Bijlage 13 - Voortoets incl. stikstofbeoordeling Dijkkwartier fase 1 en fase 2.pdf.pdf
Tekst van het document
Versie D1 30/55
habitatsoorten – met uitzondering van zeehonden en bruinvissen – en broedvogels en niet-broedvogels. De voedselgebieden van de eider zijn de schelpenbanken in ondiepe wateren van de kust (litoraal en sublitoraal), vooral de schelpenbanken in permanent onder water staande delen van de Waddenzee en op droogvallende platen. Dergelijke gebieden zijn niet in de directe omgeving van het plangebied aanwezig. Belangrijke gebieden waar de eider verblijft zijn in onderstaande kaart weergegeven.
Figuur 13. Verspreidingskaart eider (niet-broedvogel)
Het leefgebied van de topper bestaat uit grote zoete wateren en zoute kustwateren. In Nederland komt de soort beperkt voor in het IJsselmeergebied en in de westelijke Waddenzee. De topper zoekt zijn voedsel (benthos) in de onderwaterbodem en is gespecialiseerd op tweekleppigen. In de Waddenzee foerageert de topper op gewone mosselen, kokkels en andere schelpdieren. Belangrijke gebieden waar de topper verblijft zijn in onderstaande kaart weergegeven.
Figuur 14. Verspreidingskaart topper (niet-broedvogel)
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 31/55
Uit de literatuur komt niet eenduidig naar voren of bruinvissen gevoelig zijn voor optische verstoring. Ook uit de effectenindicator blijkt dat het onbekend is of de soort gevoelig is voor optische verstoring. Effecten door verstoring op bruinvissen treden dan ook niet op. Uit de kaart van zeehondenrustgebieden blijkt dat deze op een afstand van minimaal 3,5 km afstand van het plangebied zijn gelegen. Zeehondenrustplaatsen liggen op grote afstand van het plangebied waardoor geen effecten op zeehonden optreden.
Figuur 14. Zeehondenrustplaatsen (gestippelde gebieden, wadkanovaren.nl)
In de gebruiksfase zal door de inwoners van Den Helder en recreanten van elders op de dijk worden gerecreëerd. Om de effecten van optische verstoring inzichtelijk te maken, is een onderzoek uitgevoerd naar de zichtbeelden (Sweco, 2023). Voor de analyse is de vormstudie van het ontwerpbureau gebruikt. Dit betreft een vormstudie enkel van een deel van de zeedijk, met een deel van de huidige bebouwing. De gebouwen en objecten in de rest van Den Helder zijn niet in de volumestudie opgenomen, en daarom ook niet in de zichtbeelden. In werkelijkheid bevatten de zichtbeelden dus meer objecten, zowel in de huidige situatie als de toekomstige situatie. De toename aan objecten in de zichtbeelden in deze analyse is dus relatief een overschatting. Dit betreft daarom een ‘conservatieve’ aanname aan de verandering in zichtbeeld. Ter verbeelding zijn in de zichtbeelden objecten en mensen toegevoegd. Zo zijn er in de vaargeul van het Marsdiep diverse boten geplaatst, zoals dit in de werkelijkheid ook het geval is. Daarnaast zijn er diverse mensen op en rondom de Helderse Zeedijk geplaatst. In werkelijkheid lopen in de huidige situatie al mensen op de kruin en het buitentalud van de waterkering. Dit zal in de toekomstige situatie ook zo zijn.
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 32/55
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 33/55
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 34/55
Figuur 15. Verbeelding optische verstoring door bebouwing
Uit het onderzoek blijkt dat de mate van verandering relatief snel af neemt bij verdere afstanden vanaf de ontwikkelingslocatie richting zee. Op afstanden groter dan circa 500-1.000 meter zijn gebouwen in Den Helder, waaronder de gebouwen in het plangebied en de toekomstige gebouwen van de ontwikkeling, (bijna) niet meer zichtbaar. De analyse van verandering in zichtbeelden is gedaan met een vormstudie van het ontwerpbureau van Dijkkwartier. Overige gebouwen en objecten in Den Helder zijn niet zichtbaar in dit model, en dus ook niet in deze analyse. In werkelijkheid zal de mate van verandering in zichtbeelden daarom ook (aanzienlijk) minder zijn dan in deze analyse is weergegeven. De analyse betreft dus een conservatieve benadering. Uit bovenstaande blijkt dat significant negatieve effecten door optische verstoring zijn uit te sluiten.
3.2.18 Verstoring door mechanische effecten (17) Kenmerk Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag,
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 35/55
luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. De oorzaken en gevolgen zijn bij deze storende factor zeer divers. Interactie andere factoren Verstoring kan samenvallen met verstoring door geluid, licht en trilling. Gevolg Deze storende factor kan leiden tot een verandering van het habitattype en/of verstoring of het doden van fauna-individuen. Bij habitattypen treedt de verstoring/verandering vaak op ten gevolge van recreatie of bijvoorbeeld militaire activiteiten. Het effect is zeer afhankelijk van de kwetsbaarheid (gevoeligheid) van het habitattype. Waterrecreatie en scheepvaart leiden tot golfslag, hetgeen effect kan hebben op de oeverbegroeiing en waterfauna. Luchtwervelingen van bijvoorbeeld windmolens kunnen leiden tot vogelsterfte. Planeffect De ontwikkeling van het plangebied zal niet leiden tot een toename aan waterrecreatie of scheepvaart. Wel kan de ontwikkeling van het plangebied leiden tot een toename aan mensen die op de dijk recreëren. Deze toename leidt echter niet tot een significante optische verstoring of geluid waardoor mechanische effecten eveneens zijn uit te sluiten.
3.3
Duinen Den Helder-Callantsoog
3.3.1
Inleiding
Het gebied Duinen Den Helder-Callantsoog bestaat van noord naar zuid uit de Grafelijkheidsduinen en de Donkere Duinen, de Noordduinen (de strook tussen Den Helder en Callantsoog) en enkele nollenterreintjes en het Kooibosch ten oosten van het Callantsoog. Het noordelijk deel en de nollen zijn restanten van voormalige eilanden. In het noordelijk deel verandert het landschap van west naar oost van de zeereepduinen via een sterk geaccidenteerd landschap met valleicomplexen naar een bosrijke binnenduinrand. Over een groot deel van de duinen ontbreekt een binnenduinrand, hierdoor is een abrupte hoge steile overgang van duinen naar polders aanwezig. Het gebied heeft goed ontwikkelde duingraslanden. In 1995 is in de Grafelijkheidsduinen een natte duinvallei hersteld en langs de randen uitgebreid. In de Noordduinen zijn in de afgesnoerde strandvlakte bij het Botgat vochtige duinvalleien aanwezig. De nollen behoren tot de Oude Duinen; hier zijn duingraslanden aanwezig (www.natura2000.nl).
3.3.2
Analyse van de mogelijke effecten het Natura 2000-gebied
Effecten kunnen geclassificeerd worden in tijdelijke effecten (aanlegfase) en permanente effecten (gebruiksfase) op de instandhoudingsdoelstellingen voor alle Natura 2000-gebieden binnen de reikwijdte van het effect alsmede directe effecten en indirecte effecten (‘externe werking’). Directe effecten Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van Natura 2000-gebieden. Gezien de ligging van het Natura 2000-gebied, ten opzichte van het plangebied, worden directe effecten zoals oppervlakteverlies en versnippering op voorhand uitgesloten. Van oppervlakteverlies van habitattypen en/of leefgebied van kwalificerende soorten in Natura 2000-gebieden is derhalve geen sprake.
