CConstaterende datDen Helder
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage bij antwoorden V Cebeon - Eindrapport Financiele effecten Omgevingswet voor Omgevingsdiensten.pdf

Regionale raadscommissie Noordkop 2 februari 2023, gemeente Den HelderBij agendapunt: 6: Omgevingsdienst Noord-Holland Noord - zienswijzen Kadernota 202411.955 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.4

Raming hoogte transitiekosten We presenteren eerst de platte uitkomst van de opgetelde transitiekosten van de 6 responderende omgevingsdiensten. Daardoor ontstaat een eerste beeld, waaruit omvang en spreiding blijkt. In tabel 4.1 zijn de opgegeven transitiekosten van de 6 responderende omgevingsdiensten opgenomen. Tabel 4.1: Transitiekosten per periode, steekproef (niet opgehoogd) Periode

Totaal (mln euro)

Euro per inwoner

Euro per fte

2016-2020

13,1

2,9

7.500

2021-2022

10,1

2,4

6.100

2023 e.v.

4,6*

1,8*

4.900*

Totaal

28,3

7,1

18.500

2,6 – 11,0

6.000 – 34.000

Spreiding waarnemingen 1,8 – 15,3 *) 2023 e.v.: door 4 van de 6 respondenten ingevuld.

De transitiekosten van de 6 responderende omgevingsdiensten bedragen met elkaar ten minste ruim 28 miljoen euro, oftewel gemiddeld 7,1 euro per inwoner of 18.500 euro per formatieplaats. Het verschil tussen de laagste (1,8 miljoen euro) en hoogste (15,3 miljoen euro) is groot, ook als rekening wordt gehouden met verschillen in omvang van de regio’s (2,6 versus 11,0 euro per inwoner) en diensten (6.000 versus 34.000 euro per formatieplaats). Onderdeel van de transitiekosten zijn kosten voor milieuvergunningen en -meldingen en voor Ruimte. Bij vergunningverlening en meldingen milieu worden eenmalige kosten veroorzaakt door: eenmalige kosten zijn in principe meegenomen in de transitiekosten. Kostenbepalende factoren zijn: • Omzetting inrichtingen naar milieubelastende activiteiten. De omvang van de kosten is mede afhankelijk van de systematiek van de omzetting en de complexiteit van de inrichtingen. Geautomatiseerde omzetting met alleen voor complexe inrichtingen handmatige controle, gevolgd door geleidelijke controle (in de toezichtscyclus) voor eenvoudigere inrichtingen brengt beperktere Financiële effecten Omgevingswet voor omgevingsdiensten

21

kosten met zich mee. Aandachtspunt is wel, dat de kosten van deze geleidelijke controles buiten beeld dreigen te blijven, als ze niet expliciet zichtbaar worden gemaakt. Dit deel van de omzettingskosten zal dan verborgen blijven. Gecontroleerde omzetting van alle inrichtingen in een keer, per inrichting, is kostbaarder. In hoeverre de keuze voor een geleidelijke of eenmalige algehele omzetting mede wordt bepaald van de kenmerken van het inrichtingenbestand, is niet nader onderzocht. Het is wel voorstelbaar dat dat een rol speelt. • Invoering vergunningplicht voor inrichtingen waar nu omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) geldt: hiervoor moet een eenmalige omzetting plaatsvinden; • Informatieplicht als nieuwe vorm; • Milieuleges: mogelijk aanpassing van de administratie van omgevingsdiensten, omdat de via leges verhaalbare kosten apart inzichtelijk dienen te zijn. Bij Ruimte worden eenmalige kosten veroorzaakt door met name de ontwikkeling van de eerste omgevingsplannen en het opbouwen jurisprudentie. Er zijn diverse aanwijsbare redenen voor de verschillen tussen omgevingsdiensten naar voren gekomen: • Verschillen in wel en niet meegenomen kosten. Respondenten hebben veelal niet van begin af aan deze kosten bijgehouden en hebben achteraf (uit uren- of projectadministraties) de kosten afgeleid ten behoeve van het onderzoek.

