Bijlage 13 - Voortoets incl. stikstofbeoordeling Dijkkwartier fase 1 en fase 2.pdf.pdf
Tekst van het document
Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Een toetsing aan het onderdeel gebiedenbescherming in het kader van de Omgevingswet
Sweco Nederland B.V. Onderwerp
Projectnummer
Handelsregister 30129769 Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder 51009132
Klant Versie
Zeestad B.V. Definitief
Datum Auteur
09-04-2024 Maikell Verkade
2/55
Inhoudsopgave
Disclaimer ................................................................................................................................ 5 1
Inleiding ......................................................................................................................... 6 1.1 Aanleiding en doel ............................................................................................... 6 1.2 Kader van het onderzoek .................................................................................... 6 1.3 Beschrijving en ligging plangebied ...................................................................... 6 1.4 Toekomstige situatie plangebied......................................................................... 7 1.5 Voorgenomen werkzaamheden .......................................................................... 8
2
Omgevingswet: Natura 2000-gebieden ....................................................................... 10 2.1 Toetsingskader .................................................................................................. 10 2.2 Inventarisatie ..................................................................................................... 11
3
Voortoets ..................................................................................................................... 13 3.1 Inleiding ............................................................................................................. 13 3.2 Waddenzee ....................................................................................................... 13 3.2.1 Inleiding ................................................................................................ 13 3.2.2 Mogelijke effecten ................................................................................ 14 3.2.3 Analyse van de mogelijke effecten het Natura 2000-gebied ............... 14 3.2.4 Oppervlakteverlies (1) .......................................................................... 15 3.2.5 Versnippering (2) ................................................................................. 16 3.2.6 Verzuring door stikstof uit de lucht (3) ................................................. 16 3.2.7 Vermesting door stikstof uit de lucht (4) .............................................. 17 3.2.8 Verzoeting (5) ...................................................................................... 18 3.2.9 Verontreiniging (7) ...............................................................................
18 3.2.10 Verdroging (8) ...................................................................................... 19 3.2.11 Vernatting (9) ....................................................................................... 20 3.2.12 Verandering overstromingsfrequentie (11) .......................................... 20 3.2.13 Verandering dynamiek substraat (12) ................................................. 21 3.2.14 Verstoring door geluid (13) .................................................................. 21 3.2.15 Verstoring door licht (14) ..................................................................... 27 3.2.16 Verstoring door trilling (15) .................................................................. 29 3.2.17 Optische verstoring (16) ...................................................................... 30 3.2.18 Verstoring door mechanische effecten (17) ......................................... 35 3.3 Duinen Den Helder-Callantsoog ....................................................................... 36 3.3.1 Inleiding ................................................................................................ 36 3.3.2 Analyse van de mogelijke effecten het Natura 2000-gebied ............... 36 3.3.3 Verzuring door stikstof uit de lucht (3) .................................................
37 3.3.4 Vermesting door stikstof uit de lucht (4) .............................................. 38 3.4 Noordzeekustzone ............................................................................................ 38 3.4.1 Inleiding ................................................................................................ 38
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer sweco.projectId Datum 09-04-2024
Versie Definitief
Document referentie p:\5305\51009132_dijkkwartier_denhelder_fase1\w300 project specifieke werkpakketten\onderzoeken\2.1.6 ecologie\voortoets\rapport voortoets incl. stikstofbeoordeling dijkkwartier d3.0 20240409.docx
3/55
3.5
3.6
3.7
3.8
3.9 4
3.4.2 Analyse van de mogelijke effecten het Natura 2000-gebied ............... 39 Duinen en Lage Land Texel .............................................................................. 39 3.5.1 Inleiding ................................................................................................ 39 3.5.2 Analyse van de mogelijke effecten het Natura 2000-gebied ............... 39 3.5.3 Verzuring door stikstof uit de lucht (3) ................................................. 40 3.5.4 Vermesting door stikstof uit de lucht (4) .............................................. 41 IJsselmeer ......................................................................................................... 41 3.6.1 Inleiding ................................................................................................ 41 3.6.2 Analyse van de mogelijke effecten het Natura 2000-gebied ............... 42 Zwanenwater & Pettermerduinen...................................................................... 42 3.7.1 Inleiding ................................................................................................ 42 3.7.2 Analyse van de mogelijke effecten het Natura 2000-gebied ............... 43 Abtskolk & De Putten ........................................................................................
44 3.8.1 Inleiding ................................................................................................ 44 3.8.2 Analyse van de mogelijke effecten het Natura 2000-gebied ............... 44 Conclusie........................................................................................................... 44
Conclusie ..................................................................................................................... 46
Referenties ............................................................................................................................ 47 Bijlage 1 | Foto-impressie projectgebied ................................................................................ 50 Bijlage 2 | Effectenindicator .................................................................................................... 52
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer sweco.projectId Datum 09-04-2024
Versie Definitief
Document referentie p:\5305\51009132_dijkkwartier_denhelder_fase1\w300 project specifieke werkpakketten\onderzoeken\2.1.6 ecologie\voortoets\rapport voortoets incl. stikstofbeoordeling dijkkwartier d3.0 20240409.docx
4/55
Disclaimer Het voorliggende document betreft een toetsing op basis van in de rapportage genoemde uitgangspunten. Indien de uitgangspunten wijzigen, dient de Voortoets te worden geactualiseerd.
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 5/55
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel
De gemeente Den Helder, Woningstichting Den Helder/Helder Vastgoed BV en Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier zijn – in samenwerking met Zeestad B.V. – van plan om de primaire waterkering te versterken en op de versterkte waterkering woningbouw en een commercieel programma inclusief (mogelijk) een hotel te realiseren in het integrale plangebied ‘Dijkkwartier’ in Den Helder. Met het plan worden derhalve in hoofdlijnen twee verschillende ontwikkelingen gerealiseerd. Als eerste wordt de primaire waterkering versterkt zodat deze voldoet voor de komende 200 jaar. Na het versterken van de waterkering wordt het woningbouwprogramma uitgevoerd.
1.2
Kader van het onderzoek
Projecten of handelingen dienen te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. De natuurbescherming in Nederland bestaat uit de volgende kaders:
• Omgevingswet: Natura 2000-gebieden; soorten; houtopstanden. • Provinciaal beleid: Natuurnetwerk Nederland (NNN); Gebieden buiten het NNN zoals ganzenfoerageergebied en habitat voor weidevogels. • Gemeentelijk beleid. Een verkennend natuuronderzoek is erop gericht om een eerste inzicht te krijgen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het plangebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden genomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Afhankelijk van het resultaat moeten vervolgstappen al dan niet worden doorlopen. In dit onderzoek heeft alleen toetsing plaatsgevonden op beschermde Natura 2000-gebieden.
1.3
Beschrijving en ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan de noordzijde van Den Helder, tussen de Kanaalweg en de Dijkweg, langs de Waddenzee, zie figuur 1. In de huidige situatie bevindt zich hier een dijklichaam (primaire waterkering) langs de Waddenzee, met onder meer enkele woningcomplexen, garageboxen, grondgebonden woningen en bijbehorende parkeervoorzieningen.
