BA7668_BP Veiligheidscontour Balgzand_VST_22 april 2025.pdf
Tekst van het document
22 april 2025
ONDERZOEK EXTERNE VEILIGHEID
BA7668-107-100IPRP002F04
17
Projectgerelateerd
5
Elementen verantwoording groepsrisico
In dit hoofdstuk zijn de elementen van de verantwoordingsplicht groepsrisico (VGR) uitgewerkt voor de GBI van de NAM, in het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de N250 en de hogedruk aardgastransportleidingen ook meegenomen, zoals aangegeven in hoofdstuk 3. De uitwerking in dit hoofdstuk kan het bevoegd gezag gebruiken voor de verplichte adviesaanvraag aan de veiligheidsregio in het kader van de verantwoordingsplicht groepsrisico. In onderstaande tabel zijn de elementen van de verantwoordingsplicht groepsrisico per risicobron opgenomen. De elementen zijn in de daaropvolgende paragrafen behandeld. Tabel 2 elementen verantwoording groepsrisico Elementen verantwoording groepsrisico
Volledige VGR
Beperkte VGR
NAM (Bevi)
N250 (Bevt) & Buisleidingen (Bevb)
Bevolkingsdichtheid: Personendichtheid binnen het invloedsgebied
x
Groepsrisico: Hoogte van het groepsrisico
x
Maatregelen ter reductie van het groepsrisico: bronmaatregelen en ruimtelijke maatregelen
x
Alternatieve locaties: Mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen ervan (alternatieve locaties)
x
Bestrijdbaarheid: Mogelijkheden voor het voorkomen, beperken en bestrijden van het incidenten (bestrijdbaarheid)
x
x
Zelfredzaamheid: Mogelijkheden voor de zelfredzaamheid van personen binnen het invloedsgebied
x
x
5.1
Ruimtelijke maatregelen (pro-actie)
Ruimtelijke maatregelen ter verlaging van het groepsrisico betreffen in algemene zin: alternatieve locaties (die verderaf van de relevante risicobronnen zijn gelegen), het beperken van de aanwezigheid van personen in de omgeving van de risicobronnen of een andere functie-indeling van het plangebied. Alternatieve locaties: Het verwijderen van kwetsbare objecten, zoals het legeringsgebouw, is vanuit economisch oogpunt geen optie. Om de veiligheid van de aanwezigen in het legeringsgebouw te waarborgen is zijn effectberekeningen uitgevoerd. Deze effectberekeningen hebben aangetoond dat het bouwwerk voldoende bescherming biedt tegen de hittestraling die vrijkomt bij een incident van de GBI. Aanvullende bouwkundige maatregelen zijn daarom niet nodig. Uitgangspunt hierbij is dat de aanwezigen worden geïnformeerd over hun handelingsperspectief (binnen blijven) en dat zij tijdig gealarmeerd worden. Verder is het zinvol om bij de implementatie van de artikel 14 Bevi veiligheidscontour in het bestemmingsplan te onderzoeken hoe de zelfredzaamheid in het gebied kan worden vergroot, bijvoorbeeld door de verkeerssituatie te optimaliseren, een koppeling te leggen tussen de bedrijfsnoodplannen van de NAM en luchthaven De Kooy en het rampenbestrijdingsplan, de inzet van NLAlert, e.d.
22 april 2025
ONDERZOEK EXTERNE VEILIGHEID
BA7668-107-100IPRP002F04
18
Projectgerelateerd
Beperken hoogte groepsrisico: De hoogte van het groepsrisico wordt bepaald door de aanwezigheid van personen in de omgeving van een risicobron. Om het groepsrisico te beperken, dient gekeken te worden naar de mogelijkheden om het aantal aanwezigen te beperken binnen het invloedsgebied (het gebied binnen de PR10-8 van de NAM). De aanwezigheid van personen kan direct of indirect geregeld worden in het bestemmingsplan. Direct door bijvoorbeeld bruto vloeroppervlaktes vast te stellen en indirect door bepaalde functies met hoge personendichtheden niet in de omgeving van de gasbehandelingsinstallatie toe te laten. Het facetbestemmingsplan regelt enkel de ligging van de veiligheidscontour en bijbehorende planregels, die bepalingen uit de onderliggende bestemmingsplannen vervangen/aanvullen. De onderliggende bestemmingsplannen blijven hierdoor van kracht. De veiligheidscontour heeft hiermee geen invloed op de hoogte van het groepsrisico, deze blijft gelijk met de bestaande situatie. De veiligheidscontour heeft geen negatieve invloed op de hoogte van het groepsrisico. Binnen de veiligheidscontour kan invulling gegeven worden aan de bestaande bestemmingen zoals opgenomen in de onderliggende bestemmingsplannen. Deze bestemmingen zijn qua invulling voor de bevolkingsaantallen meegenomen in de kwantitatieve risicoanalyse van de NAM.
De hoogte van het groepsrisico van de NAM zal enkel wijzigen wanneer het onderliggende bestemmingsplan gewijzigd wordt om nieuwe functies/bestemmingen toe te laten. Deze functies kunnen enkel worden toegelaten binnen de veiligheidscontour wanneer deze functioneel gebonden zijn. Wanneer dit het geval is en het bestemmingsplan wordt gewijzigd, dan dient het groepsrisico opnieuw te worden berekend en geldt opnieuw de verantwoordingsplicht (indien Bevi nog van toepassing is). Onder de Omgevingswet zal eveneens een afweging gemaakt moeten worden. De toevoeging van (beperkt) kwetsbare objecten die de veiligheidscontour juridisch mogelijk maakt voegen in het kader van het groepsrisico mogelijk extra personen toe in verhouding tot objecten die niet kwetsbaar zijn. Binnen de kwantitatieve risicoanalyse is hier rekening mee gehouden door de niet ingevulde bestemmingsplancapaciteit mee te nemen.
5.2
Bronmaatregelen
Sinds 2003 hebben een stuurgroep en een werkgroep zich beziggehouden met het dossier van de NAM. In dat kader is onder andere onderzoek gedaan naar de mogelijkheid om aanvullende bronmaatregelen te treffen. Zie onderstaande tabel voor een overzicht van deze maatregelen en de status er van.
22 april 2025
ONDERZOEK EXTERNE VEILIGHEID
BA7668-107-100IPRP002F04
19
Projectgerelateerd
Tabel 3
Overzicht bronmaatregelen
Oplossingsrichting
Toelichting
Status maatregel
De gemiddelde vloeistof/ condensaat-inhoud van de slokkenvangers verminderen door operationele en/of procesaanpassingen (vaker sphering, sneller ledigen van inhoud)
Dit vraagt om een ander condensaatbehandelingsproces waarbij continu gestreefd moet worden naar een zo klein mogelijke inhoud in de slokkenvangers. Het proces wordt daarmee minder continu, hetgeen een andere sturing met zich meebrengt. RIVM zal hiervoor toestemming moeten geven aangezien normaliter worst case (maximale vulling) wordt aangehouden.
Het plaatsen van extra isolatiekleppen/non-return valves in de slokkenvanger, minimaliseren van uitstroming/bronterm
Door de slokkenvanger op te splitsen neemt het aantal ingeblokte secties af, de bronterm wordt kleiner met een positief effect op de contouren. Deze aanpassingen hebben nogal wat voeten in de aarde, tevens worden er meer lekpunten geïntroduceerd hetgeen het risico op een lekkage vergroot. Dit voorstel is moeilijk te realiseren, er is een lange shutdown vereist en hoge kosten.
Het automatiseren van het insluiten van de slokkenvangers op gas/lekdetectie en branddetectie
Dit is tegen kosten te realiseren, wel met de consequentie dat de plant een iets lagere operationele beschikbaarheid zal hebben. Het automatiseren helpt de bronterm van de uitstroming te verminderen en verkleint daarmee in beperkte mate de contour. Deze maatregel is vastgelegd in het interim addendum (2010). Hier is in 2003 studie naar gedaan: inschattingen qua kosten 60 Mln. Euro excl. kosten voor gasderving als gevolg van de ombouw. De ondergrond is niet geschikt/te slap voor het plaatsen van een terp; verder is inspecteerbaarheid van de slokkenvanger een nadeel/onveiliger. Door slokkenvangers te verplaatsen, verplaatsen we de contouren. Nieuwe locatie bepaalt of oplossing geen knelpunten oplevert/achterblijven.
