CConstaterende datDen Helder
Koppel je AI →
Document · PDF

91524 - 261503 - Bijlage II - Natuurtoets.pdf.pdf

Gemeenteraad 10 februari 2025, gemeente Den HelderBij agendapunt: 15: Voorstel tot een bindend advies voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een boothuis op de helling naast Willemsoord 51a.15.096 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

N-min 1 34 1 5 1

N-max 2 35 1 6 1

Laatste datum 12-jul-94 04-jun-08 02-jun-06 04-jun-08 31-mrt-24

Figuur 10. Gegevens vogels uit de NDFF nabij de planlocatie.. Door uitvoering van de werkzaamheden buiten het broedseizoen zullen er geen effecten zijn op broedvogels. Bij het veldbezoek van 24 juli zijn ook geen broedende vogels in de nabijheid aangetroffen. Er dient een controle op broedvogels plaats te vinden als er in het broedseizoen en dus na 15 maart 2025 gestart wordt met de bouw. Slaapplaatsen Er zijn geen waarnemingen of andere aanwijzingen dat het plangebied als slaapplaats gebruikt wordt, de bouwlocatie is daar ook ongeschikt voor. Een effect op slaapplaatsen is uitgesloten.

Rapport 2024-49

31 7. ONDERZOEKSRESULTATEN BESCHERMDE GEBIEDEN 7.1 Ligging ten opzichte van Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt tussen de haven en het centrum van de stad Den Helder. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Waddenzee op ca. 550 meter. Het Natura-2000 gebied Duinen Den Helder – Callantsoog ligt op ca. 2,3 kilometer. Het plangebied ligt verder nog op ca. 3,4 kilometer afstand tot het Natura-2000 gebied Noordzeekustzone.

Figuur 11. Ligging ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Met rode pijl aanwijzing van het plangebied.

7.2 Gebiedsbeschrijving Waddenzee De Waddenzee bestaat uit een complex van diepe geulen en ondiep water met zand- en slibbanken waarvan grote delen bij eb droogvallen. Deze banken worden doorsneden door een fijn vertakt stelsel van geulen. Langs het vasteland en de eilanden liggen verspreid kweldergebieden, die door grote verschillen in vocht- en zoutgehalte bijdragen aan een zeer diverse flora en vegetatie. Enkele voorbeelden hiervan zijn de Boschplaat op Terschelling en Neerlands Reid op Ameland, waar op de overgang naar het duingebied bijzondere kweldervegetaties aanwezig zijn. Er is een nagenoeg ongestoorde hydrodynamiek en geomorfologie aanwezig, waarin natuurlijke processen zorgen voor instandhouding en ontwikkeling van karakteristieke ecotopen en habitats en de grenzen van land en water voortdurend wijzigen. Voor een verdere uitwerking van de instandhoudingsdoelstellingen wordt verwezen naar bijlage 9.4 Besluit Natura-2000 Waddenzee.

7.3 Effectenindicator Met behulp van de effectenindicator kan een verkenning worden uitgevoerd naar kansen op mogelijke significante effecten. De effectenindicator geeft u informatie over de gevoeligheid van soorten en habitattypen voor de meest voorkomende storende factoren, gebaseerd op absolute getallen voor biotische randvoorwaarden en kennis van ruimtelijke randvoorwaarden. Deze informatie is indicatief, want theoretisch en generiek. Voor daadwerkelijke informatie over schadelijke effecten en de significantie hiervan is maatwerk vereist. Omdat de werkzaamheden buiten het Natura-2000 gebied plaatsvinden zal in de aanlegfase mogelijk sprake zijn van de volgende storingsfactoren:

Rapport 2024-49

32 1. oppervlakteverlies 2. versnippering leefgebied 3. verzuring door N-depositie uit de lucht 4. vermesting door n-depositie uit de lucht 7. verontreiniging 8. verdroging 13. verstoring door geluid 14. verstoring door licht 15. verstoring door trilling 16. optische verstoring 17. Verstoring door mechanische effecten Habitatrichtlijnsoorten Uit de effectenindicator blijkt dat de zeezoogdieren Bruinvis, Gewone Zeehond en Grijze Zeehond zeer gevoelig zijn voor de storingsfactoren: geluid, licht, trilling en optische verstoring. Optische verstoring is niet van toepassing voor de Bruinvis. De storingsfactoren zullen in zeer beperkte mate optreden bij de aanleg fase. Door de afstand zullen er geen negatieve effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen. Vogelrichtlijnsoorten Uit de effectenindicator voor de Vogelrichtlijn soorten blijken de Bontbekplevier en Strandplevier, Dwergstern en Grote Stern als broedvogel zeer gevoelig te zijn voor optische verstoring (16).

7.4 Effectbepaling op Natura 2000-gebied Waddenzee 7.4.1 Beschrijving mogelijk effect op habitats Zoals vermeld in hoofdstuk 2 en 4 hebben niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied invloed op de staat van instandhouding van het gebied. Ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden beïnvloeden. Bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Per factor wordt beoordeeld in welke mate deze van toepassing is. De factoren zijn genummerd volgens de door SynbioSys.alterra 5 gebruikte systematiek. Om de effecten juist te interpreteren, zijn de factoromschrijvingen van Effectenindicator overgenomen. 1. Oppervlakteverlies Afname beschikbaar oppervlak leefgebied soorten. Leefgebied is hier gedefinieerd als al het leefgebied, uitgezonderd de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen. Het gaat bij deze factor dus bijvoorbeeld om foerageergebied en migratie- of vliegroutes van soorten. In de soortenstandaards van DLG heet dit functionele leefomgeving.

