Bestemmingsplan Doggersvaart 2, 2a en 4_vastgesteld_1_Toelichting-gecomprimeerd.pdf
Tekst van het document
25
Bestemmingsplan Doggersvaart 2, 2a en 4 vastgesteld
gemeente zet in op de realisatie van 1500 nieuwe woningen tot 2030, die grotendeels binnenstedelijk, en dus dichtbij bestaande voorzieningen, worden gerealiseerd. De gemeente zet in op aantrekkelijke woonomgevingen, met woningen die goed passen in de bestaande omgeving en een kwalitatief goede openbare ruimte. Een aantal ontwikkelingen wil de gemeente bovendien op unieke locaties realiseren, zoals bovenop een verbrede en klimaatrobuuste Helderse Zeewering, met uitzicht op de Waddenzee, of aan het unieke erfgoed van De Stelling Den Helder. Daarnaast zet de gemeente in op de kwaliteit van bestaande (woon)omgevingen. De gemeente stimuleert eigenaren om te investeren in de kwaliteit en duurzaamheid van hun woning, onder andere met kennis, subsidies en collectieve inkoopacties. In de openbare ruimte zet de gemeente er op in om buurt voor buurt groot onderhoud aan te grijpen om extra te investeren in de kwaliteit hiervan. Hierbij zoekt de gemeente naar mogelijkheden om zoveel mogelijk in te zetten op vergroening, klimaatadaptatie en het geven van ruimte aan langzaam verkeer om de openbare ruimte aantrekkelijk, leefbaar en toekomstbestendig te maken. Voor buurten waar de leefbaarheid onder druk staat heeft de gemeente extra aandacht. Ook in centrumgebieden investeren we in kwaliteitsverbetering, gezien de belangrijke rol die deze gebieden vervullen voor inwoners.
3.3.1.3 Toetsing aan de Structuurvisie Den Helder 2025 De gemeente streeft naar de realisatie van kwalitatief goede woningen die aansluiten bij de bestaande vraag. Met de kleinschalige woningbouwontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt wordt wordt aangesloten bij dit streven. Zo worden vrijstaande landelijke woningen gebouwd. Dit soort woningen zijn niet passend op een binnenstedelijke locatie. Deze woningen betreffen een bijzondere categorie die passend zijn binnen het plangebied. 3.3.2
Woonvisie Den Helder 2020-2025
3.3.2.1 Algemeen De Woonvisie 2020-2025 ''Den Helder in beweging'' geeft het vervolg aan van het woonbeleid dat is ingezet in de vorige woonvisie (Woonvisie Den Helder 2016-2020 “In Den Helder kan meer!”). Voor een deel wordt voortgegaan op de ingeslagen weg, voor een deel wordt de scope en aandacht verlegd om invulling te kunnen geven aan nieuwe ambities en ontwikkelingen. Deze ambities en ontwikkelingen komen tot uiting in het omarmde scenario van krimp naar groei. Om de groei vorm te geven en te faciliteren is het programma Helders Perspectief opgezet. Dit programma richt zich op het in de markt zetten van Den Helder door de zichtbaar mooie ontwikkeling die de stad doormaakt uit te dragen. Dit doen we door het juiste onderwijs en personeel beschikbaar te hebben voor het groeiende aantal vacatures, en door nieuwe inwoners aan te trekken door te zorgen voor een aantrekkelijke woningmarkt met voldoende nieuwbouw. We leggen hierbij een focus op kwaliteit en bijzondere woonmilieus. 3.3.2.2 Kwantiteit en kwaliteit Voor het eerst in lange tijd is het aantal inwoners van Den Helder in 2019 toegenomen. Het geeft een kentering aan in maatschappelijke en economische ontwikkelingen. Die hebben niet zozeer te maken met demografische ontwikkelingen maar met de economische groei. Het gunstige economisch tij van de afgelopen jaren heeft positief uitgewerkt op de woningmarkt.