De vullingsgraad (en fluctuering vloeistofniveau) van de slokkenvangers hangt nauw samen met de operationele condities van de binnenkomende offshore leidingen. De productieafdeling van Den Helder houdt de niveaus zo laag en stabiel mogelijk. In de praktijk leidt dit tot een gemiddelde (historische) vullingsgraad die lager is dan aangenomen in de (conservatievere aannames in de ) QRA. Indien er zeer snel sluitende kleppen geplaatst zouden worden (sluittijd van enkele seconden) wordt weliswaar de bronterm (uitstroming) van het initiële scenario verkleind maar wordt de slokkenvanger tevens mechanisch zwaar dynamisch belast (waterslag effect). Omdat de slokkenvanger niet voor een dergelijke belasting is ontworpen, is deze aanpassing niet mogelijk zonder zeer ingrijpende maatregelen en mogelijk volledige herbouw. Daarmee is deze maatregel niet praktisch toepasbaar. Toegepast
Slokkenvangers begraven/interpen, lek scenario’s worden verticaal ipv horizontaal (technisch mogelijk ?) Slokkenvangers verplaatsen (nieuwe locatie beschikbaar? technisch mogelijk?) Sluiten van GBI-Den Helder of verplaatsen naar andere locatie (nieuwe locatie beschikbaar?) Basis faalkansen slokkenvanger verlagen (bv. factor 10) of toepassen van een reductiefactor voor verscherpte inspecties/ management op de slokkenvangers Het gebruiken van een veiligheidscontour (artikel 14 Bevi) omvattende het gehele gebied binnen de 10-6 van de GBI
22 april 2025
Herbouwen van plant op andere locatie vraagt ook om nieuwe infrastructuur b.v. extra transportleidingen, veel ruimtebeslag en enorme kosten: lange termijn “oplossing”. Het bepalen van de faalkansen van de slokkenvangers is bepalend voor de contour. De 10-5 wordt 10-6 etc. Het aantal knelpunten neemt af.
Aan de vorm van de contour worden geen eisen gesteld. Functionele binding met binnen contour gelegen inrichting of het gebied waarvoor de contour is vastgesteld is verplicht. Groepsrisicoberekening verandert niet.
ONDERZOEK EXTERNE VEILIGHEID
Wordt niet toegepast, geen zicht op onderhoud.
Een alternatieve locatie voor de slokkenvangers s Balgzand/Waddenzee (Natura 2000 gebied). De ruimtelijke inpassing gaat veel tijd kosten. De haalbaarheid van de verplaatsing is onduidelijk. Het verplaatsen van de plant is op dit moment niet realistisch. Het vraagt een grote ruimtelijke inpassing (locatie en aanvoering transportleidingen) die veel tijd gaat kosten. Er is een landelijke eenduidige rekenmethode vastgesteld. Deze is toegepast. De basisfaalkansen kunnen derhalve niet worden verlaagd.
Deze optie is uitgevoerd
BA7668-107-100IPRP002F04
20
Projectgerelateerd
5.3
Maatgevende scenario’s
Het Bevi, Bevb en Bevt geven aan dat in een verantwoording van het groepsrisico gekeken moet worden naar de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en rampenbestrijding. Om deze beoordeling te kunnen uitvoeren wordt in dit hoofdstuk inzicht gegeven in de maatgevende scenario’s. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is hierbij ook ingegaan op de activiteiten met munitie.
5.3.1
Overzicht maatgevende scenario’s
Bij een incident kunnen drie typen externe gevaren optreden: brand, explosie en gifwolk. Het type gevaar is afhankelijk van het type gevaarlijke stof, ofwel de stofcategorie. Onderstaande tabel geeft inzicht in de maatgevende scenario’s voor de relevante risicobronnen. Tabel 4:overzicht relevante scenario’s per risicobron
Scenario’s
N250
Hogedruk transportleidingen
Plasbrand 6
x
Koude BLEVE
x
GBI Den Helder
Ontplofbare stoffen/munitie
Warme BLEVE Wolkbrandexplosie
x
Fakkelbrand
x
Falen slokkenvanger
x
Dreigend falen slokkenvanger
x
Uitstroom aardgascondensaat verlaadkade
x
Ontsteking munitie
x
Ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de wegen zijn de scenario’s, koude BLEVE 7, wolkbrandexplosie en plasbrand relevant. Het plangebied is namelijk gelegen binnen het invloedsgebied van de stofcategorieën (zeer) brandbare vloeistoffen en brandbare gassen. Kijkend naar de aardgastransportleidingen is het scenario ‘volledige breuk van de aardgastransportleiding’ relevant. Voor de gasbehandelingsinstallatie zijn de maatgevende scenario’s gebaseerd op het advies van de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord aan het bevoegd gezag ruimtelijke ordening (gemeente). Dit zijn: ‘falen slokkenvanger’, ‘dreigend falen slokkenvanger’ en ‘uitstroom aardgascondensaat verlaadkade’. Voor de inrichtingen met ontplofbare stoffen/munitie is het scenario ontsteking munitie maatgevend. Aangezien het plan niet leidt tot een verandering van het transport van gevaarlijke stoffen over de wegen, per buisleiding en ook niet tot veranderingen aan de GBI, zijn deze scenario’s ook van toepassing op de toekomstige situatie in het facetbestemmingsplan. Het nieuwe bestemmingsplan leidt dus niet tot andere scenario’s ten opzichte van de huidige situatie.
6
Hoewel de genoemde wegen geen PAG-zone hebben, vindt er wel vervoer van brandbare vloeistoffen over de wegen plaats en kan een plasbrandscenario optreden. Daarom is dit scenario in dit hoofdstuk meegenomen. 7 BLEVE staat voor: Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion 22 april 2025
ONDERZOEK EXTERNE VEILIGHEID
BA7668-107-100IPRP002F04
21
Projectgerelateerd
Het Scenarioboek externe veiligheid 8 geeft beschrijvingen van deze scenario’s. Hieronder zijn deze beschrijvingen samengevat en is waar van toepassing de 1% letaliteitsafstand (het effectgebied) benoemd.