5

SynBioSys is de afkorting van ‘Syntaxonomisch Biologisch Systeem’. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat de basis van dit programma wordt gevormd door het niveau van de levensgemeenschap. Om een breed scala aan biologische informatie toegankelijk te maken worden classificatiesystemen ingezet op het niveau van de plantengemeenschap, het landschap en de soort. Hieraan zijn drie andere indelingen toegevoegd, de vegetatietypologie van Staatsbosbeheer, de Natura 2000-habitattypen en de Index-NL. Van belang is dat de verschillende lagen onderling gekoppeld zijn. Bron: Wageningen University & Research.

Rapport 2024-49

33 Het plangebied valt buiten het Natura 2000-gebied. De uitvoering van de werkzaamheden is ook van tijdelijke aard en zullen niet lijden tot verlies van oppervlakte. Een effect door de storingsfactor oppervlakteverlies is uitgesloten. 2. Versnippering leefgebied Van versnippering is sprake als de verschillende leefgebieden van een netwerk niet meer door soorten te bereiken zijn. Dat kan door aanleg van droge of natte infrastructuur, zoals een weg of een kanaal. Ook door het verdwijnen van leefgebied (factor 1) kan versnippering optreden. De voorgenomen nieuwbouw zal geen versnippering van leefgebied tot gevolg hebben voor het Natura 2000-gebied. Een effect van de storingsfactor versnippering is uitgesloten. 3. Verzuring door stikstof uit de lucht Verzuring van bodem of water is een gevolg van de uitstoot (emissie) van stikstof (stikstofoxide (NOx), ammoniak (NH3)). Deze verzurende stoffen komen via lucht of water in de grond terecht en leiden aldus tot het zuurder worden van het biotische milieu. De belangrijkste bronnen van verzurende stoffen zijn de landbouw, het verkeer en de industrie. De bouw fase en gebruiksfase zullen niet lijden tot extra stikstofdepositie op stikstofgevoelig habitat. Er zal geen verdere verzuring plaatsvinden. 4. Vermesting door stikstof uit de lucht Vermesting is in dit geval de 'verrijking' van ecosystemen door stikstofdepositie.

Het gaat daarbij om aanvoer door de lucht (droge en natte neerslag van ammoniak en stikstofoxiden). De bouw fase en gebruiksfase zullen niet lijden tot extra stikstofdepositie op stikstofgevoelig habitat. Er zal geen verdere vermesting plaatsvinden. 7. Verontreiniging Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen die onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling, geneesmiddelen etc. Deze stoffen werken in op bodem, grondwater, lucht. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een toename van ecosysteem / gebiedsvreemde stoffen in het Natura 2000-gebied. Een effect van de storingsfactor verontreiniging is uitgesloten. 8. Verdroging Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel. De actuele grondwaterstand is zo lager dan de gewenste/benodigde grondwaterstand. De beoogde verhoging van het parkeerterrein zal een stijging van de grondwaterstand in de omgeving veroorzaken. Met natte gebieden als De Bleekersvallei is dit alleen maar wenselijk. Een negatief effect van de storingsfactor verdroging is uitgesloten. 13.

Verstoring door geluid Verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen. Permanent, zoals geluid van wegverkeer, of tijdelijk, zoals geluidsbelasting bij evenementen. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. De storingsfactor geluid wordt bij de bouwwerkzaamheden veroorzaakt door de inzet van machines en het wegverkeer. Over het algemeen is geluid door bouw- en sloopactiviteiten afhankelijk van het materieel, de locatie en omgeving, de duur van de werkzaamheden en het tijdstip op de dag. Tijdens de werkzaamheden kunnen piekbelastingen van 104 decibel voorkomen. Deze piekbelastingen nemen in afstand tot de bron al snel af tot een aanvaardbaar niveau. De

Rapport 2024-49

34 werkzaamheden zullen overdag plaats vinden waardoor nachtactieve dieren als de noordse woelmuis en hermelijn geen hinder door geluid zullen ervaren. Daarnaast neemt geluid sterk af in afstand; zie kader.

Als je de afstand tot een geluidsbron verdubbeld neemt de hoeveelheid decibel af met 6 dB. Standaard wordt geluid op een afstand van 1 m gemeten. Als je dus op een afstand van 2 m van een gesprek van 50 dB zit, hoor jij maar 44 dB. Zit je op een afstand van 8 m, dan is dat 3 verdubbelingen. 1x2=2, 2x2=4 en 4x2=8. Dus 18 dB minder dan 50. Je hoort dan nog maar 32 dB. Geïllustreerd in een grafiek ziet de afname van geluid voor de piekbelasting van 104 dB(A) er zo uit.

