CConstaterende datDen Helder
Koppel je AI →
Document · PDF

91524 - 261503 - Bijlage II - Natuurtoets.pdf.pdf

Gemeenteraad 10 februari 2025, gemeente Den HelderBij agendapunt: 15: Voorstel tot een bindend advies voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een boothuis op de helling naast Willemsoord 51a.15.096 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Natuurtoets Omgevingswet

Nieuwbouw tijdelijke botenloods C2A, Willemsoord te Den Helder

Rapport 2024-49

2 Deze rapportage omvat: • • •

Quickscan flora en fauna Voortoets Natura 2000 Waddenzee Aerius calculatie

Uitvoerder:

Noordkop Groen Van Galenstraat 131 1782 EZ Den Helder Tel. 06-20005334 Email: Info@Noordkopgroen.nl

Opsteller:

Ing. M. L. de Jong

Paraaf:

Noordkop Groen is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van deze rapportage en bijbehorende werkzaamheden.

Project:

Nieuwbouw tijdelijke botenloods C2A, Willemsoord te Den Helder

Rapportnummer:

2024-49

Status:

Eindrapportage

Datum:

11 augustus 2024

Opdrachtgever:

Gemeente Den Helder

Contactpersoon:

Paul Franssen en Erya van IJzerloo (Prommenz)

Rapport 2024-49

3 INHOUD 1.

INLEIDING

5

2.

BESCHERMING CONFORM DE NATIONALE WETGEVING 2.1 Natura 2000-activiteit 2.2 Geen Natura 200-activiteit, wel nadelig voor Natura 2000-gebied 2.3 Flora- en fauna-activiteit 2.4 Vellen houtopstanden en herbeplanten 2.5 Vergunningplicht Natura 2000-activiteit 2.6 Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit 2.6.1 Vogels 2.6.2 Soorten van Habitatrichtlijn en verdragen 2.6.3 Soorten van het Bal 2.7 Stikstofdepositie 2.8 Natuur Netwerk Nederland (NNN) 2.9 Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL)

6 6 7 8 10 12 13 13 13 15 15 16 17

3.

DE ECOLOGISCHE BETEKENIS VAN STIKSTOF

18

4.

GEBIEDSBESCHRIJVING 4.1 Huidig gebruik planlocatie en omgeving 4.2 Beschrijving aanwezige biotopen 4.3 Te verwachten werkzaamheden 4.4 Toekomstig gebruik van de plangebieden

22 22 23 23 23

5.

ONDERZOEKSMETHODIEK

25

6.

ONDERZOEKSRESULTATEN BESCHERMDE SOORTEN 6.1 Beschermde soorten van Den Helder 6.2 Nationale databank Flora en Fauna 6.3 Vleermuizen 6.4 Grondgebonden zoogdieren 6.5 Amfibieën, reptielen en vissen 6.6 Libellen en vlinders 6.7 Vaatplanten 6.8 Vogels

26 26 26 27 28 28 29 29 29

7.

ONDERZOEKSRESULTATEN BESCHERMDE GEBIEDEN 7.1 Ligging ten opzichte van beschermde gebieden 7.2 Gebiedsbeschrijving Waddenzee 7.3 Effectenindicator 7.4 Effectbepaling op Natura 2000-gebied Waddenzee 7.4.1 Beschrijving mogelijk effect op habitats 7.4.2 Effecten op habitatrichtlijnsoorten 7.4.3 Effecten op vogelrichtlijnsoorten 7.5 Effectbepaling overige Natura-2000 gebieden 7.6 Natuur Netwerk Nederland

31 31 31 31 32 32 35 35 36 36

Rapport 2024-49

4 8.

AERIUS CALCULATIE 8.1 Gebruiksfase 8.2 Tijdelijke fase (groot onderhoud) 8.3 Resultaten

37 37 37 39

9.

CONCLUSIES 9.1 Soortbescherming 9.2 Gebiedsbescherming 9.3 Stikstofdepositie

40 40 40 41

12.

BIJLAGEN 12.1 Geraadpleegde bronnen 12.2 Resultaten Habitatrichtlijn soorten NDFF tot op circa 1 kilometer 12.3 Besluit Natura 2000-gebied Waddenzee 12.4 Storingsfactoren effectenindicator “woningbouw” op Waddenzee 12.5 Artikel 19 Natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen

42 42 43 44 46 52

Rapport 2024-49

5 1. INLEIDING Noordkop Groen heeft van Zeestad en de gemeente Den Helder de opdracht gekregen voor het uitvoeren van een Natuurtoets in het kader van de voorgenomen nieuwbouw van een tijdelijke loods achter de bioskoop op Willemsoord te Den Helder. De beoogde bouwlocatie ligt op het kadastrale perceel HDR00 D 6300. De planning is om te starten met de nieuwbouw in het eerste kwartaal van 2025. Deze natuurtoets Wet natuurbescherming omvat: • Quickscan Flora en Fauna • Voortoets Natura 2000-gebied Waddenzee • Aerius calculatie Het doel van de natuurtoets is te kunnen inschatten of er negatieve effecten te verwachten zijn op het voorkomen van voor de wet beschermde soorten en eventuele effecten op beschermde gebieden. Verantwoording De natuurtoets en de Aerius calculatie zijn uitgevoerd door Martin de Jong, ecoloog van Noordkop Groen. Leeswijzer In deze passende beoordeling is in hoofdstuk 2 de relevante wetgeving weergegeven, waarbij in hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de ecologische betekenis van stikstof. De gebiedsbeschrijving in hoofdstuk 4 omvat de ligging van het plangebied, het huidig en toekomstig gebruik, en de verwachte werkzaamheden. Na een korte beschrijving van de gehanteerde onderzoeksmethode in hoofdstuk 5, volgt in hoofdstuk 6 de beschrijving van de mogelijke effecten op beschermde soorten (quickscan soorten).

In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op mogelijke effecten op beschermde gebieden, met specifiek de voortoets voor het Natura 2000-gebied Waddenzee. In hoofdstuk 8 wordt ingegaan op de resultaten van de stikstofdepositie berekening met behulp van de Aerius calculator. In hoofdstuk 9 zijn de conclusies samengevat waarna tot slot in hoofdstuk 10 de bijlagen van dit rapport zijn opgenomen.

Rapport 2024-49

6 2. BESCHERMING CONFORM DE NATIONALE WETGEVING Zorg voor alle inheemse planten- en diersoorten en voor de natuurlijke rijkdommen van gebieden wordt gegarandeerd door naleving van de wet- en regelgeving ten aanzien van natuur en milieu. Vanaf 1 januari 2017 is die wet- en regelgeving een stuk overzichtelijker door de invoering van de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Sinds 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming opgegaan in de Omgevingswet (Ow). Omgevingswet Sinds 1 januari 2024 is na een zeer lange voorbereiding de Omgevingswet (Ow) van kracht geworden. De Omgevingswet gaat over de ruimte waarin mensen wonen, werken en ontspannen. Deze nieuwe wet voegt oude wetten samen en bevat regels voor wat er buiten te zien, horen en ruiken is. Een vergunning aanvragen voor een nieuw plan of idee kan in het nieuwe digitale Omgevingsloket. In dit loket staan alle regels en plannen van gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk. Omdat natuur volgens de definitie van de Omgevingswet onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving, valt de natuur(bescherming) formeel onder de reikwijdte van de Omgevingswet. Nederland kent verschillende vormen van natuurbescherming. Onder de Omgevingswet zijn 10 activiteiten beschreven die te maken hebben met het beschermen van de natuur in Nederland: 1.

Natura 2000-activiteit 2. Geen Natura 2000-activiteit, wel nadelig voor Natura 2000-gebied 3. Flora- en fauna-activiteit 4. Vellen en beheren van houtopstanden 5. Jachtgeweeractiviteit 6. Valkeniersactiviteit 7. Middelen, installaties, methoden voor vangen 8. Jacht 9. Invasieve exoten 10. Handel en bezit dieren en planten Omdat activiteiten 5 t/m 10 geen betrekking hebben op ruimtelijke ingrepen, worden deze verder niet beschreven.

