CConstaterende datDen Helder
Koppel je AI →
Document · PDF

138972 - D2025-12-000056 - ruimtelijke onderbouwing - P230359_RO_van Foreestweg 13a_4.5.pdf

Gemeenteraad 19 januari 2026, gemeente Den HelderBij agendapunt: 13: Voorstel tot het verklaren van geen bedenkingen met betrekking tot omgevingsvergunning Van Foreestweg 13a.15.534 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Cumulatie met andere projecten Cumulatie met andere projecten is niet aan de orde. Gebruik van natuurlijke hulpbronnen De nieuwe functies binnen het project maken geen gebruik van natuurlijke hulpbronnen in de directe nabijheid van het projectgebied. In het geheel legt het project hiermee geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. Productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en risico van ongevallen Er is geen sprake van een aanvullende betekenisvolle productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder. Het afval dat ontstaat als gevolg van de aanleg en het gebruik zal afgevoerd worden door een verwerker. Het plan brengt geen bijzondere risico’s voor ongevallen met zich mee. De afvalstoffen van de camping en seizoenswoningen worden door een erkende verwerker afgevoerd. Risico’s voor de menselijke gezondheid Dit project brengt geen risico’s met zich mee voor de menselijke gezondheid. Het bestaande grondgebruik In algemene zin geldt dat de gronden momenteel zijn voorzien van een agrarische bestemming (met vergunde camping) en ook als zodanig zijn ingericht en in gebruik zijn. Dat betekent dat maaien en dergelijke in meer of mindere mate aan de orde kan zijn. In de toekomstige situatie zullen de activiteiten ter plaatse voortgezet worden.

Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is een korte analyse gedaan naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn, of gebieden die krachtens nationale en provinciale regels zijn aangewezen. Hieruit ontstaat het volgende beeld: • Speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn) Het projectgebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. • Landschappen van archeologisch of cultureel belang (Verdrag van Valletta, Erfgoedwet) • Voor het grondgebied van de gemeente Den Helder geldt het archeologisch beschermingsregime. • Bestemmingplan

Pagina 22 van 45

•

Het projectgebied heeft de bestemming ‘Agrarisch’. Daarnaast geldt de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - mini camping’ en een bouwvlak. Natuurnetwerk Nederland (Provinciale verordening) Het projectgebied is gelegen buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN)

4.1.2 Kenmerken van het potentiële effect Algemeen Het project betreft een bedrijfsuitbreiding waarbij het toeristisch en recreatief aanbod een kwaliteitsimpuls krijgt en daarnaast worden voorzieningen voor seizoenarbeiders gerealiseerd. Verder worden, in het kader van zorgvuldig ruimtegebruik, de seizoenswoningen ook benut buiten het agrarisch seizoen voor recreanten. Dit voorkomt onnodige leegstand. De omgeving van het projectgebied kent een beperkt aantal kwetsbaarheden. Gezien voorgaande zijn de milieugevolgen voor de volgende aspecten nader beoordeeld: • cultuurhistorie en landschap: er kan sprake zijn van een negatief effect op cultuurhistorische of landschappelijke waarden; • natuur: het project kan voor wat betreft soortenbescherming leiden tot negatieve (milieu)effecten op beschermde flora en fauna. Ook kan er sprake zijn van negatieve milieueffecten op Natura 2000-gebieden. Hierover kan het volgende worden gesteld: • archeologie: uit de archeologische beleidsadvieskaart volgt dat er archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden als er meer dan 500 m2 gegraven wordt en dieper dan 4,0 m-mv. De graafwerkzaamheden zullen niet dieper dan 4,0 m-mv plaatsvinden, dus is archeologisch onderzoek niet nodig; • water: er wordt geen water gedempt, wel wordt er nieuw water gegraven in de vorm van een waterbassin.

Ook wordt er veel nieuwe verharding aangelegd, daarvoor geldt een compensatieplicht. De watercompensatie vindt plaats in de vorm van het nieuwe waterbassin. Daarnaast dient er een vergunning aangevraagd te worden bij het HHNK voor het graven van het waterbassin en het verwijderen van een bestaande duiker; • externe veiligheid: onderhavig plan brengt geen activiteiten met zich mee die leiden tot externe veiligheidsrisico’s op de omgeving; • bodem: het is bekend dat voor de voorgenomen werkzaamheden grondroerende activiteiten plaatsvinden en dat mogelijk overtollige grond afgevoerd gaat worden. Daarom is er een bodemonderzoek uitgevoerd; • luchtkwaliteit: er is sprake van een project dat ‘Niet in betekende mate’ bijdraagt aan (een verslechtering van) de luchtkwaliteit, conform de ministeriele regeling NIBM. Er hoeven daarom geen negatieve effecten te worden verwacht; • geluid: bij onderhavig plan is geen sprake van een zeer beperkte toename van het verkeer, het betreft circa 42 extra verkeersbewegingen per dag. Deze beperkte toename op de Van Foreestweg leidt niet tot geluidshinder als gevolg van verkeer; • verkeer: bij onderhavig plan is er een zeer lichte toename van het verkeer te verwachten. Er zijn geen negatieve effecten op de doorstroming of de verkeersveiligheid ter plaatse.

Cultuurhistorie en landschap Cultuurhistorie In deze ruimtelijke onderbouwing wordt een bijdrage aangeleverd ter toetsing aan de kernkwaliteiten van het landschap. Derhalve is voor het projectgebied een inrichtingsplan opgesteld, waarin is ingegaan op een passende ontwikkeling, rekening houdend met de kernkwaliteiten van het landschap. De werkzaamheden die worden uitgevoerd doen geen afbreuk aan de landschappelijke en natuurwaarden op deze locaties omdat de verkaveling intact blijft en het open landschap niet wordt aangetast. Negatieve milieueffecten voor cultuurhistorie kunnen daarmee worden uitgesloten, zie ook paragraaf 4.4. Natuur Uit het ecologisch onderzoek moet volgen dat de beoogde werkzaamheden geen negatieve effecten veroorzaken op instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied Duinen Den HelderCallantsoog. Daarom is in het ecologisch onderzoek beoordeeld in hoeverre verhoogde stikstofdepositie tot negatieve effecten zal leiden. Daaruit volgt dat er geen stikstofdepositie plaatsvindt. Het projectgebied is gelegen in de nabijheid van een Natura 2000-gebied. Vanwege de voorgenomen ontwikkeling is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Hieruit is gekomen dat de

Pagina 23 van 45

voorgenomen ontwikkeling geen toename van de stikstofdepositie veroorzaakt. Op basis van de uitkomsten van de Omgevingsscan wordt momenteel aanvullend onderzoek naar de rugstreeppad uitgevoerd. Ook zal er een compensatieplan opgesteld worden voor kleine marterachtigen en wordt er een ecologisch werkprotocol opgesteld voor de uit te voeren werkzaamheden. Indien de rugstreeppad wordt aangetroffen kan een omgevingsvergunning voor een flora-en fauna-activiteit verkregen worden voor de bouw. Conclusie In deze paragraaf is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig. Betekenis voor het project Het beoogde projectvoornemen is opgenomen in kolom D11.2 van het besluit m.e.r. Uit de (vormvrije)m.e.r.-beoordeling is gebleken dat er geen sprake is van nadelige effecten op het milieu.