Er is boven tafel gehaald wat kon; de aansluiting op de definitie in het onderzoek (overeenkomend met de definitie in de landelijke Omgevingswetonderzoeken) is dan niet goed te maken. Er ontbreken kostenposten als er wel aan voorbereiding Omgevingswet is gewerkt, maar uren niet op een specifieke tijdschrijfcode zijn geschreven. • Verschillen in aanpak. Waar de ene omgevingsdienst veranderingen inpast in bestaande cycli, maakt de andere omgevingsdienst er een specifiek project van. Ook zijn er verschillen in toerekening aan effecten van de Omgevingswet, onder andere wanneer sprake is van samenloop met andere interne systeemwijzigingen of met andere wetgeving (met name de Wkb). • Periode vanaf 2023. De cijfers vanaf 2023 zijn zachtere ramingen (op basis van onzekere ontwikkelingen) en zijn bovendien door slechts 4 van de 6 respondenten ingevuld. Sommige verwachte effecten kunnen nog niet worden gekwantificeerd, waarvan als voorbeelden zijn genoemd de (cultuur)omslag naar een andere manier van werken en frictiekosten, waardoor er in de eerste jaren hogere kosten worden verwacht. Voor de ontbrekende waarnemingen is ten behoeve van de ophoging naar heel Nederland een globale bijschatting gedaan op basis van het gemiddelde per inwoner, dus 1,8 euro per inwoner. In de naar Nederland opgehoogde cijfers in tabel 4.2 is dit toegepast.

Door de omgevingsdiensten zijn diverse onzekerheden benoemd, die de ‘zachtheid’ van de toekomstige ramingen verklaren, waaronder: • de mate van afstemming tussen opdrachtgevers (meer of minder uniformiteit); • de mate waarin begeleiding en advies door opdrachtgevers wordt gevraagd; • de taakopdracht door bevoegd gezagen aan de omgevingsdienst; • het al dan niet opnemen van (de nieuwe) geluidtaak in de opdracht, namelijk het opstellen van geluidsproductieplafonds voor lokale wegen en industrieterreinen (en daarna geluidmonitoring); • het functioneren van het DSO (en maatregelen bij het mogelijk falen daarvan); • de organisatie van de communicatie die gevolgen heeft voor de mate waarin omgevingsdiensten informatie moeten verstrekken en vragen van initiatiefnemers moeten beantwoorden; • de mate waarin collectief lerend vermogen in de beginperiode wordt georganiseerd, waarmee kan worden voorkomen dat iedere individuele omgevingsdienst zelf het wiel moet uitvinden; Financiële effecten Omgevingswet voor omgevingsdiensten

22

•

het voor de eerste keer toepassen van nieuwe instrumenten en werkwijzen, met verwachte toename van toezichtsinspanningen, bezwaar- en beroepsprocedures, het ontwikkelen jurisprudentie.

van steekproef naar raming voor heel Nederland Bij de 6 steekproeforganisaties zijn de transitiekosten feitelijk gemeten. Op basis van deze cijfers kan een doorkijk naar de totale transitiekosten van alle omgevingsdiensten worden gemaakt. Het aantal waarnemingen voor een vertaling naar landelijke totaalkosten is beperkt, maar kent wel een verdeling over verschillende typen omgevingsdiensten: grote en kleine regio’s (naar inwonertal), dun- en dichtbebouwde gebieden (naar omgevingsadressendichtheid), zie tabel 2.2. Deze verdeling maakt het mogelijk om – met marges –een doorvertaling naar heel Nederland te ramen. Voor de doorvertaling naar heel Nederland is gekeken naar kenmerken die een verband laten zien met de hoogte van de opgegeven transitiekosten. Dit verband blijkt er te zijn met inwonertal en – in iets mindere mate – met dichtheid. Ook andere beschikbare kenmerken zijn beschouwd (aantal inrichtingen, personeelsformatie, totale lasten), maar die lieten geen verband zien. Bij de doorvertaling is rekening gehouden met de scheefheid van de steekproef ten opzichte van de gehele populatie van alle omgevingsdiensten (zie tabel 2.2); bij de ophoging naar heel Nederland is een weging via inwonertal toegepast. Omdat er een grote spreiding in de feitelijke waarnemingen zit, is ook een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd.

