CConstaterende datDen Helder
Koppel je AI →
Document · PDF

BOPA-onderbouwing EOS Koopunt - versie 12-08-2026

Gemeenteraad 21 september 2026, gemeente Den HelderBij agendapunt: 14: Voorstel tot het verlenen van een positief advies over de aanleg van een energieopslag-systeem aan de Koperslagersweg 14F.55.279 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 6

Alle activiteiten die door het verrichten, of juist nalaten hiervan, negatieve gevolgen kunnen hebben op de fysieke leefomgeving zijn verboden volgens de Ow (art. 1.7a, zie ook art. 11.27 Bal). De activiteiten waar het hier over gaat zijn nader begrensd, ook ter uitvoering van de richtlijn milieustrafrecht (art. 1.3 Ob). Hierin staat onder andere het verbod op het in lucht, bodem of water brengen van trillingen, geluid, stoffen of warmte die gevolgen voor natuur of landschappen kunnen hebben. Ook staat hierin het verbod om beschermde natuur of landschappen te verwaarlozen met aanzienlijke gevolgen. De specifieke zorgplicht is van toepassing wanneer er aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van specifieke soorten, welke van nature in Nederland voorkomen, die kwetsbaar of bedreigd zijn en vallen onder de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, nationaal beschermde soorten en soorten die opgenomen zijn op de (nationale) Rode lijsten. Ook natuurlijke habitats of belangrijke leefgebieden van deze soorten vallen onder de specifieke zorgplicht.

Kooypunt batterij opslagsysteem te Den Helder Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2024-235 Als deze aanwijzingen er zijn, moet worden vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor deze soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rust- of groeiplaatsen en hun eieren. Zijn nadelige gevolgen niet uit te sluiten, dan wordt gevraagd om na te gaan welke nadelige gevolgen kunnen optreden en passende preventieve maatregelen te nemen, de activiteit te staken, of, als dat niet kan, passende herstelmaatregelen te nemen. Mochten de zorgplichtbepalingen niet helder genoeg zijn, dan staat het aan bevoegd gezag vrij om middels maatwerkregels (art. 11.29 Bal) of maatwerkvoorschriften (art. 11.31 Bal) deze te verduidelijken. Bijvoorbeeld door het opnemen van regels in een provinciale Omgevingsverordening of het stellen van een maatwerkvoorschrift of vergunningsvoorschrift. Bijlage 1.2 Soortbescherming Onder de Ow geldt een algemeen verbod om zonder omgevings- vergunning bepaalde activiteiten te mogen verrichten (§ 5.1.1 Ow), waaronder een flora- en fauna-activiteit, tenzij anders geregeld in een omgevingsplan, waterschapsverordening, omgevingsverordening of ministeriële regeling.

Bijlage 1.2.1 Categorieën soortbescherming Onder de Ow worden bepaalde planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die Europees zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn (Hrl) en soorten genoemd in de Vogelrichtlijn (Vrl). Naast deze Europees beschermde soorten is een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Deze soorten zijn op nationaal niveau beschermd. Per provincie geldt daarnaast een vierde categorie, de ‘vrijgestelde soorten’ (art. 3.11). Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van vergunningsplicht bij schadelijke handelingen (zie Bijlage 1.2.2), bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren en is te vinden in Tabel 2.

Kooypunt batterij opslagsysteem te Den Helder Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2024-235 DR FL FR GL GR L NB NH OV UT ZH ZL Zoogdieren Aardmuis + + + + + + + + + + + + Bosmuis* + + + + + + + + + + + + Bunzing + + + + + + Dwergmuis + + + + + + + + + + + + Dwergspitsmuis + + + + + + + + + + + + Eekhoorn +1 Egel + + + + + + + + + + + Gewone bosspitsmuis + + + + + + + + + + + + Haas + + + + + + + + + + + Hermelijn + + + + + + Huisspitsmuis* + + + + + + + + + + + + Konijn + + + + + + + + + + + Ondergrondse woelmuis + + + + + + + + + + + Ree + + + + + + + + + + + + Rosse woelmuis + + + + + + + + + + + + Steenmarter +2 Tweekleurige bosspitsmuis + + + + + + + + + + + + Veldmuis + + + + + + + + + + + + Vos + + + + + + + + + + + + Wezel + + + + + + + Wild zwijn + Woelrat + + + + + + + + + + + + Amfibieën en reptielen Bruine Kikker + + + + + + + + + + + + Gewone pad + + + + + + + + + + + + Hazelworm +3 Kleine watersalamander + + + + + + + + + + + + Levendbarende hagedis +4 Meerkikker + + + + + + + + + + + + Bastaardkikker + + + + + + + + + + + + Vrijgestelde soorten per provincie (Rood niet vrijgesteld).