4.2

Cultuurhistorie

Bij cultuurhistorische waarden gaat het over de positieve waardering van sporen, objecten, patronen en structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In veel gevallen bepalen deze cultuurhistorische waarden de identiteit van een plek of gebied en bieden ze aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. Deze cultuurhistorische elementen kan men niet allemaal als beschermd monument of gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop we ons land beleven, inrichten en gebruiken. Het begrip cultuurhistorie heeft drie aspecten: • Historische (steden)bouwkunde / bovengrondse monumentenzorg; bijvoorbeeld kastelen, kerken, oude boerderijen of landhuizen, maar ook stedenbouwkundige elementen als beschermde stads- of dorpsgezichten. • Archeologie; sporen en vondsten van menselijk handelen in het verleden in de bodem zijn achtergebleven, bijvoorbeeld potscherven, resten van voedselbereiding, graven, maar ook verkleuringen in de grond die duiden op bewoning of infrastructuur. Een verzamelterm hiervoor is ‘archeologische waarden’. Alle archeologische waarden bij elkaar zijn het ‘bodemarchief’. Deze sporen kunnen zich ook onder water bevinden zoals bijvoorbeeld verdronken nederzettingen of scheepswrakken.

• Cultuurlandschap/historische geografie: alle landschappelijke elementen die het gevolg zijn van menselijk handelen in het verleden, bijvoorbeeld verkavelingspatronen, pestbosjes, landgoederenzones of ontginningsassen. In september 2009 overhandigden de ministers van toenmalige ministeries Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) aan de Tweede Kamer. Door middel van de MoMo had de minister tot doel een aantal veranderingen door te voeren in de monumentenzorg: • het stimuleren en ondersteunen van gebiedsgericht werken; • het belang van cultuurhistorie laten meewegen in de ruimtelijke ordening; • het formuleren van een visie op erfgoed en het verminderen van de administratieve lastendruk. Als gevolg van de MoMo zijn het Besluit ruimtelijke ordening en de Monumentenwet op 1 januari 2012 aangepast. Belangrijkste gevolgen zijn de plicht voor gemeenten om bij het opstellen van bestemmingsplannen rekeningen te houden met de aanwezige cultuurhistorische waarden en het vergroten van vrijstellingen van de vergunningplicht voor eigenaren van monumentale gebouwen.

Pagina 24 van 45

Figuur 11 | Uitsnede monumentenkaart met projectlocatie bij rode stip (Bron: www. Rijksmonumenten.nl)

Betekenis voor het project In de nabijheid van het projectgebied zijn geen monumenten of beschermde dorpsgezichten aanwezig. Het aspect cultuurhistorie staat de uitvoerbaarheid van het project niet in de weg.

4.3

Archeologie

Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Op grond van de Erfgoedwet is iedere gemeente verplicht aandacht te besteden aan de archeologie op haar grondgebied en dit te verwerken in bestemmingsplannen en andere ruimtelijke instrumenten. Op het projectgebied is in het bestemmingsplan ‘LANDELIJK GEBIED 2011’ geen bestemming voor archeologische waarde opgenomen.

Figuur 12 | Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart met projectlocatie binnen rode cirkel (Bron: Archeologische beleidsadvieskaart Den Helder)

Betekenis voor het project Volgens de archeologische beleidskaart (23 april 2018) is voor het projectgebied bij werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 500 m² en dieper dan 4 meter archeologisch onderzoek

Pagina 25 van 45

verplicht (Figuur 12). De geplande werkzaamheden zullen de aangegeven diepte niet overschrijden. Daarom is er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het aspect archeologie belemmert het voorgenomen project niet.

4.4 Landschappelijke inpassing

Om te kijken of nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op de juiste wijze landschappelijk wordt ingepast, wordt aan de hand van de landschappelijke kenmerken van de omgeving getoetst of het projectvoornemen het omliggende landschap niet schaadt. Door nieuwe ontwikkelingen goed aan te laten sluiten bij de kernkwaliteiten van het landschap wordt de identiteit van de plek behouden of versterkt. Het projectgebied is gelegen in de Koegraspolder, deze polder kenmerkt zich door een grote open maat en een grofmazige orthogonale wegenstructuur met weinig beplanting (Figuur 13). Het toevoegen van de seizoenswoningen en privé sanitair verstoren de hoofdstructuur van het landschap niet, omdat de verkavelingsstructuur en de randen van het erf niet worden aangetast. Wel dienen de seizoenswoningen en het privé sanitair ingepast te worden om het beeld vanaf de openbare ruimte, in dit geval het ten westen gelegen fietspad, niet te verstoren.

Figuur 13 | Ensemble Koegras – Anna Paulownapolder (bron: leidraadlc.noord-holland.nl)

In het voortraject is met de gemeente gesproken over de zonering van het totale terrein, het terrein is in te delen in drie zones (Figuur 14). Deze zones dienen los van elkaar te blijven maar met elkaar verbonden te worden door middel van de landschappelijke inpassing zodat er een samenhangend beeld op het terrein ontstaat (bijlage 6).

Pagina 26 van 45

Figuur 14 | Terrein

De seizoenswoningen worden grotendeels aan het zicht onttrokken door de aanleg van een kleinschalig nollenlandschap (Figuur 15). Het privé sanitair zal worden ingepast door beplanting rondom de gebouwen te plaatsen. Zo worden gebouwen en objecten zoals campers en caravans grotendeels aan het zicht onttrokken vanaf de kanoroute en het fietspad. Ook de parkeerplaatsen en het centrale sanitair gebouw worden met beplanting ingepast. Het nollenlandschap van de seizoenswoningen vloeit deels over in de camping zodat er een geleidelijke overgang ontstaat tussen de twee functies. Langs de kanoroute wordt een waterbassin gegraven en een botenhuis gerealiseerd. Het botenhuis zal qua materialisatie aansluiten bij de seizoenswoningen en uitgevoerd worden in natuurlijke materialen. Om verder aan te sluiten op de toeristische functie van de kanoroute wordt er een plek gecreëerd waar gebruikers van de kanoroute kunnen aanleggen en gebruik kunnen maken van bijvoorbeeld sanitaire voorzieningen.