Er is meer belangstelling voor het wonen in de Kop. Den Helder als centrumgemeente plukt hier met haar verscheidenheid aan woonmilieus en voorzieningen de vruchten van. Woningen staan minder lang te koop en ook op de huurmarkt is er meer druk gekomen. Het tekort aan nieuwbouwwoningen in de provincie, met name in de regio Amsterdam, drijft de prijzen op en heeft effecten op de woningmarkt in Noord Holland Noord. De druk op de woningmarkt vanuit het zuidelijke deel van de provincie zal tot een grotere behoefte leiden in de regio’s Alkmaar, West Friesland en voor een deel ook in de Kop van Noord-Holland. De gemiddelde vraagprijs van de aangeboden woningen in Den Helder zijn flink gestegen de laatste jaren. De regio Noord Holland Noord heeft een propositie bij het Rijk neergelegd om in het achterblijvende aanbod aan nieuwbouw te voorzien en tegelijkertijd de bereikbaarheid te verbeteren. De verwachte toename van banen in de sectoren energie, maritiem en techniek vragen om anders te kijken naar de woningbehoefte en meer flexibiliteit in te bouwen in de woningbouwprogrammering. Om BJZ.nu Bestemmingsplannen
26
Bestemmingsplan Doggersvaart 2, 2a en 4 vastgesteld
ruimte te geven aan de economische ambities heeft de regio Kop van Noord-Holland als doel gesteld om tot 2030 een nieuwbouwprogramma van 5.000 woningen te realiseren. Den Helder kent een relatief oude bestaande woningvoorraad (56% van de voorraad is van vóór 1970, nationaal is dat 43%). Wijken kennen een éénzijdige samenstelling van woningen en bewoners. Met sloop en nieuwbouw wordt kwaliteit toegevoegd in wijken als Nieuw Den Helder en Stad binnen de Linie. Corporaties voeren wijkgerichte renovatieprogramma’s uit en combineren dit met verduurzaming van hun woningvoorraad. Particuliere woningbezitters hebben vaak niet de middelen om hun woning op te knappen. De gemeente helpt hen hierbij door woonleningen aan te bieden tegen een aantrekkelijke rente en korting op legeskosten te geven. Via het wijkgericht werken worden met bewoners en andere partijen plannen gemaakt om de directe fysieke leefomgeving te verbeteren. Van krimp naar groei vraagt een stevige inzet op de woningbouwopgave. De focus ligt op voldoende nieuwbouw van kwaliteit in verschillende marktsegmenten en het creëren van bijzondere woonmilieus. De gemeente Den Helder heeft de ambitie om binnen het regionale woonakkoord (5.000 extra woningen in de Kop) tot 2030 1.500 woningen in Den Helder toe te voegen.
Deze behoefte is gebaseerd op de voorziene groei van het aantal banen, onderwijsplekken en de toenemende druk op de woningmarkt in de regio. Daarom bouwen wij niet alleen vraaggericht maar ook aanbodgericht. De gemeente bouwt vooral stedelijk want hier is de meeste ruimte voor. In Julianadorp sluiten we buitenstedelijk bouwen niet uit. De gemeente werkt aan het in samenhang verbeteren van de bestaande woningvoorraad en de openbare ruimte in buurten en wijken. Veilig en prettig wonen vraagt om deze integrale benadering. 3.3.2.3 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie Den Helder 2020-2025 '' Den Helder in beweging'' Met dit bestemmingsplan zeven reguliere burgerwoningen toegestaan. Het betreft de omzetting van drie voormalige bedrijfswoningen (waarvan er één gesloopt en herbouwd wordt) naar reguliere woningen en de toevoeging van vier extra woningen. De woningen passen binnen de ambitie van de gemeente Den Helder om 1.500 woningen te realiseren tot 2030. Daarnaast gaat het om het nieuwbouwen van vijf woningen die passen binnen het landschap. Ook valt het plangebied binnen het deelgebied Julianadorp waar de gemeente buitenstedelijk bouwen niet uitsluit.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
27
Bestemmingsplan Doggersvaart 2, 2a en 4 vastgesteld
Hoofdstuk 4
Milieu- en omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het besluit milieueffectrapportage.