Er zijn berekeningen gemaakt waarbij de hoogste respectievelijk de laagste waarneming zijn uitgeschakeld. Het effect van uitschieters wordt hierdoor uitgeschakeld. Op basis hiervan zijn bandbreedtes geraamd. De gevoeligheidsanalyse liet zien dat er vooral effecten zijn voor de grootste regio’s, waarover dan ook de grootste bandbreedtes worden gepresenteerd. In tabel 4.2 zijn de geraamde transitiekosten voor alle omgevingsdiensten opgenomen, met bandbreedtes. Ook is een onderscheid naar grootteklasse op basis van aantal inwoners in de regio opgenomen. Deze cijfers zijn zeer indicatief en dienen alleen om enige notie te krijgen van de bedragen waarom het kan gaan voor een omgevingsdienst. Tabel 4.2: Transitiekosten, geraamd voor alle omgevingsdiensten, met bandbreedtes (mln euro) Periode

Onderkant bandbreedte

Bovenkant bandbreedte

Totaal alle 29 OD’en

99

143

Gemiddeld per OD

3,4

4,9

Gemiddeld per OD < 500.000 inw (12 OD’en)

1,6

3,8

Gemiddeld per OD 500.000 -700.000 inw (11 OD’en) Gemiddeld per OD >700.000 inw (6 OD’en)

3,0

3,9

3,5 - 6,1

8,7-15,3

Tabel 4.2 laat zien dat, volgens de voorzichtige ramingen de transitiekosten voor alle omgevingsdiensten in Nederland tussen 99 en 143 miljoen euro kunnen worden geraamd. Dit bedrag is vele malen hoger dan de 4 à 8 miljoen euro aan transitiekosten voor omgevingsdiensten die, weliswaar met kanttekeningen, uit het landelijk onderzoek kwam. Daarbij geldt dat er in de basiscijfers voor de ramingen niet alle posten (van de definitie van transitiekosten) zijn meegenomen, de raming vanaf 2023 onvolledig is en de btw buiten beschouwing is gebleven. De klasse van grote omgevingsdiensten laat ruime marges zien. Dit heeft in elk geval te maken met het ontbreken van ramingen van substantiële kostenposten in de onderkant van de bandbreedte. In het bijzonder is naar voren gekomen dat met de omzetting van inrichtingen naar MBA een hoog bedrag kan zijn gemoeid, vooral bij grote omgevingsdiensten met veel complexe inrichtingen. Financiële effecten Omgevingswet voor omgevingsdiensten

23

Het ontbreken van (uit administraties niet herleidbare) onderdelen van transitiekosten en de onvolledigheid en onzekerheid van de ramingen van transitiekosten vanaf 2023 betekent dat de gepresenteerde cijfers als ondergrens moeten worden beschouwd. Het verdient daarom aanbeveling om, vanaf nu, feitelijke kosten administratief bij te houden maar vooral (voor individuele omgevingsdiensten) te zorgen voor concrete afspraken met opdrachtgevers en het opstellen van onderbouwde kostenramingen voor de nog te nemen stappen.

Financiële effecten Omgevingswet voor omgevingsdiensten

24

5

Kwalitatieve duiding structurele financiële effecten In dit hoofdstuk wordt een kwalitatieve duiding gegeven van de verwachte richting van structurele financiële effecten van veranderingen als gevolg van de Omgevingswet. Hiertoe wordt in paragraaf 5.1 per type verandering een beschrijving van de effecten gegeven. Een aantal omgevingsdiensten heeft voor zichzelf wel kwantitatieve ramingen opgesteld, maar de afbakening is per omgevingsdienst anders en sluit telkens niet aan op de afbakening in dit onderzoek. Daarom kunnen de cijfers niet worden opgeteld, maar als voorbeelden bieden ze wel inzicht in de invloed die omgevingsdiensten op dit moment voorzien. In paragraaf 5.2 vindt u een beschrijving van deze voorbeelden.