Figuur 15 | Doorsnede Nollenlandschap

Het parkeren voor de seizoenswoningen wordt centraal ingepast aan de noordzijde van het terrein. Zo blijft het parkeren van de camping gescheiden en ontstaat er een kwalitatief beter beeld rondom

Pagina 27 van 45

de seizoenswoningen omdat er niet geparkeerd wordt bij de seizoenswoningen. De seizoenswoningen zelf zijn zo georiënteerd in het nollenlandschap dat ze zicht hebben op het nollenlandschap en gescheiden staan van de agrarische bebouwing. De toegang tot de seizoenswoningen zal worden uitgevoerd in halfverharding in de vorm van bijvoorbeeld een karrenspoor of grasbetontegels. Ook het pad rondom de camping zal uit grasbetontegels bestaan voor een groener uiterlijk. De materialisatie van de woningen zal een natuurlijke uitstraling hebben en de maat en schaal van de woningen past bij het nollenlandschap. Het planvoornemen van Noorderduyn ten zuiden van de projectlocatie dient daarbij als voorbeeld (Figuur 16).

Figuur 16 | Voorbeeld van seizoenswoningen geïnspireerd op vergelijkbare locaties (Bron: Swanartbuild)

Betekenis voor het project De nieuwe ontwikkeling sluit aan bij de kernkwaliteiten en schaadt deze niet, het projectvoornemen kan juist worden ingepast. Het aspect landschappelijke inpassing vormt geen belemmering.

4.5

Bodem

In een nieuw ruimtelijk regime dat nieuwe functies mogelijk maakt dient de bodemgesteldheid in kaart te worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het project. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het projectgebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het projectvoornemen, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Betekenis voor het project Uit het digitale archief van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (ODNHN) volgt dat geen bodemonderzoeken bekend zijn op de locatie. Uit de bodemkwaliteitskaart van OD NHN volgt dat het projectgebied ligt in een zone waar de verwachte ontgravingsklasse van zowel de boven- als ondergrond is gesteld op ‘Landbouw/natuur’. Het is bekend dat voor de voorgenomen werkzaamheden grondroerende activiteiten plaatsvinden en dat mogelijk overtollige grond afgevoerd gaat worden. Om overtollige grond af te voeren naar bijv. een grondbank of om een uitspraak te kunnen doen over de te hanteren veiligheidsklassen in het kader van de CROW400 is een bodemonderzoek benodigd. Daartoe is in januari 2025 door Prommenz Milieu B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.

Dit bodemonderzoek is als bijlage 1 opgenomen bij deze ruimtelijke onderbouwing. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek is het volgende gebleken:

Pagina 28 van 45

•

In de boven- en ondergrond zijn geen overschrijdingen van de interventiewaarde geconstateerd; • Het grondwater is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters; • De aangetroffen milieuhygiënische kwaliteit van de grond komt overeen met de bodemfunctie en -kwaliteit ‘Landbouw/natuur’; • Met betrekking tot de stofgroep PFAS is de bovengrond ter plaatse van de locatie niet verontreinigd. Deze wordt geclassificeerd als ‘Landbouw/natuur.’ • De voormalige watergang is niet gedempt met bodemvreemd materiaal, maar zintuigelijk ‘schone’ grond. • Vanwege het voormalige gebruik van bloembollenteelt is er aanvullend onderzocht op OCB’s, maar de grond is hier niet mee verontreinigd. De onderzoeksresultaten vormen geen belemmeringen voor de voorgenomen herinrichting/ grondwerkzaamheden. Aanvullende maatregelen en onderzoeken zijn niet nodig.

4.6 Water

Een watertoets is een essentieel onderdeel van ieder ruimtelijk plan. Hierbij wordt ingegaan op onder andere de beleidsuitgangspunten van het waterschap, de huidige en de toekomstige waterhuishouding in het projectgebied. De projectontwikkeling kan effecten hebben op de hoeveelheid verharding en het waterschap zal het project beoordelen op haar effecten. Het is verplicht in beeld te brengen wat de effecten van de voorgenomen activiteit op de waterhuishouding zijn. Het gaat hier zowel om de waterkwaliteit als waterkwantiteit. Het streven is er zoveel mogelijk op gericht om water (regen-, afval- en oppervlaktewater) op een goede manier in te passen in het ontwerp. De provincie is medeverantwoordelijk voor schoon water en schone waterbodems. Schoon oppervlakte- en grondwater wordt wettelijk geregeld via de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). De provincie stelt regionale doelen voor de waterkwaliteit vast. Deze doelen zijn afhankelijk van het soort water en de natuurlijke omstandigheden. Het Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 2022-2027 geeft invulling aan de doelen zoals geformuleerd in de provinciale omgevingsvisie. Het beleid van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is vastgelegd in het waterplan 2022-2027. Hierin is de koers op hoofdlijnen voor het waterbeheer en de opgaven waar het HHNK zelf, en met anderen aan werken in beschreven.

Er wordt voort gebouwd op de regionale Deltavisie (2012), het waterprogramma 2016-2021 (WBP5) en het Collegeprogramma 2019-2023. Het waterplan is het zesde waterbeheerprogramma (WBP6). Het WBP is een wettelijke verplichting vanuit de Waterwet (deze zal straks opgaan in de Omgevingswet) en vanuit het Bestuursakkoord Water. Het waterplan is ingedeeld in effecten, thema’s en gebied. De basis voor het waterplan is de lange termijnverkenning, hieruit zijn vijf maatschappelijke opgaven gehaald en in thema’s benoemd. De uitvoering van die thema's vindt vaak plaats in de zeven maatschappelijke effecten waaraan het HHNK werkt. De lange termijnverkenning heeft hiernaast ook invloed op de manier van werken en de positionering Het project, gelegen in de gemeente Den Helder, valt binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Hieronder worden de essentiële kenmerken van de bestaande situatie omschreven.