5.3.2
Beschrijving scenario’s voor de weg
Plasbrand (benzine)
Provinciale weg
Een plasbrand ontstaat doordat een tankauto openscheurt na bijvoorbeeld een botsing. Hierdoor stroomt een groot deel van de (zeer) brandbare vloeistof in korte tijd uit. De (zeer) brandbare vloeistof verspreidt zich over de weg. Ontsteking van de plas leidt tot een korte hevige brand. De effecten van een plasbrand zijn hittestraling en rook. Hierdoor kunnen slachtoffers, schade en secundaire branden in de omgeving ontstaan. Gevaar:
Brand
Effectafstand
50m
Koude BLEVE (LPG)
Provinciale weg
1% letaliteit
Een koude BLEVE wordt veroorzaakt door bijvoorbeeld een botsing. Hierdoor scheurt de tankauto open. Brandbaar gas komt vrij en ontsteekt direct. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. De effecten van een koude BLEVE zijn hittestraling, overdruk en scherfwerking. Deze effecten kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken. Gevaar:
Explosie
Effectafstand
200m 1% letaliteit
Wolkbrandexplosie (LPG)
Provinciale weg
Een wolkbrand ontstaat wanneer een tot vloeistof verdicht gas in een tankauto bij instantaan falen onder druk expandeert tot een dampwolk die ontsteekt door aanwezigheid van een externe ontstekingsbron (vertraagde ontsteking). Een wolkbrand geeft zowel een drukgolf als een intense warmtestraling Deze effecten kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken. Gevaar:
Explosie
Effectafstand
200m 1% letaliteit
5.3.3 Fakkelbrand
Beschrijving scenario’s voor de aardgastransportleidingen Aardgastransportleidingen
Een volledige breuk van de aardgastransportleiding kan optreden als gevolg van een (ernstige) beschadiging. Bijvoorbeeld als gevolg van een graafwerkzaamheden, uitgevoerd door derden, in de directe omgeving van de aardgastransportleiding. Indien de aardgastransportleiding ineens breekt, komt een grote hoeveelheid aardgas vrij. Dit aardgas zal in de meeste gevallen direct ontsteken, wat een (verticale) fakkel tot gevolg heeft. De fakkel kan afhankelijk van de eigenschappen van de aardgastransportleiding tot een hoogte van enkele honderden meters reiken. Binnen de fakkel zullen mensen komen te overlijden als gevolg van de grote warmtestraling. Gevaar:
Explosie
Effectafstand
200m 1% letaliteit
8
Veiligheidsregio Amsterdam Amstelland, Et all. 2019: Scenarioboek externe veiligheid, https://www.scenarioboekev.nl/, geraadpleegd 7 juli 2020. 22 april 2025
ONDERZOEK EXTERNE VEILIGHEID
BA7668-107-100IPRP002F04
22
Projectgerelateerd
5.3.4
Beschrijving scenario’s voor GBI GBI
Fakkelbrand
Falen slokkenvanger Ten gevolge van een breuk in één van de slokkenvangers van de gasbehandelingsinstallatie ontstaat er een brandende vloeistofjet met een effectafstand van enkele honderden meters, gevolgd door een brandende gasuitstroom (fakkelbrand) met eveneens een effectafstand van enkele honderden meter. Afhankelijk van de wijze van afsluiten van de gasstroom door de NAM (automatisch of handmatig) duurt de fakkelbrand 2 tot 10 minuten. Binnen de fakkel zullen mensen komen te overlijden als gevolg van de hoge warmtestraling. Dit gaat om een gebied variërend tussen de 306- 575 meter (35kW/m2) vanaf één van de slokkenvangers. Op grotere afstand van de fakkel (variërend tussen de 359- 606 meter=10kW/m2) worden personen tegen de warmtestraling van de fakkel beschermd indien zij zich binnen een gebouw bevinden. Tevens bestaat bij dit scenario de kans op brandoverslag naar gebouwen die in de directe omgeving van het incident zijn gelegen en kunnen secundaire branden in omgeving ontstaan. Het falen van een slokkenvanger zal niet leiden tot een explosie maar tot een zeer luid geluid (90 dB). Dreiging falen slokkenvanger Het scenario ‘dreiging falen slokkenvanger’ is relevant wanneer de ‘operations supervisor’ van de NAM constateert dat er- door welke oorzaak dan ook ontstaan- sprake is van een actueel risico voor van één van de slokkenvangers.
Dit kan zich voordoen door van buiten komend onheil (bomaanslag of neerstortend vliegtuig) of door een lekkage van de (hoge druk) slokkenvanger. Wanneer er sprake is van een lekkage, zal dit in eerste instantie leiden tot het vrijkomen van een brandbare wolk van aardgas/aardgascondensaat (gas/vloeistofjet). Of deze jet aanleiding is voor het van toepassing verklaring van het scenario ‘falen slokkenvanger’ is onder andere afhankelijk van de omvang van de jet en de kans op ontsteking. Gevaar:
Brand
Effectafstand
600m 1% letaliteit
Plasbrand en toxische wolk
GBI
Ten gevolge van een aanvaring of lekkage kan maximaal tot 225m3 aardgascondensaat uitstromen in het Noordhollandsch Kanaal. Dit aardgascondensaat vormt vervolgens een vloeistofplas van meer dan een kilometer (diameter) op het water. Afhankelijk van de stroming kan de plas zich in de richting van het gemaal Heldsdeur verplaatsen. Daarnaast zal de plas gaan verdampen, wat leidt tot aardgascondensaatdamp. Deze damp is toxisch en brandbaar. Wanneer de vloeistofplas ontsteekt, kan een zeer grote plasbrand ontstaan. Door de hitte en de giftige dampen die hierbij vrijkomen ontstaat er grote hinder en mogelijk brand in de tanker aan de verlaadkade. Dit kan leiden tot (dodelijke) slachtoffers. Gevaar:
Brand en gifwolk
Effectafstand
nnb 1% letaliteit
22 april 2025
ONDERZOEK EXTERNE VEILIGHEID
BA7668-107-100IPRP002F04
23
Projectgerelateerd
5.3.5
Beschrijving scenario voor ontplofbare stoffen/munitie
Voor de inrichtingen met ontplofbare stoffen/munitie is het scenario ontsteking munitie van toepassing. Het gaat hierbij om de volgende risicobronnen: Munitiecomplex ‘t Kuitje Vliegen met munitie op vliegveld Kooy Explosie Door een incident (bijvoorbeeld brand of een andere impact) bij op opslag van ontplofbare stoffen/munitie kan de munitie ontsteken waarbij een explosie plaatsvindt. De geeft zowel een drukgolf als een warmte straling. In de directe nabijheid is er sprake van zware verwoesting en zullen aanwezigen komen te overlijden. Op grotere afstand is de kans op overlijden kleiner en kunnen de aanwezigen (zwaar) gewond raken. Verder zal er sprake zijn van schade aan gebouwen (ruiten en constructie beschadigen) en treden er secundaire branden op. Gevaar:
Explosie
Veiligheidsafstand
nnb 1% letaliteit
5.4
Rampenbestrijding
Het Bevi, Bevt en het Bevb geven aan dat bij de verantwoording van het groepsrisico ingegaan moet worden op de mogelijkheden voor rampenbestrijding. De ‘Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico’ geeft aan hoe hieraan uitwerking te geven. Hieruit volgt dat de rampenbestrijding op twee aspecten beoordeeld dient te worden: Is het rampscenario bestrijdbaar?; Is het gebied voldoende ingericht om de bestrijding te faciliteren? Deze paragraaf gaat in op de maatgevende scenario’s van de relevante risicobronnen. Tevens is de rampenbestrijding beoordeeld. Hierbij is gebruik gemaakt van het Scenarioboek externe veiligheid en het rampenbestrijdingsplan Maritieme basis Den Helder. 9
5.4.1
Bestrijdbaarheid
Plasbrand (N250) De snelle ontwikkeltijd en de hittestraling van dit scenario maakt bronbestrijding niet mogelijk. De effectbestrijding richt zich daarom op het blussen van de plasbrand met een schuimvormend blusmiddel en op het blussen van eventuele secundaire branden in de omgeving. Koude BLEVE en Wolkbrandexplosie (N250) De koude BLEVE treedt plots op als gevolg van bijvoorbeeld een mechanische beschadiging van de tankauto en heeft een snelle ontwikkeltijd. Hierdoor zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding richt zicht op het bestrijden van secundaire branden. Voor de wolkbrand geldt hetzelfde als voor de koude BLEVE ondanks de iets langere ontwikkeltijd. Ook hier is het scenario niet bestrijdbaar en richt de effectbestrijding zich op het bestrijden van eventuele secundaire branden. Volledige breuk van de aardgastransportleiding (aardgastransportleidingen) De hulpverleningsdiensten richten zich bij een volledige breuk van de aardgastransportleidingen op het redden van mensen, het ontruimen van het gebied en het afschermen van de omgeving met behulp van 9
Rampenbestrijdingsplan Maritieme basis Den Helder. Maart 2014, versie 2.0, Veiligheidsregio Noord-Holland Noord.