2.1 Natura 2000-activiteit Een Natura 2000-activiteit is een activiteit die significant nadelige gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. De omgevingswet geeft regels over die activiteiten om de natuur te beschermen. De definitie is als volgt gedefinieerd: Activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Het komt neer op de vraag of de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied in gevaar komt door de activiteit. Factoren die hierbij bijvoorbeeld een rol kunnen spelen zijn: afname oppervlakte van een habitat in relatie tot de zeldzaamheid van dat habitat; afname van een populatie in relatie tot de zeldzaamheid van planten- of diersoorten in die populatie.

Rapport 2024-49

7 Significant Er is geen definitie van 'significant'. Verschillende factoren bepalen samen of sprake is van significant of niet. Factoren zijn bijvoorbeeld: • afname van de oppervlakte van een habitat in relatie tot de zeldzaamheid van die habitat • afname van een populatie in relatie tot de zeldzaamheid van planten- of diersoorten in die populatie • algemene condities van het gebied voor behoud en herstel van de habitat of soorten Het komt neer op de vraag of de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied in gevaar komt door de activiteit. De Leidraad bepaling significantie1 geeft handvatten om invulling te geven aan de term 'significant'. Binnen en buiten Natura 2000-gebied Een Natura 2000-activiteit kan plaatsvinden in een Natura 2000-gebied. Maar heel vaak vindt de activiteit juist plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect op het Natura 2000-gebied hebben. Dit wordt wel eens de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, moet de initiatiefnemer meestal een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit hebben. Een Natura 2000-activiteit kan plaatsvinden in een Natura 2000-gebied. Maar heel vaak vindt de activiteit juist plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect op het Natura 2000-gebied hebben.

Dit wordt wel eens de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, moet de initiatiefnemer meestal een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit hebben.

2.2 Geen Natura 2000-activiteit, wel nadelig voor Natura 2000-gebied Er zijn activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, maar waarbij deze zeker niet significant zijn. De Omgevingswet geeft regels over die activiteiten om de natuur te beschermen. Er zijn activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Onder ‘nadelig gevolg’ vallen verslechterende of verstorende gevolgen voor het Natura 2000-gebied. Zo’n gevolg hoeft niet significant te zijn. In dat geval is sprake van een ‘activiteit die nadelige (maar zeker geen significante) gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied’. Zo’n activiteit is niet dezelfde als een Natura 2000-activiteit. Bij een Natura 2000-activiteit zijn de mogelijk nadelige gevolgen namelijk wel significant. Significant Er is geen definitie van ‘significant’. Verschillende factoren bepalen samen of sprake is van significant of niet. Factoren zijn bijvoorbeeld: • afname van de oppervlakte van een habitat in relatie tot de zeldzaamheid van die habitat • afname van een populatie in relatie tot de zeldzaamheid van planten- of diersoorten in die populatie • algemene condities van het gebied voor behoud en herstel van de habitat of soorten

1

Leidraad bepaling significantie: https://docplayer.nl/130743418-Leidraad-bepaling-significantie.html

Rapport 2024-49

8 Het komt neer op de vraag of de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied in gevaar komt door de activiteit. De ‘Leidraad bepaling significantie’ geeft handvatten om invulling te geven aan de term ‘significant’. Rijksregels Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels over activiteiten die een Natura 2000gebied kunnen benadelen. Degene die zo'n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels. Zoals de specifieke zorgplicht en een informatieplicht bij ongewone voorvallen. Ook kan een vergunningplicht gelden. Specifieke zorgplicht De activiteiten kunnen nadelige gevolgen hebben voor natuurbescherming. Iemand die dat weet, of kan weten, moet zich altijd houden aan de ‘specifieke zorgplicht’2 bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)). De specifieke zorgplicht bestaat uit een aantal stappen: Stap 1: kennis opdoen over Natura 2000-gebied Stap 2: Nagaan of nadelige gevolgen voor het gebied uit te sluiten zijn Stap 3: nagaan wat nadelige gevolgen zijn als uitsluiten daarvan niet mogelijk is Stap 4: passende preventieve maatregelen om nadelige gevolgen te voorkomen Stap 5: stoppen met activiteit of herstelmaatregelen treffen

2.3 Flora- en fauna-activiteit Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Definitie In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en faunaactiviteit: 'Activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Onder ‘dieren’ verstaat de Omgevingswet: ‘in ieder geval dieren in al hun ontwikkelingsstadia, levend of dood, delen van dieren, uit deze dieren verkregen producten, of andere zaken voor zover uit een begeleidend document, de verpakking, een merk of etiket, of uit andere omstandigheden blijkt dat het gaat om delen van dieren of daaruit verkregen producten, met uitzondering van eieren.' Onder ‘planten’ verstaat de Omgevingswet: ‘in ieder geval planten in al hun ontwikkelingsstadia, levend of dood, delen van planten, uit planten verkregen producten, geënte planten, of andere zaken voor zover uit een begeleidend document, de verpakking, een merk of etiket, of uit andere omstandigheden blijkt dat het gaat om delen van planten of daaruit verkregen producten.’ Onder ontwikkelingsstadia vallen bijvoorbeeld larven of poppen van dieren en zaden of kiemen van planten. Paddenstoelen en (korst)mossen vallen ook onder planten.

Zie: ‘Specifieke zorgplicht (Bal): https://iplo.nl/regelgeving/omgevingswet/zorgplicht/specifieke-zorgplichtactiviteiten-bal/ 2

Rapport 2024-49

9 Rijksregels flora- en fauna-activiteit Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Dat zijn activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild. Degene die zo'n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht. Ook kan een vergunningplicht gelden. Voorkomen onnodig lijden van dieren Iemand die een dier in het wild doodt of vangt, moet voorkomen dat het dier onnodig lijdt (artikel 11.28, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Specifieke zorgplicht Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Het Bal geeft aan waaruit de specifieke zorgplicht in ieder geval bestaat. Dat is hierna toegelicht. Controleren soorten en habitats Iemand die een flora- en fauna-activiteit wil verrichten op een plek, moet controleren of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt bepaalde soorten of habitats voorkomen. De tabel hierna geeft aan om welke soorten en habitats het gaat. Tabel 1.

Controleren van soorten en habitats vóór verrichten flora- en fauna-activiteit Aanwezigheid van wat?

Waar staan de soorten in?

Toelichting

Vogels

Bijlage I vogelrichtlijn

Het gaat om een soort die in het wild leeft in Nederland en daar van nature voorkomt

Trekvogels

Onder andere op de website van het ministerie van LNV

Het gaat om een soort die regelmatig in Nederland voorkomt

Dier- en plantensoorten

Bijlage II, IV, V habitatrichtlijn

Het gaat om een soort die in het wild leeft in Nederland en daar van nature voorkomt

Dier- en plantensoorten

Bijlage IX Bal of in de rode lijsten

Het gaat om een soort die in het wild leeft in Nederland en daar van nature voorkomt

Belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats waar de genoemde dieren/planten leven

Dieren en planten in deze kolom

Het gaat niet om gebieden die geschikt zouden zijn als leefgebied maar waar de soort niet leeft. Zoals een grot die geschikt is voor vleermuizen maar waar ze niet leven. Of een wand waarop bepaalde muurplanten zouden kunnen groeien maar waar ze niet zijn.