Kooypunt batterij opslagsysteem te Den Helder Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2024-235 Bijlage 1.2.2 Schadelijke handelingen De Ow bepaalt dat de volgende zaken verboden zijn (zie art. 3.1, 3.5 en 3.10):  Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren genoemd in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen.¹  Het is verboden dieren genoemd in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren.  Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen.  Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.  Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatricht- lijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied op- zettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Omgevingsvergunning Daarnaast geldt er een algemeen verbod om zonder omgevings- vergunning bepaalde activiteiten te mogen verrichten (§ 5.1.1 Ow), waaronder een flora- en fauna-activiteit of een Natura 2000-activiteit (zie Bijlage 1.3.1), tenzij anders geregeld in een omgevingsplan, waterschapsverordening, omgevingsverordening of ministeriële regeling. Indien geen vrijstelling geldt van de vergunningplicht, dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Onderscheid wordt gemaakt in een enkelvoudige vergunningsaanvraag (voor één activi- teit) en meervoudige aanvraag (voor meer dan één activiteit), in verband met een verschil in procedure. Een meervoudige aanvraag is van toepassing als sprake is van bijvoorbeeld een flora- en fauna- activiteit én een Natura 2000-activiteit. De initiatiefnemer kan zelf kiezen tussen los of gelijktijdig aanvragen (art. 5.7 Ow). Er is geen eis met betrekking tot een gelijktijdige aanvraag van onlosmakelijke activiteiten. Het bevoegd gezag heeft evenwel de verplichting om de aanvrager te informeren over andere vergunningplichtige activiteiten, voor zover in te schatten door het bevoegd gezag. ¹Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied.

Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet. Kooypunt batterij opslagsysteem te Den Helder Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2024-235 Bijlage 1.2.3 Vergunningsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals realisatie, sloop of renovatie van bebouwing, kappen van bomen, dempen van wateren of schonen van sloten, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan vergunning voor de Ow verkregen worden. Als beschermde soorten (zie Bijlage 1.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én sprake is van mogelijke schadelijke handelingen (zie Bijlage 1.2.2), dan is een omgevingsvergunning vereist, of moet, indien mogelijk, conform artikel 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van LNV goedgekeurde gedragscode. De vraag of vergunning kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan.

Bijlage 1.2.4 Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een vergunning belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen vergunning. Als schade niet te voorkomen is, dan dient één van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn  In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer.  In het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.  Ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn  In het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.  Ter bescherming van flora en fauna. Andere soorten  In het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.

Kooypunt batterij opslagsysteem te Den Helder Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2024-235  In het kader van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan.  Ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen.  Ter bescherming van flora en fauna. Bijlage 1.2.5 Broedvogels Voor broedvogels wordt in principe geen vergunning verleend. Als men verstorende activiteiten buiten het broedseizoen laat plaats- vinden worden de vogels geacht te kunnen uitwijken, treedt geen schade op en is geen vergunning noodzakelijk. Alleen vogelnesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn vallen onder de definitie van ‘vaste rust- of verblijfplaatsen’ en zijn daarom jaarrond beschermd. Er zijn vier verschillende categorieën ‘broedvogels met jaarrond beschermde nesten’, categorie 1 t/m 4, zie kader volgende pagina. De lijst met vogelsoorten waarvan de nesten gedurende het hele jaar zijn beschermd is in 2009 aangepast (zie kader). In de provincies Flevoland, Limburg en Overijssel zijn de lijsten recent aangepast. Soorten kunnen in deze provincies in andere categorieën vallen, of er zijn extra soorten toegevoegd aan de lijsten van deze provincies.

Voor soorten met jaarrond beschermde nesten kan soms, meestal alleen buiten het broedseizoen, wél een vergunning worden aangevraagd. Een ‘omgevingscheck’ is dan vereist. Een deskundige moet in dat geval vaststellen of de desbetreffende soort zelfstandig een vervangend nest kan vinden in de omgeving, of dat met verzachtende en/of compenserende maatregelen de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rustplaats gegarandeerd kan worden. Om zeker te zijn dat geplande of genomen maatregelen hiertoe voldoende zijn, moeten deze middels een vergunnings- aanvraag worden voorgelegd aan de provincie. Als de gunstig staat van instandhouding niet in gevaar komt, kan de aanvraag (positief) worden afgewezen. Het is uiteraard essentieel dat de (aan de provincie) voorgestelde maatregelen ook daadwerkelijk worden genomen. Let op! Bij de bescherming van een jaarrond beschermd nest of verblijf kan het zijn dat zowel de verblijfplaats als de (directe) omgeving die nodig is voor het succesvol functioneren daarvan moet worden betrokken. Kooypunt batterij opslagsysteem te Den Helder Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2024-235 Categorie 5-soorten Er is nog een categorie met ‘bijzondere’ vogelsoorten (Categorie 5).