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 6/55
Figuur 1. Topografische ligging plangebied
1.4
Toekomstige situatie plangebied
Het plangebied zal gefaseerd tot ontwikkeling komen in vier fasen. Hierbij wordt fasegewijs de waterkering verstrekt en wordt woningbouw gerealiseerd op de versterkte waterkering. Vervolgens wordt er in vier fases woningbouw gerealiseerd op de versterkte waterkering. Hiervan zijn Fase 1 en Fase 2 concreet. Het onderliggend rapport is ter onderbouwing van deze fases. In fase 1 wordt tevens commerciële ruimte toegevoegd in vorm van (mogelijk) een hotel en overige commercie. De ligging van het totale plangebied met de opdeling in verschillende fases is aangeduid op de kaart in figuur 2. Er wordt vooralsnog voornamelijk uitgegaan van Fase 1 en Fase 2. In figuur 3 is het huidige schetsontwerp weergegeven. Figuur 4 toont een impressie van de voorgenomen planontwikkeling.
Figuur 2: Overzicht van fases 1 t/m 4 van project Dijkkwartier te Den Helder.
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 7/55
Figuur 3: Huidig SO (d.d. 2022-05-09) van fases 1 t/m 4 van project Dijkkwartier te Den Helder.
Figuur 4: Impressie in vogelvlucht van fase 1 van project Dijkkwartier te Den Helder.
1.5
Voorgenomen werkzaamheden
De aanlegfase van de ontwikkeling Dijkkwartier beslaat meerdere jaren door de complexiteit en omvang van het project. De werkzaamheden per fase zijn op volgorde in het algemeen: •
Voorbereidingswerkzaamheden: · Sloop huidige bebouwing; · Inrichting werkterrein; · Overige werkzaamheden zoals: bomen kappen en verleggen kabels en leidingen.
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 8/55
•
•
• •
•
Dijkversterking: · Voorbereidende werkzaamheden zoals: verplaatsen van de beheerweg van de dijk en het opbreken van verhardingen; · Grondwerkzaamheden. Bouwrijp maken: · Voorbereidende werkzaamheden zoals: bouwwegen opbreken en indien nodig andere verhardingen verwijderen; · Aanbrengen grondophoging; · Aanbrengen riolering; · Aanbrengen bouwwegen; · Aanbrengen kabels en leidingen. Woonrijp maken: · Bouwblokken onderverdeeld. Bouwen: · Bouwblokken onderverdeeld; · Overige bouwwerken (Seasaw). Herinrichting Kanaalweg.
De werkzaamheden nemen in totaal circa 4-5 jaar per fase in beslag. De werkzaamheden hebben hierbij een overlap. Enkel fase 1 en fase 2 worden vooralsnog beschouwd.
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 9/55
2
Omgevingswet: Natura 2000-gebieden
2.1
Toetsingskader
De Natura 2000-gebieden zijn de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitattypen binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd vanuit een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Na aanwijzing van een gebied wordt door het ministerie Landbouw, Natuur en voedselkwaliteit (LNV) in het aanwijzingsbesluit benoemd welke natuurwaarden kwalificerend zijn, en worden op gebiedsniveau de instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor de betreffende habitattypen en/of soorten. In deze voortoets wordt getoetst of projecten of plannen negatieve gevolgen kunnen hebben voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor de soorten of habitattypen voor de betreffende Natura 2000-gebieden. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de beoordeling van de vergunningplicht voor projecten en de beoordeling van de mogelijkheid tot vaststelling van plannen. Bij projecten kan er sprake zijn van een ‘Natura 2000-activiteit'. Dit wil zeggen dat het project mogelijk significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Dit is vergunningsplichtig (art. 5.1, lid 1 Ow), tenzij er sprake is van een vergunningsvrij geval. De significantie van gevolgen wordt beoordeeld in een voortoets, Passende Beoordeling en/of ADC-toets.
Als uit de voortoets blijkt dat er geen sprake is van mogelijke significante gevolgen of wanneer er sprake is van een vergunningsvrij geval, kan er wel sprake zijn van ‘een activiteit die nadelige (maar zeker geen significante) gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied of bijzonder nationaal natuurgebied'. Voor Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden is een specifieke Zorgplicht opgenomen (art. 11.6 Bal). Iedereen die activiteiten uitvoert die negatieve gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden of bijzondere nationale natuurgebieden, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art.11.6, 1e lid Bal). Als uit de voortoets blijkt dat er sprake kan zijn van een ‘activiteit die nadelige (maar zeker geen significante) gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied of bijzonder nationaal natuurgebied’ en hiervoor geen vergunningplicht geldt, blijft de specifieke zorgplicht wel van toepassing. Om mogelijke nadelige gevolgen als gevolg van stikstofdepositie te beoordelen, is het gebruik van de AERIUS-calculator bij wet verplicht (artikel 4.15 Or). Voor een plan geldt dat deze mag worden vastgesteld als uit een Passende Beoordeling blijkt dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000gebied niet zal aantasten (art. 10.24 Bkl).
Is er ondanks mitigatie nog steeds sprake van een significant gevolg, dan kan een plan alleen worden vastgesteld als de ADC-toets met succes is doorlopen (art. 10.24, lid 2 en 3 Bkl). In bijlage 1 wordt het toetsingskader in meer detail beschreven.
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 10/55
2.2
Inventarisatie
Voor de inventarisatie van Natura 2000-gebieden is tot op 25 km1 afstand van het plangebied gekeken. Dit is ruim voldoende om effecten door eventuele externe werking te voldoende mee te nemen. Enkel effecten door stikstofdepositie kunnen verder reiken, echter is door de overheid gesteld dat effecten hiervan tot op 25 kilometer van de bron dienen te worden berekend en getoetst.2 Voor de inventarisatie van Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de Natura 2000-kaart, zoals deze beschikbaar is via het Nationaal Georegister. Uit deze gebiedendatabase blijkt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op een afstand van 50 meter ten noorden van het plangebied is gelegen. Dit betreft het Natura 2000-gebied ‘Waddenzee’. Dit gebied kent stikstofgevoelige habitattypen. Andere Natura 2000-gebieden liggen op een grotere afstand van het plangebied waarbij het Natura 2000-gebied Noorzeekustzone geen stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden kent. Een overzicht van de Natura 2000-gebieden binnen 25 kilometer afstand tot het plangebied is weergegeven in tabel 1. Deze en verder weg gelegen Natura 2000-gebieden zijn op de afbeelding in figuur 5 weergegeven.
Tabel 1. Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden
1 2
Natura 2000-gebied
Afstand tot plangebied
Waddenzee
50 meter
Duinen Den Helder-Callantsoog
1,9 kilometer
Noordzeekustzone
2,0 kilometer
Duinen en Lage Land Texel
3,5 kilometer
Zwanenwater & Pettermerduinen
15,0 kilometer
IJsselmeer
19,0 kilometer
Abtskolk & De Putten
23,8 kilometer
https://www.rijksoverheid.nl/actueel/ De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft 5 april 2023 in de tussenuitspraak ViA15 geoordeeld dat de rekenafstand van 25 kilometer bij individuele projecten aanvaardbaar is.
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 11/55
Figuur 5: Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden.