Het geluid van ca. 60 dB is vergelijkbaar met: Airconditioning (50-75 dB), normale conversatie, wasmachine (50-75 dB), vaatwasser (55-70 dB), naaimachine, wasdroger, pianospel (60-70 dB), F16A straaljager op 6000 m hoogte (59 dB) Het Natura-2000 gebied Waddenzee ligt op ca. 230 meter van de planlocaties, achter de zeedijk. Op al 60 meter van de plangebieden is het geluid van de piekbelasting daar al afgenomen een aanvaardbaar niveau van ca. 60dB. De werkzaamheden zullen leiden tot piekbelastingen tot 104 decibel (A). Deze piekbelastingen zijn van korte duur en nemen op enige afstand al af tot een aanvaardbaar niveau. Een effect van de storingsfactor geluid op de instandhoudingsdoelstellingen is uitgesloten. 14. Verstoring door licht Verstoring door kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en industrieterreinen. Of, zoals mogelijk in dit geval, tijdens het plaatsen van de overkapping als er werkzaamheden voor zonsopkomst of na zonsondergang zullen plaatvinden. Met name schemer- en nacht actieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, doordat zij aangetrokken of juist verdreven worden door de lichtbron. Hierdoor raakt bijvoorbeeld hun ritme ontregeld of worden verlichte delen van het leefgebied vermeden.

Rapport 2024-49

35 De werkzaamheden worden bij daglicht uitgevoerd, waardoor het niet nodig is om kunstlicht buiten te gebruiken. Omdat geen kunstmatig licht gebruikt zal worden, is een effect van de storingsfactor licht op de instandhoudingsdoelstellingen uitgesloten. Verder zal verlichting “opgaan” in het overige beeld van de stad 15. Verstoring door trilling Er is sprake van trillingen in bodem en water als die door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals bij boren, heien, draaien van rotorbladen etc. In dit geval wordt alleen met een mobiele kraan gegraven, zodat geen meetbare trilling ontstaan. Een effect van trilling veroorzaakt door de werkzaamheden is uitgesloten. Daarmee is ook een effect op de instandhoudingsdoelstellingen uitgesloten. 16. Optische verstoring Optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. De werkzaamheden zullen niet tot een dusdanige optische verstoring leiden dat er een effect zal optreden dat van invloed is op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura-2000 gebied: effecten door optische verstoring zijn uitgesloten. 17. Verstoring door mechanische effecten Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten.

De oorzaken en gevolgen zijn bij deze storende factor zeer divers. Er zijn geen mechanische effecten te verwachten op het Natura-2000 gebied. Effecten op soorten en instandhoudingsdoelstellingen zijn uitgesloten.

7.4.2 Effecten op habitatrichtlijnsoorten Uit de effectenindicator blijkt dat de zeezoogdieren bruinvis, gewone zeehond en grijze Zeehond zeer gevoelig zijn voor de storingsfactoren: geluid, licht, trilling en optische verstoring. Dit laatste geldt niet voor de bruinvis. De storingsfactoren zullen in zeer beperkte mate optreden bij de aanleg fase. Door de afstand zullen er geen negatieve effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura-2000 gebied Waddenzee. Een effect van de werkzaamheden op het voorkomen van habitatrichtlijnsoorten binnen het Natura 2000-gebied is uitgesloten.

7.4.3 Effecten op vogelrichtlijnsoorten Vogelrichtlijn; Broedvogels De kleinschalige werkzaamheden aan de andere kant van de Waddenzeedijk zullen, ook door grote afstand tot broedgebieden binnen dit Natura-2000 gebied geen effect hebben op het voorkomen van onder de Vogelrichtlijn beschermde broedvogelsoorten. Een effect is daarmee uitgesloten. In de nabijheid van de planlocatie is ook geen broedgebied aanwezig. Een effect van de tijdelijke werkzaamheden op broedvogels binnen het Natura 2000-gebied Waddenzee is uitgesloten.

Rapport 2024-49

36 Vogelrichtlijn; Niet broedvogels Van de kleinschalige werkzaamheden om een afstand van meer dan 150 meter aan de achterzijde van de dijk zijn geen effecten te verwachten op soorten die volgens de vogelrichtlijn beschermd zijn. Een effect van de werkzaamheden is uitgesloten.

7.5 Effectbepaling overige Natura-2000 gebieden Gezien de afstand en de kleinschaligheid van de werkzaamheden, en de grote afstand van 2-3 kilometer van het Natura-2000 gebied Duinen Den Helder – Callantsoog en de Noordzeekustzone, zijn effecten door de relatief kleinschalige werkzaamheden uitgesloten.

7.6 Natuur Netwerk Nederland (NNN) De begrenzing van het Natuur Netwerk Nederland is op c. 2 kilometer van de planlocatie, zie figuur 12. Er zal door de werkzaamheden geen aantasting zijn van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Toetsing is niet nodig.

Figuur 12. Ligging planlocatie ten opzichte van Natuur Netwerk Nederland.

Rapport 2024-49

37 8. AERIUS CALCULATIE 8.1 Gebruiksfase Conform bouwbesluit zal de nieuwbouw gasloos zijn er daarmee emissie vrij. Voor de verkeersgeneratie is uitgegaan van een bedrijf arbeidsextensief / bezoekers extensief in de schil van het centrum in een matig stedelijk gebied; waarbij de kengetallen van het CROW uitkomen op 1,1 verkeersbeweging per etmaal per 100 m2 BVO. Tabel 5. Wegverkeer gebruiksfase per (werk)dag. (Gegevens Prommenz)

Voor de invoer resulteert dit dus 21,77687 verkeersbewegingen per werkdag en dus maximaal 21,77687 * 52 weken * 5 dagen = 5662 verkeersbewegingen