4.1
Geluid
4.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 4.1.2
Situatie plangebied
Met dit bestemmingsplan zeven reguliere burgerwoningen toegestaan. Het betreft de omzetting van drie voormalige bedrijfswoningen (waarvan er één gesloopt en herbouwd wordt) naar reguliere woningen en de toevoeging van vier extra woningen. In het kader van deze procedure is het benodigd de geluidbelasting ter plaatse van de te realiseren geluidsgevoelige objecten te toetsen aan het stelsel van voorkeurswaarde en maximale ontheffingswaarden uit de Wet geluidhinder. Hierna wordt achtereenvolgens op de aspecten wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai ingegaan. 4.1.2.1 Wegverkeerslawaai Op grond van artikel 77 van de Wet geluidhinder dient bij de realisatie van een nieuw geluidsgevoelig object een akoestisch onderzoek te worden ingesteld. In artikel 74 lid 1 van de Wet geluidhinder is aangegeven dat wegen aan weerszijden een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken
Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m
Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m
In lid 2 van artikel 74 zijn de situaties aangegeven waarvoor de hiervoor genoemde zones niet gelden. Dit is het geval voor onderstaande wegen: wegen die zijn aangeduid als woonerf; wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. In de Wgh worden eisen gesteld aan de toelaatbare geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige gebouwen die liggen binnen de geluidszone van een weg. De voorkeurswaarde voor de geluidsbelasting vanwege wegverkeer bedraagt 48 dB. BJZ.nu Bestemmingsplannen
28
Bestemmingsplan Doggersvaart 2, 2a en 4 vastgesteld
Situatie plangebied Het plangebied bevindt zich binnen de wettelijke geluidszone van de Doggersvaart, wat een binnenstedelijke 50 kilometer per uur weg betreft. Daarnaast ligt het plangebied nabij meerdere 30 km/uur wegen. De gemeente Den Helder heeft een gebiedsgericht geluidsbeleid ontwikkeld. Binnen het grondgebied van de gemeente Den Helder worden tien gebiedstypen onderscheiden. Het plangebied ligt in het buitengebied. Hier geldt de ambitiewaarde rustig (43 dB) en de bovengrenswaarde van zeer onrustig (58 dB). In dit geval is door BJZ.nu een akoestische berekening uitgevoerd voor de geluidsbelasting als gevolg van deze weg. In voorliggend geval zijn er geen 30 km/uur wegen meegenomen in dit onderzoek omdat de wegen nabij het plangebied een lage verkeersintensiteit kennen en/of op een grote afstand liggen, waardoor er geen relevante geluidbelasting afkomstig van deze wegen te verwachten is. Hierna wordt nader ingegaan op de belangrijkste onderzoeksresultaten. Voor het volledige advies van BJZ.nu wordt verwezen naar Bijlage 2 bij deze toelichting. Onderzoeksresultaten De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer van de Doggersvaart bedraagt, inclusief 5 dB reductie, hoogstens 48 dB. Met deze waarden wordt voldaan aan de voorkeurgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh en aan de ambitiewaarde uit het gemeentelijk geluidbeleid.
Indien het bouwbesluit wordt nageleeft wordt voldaan aan een binnenwaarde van 33 dB. Conclusie Met het in achtnemen van voorstaande is er, wat betreft het aspect geluid, sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen. 4.1.2.2 Railverkeerslawaai en industrielawaai In voorliggend geval zijn de aspecten railverkeerslawaai en industrielawaai niet van belang. Aangezien het plangebied niet is gelegen in of nabij een zone van een gezoneerd bedrijventerrein en tevens niet is gelegen in de nabijheid van een spoorlijn. Wat betreft de invloed van voorliggend initiatief op omliggende woningen wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering). 4.1.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor het plan.
4.2
Bodemkwaliteit
4.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 4.2.2
Situatie plangebied
Algemeen Met dit bestemmingsplan zeven reguliere burgerwoningen toegestaan. Het betreft de omzetting van drie voormalige bedrijfswoningen (waarvan er één gesloopt en herbouwd wordt) naar reguliere woningen en de toevoeging van vier extra woningen. In het kader van deze procedure is het benodigd om inzicht te krijgen of de bodemkwaliteit voldoende is voor een verblijfsfunctie. In dit geval is door Dumea ter plaatse van het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In de volgende paragraaf wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige rapport is in Bijlage 3
BJZ.nu Bestemmingsplannen
29
Bestemmingsplan Doggersvaart 2, 2a en 4 vastgesteld
opgenomen. Onderzoeksresultaten De matige verhoging lood in het bovengrondmengmonster aan de Doggersvaart 2 geeft formeel aanleiding voor het laten uitvoeren van een nader onderzoek. Dit nader onderzoek is reeds uitgevoerd door uitsplitsing van het verhoogde mengmonster. Op basis van de uitsplitsing is geen nader onderzoek meer noodzakelijk. Verder zijn geen concentraties in de grond en het grondwater boven de tussenwaarde aangetroffen, dit houdt in dat er geen aanleiding bestaat voor het laten uitvoeren van een nader onderzoek. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In de mengmonsters is analytisch geen asbest aangetoond. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Op het moment van de ter inzage legging van dit ontwerp bestemmingsplan is een milieukundig nader bodemonderzoek in uitvoering. Voorafgaand aan de vaststelling van dit bestemmingsplan is dit nader onderzoek afgerond en zijn eventuele vervolgstappen in gang gezet. Ten tijde van de vaststelling moet zijn aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruikt. 4.2.3
Conclusie
Het aspect 'bodem' vormt met inachtneming van het in 4.2.2 genoemde geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkelingen.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2 ) en fijn stof (PM10 ). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de BJZ.nu Bestemmingsplannen
30
Bestemmingsplan Doggersvaart 2, 2a en 4 vastgesteld
grenswaarden. 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 4.3.2
Situatie plangebied
Met dit bestemmingsplan zeven reguliere burgerwoningen toegestaan. Het betreft de omzetting van drie voormalige bedrijfswoningen (waarvan er één gesloopt en herbouwd wordt) naar reguliere woningen en de toevoeging van vier extra woningen. In het kader van deze procedure is het benodigd te onderzoeken of de ontwikkeling wel of niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Via de NIBM-tool is onderzocht of de ontwikkeling wel of niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In deze berekening zijn 33 lichte vervoersbewegingen ingevoerd (zie paragraaf 2.3.2.3). Het aandeel vrachtverkeer is op 10% gezet, voor een worst-case scenario. Aangezien het voornemen uitsluitend de functie ‘wonen’ betreft wordt verwacht dat het aantal vrachtverkeer in realiteit lager zal liggen. In afbeelding 4.1 zijn de resultaten van deze worst-case berekening opgenomen
Afbeelding 4.1: Uitsnede resultaten worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit (Bron: InfoMil) Uit de berekening is gebleken dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate bijdraagt. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
31
Bestemmingsplan Doggersvaart 2, 2a en 4 vastgesteld
4.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van bijbehorend plan.