22 april 2025
ONDERZOEK EXTERNE VEILIGHEID
BA7668-107-100IPRP002F04
24
Projectgerelateerd
waterschermen en het blussen van secundaire branden. Uit het scenarioboek Externe veiligheid 10 blijkt dat ten tijde van fakkelbrand het repressieve optreden van de brandweer zich beperkt tot de 12,5 kW/m2grens. Dit is een gebied dat overeenkomt met de 1% letaliteit (invloedsgebied). Anders gezegd: brandweeroptreden is alleen mogelijk buiten het gebied waarbinnen slachtoffers kunnen vallen. Het optreden van de brandweer kan daardoor niet voorkomen dat mensen binnen het invloedsgebied komen te overlijden, op het moment dat het aardgas dat vrijkomt, ontstoken is geraakt. Na afloop van de fakkelbrand kan de brandweer zich ook richten op het blussen van secundaire branden binnen het invloedsgebied van de hoge druk aardgastransportleidingen. Falen slokkenvanger (GBI) Bij dit scenario zal de brandweer zich lokaliseren op de uitgangsstellingen. Deze dienen te liggen buiten de 1 kW/m2 contour. Aangezien de ligging van de 1 kW/m2 uit de QRA verschilt ten opzichte van de 1 kW/m2 uit het rampenbestrijdingsplan, zal door de Veiligheidsregio in overleg met de NAM nagegaan moeten worden of de ligging van de uitgangstellingen conform het rampenbestrijdingsplan heroverwegen moeten worden. Bij dit scenario betreden de hulpverleners pas het rampterrein als door de NAM is doorgegeven dat er geen risico bestaat dat één van de andere slokkenvangers het zal begeven.
Het falen van een slokkenvanger kan namelijk een initiator zijn voor opvolgend falen van een andere slokkenvanger. Bij dit scenario zullen de hulpverleningsdiensten zich richten op het redden van mensen, het ontruimen van het gebied en, indien mogelijk, het afschermen van de omgeving met behulp van waterschermen en het blussen van secundaire branden. Ten tijde van fakkelbrand beperkt het repressieve optreden van de brandweer zich tot de 10 kW/m2-grens (486-805 meter). Dit is een gebied dat overeenkomt met de 1% letaliteit (invloedsgebied). Anders gezegd, brandweeroptreden is alleen mogelijk buiten het gebied waarbinnen slachtoffers kunnen vallen. Het optreden van de brandweer kan daardoor niet voorkomen dat mensen binnen het invloedsgebied komen te overlijden, op het moment van de fakkelbrand. Na afloop van de fakkelbrand kan de brandweer zich ook richten op het blussen van secundaire branden binnen het invloedsgebied van de GBI. Dreiging falen slokkenvanger (GBI) Bij dit scenario richten de hulpverleners zich op het ontruimen van het bedreigende gebied zonder dat de hulpverleners dit gebied betreden. De brandweereenheden wachten op de uitgangsstellingen tot dit scenario is beëindigd dan wel tot het scenario ‘falen slokkenvanger’ in werking is getreden.
Net zoals bij het scenario ‘falen slokkenvanger’ geldt, dient ook vanwege de grotere effectafstanden uit de QRA, de locatiekeuze van de uitgangsstellingen heroverwogen te worden. Uitstroom aardgascondensaat verlaadkade (GBI) Bronbestrijding is bij dit scenario niet mogelijk. De brandweer zal zich met name richten op het blussen van de plasbrand, het voorkomen van de vorming van toxische dampen door het inzetten van (schuimvormend) blusmiddel en het blussen van secundaire branden. Explosie (ontplofbare stoffen/munitie) De ontwikkeltijd bij een explosie door ontplofbare stoffen is klein. Hierdoor zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden. Het scenario is niet bestrijdbaar en zal de effectbestrijding gericht zijn op het bestrijden van eventuele secundaire branden.
10
Bron: www.scenarioboekev.nl, scenariokaart hogedruk aardgastransportleiding, geraadpleegd op 16 juli 2020.
22 april 2025
ONDERZOEK EXTERNE VEILIGHEID
BA7668-107-100IPRP002F04
25
Projectgerelateerd
5.4.2
Inrichting gebied
Om de aanwezigen in het gebied zo goed mogelijk te kunnen helpen, is het van belang dat het plangebied en het gebied rondom de risicobronnen voldoende is ingericht om de bestrijding van de relevante scenario’s te faciliteren door ervoor te zorgen dat: 1 De bereikbaarheid van het blootgestelde gebied voldoende is; 2 De inzetbaarheid van middelen mogelijk is (bluswatervoorzieningen en inzet materieel); 3 Er voldoende opstelmogelijkheden zijn in het blootgestelde gebied. Aardgastransportleidingen Vanwege het gegeven dat ten tijde van een fakkelbrand hulpverleners het invloedsgebied van de aardgastransportleidingen niet kunnen binnentreden door de te hoge hittestraling, is het irrelevant voor aardgastransportleidingen om bereikbaar te zijn voor hulpverleningsvoertuigen. Ook is het om die reden niet nodig dat er voldoende opstelplaatsen en blusmiddelen nabij de aardgastransportleidingen aanwezig zijn. GBI Voor de GBI is een rampenbestrijdingsplan opgesteld. 11 Op basis hiervan kan worden gesteld dat de GBI voldoende bereikbaar is en dat er voldoende opstelplaatsen en middelen aanwezig zijn. Wegen Aangezien voor de relevante scenario’s geen bronbestrijding mogelijk is, is het niet noodzakelijk dat de wegen bereikbaar zijn voor hulpverleningsvoertuigen en dat er voldoende opstelplaatsen en blusmiddelen nabij de wegen aanwezig zijn. Dit geldt echter niet voor de omgeving van de wegen.
Zie hiervoor het kopje ‘plangebied’. Ontplofbare stoffen/munitie Aangezien voor het scenario explosie geen bronbestrijding mogelijk is, is het niet noodzakelijk dat de opslaglocaties goed bereikbaar zijn voor hulpverleningsvoertuigen en dat er voldoende opstelplaatsen en blusmiddelen nabij de wegen aanwezig zijn. Dit geldt echter niet voor de omgeving van de opslaglocaties. Zie hiervoor het kopje ‘plangebied’. Plangebied Het plangebied dient voor de hulpdiensten bereikbaar te zijn en voorzien te zijn van voldoende blusmiddelen en opstelplaatsen. Over het algemeen kan worden gesteld dat het plangebied hieraan voldoet.
5.5
Zelfredzaamheid
De ‘Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico’ beschrijft zelfredzaamheid als: “de mogelijkheid om zichzelf te kunnen onttrekken aan dreigend gevaar zonder daadwerkelijke hulp van de hulpverleningsdiensten”. De mate van succes van zelfredzaamheid hangt hierbij af van twee aspecten: Wat zijn de mogelijkheden om slachtoffers te voorkomen, gezien het maatgevende scenario?; Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Daarnaast is het belangrijk om te onderzoeken of het plangebied objecten toelaat voor verminderd zelfredzame personen. In dit hoofdstuk wordt de zelfredzaamheid beoordeeld aan de hand van de maatgevende scenario’s, waarbij wordt ingegaan op de bovengenoemde aspecten.
11
Bron: rampenbestrijdingsplan gemeente Den Helder, gasbehandelingsinstallatie NAM, oktober 2011.
22 april 2025
ONDERZOEK EXTERNE VEILIGHEID
BA7668-107-100IPRP002F04
26
Projectgerelateerd
5.5.1
Mogelijkheid voorkomen slachtoffers
Plasbrand (wegen) De ontwikkeling van dit scenario zal vrij snel plaatsvinden waardoor vluchten niet altijd mogelijk is. Slachtoffers zullen vooral vallen onder de mensen in de plas of in de directe omgeving van de plas. Daarnaast bestaat de kans op brandoverslag naar gebouwen die in de directe omgeving van het incident zijn gelegen. Koude BLEVE en Wolkbrandexplosie (wegen) Bij een koude BLEVE en een wolkbrand zijn er geen mogelijkheden voor zelfredzaamheid, aangezien dit scenario in principe geen ontwikkeltijd kent. Aangezien een koude BLEVE geen ontwikkeltijd kent en maar enkele seconden duurt, is het niet mogelijk om voor het incident het gebied te ontvluchten en/of te schuilen. De inrichting van het plangebied is daarom niet bepalend voor de zelfredzaamheid bij dit type scenario. Voor de wolkbrand geldt hetzelfde als voor de koude BLEVE. Daarom is het niet nodig om extra eisen te stellen aan de inrichting van het gebied ten gevolge van een koude BLEVE en een wolkbrand. Fakkelbrand Vanwege het maatgevende scenario zijn de mogelijkheden voor zelfredzaamheid van de personen binnen het invloedsgebied van de aardgastransportleidingen zeer beperkt. Dit komt doordat het maatgevende scenario (vrijwel) geen ontwikkeltijd kent (maximaal twee minuten).
