties zonder daarbij te resulteren in negatieve effecten op het klimaat.
Gesteld kan daarom worden dat onderhavige ontwikkeling aansluit op de ambitie voor mobiliteit zoals geformuleerd in de omgevingsvisie. Overig Verder zal de ontwikkeling overige ambities zoals geformuleerd in de omgevingsvisie niet in de weg staan.
3.2.2 Omgevingsverordening NH2022 Naast de Omgevingsvisie moet de provincie ook een Omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. Op deze wijze kunnen er ook concrete regels gesteld worden om hetgeen in de Omgevingsvisie te bereiken. Het gaat dan om regels voor: •
Initiatiefnemers, inwoners en bedrijven. De zogenaamde algemene regels die betrekking hebben tot voorwaarden en vereiste voor activiteiten; 20
•
Bestuursorganen van de overheid. De zogenaamde instructieregels die de provincie meegeeft aan overheden over onderwerpen die meegenomen moeten worden in het beleid.
Middels deze regels poogt de provincie om haar belangen te behartigen. De Omgevingsverordening wordt regelmatig aangevuld of aangepast, met als laatste wijziging op 13-03-2025. Hiermee is en blijft het een actueel document. Doorwerking plangebied Om inzichtelijk te maken welke regels ter plaatse van het plangebied gelden is het Omgevingsloket geraadpleegd. Op de interactieve kaart ‘Regels op de kaart’ wordt inzichtelijk welke gebiedsaanwijzingen met bijbehorende regels er gelden. Echter zullen niet alle gebiedsaanwijzingen relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling of slechts een instructieregel gericht tot waterschappen en gemeentes betreffen. In ieder geval zijn de volgende gebiedsaanwijzingen van kracht ter plaatse van het plangebied: • • • • • • • • • •
Agrarische bedrijven; Datacenters uitgesloten; Grondbewerkingen voor permanente bollenteelt toegestaan; Landelijk gebied; Natura2000-bufferzone; Noord-Holland Noord; Noord-Holland Noord – Landelijk gebied; Ontgrondingen; Peilbesluit; Regionale verdringingsreeks regio IJsselmeergebied.
Dit is ook weergegeven op onderstaande afbeelding.
21
Afbeelding 3.1: Uitsnede Regels op de kaart (bron: Omgevingsloket)
Agrarische bedrijven Binnen deze aanduiding zijn regels opgenomen met betrekking tot het wel of niet toestaan van agrarische bedrijven, niet agrarische bedrijfsactiviteiten als onderdeel van een agrarisch bedrijf en agrarisch aanverwante bedrijven als zelfstandig bedrijf. Gezien de aard van onderhavige ontwikkeling is deze aanduiding niet relevant. Datacenters uitgesloten Deze aanduiding betreft regels over het wel of niet toestaan van datacenters. Gezien de aard van onderhavige ontwikkeling is deze aanduiding niet relevant. Grondbewerkingen voor permanente bollenteelt toegestaan Deze aanduiding betreft regels over het wel of niet toestaan van grondbewerkingen voor permanente bollenteelt. Gezien de aard van onderhavige ontwikkeling is deze aanduiding niet relevant. Landelijk gebied De gronden binnen deze aanduiding kennen instructieregels voor Omgevingsplannen over nieuwe stedelijke functies. Op onderhavige locatie is er echter al een parkeerterrein aanwezig met de bestemming ‘Kantoor’. Een stedelijke functie is derhalve al mogelijk en toegestaan op deze locatie, waardoor er geen sprake is van een ‘nieuwe’ stedelijke functie. Niettemin betreft de ontwikkeling wel een stedelijke functie. En op deze gronden geldt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dat de 22
ruimtelijke kwaliteit, gelet op de Leidraad Landshap en Cultuurhistorie, in acht genomen moet worden. Daarbij dient een ontwikkeling: • • •
Rekening te houden met de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren; De kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes te betrekken; De ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren te betrekken.