Wegverkeer

Richting N250 Aantal ritten per jaar

Licht verkeer

5662

Zwaar verkeer

104

8.2 Tijdelijke fase (bouwfase) Omdat er nog weinig bekend is over de bouw van de houtskeletbouw loods, is bij de Aerius calculatie uitgegaan van een zeer ruime inzet van machines. Hierbij is ook nog uitgegaan van worst case scenario, waarbij de bouwfase in het zelfde jaar is doorgerekend als een jaar gebruik. Hierdoor kan volstaan worden met één Aerius calculatie. Op de in die rapportage beschreven Aerius calculatie is uitgevoerd op basis van: ✓ De gehele bouwfase is in 1 rekenjaar opgeteld ✓ In het jaar van de bouwfase is ook één volledig jaar van de gebruiksfase doorgerekend. ➢ Hierdoor kan volstaan worden met één berekening. Tabel 6. Inzet machines tijdelijke werkzaamheden en technische gegevens Draai- Stage- Type BrandstofBron uren klasse motor verbruik Materieel Diverse machines 75 – 560 kW

Rapport 2024-49

AdBlue verbruik

brandstof 1000

IV

Diesel

10.000 l/j

600

38

Figuur 14. Invoer bouw machines en verkeer in 2025 Het bouwverkeer is verder weergegeven in tabel 7. Dit betreft dus de aan en afvoer van machines van tabel 6 en de aanvoer van bouwmaterialen. Tabel 7. Tijdelijk wegverkeer. Wegverkeer

Totaal aantal ritten

Zwaar vrachtverkeer

50

Licht verkeer

500

Invoer is opgenomen in de AERIUS_20240812213045_RXuqiuZcGRGs_Situatie1.gml

8.3 Resultaten. In figuur 15 zijn de resultaten van de Aerius calculator weergegeven.

Rapport 2024-49

39

Figuur 15. Resultaten Aerius calculatie bouwfase en 1 jaar gebruik. De bouwfase van de botenloods inclusief 1 jaar gebruik resulteert in een stikstofdepositie van minder dan 0,00 mol/ha/jaar. De invoer en uitkomst zijn opgenomen in de AERIUS_projectberekening_20240812212250_RmHBaQjUhQDQ_Situatie1.pdf

Rapport 2024-49

40 9. CONCLUSIES Noordkop Groen heeft van Zeestad en de gemeente Den Helder de opdracht gekregen voor het uitvoeren van een Natuurtoets in het kader van de voorgenomen nieuwbouw van een tijdelijke loods achter de bioskoop op Willemsoord te Den Helder. De beoogde bouwlocatie ligt op het kadastrale perceel HDR00 D 6300. De planning is om te starten met de nieuwbouw in het eerste kwartaal van 2025. Onderstaand zijn de conclusies uit de voorgaande hoofdstukken samengevat. Een nadere onderbouwing is in de betreffende hoofdstukken te vinden.

9.1 Soortbescherming Voor de volgende soortgroepen is een effect van de werkzaamheden uitgesloten: Vleermuizen Rugstreeppad Libellen Kleine marterachtigen Zandhagedis Dagvlinders Overige zoogdieren Vissen Vaatplanten Amfibieën Libellen Vogels Vergunning Flora- en fauna-activiteit Er is geen Vergunning Flora- en fauna-activiteit ten aanzien van soortenbescherming nodig voor de geplande werkzaamheden. Er dient een controle op broedvogels plaats te vinden als er later in het broedseizoen en na 15maart gestart wordt met de bouw.

9.2 Gebiedsbescherming In het kader van gebiedsbescherming van het Natura-2000 gebied Waddenzee is van de hieronder per factor weergegeven of er een eventueel effect is op habitats: 1. Oppervlakteverlies geen effect 2. Versnippering geen effect 3. Verzuring geen effect 4. vermesting geen effect 7. Verontreiniging geen effect 8. Verdroging geen effect 13. Verstoring door geluid geen effect 14. Verstoring door licht geen effect 15. Verstoring door trilling geen effect 16. Optische verstoring geen effect 17. Verstoring door mechanische effecten geen effect Habitatrichtlijnsoorten ➢ Een effect van de werkzaamheden op het voorkomen van habitatrichtlijnsoorten binnen het Natura 2000-gebied is uitgesloten. Vogelrichtlijnsoorten; broedvogels ➢ Een effect van de tijdelijke werkzaamheden op broedvogels binnen het Natura 2000-gebied Waddenzee is uitgesloten.

Rapport 2024-49

41 Vogelrichtlijnsoorten; niet-broedvogels ➢ Een effect van de werkzaamheden is uitgesloten. Overige Natura-2000 gebieden ➢ Gezien de ligging en de afstand tot het Natura-2000 gebieden Noordzeekustzone en Duinen Den Helder - Callantsoog zijn effecten door de relatief kleinschalige werkzaamheden uitgesloten. Natuur Netwerk Nederland ➢ Er zal door de werkzaamheden geen aantasting zijn van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Toetsing is niet nodig.

9.3 Stikstofdepositie Aerius calculatie De bouwfase van de botenloods inclusief 1 jaar gebruik resulteert in een stikstofdepositie van minder dan 0,00 mol/ha/jaar.