Voor de personen binnen het invloedsgebied betekent dit dat zij (vrijwel) geen tijd hebben (maximaal twee minuten) om zichzelf in veiligheid te brengen. In de worst case situatie, waarin het plangebied binnen de 100% letaliteitgrens ligt, zullen alle personen komen te overlijden ten gevolgde van de warmtestraling. Voor de situatie waarbij objecten buiten de 100% letaliteitsgrens van de aardgastransportleiding liggen, zijn de mogelijkheden voor zelfredzaamheid groter, mits de mensen zich binnen bevinden. De gebouwen bieden namelijk enige tijd bescherming tegen de warmtestraling. Voor de personen buiten de 100% letaliteit betekent dit, dat zij bij een incident met een aardgastransportleiding binnen moeten blijven en niet moeten vluchten. Falen slokkenvanger (GBI) Bij het falen van een slokkenvanger wordt ten aanzien van de zelfredzaamheid een fakkelbrand als worst case scenario beschouwd. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid van de personen binnen het invloedsgebied van de GBI zijn beperkt. Dit komt doordat het maatgevende scenario (directe ontsteking) vrijwel geen ontwikkeltijd kent. Voor de personen binnen het invloedsgebied betekent dit dat zij (vrijwel) geen tijd hebben om zichzelf in veiligheid te brengen. In de worst case situatie zullen alle personen binnen de 35 kW/m2- contour komen te overlijden ten gevolgde van de warmtestraling.
Wanneer er geen directe ontsteking plaatsvindt zal het, gezien de omvang van de 10 kW/m2- contour, ook voor veel mensen niet mogelijk zijn het gebied te ontvluchten binnen een blootstellingsduur van 20 seconden. De enige mogelijkheid om te overleven is dan de mogelijkheid tot schuilen (binnen blijven). Het onderzoek naar het legeringsgebouw heeft aangetoond dat personen in dit gebouw voldoende beschermd zijn tegen dit scenario. Dreiging falen slokkenvanger (GBI) Bij dit scenario wordt geadviseerd de omgeving van het gebied te verlaten. Om de bewoners te alarmeren worden de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) ingezet. Indien mogelijk wordt ook NL-alert ingezet. Tevens wordt de omgeving ook via RTV-NH geïnformeerd om het gebied te verlaten. 22 april 2025
ONDERZOEK EXTERNE VEILIGHEID
BA7668-107-100IPRP002F04
27
Projectgerelateerd
Uitstroom aardgascondensaat verlaadkade (GBI) Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis. Die wordt bepaald door de blootstellingsduur en de concentratie waaraan een persoon is blootgesteld. Aangenomen wordt dat personen die zich binnen in een van de buitenlucht afgesloten ruimte bevinden een 10 keer zo lage kans hebben om te overlijden als personen die zich buiten bevinden. 12 Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk is om te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Om te kunnen schuilen is het belangrijk dat de aanwezigen hierover tijdig worden gealarmeerd. Dit gebeurt met behulp van de WAS-palen en NL-Alert. Tevens wordt de omgeving ook via RTV-NH geïnformeerd om binnen te blijven en ramen en deuren te sluiten. Explosie (inrichtingen met ontplofbare stoffen/munitie) Bij een explosie zijn er geen mogelijkheden voor zelfredzaamheid, aangezien dit scenario in principe geen ontwikkeltijd kent. Het scenario duurt seconden, het is daarom niet mogelijk om voor het incident het gebied te ontvluchten en/of te schuilen. De inrichting van het plangebied is daarom niet bepalend voor de zelfredzaamheid bij dit type scenario.
Daarom is het niet nodig om extra eisen te stellen aan de inrichting van het gebied ten gevolge van een koude BLEVE en een wolkbrand. Maatregelen zijn genomen in het kader van de omgevingsvergunning gedeelte milieu. Hiervoor heeft ook afstemming plaatsgevonden met alle stakeholders.
5.5.2
Inrichting plangebied
Bij de inrichting van het plangebied dient rekening te worden gehouden met het aspect externe veiligheid. Zoals de vluchtroutes en bouwkundige aspecten. Het plangebied betreft echter een bestaande situatie, waarbij geen nieuwe ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt. Over het algemeen kan wel worden gesteld dat de aanwezigen in het plangebied de mogelijkheid hebben om te vluchten van de risicobron af.
5.5.3
Verminderd zelfredzame personen
Op basis van de risicokaart bevinden zich in het plangebied geen objecten die primair bedoeld zijn voor verminderd zelfredzame personen. 13 Daarom is aangenomen dat de aanwezigen in het plangebied in het algemeen in staat zijn om zichzelf in veiligheid te brengen/te vluchten (indien relevant) zonder hulp van anderen. Er kan echter niet met 100% zekerheid worden uitgesloten dat zich in het gebied op enig moment verminderd zelfredzame personen bevinden.
5.5.4
Risicocommunicatie
De voorlichting met betrekking tot een calamiteit vindt plaats op basis van het Regionaal Crisis Plan Den Helder – 1 januari 2012. (laatste versie op te geven door de brandweer)
12 13
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 3 (PGS 3), Guidelines for quantitative risk assessment www.risicokaart.nl geraadpleegd op 16 juli 2020.
22 april 2025
ONDERZOEK EXTERNE VEILIGHEID
BA7668-107-100IPRP002F04
28
Projectgerelateerd
6
Risicobeoordeling transport van gevaarlijke stoffen over N250
Over de N250 nabij het plangebied worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. Dit betreft voornamelijk GF3, (Bijvoorbeeld LPG wat getransporteerd wordt naar LPG-tankstations binnen de bebouwde kern van Den Helder). De N250 valt niet onder de Regeling basisnet. Over de N250 zal nooit meer vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvinden dan over de N9 en N99 waarvoor wel gegevens beschikbaar zijn. Gebaseerd op de transportgegevens van de Regeling basisnet van de aanliggende routes N9 en N99, vinden er maximaal 500 transporten GF3 (lpg) per jaar plaats. Eventuele andere stofcategorieën zijn niet beoordeeld maar voor het bepalen van het groepsrisico is het transport van GF3 maatgevend. Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico, zijn beoordeeld op basis van de vuistregels uit de Handleiding risicoanalyse transport, bijlagen (HART) 14. Om de weg te beoordelen in het kader van externe veiligheid dient de aanwezige bevolking rond de weg geïnventariseerd te worden. Op basis van de HART is het voldoende nauwkeurig om de aanwezige bevolking te inventariseren tot 300 meter van de weg. Tevens dienen de wegkarakteristieken te worden bepaald. De N250 is een weg buiten de bebouwde kom met een snelheid van 80 kilometer per uur met tweezijdige bebouwing. De dichtstbijzijnde bevolking langs de N250 bevindt zich op 70 meter ten westen en ruim 100 meter ten oosten van de weg.
Figuur 6 Ligging N250 t.o.v. bebouwing (rode lijnen)
14
RIVM,2017; Handleiding risicoanalyse transport, versie 1.2, januari 2017. Bijlagen.