4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2
Situatie in en bij het plangebied
4.4.2.1 Algemeen Aan de hand van de Risicokaart is voor het plangebied een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten risico's weergegeven. 4.4.2.2 Situatie plangebied Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten, zijnde woningen, mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied zijn geen risicobronnen aanwezig. Dit is te zien in afbeelding 4.2, waarin een uitsnede van de Risicokaart is opgenomen. Het plangebied is hierop indicatief met een rode contour weergegeven. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
32
Bestemmingsplan Doggersvaart 2, 2a en 4 vastgesteld
Afbeelding 4.2: Uitsnede risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)
4.4.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.5
Milieuzonering
4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige BJZ.nu Bestemmingsplannen
33
Bestemmingsplan Doggersvaart 2, 2a en 4 vastgesteld
functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 4.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' als volgt omschreven: 'Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.
Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.' De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied ligt in de randzone van Den Helder. In de directe omgeving bevinden zich woningen en enkele agrarische bedrijven. Daarom kan worden uitgegaan van het gebiedstype 'rustig buitengebied'. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes. Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustig buitengebied 1 10 m 2 30 m 3.1 50 m 3.2 100 m 4.1 200 m 4.2 300 m 5.1 500 m 5.2 700 m 5.3 1.000 m 6 1.500 m 4.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Beoordeling
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
4.5.3.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
34
Bestemmingsplan Doggersvaart 2, 2a en 4 vastgesteld
De functie 'wonen' vormt geen milieubelastende functie. In dit geval worden er uitsluitend woonfuncties gerealiseerd. Er is dan ook geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende functies. 4.5.3.2 Interne werking In de nabijheid van het projectgebied liggen meerdere milieubelastende functies, waaronder agrarische bedrijven. Bij veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn, in het geval van veehouderijen, echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 4.6 nader op ingegaan. In de volgende tabel wordt nader op de in de nabijheid aanwezige bedrijven en bijbehorende richtafstanden ingegaan. Hierbij is gemeten tussen de grens die de milieugevoelige woning toelaat en de grens waar de milieubelastende activiteit plaats kan vinden (grens bouwvlak woningen/grens bestemmingsvlak milieubelastende functies). Adres
Type bedrijf
Milieucategorie
Doggersvaart 6 De Helderse Vallei 9-11
Agrarisch bedrijf Kinderboerderij Openluchttheater dagrecreatie Buurt- en clubhuizen
Korvetstraat 77
3.2 2
Grootste Richtafstand 30 m 30 m
Daadwerkelijke afstand 110 m 410 m
2
30 m
240 m
Zoals uit voorgaande tabel blijkt, wordt de richtafstand (het aspect 'geur' buiten beschouwing latend) voor alle bedrijven gehaald. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Andersom wordt de bedrijfsvoering van omliggende (agrarische)bedrijven niet belemmerd door de voorgenomen ontwikkeling. 4.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.6
Geur
4.6.1
Algemeen
4.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een
BJZ.nu Bestemmingsplannen
35
Bestemmingsplan Doggersvaart 2, 2a en 4 vastgesteld
concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht. De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. 4.6.1.2 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv.
Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 4.6.2
Situatie plangebied
De geplande ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de geurhinder, aangezien woningen geen bron van geurhinder zijn. Wel bevinden zich in de omgeving van het plangebied diverse agrarische bedrijven. In de feitelijke situatie betreffen het allemaal bedrijven die zich richten op het telen van gewassen. Van het houden van vee is in geen geval sprake. Aangezien het bestemmingsplan dit planologisch wel toelaat, wordt aan dit aspect getoetst. Belangrijk om te vermelden is dat intensieve veehouderijen als vorm van strijdig gebruik is bepaald. Het gaat in de maximale planologische situatie dan ook enkel om de mogelijkheid tot grondgebonden veehouderijen. Hiervoor geldt een vaste afstand van 50 meter voor het aspect geur. Zoals in paragraaf 4.5 is aangetoond wordt deze richtafstand gehaald. Het aspect 'geur' vormt verder geen belemmering voor het planvoornemen. 4.6.3
Conclusie
Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
4.7
Ecologie
4.7.1
Algemeen
Concreet worden met dit bestemmingsplan zeven reguliere burgerwoningen toegestaan. Het betreft de omzetting van drie voormalige bedrijfswoningen (waarvan er één gesloopt en herbouwd wordt) naar reguliere woningen en de toevoeging van vier extra woningen. Daarnaast worden met de gewenste ontwikkeling bedrijfsgebouwen en een bestaande woning aan de Doggersvaart 4 gesloopt. Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden van het plangebied. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming zijn de Wet natuurbescherming en provinciale verordeningen van toepassing. De provincies beschermen via provinciale verordening waardevolle natuurgebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland, weidevogelgebied en ganzenfoerageergebied. Daarnaast kunnen natuurgebieden die essentieel zijn voor het behoud van bepaalde flora en fauna, worden aangewezen als beschermd gebied op grond van de Europees Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn (Natura 2000). BJZ.nu Bestemmingsplannen
36
Bestemmingsplan Doggersvaart 2, 2a en 4 vastgesteld
Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. 4.7.2
Gebiedsbescherming
4.7.2.1 Natura 2000-gebieden Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Duinen Den Helder-Callantsoog” ligt op een afstand van circa 675 meter van het plangebied. In het kader van het voornemen is inzicht in de te verwachten effecten van stikstof op nabijgelegen Natura 2000-gebieden nodig. BJZ.nu heeft via de AERIUS-calculator 2022 een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de aanlegen gebruiksfase van de ontwikkeling in het plangebied. Het hele rapport is opgenomen in Bijlage 4. Onderzoeksresultaten Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 2.7, lid 1 van de Wet natuurbescherming. Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake.
4.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN ligt op circa 20 meter afstand. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de onderlinge afstand tot het NNN (het NNN kent geen schaduwwerking) is er geen sprake van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. Gezien de aard en omvang van het voornemen (wonen) wordt geconcludeerd dat er met de voorgenomen ontwikkeling geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 4.7.3
Soortenbescherming
4.7.3.1 Situatie plangebied Algemeen Met de gewenste ontwikkeling worden de bestaande bedrijfsschuren en de bestaande woning op de Doggersvaart 4 gesloopt. Om te onderzoeken of de sloopwerkzaamheden een invloed hebben op beschermde soorten is door de Natuurbank Overijssel een quickscan ecologie uitgevoerd. In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 26 april 2023 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. De volledige rapportage is als Bijlage 5 pgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Onderzoeksresultaten Quickscan natuurwaardenonderzoek De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rust en/of voortplantingsplaats, bezetten vleermuizen er een verblijfplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Het plangebied is geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen.
Vermoedelijk nestelen er vogels in het plangebied waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, maar er BJZ.nu Bestemmingsplannen
37
Bestemmingsplan Doggersvaart 2, 2a en 4 vastgesteld
nestelen ook vogels (torenvalk en spreeuw) waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Om te voorkomen dat bezette vogelnesten negatief beïnvloed worden, dient gewerkt te worden buiten de voortplantingsperiode of dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden zodat de aanwezigheid van een bezet vogelnesten uitgesloten kan worden. De spreeuw en torenvalk, met een jaarrond beschermd nest (categorie 5), beschikken over voldoende flexibiliteit om zich elders te vestigen. De torenvalkkast wordt tevens teruggeplaatst in het plangebied nadat de werkzaamheden zijn afgerond. Vleermuizen en hun vaste verblijfplaatsen zijn beschermd en mogen alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden. Als gevolg van het slopen van de bebouwing wordt mogelijk een vleermuis verstoord en een vaste rust- en voortplantingsplaats verstoord, beschadigd en vernield. Er dient een aanvullend onderzoek conform het vleermuisprotocol uitgevoerd te worden om de functie van de bebouwing vast te kunnen stellen. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden in de periode half mei-half september (half oktober). Op basis van nader onderzoek kunnen de wettelijke consequenties bepaald worden.
Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën verstoord en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën die een vaste (winter)rust en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling. Initiatiefnemer dient echter alles in het werk te stellen om het onnodig doden van beschermde dieren te voorkomen. Er dient gepoogd te worden de dieren weg te jagen of om ze te vangen (om elders los te laten). Vleermuizenonderzoek In voorliggend geval is door Eco Nature een vleermuizenonderzoek uitgevoerd. In bijlage Bijlage 6 is het rapport opgenomen. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste onderzoeksresultaten. Bij sloop van de woningen en schuren aan de Doggersvaart 2, 2a & 4 worden geen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen en geen essentiële foerageergebieden of vliegroutes verstoord. Deze zijn dat ook in het gehele plangebied niet aangetroffen. Voor sloop van de schuren en bijgebouwen is geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming vereist er zijn geen vleermuis verblijfplaatsen aangetroffen of essentieel foerageergebied. Voor alle soorten geldt vanuit de Wnb de zorgplicht.
In combinatie met de aanwezigheid van anders mogelijke soorten in het plangebied zie QuickScan Natuurbank Overijssel 13-06-2023 rapport nummer 5226 dient er wel aan de zorgplicht voldaan te worden bij het slopen van de woningen. Conclusie quickscan natuurwaardenonderzoek en aanvullend vleermuizenonderzoek Uit het onderzoek is gebleken dat voor zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, libellen, dagvlinders en vaatplanten de planlocatie geen geschikt habitat is. Binnen het plangebied zijn geen vleermuis verblijfplaatsen aangetroffen of essentieel foerageergebied. Vanzelfsprekend is desondanks de algemene zorgplicht van toepassing. 4.7.4
Conclusie
Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkelingen.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
38
Bestemmingsplan Doggersvaart 2, 2a en 4 vastgesteld
4.8
Archeologie & cultuurhistorie
4.8.1
Archeologie
4.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.8.1.2 Situatie plangebied In 2017 is het beleidskader Archeologie 2017 Gemeente Den Helder vastgesteld. Hierin is het plangebied aangemerkt als een gebied met een Archeologische verwachting. Gebieden met een archeologische verwachting zijn gebaseerd op historische gegevens en archeologische vondsten. Het betreffen echter grote terreinen, waarbij de exacte locatie van de archeologische resten/vindplaatsen niet bekend is. Op de locatie van het plangebied geldt dat bij een oppervlakte van 500 m2 of meer en 3 meter of dieperere bodemingrepen acheologisch onderzoek conform beleid moet worden uitgevoerd.
Met de gewenste ontwikkeling vinden geen bodemingrepen plaats dieper dan 3 meter. Archeologisch onderzoek is hierdoor niet noodzakelijk. De archeologische waarde wordt alsnog geborgd door de meldplicht tijdens bodemingrepen volgens de erfgoedwet. 4.8.2
Cultuurhistorie
4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied dan wel in de omgeving rondom het plangebied op grond van de Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie van de provincie geen cultuurhistorisch waardevolle objecten of lijnen waar rekening mee moet worden gehouden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor het initiatief 4.8.3
Conclusie
De aspecten cultuurhistorie en archeologie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
39
Bestemmingsplan Doggersvaart 2, 2a en 4 vastgesteld
4.9
Besluit milieueffectrapportage
4.9.1
Kader
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. Beoordeling gehanteerd. 4.9.2
Beoordeling
4.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 675 meter afstand van het plangebied. In dit geval is uit de stikstofberekening reeds gebleken dat er geen sprake is van significante negatieve effecten ten aanzien van instandhoudingsdoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van het voornemen dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 4.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en daarmee geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de “aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” genoemd. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is mogelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject'
BJZ.nu Bestemmingsplannen
40
Bestemmingsplan Doggersvaart 2, 2a en 4 vastgesteld
afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van de sloop van bebouwing en de bouw van netto vijf woningen. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet (onevenredig) toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk en Hoofdstuk 5 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 4.9.3
Conclusie
De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is niet m.e.r. (beoordelings)-plichtig.