Deze soorten keren (zoals ook soorten met jaarrond beschermde nesten) weliswaar vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van deze soorten zijn de verblijfplaatsen alleen dan beschermd als ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen’. Ook deze lijst kan per provincie verschillen, zie het kader hieronder voor soorten die in de meeste gevallen in deze categorie vallen. Kader: De algemeen geldende lijst van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en bijbehorende categorie. Deze lijst geldt in de meeste provincies waaronder Noord- en Zuid-Holland. Per provincie kunnen de categorieën verschillen, of zijn soms extra soorten aan de lijst toegevoegd.

Soort Categorie Toelichting codes Boomvalk 4 Vogelsoorten waarvan de nesten in principe jaarrond zijn beschermd met beschermingscategorie: 1 = soorten die ook buiten het broedseizoen het nest gebruiken als vaste rust- of verblijfplaats, 2 = koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop, 3 = soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing, 4 = soorten die niet of nauwelijks zelf in staat zijn een nest te maken. Buizerd 4 Gierzwaluw 2 Grote gele kwikstaart 3 Havik 4 Huismus 2 Kerkuil 3 Oehoe 3 Ooievaar 3 Ransuil 4 Roek 2 Slechtvalk 3 Sperwer 4 Steenuil 1 Wespendief 4 Zwarte wouw 4 Blauwe reiger Koolmees Boerenzwaluw Kortsnavelboomkruiper Bonte vliegenvanger Middelste bonte specht Boomklever Oeverzwaluw Boomkruiper Pimpelmees Bosuil Raaf Brilduiker Ringmus Draaihals Ruigpootuil Eidereend Spreeuw Ekster Tapuit Gekraagde roodstaart Torenvalk Glanskop Tureluur Grauwe vliegenvanger Veldleeuwerik Groene specht Wulp Grote bonte specht Zeearend Grutto Zomertortel Hop Zwarte kraai Huiszwaluw Zwarte mees IJsvogel Zwarte roodstaart Kleine bonte specht Zwarte specht Kleine vliegenvanger Kader: Enkele vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in categorie 5. Per provincie kan het beschermingsniveau verschillen.

Sommige soorten vallen alleen onder categorie 5 in bepaalde provincies. Kooypunt batterij opslagsysteem te Den Helder Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2024-235 Bijlage 1.2.6 Gedragscodes Indien men in het bezit is van een door de minister van LNV goed- gekeurde gedragscode, hoeft bij werkzaamheden in het kader van natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogel- soorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en andere soorten (art. 3.10) geen vergunning te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (art. 3.31). De bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. De relevante soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld. Bijlage 1.2.7 Flora- en fauna-activiteit Een ‘flora- en fauna-activiteit’ is een ‘activiteit met mogelijke nadelige gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’ (art 1.1 Ow). Er is sprake van een ‘flora- en fauna-activiteit’ wanneer sprake is van mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levend dieren of planten, ongeacht of deze soorten beschermd zijn krachtens de Ow.

Deze regel geldt dus niet voor soorten die buiten het natuurlijk verspreidingsgebied voorkomen of exoten, tenzij specifiek vermeld. Wanneer sprake is van een flora- en fauna-activiteit, dient rekening te worden gehouden met de specifieke zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Daarnaast zijn Huismuis, Bosmuis, Veldmuis, Bruine rat, Huisspits- muis en Mol buiten beschermde gebieden in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden (art. 3.10). Bijlage 1.3 Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming in de Ow bestaat uit een beschermings- regime voor Natura 2000-gebieden, regels voor de aanwijzing en bescherming van het Natuurnetwerk Nederland en bijzondere natuurgebieden en landschappen. Onder de Ow geldt een algemeen verbod om zonder omgevings- vergunning bepaalde activiteiten te mogen verrichten (§ 5.1.1 Ow), waaronder een Natura 2000-activiteit, tenzij anders geregeld in een omgevingsplan, waterschapsverordening, omgevingsverordening of ministeriële regeling. Een Natura 2000-activiteit is een activiteit waarbij kans is op een significant gevolg voor een Natura 2000-gebied en is daarmee vergunningplichtig.