Noordkop Groen,

Ing. M.L. de Jong

Rapport 2024-49

Den Helder, 11 augustus 2024

42 10. BIJLAGEN BIJLAGE 10.1 GERAADPLEEGDE BRONNEN Natura 2000 : https://www.natura2000.nl/ https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek.aspx https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten Ruimtelijke ordening: http://www.ruimtelijkeplannen.nl/ https://bestanden.noord-holland.nl/internet/Onderwerpen/Natuur/nnn-wijzer/index.html https://noord-holland-extern.tercera-ro.nl/MapViewer/ https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten Soorten: Herder, J.E. (red.) 2010. Atlas van de Noord-Hollandse amfibieën en reptielen. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Stichting Ravon, Nijmegen. Herder, J.E., J. Kranenbarg, D.M. Hoogeboom, J. Hamers & K. Dekker (red.), 2012. Atlas van de Noord-Hollandse vissen. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Stichting Ravon, Nijmegen. Hoogeboom D.M., F. Visbeen, J. Wongergem, W. Ruitenbeek (red.) 2014. Atlas van de NoordHollandse zoogdieren. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Noord-Hollandse Zoogdier Studiegroep (NOZOS), Alkmaar. Scharringa, C.J.G., W. Ruitenbeek, P.J. Zomerdijk, 2010. Atlas van de Noord-Hollandse broedvogels 2005-2009. Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord-Holland & Landschap Noord-Holland, Heiloo.

Rapport 2024-49

43 10.2 Resultaten beschermde soorten NDFF tot op ca 1 km. Nederlandse naam Gewone dwergvleermuis Laatvlieger Ruige dwergvleermuis Bruinvis Bultrug Tuimelaar Walrus Gewone zeehond Grijze zeehond Boommarter Hermelijn Lederschildpad Rugstreeppad

N-waarnemingen 10 30 17 81 21 2 138 288 143 1 2 1 1

N-min 1 1 1 1 1 10 1 1 1 1 1 1 1

Nb. NDFF is geraadpleegd op 10 augustus 2024.

Rapport 2024-49

N-max 1 1 1 7 1 7 1 8 3 1 1 1 1

Laatste datum 12-mei-16 22-mei-89 24-feb-85 29-aug-29 13-mei-07 19-jul-19 18-okt-21 02-jul-01 06-mei-07 19-mei-08 05-aug-11 28-sep-09 18-mei-07

44 10.3 Besluit Natura 2000-gebied Waddenzee Habitatrichtlijn: habitattypen Het gebied is aangewezen voor de volgende natuurlijke habitats opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn, waarvoor het gebied een bijdrage levert aan de instandhouding op landelijk niveau. Ten behoeve van de nationale uitwerking van de Habitatrichtlijn is een deel van de habitattypen verdeeld in subtypen, vanwege de zeer ruime variatie in fysieke omstandigheden en soortensamenstelling. De namen van de habitattypen en daarvan afgeleide subtypen zullen verder met hun verkorte namen worden aangeduid. Wijzigingen ten opzichte van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze Nota van toelichting. H1110 Permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken H1140 Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten H1310 Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia spp.

en andere zoutminnende soorten H1320 Schorren met slijkgrasvegetatie (Spartinion maritimae) H1330 Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae) H2110 Embryonale wandelende duinen H2120 Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (“witte duinen”) H2130 *Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (“grijze duinen”) H2160 Duinen met Hippophaë rhamnoides H2190 Vochtige duinvalleien Habitatrichtlijn: soorten Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn, waarvoor het gebied een wezenlijke functie in de levenscyclus vervult. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de instandhouding op landelijk niveau. H1014 Nauwe korfslak H1351 Bruinvis H1095 Zeeprik H1364 Grijze zeehond H1099 Rivierprik H1365 Gewone zeehond H1103 Fint H1903 Groenknolorchis H1340 Noordse woelmuis Vogelrichtlijn: vogelsoorten Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage I van de Vogelrichtlijn: a.

in de aanhef bedoelde speciale beschermingszone geldt als te zijn aangewezen voor de volgende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 79/409/EEG: A034 Lepelaar A140 Goudplevier A037 Kleine zwaan A157 Rosse grutto A045 Brandgans A191 Grote stern A081 Bruine kiekendief A193 Visdief A082 Blauwe kiekendief A194 Noordse stern A103 Slechtvalk A195 Dwergstern A132 Kluut A197 Zwarte stern A138 Strandplevier A222 Velduil b. de in de aanhef bedoelde speciale beschermingszone geldt als te zijn aangewezen voor de volgende trekkende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 79/409/EEG: A005 Fuut A070 Grote zaagbek A017 Aalscholver A130 Scholekster A039 Toendrarietgans A137 Bontbekplevier A043 Grauwe gans A141 Zilverplevier A046 Rotgans A142 Kievit A048 Bergeend A143 Kanoet

Rapport 2024-49

45 A050 Smient A051 Krakeend A052 Wintertaling A053 Wilde eend A054 Pijlstaart A056 Slobeend A062 Topper A063 Eider A067 Brilduiker A069 Middelste zaagbek

Rapport 2024-49

A144 Drieteenstrandloper A147 Krombekstrandloper A149 Bonte strandloper A156 Grutto A160 Wulp A161 Zwarte ruiter A162 Tureluur A164 Groenpootruiter A169 Steenloper A183 Kleine mantelmeeuw