22 april 2025
ONDERZOEK EXTERNE VEILIGHEID
BA7668-107-100IPRP002F04
29
Projectgerelateerd
Plaatsgebonden risico Conform de vuistregels van de HART heeft een weg buiten de bebouwde kom geen 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour bij maximaal 500 transporten lpg. Er gelden dus geen beperkingen voor het oprichten van (beperkt) kwetsbare objecten ten gevolge van de weg. Groepsrisico Het groepsrisico komt conform tabel 1-5 van de vuistregels in de HART boven de 10% van de oriëntatiewaarde wanneer de bevolking op 70 meter van de weg boven de 70 personen per hectare ligt bij meer dan 5500 transporten. Gebaseerd op het aantal transporten in de getoetste situatie (maximaal 500) ligt het groepsrisico in de huidige situatie onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde, conform de vuistregels tabel 1-5. Rond het vliegveld ligt de bevolkingsdichtheid het hoogst, gebaseerd op de bevolkingsaantallen zoals gebruikt voor de groepsrisicoberekening van de NAM, op maximaal 50 personen per hectare. Voor de toekomstige situatie is aangenomen dat het aantal transporten niet zal toenemen, daarmee blijft het groepsrisico onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Om de 10% van de oriëntatiewaarde te overschrijden met gelijkblijvende transportaantallen moet de bevolkingsdichtheid volgens tabel 1-5 uit de HART op meer dan 200 personen per hectare liggen binnen 300 meter van de weg. Dit is niet aan de orde.
Verantwoording groepsrisico De verantwoordingsplicht is van toepassing indien het onderliggende bestemmingsplan gewijzigd wordt. Dit is in het kader van het facetbestemmingsplan voor de veiligheidscontour niet van toepassing, in het kader van een goede ruimtelijke ordening is deze wel meegenomen. Indien onderliggend bestemmingsplan gewijzigd wordt dient op basis van het Bevt het groepsrisico van de N250 beperkt te worden verantwoord. Dit betekent dat er inzicht gegeven moet worden in: De mogelijkheden tot voorbereiding voor bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op de weg; De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp voordoet.
22 april 2025
ONDERZOEK EXTERNE VEILIGHEID
BA7668-107-100IPRP002F04
30
Projectgerelateerd
7
Risicobeoordeling transport gevaarlijke stoffen per buisleiding
Buisleidingen waardoor aardgas met een druk ≥16 bar getransporteerd wordt vallen onder de werkingssfeer van het Bevb. De aanwezige buisleidingen liggen deels binnen de beoogde veiligheidscontour en hebben een invloedsgebied zoals op onderstaande afbeeldingen (fragment signaleringskaart) te zien is. De doorgetrokken lijnen geven de ligging van de 1%-letaliteitsgrens weer, (waarbij de kans op overlijden van een groep mensen maximaal 1% bedraagt) en de onderbroken lijnen is de 100%-letaliteitsgrens. Het groepsrisico van de buisleidingen wordt bepaald binnen de 1% letaliteitsgrens. Daarbij geldt dat de aanwezige bevolking binnen de 100%-letaliteitsgrens relatief het zwaarste meetelt.
Figuur 7: Ligging buisleidingen rond luchthaven en NAM-locatie (fragment Signaleringskaart externe veiligheid, september 2021)
22 april 2025
ONDERZOEK EXTERNE VEILIGHEID
BA7668-107-100IPRP002F04
31
Projectgerelateerd
Plaatsgebonden risico: De buisleidingen hebben geen 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontouren buiten de leidingstraat. De leidingen leveren daarom geen beperking op voor de oprichting van (beperkt) kwetsbare objecten op luchthaven de Kooy of op het Defensieterrein. Wel gelden er bebouwingsvrije zones (zogenaamde belemmeringsstroken, zie kader). Deze zijn in het vigerende bestemmingsplan aangegeven. Belemmeringsstroken Belemmeringsstroken zijn conform het Bevb, in de regel 5 meter breed aan weerszijden gemeten vanuit het hart van de leiding. In deze stroken gelden beperkingen voor niet aan de buisleiding gerelateerde bebouwing en voor graafwerkzaamheden. Voor de buisleidingstraat geldt een gecumuleerde strook die bebouwing aan de zuidkant en oostkant van de Luchthavenweg uitsluit.
Groepsrisico De groepsrisico’s van de verschillende buisleidingen liggen conform het externe veiligheidsonderzoek bij het vigerende bestemmingsplan (ruim onder de 0,01 maal de oriëntatiewaarde) ter hoogte van het plangebied. Berekeningen met recente bevolkingsgegevens (BAGpopulatieservice202101) laten zien dat de groepsrisico’s gelijk blijven. Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico dienen voor nieuwe ontwikkelingen binnen de invloedsgebieden, waarvoor het onderliggende bestemmingsplan dient te worden gewijzigd, opnieuw te worden getoetst. Verantwoording groepsrisico Op basis van het Bevb dient het groepsrisico van de buisleidingen beperkt te worden verantwoord. Dit betekent dat er inzicht gegeven moet worden in: De mogelijkheden tot voorbereiding voor bestrijding en beperking van de omvang van een ramp; De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp voordoet.
22 april 2025
ONDERZOEK EXTERNE VEILIGHEID
BA7668-107-100IPRP002F04
32
Projectgerelateerd
8
Conclusie
Het plangebied heeft betrekking op de gasbehandelingsinstallatie van de NAM, luchthaven De Kooy en de directe omgeving van beide activiteiten. Aanleiding voor het facetbestemmingsplan is de vaststelling van een zogenaamde veiligheidscontour op grond van het Besluit externe veiligheid inrichtingen rondom beide activiteiten. Voor het bestemmingsplan dient het groepsrisico van de volgende risicobronnen verantwoord te worden: Gasbehandelingsinstallatie NAM Den Helder Vervoer van gevaarlijke stoffen over de N250 Buisleidingenstrook (diverse hogedruk aardgastransportleidingen) Voor de opslag van munitie is verantwoording van het groepsrisico geen verplichting vanuit de relevante wet- en regelgeving in relatie tot externe veiligheid. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke zijn de risicobronnen wel beschouwd. Elementen verantwoording groepsrisico De gemeente Den Helder kan de volgende elementen gebruiken voor de verantwoording van het groepsrisico: Bevolking binnen plangebied De bevolking binnen het plangebied neemt niet toe. Hoogte groepsrisico Het groepsrisico van bijna alle relevante risicobronnen ligt onder de oriëntatiewaarde. Alleen het groepsrisico van de GBI ligt boven de oriëntatiewaarde. Dit is het gevolg van de combinatie van een kleine kans op een ongeval en een groot effect. Er zijn maatregelen onderzocht en getroffen om het risico bij de GBI te beperken.
Verder is er aandacht voor zelfredzaamheid en rampenbestrijding. Tevens geldt dat het groepsrisico van de risicobronnen niet verandert door de implementatie van de veiligheidscontour. Het is aan de gemeente om een afweging te maken over de aanvaardbaarheid van de groepsrisico’s. Maatregelen Voor het plan zijn geen bronmaatregelen of ruimtelijke maatregelen getroffen, omdat het plan conserverend van aard is. Wel zijn mogelijke maatregelen aan het legeringsgebouw van Defensie onderzocht. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid De mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid van een calamiteit verschillen per maatgevend scenario. De bestrijdbaarheid is voldoende georganiseerd. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid De mogelijkheden voor de zelfredzaamheid verschillen per maatgevend scenario. Over het algemeen is de zelfredzaamheid voldoende georganiseerd. Bij de implementatie van de veiligheidscontour in het bestemmingsplan kan nog wel aanvullend onderzoek gedaan worden naar de optimalisatie van de zelfredzaamheid, bijvoorbeeld door de inzet van NL-Alert. Convenant De implementatie van de Veiligheidscontour is een planologisch-juridisch instrument. Het is niet mogelijk om door vaststelling van de veiligheidscontour aanvullende bouwkundige eisen te stellen aan nieuwbouw binnen de veiligheidscontour.
Om deze reden heeft de stuurgroep aangegeven te willen kijken naar mogelijkheden om door het opstellen van convenant gezamenlijk afspraken te maken over eventuele
22 april 2025
ONDERZOEK EXTERNE VEILIGHEID
BA7668-107-100IPRP002F04
33
Projectgerelateerd
aanvullende preventieve veiligheidsmaatregelen in het gebied. Hierbij wordt gedacht aan de volgende maatregelen: • brandveiligheidsrapport legeringsgebouw; • ontvluchtingsplan opzetten; • borging afspraken tussen Veiligheidsregio NHN, NAM en defensie bij crisis.