Rapport 2024-49

10 Nagaan of nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten uit te sluiten zijn Als er aanwijzingen zijn dat de hiervoor genoemde soorten of habitats aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Bij de diersoorten gaat het dan ook om hun nesten, foerageerplaatsen, voortplantingsplaatsen, rustplaatsen en eieren. Het uitsluiten of er nadelige gevolgen zijn, moet plaatsvinden aan de hand van objectieve gegevens. Nagaan wat nadelige gevolgen zijn als uitsluiten daarvan niet mogelijk is Het is niet altijd mogelijk om nadelige gevolgen uit te sluiten voor dier- en plantensoorten. In dat geval moet degene die de activiteit verricht, nagaan wat de nadelige gevolgen kunnen zijn van de activiteit. Passende preventieve maatregelen om nadelige gevolgen te voorkomen Als nadelige gevolgen niet uit te sluiten zijn, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Ook moet diegene tijdens en na de flora- en fauna-activiteit nagaan of die maatregelen wel het bedoelde effect hebben. Stoppen met activiteit of herstelmaatregelen treffen Als er ondanks de genomen maatregelen toch nadelige gevolgen zijn door de activiteit, moet die activiteit stoppen.

Als stoppen niet mogelijk is, dan moet degene die de activiteit verricht passende herstelmaatregelen treffen. Ongewone voorvallen, gelijkwaardige maatregel Op een flora- en fauna-activiteit zijn regels van toepassing over: • ongewone voorvallen, en • gelijkwaardige maatregelen Maatwerk Er zijn maatwerkregels en maatwerkvoorschriften mogelijk. Ze kunnen bijvoorbeeld gaan over: • de specifieke zorgplicht (artikel 11.27, Bal) • het informeren over een ongewoon voorval (artikel 11.34, Bal) • de te verstrekken gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval (artikel 11.35, Bal)

2.4 Vellen houtopstanden en herbeplanten Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Het (deels) vellen ervan zorgt ervoor dat die verdwijnen of beschadigd raken. Herbeplanten zorgt voor nieuwe houtopstand. Definities houtopstand, vellen en herbeplanten In de bijlage van de Omgevingswet staan de volgende definities van houtopstand, vellen en herbeplanten: 'Houtopstand: zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend'. 'Vellen: rooien of verrichten van andere handelingen die de dood of ernstige beschadiging van een houtopstand tot gevolg kunnen hebben'. 'Herbeplanten: door aanplant, bezaaiing of natuurlijke verjonging of op andere wijze realiseren van een nieuwe houtopstand'.

Rapport 2024-49

11 De definities kennen verder geen voorwaarden. Zo geldt er bijvoorbeeld geen minimale oppervlakte om onder de definitie van houtopstand te vallen. En zo valt houtopstand die spontaan ontstaat in graslanden en heiden ook onder de definitie. Rijksregels Om bossen te beschermen en vanwege internationale regels geeft het Rijk regels voor het vellen van houtopstanden, herbeplanten, het verhandelen en bezit van hout(producten). Degene die zo’n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht. Ook kan een meldingsplicht gelden. Wanneer gelden de rijksregels over vellen en herbeplanten De rijksregels gelden als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij het vellen hoort een herbeplantingsplicht. Er zijn uitzonderingen. De rijksregels over vellen en herbeplanten gelden niet in een van de volgende gevallen (artikel 11.111, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)): • houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap.

Dat komt er ongeveer op neer dat de rijksregels alleen gelden voor houtopstanden buiten stedelijk gebied • houtopstanden op erven of in tuinen • bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten zijn geteeld • houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen • naaldbomen die duidelijk bedoeld zijn als kerstbomen én niet ouder zijn dan 20 jaar • kweekgoed • populieren of wilgen van: o wegbeplantingen o beplantingen langs waterwegen, of o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden • het dunnen van een houtopstand om de groei van de overblijvende houtopstand te bevorderen. Bijvoorbeeld als onderdeel van het reguliere onderhoud van de houtopstand. • beplantingen die bestaan uit populieren, wilgen, essen of elzen en duidelijk bedoeld zijn voor de productie van houtige biomassa onder de volgende voorwaarden: o Het oogsten vindt minstens 1 keer per 10 jaar plaats. o De beplantingen bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid. o Een beplantingseenheid moet bestaan uit aaneengesloten beplanting zonder doorsnijding door meer dan 2 m brede onbeplante stroken. o De beplantingen zijn aangelegd na 1 januari 2013. •

houtopstanden met een oppervlakte van minder dan 10 are. Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel.

•

houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van maximaal 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen). Het gaat hier om het aantal bomen in rijbeplanting van de totale houtopstand dus niet alleen het aantal te vellen bomen.

Meldingsplicht voor vellen Gelden de rijksregels over vellen? Dan is het verboden om een houtopstand (deels) te vellen zonder eerst een melding te doen. Behalve voor de uitzonderingen op de meldingsplicht. Het indienen van een melding moet uiterlijk 4 weken én niet eerder dan 1 jaar vóór het vellen gebeuren (artikel 11.126, Bal).

Rapport 2024-49

12 2.5 Vergunningplicht Natura 2000-activiteit Voor een Natura 2000-activiteit is meestal een omgevingsvergunning nodig. In bepaalde gevallen is hier een vrijstelling voor. Vergunningplicht en voorbereidingsprocedure Voor een Natura 2000-activiteit is meestal een omgevingsvergunning nodig (artikel 5.1, 1e lid, sub e, Omgevingswet). De uitgebreide voorbereidingsprocedure is van toepassing (artikel 10.24, 1e lid, Omgevingsbesluit). Vergunningvrije activiteiten Er zijn ook gevallen waarvoor volgens het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) geen omgevingsvergunning nodig is: •

• • •

Een andere wet staat de Natura 2000-activiteit toe. Als voorwaarde geldt dat bij die toestemming voldaan is aan de beoordelingsregels voor de Natura 2000-activiteit (artikel 11.16, Bal). Visserijactiviteiten die onder het visserijbeleid van de Europese Unie vallen en plaatsvinden in de exclusieve economische zone (EEZ) (artikel 11.16, Bal). Een programma wijst de activiteit aan als vergunningvrij (artikel 11.18, Bal). Dat geldt voor bepaalde soorten programma’s. De Omgevingsregeling of omgevingsverordening wijst een Natura 2000-activiteit aan als vergunningvrij (artikelen 11.19 en 11.20, Bal).

Vergunningvrije activiteiten in Omgevingsregeling of omgevingsverordening De Omgevingsregeling kan een Natura 2000-activiteit als vergunningvrij aanwijzen in een van de volgende gevallen: • Het gaat om een Natura 2000-activiteit van nationaal belang • Het vrijstellen is vanwege algemeen belang. Een omgevingsverordening kan voor een Natura 2000-activiteit zonder nationaal of algemeen belang een vrijstelling opnemen. Vrijstelling alleen voor bepaalde factor De vrijstelling kan ook een bepaalde factor die onder een bepaalde drempelwaarde van de omgevingsverordening of Omgevingsregeling blijft, buiten de vergunningplicht laten. Zo kan de vrijstelling de factor ‘stikstofdepositie’ buiten de vergunningplicht laten, als die onder een bepaalde drempelwaarde blijft. De vergunningplicht blijft dan wel aan de orde voor andere factoren, zoals lawaai of trillingen (artikelen 11.19 en 11.20, beide tweede lid, Bal). Voorwaarden voor vrijstelling in programma, omgevingsverordening of Omgevingsregeling Het opnemen van een vrijstelling in een programma, omgevingsverordening of Omgevingsregeling, mag alleen bij het voldoen aan 1 van onderstaande voorwaarden (artikel 11.21, Bal): ✓ ✓ ✓

Significante effecten mogen er niet zijn Geen aantasting natuurlijke kenmerken Activiteit voldoet aan de eisen voor vergunningverlening bij mogelijke aantasting

Rapport 2024-49

13 2.6 Omgevingsvergunning flora-en fauna-activiteit Voor een flora- en fauna-activiteit kan een omgevingsvergunning nodig zijn. Er gelden rijksregels voor zo’n omgevingsvergunning. Bijvoorbeeld over het aanvragen van zo'n omgevingsvergunning of het beoordelen ervan. Ook kunnen er (decentrale) vrijstellingen zijn.