Pagina 29 van 45

Figuur 17 | Uitsnede legger wateren 2023 (Bron: HHNK)

Watersysteem Het projectgebied wordt aan alle zijden, met uitzondering van de oostzijde begrensd door oppervlaktewaterlichamen. Aan de zuid- en westzijde grens het projectgebied aan secundaire watergangen en aan de noordzijde aan een tertiaire watergang. Daarnaast wordt de tertiaire watergang verbonden met de westelijke secundaire watergang door middel van een pomp in de noordwestelijke hoek van het projectgebied. De secundaire watergang in de zuidwestelijke hoek wordt verbonden met de primaire watergang ten westen daarvan door middel van een duiker. In de secundaire watergang aan de westzijde zijn ook nog een vaste dam met duiker gelegen. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zal ten behoeve van het boothuis en aansluiting op de kanoroute een waterbassin van ca. 300 m2 gegraven worden in de zuidwestelijke hoek van het projectgebied. Ten behoeve hiervan zal de bestaande duiker verwijderd moeten worden. Daarnaast zal er ca. 1.900 m2 aan nieuwe verhard oppervlak gerealiseerd worden. Wateradvies Om na te gaan wat voor implicaties de ontwikkeling op het watersysteem heeft, is een wateradvies (voorheen watertoets) uitgevoerd. Deze is als bijlage 2 bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Uit het wateradvies volgt dat de normale procedure gevolgd moet worden, omdat bepaalde aspecten een zodanige invloed op de belangen van het HHNK kunnen hebben.

Toename verharding De toename aan verharding binnen het plan bedraagt naar 1.900 m2. Dit betreft een substantiële toename van bebouwing en/ of verharding. Door deze toename aan verharding zal neerslag versneld worden afgevoerd naar het oppervlaktewater, al dan niet via het rioolstelsel. Dit leidt tijdens extreme weersomstandigheden tot pieken in de waterstand met mogelijk wateroverlast als gevolg. Om ervoor te zorgen dat de waterhuishoudkundige situatie niet verslechtert ten gevolge van de verhardingstoename, moeten er in het desbetreffende peilgebied compenserende maatregelen getroffen worden in de vorm van extra waterberging en/ of infiltratie van hemelwater in de bodem. Bij een verhardingstoename tussen de 230 en 2000 m2 is de regel dat 15% van de toename aan verhard oppervlak dient te worden gecompenseerd door middel van het inrichten van nieuwe waterberging. Uitgangspunt is dat de compensatie wordt gerealiseerd binnen het projectgebied. Als dit niet mogelijk is, dan kan er contact opgenomen worden met het HHNK om oplossingen te bespreken.

Pagina 30 van 45

Betekenis voor het project De watercompensatie vindt plaats in de vorm van het nieuwe waterbassin. Daarnaast dient er een vergunning aangevraagd te worden bij het HHNK voor het graven van het waterbassin en het verwijderen van een duiker.

4.7 Natuur

De Wet natuurbescherming (Wnb) ziet toe op het behoud en de versterking van de biodiversiteit. De bescherming van natuur is geregeld via gebiedsbescherming en soortenbescherming. De Wnb vormt het geldend wettelijk kader. 4.7.1 Gebiedsbescherming Vanuit de Wet natuurbescherming 2017 (Wnb) is het noodzakelijk om uit te sluiten dat er sprake is van significant negatieve effecten van het project op Natura 2000-gebieden. AERIUS is het voorgeschreven rekeninstrument dat wordt gebruikt om stikstofdepositie op lokaal niveau te berekenen. Het projectgebied ligt in de nabijheid van het Natura 2000-gebied ‘Duinen Den Helder Callantsoog’. Dit Natura 2000-gebied ligt op circa 640 m afstand van het projectgebied (Figuur 18). Op circa 640 m afstand ten westen van het projectgebied zijn gronden gesitueerd die beschermd zijn als Natuurnetwerk Nederland (NNN) (Figuur 19). Het betreft het NNN gebied ‘Noordduinen, Mariëndal & Botgat’.

Figuur 18 | Uitsnede Natura 2000 gebieden (Bron: Atlasleefomgeving)

Figuur 19 | Uitsnede NNN (Bron: Atlasleefomgeving)

Stikstof De Natura-2000 gebieden zijn aangewezen voor de bescherming van enkele stikstofgevoelige habitats. Ontwikkelingen dragen mogelijk bij aan een toename van stikstofemissie en daarmee van extra stikstofdepositie op de stikstofgevoelige habitats. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (Bijlage 3). In de berekening zijn de aanlegfase en gebruiksfase in één jaar berekend, uitgaande van een worstcase scenario. Aanlegfase

Pagina 31 van 45

De in te voeren parameters voor de aanlegfase zijn bepaald aan de hand van het ingeschatte aantal benodigde vrachtwagens en overig verkeer voor de aan- en afvoer van materiaal en een schatting van het soort mobiele werktuig en haar geschatte draaiuren (Figuur 20).

Figuur 20 | Uitsnede ingevoerde emissies machines

Voor de aan- en afvoerroute van materiaal en personeel moet rekening gehouden worden met de plaats waar de transportstromen opgaan in het heersende verkeersbeeld. Hiervoor is de van Foreestweg ten zuiden van de projectlocatie aangehouden (Figuur 21). Er is geen sprake van filevorming, de congestiefactor en het opgaan in het heersende verkeersbeeld is bepaald op basis van lokale kennis zoals voorgeschreven door het Informatiepunt Leefomgeving en instructie gegevensinvoer van AERIUS.

Figuur 21 | Uitsnede ingevoerde emissies bouwverkeer

Gebruiksfase In de gebruiksfase is er sprake van emissie door verkeersstromen van de camping en seizoenswoningen en door koude start van voertuigen. Voor het verkeer is er voor de beoogde situatie uitgegaan van 42 lichte motorvoertuigbewegingen per dag. De gegevens zijn op basis van cijfers van het CROW berekend (Tabel 1). Voor de route van

Pagina 32 van 45

de verkeersstromen is de Van Foreestweg ten zuiden van de projectlocatie aangehouden (Figuur 22). Tabel 1: Verkeersgeneratie