5.1

Factoren die structurele kosten van omgevingsdiensten beïnvloeden Hieronder worden per type taak factoren benoemd, die de structurele kosten van omgevingsdiensten beïnvloeden. Dit overzicht kan als handvat dienen voor het aankaarten van hiaten in de landelijke onderzoeken en tevens voor individuele omgevingsdiensten voor het uitvoeren van impactanalyses en voor het overleg met de opdrachtgevers over de op te dragen taken. 1) Decentrale beleidsvrijheid, met effect op vergunningverlening, toezicht en handhaving milieu Omgevingsdiensten zien veel extra werk op zich af komen, als gemeenten en provincies elk op een eigen manier de decentrale beleidsvrijheid gaan invullen. Er kunnen dan niet alleen verschillen in normen ontstaan, maar ook verschillen in definities en toe te passen rekenmodellen. Omgevingsdiensten spannen zich in voor onderlinge afstemming tussen hun opdrachtgevers, maar dat garandeert niet dat er gelijke definities of normen zullen komen en blijven. Elke gemeente en provincie heeft de bevoegdheid eigen beslissingen te nemen en iets te veranderen aan de (eerder onderling afgestemde) regels of normen. Een respondent gaf aan dat ervaring met bouwleges (waar vooraf de intentie voor eenvormige regels was uitgesproken) leert, dat dat in de praktijk gemeenten toch nog een eigen bijstelling doen.

Ten eerste zou verschil in definities en rekenvoorschriften tussen opdrachtgevers extra kosten voor omgevingsdiensten met zich meebrengen. Dat betekent dat binnen een omgevingsdienst met verschillende rekenmodellen moet worden gewerkt. Ten tweede leiden ook verschillen in hoogte van normen tot extra kosten vanwege de verschillende vindplaatsen voor de normen en toepassing daarvan. Onderlinge afstemming wordt eerder verwacht in regio’s waar al een lange samenwerkingsgeschiedenis is dan waar dit van recentere datum is. Afstemming wordt ook eerder verwacht bij mandaatgemeenten dan bij adviesgemeenten, omdat laatstgenoemde sterker geneigd zijn zelf regie te willen voeren. 2) Vergunningverlening en meldingen milieu Belangrijkste kostenverhogende factoren zijn: • meer vooroverleg, met initiatiefnemers en aan ‘omgevingstafels’; • de rol van casemanager wordt zwaarder: verkennen en begeleiden initiatief, meer dienstverlening, breder en integraler afwegingen maken (inclusief gezondheid); • aparte melding per MBA leidt extra werk. Een inrichting kan MBA omvatten, waarvoor aparte meldingen kunnen worden gedaan.

Extra afstemming is dan nodig, wil men een inrichting of project integraal blijven behandelen Ook wordt de toepassing van regels in het Bal ingewikkelder gevonden dan de huidige, met name de beoordeling wat de hoofdactiviteit is en welke de daaraan functioneel ondersteunende activiteiten (foa) zijn; • open normen: complexere toetsing; meer zienswijzen, bezwaar en beroep omdat voor belanghebbenden minder duidelijk is wat wel of niet mag volgens de normen en volgens de vergunning);. Financiële effecten Omgevingswet voor omgevingsdiensten

25

Hiertegenover staan kostenverlagende factoren: • van uitgebreide naar reguliere procedure: de formele doorlooptijd wordt korter; • vervanging van sommige vergunningplichten door meldingsplicht, van sommige meldingsplichten door informatieplicht. Naar verwachting van de meeste responderende omgevingsdiensten is het effect van kostenverhogende factoren voor omgevingsdiensten groter dan van kostenverlagende (mede omdat zij juist complexere gevallen behandelen), waardoor er per saldo een toename van kosten wordt verwacht. 3) Toezicht en handhaving milieu Open normen leiden naar verwachting tot extra vragen van initiatiefnemers aan de omgevingsdienst, complexere toetsing (minder eenduidig toetsingskader), minder werken met checklists en meer gespreksvoering bij inspecties, mogelijk meer waarschuwingsbrieven van de omgevingsdienst, mogelijk toename van klachten. 4) Geluid: nieuwe taak m.b.t. lokale wegen (gemeente en provincie) Voor lokale wegen en industrieterreinen wordt de geluidregelgeving gewijzigd. Er moeten geluidsproductieplafonds worden vastgesteld en het geluid moet worden gemonitord. Dit is een nieuwe taak voor gemeenten en provincies. Er is vanwege deze extra taak sprake van een structureel financieel effect (en daarnaast ook een eenmalig financieel effect voor de invoering, zie hoofdstuk 4).