Ondanks de locatie van het plangebied op een terrein bestemd voor kantoren en parkeergelegenheden, zal binnen bovengenoemd kader de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie betrokken worden. Namelijk, volgens de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie is het plangebied gelegen binnen het ensemble ‘Koegras – Anna Paulownapolder’. Kernwaarden van dit gebied zijn de landschapstypen en de bijbehorende kenmerken, openheid en ruimtebeleving; de ruimtelijke dragers zoals bebouwingslinten, bomenlanen en dijken. Het landschappelijke karakteristiek is een grofmazige orthogonale wegenstructuur, smalle vaarten en vlieten en weinig beplanting. Onderhavig planvoornemen zal met de realisatie van een elektrisch laadstation op een terrein voor kantoren geen afbreuk doen aan bovengenoemde kernwaarden en karakteristieke eigenschappen van het landschap. Het is namelijk geen gebiedsvreemde ontwikkeling die geen afbreuk doet aan ruimtelijke dragers of andere landschappelijk kenmerken. Natura2000-bufferzone Deze gebiedsaanduiding benoemd gevallen waarvoor geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is vereist. Deze gevallen worden benoemd in Bijlage 4 van de Provinciale Omgevingsverordening. Echter zijn alle gevallen in Bijlage 4 komen te vervallen. Deze aanduiding is derhalve niet relevant.
Noord-Holland Noord Deze gebiedsaanduiding betreft een instructieregel over het wel of niet toelaten van het bouwen van een windturbine. Gezien de aard van onderhavige ontwikkeling is deze aanduiding niet relevant. Noord-Holland Noord – Landelijk gebied Deze gebiedsaanduiding betreft een instructieregel over het wel of niet toelaten van de transformatie van een rechtmatig aanwezig recreatiepark naar een stedelijke voorziening. Gezien de aard van onderhavige ontwikkeling is deze aanduiding niet relevant. Ontgrondingen Op deze gronden is het zonder omgevingsvergunning niet toegestaan ontgrondingsactiviteiten te verrichten van meer dan 10.000 m3. Hiervan zal met onderhavige ontwikkeling geen sprake zijn. Peilbesluit Deze gebiedsaanduiding betreft een instructieregel voor het waterschap. Het waterschap dient een of meer peilbesluiten vast te stellen voor de oppervlaktewaterlichamen in de gebieden binnen het werkingsgebied. Dit is voor onderhavige ontwikkeling niet relevant. Regionale verdringingsreeks regio IJsselmeergebied Deze gebiedsaanduiding betreft een instructieregel voor het waterschap met betrekking tot de rangorde bij waterschaarste in de regio IJsselmeergebied. Dit is voor onderhavige ontwikkeling niet relevant. 23
3.3 Toetsing beleid waterschap Deltavisie Met het opstellen van de Deltavisie wilt het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier een strategie voor de toekomst ontwikkelen die het gebied bestand maakt teen klimaatverandering. In de visie gaat het daarom met name om: • • • • •
Het verkleinen van de kans op rampen en overlast (preventie); Adaptatie (aanpassing); Mitigatie (verzachting); Compensatie (aanvulling); Acceptatie; het beperken van de gevolgen en gebruik maken van de kansen die zich voordoen.
Thema’s als waterveiligheid, wateroverlast en voldoende schoon zoet water zijn daarbij relevant. Gekeken dient te worden naar het nemen van preventieve maatregelen, het duurzaam en klimaatbestendig inrichting van de openbare ruimte en het beperken van de gevolgen bij een overstroming. Waterplan In het Waterplan is vervolgens de koers voor de periode 2022-2027 gepresenteerd. Hierin staan de opgaven waaraan gewerkt wordt. Met het waterbeheer wordt er namelijk gewerkt aan voldoende, gezond en schoon water om van te leven, te werken en te recreëren voor mens, dier en natuur. Het Waterplan is daarmee een voortzetting op de koers van bovengenoemde Deltavisie. Waterschapsverordening De Waterschapsverordening bevat vervolgens de regels over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor watersystemen, zuiveringtechinsche werken en (vaar)wegen die in het beheer zijn bij het hoogheemraadschap. Deze regels zijn derhalve opgesteld met het oog: • • • •
Het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; Het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; Het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; en Het beschermen van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk.