2.6.1 Vogels Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor vogels kan vanwege de Vogelrichtlijn een vergunningplicht gelden. Er kunnen ook vrijstellingen gelden. Er geldt een vergunningplicht voor: • Schadelijke handelingen bij vogels • Commercieel bezit van vogels • Niet-commercieel bezit van vogels • Gebruik van bepaalde middelen bij het vangen van vogels Schadelijke handelingen bij vogels Er geldt een vergunningplicht voor schadelijke handelingen bij vogels (artikel 11.37, eerste lid, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het gaat om vogels die in Nederland in het wild leven en daar van nature voorkomen. Het gaat dus niet om vogels die in gevangenschap zijn geboren, gefokte vogels of ontsnapte vogels die zijn verwilderd. Onder schadelijke handelingen bij vogels vallen: •

• • • •

het opzettelijk doden of vangen ervan Onder ‘vangen’ valt niet het vangen van een vogel om deze te bevrijden uit een ongewilde gevangenschap. Bijvoorbeeld het vangen en vrijlaten van een mus die een winkel is binnengevlogen. het opzettelijk vernielen of beschadigen van hun nesten, rustplaatsen of eieren het opzettelijk wegnemen van hun nesten het rapen en onder zich hebben van hun eieren het opzettelijk storen ervan; de mate van ‘storen’ hangt per soort af van: o intensiteit van de verstoring o duur van de verstoring o frequentie van de verstoring o het effect van de verstoring op de staat van instandhouding van de soort o Zeldzame verstoringen zonder mogelijk negatief effect, vallen niet onder ‘storen’.

Soms geen vergunningplicht bij verstoring vogels Soms is er geen omgevingsvergunning nodig voor het verstoren van vogels. Dat is het geval als de verstoring geen noemenswaardig effect heeft op de staat van instandhouding van de vogelsoort (artikel 11.37, derde lid, Bal). Zo is er geen noemenswaardig effect als een vogelpopulatie de mogelijke negatieve effecten van een verstoring zélf weg kan nemen. Bijvoorbeeld door bij een tijdelijke verstoring even weg te vliegen om vervolgens weer terug te kunnen keren.

2.6.2 Soorten van Habitatrichtlijn en verdragen Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten van de Habitatrichtlijn en internationale verdragen kan een vergunningplicht gelden. Er kunnen ook vrijstellingen gelden.

Rapport 2024-49

14 Vergunningplicht Sommige dieren en planten zijn internationaal strikt beschermd in de Europese Unie. Het gaat om beschermde dieren en planten die staan in de Habitatrichtlijn. Ze kunnen ook staan in het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn. Voor die soorten geldt een vergunningplicht bij: • Schadelijke handelingen • Bezit • Gebruik van bepaalde middelen bij het vangen Schadelijke handelingen bij soorten Habitatrichtlijn en verdragen Er geldt een vergunningplicht voor schadelijke handelingen bij dier- en plantensoorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bonn en Bern (artikel 11.46, eerste lid, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Schadelijke handelingen met dieren De bedoelde diersoorten zijn in het wilde levende soorten (geen vogels) van: • bijlage IVa bij de Habitatrichtlijn • bijlage II bij het Verdrag van Bern • bijlage I bij het Verdrag van Bonn Schadelijke handelingen bij die dieren zijn de volgende handelingen in hun natuurlijke verspreidingsgebied: • opzettelijk doden of opzettelijk vangen • opzettelijk hun eieren vernielen of rapen in de natuur • opzettelijk verstoren • hun voortplantingsplaatsen of rustplaatsen beschadigen of vernielen Ook als zo’n handeling plaatsvindt tijdens onderzoek dan valt dat onder ‘schadelijke handeling’. Vangen Niet al het vangen valt gelijk onder de vergunningplicht.

Het doel van de vergunningplicht voor het vangen is om soorten te beschermen. Om te beoordelen of sprake is van vergunningplicht is niet alleen dat doel maar ook het doel van het vangen aan de orde. Neem bijvoorbeeld het vangen van amfibieën tijdens de voorjaarstrek om ze over de weg te zetten. Het vangen heeft als doel om overrijden te voorkomen. Dat vangen is niet vergunningplichtig. Een ander voorbeeld is het vangen van een dier om het te bevrijden uit een ongewilde gevangenschap. Zo is het vangen van een amfibie om deze te bevrijden uit de sanitaire voorziening van een camping niet vergunningplichtig. Verstoren De mate van ‘verstoren’ hangt per soort af van de intensiteit, duur en frequentie van de verstoring. Verder is het effect van de verstoring op de staat van instandhouding van de soort van belang. Zeldzame verstoringen zonder mogelijk negatief effect, vallen niet onder ‘verstoren’. Schadelijke handelingen bij planten De bedoelde plantensoorten zijn soorten in het wild van: • bijlage IVb bij de Habitatrichtlijn • bijlage I bij het Verdrag van Bern Schadelijke handelingen bij die planten zijn het opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van groeiplaatsen in hun natuurlijke verspreidingsgebied.

Rapport 2024-49

15 2.6.3 Soorten van het Bal Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), kan een vergunningplicht gelden bij schadelijke handelingen. Die vergunningplicht geldt niet voor bepaalde dieren, als een andere wet de activiteit toestaat of als de activiteit voor het uitvoeren van een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel is. Vergunningplicht Het gaat om dieren en planten die in bijlage IX van het Bal staan. Dat zijn soorten die in Nederland beschermd zijn en niet staan in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de verdragen van Bonn en Bern. Informatie over de vergunningplicht voor die soorten staat op Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit. Het gaat onder meer om soorten die ook kunnen staan op de rode lijsten van bedreigde of ernstig bedreigde dier- en plantsoorten. Ook gaat het om soorten die niet (ernstig) bedreigd zijn, maar vanwege hun intrinsieke waarde en maatschappelijke opvattingen in bijlage IX staan. Voor deze soorten geldt meestal een vergunningplicht voor schadelijke handelingen. Er kunnen namelijk ook vrijstellingen gelden zoals in de omgevingsverordening. Schadelijke handelingen bij soorten die in het Bal staan; dieren Er geldt een vergunningplicht voor schadelijke handelingen bij dieren van bijlage IX, onder A van het Bal (artikel 11.54, eerste lid, Bal).

Het gaat om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers. Onder schadelijke handelingen bij die dieren vallen: • opzettelijk doden of vangen • opzettelijk hun vaste voortplantingsplaatsen, eieren of rustplaatsen beschadigen of vernielen Er geldt geen vergunningplicht bij bosmuis, huisspitsmuis, veldmuis Schadelijke handelingen bij soorten die in het Bal staan; planten Er geldt een vergunningplicht voor schadelijke handelingen bij planten van bijlage IX, onder B van het Bal (artikel 11.54, eerste lid, Bal). Onder schadelijke handelingen bij die planten vallen het opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Opzettelijk Onder 'opzettelijk' valt ook 'voorwaardelijke opzet'. Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of een plant. Zoals de vangst of de dood van dieren of het vertrappen of ontwortelen

2.7 Stikstofdepositie Te veel stikstofneerslag is slecht voor de natuur. Wanneer onduidelijk is of een project leidt tot negatieve effecten voor een Natura 2000-gebied moet een natuurvergunning worden aangevraagd. Het uiteindelijke besluit over de vergunningverlening wordt genomen door het bevoegd gezag. Actueel rekenmodel Met de AERIUS calculator is het mogelijk om de stikstofdepositie te berekenen. Als op geen enkel Natura 2000-gebied de bijdrage hoger is dan 0,00 g/mol dan is er geen toestemming nodig op het gebied van stikstof in kader van de Wet Natuurbescherming. Wanneer een