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 36/55
Indirecte effecten Indirecte effecten kunnen vanwege de relatief grote afstand tot het Natura 2000-gebied (ca. 1,9 km of meer) gebied op voorhand worden uitgesloten. Licht, trillingen en geluid kunnen tot enkele honderden meters ver reiken. Effecten door externe werking zoals verstoring door geluid, licht, optische verstoring e.d. zijn dan ook, gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied ‘Waddenzee’, niet op voorhand uit te sluiten. Bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt zeer waarschijnlijk gebruik gemaakt van verschillend materieel dat gepaard gaat met stikstofemissie. Deze emissie kan zich vrij gemakkelijk via de lucht over grotere afstand verplaatsen en zodoende een toename veroorzaken in stikstofdepositie op diverse stikstofgevoelige habitattypen met instandhoudingsdoelstelling.
3.3.3
Verzuring door stikstof uit de lucht (3)
Kenmerk Verzuring van bodem of water is een gevolg van de uitstoot (emissie) van stikstof – stikstofoxide (NOx), ammoniak (NH3) –. Deze verzurende stoffen komen via lucht of water in de grond terecht en leiden aldus tot het zuurder worden van het biotische milieu. De belangrijkste bronnen van verzurende stoffen zijn de landbouw, het verkeer en de industrie. Interactie andere factoren De effecten van verzurende stoffen zijn niet altijd te scheiden van die van vermestende stoffen, omdat een deel van de verzurende stoffen ook vermestend werkt (aanvoer van stikstof). Gevolg Verzuring leidt tot een directe of indirecte afname van de buffercapaciteit (het neutralisatievermogen) van bodem of water. Op termijn resulteert dit proces in een daling van de zuurgraad. Hierdoor zullen voor verzuring gevoelige soorten verdwijnen, wat kan resulteren in een verandering van het habitattype en daarmee mogelijk het verdwijnen van typische (dier)soorten, zoals bijvoorbeeld amfibieën en reptielen die voor hun voortplanting afhankelijk zijn van waterlichamen.
Let op! Verzuring kan ook optreden ten gevolgen uitstoot van zwaveldioxide (SO2), en vluchtige organische stoffen (VOS). De effecten hiervan zijn niet meegenomen in deze beoordeling van de effectenindicator, in verband met een betere aansluiting op de PAS-gegevens voor stikstofgevoelige habitattypen en soorten met stikstofgevoelige leefgebieden. Zie ook het updaterapport op de hoofdpagina van de effectenindicator.
Effect Bij de uitvoering van de werkzaamheden zal mogelijk materieel ingezet worden dat gepaard kan gaan met stikstofemissie. Tevens heeft het plan mogelijk een verkeersaantrekkende werking hebben waardoor meer vervoersbewegingen ontstaan, wat gepaard kan gaan met stikstofemissie. Deze emissie kan zich verplaatsen over grote afstand en zodoende resulteren in stikstofdeposities in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Effecten door stikstofdepositie zijn niet op voorhand uit te sluiten. Om inzicht te krijgen in mogelijke stikstofdeposities is het uitvoeren van een AERIUS-berekening nodig. Als uit de berekening blijkt dat een (tijdelijke) toename van stikstofdepositie optreedt moet een ecologische beoordeling worden uitgevoerd om te bepalen of negatieve effecten optreden op stikstofgevoelige habitats. Inmiddels zijn deze berekeningen uitgevoerd. Door Sweco is in april 2024 een AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de aanleg- als gebruiksfase. Uit de berekeningen, zie notitie “Onderzoek stikstofdepositie Dijkkwartier, Den Helder” (Sweco, 2024), blijkt dat zowel in de aanleg- als gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie is van >0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebieden optreedt, op basis van de gehanteerde Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 37/55
uitgangspunten. Negatieve effecten door een tijdelijke als permanente toename van stikstofdepositie is op voorhand uit te sluiten.
3.3.4
Vermesting door stikstof uit de lucht (4)
Kenmerk Vermesting is in dit geval de 'verrijking' van ecosystemen door stikstofdepositie. Het gaat daarbij om aanvoer door de lucht (droge en natte neerslag van ammoniak en stikstofoxiden). Interactie andere factoren Stoffen die leiden tot vermesting kunnen ook leiden tot verzuring. Vermesting (en verzuring) kunnen op hun beurt leiden tot verontreiniging van het oppervlakte- en grondwater. Gevolg De groei in veel natuurlijke landecosystemen zoals bossen, vennen en heidevelden worden gelimiteerd door de beschikbaarheid van stikstof. Het gevolg van stikstof depositie is dat deze extra stikstof extra groei geeft. Daarbij is de beschikbaarheid van stikstof bepalend voor de concurrentieverhoudingen tussen de plantensoorten. Als de stikstofdepositie boven een bepaald kritisch niveau komt, neemt een beperkt aantal plantensoorten sterk toe ten koste van andere plantensoorten. Dit heeft ook effect op de fauna doordat hierdoor verandering van het leefgebied optreden, waardoor een gebied ongeschikt wordt als bijvoorbeeld broed- of foerageergebied. Effect Bij de uitvoering van de werkzaamheden zal mogelijk materieel ingezet worden dat gepaard kan gaan met stikstofemissie. Tevens heeft het plan mogelijk een verkeersaantrekkende werking hebben waardoor meer vervoersbewegingen ontstaan, wat gepaard kan gaan met stikstofemissie.
Let op! Vermesting kan ook optreden door nitraat- en fosfaataanvoer via het oppervlaktewater. De effecten hiervan zijn niet meegenomen in deze beoordeling van de effectenindicator, in verband met een betere aansluiting op de PAS-gegevens voor stikstofgevoelige habitattypen en soorten met stikstofgevoelige leefgebieden. Zie ook het update-rapport op de hoofdpagina van de effectenindicator.
Deze emissie kan zich verplaatsen over grote afstand en zodoende resulteren in stikstofdeposities in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Effecten door stikstofdepositie zijn niet op voorhand uit te sluiten. Om inzicht te krijgen in mogelijke stikstofdeposities is het uitvoeren van een AERIUS-berekening nodig. Als uit de berekening blijkt dat een (tijdelijke) toename van stikstofdepositie optreedt moet een ecologische beoordeling worden uitgevoerd om te bepalen of negatieve effecten optreden op stikstofgevoelige habitats. Door Sweco is in april 2024 een AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de aanleg- als gebruiksfase. Uit de berekeningen, zie notitie “Onderzoek stikstofdepositie Dijkkwartier, Den Helder” (Sweco, 2024), blijkt dat zowel in de aanleg- als gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie is van >0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebieden optreedt, op basis van de gehanteerde uitgangspunten. Negatieve effecten door een tijdelijke als permanente toename van stikstofdepositie is op voorhand uit te sluiten.
3.4
Noordzeekustzone
3.4.1
Inleiding
Het zandige kustgebied langs de Noordzee bestaat uit kustwateren, ondiepten, enkele zandbanken (onder andere Noorderhaaks) en de stranden van noordelijk Noord-Holland en de Waddeneilanden. Permanent met zeewater
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 38/55
overstroomde zandbanken komen met name voor in de buitendelta's van de zeegaten tussen de Waddeneilanden (www.natura2000.nl).