Deze regels, en daarmee de verordening, hebben als doel om ervoor te zorgen dat de taken van het hoogheemraadschap goed en onbelemmerd uitgevoerd kunnen worden en dat de doelstelling worden gewaarborgd. Doorwerking plangebied Om te achterhalen welke regels er gelden ter plaatse van onderhavig plangebied kan het Omgevingsloket geraadpleegd worden. De interactieve kaart van de waterschapsverordening is hieronder weergegeven.
24
Afbeelding 3.2: Uitsnede interactieve kaart Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (bron: gemeente Den Helder)
Ambtsgebied Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hiermee wordt enkel aangegeven dat het plangebied is gelegen binnen het Ambtsgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Beheergebied Hiermee wordt enkel het beheergebied van het Hoogheemraadschap aangegeven. Buiten het aangewezen gebied peilafwijkingen Deze gebiedsaanwijzing kent een verbod voor het realiseren van een peilafwijking zonder omgevingsvergunning. Hiervan is met onderhavig planvoornemen geen sprake. De aanwijzing is derhalve niet relevant. Buiten het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering Binnen deze gebiedsaanwijzing zijn regels opgesteld met betrekking tot het aanbrengen, behouden en weghalen van verhard oppervlak. Zo is het niet toegestaan zonder omgevingsvergunning meer dan 2.000 m2 verhard oppervlak aan te brengen. Hiervan is echter geen sprake met onderhavig planvoornemen. Niettemin zal ten alle tijden de zorgplicht in acht genomen worden en zal men bij het uitvoeren van activiteiten bij het vermoeden tot nadelige gevolgen deze zoveel mogelijk beperken of ongedaan maken.
25
Ook gelden er binnen deze aanwijzing regels met betrekking tot het plaatsen of aanbrengen, behouden en weghalen van drainagebuizen en ontwateringsgreppels. Ook hier geldt dat men de zorgplicht in acht neemt in het geval deze activiteit wordt uitgevoerd. Buiten het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering en buiten hellend gebied en gebied met droge beddingen Binnen deze gebiedsaanwijzing gelden regels met betrekking tot het graven van nieuw oppervlaktewater. Hiervan is geen sprake met onderhavig planvoornemen. Deze aanwijzing is derhalve niet relevant. Buiten het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering en buiten het kwetsbaar gebied grondwater Binnen deze gebiedsaanwijzing gelden diverse regels met betrekking tot wateronttrekkingsactiviteiten. Het betreft activiteiten als: • • • • •
Onttrekken van grondwater voor proefonttrekkingen (meer dan 12.000 m3 p/jaar); Onttrekken van grondwater voor bronbemaling (meer dan 15.000 m3 p/maand); Onttrekken van grondwater voor grondwater- en bodemsaneringen (meer dan 15.000 m3 p/maand); Onttrekken van grondwater voor beregening, bevloeiing en veedrenking (meer dan 8.000 m3 p/maand); Onttrekken van grondwater voor overige doeleinden.
Gezien de aard van onderhavig planvoornemen worden geen belemmeringen verwacht op basis van bovenstaande regels en activiteiten. Buiten het beperkingengebied waterkering met bijbehorende beschermingszones Binnen deze gebiedsaanwijzing gelden regels met betrekking tot het plaatsen, behouden en weghalen van windturbines. Hiervan is geen sprake met onderhavig planvoornemen. Deze aanwijzing is derhalve niet relevant. Buiten het kwetsbaar gebied oppervlaktewater Binnen deze gebiedsaanwijzing gelden regels met betrekking tot lozingsactiviteiten. Het betreft activiteiten als: • • • • • • • • •
Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering; Lozen van koelwater; Lozen bij calamiteitenoefeningen; Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen; Lozen bij het maken van betonmortel en uitwassen van beton; Lozen bij niet-industriële voedselbereiding; Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers; Lozen vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spelen of scheiden van zand of grind; Lozen van afvalwater vanuit een weilanddepot.