Rapport 2024-49

16 project niet leidt tot een toename van stikstofdepositie in Natura-2000 gebieden of wanneer de conclusie van een ecologische toets is dat significante effecten zijn uitgesloten, is een natuurvergunning niet nodig. Sinds 5 oktober 2023 is de vernieuwde AERIUS-calculator 2023 beschikbaar. In dit model is een fout gevonden voor de uitstoot van mobiele werktuigen, een verbetering van die fout is in het model beschikbaar vanaf 6 november 2023 (Aerius calculator 2023.0.1). De AERIUS-calculator berekent de deposities per hexagoon (zeshoek) met een oppervlakte van één hectare. Het rekenpunt ligt in het midden. De berekende depositie op het rekenpunt wordt toegekend aan de gehele hexagoon. De AERIUS- calculator toont de berekende waarden ook per hexagoon. Stikstofdepositie onder de Omgevingswet Onder de Omgevingswet is er een stikstofregistratiesysteem in plaats van de nationale Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). De regels over de nationale Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) komen niet terug onder de Omgevingswet. Wel geeft de Omgevingswet regels over een stikstofregistratiesysteem voor woningbouwprojecten en enkele rijkswegen. Dat systeem houdt bij hoeveel ruimte er aan stikstofdepositie is voor (nieuwe) projecten zonder dat Natura 2000-gebieden daaronder lijden.

De Wet stikstofreductie en natuurverbetering regelt de structurele stikstofaanpak door de volgende onderdelen op te nemen in het stelsel van de Omgevingswet: • • •

resultaatsverplichtende omgevingswaarden voor de stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden een verplicht Rijksprogramma stikstofreductie en natuurverbetering een systeem van monitoring en bijsturing

2.8 Natuur Netwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) 3 bestaat uit verbindingszones en beschermde reservaten en Natura 2000-gebieden. Het doel van het NNN is het vergroten en verbinden van natuurgebieden. Door deze verbindingen vindt uitwisseling plaats van planten en dieren tussen gebieden. Het NNN is begrensd en planologisch vastgelegd. Het beschermingsregime is onder de Wet ruimtelijke ordening vastgelegd in het Barro, het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, en werkt via provinciale verordeningen door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Met ingang van 1 oktober 2012 is het Natuurnetwerk Nederland juridisch geborgd in titel 2.10 van het Barro. In de Provinciale Ruimtelijke Verordening4 van Noord-Holland (PRV) zijn gebieden aangewezen die in de provincie het Natuurnetwerk Nederland vormen. Voor deze gebieden zijn in het Natuurbeheerplan 2018 wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld. Bovendien geldt hier het beschermingsregime van artikel 19 van de PRV.10.

3

In de Nota Ruimte is in het verleden op landelijk niveau het Natuurnetwerk Nederland (destijds de Ecologische

Hoofdstructuur genoemd) vastgelegd. De Nota Ruimte en Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid zijn in 2012 vervangen door het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte (SVIR). 4

Vastgelegd in artikel 19 en kaart 4 van de PRV. (In de PVR wordt het NNN nog steeds aangeduid als Ecologische Hoofdstructuur).

Rapport 2024-49

17 Binnen het NNN zijn geen ruimtelijke ontwikkelingen toegestaan die leiden tot: • een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden • een significante vermindering van de oppervlakte van NNN-gebieden • een significante vermindering van de samenhang tussen die gebieden. Uitzonderingen hierop volgens de Provinciale Ruimtelijke Verordening: • nieuwe activiteiten dan wel wijzigingen van bestaande activiteiten voor zover: o er sprake is van een groot openbaar belang o er geen reële andere mogelijkheden zijn o de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt o de overblijvende effecten worden gecompenseerd • een activiteit of een combinatie van activiteiten die mede tot doel heeft de kwaliteit of kwantiteit van de NNN of de natuurverbinding per saldo te verbeteren. Het NNN omvat in Noord-Holland ongeveer 56.000 hectare, waarvan zo’n 6.000 hectare nog niet is gerealiseerd en veelal nog agrarisch in gebruik is. De provincie zorgt voor realisatie van de laatste 6.000 hectare Natuurnetwerk Nederland, voor het beheer van de gerealiseerde hectares en voor de planologische bescherming van het gehele natuurnetwerk.

2.9 Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) In Noord-Holland zijn 32 gebieden aangewezen als ‘Bijzonder Provinciaal Landschap’. Dit zijn landschappen waarop we extra zuinig zijn vanwege hun bijzondere eigenschappen en waarde voor mens en dier. Het BPL is een beschermingsregime binnen de Omgevingsverordening NH2020 bedoeld om de meest waardevolle landschappen in Noord-Holland te beschermen. Per landschap is aangegeven welke ecologische, landschappelijke, cultuurhistorische of aardkundige waarden aanwezig zijn. Dit noemen we de ‘kernkwaliteiten’ van het landschap. Voorbeelden hiervan zijn het leefgebied voor weidevogels, waterlopen en verkavelingsvormen in oude polders, de openheid en de vergezichten in het landschap of een bijzondere opbouw van de ondergrond. De kernkwaliteiten mogen niet worden aangetast.

Dichtstbijzijnde Bijzonder Provinciaal Landschap Het dichtstbijzijnde Bijzondere Provinciale Landschap is het Oude Land van Texel, maar dat ligt aan de andere kant van het Marsdiep. Verdere toetsing is daarom niet nodig.

Rapport 2024-49

18 3. DE ECOLOGISCHE BETEKENIS VAN STIKSTOF Om beter zicht te hebben wat stikstof is, hoe dit ingrijpt in natuurlijke systemen en waarom dit een probleem kan zijn, wordt hier dieper ingegaan op de theoretische achtergrond. Natuurlijk voorkomen van stikstof Stikstof is één van de onmisbare bouwstenen voor het leven op aarde en is daarmee in ecologisch opzicht van groot belang. Stikstof (N) komt in organisch materiaal voor, ook de lucht bestaat uit 80% uit gevonden stikstof (N2). De problematiek rondom stikstofdepositie zit hem in de mate waarin dit element in reactieve vorm aan onze omgeving wordt toegevoegd als gevolg van menselijke activiteiten. De belangrijkste vormen van reactief stikstof zijn stikstofoxiden (NOx) en ammonium (NH4+). Planten kunnen stikstof via de wortels opnemen in de vorm van nitraat (NO3-). Stikstof dat in de bodem aanwezig is als (NH4+) moet daarom eerst via denitrificatie omgezet worden in nitriet en nitraat (figuur 1). Ammonium kan zowel door depositie als door mineralisatie van organisch materiaal in de bodem terecht komen.

Figuur 1. Vereenvoudigde weergave van de stikstofkringloop (bron: Wikipedia) Stikstofemissie en stikstofdepositie Stikstofoxiden en ammoniak komen na emissie in de atmosfeer terecht. Eenmaal in de lucht wordt het geëmitteerde gas meegevoerd door de wind, waardoor het snel wordt verspreid, waardoor snel verdunning van de concentraties aan stoffen optreedt. Ook ondergaan deze stoffen chemische reacties onder invloed van het zonlicht en de aanwezigheid van andere stoffen. Hierdoor kunnen zowel de chemische samenstelling als de vorm van de stikstofhoudende deeltjes veranderen. In de atmosfeer komen stikstofverbindingen daardoor

Rapport 2024-49

19 zowel als gas, ion en aerosol (kleine vaste deeltjes) voor. Omzetting in aerosolen is onder meer van belang voor de afstand waarover de desbetreffende stoffen getransporteerd worden. De directe afzetting of absorptie van gassen of aerosolen uit de atmosfeer aan het aardoppervlak (bodem, water of vegetatie) wordt droge depositie genoemd. Daarnaast treedt natte depositie op, het oplossen in wolken of regenwater en daaropvolgende neerslag van stikstofverbindingen. De natte depositie levert ongeveer 25-30% van de totale N-depositie. De rest is droge depositie. Kritische depositie waarden De situatie in Nederland is samen te vatten als een langdurige (decennia) hoge belasting van stikstof, hoger dan de KDW’s van habitattypen. Inzake de omvang waarbij effecten optreden concludeert Mouissie (2019) op basis van de onzekerheden in de berekening van de KDW en experimentele studies over dosis-effect relaties, dat meetbare ecologische relevante effecten ten gevolge van stikstofdepositie kunnen optreden bij een toename van meer dan 70 mol N/ha/jr. Experimentele veldstudies betreffen vaak langjarige studies naar effecten van toenames die vele tientallen tot honderden mol N/ha/jaar bedragen, aangezien bij kleinere hoeveelheden geen verandering in de plantensamenstelling is waar te nemen.