22 april 2025
ONDERZOEK EXTERNE VEILIGHEID
BA7668-107-100IPRP002F04
34
Projectgerelateerd
Bijlage 1: Begrippenlijst Aandachtspunten Naast knelpunten zijn er voor omgevingsveiligheid enkele aandachtspunten. Aandachtspunten zijn in deze risico-inventarisatie gedefinieerd als locaties waar zich (beperkt) kwetsbare objecten in het invloedsgebied van een risicobron bevinden en waar bij wijzigingen in het groepsrisico het groepsrisico verantwoord dient te worden door het bevoegde gezag. Voor deze aandachtspunten geldt, dat bij veranderingen in de ruimtelijke ordening, die gepaard gaan met veranderingen in de personendichtheid of bij veranderingen aan de risicobron, het groepsrisico moet worden verantwoord 15. Het feit dat een situatie een aandachtspunt is, betekent niet dat een situatie per definitie onacceptabel is. Als het bevoegde gezag (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of Wet ruimtelijke ordening, afhankelijk van het type besluit dat genomen wordt) de situatie vanuit het oogpunt van omgevingsveiligheid aanvaardbaar acht, mag de situatie voortbestaan of ontwikkeld worden. In onderstaande paragraaf is toegelicht uit welke elementen deze toelichting van het groepsrisico bestaat. De verantwoordingsplicht van het groepsrisico is een bestuurlijke afweging, waarin het bevoegde gezag aangeeft of zij het besluit in kwestie aanvaardbaar vindt vanuit het oogpunt van externe veiligheid. In de verantwoording van het groepsrisico wordt o.a.
aandacht besteed aan de aspecten: • Zelfredzaamheid • Beheersbaarheid • (Ruimtelijke) alternatieven • Maatregelen • Omvang van het GR • Personendichtheden Bij de verantwoording wordt tevens aandacht besteed aan de scenario’s die kunnen optreden in geval van een calamiteit. Activiteitenbesluit Sinds 1 januari 2008 is op inrichtingen het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing. Als gevolg daarvan is er nogal wat veranderd in milieuvergunningenland. De standaard is niet meer ‘een vergunning, tenzij algemene regels’, maar ‘algemene regels tenzij vergunning’. Nu vallen de meeste inrichtingen onder de werking van het Activiteitenbesluit, tenzij er een vergunning moet worden aangevraagd. Ook op inrichtingen waarvoor nog steeds een vergunning moet worden aangevraagd, zijn delen van het Activiteitenbesluit van toepassing. Basisnet Vervoer Gevaarlijke Stoffen Het Basisnet (in werking per 1 april 2015) heeft als doel om bij de toewijzing van vervoerscapaciteit over een vervoersas rekening te houden met een vastgelegde risicoruimte. Deze risicoruimte dient dan tevens als randvoorwaarde voor ruimtelijke ontwikkelingen. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en het bevoegd gezag ruimtelijke ordening.
Het besluit (en bijbehorende regeling) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. De belangrijkste plichten voor de gemeente die een bestemmingsplannen opstelt zijn: Ruimtelijke reservering opnemen voor plaatsgebonden risico (PR) en verantwoording van groepsrisico (GR). Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. 15
Voor aardgasleidingen zijn de inventarisatieafstanden van de Gasunie gebruikt. Deze afstanden zijn nog niet wettelijk vastgelegd, maar door het Rivm wordt geadviseerd deze te gebruiken.
22 april 2025
BIJLAGE
BA7668-107-100IPRP002F04
A1
Projectgerelateerd
De belangrijkste plichten voor de exploitant van de buisleiding met gevaarlijke stoffen zijn: • Algemene zorgplicht in acht nemen ter voorkoming van ongewone voorvallen. • Leidingen aanleggen volgens de constructie eisen van de NEN 3650. • Veiligheidmanagementsysteem opstellen volgens de NTA 8000. Sanering uitvoeren binnen 3 jaar als een kwetsbaar object binnen de PR 10-6 contour ligt. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen in werking getreden. In het Bevi zijn risiconormen voor omgevingsveiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Het Besluit verplicht het bevoegde gezag op grond van de Wet milieubeheer en Wet ruimtelijke ordening afstand te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Tevens beperkt het besluit het totale aantal personen dat zich in de directe omgeving van een risicovol bedrijf mag bevinden. Gemeenten en provincies moeten de normen uit het besluit naleven bij het opstellen en wijzigen van bestemmingsplannen en bij het verlenen van milieuvergunningen. Tevens moet de brandweer om advies worden gevraagd. Afstemming tussen de drie taakvelden ruimtelijke ordening, milieu en rampenbestrijding is zodoende van groot belang. In onderstaand kader zijn de basisbegrippen van het Bevi toegelicht.
PR, GR, VGR en invloedsgebied PR Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron (inrichting of transportroute), aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. In het plaatsgebonden risico zijn in het kort twee verschillende kansen verwerkt: de kans dat een ramp, zoals het ontsnappen van een gevaarlijke stof, plaatsvindt; de kans dat een persoon daadwerkelijk overlijdt als gevolg daarvan. Deze kans mag conform het Bevi, Bevb en Bevt maximaal 1 op een miljoen (10-6) per jaar zijn. De norm van 10-6/jr geldt ten aanzien van zogenaamde kwetsbare objecten als grenswaarde, die niet mag worden overschreden, en ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten als richtwaarde. Het PR kan in de vorm van risicocontouren, die punten met eenzelfde PR verbinden, op kaart worden weergegeven. GR Cumulatieve kansen per jaar dat tenminste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting met gevaarlijke stoffen of vervoersas voor vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico is geen grenswaarde vastgesteld. Wel is er de zogeheten oriëntatiewaarde. Deze dient door het bevoegde gezag te worden gehanteerd bij beoordeling van de aanvaardbaarheid van het groepsrisico.
De oriëntatiewaarde is een lijn in een zogenaamde FN-curve. De oriëntatiewaarde voor inrichtingen ligt in de curve een factor 10 lager dan die voor vervoer van gevaarlijke stoffen.
22 april 2025
BIJLAGE
BA7668-107-100IPRP002F04
A2
Projectgerelateerd
VGR Op grond van artikel 12 en 13 van Bevi moet het GR van risicobronnen worden verantwoord (VGR) door het bevoegde gezag. Het gaat hier om een bestuurlijke afweging waarbij de vraag aan de orde is of de omvang van een zwaar ongeval, gegeven de kans daarop, maatschappelijk kan worden aanvaard. In een VGR dient een aantal onderwerpen te worden meegenomen, waaronder zelfredzaamheid bij en beheersbaarheid van een zwaar ongeval. Invloedsgebied Gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico van een risicobron. Het invloedsgebied voor het groepsrisico bij bedrijven is het gebied tot de 1% letaliteitgrens, behalve voor LPG-tankstations, waar de grens van het invloedsgebied op 150 meter is gesteld. Voor vervoersassen geldt in principe een vaste afstand van 200 meter als invloedsgebied.
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Het Besluit externe veiligheid transportroutes regelt het Basisnet wat betreft de ruimtelijke kant en richt zich tot het bevoegd gezag ruimtelijke ordening. In de bijbehorende Regeling Basisnet worden aan te houden afstanden weergegeven en is vermeld of wel of geen plasbrand aandachtsgebied van toepassing is om een transport-as. De consequenties van het Basisnet voor tracébesluiten e.d. is in andere wetgeving geregeld. Besluit Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen (RRGS) Inventarisatie van risicorelevante bedrijven is verplicht in kader van het RRGS. De resultaten zijn opgenomen in de RRGS website (www.risicoregister.nl). Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015) In dit besluit worden regels gesteld aan bedrijven die gevaarlijke stoffen opslaan of gebruiken. Aan de hand van de hoeveelheid gevaarlijke stoffen is er een lage en hoge drempelwaarde ingesteld. Bedrijven die de lage drempelwaarde overschrijden, moeten een beleid ontwikkelen om zware ongevallen te voorkomen: het Preventiebeleid zware ongevallen (PBZO). Bedrijven die boven de hoge drempelwaarde vallen, moeten een veiligheidsrapportage (VR) opstellen. Brzo-bedrijven moeten tevens beschikken over een veiligheidsbeheersysteem (VBS).