Gezien de aard van onderhavig planvoornemen worden geen belemmeringen verwacht op basis van bovenstaande regels en activiteiten. Verder worden er ook regels gesteld met betrekking tot het onttrekken van water aan oppervlaktewaterlichamen. Hiervan is geen sprake met onderhavig planvoornemen. 26
Gebied met peilbesluitplicht Binnen deze gebiedsaanwijzingen wordt benoemd dat water bij voorkeur wordt geïnfiltreerd in de bodem voor zover dit niet leidt tot grondwateroverlast bij omliggende percelen. Voor onderhavig planvoornemen geldt dat er weinig verandering op zal treden ter plaatse van het plangebied. In de huidige situatie is het gebied bijna compleet verhard, in de nieuwe situatie zal dit niet anders zijn. gesteld kan daarom ook worden dat er met betrekking tot waterafvoer geen wijziging zal optreden. Niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam Binnen deze gebiedsaanwijzing zijn emissiegrenswaarden opgenomen bij lozen op een nietaangewezen oppervlaktewater. Dit is voor onderhavig planvoornemen niet relevant. Daarnaast geldt dat het afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen alleen onder voorwaarden op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam mag worden geloosd . Dit is gezien de aard en locatie van onderhavig planvoornemen niet relevant. Verder zijn ook de regels met betrekking tot het lozen van huishoudelijk afvalwater en koelwater niet relevant voor onderhavig planvoornemen. Resumé Gelet op het bovenstaande word gesteld dat er op basis van de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier geen belemmeringen optreden voor onderhavig planvoornemen.
Daarmee staat het planinitiatief ook de doelen uit het Waterplan en de Deltavisie niet in de weg. Niettemin is in hoofdstuk 4 een nadere toelichting over het aspect water opgenomen in het kader van de weging van het waterbelang.
3.4 Toetsing gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie gemeente Den Helder 2023 De Omgevingsvisie gemeente Den Helder (vastgesteld 18-09-2023) ‘Koers op een sterke thuishaven’ schetst een brede visie op het behoud, het gebruik en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Het geeft daarmee richting aan ambities, kansen en opgaven voor Den Helder. Binnen de visie worden diverse thema’s uitgewerkt, te weten: • • • •
Groen & landschap; Mobiliteit & infrastructuur; Functies & bedrijvigheid; Ontwikkelingen.
Daarnaast presenteert de Omgevingsvisie ook een visiekaart en de Centrale uitganspunten. De visie is opgesteld zoals bedoeld onder artikel 3.1 van de Omgevingswet en heeft daarmee de voorgaande structuurvisie vervangen. Doorwerking plangebied Als eerst is gekeken naar de ligging van het plangebied in de visiekaart. Het plangebied is gelegen in een gebied aangewezen als bedrijventerrein ‘Kooypunt’ (afbeelding 3.2). Een ontwikkeling zoals het planinitiatief is binnen een dergelijk gebied geen gebiedsvreemde ontwikkeling. De gronden zijn in de visie namelijk aangewezen als gronden bedoeld voor bedrijfsactiviteiten en stedelijke functies. Verder wordt er onder de ‘Centrale uitgangspunten’ benoemd dat de leefomgeving toekomstbestendig moet worden ingericht en gebruikt om bij te dragen aan een sterke 27
samenleveing. Onderdeel daarvan is de duurzame mobiliteit als één van de vijf pijlers van duurzaamheid. De gemeente geeft aan de komende jaren in te zetten op deze pijlers en facetten van duurzaamheid. Zowel in een leidende rol, maar ook in het faciliteren en stimuleren van ondernemers, bewoners en andere partijen. Ingezet zal worden op duurzame mobiliteit en het bereikbaar zijn en blijven voor verschillende vervoersmiddelen. Onderhavige ontwikkeling ziet op een ontwikkeling die een duurzame vorm van mobiliteit, elektrisch aangedreven auto’s, faciliteert en stimuleert binnen de omgeving. Dit sluit aan op de ambitie zoals geformuleerd door de gemeente in de visie. Verder zijn niet alle thematische uitwerkingen uit de visie voor onderhavig planinitiatief relevant. Wel relevant is, met name, het thema ‘Mobiliteit en infrastructuur’. De gemeente zet in op duurzaamheid. Specifiek ambieert de gemeente de aanleg van een dekkend netwerk van laadinfrastructuur en het faciliteren van de transitie naar elektrische mobiliteit. Onderhavige ontwikkeling zal een bijdrage leveren aan deze ambitie. Daarbij is ook de beoogde locatie, langs de hoofdweg N9, gunstig. Op basis van het bovenstaande kan gesteld worden dat de ontwikkeling passend is binnen de Omgevingsvisie van gemeente Den Helder.