Uit een analyse van een groot aantal veldstudies blijkt dat bij een depositie rond de KDW het verlies van soorten op kan treden bij een structurele toename van 20 mol N/ha/jaar of hoger. In sterk overbelaste situaties treedt verder soortenverlies op bij hogere toenames van 35 mol of meer. Habitats zijn dan ook gevoeliger voor een structurele toename in de depositie als de achtergronddepositie rond de KDW ligt (Caporn et al. 2016; Bobbink & Hettelingh 2011). In deze beoordeling wordt het begrip Kritische depositiewaarde (hierna KDW) gehanteerd. KDW’s zijn gehanteerd om af te bakenen welke habitats als stikstofgevoelig worden beschouwd in dit project. De kritische depositiewaarde voor stikstof is gedefinieerd als “de grens, waarboven het risico niet kan worden uitgesloten dat de kwaliteit van het habitattype significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de atmosferische stikstofdepositie” (Van Dobben & Van Hinsberg, 2008). De kritische depositiewaarden die in de herstelstrategieën als uitgangspunt worden genomen, zijn specifiek voor habitattypen in Nederland vastgesteld in Van Dobben et al. (2012). In dat rapport zijn verschillende kennisbronnen ten aanzien van kritische depositiewaarden met elkaar gecombineerd via een vast protocol (Van Dobben et al, 2012).

De kritische depositiewaarden konden worden vastgesteld met een nauwkeurigheid van 70 mol/ha/jaar (= 1 kilogram N). Wanneer de achtergronddepositie ter plekke van een habitattype hoger is dan de KDW van dat habitattype, of wanneer door toevoeging de KDW wordt overschreden, kan niet worden uitgesloten dat een verdere toename van de stikstofdepositie leidt tot (verdere) aantasting van dat habitattype. In Nederland wordt de KDW op dit moment in zeer veel stikstofgevoelige gebieden en habitattypen/leefgebieden overschreden. Dee KDW van een habitattype is derhalve geen harde grens waarboven nadelige effecten op de vegetatie met zekerheid zullen optreden: “Deze unieke waarden moeten gezien worden als de meest waarschijnlijke waarde gezien de huidige stand van kennis. Wanneer de atmosferische depositie hoger is dan de KDW van het habitat bestaat er een duidelijk risico op een significant negatief effect, waardoor het instandhoudingsdoel voor een habitat (in termen van kwaliteit en oppervlakte) niet duurzaam kan worden gerealiseerd. Hoe hoger de overschrijding van het kritische niveau en hoe langduriger die overschrijding, hoe groter het risico op ongewenste effecten op de biodiversiteit” (van Dobben et al, 2012). In de uitspraak van de ABRvS inzake het PAS is aangegeven (r.o. 14.5 ECLI:NL:RVS:2019:1603):

Rapport 2024-49

20 Anders dan de Werkgroep ziet de Afdeling in het arrest [red. van de uitspraak van het Europese Hof van Justitie inzake de prejudiciële vragen over het PAS) geen aanknopingspunt dat de kritische depositiewaarde als een absolute grenswaarde zou gelden voor het bepalen van de gunstige staat van instandhouding van stikstofgevoelige habitattypen. De mate en duur van de overschrijding van de kritische depositiewaarde zijn naar het oordeel van de Afdeling wel belangrijke indicatoren voor de beoordeling of de daling van de depositie door de PAS-bronmaatregelen en de effecten van de herstelmaatregelen in de gebieden al dan niet nodig zijn voor het behoud en het voorkomen van verslechtering van de stikstofgevoelige natuurwaarden. Zo zal voor een gebied waar sprake is van een ongunstige staat van instandhouding en een forse, nog jarenlang voortdurende overschrijding van de kritische depositiewaarde, eerder sprake zijn van maatregelen die nodig zijn voor het behoud of voorkomen van verslechtering, dan voor een gebied waar zeker is dat, bijvoorbeeld door de autonome ontwikkeling, de stikstofbelasting zodanig zal afnemen dat overschrijding binnen een afzienbare termijn de kritische depositiewaarde nadert.

Ontwikkeling in Nederland De totale stikstofdepositie is in Nederland na 1950 tot aan het eind van de jaren tachtig van de vorige eeuw door de groei van de intensieve veehouderij en het gebruik van fossiele brandstoffen sterk gestegen. De landelijk gemiddelde stikstofdepositie bedroeg in 1990 ruim 2.700 mol stikstof per hectare en is sindsdien geleidelijk gedaald tot ruim 1.700 mol stikstof per hectare in 2016 (zie figuur 2). De daling is de laatste jaren afgevlakt. Dit komt onder andere doordat de ammoniakuitstoot niet meer daalde. Al drie tot vier decennia is gereduceerd N de overheersende vorm (> 75 %) van stikstofdepositie in Nederlandse natuurterreinen (De Haan et al, 2008). Volgens de 'Emissieramingen luchtverontreinigende stoffen Nederland - rapportage-2017' van het Planbureau voor de Leefomgeving (Smeets et al, 2017) zal de totale uitstoot en daardoor ook de depositie van stikstof in de toekomst weer verder afnemen. De daling in stikstofdepositie op lange termijn (1990-2016) is het gevolg van lagere emissies van zowel stikstofoxiden als van NH3. De emissie van stikstofoxiden in Nederland daalde sinds 1990 met circa 65%. Deze daling is het resultaat van maatregelen bij het verkeer (o.a. invoering katalysator), bij de industrie en in de energiesector. De NH3 emissie door agrarische bronnen in Nederland is sinds 1990 met naar schatting 70% gedaald.

Deze emissiedaling is het gevolg van maatregelen zoals verbeterde voersamenstelling, het gebruik van emissiearme stallen, het afdekken van mestsilo's en het direct onderwerken van mest bij de aanwending. In de periode 2005-2016 lijkt de totale stikstofdepositie (N-totaal) gedaald, echter deze daling is niet statistisch significant. Over deze periode is de depositie van gereduceerd stikstof niet, maar de depositie van geoxideerd stikstof wel gedaald, zie figuur 2. Door meteorologische omstandigheden kunnen van jaar tot jaar variaties in de depositie optreden in de orde van grootte van 10%. De Aerius Monitor geeft voor Duinen Den Helder - Callantsoog aan dat naar verwachting in 2025 positief is voor het open duingebied. Vrijwel nergens wordt de KDW overschreden. Alleen in de bossen vindt door de vegetatiestructuur, en mogelijk lokaal verkeer nog een lichte overschrijding van de KDW plaats. Zie figuur 3.

Rapport 2024-49

21

Figuur 2. Ontwikkeling van stikstofdepositie in Nederland (bron: www.clo.nl/indicatoren/nl0189-vermestende depositie)

Figuur 3. Aerius Monitor Afstand tot KDW in 2025.