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 12/55
3
Voortoets
3.1
Inleiding
Het integrale plan bestaat in hoofdlijnen uit het versterken van de primaire waterkering en het bouwen van woningen op de versterkte waterkering. Het versterken van de primaire waterkering en het bouwen van woningen kan zowel tijdelijke als permanente negatieve gevolgen hebben op natuur. De werkzaamheden kunnen verschillende tijdelijke en permanente negatieve gevolgen hebben op natuur. Meest duidelijk is het verlies aan oppervlakte: waar woningen staan is geen natuur mogelijk. Door de aanleg kunnen ook migratieroutes van dieren verbroken worden of treedt versnippering op van een netwerk van natuurgebieden. In de aanlegfase kan sprake zijn van verstoring door geluid, licht, trillingen etc. Vaak wordt een gebied (tijdelijk) ontwatert om bouwwerkzaamheden te vergemakkelijken. Ook moet rekening worden gehouden met negatieve effecten door bouwverkeer. Als het integrale plangebied eenmaal in gebruik wordt genomen, kan er naast een permanente verandering in licht- en geluidsbelasting ook sprake van nevenactiviteiten zoals toenemende recreatie en toenemend wegverkeer, hetgeen een hogere druk kan leggen op de aanwezige natuurwaarden. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van Natura 2000-gebieden en maakt geen deel uit van het leefgebied voor kwalificerende habitat- en/of vogelrichtlijnsoorten van nabijgelegen Natura 2000-gebieden.
Wel is het plangebied in de directe nabijheid (ca 50 meter) van het Natura 2000-gebied ‘Waddenzee’ gelegen. Overige Natura 2000-gebieden liggen op een afstand van minimaal 1,9 kilometer of verder van het plangebied af. Effecten ten gevolge van de werkzaamheden en/of het gebruik, zoals verdroging, vernatting, optische-, licht- en geluidsverstoring, reiken maximaal tot enkele honderden meters ver. Deze kunnen vanwege de relatief grote afstand tot de Natura 2000gebieden (ca. 1,9 km of meer) – met uitzondering van de Waddenzee – op voorhand worden uitgesloten. Bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt zeer waarschijnlijk gebruik gemaakt van verschillend materieel dat gepaard gaat met stikstofemissie. Deze emissie kan zich vrij gemakkelijk via de lucht over grotere afstand verplaatsen en zodoende een toename veroorzaken in stikstofdepositie op diverse stikstofgevoelige habitattypen met instandhoudingsdoelstelling. Omdat effecten niet op voorhand zijn uit te sluiten wordt in onderstaande paragraaf nader ingegaan op de mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden.
3.2
Waddenzee
3.2.1
Inleiding
De Waddenzee bestaat uit een complex van diepe geulen en ondiep water met zand- en slibbanken waarvan grote delen bij eb droogvallen. Deze banken worden doorsneden door een fijn vertakt stelsel van geulen. Langs het vasteland en de eilanden liggen verspreid kweldergebieden, die door grote verschillen in vocht- en zoutgehalte bijdragen aan een zeer diverse flora en
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 13/55
vegetatie. Enkele voorbeelden hiervan zijn de Boschplaat op Terschelling en Neerlands Reid op Ameland, waar op de overgang naar het duingebied bijzondere kweldervegetaties aanwezig zijn. Er is een nagenoeg ongestoorde hydrodynamiek en geomorfologie aanwezig, waarin natuurlijke processen zorgen voor instandhouding en ontwikkeling van karakteristieke ecotopen en habitats en de grenzen van land en water voortdurend wijzigen. Het gebied is in 2007 in het estuarium van de Eems-Dollard met circa 4.153 ha uitgebreid. Hetzelfde gebied zal op korte termijn ook door Duitsland worden aangemeld. Het gebied is namelijk gelegen in het deel van het estuarium waarop beide landen aanspraak maken (www.natura2000.nl).
3.2.2
Mogelijke effecten
Om een indicatie te krijgen van mogelijke effecten op het Natura 2000-gebied ‘Waddenzee’ is gebruik gemaakt van de effectenindicator van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (synbiosys.alterra.nl). Omdat het plan zowel dijkversterking als woningbouw betreft is bij de toetsing van mogelijke effecten zowel de activiteit ‘kust- en dijkverbetering’ als de activiteit ’woningbouw’ gebruikt. Uit de effectenindicator blijkt niet dat een mogelijk verstorend effect op de beschermde gebieden een toename van stikstofdepositie is. Niet uit te sluiten is dat door de realisatie van de woningen de verkeersintensiteit zal toenemen ten opzichte van de oude situatie; het plan heeft mogelijk een zogenaamde ’verkeersaantrekkende werking’. Op basis van ’expert judgement’ zijn daarom de verstorende factoren ‘verzuring door stikstof uit de lucht’ en ‘vermesting door stikstof uit de lucht’ opgenomen. Uit de effectenindicator blijkt dat de volgende (gezamenlijke) verstorende effecten op het Natura 2000-gebied ‘Waddenzee’ kunnen optreden: • • • • • • • • • • • • • • •
Oppervlakteverlies (1) Versnippering (2) Verzuring door stikstof uit de lucht (3) Vermesting door stikstof uit de lucht (4) Verzoeting (5) Verontreiniging (7) Verdroging (8) Verzilting (9) Verandering overstromingsfrequentie (11) Verandering dynamiek substraat (12) Verstoring door geluid (13) Verstoring door licht (13) Verstoring door trilling (15) Optische verstoring (16) Verstoring door mechanische effecten (17)
3.2.3
Analyse van de mogelijke effecten het Natura 2000-gebied
In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van de effecten op de habitattypen en/of soorten. De selectie is uitgevoerd op gebied 'Waddenzee' en de activiteiten ‘Kust- en dijkverbetering’ en 'Woningbouw'. Effecten kunnen geclassificeerd worden in tijdelijke effecten (aanlegfase) en permanente effecten (gebruiksfase) op de instandhoudingsdoelstellingen voor
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 14/55
alle Natura 2000-gebieden binnen de reikwijdte van het effect alsmede directe effecten en indirecte effecten (‘externe werking’). Directe effecten Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van Natura 2000-gebieden. Gezien de ligging van het Natura 2000-gebied ‘Waddenzee’, ten opzichte van het plangebied, worden directe effecten zoals oppervlakteverlies en versnippering op voorhand uitgesloten. Van oppervlakteverlies van habitattypen en/of leefgebied van kwalificerende soorten in Natura 2000-gebieden is derhalve geen sprake. Indirecte effecten Indirecte effecten kunnen gezien de ligging van het plangebied tot het Natura 2000-gebied niet op voorhand worden uitgesloten. Licht, trillingen en geluid kunnen tot enkele honderden meters ver reiken. Effecten door externe werking zoals verstoring door geluid, licht, optische verstoring e.d. zijn dan ook, gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied ‘Waddenzee’, niet op voorhand uit te sluiten. Binnen het gebied komen stikstofgevoelige habitats voor waardoor effecten door een eventuele toename aan stikstofdepositie niet op voorhand zijn uit te sluiten. Voor de overige Natura 2000-gebieden is, gezien de afstand van het plangebied tot deze gebieden, alleen een mogelijke toename aan stikstofdepositie van belang.