3.4.2
Analyse van de mogelijke effecten het Natura 2000-gebied
Effecten kunnen geclassificeerd worden in tijdelijke effecten (aanlegfase) en permanente effecten (gebruiksfase) op de instandhoudingsdoelstellingen voor alle Natura 2000-gebieden binnen de reikwijdte van het effect alsmede directe effecten en indirecte effecten (‘externe werking’). Directe effecten Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van Natura 2000-gebieden. Gezien de ligging van het Natura 2000-gebied, ten opzichte van het plangebied, worden directe effecten zoals oppervlakteverlies en versnippering op voorhand uitgesloten. Van oppervlakteverlies van habitattypen en/of leefgebied van kwalificerende soorten in Natura 2000-gebieden is derhalve geen sprake. Indirecte effecten Indirecte effecten kunnen vanwege de grote afstand tot het Natura 2000-gebied gebied op voorhand worden uitgesloten. Licht, trillingen en geluid kunnen tot enkele honderden meters ver reiken. Effecten door externe werking zoals verstoring door geluid, licht, optische verstoring e.d. zijn dan ook, gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied ‘Waddenzee’, niet op voorhand uit te sluiten. Binnen het Natura 2000-gebied ‘Noordzeekustzone’ komen geen stikstofgevoelige habitats voor, waardoor effecten door een toename aan stikstofdepositie ook op voorhand is uit te sluiten.
3.5
Duinen en Lage Land Texel
3.5.1
Inleiding
Het deelgebied Duinen Texel wordt landschappelijk gekenmerkt door een uitgestrekt duingebied met daar binnen een kweldergebied (slufter). Het noordelijk en het zuidelijk gedeelte behoorden oorspronkelijk tot twee verschillende eilanden; het oorspronkelijke Texel en Eijerland. Ten westen van de stuifdijk die sinds 1629 de voormalige eilanden verbindt, ligt een oude strandvlakte met een reeks grote valleien. Het deel ten noorden van de slufter (Eierlandsche duinen) omvat oude duinen met graslanden en heiden; het zuidelijke deel is meer gevarieerd met zowel oude als jonge duingebieden. In het gebied is een grote diversiteit aan duinvalleien aanwezig, die verschillen in de mate van infiltratie dan wel kwel. Aan de zuidrand ligt een grote zandplaat, de Hors, die hoort bij het Natura 2000 gebied Waddenzee. In de Westerduinen zijn naaldbossen aanwezig. Binnen de begrenzing van het gebied vallen ook de Hanenplas, met duinen, duinvalleien, duingraslanden, struwelen en ruigten en de Korverskooi, een eendenkooi bestaande uit een kooibos met daaromheen duinen, valleien en graslanden. Daarnaast behoren ook een aantal poldergebieden in het lage land van Texel tot de begrenzing. Dit zijn kreekrestanten met omliggende rietkragen, moerassen en graslanden (www.natura2000.nl).
3.5.2
Analyse van de mogelijke effecten het Natura 2000-gebied
Effecten ten gevolge van de werkzaamheden en/of het gebruik, zoals verdroging, vernatting, optische-, licht- en geluidsverstoring, reiken maximaal tot enkele honderden meters ver. Deze kunnen vanwege de relatief grote afstand
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 39/55
tot het Natura 2000-gebied (ca. 1,9 km of meer) op voorhand worden uitgesloten. Bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt zeer waarschijnlijk gebruik gemaakt van verschillend materieel dat gepaard gaat met stikstofemissie. Deze emissie kan zich vrij gemakkelijk via de lucht over grotere afstand verplaatsen en zodoende een toename veroorzaken in stikstofdepositie op diverse stikstofgevoelige habitattypen met instandhoudingsdoelstelling.
3.5.3
Verzuring door stikstof uit de lucht (3)
Kenmerk Verzuring van bodem of water is een gevolg van de uitstoot (emissie) van stikstof – stikstofoxide (NOx), ammoniak (NH3) –. Deze verzurende stoffen komen via lucht of water in de grond terecht en leiden aldus tot het zuurder worden van het biotische milieu. De belangrijkste bronnen van verzurende stoffen zijn de landbouw, het verkeer en de industrie. Interactie andere factoren De effecten van verzurende stoffen zijn niet altijd te scheiden van die van vermestende stoffen, omdat een deel van de verzurende stoffen ook vermestend werkt (aanvoer van stikstof). Gevolg Verzuring leidt tot een directe of indirecte afname van de buffercapaciteit (het neutralisatievermogen) van bodem of water. Op termijn resulteert dit proces in een daling van de zuurgraad. Hierdoor zullen voor verzuring gevoelige soorten verdwijnen, wat kan resulteren in een verandering van het habitattype en daarmee mogelijk het verdwijnen van typische (dier)soorten, zoals bijvoorbeeld amfibieën en reptielen die voor hun voortplanting afhankelijk zijn van waterlichamen.
Let op! Verzuring kan ook optreden ten gevolgen uitstoot van zwaveldioxide (SO2), en vluchtige organische stoffen (VOS). De effecten hiervan zijn niet meegenomen in deze beoordeling van de effectenindicator, in verband met een betere aansluiting op de PAS-gegevens voor stikstofgevoelige habitattypen en soorten met stikstofgevoelige leefgebieden. Zie ook het updaterapport op de hoofdpagina van de effectenindicator.
Effect Bij de uitvoering van de werkzaamheden zal mogelijk materieel ingezet worden dat gepaard kan gaan met stikstofemissie. Tevens heeft het plan mogelijk een verkeersaantrekkende werking hebben waardoor meer vervoersbewegingen ontstaan, wat gepaard kan gaan met stikstofemissie. Deze emissie kan zich verplaatsen over grote afstand en zodoende resulteren in stikstofdeposities in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Effecten door stikstofdepositie zijn niet op voorhand uit te sluiten. Om inzicht te krijgen in mogelijke stikstofdeposities is het uitvoeren van een AERIUS-berekening nodig. Als uit de berekening blijkt dat een (tijdelijke) toename van stikstofdepositie optreedt moet een ecologische beoordeling worden uitgevoerd om te bepalen of negatieve effecten optreden op stikstofgevoelige habitats. Inmiddels zijn deze berekeningen uitgevoerd. Door Sweco is in april 2024 een AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de aanleg- als gebruiksfase. Uit de berekeningen, zie notitie “Onderzoek stikstofdepositie Dijkkwartier, Den Helder” (Sweco, 2024), blijkt dat zowel in de aanleg- als gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie is van >0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebieden optreedt, op basis van de gehanteerde uitgangspunten. Negatieve effecten door een tijdelijke als permanente toename van stikstofdepositie is op voorhand uit te sluiten.
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 40/55
3.5.4
Vermesting door stikstof uit de lucht (4)
Kenmerk Vermesting is in dit geval de 'verrijking' van ecosystemen door stikstofdepositie. Het gaat daarbij om aanvoer door de lucht (droge en natte neerslag van ammoniak en stikstofoxiden). Interactie andere factoren Stoffen die leiden tot vermesting kunnen ook leiden tot verzuring. Vermesting (en verzuring) kunnen op hun beurt leiden tot verontreiniging van het oppervlakte- en grondwater. Gevolg De groei in veel natuurlijke landecosystemen zoals bossen, vennen en heidevelden worden gelimiteerd door de beschikbaarheid van stikstof. Het gevolg van stikstof depositie is dat deze extra stikstof extra groei geeft. Daarbij is de beschikbaarheid van stikstof bepalend voor de concurrentieverhoudingen tussen de plantensoorten. Als de stikstofdepositie boven een bepaald kritisch niveau komt, neemt een beperkt aantal plantensoorten sterk toe ten koste van andere plantensoorten. Dit heeft ook effect op de fauna doordat hierdoor verandering van het leefgebied optreden, waardoor een gebied ongeschikt wordt als bijvoorbeeld broed- of foerageergebied. Effect Bij de uitvoering van de werkzaamheden zal mogelijk materieel ingezet worden dat gepaard kan gaan met stikstofemissie. Tevens heeft het plan mogelijk een verkeersaantrekkende werking hebben waardoor meer vervoersbewegingen ontstaan, wat gepaard kan gaan met stikstofemissie.