Typologie

Hoeveelheid

Verkeersgeneratie

Campingplaatsen Kamerverhuur, niet zelfstandig

30 30

0,4 1,0

Totale verkeersgeneratie per jaar 12 30

Figuur 22 | Ingevoerde emissie verkeersstromen

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een stikstofdepositie berekening uitgevoerd. De aanlegfase, inclusief gebruiksfase resulteert in een stikstofdepositie van minder dan 0,00 mol/ha/jaar. Ook bij de gebruiksfase is er geen sprake van depositie. Er zijn geen vervolgstappen benodigd. 4.7.2 Soortenbescherming Vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) is bij bestendig beheer en ruimtelijke ingrepen de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het werkgebied. Het doel van de wet is het in stand houden van de inheemse flora en fauna. Door deze natuurwaarden voorafgaand aan het werk te onderzoeken, kan schade aan beschermde soorten worden voorkomen of beperkt. Indien schade niet te voorkomen is, is een ontheffing noodzakelijk. Om uit te sluiten dat er geen beschermde soorten voorkomen op het projectgebied is er in januari 2025 een omgevingsscan Flora & Fauna uitgevoerd door Smit Groenadvies 10 januari 2025. Deze ecologische quickscan is als bijlage 4 opgenomen bij deze ruimtelijke onderbouwing. Uit de Omgevingsscan is het volgende gebleken: • Ter plaatse van de locatie zijn mogelijk een vliegroute en foerageergebied aanwezig, namelijk de bomenrijen direct naast het projectgebied.

Door de werkzaamheden kan verstoring door licht en geluid optreden, om dit uit te sluiten dient gewerkt te worden volgens ecologisch werkprotocol; • De bomenrij direct naast het projectgebied kan mogelijk gebruikt worden als rust, foerageer – of broedgebied voor vogels. De werkzaamheden kunnen geluid- en lichtoverlast veroorzaken, waardoor werken volgens ecologisch werkprotocol noodzakelijk is; • Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de rugstreeppad, omdat er een geschikt biotoop is vastgesteld voor zwaar beschermde amfibieën;

Pagina 33 van 45

•

Er is een geschikt biotoop vastgesteld voor zwaar beschermde grondgebonden zoogdieren. De voorgenomen werkzaamheden hebben een mogelijk negatief effect, waardoor er een compensatieplan opgesteld dient te worden voor kleine marterachtigen.

Naar aanleiding van de resultaten uit de omgevingsscan is in de periode van mei tot en met augustus 2025 aanvullend veldonderzoek uitgevoerd door Smit Groenadvies. Uit dit onderzoek (bijlage 5) is gebleken dat binnen het plangebied rekening moet worden gehouden met verschillende beschermde soortgroepen:

•

Voor zowel vogels als vleermuizen dient tijdens de werkzaamheden gewerkt te worden volgens een ecologisch werkprotocol, om verstoring van verblijf- en foerageergebieden te voorkomen. • Binnen het plangebied is daarnaast compensatie noodzakelijk voor kleine marterachtigen, aangezien geschikt leefgebied (zoals dekking en verbindingselementen) deels verdwijnt door de voorgenomen werkzaamheden. Mogelijk is er a.d.h.v. het nader onderzoek ook nog compensatie nodig voor de rugstreeppad. Zodoende is een vergunning voor een Flora- en fauna-activiteit nodig voor de uitvoering van de werkzaamheden. Er is reeds een ecologisch werkprotocol opgesteld voor vogels en vleermuizen (bijlage 5). Betekenis voor het project Het projectgebied is gelegen in de nabijheid van een Natura 2000-gebied. Vanwege de voorgenomen ontwikkeling is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Hieruit is gekomen dat de voorgenomen ontwikkeling geen toename van de stikstofdepositie veroorzaakt. Er is reeds een vergunning aangevraagd voor een flora- en fauna-activiteit vanwege kleine marterachtigen (OMG068810).

4.8 Verkeer en parkeren

Als gevolg van de ontwikkeling treedt er een wijziging op in de verkeersbewegingen van en naar het projectgebied. Bij een ontwikkeling moet aangetoond worden dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening wat betreft de toekomstige verkeersafwikkeling. Om te onderzoeken of het aantal beschikbare parkeerplaatsen voldoende is kan dit worden berekend met behulp van het CROW. Bij het opstellen van de parkeerregels is er uitgegaan de 'Nota Parkeernormen Den Helder 2017-2021' en het ‘Beleid huisvesting tijdelijke werknemers Den Helder’. In het ‘Beleid huisvesting tijdelijke werknemers Den Helder’ wordt een parkeernorm van 0,8 parkeerplekken per slaapplaats aangehouden. Voor de adressendichtheid wordt ‘niet stedelijk’ aangehouden (316 adressen per km2) en ‘rest bebouwde kom’. Seizoenswoningen: 0,8 x 30 slaapplaatsen = 24 Camping: 1,2 x 30 campingplaatsen = 36 Om aan te tonen dat de wegcapaciteit voldoende is, berekenen we de toekomstige verkeersgeneratie welke opgevangen moet worden, dit wordt ook gedaan met het CROW: Kamerverhuur, niet zelfstandig: Min. 0,8 max 1,2 Camping Min. 0,4 max. 0,4 Betekenis voor het project Het totaal komt hiermee op een parkeerbehoefte van minimaal 24+36 = 60 parkeerplaatsen. Het terrein heeft reeds 32 parkeerplaatsen op het eigen perceel. In de toekomst zullen 28 extra parkeerplaatsen ten noorden van de bedrijfsloods worden gerealiseerd.

Hiermee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte. De totale verkeersgeneratie komt uit op circa 42 extra verkeersbewegingen per etmaal bij een volle bezetting. De verkeerstoename aan de van Foreestweg 13a is dusdanig gering dat deze kan worden opgevangen in het reguliere verkeersbeeld.

4.9 Geluid

Een belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging in het kader van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Deze wet biedt geluidgevoelige functies (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. In artikel 41 van de Wgh zijn categorieën aangewezen waarvoor een geluidszonering toegepast moet worden.

Pagina 34 van 45

De Wgh biedt geluidsgevoelige gebouwen én geluidsgevoelige terreinen bescherming tegen het geluid van wegverkeer (niet 30 km wegen), spoorwegen en van gezoneerde industrieterreinen. In de Wgh zijn woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen beschermd tegen geluidhinder. Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde zones van de verschillende geluidsbronnen liggen, bepaalt het bevoegd gezag (maatwerk)grenswaarden. Er geldt een voorkeurswaarde en een bovengrens. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden is voor elk type geluidsbron verschillend en is onder andere afhankelijk van de geluidsgevoelige bestemming. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure” doorlopen worden. Gebouwen met een ‘dove’ gevel hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden. De geluidszone langs een weg (≥50km/u), waarbinnen de Wgh van toepassing is, is afhankelijk van de ligging en het aantal rijstroken van de weg en ligt tussen de 200-600 meter. De zonebreedte van een spoorweg varieert van 100 tot maximaal 1300 meter. De grootte van de zone rondom een industrieterrein is afhankelijk van de benodigde of gewenste geluidsruimte van het gezoneerde industrieterrein.