Onderstaand is voor het Natura 2000-gebied ‘Waddenzee’ per op te treden effect beoordeeld of dit effect daadwerkelijk van toepassing is of niet.
3.2.4
Oppervlakteverlies (1)
Kenmerk Afname beschikbaar oppervlak leefgebied soorten en/of habitattypen. Interactie andere factoren Verlies van oppervlakte leidt tot verkleining en in sommige gevallen ook tot versnippering van het leefgebied (zie punt 2). Een kleiner gebied heeft bovendien meer te leiden van randinvloeden: vaak is de kwaliteit van het leefmilieu aan de rand minder goed dan in het centrum van het gebied. Op deze manier leidt verlies oppervlakte mogelijk ook tot een grotere gevoeligheid voor bijvoorbeeld verdroging, verzuring of vermesting. Werking Door afname van het beschikbare oppervlak neemt ook het aantal individuen van een soort af. Om duurzaam te kunnen voortbestaan moet elke soort uit een minimum aantal individuen bestaan; bij diersoorten wordt meestal van een minimum aantal paartjes (reproductieve eenheden) gesproken. Wanneer een populatie te klein wordt neemt de kans op uitsterven toe, zeker als deze populatie geen onderdeel uitmaakt van een samenhangend netwerk van leefgebieden. Bij een populatie die uit te weinig individuen bestaat, neemt ook de kans op inteelt toe en dus de genetische variatie af. Hierdoor wordt een populatie kwetsbaar voor veranderingen ten gevolge van bijvoorbeeld predatie, extreme seizoensinvloeden of ziekten. Ook habitattypen kennen een ondergrens voor een duurzame oppervlakte. Planeffect Het plangebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied.
Effecten door een afname van oppervlakteverlies zijn op voorhand uitgesloten. Door indirecte
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 15/55
effecten, zoals verstoring door geluid, kan ook sprake zijn van een afname van beschikbaar oppervlak van soorten. In paragraaf 3.2.14 wordt hier nader op ingegaan.
3.2.5
Versnippering (2)
Kenmerk Van versnippering is sprake bij het uiteenvallen van het leefgebied van soorten. Interactie andere factoren Treedt op ten gevolge van verlies leefgebied of verandering in abiotische condities van het leefgebied. Kan leiden tot verandering in populatiedynamiek. Gevolg Als het leefgebied niet meer voldoende groot is voor een populatie, of individuen van één populatie kunnen de verschillende leefgebieden niet meer bereiken, neemt de duurzaamheid van de populatie af. Een gevolg kan zijn een verandering op in de soortensamenstelling en het ecosysteem. Soorten zijn in verschillende mate gevoelig voor de versnippering van hun leefgebied. Het meest gevoelig zijn soorten met een gering verspreidingsvermogen, soorten die zich over de grond bewegen en soorten met een grote oppervlaktebehoefte. Versnippering door barrières zoals wegen en spoorlijnen leidt mogelijk ook tot sterfte van individuen en kan zo effect hebben op de populatiesamenstelling. Bij versnippering moet men altijd goed rekening houden met het schaalniveau van het populatienetwerk. Planeffect Het plangebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied. Effecten door versnippering zijn op voorhand uitgesloten. Door indirecte effecten, zoals verstoring door geluid, kan sprake zijn van het uiteenvallen van een leefgebied van soorten. In paragraaf 3.2.14 wordt hier nader op ingegaan.
3.2.6
Verzuring door stikstof uit de lucht (3)
Kenmerk Verzuring van bodem of water is een gevolg van de uitstoot (emissie) van stikstof: stikstofoxide (NOx) en ammoniak (NH3). Deze verzurende stoffen komen via lucht of water in de grond terecht en leiden aldus tot het zuurder worden van het biotische milieu. De belangrijkste bronnen van verzurende stoffen zijn de landbouw, het verkeer en de industrie. Interactie andere factoren De effecten van verzurende stoffen zijn niet altijd te scheiden van die van vermestende stoffen, omdat een deel van de verzurende stoffen ook vermestend werkt (aanvoer van stikstof). Gevolg Verzuring leidt tot een directe of indirecte afname van de buffercapaciteit (het neutralisatievermogen) van bodem of water. Op termijn resulteert dit proces in een daling van de zuurgraad. Hierdoor zullen voor verzuring gevoelige soorten verdwijnen, wat kan resulteren in een verandering van het habitattype en daarmee mogelijk het verdwijnen van typische (dier)soorten, zoals bijvoorbeeld amfibieën en reptielen die voor hun voortplanting afhankelijk zijn van waterlichamen.
Let op! Verzuring kan ook optreden ten gevolgen uitstoot van zwaveldioxide (SO2), en vluchtige organische stoffen (VOS). De effecten hiervan zijn niet meegenomen in deze beoordeling van de effectenindicator, in verband met een betere aansluiting op de PAS-gegevens voor stikstofgevoelige habitattypen en soorten met stikstofgevoelige leefgebieden. Zie ook het updaterapport op de hoofdpagina van de effectenindicator.
Planeffect Bij de uitvoering van de werkzaamheden zal mogelijk materieel ingezet worden
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 16/55
dat gepaard kan gaan met stikstofemissie. Tevens heeft het plan mogelijk een verkeersaantrekkende werking hebben waardoor meer vervoersbewegingen ontstaan, wat gepaard kan gaan met stikstofemissie. Deze emissie kan zich verplaatsen over grote afstand en zodoende resulteren in stikstofdeposities in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Effecten door stikstofdepositie zijn niet op voorhand uit te sluiten. Om inzicht te krijgen in mogelijke stikstofdeposities is het uitvoeren van een AERIUS-berekening nodig. Als uit de berekening blijkt dat een (tijdelijke) toename van stikstofdepositie optreedt moet een ecologische beoordeling worden uitgevoerd om te bepalen of negatieve effecten optreden op stikstofgevoelige habitats. Inmiddels zijn deze berekeningen uitgevoerd. Door Sweco is in april 2024 een AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de aanleg- als gebruiksfase. Uit de berekeningen, zie notitie “Onderzoek stikstofdepositie Dijkkwartier, Den Helder” (Sweco, 2024), blijkt dat zowel in de aanleg- als gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie is van >0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebieden optreedt, op basis van de gehanteerde uitgangspunten. Negatieve effecten door een tijdelijke als permanente toename van stikstofdepositie is op voorhand uit te sluiten.