Let op! Vermesting kan ook optreden door nitraat- en fosfaataanvoer via het oppervlaktewater. De effecten hiervan zijn niet meegenomen in deze beoordeling van de effectenindicator, in verband met een betere aansluiting op de PAS-gegevens voor stikstofgevoelige habitattypen en soorten met stikstofgevoelige leefgebieden. Zie ook het update-rapport op de hoofdpagina van de effectenindicator.
Deze emissie kan zich verplaatsen over grote afstand en zodoende resulteren in stikstofdeposities in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Effecten door stikstofdepositie zijn niet op voorhand uit te sluiten. Om inzicht te krijgen in mogelijke stikstofdeposities is het uitvoeren van een AERIUS-berekening nodig. Als uit de berekening blijkt dat een (tijdelijke) toename van stikstofdepositie optreedt moet een ecologische beoordeling worden uitgevoerd om te bepalen of negatieve effecten optreden op stikstofgevoelige habitats. Door Sweco is in april 2024 een AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de aanleg- als gebruiksfase. Uit de berekeningen, zie notitie “Onderzoek stikstofdepositie Dijkkwartier, Den Helder” (Sweco, 2024), blijkt dat zowel in de aanleg- als gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie is van >0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebieden optreedt, op basis van de gehanteerde uitgangspunten. Negatieve effecten door een tijdelijke als permanente toename van stikstofdepositie is op voorhand uit te sluiten.
3.6
IJsselmeer
3.6.1
Inleiding
Het IJsselmeer in zijn huidige vorm is ontstaan door afsluiting van de voormalige Zuiderzee door de aanleg van de Afsluitdijk, voltooid in 1932, de aanleg van de IJsselmeerpolders (voltooid in 1968) en tenslotte van de Houtribdijk, voltooid in 1976. Na de aanleg van de Afsluitdijk is het water binnen enkele maanden verzoet, en sindsdien ontbreekt een brakke overgangszone naar de zee. De faunagemeenschappen verdwenen binnen enkele jaren en werd vervangen door een zoetwater gemeenschap met twee in de
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 41/55
voedselketen cruciale sleutelsoorten: de driehoeksmossel en de spiering. Langs de Friese kust (voormalig intergetijdengebied) is er sprake van substantiële ondieptes met waterplanten en buitendijkse slikken en platen. Het grootste deel van het water wordt aangevoerd door de IJssel. Het mondingsgebied is meer dynamisch met geulen tot 9 meter diep en grotendeels zandig sediment. Het doorzicht wordt voor een groot deel bepaald door algen en is in het algemeen relatief hoog. Het waterpeil is gefixeerd, maar door het grote oppervlak van het meer kan de wind echter een aanzienlijk scheefstand (orde grootte een meter) veroorzaken die tevens resulteert in een zekere peildynamiek. De buitendijkse kweldergebieden hebben zilte en brakke milieus. In de natte terreindelen treedt moerasvorming op in de vorm van biezenstroken. Op de overgang van water en land en op de laagliggende delen van de oude platen komt rietland voor. Bij verdere successie verruigt het rietland en vindt opslag van wilg plaats. Vooral op de hogere delen ontwikkelen struwelen en bos. De graslanden zijn soortenrijk, vooral op kalkrijk vochtig substraat (www.natura2000.nl).
3.6.2
Analyse van de mogelijke effecten het Natura 2000-gebied
Effecten kunnen geclassificeerd worden in tijdelijke effecten (aanlegfase) en permanente effecten (gebruiksfase) op de instandhoudingsdoelstellingen voor alle Natura 2000-gebieden binnen de reikwijdte van het effect alsmede directe effecten en indirecte effecten (‘externe werking’). Directe effecten Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van Natura 2000-gebieden. Gezien de ligging van het Natura 2000-gebied, ten opzichte van het plangebied, worden directe effecten zoals oppervlakteverlies en versnippering op voorhand uitgesloten. Van oppervlakteverlies van habitattypen en/of leefgebied van kwalificerende soorten in Natura 2000-gebieden is derhalve geen sprake. Indirecte effecten Indirecte effecten kunnen vanwege de grote afstand tot het Natura 2000-gebied gebied op voorhand worden uitgesloten. Licht, trillingen en geluid kunnen tot enkele honderden meters ver reiken. Effecten door externe werking zoals verstoring door geluid, licht, optische verstoring e.d. zijn dan ook, gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied, op voorhand uit te sluiten. Binnen het Natura 2000-gebied komen stikstofgevoelige habitats voor, waardoor effecten door een toename aan stikstofdepositie ook op voorhand is uit te sluiten. Door Sweco is in april 2024 een AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de aanleg- als gebruiksfase.
Uit de berekeningen, zie notitie “Onderzoek stikstofdepositie Dijkkwartier, Den Helder” (Sweco, 2024), blijkt dat zowel in de aanleg- als gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie is van >0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebieden optreedt, op basis van de gehanteerde uitgangspunten. Negatieve effecten door een tijdelijke als permanente toename van stikstofdepositie is op voorhand uit te sluiten.
3.7
Zwanenwater & Pettermerduinen
3.7.1
Inleiding
Ten zuiden van Callantsoog ligt een uitgestrekt duingebied dat tot Petten doorloopt. Het noordelijke deel hiervan is het Zwanenwater. Het Zwanenwater is een vrijwel ongeschonden landschap van overwegend kalkarme duinen met
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 42/55
vochtige en drassige valleien. In het centrum liggen twee uitgestrekte duinmeren. Beide meren worden omringd door een brede strook moerasland. In sommige van de vochtige duinvalleien en plaatselijk op de oevers van de meren treedt laagveenvorming op. Achter de zeereep in het zuidelijke deel, de Pettemerduinen, liggen goed ontwikkelde duinvalleien, zoals de Korfwateren, en droge duinen. Door de grote variatie in milieutypen in het gebied, variërend van droog tot zeer nat en van kalkrijk tot kalkarm, is een grote verscheidenheid van vegetatietypen aanwezig waarin tal van zeldzame plantensoorten voorkomen. De kalkarme droge duinen van met name het Zwanenwater herbergen een oppervlakte duinheide. Het gebied is ontstaan nadat omstreeks 1600 het zeegat Zijpe werd afgesloten. Door deze afsluiting kon duinvorming optreden, eerst aan de oostzijde van de aanwezige strandwal, later ook aan de westzijde. Tussen beide duinenrijen ontstond een duinvallei. De westelijke duinenrij is tot aan de dag van vandaag onderhevig aan verstuiving. Er is dan ook een ingewikkeld complex ontstaan van secundaire valleien en paraboolduinen, die elkaar op vele manieren overlappen en doorkruisen (www.natura2000.nl).