Kooypunt batterij opslagsysteem te Den Helder Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2024-235 Bijlage 1.3.1 Natura 2000 Nederland en andere EU-lidstaten hebben in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aangewezen, de zogenaamde Natura 2000-gebieden. Een overzicht van Natura 2000- gebieden is te vinden op: https://www.natura2000.nl/ Voortoets Wanneer plannen bestaan een project in of rond een Natura 2000- gebied uit te voeren, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Indien negatieve effecten van een project niet kunnen worden uitgesloten, dient een toetsing te worden uitgevoerd. Als uit deze Voortoets blijkt dat een plan (mogelijk) significante negatieve gevolgen heeft, vindt de vergunningaanvraag plaats via een ‘passende beoordeling’. Daarbij moeten ook cumulatieve effecten zijn meegenomen. Alleen als uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat geen significante gevolgen zullen optreden, of als het gaat om activiteiten met een groot openbaar belang en waarvoor geen alternatieven zijn, wordt vergunning verleend.

Als uit de ‘Voortoets’ blijkt dat een activiteit negatieve gevolgen kan hebben die niet significant zijn, beoordeelt het bevoegd gezag of deze negatieve gevolgen in het licht van de instandhoudings-doelstellingen aanvaardbaar zijn (zie Bijlage 1.6). Externe werking Belangrijk bij de bepalingen rond Natura 2000-gebieden is de ‘externe werking’. Dit betekent dat ook projecten buiten het Natura 2000- netwerk met mogelijk negatieve gevolgen binnen het netwerk, getoetst moeten worden aan doelen van betrokken gebied of gebieden. Een bijzondere vorm van externe werking is de (extra) uitstoot van stikstof door een project die kan neerslaan binnen Natura 2000-gebieden en daar voor schade kan zorgen. Aangetoond moet worden dat geen negatieve gevolgen mogelijk kunnen zijn op Natura 2000-gebieden. Specifieke zorgplicht Natura 2000 In de Ow is een specifieke zorgplicht opgenomen voor Natura 2000- gebieden en bijzondere nationaal natuurgebieden (art. 11.6 Bal). Iedereen die activiteiten uitvoert die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.6, 1e lid Bal).

Kooypunt batterij opslagsysteem te Den Helder Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2024-235 Ook moet worden nagegaan of nadelige gevolgen op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn, dan moeten passende preventieve maatregelen genomen worden (art. 11.6, 2e lid onder d). Wanneer dit niet mogelijk is dienen passende herstelmaatregelen getroffen worden (art. 11.6, 2e lid onder f). Daarnaast verplicht de zorgplicht ook dat de effectiviteit van deze maatregelen worden gemonitord. De specifieke zorgplicht geldt altijd, dus voor Natura 2000-activiteiten, maar ook voor activiteiten die conform een Natura 2000-beheerplan worden uitgevoerd of activiteiten die géén kans hebben op een significant gevolg. Bijlage 1.3.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Aanwijzing en begrenzing De aanwijzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is geregeld in de Omgevingsverordening, conform art. 2.44, lid 4 Ow en art. 7.6, 1e lid Bkl. De instructieregels voor de aanwijzing, begrenzing en de reikwijdte van het NNN zijn opgenomen in artikel 7.5 en artikel 7.6 Bkl. In de Omgevingsverordening zijn (instructie)regels gesteld voor Omgevingsplannen van gemeenten en projectbesluiten (art. 7.8, 1e lid Bkl).

Deze regels zijn gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Wezenlijke kenmerken en waarden De wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN worden vastgesteld per Omgevingsverordening door de provincie (art 7.7 Bkl). In de Omgevingsverordening is daartoe een natuurbeheerplan vastgesteld waar in de regel de bestaande natuurwaarden en het ambitieniveau zijn aangegeven middels natuurbeheertypen. Per provincie kunnen de wezenlijke kenmerken en waarden verschillend zijn gedefinieerd. Beschermingsregime Het beschermingsregime voor het NNN is uitgewerkt in art. 7.8, 2e lid Bkl, dat een instructieregel betreft voor uitwerking van het beschermingsregime in de Omgevingsverordeningen van provincies: In elk geval wordt verzekerd dat de kwaliteit en oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland niet achteruit gaat, dat de samenhang tussen de verschillende gebieden van het netwerk wordt behouden en dat, als binnen het NNN activiteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het NNN behouden blijven. Onder de Ow geldt geen strikt ‘nee, tenzij’-principe meer, maar een ‘ja, mits’-principe.