4.10
Spuitzones
4.10.1
Algemeen
Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen woningen. In artikel 2a van de Wet Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden is een zorgplicht opgenomen die beschrijft dat iedereen de plicht heeft om zorgvuldig om te gaan met gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In de praktijk is daarom een vuistregel ontstaan die uitgaat van een afstand van 50 m tussen de betreffende agrarische gronden en woningen. Deze vuistregel is ontstaan vanuit de fruitteelt. Als die afstand wordt aangehouden wordt enerzijds het agrarische bedrijf niet belemmerd en anderzijds het woon- en leefklimaat bij de woningen gegarandeerd. In de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State is deze afstand geaccepteerd. De afstand van 50 meter is een indicatieve afstand. Onder omstandigheden en in een specifiek geval kan ervan worden afgeweken en dus een kortere afstand worden aangehouden. Ook dit is in de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State geaccepteerd. De afstand die wordt aangehouden in een specifiek geval moet worden onderbouwd. Vanuit het Activiteitenbesluit geldt tevens een teeltvrij zone van 1,50 meter bij de aanwezigheid van waterlopen.
Binnen deze zone mag niet gespoten worden en er moet een drift reducerende techniek worden toegepast, waarbij minimaal 75% driftreductie gehandhaafd moet worden. Gelet op art. 3.78a van het Activiteitenbesluit moet een techniek worden gebruikt die een driftreductie van 75% kan bereiken. Indien men zich bij de ruimtelijke onderbouwing beroept op de aanleg of aanwezigheid van landschapselementen (bomen, sloten) die een driftreducerende werking hebben, moet deze werking aannemelijk worden gemaakt en de blijvende aanwezigheid van deze landschapselementen worden geborgd. 4.10.2
Situatie plangebied
Ten zuiden van de woningen liggen agrarische gronden, waar op basis van het geldende bestemmingsplan bollenteelt en fruitteelt zijn toegestaan. Gelet op het feit dat ter plaatse bollenteelt en fruitteelt bestrijdingsmiddelen kunnen worden gebruikt is het van belang om te onderzoeken of een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plekke van de nieuwe woningen mogelijk is.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
41
Bestemmingsplan Doggersvaart 2, 2a en 4 vastgesteld
De woningen liggen op circa 30 meter afstand ten opzichte van de zuidelijk gelegen gronden, waar bollenteelt en fruitteelt mogelijk is. Aan de afstand van 50 meter wordt niet voldaan. In de praktijk zullen telers echter niet spuiten bij harde wind of een windrichting richting woningen. Hoe meer wind, hoe minder van de bestrijdingsmiddelen terecht zullen komen op de gewassen, wat ongunstig is voor de bedrijfsvoering. Wettelijk mag spuitapparatuur niet gebruikt worden bij een windsnelheid groter dan 5 meter per seconde (ongeveer windkracht 3) behalve bij een teeltbedreigende situatie. Het plangebied wordt zuidelijk begrensd door een sloot (oppervlaktewater). Voor het toepassen van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen naast oppervlaktewater gelden extra eisen ondanks gebruik van driftreducerende maatregelen. Zo geldt dat een strook land naast oppervlaktewater niet mag worden bespoten of bemest. Deze teeltvrijezone is een strook land tussen het land waarop gewassen worden geteeld en een oppervlaktewaterlichaam. In de teeltvrije zone mogen wel gewassen aanwezig zijn. Soms hebben deze een functie als vanggewas. De breedte van de teeltvrije zones varieert van 500 tot 50 centimeter. Teeltvrije zones zijn multifunctioneel: Zij verminderen de drift en de afspoeling van gewasbeschermingsmiddelen naar oppervlaktewater. Zij reduceren de afspoeling van meststoffen en zware metalen.
De telers zijn verplicht om driftblootstelling van de sloot te voorkomen. Volgens Rijkswaterstaat is op een afstand van 10 tot 20 meter geen driftblootstelling meer te verwachten. Redelijkerwijs kan daarvoor verwacht worden dat de beoogde woningen op circa 30 meter, met daartussen een sloot en een spuitvrije zone, ook niet worden blootgesteld aan driftblootstelling. In voorliggend geval is de aanwezige grond (kalkhoudende vlakvaaggronden) erg ongeschikt voor opgaande teelten. De kans dat er andere teelt dan de huidige lage teelt zal plaatsvinden is gezien de bodemsamenstelling (en de waterkwaliteit) zeer onwaarschijnlijk. Feitelijk wordt er dus alleen lage teelt toegepast en is er sprake van een bijbehorend driftbeeld. Mede om deze reden is een kortere afstand dan 50 meter tot de woningen aanvaardbaar. De afstand van 50 meter is blijkens een uitspraak van de Afdeling uit 2004 (ABRvS 23 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP3436) gebaseerd op het toenmalige beleid van de provincie Gelderland voor de toelating van nieuwe gevoelige functies nabij boomgaarden en boomteeltpercelen.