46 10.4 Storingsfactoren effectenindicator “woningbouw” op Waddenzee

Rapport 2024-49

47

Rapport 2024-49

48 1. Oppervlakteverlies • Kenmerk: afname beschikbaar oppervlak leefgebied soorten. Leefgebied is hier gedefinieerd als al het leefgebied, uitgezonderd de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen. Het gaat bij deze factor dus bijvoorbeeld om foerageergebied en migratieof vliegroutes van soorten. In de soortenstandaards van DLG heet dit: functionele leefomgeving. • Interactie andere factoren: verlies van oppervlakte leidt tot verkleining en in sommige gevallen ook tot versnippering van het leefgebied (zie aldaar). Een kleiner gebied heeft rand minder goed dan in het centrum van het gebied. Op deze manier leidt verlies oppervlakte mogelijk ook tot een grotere gevoeligheid voor bijvoorbeeld verdroging, verzuring of vermesting. Door verlies van leefgebied kan ook sprake zijn van storende factor 0. • Gevolg: Afname van het beschikbaar oppervlak foerageergebied of migratieroutes, kan ertoe leiden dat de soort zijn vaste voortplantings- rust- of verblijfplaats verlaat, waardoor de functionaliteit hiervan in het geding is. Denk bijvoorbeeld aan het geval dat foerageergrond van de roek verdwijnt waardoor de afstand tot de broedlocaties toeneemt en de soort gedwongen is om te verhuizen Door afname van het beschikbare oppervlak leefgebied neemt ook het aantal individuen van een soort af, waardoor de gunstige staat van instandhouding in gevaar kan komen.

Om duurzaam te kunnen voortbestaan moet elke soort uit een minimum aantal individuen bestaan; bij diersoorten wordt meestal van een minimum aantal paartjes (reproductieve eenheden) gesproken. Wanneer een populatie te klein wordt neemt de kans op uitsterven toe, zeker als deze populatie geen onderdeel uitmaakt van een samenhangend netwerk van leefgebieden. Bij een populatie die uit te weinig individuen bestaat, neemt ook de kans op inteelt toe en dus de genetische variatie af. Hierdoor wordt een populatie kwetsbaar voor veranderingen door bijvoorbeeld predatie, extreme seizoensinvloeden of ziekten. 2. Versnippering leefgebied • Kenmerk: van versnippering is sprake de verschillende leefgebieden van een netwerk, niet meer door soorten te bereiken zijn. Dat kan door aanleg van droge of natte infrastructuur, zoals een weg of een kanaal. Ook door het verdwijnen van leefgebied (factor 1) kan versnippering optreden. • Interactie andere factoren: treedt op ten gevolge van verlies leefgebied of verandering in abiotische condities van het leefgebied. Bij versnippering door infrastructuur kan ook sprake zijn van factor 18 als bijvoorbeeld sterfte optreedt door aanrijdingen. • Gevolg: Soorten zijn in verschillende mate gevoelig voor de versnippering van hun leefgebied.

Het meest gevoelig zijn soorten met een gering verspreidingsvermogen, soorten die zich over de grond bewegen en soorten met een grote oppervlaktebehoefte. Versnippering door barrières zoals wegen en spoorlijnen leidt mogelijk ook tot sterfte van individuen en kan zo effect hebben op de populatiesamenstelling. Bij versnippering moet men altijd goed rekening houden met het schaalniveau van het (meta)populatienetwerk van de soort. Als het leefgebied niet meer voldoende groot is voor een populatie, of individuen van één populatie kunnen de verschillende leefgebieden niet meer bereiken, neemt de duurzaamheid van de populatie af. Een gevolg kan zijn een verandering in de soortensamenstelling en eventueel het ecosysteem. 3. Verzuring door stikstof uit de lucht •

Kenmerk: Verzuring van bodem of water is een gevolg van de uitstoot (emissie) van stikstof (stikstofoxide (NOx), ammoniak (NH3)). Deze verzurende stoffen komen via lucht of water in de grond terecht en leiden aldus tot het zuurder worden van het biotische milieu. De belangrijkste bronnen van verzurende stoffen zijn de landbouw, het verkeer en

Rapport 2024-49

49

•

•

de industrie. LET OP: verzuring kan ook optreden ten gevolgen uitstoot van zwaveldioxide (SO2), en vluchtige organische stoffen (VOS). De effecten hiervan zijn niet meegenomen in deze beoordeling van de effectenindicator, in verband met een betere aansluiting op de PASgegevens voor stikstofgevoelige habitattypen en soorten met stikstofgevoelige leefgebieden. Zie ook het update-rapport op de hoofdpagina van de effectenindicator. Interactie andere factoren: De effecten van verzurende stoffen zijn niet altijd te scheiden van die van vermestende stoffen, omdat een deel van de verzurende stoffen ook vermestend werkt (aanvoer van stikstof). Gevolg: Verzuring leidt tot een directe of indirecte afname van de buffercapaciteit (het neutralisatievermogen) van bodem of water. Op termijn resulteert dit proces in een daling van de zuurgraad. Hierdoor zullen voor verzuring gevoelige soorten verdwijnen, wat kan resulteren in een verandering van het habitattype en daarmee mogelijk het verdwijnen van typische (dier)soorten, zoals bijvoorbeeld amfibieën en reptielen die voor hun voortplanting afhankelijk zijn van waterlichamen.