Kooypunt batterij opslagsysteem te Den Helder Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2024-235 Bijlage 1.3.3 Overige gebiedsbescherming Provincies kunnen zogeheten bijzondere provinciale natuurgebieden of bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (art. 2.44, lid 5 Ow). Een voorbeeld hiervan zijn de ‘Bijzonder Provinciale Landschappen’ van de Provincie Noord-Holland. De regels met betrekking tot juridische bescherming van deze gebieden zijn gepubliceerd in de provinciale Omgevingsverordening. Bijlage 1.3.4 Houtopstanden Anders dan bij beschermde gebieden en soorten kent de Ow geen specifieke term voor een activiteit waarbij een houtopstand wordt gekapt. De regels voor de bescherming van houtopstanden en bomenrijen staan opgenomen in Afdeling 11.3 Bal. Hierin staat dat het vellen van houtopstanden is beschermd door een algemene meldplicht (art. 11.126 Bal) en herplantplicht (art. 11.129 Bal) voor houtopstanden vanaf 10 hectare of bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen, buiten de zogeheten ‘bebouwingscontour houtkap’ (art. 11.111, lid 2 Bal). Bijlage 1.4 Procedure Als bij aanvang van een project niet uitgesloten is dat beschermde soorten voorkomen of negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen optreden, is een ecologische quickscan nodig.

Als op grond van deze quickscan de aanwezigheid van dergelijke soorten of gevolgen niet zijn uit te sluiten én wordt geconcludeerd dat negatieve effecten kunnen optreden, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Tijdens het vervolgonderzoek wordt het plangebied geïnventariseerd op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Indien aanwezig worden de gebruiksfuncties van deze soorten in beeld gebracht. Vervolgens wordt opnieuw onderzocht of negatieve gevolgen mogelijk zijn door uitvoering van de plannen. Bijlage 1.4.1 Omgevingsvergunning Ow Indien negatieve effecten niet uit te sluiten zijn en er geen alternatieven zijn, is een aanvraag omgevingsvergunning waarschijnlijk aan de orde. Een dergelijke aanvraag dient onder andere vergezeld te gaan van:  Een activiteitenplan waarin onder meer de locatie, de werkwijze, de te verwachten schade, de te nemen maatregelen, de alternatievenstudie en het wettelijk belang gedetailleerd worden beschreven. Kooypunt batterij opslagsysteem te Den Helder Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau QS2024-235  Een actuele en volledige inventarisatie naar het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied. Deze is drie 3 tot 5 jaar geldig. De overheid heeft een digitale omgeving ingericht voor alle uitgewerkte regels, namelijk het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).

Alle vergunningsaanvragen met betrekking tot de Ow en het contact hierover lopen via het DSO. Het is ook mogelijk ‘aan te haken’ bij het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de ‘Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’ (WABO). Het bevoegd gezag handhaaft bepalingen uit vergunningen en de eventuele werking van de Ow bij projecten waar geen vergunning voor is aangevraagd. Ook het volgen van gedragscodes wordt gehandhaafd door het bevoegd gezag. Mogelijke sancties zijn geldelijke boetes, strafrechtelijke vervolging en het stilleggen van werkzaamheden.

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Hazenkoog 35A Bovendijk 35-G 1822 BS Alkmaar 2295 RV Kwintsheul www.vandergoesengroot.nl

Bijlage 10 Stikstofberekening realisatie- en gebruiksfase

Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen Natura - gebieden, op rekenpunten die overlappen met stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstofdepositie. Overzicht Detailgegevens per emissiebron Resultaten Samenvatting situaties Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over de PDF en AERIUS kunt u vinden in de handleidingen of op onze website.

Projectberekening Contactgegevens Rechtspersoon - Inrichtingslocatie -, - - Activiteit Omschrijving - Toelichting - Berekening AERIUS kenmerk RXf CgD ap M Datum berekening oktober , : Rekencon guratie OwN -rekengrid Totale emissie Rekenjaar Emissie NH₃ Emissie NOₓ realisatie- en gebruiksfase - Beoogd , kg/j , kg/j Resultaten Hoogste bijdrage Hexagon Gebied realisatie- en gebruiksfase - Beoogd - Gekarteerd oppervlak met toename (ha) - Gekarteerd oppervlak met afname (ha) - Grootste toename - Grootste afname - Projectberekening 2/7RXf1CgD8ap7M (21 oktober 2025) realisatie- en gebruiksfase (Beoogd), rekenjaar Emissiebronnen Emissie NH₃ Emissie NOₓ Mobiele werktuigen | Materieelinzet , kg/j , kg/j Verkeer | Koude start: overig | koude start , g/j , g/j  Verkeersnetwerk , g/j , kg/j Projectberekening 3/7RXf1CgD8ap7M (21 oktober 2025) Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura gebieden. Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening) De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S).