Rapport 2024-49

22 4. GEBIEDSBESCHRIJVING 4.1 Huidig gebruik planlocatie en omgeving. In de onderstaande figuren is de huidige situatie weergegeven. De planlocatie is gelegen op Willemsoord 1781 AS te Den Helder. Het unieke complex Willemsoord, wat vroeger de scheeps- en onderhoudswerf voor de Koninklijke Marine was, is nu een prachtig monumentaal deel van Den Helder dat zich gaandeweg verder ontwikkelt tot open stadsdeel. De restauratie van Willemsoord heeft een groot aantal jaren in beslag genomen met als resultaat een schitterend cultureel erfgoed. Willemsoord huisvest een diversiteit aan ondernemers en nautische en culturele instellingen.

Figuur 4. Globale ligging (Google earth).

Figuur 5. Ligging in detail (Google earth).

Rapport 2024-49

23

Figuur 6. Foto’s huidige situatie

4.2 Beschrijving aanwezige biotopen Bouwlocatie De locatie waar de beoogde loods komt is feitelijk al een oude scheepswerf zoals duidelijk te zien is op de foto’s van figuur 6. De locatie grenst dan ook direct aan het water van de jachthaven. Bebouwing De direct aangrenzende bebouwing maakte onderdeel uit van de oude Rijkswerf waar nu horeca gelegenheden en de bioscoop gevestigd zijn. Verdere omgeving De verdere omgeving bestaat uit de jachthaven, verbonden met de zeehaven en daarmee de Waddenzee.

4.3 Te verwachten werkzaamheden De werkzaamheden zullen bestaan uit de bouw van een houten botenloods met verdieping.

4.4 Toekomstig gebruik van het plangebied In de te bouwen loods gaat Clean 2 Anywhere (C2A) boten bouwen van afvalplastic met mensen “met afstand tot de arbeidsmarkt”.

Rapport 2024-49

24

Figuur 7. Situatieschets nieuwbouw.

Figuur 8. Impressie nieuwbouw.

Rapport 2024-49

25 5. ONDERZOEKSMETHODIEK Introductie Om inzicht te krijgen in de mogelijke aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, in of nabij de plangebieden, is een oriënterend onderzoek uitgevoerd. Dat omvat een bureauonderzoek en een veldbezoek. De natuurtoets is een toets van de ecologische potenties van de plangebieden. Dit kan niet worden gezien als volwaardig ecologisch onderzoek. Voor de natuurtoets zijn geen uitgebreide inventarisaties uitgevoerd naar soorten en soortgroepen. Bureauonderzoek quickscan soorten Aan de hand van verspreidingsatlassen en andere standaardwerken is nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten kunnen voor komen op de onderzoeklocatie. Daarnaast is via het uitvoerportaal gebruikgemaakt van gevalideerde waarnemingen uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Deze databank is geconsulteerd op 10 augustus 2024. Een overzicht van de geraadpleegde bronnen is weergegeven in bijlage 11.2. Veldbezoek Naast het bureauonderzoek heeft op 24 juli 2024 een veldbezoek plaatsgevonden. Tijdens dit bezoek is de gehele onderzoeklocatie, en ook het omliggende terrein, bezocht. Er is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van de aanwezige habitat.

Tijdens het veldbezoek is de onderstaande checklist afgewerkt, gericht op beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming (indien van toepassing): • waarnemingen van aanwezige vogelsoorten • beoordelen van potentieel habitat en nestgelegenheden • controle op jaarrond beschermde nesten • controle op vleermuisverblijfsplaatsen in gebouwen en bomen • zoeken naar sporen van overige zoogdieren; zoals pootafdrukken en holen • check van aanwezige waterpartijen als habitat voor amfibieën • check waardplanten en habitat vlinders en libellen • check op beschermde vaatplanten Natura 2000 Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt externe werking genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied.

Rapport 2024-49

26 6. ONDERZOEKSRESULTATEN BESCHERMDE SOORTEN 6.1 Beschermde soorten van Den Helder Op basis van de Nationale Databank Flora en Fauna en andere bronnen is een soortenlijst te maken van beschermde soorten. De Wet natuurbescherming maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten: • Vogelrichtlijnsoorten (alle in de EU-lidstaten van nature voorkomende soorten) • Habitatrichtlijnsoorten (zie voor Den Helder tabel 2) • Andere soorten (zie voor Den Helder tabel 2) Tabel 2.In de gemeente Den Helder waargenomen soorten met een beschermde status. Soort Soortgroep Bescherming Baardvleermuis Vleermuis Bijlage II, IV, V habitatrichtlijn Brandts vleermuis Vleermuis Bijlage II, IV, V habitatrichtlijn Bosvleermuis Vleermuis Bijlage II, IV, V habitatrichtlijn Gewone dwergvleermuis Vleermuis Bijlage II, IV, V habitatrichtlijn Gewone grootoorvleermuis Vleermuis Bijlage II, IV, V habitatrichtlijn Kleine dwergvleermuis Vleermuis Bijlage II, IV, V habitatrichtlijn Laatvlieger Vleermuis Bijlage II, IV, V habitatrichtlijn Ruige dwergvleermuis Vleermuis Bijlage II, IV, V habitatrichtlijn Tweekleurige vleermuis Vleermuis Bijlage II, IV, V habitatrichtlijn Watervleermuis Vleermuis Bijlage II, IV, V habitatrichtlijn Boommarter Zoogdier Bijlage IX Bal of in de rode lijsten Bunzing Zoogdier Bijlage IX Bal of in de rode lijsten Damhert Zoogdier Bijlage IX Bal of in de rode lijsten Hermelijn

Zoogdier Bijlage IX Bal of in de rode lijsten Wezel Zoogdier Bijlage IX Bal of in de rode lijsten Rugstreeppad Amfibie Bijlage II, IV, V habitatrichtlijn Kamsalamander Amfibie Bijlage IX Bal of in de rode lijsten Lederschildpad Reptiel Bijlage IX Bal of in de rode lijsten Zandhagedis Reptiel Bijlage II, IV, V habitatrichtlijn Duinparelmoervlinder Dagvlinder Bijlage IX Bal of in de rode lijsten Grote parelmoervlinder Dagvlinder Bijlage IX Bal of in de rode lijsten Grote vos Dagvlinder Bijlage IX Bal of in de rode lijsten Kommavlinder Dagvlinder Bijlage IX Bal of in de rode lijsten Gevlekte witsnuitlibel Libel Bijlage II, IV, V habitatrichtlijn Glad biggenkruid Vaatplant Bijlage IX Bal of in de rode lijsten Groenknolorchis Vaatplant Bijlage II, IV, V habitatrichtlijn Grote leeuwenklauw Vaatplant Bijlage IX Bal of in de rode lijsten Rozenkransje Vaatplant Bijlage IX Bal of in de rode lijsten Schubvaren Sporenplant Bijlage IX Bal of in de rode lijsten De zeezoogdieren zijn hier verder buiten beschouwing gelaten, werkzaamheden op het land zullen geen invloed hebben op in zee levende dieren.

6.2 Nationale Databank Flora en Fauna De Nationale Databank Flora en Fauna bundelt, uniformeert en valideert natuurgegevens in Nederland. De gegevens brengen in beeld wat er bekend is over de verspreiding van plantenen diersoorten. Er zijn ruim honderd miljoen waarnemingen in de NDFF opgeslagen. Uit deze

Rapport 2024-49

27 nationale databank komen de navolgende gevalideerde gegevens naar voren voor het plangebied. In bijlage 12.2 staan de waarnemingen voor de omgeving (circa 1 kilometer) rondom het plangebied weergegeven. De waarnemingen van vogels in de NDFF komen in paragraaf 5.8 aan bod. Er zijn binnen honderd meter van de planlocatie alleen recente waarnemingen bekend van de gewone zeehond.