3.7.2
Analyse van de mogelijke effecten het Natura 2000-gebied
Effecten kunnen geclassificeerd worden in tijdelijke effecten (aanlegfase) en permanente effecten (gebruiksfase) op de instandhoudingsdoelstellingen voor alle Natura 2000-gebieden binnen de reikwijdte van het effect alsmede directe effecten en indirecte effecten (‘externe werking’). Directe effecten Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van Natura 2000-gebieden. Gezien de ligging van het Natura 2000-gebied, ten opzichte van het plangebied, worden directe effecten zoals oppervlakteverlies en versnippering op voorhand uitgesloten. Van oppervlakteverlies van habitattypen en/of leefgebied van kwalificerende soorten in Natura 2000-gebieden is derhalve geen sprake. Indirecte effecten Indirecte effecten kunnen vanwege de grote afstand tot het Natura 2000-gebied gebied op voorhand worden uitgesloten. Licht, trillingen en geluid kunnen tot enkele honderden meters ver reiken. Effecten door externe werking zoals verstoring door geluid, licht, optische verstoring e.d. zijn dan ook, gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied, op voorhand uit te sluiten. Binnen het Natura 2000-gebied komen stikstofgevoelige habitats voor, waardoor effecten door een toename aan stikstofdepositie ook op voorhand is uit te sluiten. Door Sweco is in april 2024 een AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de aanleg- als gebruiksfase.
Uit de berekeningen, zie notitie “Onderzoek stikstofdepositie Dijkkwartier, Den Helder” (Sweco, 2024), blijkt dat zowel in de aanleg- als gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie is van >0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebieden optreedt, op basis van de gehanteerde uitgangspunten. Negatieve effecten door een tijdelijke als permanente toename van stikstofdepositie is op voorhand uit te sluiten.
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 43/55
3.8
Abtskolk & De Putten
3.8.1
Inleiding
Het aangewezen gebied maakt deel uit van de Zijpe-en Hazepolder en de Vereenigde Harger- en Pettemerpolder. De Zijpe-en Hazepolder is een droogmakerij die is drooggelegd aan het eind van de 16e eeuw. De polder is in afdelingen verdeeld vanwege hoogteverschillen tussen de delen van het drooggevallen land. Elke afdeling werd met een letter van het alfabet aangeduid en had voor bemaling zijn eigen windmolen. De Vereenigde Harger- en Pettemerpolder is enkele tientallen jaren later drooggelegd. De opening in de duinenrij tussen Petten en Camperduin is eind 16e eeuw definitief gedicht maar de Hondsbossche Zeewering is in zijn huidige vorm in 1870 gereed gekomen. Ten gevolge van kleiwinning in de jaren vijftig en zeventig van de vorige eeuw zijn respectievelijk de plassen van De Putten en de Abtskolk ontstaan. Het gebied bestaat verder overwegend uit grasland. De Zijpe-en Hazepolder heeft een rechtlijnige verkaveling terwijl het slotenpatroon in de Vereenigde Hargeren Pettemerpolder een minder regelmatig karakter heeft (www.natura2000.nl).
3.8.2
Analyse van de mogelijke effecten het Natura 2000-gebied
Effecten kunnen geclassificeerd worden in tijdelijke effecten (aanlegfase) en permanente effecten (gebruiksfase) op de instandhoudingsdoelstellingen voor alle Natura 2000-gebieden binnen de reikwijdte van het effect alsmede directe effecten en indirecte effecten (‘externe werking’). Directe effecten Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van Natura 2000-gebieden. Gezien de ligging van het Natura 2000-gebied, ten opzichte van het plangebied, worden directe effecten zoals oppervlakteverlies en versnippering op voorhand uitgesloten. Van oppervlakteverlies van habitattypen en/of leefgebied van kwalificerende soorten in Natura 2000-gebieden is derhalve geen sprake. Indirecte effecten Indirecte effecten kunnen vanwege de grote afstand tot het Natura 2000-gebied gebied op voorhand worden uitgesloten. Licht, trillingen en geluid kunnen tot enkele honderden meters ver reiken. Effecten door externe werking zoals verstoring door geluid, licht, optische verstoring e.d. zijn dan ook, gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied, op voorhand uit te sluiten. Binnen het Natura 2000-gebied komen stikstofgevoelige habitats voor, waardoor effecten door een toename aan stikstofdepositie ook op voorhand is uit te sluiten. Door Sweco is in april 2024 een AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de aanleg- als gebruiksfase.
Uit de berekeningen, zie notitie “Onderzoek stikstofdepositie Dijkkwartier, Den Helder” (Sweco, 2024), blijkt dat zowel in de aanleg- als gebruiksfase er geen toename van de stikstofdepositie is van >0,00 mol/ha/jaar op het Natura 2000-gebied optreedt, op basis van de gehanteerde uitgangspunten. Negatieve effecten door zowel de tijdelijke toename door stikstofdepositie is dan ook uit te sluiten.
3.9
Conclusie
Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Wel is binnen 50 meter het Natura 2000-gebied ‘Waddenzee’ aanwezig. Op circa 1,9
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 44/55
kilometer is het eerstvolgende Natura 2000-gebied gelegen. Omdat effecten door geluid en dergelijke tot enkele honderden meters merkbaar zijn, worden negatieve effecten op deze gebieden, behalve op het gebied ‘Waddenzee’ uitgesloten. Voor Natura 2000-gebieden geldt wel dat door het plan een mogelijke toename aan stikstofdepositie op kan treden. Om mogelijke effecten op dit gebied inzichtelijk te krijgen is gebruik gemaakt van de ‘effectenindicator’. Uit de effectenindicator blijkt dat de volgende verstorende effecten op het Natura 2000-gebied ‘Waddenzee” kunnen optreden: • • • • • • • • • • • • • • •
Oppervlakteverlies (1) Versnippering (2) Verzuring door stikstof uit de lucht (3) Vermesting door stikstof uit de lucht (4) Verzoeting (5) Verontreiniging (7) Verdroging (8) Verzilting (9) Verandering overstromingsfrequentie (11) Verandering dynamiek substraat (12) Verstoring door geluid (13) Verstoring door licht (14) Verstoring door trilling (15) Optische verstoring (16) Verstoring door mechanische effecten (17)
Omdat het plangebied niet is gelegen in een Natura 2000-gebied zijn effecten door: oppervlakteverlies, versnippering, verzoeting, verontreiniging, verdroging, verzilting, verandering overstromingsfrequentie, verandering dynamiek substraat, geluid, licht, trillingen, optische verstoring en mechanische effecten op voorhand uit te sluiten. Door de ontwikkeling van het integrale plangebied (dijkversterking + woningbouw) zijn effecten door: verzuring door stikstof uit de lucht en vermesting door stikstof uit de lucht, op Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats op voorhand uit te sluiten omdat er zowel in de aanleg- als gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie is van >0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten door een tijdelijke als permanente toename van stikstofdepositie is op voorhand uit te sluiten.
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 45/55
4
Conclusie
Uit de Voortoets blijkt dat significant negatieve effecten door het integrale plan Dijkkwartier (dijkversterking + woningbouw) niet optreden. Het uitvoeren van een passende beoordeling is niet noodzakelijk. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Wel is binnen 50 meter het Natura 2000-gebied ‘Waddenzee’ aanwezig. Op circa 1,9 kilometer is het eerstvolgende Natura 2000-gebied gelegen. Omdat effecten door geluid en dergelijke tot enkele honderden meters merkbaar zijn, worden negatieve effecten op deze gebieden, behalve op het gebied ‘Waddenzee’ uitgesloten. Uit de Voortoets blijkt dat effecten door: oppervlakteverlies, versnippering, verzoeting, verontreiniging, verdroging, verzilting, verandering overstromingsfrequentie, verandering dynamiek substraat, geluid, licht, trillingen, optische verstoring en mechanische effecten op zijn uit te sluiten. Door de ontwikkeling van het plangebied zijn effecten door: verzuring door stikstof uit de lucht en vermesting door stikstof uit de lucht, op Natura 2000gebieden met stikstofgevoelige habitats niet op voorhand uit te sluiten. Door Sweco is in april 2024 een AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de aanleg- als gebruiksfase voor het integrale project.