3.2.7
Vermesting door stikstof uit de lucht (4)
Kenmerk Vermesting is in dit geval de 'verrijking' van ecosystemen door stikstofdepositie. Het gaat daarbij om aanvoer door de lucht (droge en natte neerslag van ammoniak en stikstofoxiden). Interactie andere factoren Stoffen die leiden tot vermesting kunnen ook leiden tot verzuring. Vermesting (en verzuring) kunnen op hun beurt leiden tot verontreiniging van het oppervlakte- en grondwater. Gevolg De groei in veel natuurlijke landecosystemen zoals bossen, vennen en heidevelden worden gelimiteerd door de beschikbaarheid van stikstof. Het gevolg van stikstof depositie is dat deze extra stikstof extra groei geeft. Daarbij is de beschikbaarheid van stikstof bepalend voor de concurrentieverhoudingen tussen de plantensoorten. Als de stikstofdepositie boven een bepaald kritisch niveau komt, neemt een beperkt aantal plantensoorten sterk toe ten koste van andere plantensoorten. Dit heeft ook effect op de fauna doordat hierdoor verandering van het leefgebied optreden, waardoor een gebied ongeschikt wordt als bijvoorbeeld broed- of foerageergebied. Planeffect Bij de uitvoering van de werkzaamheden zal mogelijk materieel ingezet worden dat gepaard kan gaan met stikstofemissie. Tevens heeft het plan mogelijk een verkeersaantrekkende werking hebben waardoor meer vervoersbewegingen ontstaan, wat gepaard kan gaan met stikstofemissie.
Let op! Vermesting kan ook optreden door nitraat- en fosfaataanvoer via het oppervlaktewater. De effecten hiervan zijn niet meegenomen in deze beoordeling van de effectenindicator, in verband met een betere aansluiting op de PAS-gegevens voor stikstofgevoelige habitattypen en soorten met stikstofgevoelige leefgebieden. Zie ook het update-rapport op de hoofdpagina van de effectenindicator.
Deze emissie kan zich verplaatsen over grote afstand en zodoende resulteren in stikstofdeposities in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Effecten door stikstofdepositie zijn niet op voorhand uit te sluiten. Om inzicht te krijgen in mogelijke stikstofdeposities is het uitvoeren van een AERIUS-berekening nodig. Als uit de berekening blijkt dat een (tijdelijke) toename van stikstofdepositie optreedt moet een ecologische beoordeling worden uitgevoerd om te bepalen of negatieve effecten optreden op stikstofgevoelige habitats. Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 17/55
Door Sweco is in april 2024 een AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de aanleg- als gebruiksfase. Uit de berekeningen, zie notitie “Onderzoek stikstofdepositie Dijkkwartier, Den Helder” (Sweco, 2024), blijkt dat zowel in de aanleg- als gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie is van >0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebieden optreedt, op basis van de gehanteerde uitgangspunten. Negatieve effecten door een tijdelijke als permanente toename van stikstofdepositie is op voorhand uit te sluiten.
3.2.8
Verzoeting (5)
Kenmerk Verzoeting treedt op als het chloridegehalte in het water afneemt, en niet meer geschikt is voor de beoogde zoute of brakke natuurtypen. Interactie andere factoren Verzoeting treedt meestal op ten gevolge van vernatting of, zoals in het Deltagebied, door het afsluiten van zeearmen. In (voormalig) brakke of zoute wateren leidt verzoeting tot vermesting. Gevolg Het steeds zoeter worden van bijvoorbeeld het Oostvoornse meer heeft gevolgen voor de flora en fauna in het meer. Bepaalde soorten zullen verdwijnen terwijl nieuwe soorten zich zullen vestigen. Door de verzoeting zal de brakwatervegetatie verdwijnen. Dit heeft tot gevolg dat door het afsterven van algen en wieren een verslechtering van de waterkwaliteit kan optreden. Verder kan door verzoeting de gevoeligheid voor eutrofiëring sterk toenemen. Naast verandering van vegetatie zal bij een verdere verzoeting ook de macrofauna- en visstandsamenstelling veranderen. Planeffect Binnen het plangebied zijn geen wateren aanwezig die worden afgedamd. In verband met de afwezigheid van kwel, zie de notitie ‘Waterberging en watercompensatie Dijkkwartier te Den Helder (Sweco, 2022), zal door het plan er geen veranderende kwel optreden waardoor negatieve effecten op voorhand zijn uitgesloten.
3.2.9
Verontreiniging (7)
Kenmerk Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, welke stoffen onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling (radioactief en niet radioactief), geneesmiddelen, endocrien werkende stoffen etc. Deze stoffen werken in op de bodem, grondwater, lucht. Interactie andere factoren Geen directe interactie met andere factoren. Wel kan verontreiniging als gevolg van andere factoren optreden. Gevolg Vrijwel alle soorten en habitattypen reageren op verontreiniging. De ecologische effecten uiten zich in het verdwijnen van soorten en/of het beïnvloeden van gevoelige ecologische processen. Deze beïnvloeding kan direct plaatsvinden maar ook indirect via een opeenvolging van ecologische interacties. Bovendien Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 18/55
kan verontreiniging zich pas vele jaren/decennia later manifesteren. De gevolgen van verontreiniging zijn divers en complex. In het algemeen kan gesteld worden dat aquatische habitattypen en soorten gevoeliger zijn dan terrestrische systemen. Ook geldt dat soorten in de top van de voedselpiramide, als gevolg van accumulatie, van verontreinigingen gevoeliger zijn. Echter, afhankelijk van de concentratie en duur van de verontreiniging zijn alle habitattypen en soorten gevoelig en kan verontreiniging leiden tot verandering van de soortensamenstelling. Planeffect Het plangebied zal niet worden ontwikkeld tot industriegebied, maar tot een gebied met woningen. Zowel bij de ontwikkeling als de in gebruik name van de woningen worden geen verontreinigende stoffen gebruikt waardoor negatieve effecten op voorhand zijn uitgesloten.
3.2.10 Verdroging (8) Kenmerk Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel. De actuele grondwaterstand is zo lager dan de gewenste/benodigde grondwaterstand. Interactie andere factoren Verdroging kan tevens leiden tot verzilting. Door verdroging neemt ook de doorluchting van de bodem toe waardoor meer organisch materiaal wordt afgebroken. Op deze wijze leidt verdroging tevens tot vermesting. Er zijn ook gebieden waar verdroging kan optreden zonder dat de grondwaterstand in de ondiepe bodem daalt. Het gaat daarbij om gebieden waar van oudsher grondwater omhoogkomt. Dit water heet kwelwater. Kwelwater is water dat elders in de bodem is geïnfiltreerd en dat naar het laagste punt in het landschap stroomt. Kwelwater heeft dikwijls een bijzondere samenstelling: het is rijk aan ijzer en calcium, arm aan voedingsstoffen en niet zuur, maar gebufferd. Schade aan de natuur die veroorzaakt wordt door een afname of het verdwijnen van kwelwater en het vervangen van dit type water met gebiedsvreemd water, noemen we ook verdroging. Gevolg De verandering in grondwaterstand en soms ook kwaliteit van het grondwater leidt tot een verandering in de soortensamenstelling en op lange termijn van het habitattype. Planeffect Het is niet noodzakelijk dat de grondwaterstand wordt verlaagd aangezien de ontwikkeling in reeds bestaand bebouwd gebied zal worden gerealiseerd.
Voor de ontwikkeling van de woningbouw wordt de grondwaterstand niet verlaagd. Hoewel de waterkering aan de binnenzijde met circa 5 meter wordt verhoogd, waardoor er meer druk op de ondergrond zal optreden wat mogelijk kan leiden tot een afname van kwel, is dit niet aan de orde omdat in het plangebied geen kwel aanwezig is. In verband met de afwezigheid van kwel, zie de notitie ‘Waterberging en watercompensatie Dijkkwartier te Den Helder (Sweco, 2022), zal door het plan er geen veranderende (afname) kwel optreden; negatieve effecten zijn dan ook op voorhand zijn uitgesloten. Ook zal de grondwaterstand ten behoeve van het plan niet worden gewijzigd.