In het bestemmingsplan is de zone vastgelegd. Aanlegfase Tijdens de aanlegfase draagt de aannemer zorg voor het binnen de perken blijven van geluidsoverlast tijdens bouw. Gebruiksfase Voor onderhavig project is enkel het aspect wegverkeerslawaai van toepassing. Het projectgebied is gelegen aan de Van Foreestweg, dit is een 50 km/u weg (Figuur 18).

Figuur 23 | Uitsnede geluidskaart (Bron: Atlasleefomgeving)

Betekenis voor het project Het perceel is gelegen aan de van Foreestweg, een 50 km/uur weg. Op basis van de geluidskaart (Figuur 23) wordt hier geen geluidsbelasting boven de grenswaarde van 48 dB verwacht. Derhalve vormt het aspect geluid geen belemmeringen voor het project. Het bestaande bloembollendroog- en prepareerbedrijf kan geluidshinder veroorzaken. Hoewel de toekomstige recreatieve functies niet als geluidgevoelige functie wordt beschouwd is er wel getoetst aan de VNG richtafstanden. Voor het bloembollendroog- en prepareerbedrijf geldt een richtafstand van 30 meter (Tabel 3). De projectlocatie bevindt zich binnen lintbebouwing in het buitengebied, dat wordt gekenmerkt door overwegend agrarische bedrijvigheid, aangevuld met recreatieve en woonfuncties. Daarmee ligt de locatie binnen een gemengd gebied, waardoor de richtafstand gereduceerd kan worden tot 10 meter. De ontwikkeling voldoet aan deze richtafstand.

Pagina 35 van 45

4.10 Luchtkwaliteit

Om schade aan de volksgezondheid te beperken, moet de kwaliteit van de lucht voldoen aan de Europese normen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient getoetst te worden of de ontwikkeling ervoor zorgt dat grenswaarden voor de concentraties van onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden overschreden. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging als het project of de activiteit maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde aan de concentraties fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO 2) bijdraagt. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het project is ‘in betekenende mate’ als de toename voor een of beide stoffen hoger is. De 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in de regeling NIBM omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: • woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; • kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. De 3%-grens geldt sinds 1 augustus 2009: de datum waarop het kabinetsbesluit Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht is geworden.

De NIBM-tool is ingevuld voor een gemiddelde verkeersgeneratie van een worstcase schatting van 42 extra voertuigbewegingen voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase (Tabel 2). Voor het jaar van realisatie is 2025 genomen en voor het aandeel van vrachtverkeer is een klein percentage meegenomen, gezien tijdens de realisatie aan- en afrijdend verkeer nodig is voor o.a. materieel. Tabel 2 | Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een project op de luchtkwaliteit, GCN2024

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2024 Jaar van planrealisatie

2025

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

42

Aandeel vrachtverkeer

1,0%

NO2 in μg/m

3

0,02

PM10 in μg/m

3

0,00

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

Betekenis voor het project Het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van dit project.

4.11 Bedrijven en milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen anderzijds.

Pagina 36 van 45

De doelen van milieuzonering zijn: • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Systematiek Handreiking Bedrijven en milieuzonering Bedrijven in de omgeving kunnen hinder opleveren voor (hinder)gevoelige functies, zoals woningen. Bedrijven en functies kunnen geluidhinder, geurhinder, stofhinder of veiligheidsrisico's (externe veiligheid) veroorzaken. Om mogelijke hinder van bedrijven goed in beeld te kunnen brengen heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de Handreiking "Bedrijven en milieuzonering" opgesteld. In deze Handreiking, ook wel de VNG-publicatie genoemd, is voor bedrijven en inrichtingen aangegeven welke richtafstand aangehouden dient te worden. In de Handreiking worden bedrijven ingedeeld op basis van de te verwachten milieuhinder (geur, geluid, stof en externe veiligheid). Per milieuonderdeel leidt dat tot een afstand die minimaal moet worden aangehouden tot gevoelige functies. Dit leidt tot een indeling in verschillende milieucategorieën, toenemend geschaald naar hinder. Tabel 3 | Uitsnede richtafstanden (Bron: VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ Richtafstandenlijst)

GEVAAR

GROOTSTE AFSTAND

- LANDBOUW EN DIENSTVERLENING T.B.V. DE LANDBOUW 6 - bloembollendroog- en prepareerbedrijven - LOGIES-, MAALTIJDEN- EN DRANKENVERSTREKKING Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)

GELUID

01 0163 55 553, 552

STOF

01 0112 55 552

-

AFSTANDEN IN METERS

GEUR

-

OMSCHRIJVING

CATEGORIE

SBI-2008

nummer

SBI-1993

30

10

30 C

10

30

2

30

0

50 C

30

50

3.1

Betekenis voor het project Het projectvoornemen betreft de realisatie van 6 seizoenswoningen en een boothuis met waterbassin. In de VNG-publicatie zijn geen richtafstanden opgenomen voor campingplaatsen en seizoenswoningen. Om die reden is de omschrijving die er het dichtst bij in de buurt komt aangehouden, namelijk ‘kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)’ (Tabel 3). Voor kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken) is milieucategorie 3.1 van toepassing, met een richtafstand van 30 meter voor geur en gevaar en 50 meter voor geluid. De campingplaatsen beschikken niet over een keuken, alleen over centrale sanitaire voorzieningen. Het bestaande bloembollen bedrijf kan hinder veroorzaken op de te realiseren functies. Hoewel de functies geen geluids-/geurgevoelige functies betreffen dient de invloed van het bedrijf in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel te worden beschouwd. Met dit doel wordt getoetst aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie voor ‘bloembollendroog- en prepareerbedrijven’. Voor het aspect geur en geluid geldt een richtafstand van 30 meter. Hoewel bijna aan deze richtafstand wordt voldaan, is dit niet noodzakelijk omdat de projectlocatie is gelegen in gemengd gebied conform de VNG-publicatie. Lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarisch gebruik en andere bedrijvigheid wordt aangemerkt als gemengd gebied.