Uit de AERIUS-berekening blijkt dat zowel in de aanleg- als gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie is van >0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebieden optreedt, op basis van de gehanteerde uitgangspunten. Negatieve effecten door een tijdelijke als permanente toename van stikstofdepositie is op voorhand uit te sluiten.
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 46/55
Referenties Cunha, A., S.A. Power, M.R. Ashmore, P.R.S. Green, B.J. Haworth, and R. Bobbink. 2002. "Whole ecosystem nitrogen manipulation: an updated review." Report-Joint Nature Conservation Committee (331). Dekker, B. 2022. Stikstofdepositie Poortgebied Bergsche Heide. Projectnummer: 51002190 Referentienummer: NL22-648800269-18353 Datum: 04-08-2022. Versie: D04. Sweco Nederland B.V. Zwolle Heil, GW, and WH Diemont. 1983. "Raised nutrient levels change heathland into grassland." Vegetatio 53 (2): 113-120. Kleijberg, Reinoud. 2020. Natura 2000 gebieden rond de Amsterdamse haven. Krupa, S. V. 2003. "Effects of atmospheric ammonia (NH3) on terrestrial vegetation: a review." Environmental Pollution 124 (2): 179-221. https://doi.org/https://doi.org/10.1016/S0269-7491(02)00434-7. Lilleskov, Erik A, Thomas W Kuyper, Martin I Bidartondo, and Erik A Hobbie. 2019. "Atmospheric nitrogen deposition impacts on the structure and function of forest mycorrhizal communities: a review." Environmental Pollution 246: 148-162. Sweco Nederland B.V. 2022. Onderzoek stikstofdepositie Dijkkwartier, Den Helder. Projectnummer: 51009132. Datum: 02-04-2024. Versie: Definitief. Alkmaar van Dobben, H.F., R. Bobbink, D. Bal, and A. van Hinsberg. 2012. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Alterra (Wageningen).
Velders, G.J.M., Aben, J.M.M., G.P. Geilenkirchen, H.A. den Hollander, L. Nguyen, van der Swaluw, E., W.J. de Vries, and R.J. Wichink Kruit. 2018. Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Bass, A. H., & Ladich, F. (2008). Vocal–acoustic communication: From neurons to behavior. In J. F. Webb, R. R. Fay, & A. N. Popper (Eds.), Fish bioacoustics: With 81 illustrations (pp. 253–278). New York, NY: Springer New York. Bass, A. H., Chagnaud, B. P., and Feng, N. Y. (2015). Comparative neurobiology of sound production in fishes. In F. Ladich (Ed.), Sound communication in fishes (pp. 35–75). Vienna, Austria: Springer Vienna. Brandt, M. J., Diederichs, A., Betke, K., & Nehls, G. (2011). Responses of harbour porpoises to pile driving at the Horns Rev II offshore wind farm in the Danish North Sea. Marine Ecology Progress Series, 421, 205-216. Dähne, M., Gilles, A., Lucke, K., Peschko, V., Adler, S., Krügel, K., ... & Siebert, U. (2013). Effects of pile-driving on harbour porpoises (Phocoena phocoena) at the first offshore wind farm in Germany. Environmental Research Letters, 8(2), 025002.
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 47/55
Fay, R. R., & Popper, A. N. (2000). Evolution of hearing in vertebrates: the inner ears and processing. Hearing research, 149(1-2), 1-10. Fine, M. L. & Parmentier, E. (2015). Mechanisms of fish sound production. In Ladich, F. (ed.), Sound Communication in Fishes. Springer Vienna, Wien: 77– 126. Graham, I. M., Merchant, N. D., Farcas, A., Barton, T. R., Cheney, B., Bono, S., & Thompson, P. M. (2019). Harbour porpoise responses to pile-driving diminish over time. Royal Society Open Science, 6(6), 190335. Haelters, J., Dulière, V., Vigin, L., & Degraer, S. (2015). Towards a numerical model to simulate the observed displacement of harbour porpoises Phocoena phocoena due to pile driving in Belgian waters. Hydrobiologia, 756, 105-116. Hastings, M. C., & Popper, A. N. (2005). Effects of sound on fish (No. CA050537). California Department of Transportation. Kastelein, R. A., van der Heul, S., Verboom, W. C., Triesscheijn, R. J., & Jennings, N. V. (2006). The influence of underwater data transmission sounds on the displacement behaviour of captive harbour seals (Phoca vitulina). Marine Environmental Research, 61(1), 19-39. Kleijn, D. (2008). Effecten van geluid op wilde soorten-implicaties voor soorten betrokken bij de aanwijzing van Natura 2000 gebieden (No. 1705). Alterra. Koschinski, S., Culik, B. M., Henriksen, O. D., Tregenza, N., Ellis, G., Jansen, C., & Kathe, G. (2003).
Behavioural reactions of free-ranging porpoises and seals to the noise of a simulated 2 MW windpower generator. Marine Ecology Progress Series, 265, 263-273. Leis, J. M., Siebeck, U., and Dixson, D. L. (2011). How Nemo finds home: The neuroecology of dispersal and of population connectivity in larvae of marine fishes. Integrative and Comparative Biology, 51, 826–843. McCauley, R. D., Fewtrell, J., & Popper, A. N. (2003). High intensity anthropogenic sound damages fish ears. The Journal of the Acoustical Society of America, 113(1), 638-642. Montgomery, J. C., Jeffs, A., Simpson, S. D., Meekan, M., and Tindle, C. (2006). Sound as an orientation cue for the pelagic larvae of reef fishes and decapod crustaceans. Advances in Marine Biology, 51, 143–196. Nabe‐Nielsen, J., van Beest, F. M., Grimm, V., Sibly, R. M., Teilmann, J., & Thompson, P. M. (2018). Predicting the impacts of anthropogenic disturbances on marine populations. Conservation Letters, 11(5), e12563. Nowacek, D. P., Thorne, L. H., Johnston, D. W., & Tyack, P. L. (2007). Responses of cetaceans to anthropogenic noise. Mammal Review, 37(2), 81115.
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 48/55
Popper, A. N., and Hawkins, A. D. (2019). An overview of fish bioacoustics and the impacts of anthropogenic sounds on fishes. Journal of Fish Biology, 94(5), 692-713. Putland, R. L., Montgomery, J. C., and Radford, C. A. (2019). Ecology of fish hearing. Journal of fish biology, 95(1), 39-52. Rogers, P. H., and Cox, M. (1988). Underwater sound as a biological stimulus. In Sensory biology of aquatic animals (pp. 131-149). New York, NY: Springer New York. Spinks, R. K., Muschick, M., Salzburger, W., and Gante, H. F. (2017). Singing above the chorus: Cooperative princess cichlid fish (Neolamprologus pulcher) has high pitch. Hydrobiologia, 791, 115–125. Tavolga, W. N. (1971). Sound production and detection. In W. S. Hoar &D. J. Randall (Eds.), Fish physiology (pp. 135–205). New York, NY: Academic Press. Thompson, P. M., Brookes, K. L., Graham, I. M., Barton, T. R., Needham, K., Bradbury, G., & Merchant, N. D. (2013). Short-term disturbance by a commercial two-dimensional seismic survey does not lead to long-term displacement of harbour porpoises. Proceedings of the Royal Society B: Biological Sciences, 280(1771), 20132001. Tougaard, J., Carstensen, J., Teilmann, J., Skov, H., & Rasmussen, P. (2009). Pile driving zone of responsiveness extends beyond 20 km for harbor porpoises (Phocoena phocoena (L.)). The Journal of the Acoustical Society of America, 126(1), 11-14.