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 19/55
3.2.11 Vernatting (9) Kenmerk Vernatting manifesteert zich in hogere grondwaterstanden en/of toenemende kwel veroorzaakt door menselijk handelen. Interactie andere factoren Vernatting kan leiden tot verzoeting en verandering van de waterkwaliteit, bijvoorbeeld als gevolg van inlaat van gebiedsvreemd water. Gevolg Vernatting is een storende factor voor vegetatietypen en soorten die van nature onder drogere omstandigheden voorkomen. Vernatting grijpt in op de bodem- of watercondities. Bij verdergaande vernatting kan een gebied ongeschikt worden voor planten en dieren en zo leiden tot een verandering in de soortensamenstelling en uiteindelijk het habitattype. Planeffect Voor het plan is het niet noodzakelijk om de grondwaterstand te verhogen waardoor vernatting binnen het plangebied optreedt. Hoewel de waterkering aan de binnenzijde met circa 5 meter wordt verhoogd, waardoor er meer druk op de ondergrond zal optreden wat mogelijk kan leiden tot een verandering van kwel, is dit niet aan de orde omdat in het plangebied geen kwel aanwezig is. In verband met de afwezigheid van kwel, zie de notitie ‘Waterberging en watercompensatie Dijkkwartier te Den Helder (Sweco, 2022), zal door het plan er geen veranderende (toename) kwel optreden; negatieve effecten zijn dan ook op voorhand zijn uitgesloten.
3.2.12 Verandering overstromingsfrequentie (11) Kenmerk De duur en/of frequentie van de overstroming van beken en rivieren verandert door menselijke activiteiten. Interactie met andere factoren Overstromingen zijn van invloed op de vochttoestand, de zuurgraad, de voedselrijkdom en het zoutgehalte van een gebied. Gevolg Voor een voedselarme vegetatie bijvoorbeeld leidt een toenemende overstroming met voedselrijk water tot vermesting: verrijking van de bodem en daardoor verruiging van de vegetatie. Bij boezemlanden die regelmatig worden overstroomd leidt een afname van de overstromingsfrequentie tot verzuring van de bodem, waardoor basenminnende plantensoorten kunnen verdwijnen. Langdurige overstroming kan leiden tot zuurstofgebrek in de wortels van planten waardoor planten kunnen afsterven. Uiteindelijk grijpt een verandering in de overstromingsdynamiek zo in op de soortensamenstelling. Planeffect Binnen het plangebied zijn geen gebieden aanwezig die overstromen, zie de notitie ‘Waterberging en watercompensatie Dijkkwartier te Den Helder (Sweco, 2022). Negatieve effecten zijn dan ook op voorhand uitgesloten.
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 20/55
3.2.13 Verandering dynamiek substraat (12) Kenmerk Er treedt een verandering op in de bodemdichtheid of bodemsamenstelling van terrestrische of aquatische systemen, bijvoorbeeld door aanslibbing of verstuiving. Interactie andere factoren Verandering overstromingsdynamiek, verandering mechanische effecten. Gevolg Verandering van dynamiek van het substraat kan leiden tot verandering van de abiotische randvoorwaarden waardoor levensgemeenschappen kunnen veranderen. Dynamiek van het substraat is bijvoorbeeld van belang voor droge pioniervegetaties in de duinen en stuifzanden, of voor mosselbanken in de Waddenzee. Planeffect Het plan vindt plaats binnen bebouwd gebied. Door het plan zal geen verandering in de bodemdichtheid of bodemsamenstelling van terrestrische of aquatische systemen optreden. Negatieve effecten zijn dan ook op voorhand uitgesloten.
3.2.14 Verstoring door geluid (13) Kenmerk Verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen; permanent zoals geluid wegverkeer of tijdelijk zoals geluidsbelasting bij evenementen. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. Interactie andere factoren Treedt vaak samen met visuele verstoring op door bijv. vlieg- en autoverkeer, manifestaties etc. Gevolg Logischerwijs zijn alleen diersoorten gevoelig voor direct effecten van geluid. Geluid sec is een belangrijke factor in de verstoring van fauna. De verstoring door geluid wordt beïnvloed door het achtergrondgeluid en de duur, frequentie en sterkte van de geluidsbron zelf. Geluidsbelasting kan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen. Dit kan vervolgens weer leiden tot het verlaten van het leefgebied of bijvoorbeeld een afname van het reproductieproces. In bepaalde gevallen kan ook gewenning optreden, in het bijzonder bij continu geluid. Voor zeezoogdieren en vogels is in bepaalde gevallen deze dosis-effect relatie goed gekwantificeerd. Planeffect Bovenwatergeluid is tot op enkele honderden meters hoorbaar. Of geluid tot op deze afstand hoorbaar is, is afhankelijk van de barrières, zoals bomen/bosschages, gebouwen e.d. Onderwatergeluid gedraagt zich heel anders dan bovenwatergeluid.
Onder water verplaatst geluid zich 4,5 keer sneller dan in lucht waardoor geluid onder water veel verder doordringt dan boven water. Hoe ver hangt af van waterdiepte en type zeebodem, watertemperatuur en zoutgehalte. Ook verschilt de geluidsintensiteit onder en boven water. Het plangebied wordt deels achter en deels op de versterkte waterkering gebouwd waardoor de nieuwe waterkering niet als volledige barrièrewerking zal
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 21/55
fungeren voor bovenwatergeluid. Effecten door geluid zijn niet op voorhand uit te sluiten. Bovenwatergeluid Het deel van de Waddenzee dat nagenoeg grenst aan het plangebied bevat geen droogvallende delen, maar betreft een (diepe) vaargeul naar de (marine)haven van Den Helder. Vogels Verstoring door vogels die aangewezen zijn als soort behorende bij het Natura 2000-gebied, zoals eider en topper, komen dan ook niet of nauwelijks voor in het plangebied. De voedselgebieden van de eider zijn de schelpenbanken in ondiepe wateren van de kust (litoraal en sublitoraal), vooral de schelpenbanken in permanent onder water staande delen van de Waddenzee en op droogvallende platen. Dergelijke gebieden zijn niet in de directe omgeving van het plangebied aanwezig. Belangrijke gebieden waar de eider verblijft zijn in onderstaande kaart weergegeven.
Figuur 7. Verspreidingskaart eider (niet-broedvogel)
Het leefgebied van de topper bestaat uit grote zoete wateren en zoute kustwateren. In Nederland komt de soort beperkt voor in het IJsselmeergebied en in de westelijke Waddenzee. De topper zoekt zijn voedsel (benthos) in de onderwaterbodem en is gespecialiseerd op tweekleppigen. In de Waddenzee foerageert de topper op gewone mosselen, kokkels en andere schelpdieren. Belangrijke gebieden waar de topper verblijft zijn in onderstaande kaart weergegeven.