28
Afbeelding 3.3: Uitsnede visiekaart Omgevingsvisie Den Helder, plangebied gelegen binnen rode cirkel (bron: gemeente Den Helder)
29
4 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu In dit hoofdstuk wordt de gewenste ontwikkeling getoetst aan de verschillende aspecten uit de fysieke leefomgeving. Indien noodzakelijk worden deze aspecten nader gemotiveerd met een onderzoek. 4.1 M.E.R.-beoordeling Wettelijk kader In het milieueffectrapport (MER) worden de effecten van een project op het milieu beschreven. De wetgeving omtrent de MER is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit kan worden afgeleid wanneer een project MER-plichtig is. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2011/42/EG (Strategische milieubeoordeling)), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal dan niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van MER-plichtige plannen en programma’s uit de Bijlage bij het Besluit MER. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MERbeoordelingsprocedure.
Motivering Onderhavige ontwikkeling wordt beoogd op een locatie waar in de huidige situatie volgens het bestemmingsplan al kantoren en bijbehorende parkeergelegenheid wordt toegestaan. Het bestemmingsplan laad een stedelijke ontwikkeling op deze locatie dus al toe. Het realiseren van een laadstation voor elektrische auto’s kan op deze locatie dan ook als passend beschouwd worden. Daarbij worden geen nadelige effecten voor het milieu verwacht. Conclusie Een MER-beoordeling wordt voor onderhavig project dan ook niet noodzakelijk geacht. Niettemin zullen onderstaande paragrafen van hoofdstuk 4 aantonen dat er geen aantasting van milieuaspecten zal plaatsevinden als gevolg van het voorgestelde planinitiatief.
4.2 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Wettelijk kader Duurzaamheid bij ruimtelijke ontwikkelingen betekent onder andere dat voldaan moet worden aan wettelijke milieueisen, op het gebied van bijvoorbeeld bodem, lucht en geluid. Daarnaast betekent duurzaamheid aandacht voor water (o.a. waterberging, met het oog op de voortgaande klimaatverandering) en voor inrichtingen van de openbare ruimte (materiaalgebruik, verharding, groen, verlichting). Tot slot zijn circulariteit en energie speerpunten als het gaat om duurzaamheid. Motivering Voorliggend document zal in de komende paragrafen aantonen op welke wijze er voldaan wordt aan de milieueisen op het gebied van diverse omgevingsaspecten. Daarnaast dient te worden benoemd dat onderhavig planinitiatief ziet op de realisatie van een laadstation voor elektrische auto’s. Het initiatief draag op zichzelf daarmee al bij aan de duurzaamheid van mobiliteit op langere termijn door 30
het faciliteren en stimuleren van elektrische auto’s. Bovendien maakt Fastned veelal gebruik van duurzaam opgewekte stroom in de vorm van zonne- en/of windenergie. Zo zal het laadstation op den duur aangesloten worden op een nog te realiseren zonnepark. De benodigde energie voor het laadstation zal daarmee op duurzame wijze opgewekt worden. Conclusie De ontwikkeling houdt derhalve voldoende rekening met de aspecten duurzaamheid en energie.