Van der Sluijs, I., Gray, S. M., Amorim, M. C. P., Barber, I., Candolin, U., Hendry, A. P., ... & Wong, B. B. (2011). Communication in troubled waters: responses of fish communication systems to changing environments. Evolutionary Ecology, 25, 623-640. Van Opzeeland, I., Slabbekoorn, H., Andringa, T. & Ten Cate, C. (2007). Vissen en geluidsoverlast: effect van geluidsbelasting onder water op zoetwatervissen. Rijksuniversiteit Groningen. Wadkanovaren.nl Overzicht HVP's en rustgebieden van zeehonden in de Waddenzee. Ingezien van overzicht HVP's en rustgebieden van zeehonden in de Waddenzee (wadkanovaren.nl)
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 49/55
Bijlage 1 | Foto-impressie projectgebied Omgevingswet: Natura 2000-gebieden Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Voor habitattypen en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau bevinden (kwalitatief en kwantitatief) kunnen behoudsdoelstellingen bestaan. Voor habitattypen en leefgebieden van soorten die nog niet het gewenste niveau hebben bereikt, kunnen uitbreidings- en/of verbeterdoelstellingen bestaan. In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden (art. 11.6 Bal). Iedereen die activiteiten uitvoert die verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen hebben, moet nadelige gevolgen zoveel als mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.6, lid 1 Bal). Er moet worden nagegaan of nadelige gevolgen (verslechterende of significant verstorende gevolgen) op instandhoudingsdoelstellen op grond van objectieve gegevens op voorhand uitgesloten kunnen worden (art. 11.6, lid 2 Bal).
Als nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn, dan verplicht de specifieke zorgplicht passende preventieve maatregelen te nemen (art. 11.6, lid 2, onder d), of, als dit niet gaat, om passende herstelmaatregelen te treffen (art. 11.6, lid 2, onder f). Daarnaast dient de effectiviteit van de maatregelen gemonitord te worden. De specifieke zorgplicht geldt altijd, dus voor Natura 2000-activiteiten, maar ook voor activiteiten die conform een Natura 2000-beheerplan worden uitgevoerd. Mogelijkheid tot vaststelling plannen De term ‘Natura 2000-activiteit' geldt alléén voor projecten. Een plan mag worden vastgesteld als uit een Passende Beoordeling, bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid Ow, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten (art. 10.24 Bkl). Is er ondanks mitigatie nog steeds sprake van een significant gevolg, dan kan het plan alleen worden vastgesteld als de zogenaamde ADC-toets met succes is doorlopen (art. 10.24, lid 2 en 3 Bkl). In het Bal zijn een aantal vergunningsvrije gevallen aangewezen waarvoor geen vergunningplicht geldt. Dit betreft onder meer: • • •
In een programma (bijv. Natura 2000-beheerplan) aangewezen Natura 2000-activiteiten die voldoen aan art. 11.21 Bal, mits het programma voldoet aan de eisen zoals aangegeven in art. 11.18, lid 2 Bal; In een omgevingsverordening aangewezen Natura 2000-activiteiten die voldoen aan art. 11.19 en art. 11.21 Bal; In een ministeriele regeling aangewezen Natura 2000-activiteiten die voldoen aan art. 11.20 en 11.21 Bal.
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 50/55
Vergunningplicht projecten Een activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt aangeduid met een ‘Natura 2000-activiteit'. Er wordt bij de regels voor Natura 2000-gebieden onderscheid gemaakt tussen een ‘Natura 2000-activiteit' en andere activiteiten. Een Natura 2000-activiteit is vergunning plichtig (art. 5.1, lid 1 Ow), tenzij er sprake is van een ‘vergunningsvrij geval’ (art. 11.16 t/m 11.21 Bal). Activiteiten die nodig zijn voor het beheer van Natura 2000-gebieden (om de doelstellingen te kunnen halen) of geen significante gevolgen hebben, vallen niet onder de regels voor een Natura 2000-activiteit. Er dient getoetst te worden of een activiteit (al dan niet significante) negatieve gevolgen kan hebben. Wanneer na een eerste verkennende effectbeoordeling effecten niet op voorhand zijn uit te sluiten kunnen de volgende vervolgstappen aan de orde zijn:
•
•
•
Een voortoets geeft een aanwijzing over de mogelijke negatieve effecten van een plan of project op Natura 2000-gebieden. Uit de voortoets volgt ook welke vervolgstappen nodig zijn. Soms blijkt uit de voortoets dat er zeker geen significant negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden zijn. Er zijn dan geen vervolgstappen nodig. Indien er sprake is van een Natura 2000-activiteit die niet vergunningsvrij is, en significante effecten niet kunnen worden uitgesloten, volgt een Passende Beoordeling. Passende beoordeling: beoordeling of significante gevolgen van het plan of project zijn uit te sluiten rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen. De regels waar een Passende Beoordeling aan moet voldoen staan in art. 16.53c Ow en art. 8.74b Bkl. Als significante gevolgen ondanks mitigatie niet uit te sluiten zijn, volgt een ADC-toets. ADC-toets: Aangetoond dient te worden dat er geen Alternatieven zijn met minder grote effecten, er sprake is van een Dwingende reden van groot openbaar belang en in afdoende Compensatie is voorzien (projecten: art. 8.74b, lid 2 en 3 Bkl. Plannen: art. 10.24, lid 2 en 3 Bkl).
Mogelijke nadelige gevolgen als gevolg van de depositie van stikstof dienen bij Natura 2000-activiteiten getoetst te worden door middel van de AERIUS Calculator (art. 4.15 Or). Als uit de voortoets blijkt dat het niet gaat om een ‘Natura 2000-activiteit' of als het een vergunningsvrij geval betreft, is er mogelijk nog wel sprake van een ‘activiteit die nadelige (maar zeker geen significante) gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied’. Ondanks dat er geen vergunningplicht geldt, blijft de specifieke zorgplicht van toepassing. Vastlegging van toetsing aan de specifieke zorgplicht wordt sterk aangeraden.