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 22/55
Figuur 8. Verspreidingskaart topper (niet-broedvogel)
SOVON heeft de hoogwatervluchtplaatsen in de Waddenzee in kaart gebracht. Hieruit blijkt dat de dichtstbijzijnde hoogwatervluchtplaats, Razende Bol, op circa 3 km afstand van het plangebied ligt, zie hieronder.
Figuur 9. Ligging hoogwatervluchtplaatsen voor vogels (bruine gebieden, wadkanovaren.nl).
Zoogdieren De dichtstbijzijnde zeehondenrustgebieden liggen op een afstand van minimaal 3,5 km afstand van het plangebied, zie figuur hieronder. Gezien de grote afstand tot de rustgebieden van zeehonden, treden geen effecten op deze gebieden op.
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 23/55
Figuur 10. Zeehondenrustplaatsen (gestippelde gebieden, wadkanovaren.nl)
Om inzichtelijk te krijgen wat de geluidsbelasting op de directe omgeving zal zijn is een geluidsonderzoek uitgevoerd (Sweco, 2023) naar zowel de aanlegfase als gebruiksfase. Uit dit onderzoek blijkt het volgende. Aanlegfase De 40 dB(A) contour van het totale sloop- en bouwlawaai ligt op circa 1,3 km afstand van het plangebied. Ter hoogte van hoogwatervluchtplaats Razende Bol en Texel is de geluidbelasting lager dan 30 dB(A). Het geluid van de heiwerkzaamheden zijn ruimschoots maatgevend voor het gehele sloop- en bouwlawaai: zonder de heiwerkzaamheden bedraagt de geluidbelasting bij de Razende Bol op circa 20 dB(A), ruimschoots lager dan 30 dB(A).
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 24/55
Gebruiksfase De geluidcontouren onderstaand weergegeven van de personenauto’s in de gebruiksfase. De 40 dB contour ligt ter hoogte van de dijk. Ter hoogte van de hoogwatervluchtplaats Razende Bol en Texel is de geluidbelasting verwaarloosbaar laag (<10 dB).
Uit bovenstaande blijkt dat er geen toename is aan geluid in zowel de aanlegfase als gebruiksfase. Effecten op aanwezige natuurwaarden worden dan ook uitgesloten. Onderwatergeluid Er wordt onderscheid gemaakt tussen continu onderwatergeluid en impulsonderwatergeluid. Continu onderwatergeluid is een geluid dat voortdurend aanhoudt. Bronnen die continu onderwatergeluid veroorzaken zijn bijvoorbeeld: • Scheepsmotoren • Draaiende windturbines Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 25/55
Impuls-onderwatergeluid is een korter en intenser geluid. Het ontstaat bijvoorbeeld door: • Heiwerkzaamheden • Het zoeken naar olie en gas in de bodem met behulp van explosies (‘seismiek’) • Het ruimen van explosieven Mitigerende maatregelen die genomen kunnen worden om impulsgeluid en de effecten daarvan te verminderen zijn bijvoorbeeld: • Geluidsarm en trillingsvrij heien. • Het heigeluid kan gedempt worden, bijvoorbeeld door het gebruik van bellenschermen. • Dieren kunnen worden weggejaagd, met het gebruik van zogeheten ’pingers’ die een geluid uitzenden waar zeezoogdieren niet van houden. Ook kan er langzaam worden begonnen met zachtere klappen, zodat dieren op tijd kunnen vluchten.
Figuur 11. Door middel van bellenschermen rond de hei-locatie wordt het geluid gedempt.
In tegenstelling tot visuele stimuli, waarbij de lichtsterkte snel afneemt naarmate de diepte toeneemt of de hoeveelheid zwevend stof toeneemt, en olfactorische stimuli die alleen stroomafwaarts van de bron kunnen worden waargenomen (Fine & Parmentier, 2015; Spinks et al. 2017; Popper en Hawkins, 2019), kan geluid onder water snel, in alle richtingen en over grote afstanden belangrijke informatie overbrengen (Rogers en Cox, 1988). Geluid is hiermee de meest betrouwbare stimuli voor vissoorten (Tavolga, 1971; Van Opzeeland et al. 2007; Popper en Hawkins, 2019) en speelt een sleutelrol in de levenscycli en overlevingsstrategieën van vissen (Montgomery et al., 2006; Bass en Ladich, 2008; Bass et al. 2015; Putland et al. 2019). In de larvale stadia zijn de gehoormechanismen reeds volledig ontwikkeld (Leis et al. 2011). Geluid wordt door vissen gebruikt voor het detecteren van predatoren en prooien, het vermijden en detecteren van objecten, schoolvorming, reotaxis, habitatselectie en communicatie (Fay en Popper, 2000; Van der Sluijs et al. 2011).
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 26/55
Ook van veel zeezoogdieren is bekend dat ze voor de communicatie met soortgenoten, navigatie en het foerageren afhankelijk zijn van geluid. Tandwalvissen, zoals de in het Marsdiep aanwezige bruinvis, staan bekend om de brede range aan geluiden (“clicks”) waarvan ze gebruik maken. Ook zeehonden produceren onder water een breed scala aan geluiden om met soortgenoten te communiceren (Kleijn, 2008). Mogelijke nadelige ecologische effecten van geluid onder water Heiwerkzaamheden in en nabij water produceren relatief laagfrequente, kortdurende geluiden (impulsgeluiden) met zeer hoge geluidsniveaus (Van Opzeeland et al. 2007). Onderzoek naar de effecten van geluid veroorzaakt door heiwerkzaamheden in en nabij water heeft uitgewezen dat de lage frequenties en hoge geluidsniveaus leiden tot gasontwikkeling in de ogen en bloedvaten van vissen. Dit leidde tot embolie en het barsten van de bloedvaten met inwendige bloedingen tot gevolg (Hastings & Popper, 2005). Op korte afstand van de heiwerkzaamheden trad sterfte op. Op grotere afstanden veroorzaakte blootstelling scheuren in de zwemblaas. Gedetailleerde gegevens met betrekking tot de relatie tussen de afstand tot de geluidsbron en veroorzaakte fysieke schade ontbreken.
Tot slot kunnen gehoororganen van vissen beschadigen bij blootstelling aan impulsgeluiden (McCauley, 2003), hetgeen de overlevingskansen kan beïnvloeden aangezien vissen niet meer in staat zijn akoestische signalen uit de omgeving van prooi, predatoren en soortgenoten waar te nemen. Antropogeen geluid dat tot in het Marsdiep doordringt kan mogelijk de communicatie tussen zeezoogdieren verstoren. Daarnaast kan geluid onder water leiden tot gedragsverandering. Bij onderzoek naar de effecten van onderwatergeluid op zeezoogdieren bleven bruinvissen en zeehonden op grotere afstand van de geluidsbron en verdubbelde de frequentie van echolocatieclicks van bruinvissen wanneer een geluidssimulatie werd afgespeeld (Koschinski, 2003). Gewone zeehonden lijken locaties met een hoge geluidsbelasting (>107 dB re 1 µPa) te vermijden (Kastelein et al. 2006). Meerdere onderzoeken naar de effecten van heiwerkzaamheden op het gedrag van bruinvissen laten zien dat deze de nabije omgeving van de geluidsbron vermijden (Tougaard et al. 2009; Brandt et al. 2011; Dähne et al. 2013; Thompson et al. 2013; Haelters et al. 2015; Nabe-Nielsen et al. 2018; Graham et al. 2019). Naast verstoring kan onderwatergeluid ook leiden tot fysieke schade bij zeezoogdieren. Blootstelling aan geluid kan resulteren in tijdelijke of permanente gehoorbeschadiging en veranderde gehoordrempels (Nowacek et al. 2007).