m © OSM & Kadaster Projectberekening 4/7RXf1CgD8ap7M (21 oktober 2025) Resultaten stikstofgevoelige Natura gebieden situatie "realisatie- en gebruiksfase" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Er zijn geen resultaten voor deze weergave. Projectberekening 5/7RXf1CgD8ap7M (21 oktober 2025) realisatie- en gebruiksfase, Rekenjaar Mobiele werktuigen Naam Materieelinzet Locatie X: , Y: , Oppervlakte , ha NOₓ , kg/j NH₃ , kg/j Naam/Stageklasse Brandstof - verbruik/AdBlue verbruik Draaiuren Uittreedhoogte/Warmteinhoud Spreiding/Temporele variatie Stof Emissie materieel totaal - kW Stage-V, >= , - kW, diesel, SCR: ja . l/j l/j u/j , m , MW , m Standaard Pro el Industrie NOₓ NH₃ , kg/j , kg/j materieel totaal < = kw Stage-V, >= , <= kW, diesel, SCR: nee l/j l/j u/j , m , MW , m Standaard Pro el Industrie NOₓ NH₃ , kg/j , kg/j Verkeer | Rijdend verkeer Naam Verkeersnetwerk Links Rechts NOₓ , kg/j Locatie X: , Y: , Type scherm - - NO₂ , g/j Lengte , m Hoogte - - NH₃ , g/j Wegtype Binnen bebouwde kom (normaal) Afstand tot de weg - - Rijrichting Beide richtingen Tunnelfactor Type hoogteligging Normaal Weghoogte t.o.v.

maaiveld m Verkeer Maximum snelheid Aantal voertuigbewegingen In le Licht verkeer Voorgeschreven factoren , /jaar , % Middelzwaar vrachtverkeer Voorgeschreven factoren , /jaar , % Zwaar vrachtverkeer Voorgeschreven factoren , /jaar , % Busverkeer Voorgeschreven factoren , /jaar , % Licht verkeer Voorgeschreven factoren , /jaar , % Middelzwaar vrachtverkeer Voorgeschreven factoren , /jaar , % Zwaar vrachtverkeer Voorgeschreven factoren , /jaar , % Busverkeer Voorgeschreven factoren , /jaar , % Verkeer | Rijdend verkeer Naam Stagnerend bouwverkeer Links Rechts NOₓ , g/j Locatie X: , Y: , Type scherm - - NO₂ , g/j Lengte , m Hoogte - - NH₃ , kg/j Wegtype Binnen bebouwde kom (stagnerend) Afstand tot de weg - - Rijrichting Beide richtingen Tunnelfactor Type hoogteligging Normaal Weghoogte t.o.v.

maaiveld m Verkeer Maximum snelheid Aantal voertuigbewegingen In le Licht verkeer Voorgeschreven factoren , /jaar , % Middelzwaar vrachtverkeer Voorgeschreven factoren , /jaar , % Zwaar vrachtverkeer Voorgeschreven factoren , /jaar , % Busverkeer Voorgeschreven factoren , /jaar , % Projectberekening 6/7RXf1CgD8ap7M (21 oktober 2025) Verkeer | Koude start: overig Naam koude start Locatie X: , Y: , Oppervlakte , ha NOₓ , g/j NH₃ , g/j Type voertuig Koude starts Licht verkeer , /jaar Middelzwaar vrachtverkeer , /jaar Zwaar vrachtverkeer , /jaar Busverkeer , /jaar Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie . . _ _db f b Database versie . . _db f b_calculator_nl_stable Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://link.aerius.nl/website Projectberekening 7/7RXf1CgD8ap7M (21 oktober 2025)