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 51/55
Bijlage 2 | Effectenindicator Tabel 1: Habitattypen Storingsfactor
11
2
3
4
Permanent overstroomde zandbanken
G2
G
Ng
Estuaria
G
G
Slik- en zandplaten
G
Zilte pionierbegroeiing
5
7
8
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
G
G
Ng
Slijkgrasvelden
G
G
Ng
Schorren en zilte graslanden
G
G
Ng
Embryonale duinen
G
G
Witte duinen
G
Grijze duinen
9
11
13
14
15
16
17
X
X
X
X
G
G
G
X
X
X
X
G
G
Ng
G
X
X
X
X
G
G
G
G
X
X
X
X
G
G
G
X
X
X
X
G
G
G
G
X
X
X
X
G
G
Ng
G
G
Ng
X
X
X
G
G
G
Ng
G
G
Ng
X
X
X
G
G
G
G
Zg
Zg
G
Ng
X
X
X
G
G
Duindoornstruwelen
G
G
G
G
G
G
X
X
X
G
G
Kruipwilgstruwelen
G
G
G
G
G
G
X
X
X
G
G
Vochtige duinvalleien
G
G
G
Zg
G
Zg
X
X
X
G
G
13
14
15
16
17
1: 1 = oppervlakteverlies, 2 = versnippering, 3 = verzuring door N-depositie uit de lucht, 4 = vermesting door N-depositie uit de lucht, 7 = verontreiniging, 8 = verdroging, 13 = verstoring door geluid, 14 = verstoring door licht, 15 = verstoring door trillingen, 16 = optische verstoring, 17 = verstoring door mechanische effecten Zg: zeer gevoelig. G: gevoelig. Ng: Niet gevoelig. X: niet van toepassing. -: onbekend
Tabel 2: Habitatsoorten Storingsfactor
11
2
3
4
Noordse woelmuis
Zg2
Zg
Ng
Bruinvis
G
G
Fint
Zg
Gewone zeehond
5
7
8
9
11
Ng
-
Zg
-
-
-
-
G
Ng
Ng
Zg
-
Zg
Zg
Zg
-
G
Zg
Ng
Ng
Zg
G
G
-
G
-
G
Zg
G
Ng
Ng
Zg
-
Zg
Zg
Zg
Zg
-
Grijze zeehond
G
G
Ng
Ng
Zg
-
Zg
Zg
Zg
Zg
-
Groenknolorchis
-
X
G
G
-
Zg
X
X
X
X
G
Nauwe korfslak
Zg
G
G
G
G
Zg
Ng
Ng
G
Ng
G
Rivierprik
Zg
Zg
Ng
Ng
Zg
Zg
Zeeprik
Zg
Zg
Ng
Ng
Zg
Zg
G
-
G
-
Zg
1: 1 = oppervlakteverlies, 2 = versnippering, 3 = verzuring door N-depositie uit de lucht, 4 = vermesting door N-depositie uit de lucht, 7 = verontreiniging, 8 = verdroging, 13 = verstoring door geluid, 14 = verstoring door licht, 15 = verstoring door trillingen, 16 = optische verstoring, 17 = verstoring door mechanische effecten
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 52/55
Zg: zeer gevoelig. G: gevoelig. Ng: Niet gevoelig. X: niet van toepassing. -: onbekend
Tabel 3: Broedvogels Storingsfactor
11
2
3
4
Aalscholver
G2
G
Ng
Blauwe kiekendief
G
G
Bontbekplevier
G
Bruine kiekendief
5
7
8
Ng
G
Zg
Zg
Ng
G
G
G
Dwergstern
G
Eider
9
11
13
14
15
16
17
Ng
Ng
G
Ng
G
-
G
G
G
G
Ng
G
Zg
G
G
Ng
G
G
Ng
Zg
-
Zg
Zg
G
G
G
G
Ng
Ng
Zg
Ng
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
Zg
G
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
G
-
Grote stern
G
Ng
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
Zg
G
Kleine mantelmeeuw
G
Ng
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
Ng
-
Kluut
G
Ng
Ng
Ng
G
Ng
G
G
Ng
G
Zg
Lepelaar
G
Ng
Ng
Ng
G
G
G
Ng
-
Ng
Zg
Noordse stern
G
Ng
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Zg
Ng
G
Strandplevier
G
Ng
G
G
G
Ng
G
G
Ng
Zg
-
Velduil
G
Zg
Zg
Zg
G
Ng
G
G
Ng
G
Zg
Visdief
G
G
Zg
Zg
G
Ng
Ng
G
Ng
G
Ng
Zwarte stern
G
G
Zg
Zg
G
G
Ng
G
-
G
Zg
13
14
15
16
17
1: 1 = oppervlakteverlies, 2 = versnippering, 3 = verzuring door N-depositie uit de lucht, 4 = vermesting door N-depositie uit de lucht, 7 = verontreiniging, 8 = verdroging, 13 = verstoring door geluid, 14 = verstoring door licht, 15 = verstoring door trillingen, 16 = optische verstoring, 17 = verstoring door mechanische effecten Zg: zeer gevoelig. G: gevoelig. Ng: Niet gevoelig. X: niet van toepassing. -: onbekend
Tabel 4: Niet-Broedvogels Storingsfactor
11
2
3
4
Aalscholver
G2
G
Ng
Bergeend
Ng
X
Bontbekplevier
G
Bonte strandloper
5
7
8
9
11
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
G
-
Ng
Ng
G
G
Ng
Ng
Ng
Ng
-
Ng
G
G
G
Ng
G
G
Ng
Ng
-
Ng
X
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
Ng
-
Brandgans
Ng
X
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Brilduiker
Ng
X
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
Ng
-
Drieteenstrandloper
Ng
X
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
G
-
Eider
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
G
-
Fuut
Ng
X
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
G
-
Goudplevier
Ng
X
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 53/55
Grauwe gans
Ng
X
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
Ng
-
Groenpootruiter
Ng
X
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
Ng
-
Grote stern
G
Ng
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
Zg
G
Grote zaagbek
Ng
X
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
G
-
Grutto
G
X
Zg
Zg
G
Zg
G
G
Ng
Ng
-
Kanoet
Ng
X
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
G
-
Kievit
Ng
X
G
G
G
G
Ng
G
Ng
Ng
-
Kleine zwaan
Ng
X
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
-
Ng
G
Kluut
G
Ng
Ng
Ng
G
Ng
G
G
Ng
G
Zg
Krakeend
Ng
X
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Krombekstrandloper
Ng
X
G
Ng
Ng
G
Ng
Ng
-
Lepelaar
G
Ng
Ng
Ng
G
G
G
G
-
Ng
Zg
Middelste zaagbek
Ng
X
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
Ng
-
Pijlstaart
Ng
X
Zg
Zg
G
Ng
Ng
G
Ng
Ng
-
Rosse grutto
Ng
X
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Rotgans
Ng
X
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
Ng
-
Scholekster
Ng
X
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
G
-
Slechtvalk
Ng
X
Zg
Zg
G
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Slobeend
Ng
X
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
Ng
-
Smient
Ng
X
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Steenloper
Ng
X
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
Ng
-
Strandplevier
G
Ng
G
G
G
Ng
G
G
Ng
Zg
-
Toendrarietgans
Ng
X
Ng
Ng
G
Ng
G
G
Ng
Zg
-
Toppereend
Ng
X
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
G
-
Tureluur
G
X
G
G
G
Ng
G
G
Ng
G
-
Visdief
G
G
Zg
Zg
G
Ng
Ng
G
Ng
Ng
Ng
Wilde eend
Ng
X
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
Zg
-
Wintertaling
G
X
Ng
Ng
G
G
Ng
G
Ng
G
-
Wulp
G
X
Ng
Ng
G
Ng
G
G
Ng
Ng
-
Zilverplevier
Ng
X
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
Ng
-
Zware ruiter
Ng
X
Ng
Ng
G
Ng
Ng
G
Ng
Ng
-
Zwarte stern
G
G
Zg
Zg
G
G
Ng
G
-
G
Zg
1: 1 = oppervlakteverlies, 2 = versnippering, 3 = verzuring door N-depositie uit de lucht, 4 = vermesting door N-depositie uit de lucht, 7 = verontreiniging, 8 = verdroging, 13 = verstoring door geluid, 14 = verstoring door licht, 15 = verstoring door trillingen, 16 = optische verstoring, 17 = verstoring door mechanische effecten Zg: zeer gevoelig. G: gevoelig. Ng: Niet gevoelig. X: niet van toepassing. -: onbekend
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 54/55
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 55/55