Figuur 9. Resultaten NDFF nabij planlocatie. Tabel 3. Gegevens NDFF beschermde soorten. Nederlandse naam N-waarnemingen Gewone Zeehond 2

N-min 1

N-max 1

Laatste datum 02-jul-22

6.3 Vleermuizen Er zijn binnen het plangebied en directe omgeving geen waarnemingen bekend van algemene soorten als de gewone dwergvleermuis, de laatvlieger en de ruige dwergvleermuis. Binnen een ruimer kader van ongeveer 1 kilometer rondom de plangebieden zijn er meer recente waarnemingen bekend van vleermuizen; zie bijlage 12.2. Het is aannemelijk dat algemene soorten de omgeving van de planlocatie gebruiken om te foerageren, dit wordt bevestigd door eigen onderzoek in de nabijheid van de locatie. Verblijfplaatsen Hoewel iedere soort specifieke voorkeuren voor verblijfplaatsen heeft, komt de seizoencyclus in verblijfplaatsen voor alle soorten overeen. De gewone dwergvleermuis vindt zowel ’s zomers als ’s winters een verblijfplaats in gebouwen. Er zijn geen winterverblijfplaatsen van enige omvang bekend in Den Helder. De ruige dwergvleermuis is zowel gebouw-als boombewoner waarbij hij gebruikmaakt van holtes en ruimtes onder de schors. Ok worden wel nestkasten gebruikt. Bij de laatvlieger komen alleen verblijfplaatsen in gebouwen voor.

Rapport 2024-49

28 Verblijfplaatsen in het plangebied Het plangebied waar de werkzaamheden uitgevoerd gaan worden biedt geen verblijfsplaatsen voor vleermuizen; alleen de achtermuur van de bioskoop grenst aan de te bouwen loods. Hierbij zijn geen mogelijkheden tot verblijfsplaatsen waargenomen. Bij uitvoering van alle werkzaamheden overdag zal er geen verstoring zijn van eventuele verblijfsplaatsen in de buurt. Bij een oriënterend SMP onderzoek zijn in deze omgeving geen aanwijzingen voor verblijfsplaatsen gevonden (Rapport 2023-44) Ook is er nader onderzoek gedaan naar vleermuizen bij de brug van het reddingsmuseum (rapport 2023-53 van Noordkop Groen). Het is uitgesloten dat verblijfsplaatsen van vleermuizen verstoord worden. Overige functies In het plangebied kunnen vleermuizen foerageren. De werkzaamheden, gepland in de winter van 2025, zullen hier geen effect op hebben, omdat de vleermuizen dan in winterslaap zijn. Daarnaast worden de werkzaamheden bij daglicht uitgevoerd en hebben ook hierdoor geen effect op eventueel foeragerende dieren. Door uitvoering van de werkzaamheden bij daglicht zal er geen direct effect zijn op foeragerende vleermuizen.

6.4 Grondgebonden zoogdieren Van de terrestrische zoogdiersoorten zijn geen waarnemingen bekend binnen 5 kilometer die beschermd zijn onder artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Van soorten beschermd onder artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming zoals de boommarter en hermelijn zijn binnen enkele kilometers wel waarnemingen bekend. Voor soorten als egel, haas, huisspitsmuis, en konijn geldt dat ze provinciaal vrijgesteld zijn. Onder de algemene zorgplicht is het nog steeds verboden ook deze soorten opzettelijk te doden. Kleine marterachtigen Onder de kleine marter achtigen vallen de bunzing, de wezel en de hermelijn. Van deze soorten zijn er alleen 2 wat gedateerde waarnemingen bekend van de hermelijn binnen 1 kilometer. De huidige locatie is ongeschikt als habitat daar er geen dekking is. Het is uitgesloten dat er beschermde kleine marterachtigen een vaste verblijfsplaats hebben in het plangebied. Een effect van de werkzaamheden is uitgesloten. Overige zoogdieren Van overige grondgebonden zoogdieren zoals muizen en bruine rat, is het voorkomen niet uit te sluiten. Naast de algemene zorgplicht hebben de soorten bij ruimtelijke ontwikkeling een vrijstelling, waardoor een vergunning bij verstoring niet noodzakelijk is.

6.5 Amfibieën, reptielen en vissen Amfibieën Er is binnen 1 kilometer van het plangebied 1 waarneming bekend van een rugstreeppad. Rugstreeppad Rugstreeppadden kunnen ook van tijdelijk geschikt habitat, zoals open zand met regenplassen, gebruikmaken. Ook kunnen ze over lange afstanden trekken (tot ongeveer 300 meter per dag). Met name vanwege de trek van rugstreeppadden naar

Rapport 2024-49

29 overwinteringsgebieden in september/oktober, en naar voortplantingswateren in april/mei, dient vestiging van rugstreeppadden tijdens werkzaamheden voorkomen te worden. De trek vindt ’s nachts plaats, vooral bij regenachtig weer. De kans op voorkomen binnen de stad is nihil. Het dichtstbijzijnde habitat is op minstens 2 kilometer afstand. Er is geen geschikt habitat aanwezig op de planlocatie. Dit betreft zowel voortplantingshabitat als overwinteringsplaatsen. Een effect op rugstreeppadden is uitgesloten. Vissen Hoewel er de planlocatie direct grenst aan water is het uitgesloten dat daar beschermde zoetwater soorten voorkomen door onder andere het ontbreken van vegetatie. Een effect op beschermde vissoorten is uitgesloten.

6.6 Libellen en vlinders Libellen Ook binnen 1 kilometer van het plangebied zijn er geen waarnemingen bekend van beschermde libellen. Van de beschermde libellen soorten zijn alleen de gevlekte witsnuitlibel en de een aantal keer en de sierlijke witsnuitlibel 1 keer in de verdere omgeving waargenomen. Beide soorten lijken zich uit te breiden, maar zijn nog uiterst zeldzaam. Libellen zijn in ieder geval voor de voortplanting gebonden aan water. Op de planlocaties is geen water van betekenis aanwezig. De planlocatie is ongeschikt habitat voor libellen. Effecten op beschermde soorten zijn daarmee uitgesloten. Dagvlinders Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan de voortplantingshabitat met waard- en nectarplanten. Ook hierbij ligt het dichtstbijzijnde habitat op meer dan 2 kilometer. De periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden, valt buiten de periode dat de imago’s actief zijn. Het is daarmee uit te sluiten dat er een individu kan langs vliegen. Zowel de waardplanten als het overige habitat zijn niet aanwezig op de planlocatie. Een effect op beschermde vlinders is uitgesloten.

6.7 Vaatplanten Binnen een ruimer kader van ca. 500 meter rondom het plangebied zijn er geen waarnemingen bekend van beschermde vaatplanten. De planlocatie zijnde een brug en verharde kades is ongeschikt als groeiplaats van beschermde soorten. Een effect op beschermde vaatplanten is uitgesloten. Bij controle zijn deze ook niet aangetroffen.

6.8 Vogels Broedvogels Rondom de bouwplaats zijn broedvogels te verwachten. Als de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, zal er geen effect zijn op broedende vogels. Globaal kan de

Rapport 2024-49

30 periode van 15 maart tot 1 augustus gehanteerd worden als broedseizoen. Werkzaamheden in deze periode kunnen het verlies van broedgevallen tot gevolg hebben. De bouwplaats is niet geschikt voor soorten met een jaarrond beschermde nestplaats; In het aangrenzende gebouw zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten. Bij het veldbezoek op 24 juli zijn geen aanwijzingen gevonden voor broedende vogels nabij de planlocatie. In figuur 10 en tabel 4 staan de resultaten weergegeven uit de NDFF voor de vogelrichtlijnsoorten van alle jaren. Tabel 4. Resultaten NDFF Vogelrichtlijnsoorten. Nederlandse naam N-waarnemingen Fuut 2 Visdief 1 Witte kwikstaart 1 Zilvermeeuw 2 Zwarte roodstaart 10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.denhelder.nl/api/v1/meetings/2217/documents/23991