Bijlage 11 Stikstofmemo

- MEMO Memo DATUM 21 oktober 2025 KENMERK 20240541/171431/ VAN Maurits van der Berg PROJECT 20240541 Den Helder Kooypunt BOPA BESS project OPDRACHTGEVER Anesco Nederland B.V BIJLAGE(N) STIKSTOF 1. INLEIDING Anesco Nederland B.V. is voornemens een energieopslag systeem (hierna: EOS) te realiseren op het bedrijventerrein Kooy- punt in de gemeente Den Helder. De beoogde ontwikkeling dient getoetst te worden aan de eisen uit de Omgevingswet, waarbij de mogelijke gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden een rol spelen. Figuur 1 laat de lig- ging van het projectgebied ten opzichte van het Natura 2000-netwerk zien. Niet alle Natura 2000-gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Het meest nabijgelegen gebied met stikstofgevoelige habitats betreft het Natura 2000-gebied Wad- denzee De minimale afstand van dit Natura 2000-gebied tot het projectgebied bedraagt circa 1 kilometer. De andere Na- tura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats liggen op (nog) grotere afstand. Met het rekenmodel Aerius (versie 2025.0.1) is een berekening uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000-netwerk in beeld te brengen, daarbij zijn de realisatiefase en gebruiksfase (na oplevering van de beoogde ontwikkeling) beschouwd.

In deze memo wordt achtereenvolgens ingegaan op de gehanteerde uitgangspunten, de resultaten en de conclusie. De invoer- en uitvoergegevens vanuit Aerius zijn opgenomen in een aparte bijlage.

2/4 2. TOETSINGSKADER Omgevingswet De aanwijzing en bescherming van de Nederlandse Natura 2000-gebieden is geregeld in de Omgevingswet en de bijbeho- rende uitvoeringsregelgeving. Elk Natura 2000-gebied is aangewezen door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voed- selkwaliteit door middel van een aanwijzingsbesluit. Het aanwijzingsbesluit bepaalt voor welke soorten en habitats het ge- bied wordt aangewezen, welke instandhoudingsdoelen gerealiseerd moeten worden (behoud, herstel, uitbreiding) en de exacte begrenzing van het gebied. Voor elk Natura 2000-gebied is een beheerplan worden opgesteld, waarin maatregelen zijn opgenomen om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken. Beheerplannen worden in de meeste gevallen vastge- steld door de Provincie. In het beheerplan kan ook worden bepaald welke activiteiten in het gebied zijn toegestaan en on- der welke voorwaarden. Schadelijke effecten op de aanwezige natuurwaarden waarvoor het gebied is aangewezen moeten daarbij uitgesloten zijn. Voor Natura 2000-gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen: ● De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speci- ale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optreden voor de soorten waarvoor de be- schermingszones zijn aangewezen.

● Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonder- lijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied. Bevoegde nationale instanties geven slechts toe- stemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het ge- bied niet worden aangetast. ● Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gerealiseerd, terwijl signifi- cant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000) bewaard blijft. Bij de beoordeling van de gevolgen van plannen, projecten en handelingen voor de instandhoudingsdoelstellingen spelen onder andere de ecologische effecten van verzuring en vermesting door een eventuele toename van stikstofdepositie een rol. Uit jurisprudentie volgt dat in een overbelaste situatie al bij een kleine toename van stikstofdepositie sprake kan zijn van significante negatieve effecten. In dat geval is een ecologische beoordeling noodzakelijk. 3.

UITGANGSPUNTEN Realisatiefase Gedurende de realisatiefase zal er tijdelijk stikstofemissie plaatsvinden vanwege mobiele werktuigen op de bouwplaats. Met betrekking tot het aantal verkeersbewegingen en het gebruik van materieel op de locatie zijn gegevens uit een verge- lijkbaar project (aangeleverd door de opdrachtgever) gebruikt, zie Tabel 1. De inzet van het materieel is ingevoerd als vlak- bron aangezien dit materieel op het hele terrein werkzaam zal zijn. De verkeersbewegingen zijn ingevoerd als lijnbron. Voor het manoeuvreren van de vrachtwagens binnen het projectgebied is een extra lijnbron opgenomen met 100% stagnatie. Er wordt vanuit gegaan dat de machines gebruik maken van AdBlue dat ervoor zorgt dat schadelijke NOx in de uitlaatgassen wordt omgezet in onschadelijke stikstof en waterdamp, met als gevolg een duidelijk afname van de emissie van stikstofoxi- den (NOx) ter verbetering van de luchtkwaliteit. Dit is conform de handleiding van BIJ12 maximaal 6% van het brandstof- verbruik. Voor de realisatiefase is 2026 als rekenjaar gehanteerd. Naarmate het rekenjaar verder in de toekomst ligt, worden de emissies ten gevolge van transportbewegingen lager, omdat het rekenmodel uitgaat van toepassing van schonere tech- nieken in de toekomst.