Ten tijde van dat beleid gold op grond van artikel 13 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1963, het daarop gebaseerde “Lozingenbesluit open teelt en veehouderij” en de bijbehorende “Regeling testmethoden driftarme doppen Lozingenbesluit open teelt en veehouderij” een verplichting om driftreductie toe te passen van minimaal 50%. Op grond van het huidige Activiteitenbesluit dient echter standaard een driftreducerende techniek te worden gehanteerd van minimaal 75%. Dat is een norm die kortom de helft strenger is geworden dan de norm die gold bij de uitspraak van de Afdeling van 2004 over het beleid van de provincie Gelderland. Omdat de inmiddels verplicht toegepaste driftreductie zorgt voor minder drift, is een kortere afstand dan 50 meter aanvaardbaar. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat ten aanzien van eventuele driftblootstelling van aangrenzende agrarische gronden er ter hoogte van de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.10.3
Conclusie
Het aspect 'spuitzones' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
42
Bestemmingsplan Doggersvaart 2, 2a en 4 vastgesteld
Hoofdstuk 5
Wateraspecten
5.1
Vigerend beleid
5.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2022-2027. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. 5.1.3
Provinciaal beleid
De Watervisie 2021 bevat het waterbeleid van de provincie Noord-Holland. In de Watervisie 2021 worden kaders gesteld voor wateropgaven in Noord-Holland. Dit is gedaan op basis van de thema's veilig en schoon & voldoende. In het waterveiligheidsbeleid wordt landelijk een overstap naar een risicobenadering, waarbij ook het effect van een overstroming op het achterland wordt meegewogen. Met de waterpartners zorgt de provincie voor veilige dijken en keringen en met het waterrobuust inrichten van de omgeving en goede evacuatiemogelijkheden wordt het effect van een eventuele overstroming beperkt. Schoon en voldoende water is onmisbaar voor een gezonde, productieve en aangename leefomgeving en een soortenrijke natuur. De provincie zorgt ervoor dat het grond- en oppervlaktewater duurzaam kan worden gebruikt en dat voorraden zorgvuldig worden beheerd, zonder uitputting of verontreiniging. Diepe, watervoerende lagen kunnen worden gebruikt voor energieopslag. 5.1.4
Hoogheemraadschap Noorderkwartier
Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie). De Deltavisie is vertaald in een Waterplan (WBP6) voor de middellange termijn. Hierin presenteert het hoogheemraadschap haar koers voor de periode 2022-2027 en de opgaven waar het hogheemraadschap zelf en met anderen aan werken. Het hoogheemraadschap bouwt voort op de regionale Deltavisie (2012), het Waterprogramma 2016-2021 (WBP5) en het Collegeprogramma 2019-2023.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
43
Bestemmingsplan Doggersvaart 2, 2a en 4 vastgesteld
5.2
Waterparagraaf
5.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.2.2
Watertoetsprocedure
Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft geleid tot de 'normale procedure'. Het resultaat van de watertoets is opgenomen in Bijlage 7 van deze toelichting. Het waterschap is om advies gevraagd. De adviezen worden betrokken in de verdere planvorming. Hierna wordt op de belangrijkste aspecten ingegaan. Grondwater Binnen het plangebied zijn geen gevallen van grondwateroverlast bekend. Bij het bouwplan zal rekening worden gehouden met voldoende ontwateringsdiepte zodat de kans op grondwateroverlast minimaal is. Hemelwater In de huidige situatie wordt het hemelwater afkomstig van de daken op het oppervlaktewater geloosd. Het bebouwde oppervlakte neemt af, hierdoor stroom er minder hemelwater af op het oppervlaktewater dan in de huidige situatie. Daarnaast is het plangebied groener ingericht waardoor het hemelwater in de bodem kan infiltreren. Afvalwater Het afvalwater wordt afgevoerd naar het gemeentelijke rioleringssysteem. Het rioolstelsel wordt dusdanig uitgevoerd dat het afvalwater van het toekomstige aantal vervuilingseenheden kan worden afgevoerd. Oppervlaktewater In het midden van het plangebied wordt een tertiaire waterloop gedempt en aan de zuidkant wordt er een tertiaire waterloop gegraven.
Langs de waterloop aan de zuidkant van het plangebied is er een goede mogelijkheid voor een natuurvriendelijke oever (NVO). Dit komt de waterkwaliteit, biodiversiteit en belevingswaarde ten goede. In voorliggend geval is de initiatiefnemer voornemens een NVO aan te leggen. Om dit te bewerkstelligen moet er een flauw talud aangelegd moeten worden. Dempen en graven dient altijd één op één te gebeuren. In de onderstaande afbeelding is weergegeven dat er 52 meter meer wordt gegraven dan gedempt. Hierin is de sloot die wordt gedempt in rood aangegeven en de nieuwe sloot in wit.