De mate van verstoring of schade hangt af van de gehoorrange van de verschillende soorten, de geluidsdruk en de blootstellingsduur. Omgevingsgeluid dat niet binnen de gehoorrange van de soorten valt zal minder waarschijnlijk leiden tot verstoring of schade. Wanneer de geluidsniveau echter hoog is, of langdurige blootstelling optreedt kan alsnog fysieke beschadiging optreden. Om negatieve effecten op mariene fauna te voorkomen worden de werkzaamheden geluidsarm en trillingsvrij uitgevoerd waardoor geen negatieve effecten optreden op mariene fauna.
3.2.15 Verstoring door licht (14) Kenmerk Verstoring door kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en industrieterreinen, glastuinbouw etc.
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 27/55
Interactie andere factoren Geen? Gevolg Kunstmatige verlichting van de nachtelijke omgeving kan tot verstoring van het normale gedrag van soorten leiden. Naar mogelijke effecten is nog vrij weinig onderzoek gedaan. Veel kennis gaat daarom nog niet verder dan het kwalitatief signaleren van risico’s. Met name schemer- en nachtactieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, doordat zij juist aangetrokken worden of verdreven door de lichtbron. Hierdoor raakt bijvoorbeeld hun ritme ontregeld of verlichte delen van het leefgebied worden vermeden. Planeffect In de memo Effecten Lichtuitstraling Dijkkwartier op de Waddenzee (Sweco, 2023) is een analyse gemaakt van de lichtuitstraling van Dijkkwartier op de omgeving, waaronder de Waddenzee. Licht is tot op enkele tientallen tot honderden meters zichtbaar. Of licht tot op deze afstand zichtbaar is, is afhankelijk van de barrières, zoals bomen/bosschages, gebouwen e.d. In de aanlegfase worden werkzaamheden aan en op de primaire waterkering uitgevoerd. Tijdens de werkzaamheden wordt zo min mogelijk licht gebruikt, en er wordt voornamelijk overdag gewerkt. Indien het gebruik van licht noodzakelijk is, wordt alleen het gebied waar werkzaamheden worden uitgevoerd verlicht. Hierbij wordt gebruik gemaakt van aangepaste armaturen en/of gerichte verlichting (led).
Hiermee wordt uitstraling naar de Waddenzee voorkomen en treden geen significante effecten op. Het plangebied wordt achter en op de versterkte waterkering gebouwd waarbij de bebouwing deels boven de dijk uit zal komen waardoor de dijk niet als volledige barrièrewerking zal fungeren. In de huidige situatie is het plangebied reeds verlicht. In de directe omgeving van het plangebied staan reeds hoge gebouwen met lichtuitstraling (Kanaalweg 329-347). De rest van Den Helder straalt ook licht uit richting de Waddenzee in de gebruiksfase. In de memo Lichtuitstraling is geconstateerd dat er geen significante effecten wat betreft lichtuitstraling door het plan Dijkkwartier. Ten opzichte van de huidige lichtemissies (0,2-2,5 Lux – RIVM, 2021) neemt de emissie door het plan Dijkkwartier niet/nauwelijks toe (<0,01 Lux) ter hoogte van de Waddenzee. Zie ter onderbouwing onderstaand figuur.
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 28/55
Figuur 12. Lichtuitstraling van Dijkkwartier op de omgeving.
3.2.16 Verstoring door trilling (15) Kenmerk Er is sprake van trillingen in bodem en water als dergelijke trillingen door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals bij boren, heien, draaien van rotorbladen etc. Interactie andere factoren Kan vooral samen optreden met verstoring door geluid. Gevolg Trilling kan leiden tot verstoring van het natuurlijke gedrag van soorten. Individuen kunnen tijdelijk of permanent verdreven worden uit hun leefgebied. Over het daadwerkelijke effect van trilling is nog zeer weinig bekend. Naar het effect op zeezoogdieren is wel onderzoek verricht. Planeffect Trillingen zijn tot op enkele honderden meters voelbaar. Of trillingen tot op deze afstand voelbaar zijn, is afhankelijk van bijvoorbeeld de soort bodem. Voor het plan is het noodzakelijk dat er geheid wordt. Uitgangspunt is dat er geluidsarm en trillingsvrij geheid wordt. Uit literatuur blijkt dat over een afstand van meer dan 50 meter er geen hinder meer ondervonden zal worden van trillingen als gevolg van heien. Hoewel de afstand tot het Natura 2000-gebied beperkt is, ca 50 meter, zijn de trillingen door heiwerkzaamheden niet meer merkbaar zijn over deze afstand. De heiwerkzaamheden zijn de meest verstorende werkzaamheden in de aanlegfase. De overige werkzaamheden, zoals
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024
Versie D1 29/55
grondverzet en vrachtverkeer, leveren aanzienlijk minder trillingen op. In de gebruiksfase zal er geen toename aan trillingen zijn. Significante effecten door trillingen zijn dan ook uit te sluiten.
3.2.17 Optische verstoring (16) Kenmerk Optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. Interactie andere factoren Treedt vaak samen op met verstoring door geluid (in geval van recreatie) of trilling en licht (in geval van voertuigen, schepen). Gevolg Optische verstoring leidt vooral tot vluchtgedrag van dieren. De soort reageert bijvoorbeeld op beweging omdat een potentiële vijand wordt verwacht. Andersom kan optische verstoring juist ook het uitzicht van soorten beperken waardoor zij potentiële vijanden niet zien naderen. De daadwerkelijke effecten zijn zeer soortspecifiek en hangen van de schuwheid van de soort en de mate waarin gewenning optreedt. Bovendien kunnen de effecten afhankelijk zijn van de periode van de levenscyclus van de soort: in de broedtijd zijn soorten over het algemeen schuwer en dus gevoeliger voor optische verstoring. Planeffect SOVON heeft de hoogwatervluchtplaatsen in de Waddenzee in kaart gebracht, zie hieronder. Hieruit blijkt dat het dichtstbijzijnde geschikte gebied op circa 3 km afstand van het plangebied ligt.
Figuur 13. Ligging hoogwatervluchtplaatsen voor vogels (bruine gebieden, wadkanovaren.nl)
Uit de verderop uitgevoerde beeldanalyse blijkt dat op een afstand van 1.000 meter er zo goed als geen bebouwing meer zichtbaar is. Effecten op hoogwatervluchtplaatsen zijn dan ook uitgesloten. In de aanlegfase worden werkzaamheden aan en op de primaire waterkering uitgevoerd en zal materieel op de kruin van de dijk werken. Zoals eerder aangegeven bevinden zich nabij het plangebied geen geschikt leefgebied voor
Sweco | Voortoets, inclusief beoordeling stikstofdepositie, Dijkkwartier in Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 09-04-2024