Tabel 1 Materieel inzet en verkeersbewegingen werkzaamhe- | Stage klasse | Totaal aantal draai- | Verbruik (liter/uur) | Totaal literverbruik den | uren tijdens bouw- | (liter/jaar) fase Grondwerk- | V, 75-560 kW, | 40 | 14,05 | 562 zaamheden | bouwjaar 2019 Haspeling van | V, 75-560 kW, | 10 | 9,5 | 95 kabels | bouwjaar 2019 Graafwerkzaam- | V, 75-560 kW, | 10 | 11,8 | 118 heden | bouwjaar 2019 Uitgraving | V, 75-560 kW, | 10 | 9,5 | 95 bouwjaar 2019 Heien van con- | V, 75-560 kW, | 5 | 15 | 75 structiepalen | bouwjaar 2019 Betonpompen | V, 75-560 kW, | 5 | 19,8 | 99 bouwjaar 2019 Takelen batte- | V, 75-560 kW, | 40 | 18,5 | 741 rijen | bouwjaar 2019 Gaten boren | V, <= 56 kW, bouw- | 4 | 0,5 | 2 jaar 2019 Hekwerk | V, <= 56 kW, bouw- | 4 | 5 | 20 jaar 2019 Totaal 75-560 | 120 | 1.785 kW Totaal <= 56 kW | 8 | 22 Aanvoer materialen Vrachtwagens | 42 bewegingen per jaar (zwaar) Busjes (middel- | 6 bewegingen per jaar zwaar) Woon-werkver- | 138 bewegingen per etmaal keer (licht) Gebruiksfase De (potentiële) gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000-netwerk worden in de gebruiksfase voor dit project bepaald door de emissies die samenhangen met de verkeersgeneratie voor onderhoud. Uit een vergelijkbaar project komt naar voren dat er per jaar 20 keer iemand naar de locatie gaat voor onderhoud. In totaal zijn dit 40 verkeersbewegingen per jaar.

3/4 4/4 Tabel 2 verkeersgeneratie Bezoeken per jaar O&M maintenance 12 Grounds maintenance 2 Security 2 HV maintenance 2 Battery container 2 Totaal 20 Voor de gebruiksfase is het rekenjaar 2026 gehanteerd. Koude start Omtrent de koude start1 van de voertuigen is worst-case uitgegaan dat 50% van het licht verkeer haar koude start heeft ter plaatse van de projectlocatie. Voor het de zware verkeersbewegingen wordt er van uitgegaan dat deze niet langer dan 2 uur stil staan op de projectlocatie. Voor het manoeuvreren van de vrachtwagens binnen het projectgebied is een extra lijn- bron opgenomen met 100% stagnatie. Indien een voertuig binnen 2 uur na afslaan van de motor, de motor weer starten is er geen sprake van een koude start. Deze emissies zijn ingevoerd als een vlakbron in het oostelijk deel van het projectge- bied. Verkeersafwikkeling Vanaf het projectgebied wikkelt het verkeer af via de Koperslagersweg, Touwslagersweg naar de N99. Een indicatie van de verkeersintensiteiten voor deze weg is te vinden op het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit 2023 (https://www.cimlk.nl/kaart). Volgens de kaart bedroegen de dagelijkse verkeersintensiteiten voor 2023 op N99 13.746 voor licht verkeer, 1.148 voor middelzwaar verkeer en 306 voor zwaar verkeer. Op de N99 gaat het extra verkeer op in het heersende verkeersbeeld.

Dit is het geval op het moment dat het aan- en afrijdende verkeer, conform de Instructieregels voor Aerius, zich heeft verdund tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer. Het onderhavige project voegt in de realisatiefase minder dan 0,01 % licht verkeer, middelzwaar verkeer en zwaar verkeer toe aan de N99. In de gebruiksfase wordt ook minder dan 0,01% verkeer toegevoegd aan de N99. 4. RESULTATEN EN CONCLUSIE Uit de berekening met AERIUS Calculator (versie 2025.0.1) voor de realisatie- en gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekening zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de realisatie- en gebruiksfase uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Omgevingswet. 1 Er is sprake van een koude start wanneer motorvoertuigen gestart worden nadat ze 2 uur of langer stil gestaan hebben. De katalysator functioneert dan niet gelijk. Hierdoor komt tijdens de koude start relatief meer emissie vrij dan tijdens het rijden met een warme motor. Het uitgangspunt is dat het grootste deel van de koude start-emissies in de eerste minuut na de start plaatsvinden

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.denhelder.nl/api/v1/meetings/2361/documents/27524