De projectlocatie kent een combinatie van agrarisch gebruik, woonbestemming en een recreatieve functie. Binnen gemengd gebied geldt een verkorte richtafstand van 10 meter voor zowel geur als geluid. Aan de richtafstand van 10 meter wordt voldaan. De dichtstbijzijnde gevoelige functie betreft de woning aan de van Foreestweg 13, ten zuiden van het projectgebied. De afstand tussen de ontwikkeling en de woning bedraagt ca. 95 meter. Dit is ver boven de richtafstanden voor geur en gevaar (30 m) en geluid (50 m). Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering.

4.12 Spuitzone bestrijdingsmiddelen Op omliggende agrarische percelen kan gebruik gemaakt worden van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Voor het waarborgen van een effectief en veilig gebruik van gewasbeschermingsmiddelen gelden tal van (wettelijke) regels, deze zijn voornamelijk gericht op het beschermen van (oppervlakte)water, consumenten, agrariërs en hun werknemers. Beleidsmatig is er ook steeds meer aandacht voor omwonenden en (niet-beroepsmatige) passanten. Deze groepen worden echter (nog) niet expliciet beschermd via de wetgeving.

Pagina 37 van 45

Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag mensen verblijven of samenkomen. Het telen van bollen kent vanuit de VNG-publicatie geen specifieke richtafstanden voor milieuzonering. Wel bestaat jurisprudentie waarin qua richtafstand wordt aangesloten op de richtafstand voor het telen van fruit. De 50 meter afstand is een afstand die in jurisprudentie niet onredelijk geacht wordt.1 Dit neemt niet weg dat de raad een kortere afstand in een bepaalde situatie toereikend kan achten om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen. Betekenis voor het project In het projectgebied is reeds een camping gevestigd op circa 32 meter afstand van de agrarische gronden aan de noordzijde. De afstand tussen de seizoenswoningen en de agrarische gronden is minimaal 50 meter. De agrarische gronden zijn in eigendom van initiatiefnemer, er wordt een 7 meter brede akkerrand gehanteerd welke niet bespoten wordt. Hiermee komen de gewassen waar de gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt op een afstand van 39 meter van de campingplaatsen en 50 meter vanaf de seizoenswoningen (Figuur 24). Op de agrarische grond wordt een strook van 13-18 meter gehanteerd vanaf de watergang welke niet bespoten wordt. Op deze manier wordt voldaan aan de minimale afstand van 50 meter.

Deze spuitzonering is privaatrechtelijk afgesproken en zal in de toekomst opgenomen worden in het omgevingsplan.

Figuur 24 | Uitsnede schetsontwerp met maatvoering tot omliggende agrarische percelen

Op de agrarische gronden aan de noordzijde worden voornamelijk tulpen, narcissen, hyacinten, lelies en krokussen verbouwd, dit valt onder akkerbouw. In de aankomende 10 jaar zal de bedrijfsvoering hoogstwaarschijnlijk niet afwijken van akkerbouw. Bedrijfseconomisch gezien is het niet mogelijk om af te wijken aangezien de bedrijfsvoering is ingezet op akkerbouw. De overheersende windrichting in Nederland is zuidwest. Aangezien de agrarische gronden ten noorden liggen van het projectgebied waaien de chemicaliën ook niet richting het projectgebied (Figuur 25). De hoogte waarbij dit wordt gedaan is ook een stuk lager doordat de gewassen dichter bij de grond groeien. Door deze wijze van spuiten en de windrichting, is de kans op drift van gewasbeschermingsmiddelen naar het projectgebied klein.

1

Onder andere de uitspraak van 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1698

Pagina 38 van 45

Figuur 25 | Windrichting per maand in Nederland (Bron: Weerplaza)

De afstand van 50 meter als richtafstand komt voort uit een uitspraak van de Raad van State2 gebaseerd op het toenmalige beleid van de provincie Gelderland. Dit beleid had betrekking tot de toelating van nieuwe gevoelige functies nabij boomgaarden en boomteeltpercelen. Ten tijde van dat beleid gold op grond van artikel 13 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1963, het daarop gebaseerde “Lozingenbesluit open teelt en veehouderij” en de bijbehorende “Regeling testmethoden driftarme doppen Lozingenbesluit open teelt en veehouderij”, een verplichting om een drift reductie techniek toe te passen van minimaal 50%. Sinds 1 januari 2018 is het verplicht vanuit het huidige Activiteitenbesluit om een drift reductie van tenminste 75% te bereiken voor het gehele perceel. Voor alle open teelten zijn de eisen aan drift reducerende maatregelen verscherpt en op het gehele perceel van toepassing verklaard in plaats van binnen een afstand van 14 meter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam zoals dat voorheen gold. Ook dient er vanuit het Activiteitenbesluit een afstand gehanteerd te worden tot oppervlaktewaterlichamen zodat de gewasbeschermingsmiddelen niet in het oppervlaktewater terecht komen. Vergeleken met de norm die gold ten tijde van de uitspraak van de Raad van State uit 2004 over het beleid van de provincie Gelderland, is de norm met de helft strenger geworden.

Naast de verplichting vanuit het huidige Activiteitenbesluit van een drift reductie van 75%, is er ook een verschil in de spuitrichting. Het beleid van de provincie Gelderland had betrekking op boomgaarden en boomteelt, waarbij voornamelijk opwaarts of zijwaarts wordt gespoten. Bij akkerland wordt er uitsluitende neerwaarts gespoten voor een optimaal effect. Ten opzichte van de verplichte drift reductie van 75% wordt de drift nog meer gereduceerd tot 99% bij neerwaarts spuiten. De afstand tot de camping bedraagt 39 meter, dit betreft een bestaande situatie, er is afgesproken om binnen 50 meter van de campingplaatsen geen gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Aan de richtafstand van minimaal 50 meter wordt voldaan voor de nieuw te realiseren seizoenswoningen. Derhalve leidt het projectvoornemen niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.13 Externe veiligheid

Binnen het beleidskader externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Het plaatsgebonden risico (PR) gaat over de persoonlijke veiligheid van de individuele burger. Dit is de overlijdenskans voor een persoon die op een bepaalde afstand van een inrichting of een transportroute permanent (onbeschermd) aanwezig is. Het groepsrisico (GR) geeft de kans dat een groep, met een bepaalde grootte, het slachtoffer kan worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Er wordt hierbij getoetst aan de risicokaart, die gevaarlijke inrichtingen, transportroutes en leidingen weergeeft. Regels met betrekking tot externe veiligheid geformuleerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Voor het plaatsgebonden risico en de veiligheidszone geldt een 2