Ook bij vergunningen en omgevingsplannen zal met deze nieuwe geluidregels rekening moeten worden gehouden. Gemeenten en provincies kunnen deze taak bij omgevingsdiensten beleggen, waardoor er ook een financieel effect is voor omgevingsdiensten. In het landelijk integraal financieel beeld ontbreken deze extra kosten, omdat hierin de twee deelonderzoeken naar geluid niet zijn opgenomen. De onderzoekers verwachtten namelijk een beperkt effect en bovendien kon een deel op dat moment nog niet worden geraamd vanwege uiteenlopende inzichten bij het ministerie van I&W. Op grond van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er een hiaat is in het landelijk onderzoek met betrekking tot de geluidtaken, die kunnen zijn belegd bij omgevingsdiensten. Slechts een enkele omgevingsdienst heeft een kwantitatieve raming gegeven van de extra (eenmalige en) structurele kosten voor deze nieuwe taak. Dit biedt onvoldoende basis om in dit onderzoek een doorvertaling naar heel Nederland te maken. Om de extra kosten in beeld te brengen is een gerichte uitvraag met concrete onderbouwing van extra kosten nodig. Welk deel van de kosten door bevoegd gezagen worden gemaakt, zal afhangen van de individuele afspraken die daarover worden gemaakt tussen partijen.

5) Financieel effect verschillend beoordeeld door omgevingsdiensten • Omgevingstafel (in de zin van: algemeen overleg over ruimtelijke ordening, niet initiatiefgebonden): voor de ene omgevingsdienst is het bestaande praktijk en voor de andere betekent het een extra inspanning, per opdrachtgever. • Aanpassing ICT-systeem: voor de ene omgevingsdienst is dat een extra operatie en investering, voor de andere past het in de onderhouds- en vervangingscyclus en wordt het meegenomen in een reeds beoogd nieuw systeem, waardoor er geen extra kosten vanwege DSO zijn. 6) Gesignaleerde risico’s Vanuit de responderende omgevingsdiensten zijn twee risico’s benoemd op substantiële extra kosten: • de duur van de transitieperiode, namelijk tot 2029, de periode waarin het eerste echte omgevingsplan moet zijn vastgesteld door elke gemeente en waarin het DSO moet uitkristalliseren. Van de omgevingsdiensten vergt dat een lange periode van advisering op omgevingsplannen, in de tijd gespreide aanpassingen per gemeente en werken met nog niet volledig geïmplementeerd DSO. • haperingen van het DSO. Als het DSO haperingen vertoont, kan dat tot onvoorziene kosten leiden.

Financiële effecten Omgevingswet voor omgevingsdiensten

26

7) Milieuleges: uiteenlopend effect op de baten (van bevoegd gezagen) Bij de inschatting van het financieel effect van milieuleges spelen o.a. de volgende factoren een rol: • De aanwezigheid van complexe gemeentelijke inrichtingen in het werkgebied en daaraan gerelateerde milieuvergunningen. Sommige omgevingsdiensten verlenen jaarlijks slechts een beperkt aantal (gemeentelijke) vergunningen; voor gemeentelijke inrichtingen worden meestal meldingen gedaan waarvoor geen leges kunnen worden geheven. Voor deze omgevingsdiensten zal het effect van milieuleges (voor de opdrachtgevende gemeenten) marginaal zijn. • Het aantal (complexe) provinciale inrichtingen en de mate waarin nieuwe vergunningen worden aangevraagd. De leges hebben alleen betrekking op veranderingen; het toezicht kan er niet uit worden gedekt, evenmin als bezwaar en beroep. Dit is bovendien alleen relevant voor omgevingsdiensten die deze provinciale taak uitvoeren. • De definitie van de kosten die door leges mogen worden gedekt. • De keuze van het bevoegd gezag om al dan niet milieuleges te heffen,. Omgevingsdiensten zijn hierover in gesprek met bevoegd gezagen en hebben gezamenlijke werkgroepen die zich hierover buigen. Sommige omgevingsdiensten kunnen al aangeven wel te verwachten dat de bevoegd gezagen voor leges zullen kiezen, andere hebben nog geen beeld.