4. Vermesting door stikstof uit de lucht •

•

•

Kenmerk: Vermesting is in dit geval de 'verrijking' van ecosystemen door stikstofdepositie. Het gaat daarbij om aanvoer door de lucht (droge en natte neerslag van ammoniak en stikstofoxiden) LET OP: vermesting kan ook optreden door nitraat- en fosfaataanvoer via het oppervlaktewater. De effecten hiervan zijn niet meegenomen in deze beoordeling van de effectenindicator, in verband met een betere aansluiting op de PAS-gegevens voor stikstofgevoelige habitattypen en soorten met stikstofgevoelige leefgebieden. Zie ook het update-rapport op de hoofdpagina van de effectenindicator. Interactie andere factoren: Stoffen die leiden tot vermesting kunnen ook leiden tot verzuring. Vermesting (en verzuring) kunnen op hun beurt leiden tot verontreiniging van het oppervlakte- en grondwater. Gevolg: De groei in veel natuurlijke landecosystemen zoals bossen, vennen en heidevelden worden gelimiteerd door de beschikbaarheid van stikstof. Het gevolg van stikstof depositie is dat deze extra stikstof extra groei geeft. Daarbij is de beschikbaarheid van stikstof bepalend voor de concurrentieverhoudingen tussen de plantensoorten. Als de stikstofdepositie boven een bepaald kritisch niveau komt, neemt een beperkt aantal plantensoorten sterk toe ten koste van andere plantensoorten.

Dit heeft ook effect op de fauna doordat hierdoor verandering van het leefgebied optreden, waardoor een gebied ongeschikt wordt als bijvoorbeeld broed- of foerageergebied.

7. Verontreiniging • Kenmerk: Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, welke stoffen onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling (radioactief en niet radioactief), geneesmiddelen, endocrien werkende stoffen etc. Deze stoffen werken in op de bodem, grondwater, lucht. • Interactie andere factoren: geen directe interactie met andere factoren. Wel kan verontreiniging als gevolg van andere factoren optreden. • Gevolg: Vrijwel alle soorten en habitattypen reageren op verontreiniging. De ecologische effecten uiten zich in het verdwijnen van soorten en/of het beïnvloeden van gevoelige ecologische processen. Deze beïnvloeding kan direct plaatsvinden maar ook indirect via een opeenvolging van ecologische interacties. Bovendien kan verontreiniging zich pas vele jaren/decennia later manifesteren. De gevolgen van verontreiniging zijn divers en complex. In het algemeen kan gesteld worden dat aquatische habitattypen en soorten

Rapport 2024-49

50 gevoeliger zijn dan terrestrische systemen. Ook geldt dat soorten in de top van de voedselpiramide, als gevolg van accumulatie, van verontreinigingen gevoeliger zijn. Afhankelijk van de concentratie en duur van de verontreiniging zijn alle habitattypen en soorten gevoelig en kan verontreiniging leiden tot verandering van de soortensamenstelling. 8. Verdroging • Kenmerk: Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel. De actuele grondwaterstand is zo lager dan de gewenste/benodigde grondwaterstand. • Interactie andere factoren: verdroging kan ook leiden tot verzilting. Door verdroging neemt ook de doorluchting van de bodem toe waardoor meer organisch materiaal wordt afgebroken (oxidatie en inklinking van veen). Op deze wijze leidt verdroging ook tot vermesting. Er zijn ook gebieden waar verdroging kan optreden zonder dat de grondwaterstand in de ondiepe bodem daalt. Het gaat daarbij om gebieden waar van oudsher grondwater omhoogkomt. Dit water heet kwelwater. Kwelwater is water dat elders in de bodem is geïnfiltreerd en dat naar het laagste punt in het landschap stroomt. Kwelwater heeft dikwijls een bijzondere samenstelling: het is rijk aan ijzer en calcium, arm aan voedingsstoffen en niet zuur, maar gebufferd.

Schade aan de natuur die veroorzaakt wordt door een afname of het verdwijnen van kwelwater en het vervangen van dit type water met gebiedsvreemd water, noemen we ook verdroging. • Gevolg: de verandering in grondwaterstand en soms ook kwaliteit van het grondwater leidt tot een verandering in de soortensamenstelling en op lange termijn van het habitattype en dus leefgebied van diersoorten. Verdroging bedreigt ongeveer 40% van de inheemse planten in Nederland, die afhankelijk van de grondwaterstand en/of van specifieke kwelmilieus. Ook dieren, bijvoorbeeld insecten die voor hun voortplanting zijn aangewezen op specifieke grondwater- en/of kwelafhankelijke plantensoorten, of amfibieën die voor hun voortplanting afhankelijk zijn van waterlichamen, ondervinden hiervan schade. 13. Verstoring door geluid ➢ Kenmerk: verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen; permanent zoals geluid wegverkeer dan wel tijdelijk zoals geluidsbelasting bij evenementen. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. ➢ Interactie andere factoren: Treedt vaak samen met visuele verstoring op door bijv. vlieg- en autoverkeer, manifestaties etc. ➢ Gevolg: Logischerwijs zijn alleen diersoorten gevoelig voor direct effecten van geluid. Geluid sec is een belangrijke factor in de verstoring van fauna.