Bestaande situaties Een op het tijdstip van inwerkingtreding van het Bevi: • geldende Omgevingsvergunning-milieu; • vastgesteld bestemmingsplan of vrijstellingsbesluit op grond waarvan de bouw of vestiging van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten is toegelaten; • aanwezige kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Zie ook nieuwe situaties. Bevoegd gezag Het bevoegde gezag is de overheidsorganisatie die verantwoordelijk is voor de naleving van bepaalde wetgeving. In de regel is de gemeente of de provincie het bevoegde gezag, maar een waterschap of een ministerie kunnen ook bevoegd gezag zijn. Deze verantwoordelijkheid kan bestaan uit het afgeven van vergunningen, maar ook uit handhaving en het vaststellen van een bestemmingsplan. Dat is zorgen dat de regels worden nageleefd. Beheerders van (water)wegen, concessiehouders van buisleidingen en bedrijven zijn echter op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor de veiligheid en het naleven van de regels.
22 april 2025
BIJLAGE
BA7668-107-100IPRP002F04
A3
Projectgerelateerd
Buisleiding Ondergrondse of bovengrondse pijpleiding bestemd voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, niet liggend op het terrein van een inrichting. De normering van buisleidingen is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Crisisbeheersingsplan Een crisisbeheersingsplan is een organisatieoverzicht van de rampenbestrijding. Er staat in wat de bevoegdheden en taken van de gemeente zijn. Het crisisbeheersingsplan is het rampenplan van de gemeente, zoals bedoeld in de wet. Effect De effecten ten gevolge van: • explosie: het ontstaan van een drukgolf en/of warmtestraling; • brand; • toxisch: gevaar van vergiftiging door giftige gassen of dampen. Effectgebied Het effectgebied van een risicobron geeft aan tot op welke afstand er directe gezondheidseffecten kunnen zijn als er een ernstig ongeval bij de risicobron plaatsvindt. De kans dat een ongeluk gebeurt, is in het effectgebied niet verrekend. Dat is het belangrijkste verschil met risicocontouren. Explosie Een explosie of ontploffing geeft een korte maar krachtige drukgolf en een kortdurende, hevige warmtestraling. Dit zijn de belangrijkste veroorzakers van letsel bij mensen in de buurt van een explosie. Ook brokstukken als bijvoorbeeld glasscherven, die door de drukgolf rondvliegen, kunnen levensgevaarlijke verwondingen veroorzaken.
Explosies kunnen optreden bij: • brandbaar gas: bijvoorbeeld aardgas, propaan, butaan of LPG; • sommige vluchtige vloeistoffen; • patronen en andere munitie; • professioneel en consumentenvuurwerk; • sommige producten, zoals geconcentreerde kunstmest; • stof van bijvoorbeeld voedingsmiddelen, graan of hout. Facetbestemmingsplan Een facetbestemmingsplan is een bestemmingsplan waarbij het geldende bestemmingsplan ook na de herziening van kracht blijft. Het gaat bij dit soort plannen vaak om een kleine correctie van een bestemming (bijv. vergroting bouwblok woning) of van een voorschrift/ regel. Functionele binding Kwetsbare objecten die gerelateerd zijn aan de inrichting danwel aan het gebied waarvoor de veiligheidscontour is vastgesteld. Geprojecteerd object Nog niet aanwezig object dat op grond van het vigerende bestemmingsplan toelaatbaar is. Gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen zijn stoffen waarvan het gebruik, het vervoer of de opslag, risico’s met zich meebrengt. Het kan gaan om explosiegevaar, brand, giftigheid of radioactiviteit. De gevaren zijn vaak de keerzijde van nuttige eigenschappen van die stoffen. Het zijn vaak brandstoffen, of grondstoffen voor nuttige producten zoals medicijnen, kunststoffen en kunstmest of hulpstoffen die voor allerlei doeleinden worden gebruikt, bijvoorbeeld voor koelen, reinigen of conserveren. Daarnaast kan het ook om afvalstoffen gaan.
22 april 2025
BIJLAGE
BA7668-107-100IPRP002F04
A4
Projectgerelateerd
Grenswaarde Grenswaarde als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet milieubeheer. Van een grenswaarde mag niet worden afgeweken. Groepsrisico (GR) Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. Anders gezegd geeft het groepsrisico weer wat de kans is op het overlijden van een groep personen ten gevolge van een ongeval bij een bedrijf. Voor het groepsrisico is geen grenswaarde vastgesteld. Wel is er de zogeheten oriëntatiewaarde, deze dient door het bevoegde gezag (de vergunningverlener, zijnde de provincie of de gemeente) te worden gehanteerd bij de overwegingen over het groepsrisico. Deze oriëntatiewaarde is de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-5 per jaar (voor vervoer: 10-4), met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-7 per jaar (voor vervoer: 10-6) en met de kans op een ongeval met 1000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-9 per jaar (voor vervoer: 10-8). Hieronder is een FN-diagram weergegeven voor een inrichting met daarin als voorbeeld een FN-curve en tevens de oriëntatiewaarde.
LET OP: de oriëntatiewaarde voor vervoer van gevaarlijke stoffen ligt een factor 10 hoger dan die voor inrichtingen.
Groepsrisicoverantwoording Op grond van artikel 12 en 13 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), artikel 12 van het Bevb en artikel 7 en 8 van het Bevt moet het groepsrisico van zogenaamde risicobedrijven kunnen worden verantwoord. Het gaat hier om een bestuurlijke afweging waarbij de vraag aan de orde is of de omvang van een zwaar ongeval, gegeven de kans daarop, maatschappelijk kan worden aanvaard. Hoge-drempel inrichting Brzo 2015 In het Besluit risico's zware ongevallen (Brzo 2015) zijn criteria opgenomen waarmee wordt bepaald welke bedrijven een risico van zware ongevallen met zich meebrengen. Onderscheid wordt gemaakt tussen Brzo-bedrijven van de zware en de lichte categorie. Deze zware categorie wordt ook wel Hoge-drempel inrichting genoemd. Bedrijven van de zware categorie moeten onder andere een veiligheidsrapport hebben en een veiligheidsbeheerssysteem. Inrichting Het begrip ‘inrichting’ wordt in algemene zin gedefinieerd in artikel 1.1 lid 1 Wm. Daarin wordt het omschreven als: “Elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.” 22 april 2025
BIJLAGE
BA7668-107-100IPRP002F04
A5
Projectgerelateerd
Invloedsgebied Gebied waarin volgens bij regeling van de minister vast te stellen regels personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Het invloedsgebied voor het groepsrisico bij bedrijven is het gebied tot de 1% letaliteitgrens. Deze 1%-letaliteitgrens geeft de afstand aan van de risicovolle inrichting of transportroute tot een punt waarbij een daar aanwezige persoon nog een kans van 1% heeft om te overlijden ten gevolge van een ongeval binnen die inrichting. Kans op dodelijke slachtoffers Bij het externe veiligheidsbeleid wordt gesproken over risico’s. Hierbij gaat het om de kans dat er een ongeval gebeurt waarbij het effect is dat er dodelijke slachtoffers kunnen vallen. Het gaat hierbij om slachtoffers die direct en binnen 2 à 3 weken overlijden ten gevolge van dat ongeval. Naast het effect dat er dodelijke slachtoffers kunnen vallen, kunnen er ook veel gewonden zijn. Het effectgebied van een risicobron geeft aan tot op welke afstand er directe gezondheidseffecten kunnen zijn als er een ernstig ongeval bij de risicobron plaatsvindt. De effectbenadering is dan ook vooral van belang bij de repressietaak van de hulpverleningsdiensten, want het geeft het gebied aan waarbinnen zij moeten optreden.