Aangegeven is dat verschillen in keuzes tussen opdrachtgevers van een omgevingsdienst extra administratieve lasten voor die omgevingsdienst met zich mee kunnen brengen, omdat de vergunningskosten die onder leges mogen vallen apart inzichtelijk moeten zijn. • De mate van kostendekkendheid van leges voor de kosten van het bevoegd gezag. • De mogelijkheden voor kruissubsidiëring. Als kruissubsidiëring met bijvoorbeeld bouwvergunningen toegestaan blijkt, kan dit invloed hebben op de hoogte van de leges voor milieuvergunningen.

5.2

Voorbeelden van impactanalyses voor opsporen van hiaten Voorbeelden van eerste impactanalyses en inzichten die al zijn gecreëerd: Omgevingsdienst A heeft een met spreadsheets van producten onderbouwde impactanalyse opgesteld voor de structurele financiële effecten van het totaal aan milieutaken ten behoeve van gemeenten en provincie. Hierin zijn bepaalde aspecten (vooralsnog) niet meegenomen, waaronder ruimtelijke ordening, brzo-taken en het effect op handhaving. Voor zowel vergunningverlening, toezicht als adviestaken wordt een kostenverhoging verwacht van tussen de 5% en 14%.

Omgevingsdienst B heeft samen met de inliggende gemeenten de structurele financiële gevolgen van de Omgevingswet onderzocht. Daar kwamen vooralsnog geen ‘getallen’ uit, maar wel inzichten. Geconstateerd is dat er een relatie is tussen beleidskeuzes in de omgevingsplannen en de financiële effecten. Van de taakoverdracht van rijk naar gemeenten (bruidsschat) en de invoering van het DSO verwacht men extra kosten. Per saldo wordt er een positief effect op de kwaliteit (proceskwaliteit en ervaren dienstverlening) en een negatief effect op de financiën (voor de overheid en voor initiatiefnemers). Voor vergunningverlening raamt men structureel lagere kosten, voor toezicht en advies hogere kosten; het wordt per saldo duurder.

Financiële effecten Omgevingswet voor omgevingsdiensten

27

Omgevingsdienst C heeft voortschrijdende ramingen opgesteld van de kosten onder de Omgevingswet. Hierin zijn effecten meegenomen van nieuwe taken (met name betrekking hebbend op Bodem, die verschuiven van provincie naar gemeenten) en verandering van bestaande taken. De uitkomst van de actueelste raming is dat de structurele kosten naar verwachting zullen toenemen met 13%. De financiële dekking wordt voorzien uit een rijksbijdrage (bodem), legesheffing door bevoegd gezagen, mogelijkheden om binnen gemeentelijke begrotingen meer ruimte creëren of keuzes te maken bepaalde taken te schrappen. Dit is een voorbeeld waaruit blijkt dat bodemtaken onderdeel vormen van de raming van het totaaleffect, waardoor geen inzicht bestaat in het effect exclusief bodemtaken (zoals gevraagd in het onderhavige onderzoek).

Omgevingsdienst D concludeert op basis van zijn (geactualiseerde) impactanalyse dat er vooral impact is op de manier van uitvoering van de werkzaamheden voor de gehele dienst. De impactanalyse heeft zich gericht op de werkzaamheden per team. Voor de meeste teams zal minder noch meer formatie nodig zal zijn. Uitzondering vormen veranderingen op de formatie van het team Bodem (structurele afname vanwege taakoverdracht van provincie naar gemeenten; geraamd in concreet aantal uren met een bandbreedte) en het team Geluid (structurele toename en eenmalige kosten; geraamd in concrete aantallen uren met een bandbreedte). Ook in dit voorbeeld blijkt dat de eigen impactanalyse van de omgevingsdienst bodemtaken insluit. Exclusief bodemtaken voorziet deze omgevingsdienst alleen effect voor geluidtaken, maar overigens niet.