De verstoring door geluid wordt beïnvloed door het achtergrondgeluid en de duur, frequentie en sterkte van de geluidsbron zelf. Geluidsbelasting kan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen. Dit kan vervolgens weer leiden tot het verlaten van het leefgebied of bijvoorbeeld een afname van het reproductieproces. In bepaalde gevallen kan ook gewenning optreden, in het bijzonder bij continu geluid. Voor zeezoogdieren en vogels is in bepaalde gevallen deze dosis-effect relatie goed gekwantificeerd. 14. Verstoring door licht • Kenmerk: verstoring door kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en industrieterreinen, glastuinbouw etc. • Interactie andere factoren: geen? • Gevolg: Kunstmatige verlichting van de nachtelijke omgeving kan tot verstoring van het normale gedrag van soorten leiden. Naar mogelijke effecten is nog vrij weinig onderzoek gedaan. Veel kennis gaat daarom nog niet verder dan het kwalitatief signaleren van risico’s. Met name schemer- en nacht actieve dieren kunnen last hebben van verstoring

Rapport 2024-49

51 door licht, doordat zij juist aangetrokken worden of verdreven door de lichtbron. Hierdoor raakt bijvoorbeeld hun ritme ontregeld of verlichte delen van het leefgebied worden vermeden. 15. Verstoring door trilling • Kenmerk: Er is sprake van trillingen in bodem en water als dergelijke trillingen door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals bij boren, heien, draaien van rotorbladen etc. • Interactie andere factoren: kan vooral samen optreden met verstoring door geluid • Gevolg: Trilling kan leiden tot verstoring van het natuurlijke gedrag van soorten. Individuen kunnen tijdelijk of permanent verdreven worden uit hun leefgebied. Over het daadwerkelijke effect van trilling is nog zeer weinig bekend. Naar het effect op zeezoogdieren is wel onderzoek verricht. 16. Optische verstoring • Kenmerk: optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. • Interactie andere factoren: treedt vaak samen op met verstoring door geluid (in geval van recreatie) of trilling en licht (in geval van voertuigen, schepen). • Gevolg: optische verstoring leidt vooral tot vluchtgedrag van dieren. De soort reageert bijvoorbeeld op beweging omdat een potentiële vijand wordt verwacht.

Andersom kan optische verstoring juist ook het uitzicht van soorten beperken waardoor zij potentiële vijanden niet zien naderen. De daadwerkelijke effecten zijn zeer soort specifiek en hangen van de schuwheid van de soort en de mate waarin gewenning optreedt. Bovendien kunnen de effecten afhankelijk zijn van de periode van de levenscyclus van de soort: in de broedtijd zijn soorten over het algemeen schuwer en dus gevoeliger voor optische verstoring. 17. Verstoring door mechanische effecten • Kenmerk: Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. De oorzaken en gevolgen zijn bij deze storende factor zeer divers. • Interactie andere factoren: verstoring kan samenvallen met verstoring door geluid, licht en trilling. • Gevolg: deze storende factor kan leiden tot een verandering van het habitattype en/of verstoring of het doden van fauna-individuen. Bij habitattypen treedt de verstoring/verandering vaak op ten gevolge van recreatie of bijvoorbeeld militaire activiteiten. Het effect is zeer afhankelijk van de kwetsbaarheid (gevoeligheid) van het habitattype. Waterrecreatie en scheepvaart leiden tot golfslag, hetgeen effect kan hebben op de oeverbegroeiing en waterfauna. Luchtwervelingen van bijvoorbeeld windmolens kunnen leiden tot vogelsterfte.

Rapport 2024-49

52 12.5 Artikel 19 Natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen 1. Een bestemmingsplan voor gebieden aangeduid op kaart 4 en op de digitale verbeelding ervan als natuurnetwerk Nederland of als natuurverbinding strekt tot de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden. 2. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden. Bij het stellen van deze regels moeten de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden in acht worden genomen. 3. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid maakt geen nieuwe activiteiten mogelijk die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een vermindering van de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland of de natuurverbindingen, of van de samenhang tussen die gebieden. 4. In afwijking van het derde lid kan een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid nieuwe activiteiten mogelijk maken, indien: a. er sprake is van een groot openbaar belang; b. er geen reële alternatieven zijn, en; c. de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. 5.

Bij toepassing van het vierde lid voldoet het bestemmingsplan aan de ruimtelijke kwaliteitseisen als bedoeld in artikel 15 en is een bestemmingsplan in overeenstemming met het gestelde in artikel 5a of artikel 5c. 6. Voor zover het vierde lid, aanhef en onder c van toepassing is, is artikel 25, vierde lid, niet van toepassing. 7. De wezenlijke kenmerken en waarden als bedoeld in dit artikel zijn neergelegd in bijlage 3, Wezenlijke kenmerken en waarden natuurnetwerk Nederland provincie Noord-Holland bij de verordening. 8. Gedeputeerde staten kunnen, gehoord de desbetreffende commissie van provinciale staten, de begrenzing van het natuurnetwerk Nederland en de natuurverbindingen, als aangegeven op kaart 4 en de digitale verbeelding ervan, wijzigen: a. ten behoeve van een verbetering van de samenhang of een betere planologische inpassing van het natuurnetwerk Nederland, voor zover: * de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland worden behouden; en * de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland ten minste gelijk blijft; of b.

ten behoeve van een kleinschalige ontwikkeling, voor zover: * de aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden en de samenhang van het natuurnetwerk Nederland beperkt is; * de ontwikkeling per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland, of een vergroting van de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland; en * de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland ten minste gelijk blijft; of c. ten behoeve van de toepassing van het vierde lid. 9. Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van de wijze waarop compensatie als bedoeld in het vierde lid, aanhef en onder c, plaatsheeft, gehoord de desbetreffende commissie van provinciale staten.

Rapport 2024-49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.denhelder.nl/api/v1/meetings/2217/documents/23991