ABRS 23 juni 2004 ECLI:NL: RVS:2004: AP3436

Pagina 39 van 45

grens- en een richtwaarde. De beoordeling van het groepsrisico vindt niet plaats door toetsing aan een vaste norm, maar op basis van een verantwoording van het risico. Het bevoegd gezag beoordeelt hierbij de aanvaardbaarheid van het groepsrisico in het kader van het ruimtelijk besluit. Voor veelvoorkomende inrichtingen en langs de belangrijkste transportroutes is het plaatsgebonden risico middels een afstand vastgelegd. Voor inrichtingen geldt een invloed gebied waarbinnen het bevoegd gezag het groepsrisico moet verantwoorden (Revi). Voor wegen en spoorwegen zijn effectafstanden van de maatgevende scenario's, waarbinnen deze routes effect kunnen hebben, bekend. Voor transportroutes geldt dat nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen binnen 200 meter van de transportroute het groepsrisico moet worden beschouwd volgend uit het Bevt. In de regeling basisnet staan de transportroutes en de transporthoeveelheden waarmee rekening gehouden dient te worden. Bij gevallen waarin afstanden niet zijn voorgeschreven, kan een berekening benodigd zijn om het groepsrisico te verantwoorden. Naar aanleiding van de vuurwerkramp in Enschede op 13 mei 2000 is er een instrument ontwikkeld dat burgers én professionals inzicht geeft in risicosituaties in de leefomgeving: de risicokaart.

Op de risicokaart staan gegevens die met risico te maken hebben, zoals risico veroorzakende bedrijven die gevaarlijke stoffen gebruiken, produceren of opslaan en ook het vervoer/transport van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen.

Figuur 26 | Uitsnede risicokaart met projectlocatie binnen rode cirkel (Bron: atlasleefomgeving.nl)

Betekenis voor het project Op ca. 760 meter ten noordwesten van het projectgebied is een propaan-/propeentank gelegen op Camping ‘t Noorder Sandt. Deze propaan-/propeentank heeft een brandaandachtsgebied. Op 1,5 km ten oosten van het projectgebied staat een aardgasstation van GasUnie. Ook deze heeft een brandaandachtsgebied. Het projectgebied ligt ruim buiten deze brandaandachtsgebieden. Verder zijn er geen risicovolle inrichtingen, transportroutes of buisleidingen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.14 Kabels en leidingen

Bij de aanleg van de nieuwe gebouwen vindt er grondzetting door graven plaats. Om inzicht te krijgen in de kabels en leidingen welke door de grond lopen is er een oriënterende KLIC-melding (KLIC= Kabels en Leidingen Informatie Centrum) gedaan bij het Kadaster (Figuur 27).

Pagina 40 van 45

Figuur 27 | Uitsnede KLIC-melding

Betekenis voor het project De kabels en leidingen lopen voornamelijk rondom het perceel. Het aspect kabels en leidingen staat de uitvoerbaarheid van het project niet in de weg.

4.15 Ontplofbare oorlogsresten

Als gevolg van de oorlogshandelingen in de Tweede Wereldoorlog zijn er in ons land ontplofbare oorlogsresten (OO) achtergebleven. Om diverse redenen (bijvoorbeeld veiligheid en gebiedsontwikkeling) kan de noodzaak ontstaan om deze OO op te sporen en te ruimen. De gemeente Den Helder heeft een NGE-Risicokaart opgesteld (Figuur 28).

Figuur 28 | Uitsnede NGE-verwachtingsgebieden met projectlocatie binnen rode cirkel (Bron: NGE Verwachtingsgebieden 2024)

Pagina 41 van 45

Betekenis voor het project Het projectgebied is geen verdacht gebied als het gaat om afwerpmunitie, raketten, geschutmunitie, KKM, hand- en geweergranaten, mijnen en submunitie. De algemene zorgplicht ten aanzien van veiligheid en gezondheid dient ten alle tijden in acht genomen te worden bij grondverzet. Het aspect ontplofbare oorlogsresten staat de uitvoerbaarheid van het project niet in de weg.

Pagina 42 van 45

5.1

Inleiding

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het is wettelijk geregeld dat het een verplichting is om in een ruimtelijke procedure inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een projectvoornemen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.

Op de vergunningsaanvraag is de uitgebreide voorbereidingsprocedure (artikel 2.12 lid 1 onder a en onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) van toepassing. Zienswijzen De omgevingsvergunning planologisch afwijken wordt ingediend bij het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college). Het college publiceert de ontvangst van de aanvraag. De omgevingsvergunning ligt gedurende een periode van zes weken ter inzage. De vergunning wordt bekend gemaakt in de Staatscourant en de gebruikelijke lokale media. Gedurende de ter inzagelegging kan eenieder een zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren brengen bij de gemeente. Eventueel ingediende zienswijze worden passend beantwoord en betrokken bij de definitieve besluitvorming. Vervolg Wanneer de eventueel binnengekomen zienswijzen geen aanleiding geven om de ruimtelijke procedure te beëindigen, wordt de omgevingsvergunning verleend. Tijdens de daarop volgende inzagetermijn van 6 weken is het mogelijk een beroep in te stellen bij de Rechtbank. Het vaststellingsbesluit treedt in werking op de eerste dag ná de dag waarop de beroepstermijn afloopt, tenzij er een voorziening is aangevraagd.

5.3

Economische uitvoerbaarheid

5.4

Algemene conclusie

De initiatiefnemer draagt zelf de kosten voor het project en heeft hiervoor een sluitende begroting opgesteld. Waardevermindering van omliggende panden of gronden wordt als gevolg van onderhavige ontwikkeling niet verwacht. Eventuele planschadekosten komen voor rekening van de initiatiefnemer.

Uit alle onderzochte omgevingsaspecten en het beleidskader blijkt dat het beoogde projectvoornemen geen hinder veroorzaakt en in lijn is met de geldende beleidskaders. Het projectvoornemen is uitvoerbaar, door middel van de uitgebreide procedure kan een omgevingsvergunning worden verleend.

Pagina 43 van 45

Lijst van Separate bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7

Bodemonderzoek Watertoets AERIUS – berekening Quickscan flora en fauna Aanvullend onderzoek en ecologisch werkprotocol flora en fauna Landschappelijke inpassing Tekeningen seizoenswoningen

Harmenkaag 11 1741 LA SCHAGEN 0224 – 299346 info@prommenz.nl www.prommenz.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.denhelder.nl/api/v1/meetings/2348/documents/26159