Financiële effecten Omgevingswet voor omgevingsdiensten

28

6

Conclusies

6.1

Transitiekosten en andere financiële gevolgen van de Omgevingswet Dit onderzoek had tot doel inzicht te creëren in mogelijke hiaten met betrekking tot omgevingsdiensten in het Integraal financieel beeld van de effecten van de Omgevingswet, de financiële omvang van deze mogelijke hiaten te ramen én een onderlegger te bieden voor gesprekken op landelijk en op regionaal niveau. De indicatie voor het bestaan van mogelijke hiaten is gepresenteerd in hoofdstuk 3 en 5. Raming van de financiële omvang van mogelijke hiaten was op basis van de beschikbaar gekomen gegevens mogelijk voor de transitiekosten (hoofdstuk 4). Op basis van het onderzoek wordt dit hiaat geraamd op circa 100 à 145 miljoen euro. De overige potentiële hiaten zijn inhoudelijk benoemd en door enkele omgevingsdiensten ook concreet geraamd. Het aangeleverde cijfermateriaal biedt echter onvoldoende basis voor landelijke ramingen, met name van structurele financiële gevolgen van de Omgevingswet. Omgevingsdiensten die wel ramingen hebben opgesteld, hebben hiervoor een analysemodel opgesteld, waarbij per product effecten voor zowel aantallen zaken als inzet per zaak zijn geraamd en afgezet tegen de huidige cijfers. Door deze in de vorm van een spreadsheet te gieten, kan ook bijstelling plaatsvinden voor wijziging in aannames of uitgangspunten.

Ook voor de overige omgevingsdiensten is het wel van belang inzicht te kunnen creëren in de structurele financiële effecten, zodat ze zich tijdig en adequaat kunnen voorbereiden (onder andere in het personeelsbeleid) en adequate afspraken met hun opdrachtgevers kunnen maken. Het feit dat die afspraken nog niet zijn afgerond, weerspiegelt ook een soort kip-ei-probleem: omdat omgevingsdiensten nog niet weten welke opdrachten ze krijgen van de bevoegd gezagen (wat betreft wettelijke taken, overdracht bevoegdheden, bieden van advies en ondersteuning), kunnen ze ook nog geen financiële effecten ramen, terwijl bevoegd gezagen nog niet weten hoeveel middelen ze beschikbaar hebben.. De onderwerpen die zijn benoemd, bieden in elk geval een handvat voor de gesprekken tussen omgevingsdiensten en hun opdrachtgevers.

6.2

Aanbevelingen om inzicht in kosten en kostenveranderingen te verbeteren Om de vinger aan de pols te houden en inzicht te verkrijgen in (extra of minder) kosten bevelen we aan: • Registreer herkenbaar de kosten per taak: vergunningverlening / melding / toezicht / handhaving milieu. • Maak de kosten voor inhoudelijke taken zichtbaar per taak en laat deze niet impliciet onder een noemer ‘algemeen’. • Houd ook bij de algemene term ‘Advies’ bij op welke taak dit advies betrekking heeft (binnen milieu, of op ruimtelijke ordening) dan wel een algemenere advisering aan bevoegd gezagen of derden. • Doe dit ook per bevoegd gezag, zodat inzichtelijk wordt of de realisatie per opdrachtgever overeenkomt met de ramingen, en ook inzichtelijk wordt welke kosten betrekking hebben op gemeenten en welke op provincies. • Als stijging of daling van kosten blijkt: kijk of de oorzaak ligt in de veranderingen door de Omgevingswet (bijvoorbeeld andere procedures of andere intensiteit van taakuitvoering) of daarbuiten ligt (bijvoorbeeld toevalligheid doordat een nieuwe inrichting zich wil vestigen of ingrijpend wil veranderen). Door zo goed mogelijk effecten van de Omgevingswet te scheiden van andere kosteneffecten werken Financiële effecten Omgevingswet voor omgevingsdiensten

29

•

omgevingsdiensten samen aan het creëren van inzicht in de kosteneffecten van de Omgevingswet. Daarmee wordt voorgesorteerd op landelijke monitoring van de effecten van de Omgevingswet en wordt voorkomen dat daarin ‘hiaten’ zullen ontstaan ten aanzien van omgevingsdiensten. Het werken met een flexibel rekenbestand maakt het mogelijk om verwachtingen bij te stellen en geraamde financiële effecten regelmatig te actualiseren. Dit is niet alleen nodig om het gesprek te kunnen voeren met de bevoegd gezagen (gemeenten en provincies) maar ook om als omgevingsdiensten gezamenlijk richting Rijk te kunnen acteren.

Financiële effecten Omgevingswet voor omgevingsdiensten

30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.denhelder.nl/api/v1/meetings/1878/documents/19671