RIS325516 Bijlage 3 Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving
Tekst van het document
Aangezien het paviljoen geen woonbestemming heeft, is het overstromingsrisico (kans x gevolg) klein.
31
4.7.5 Grondwater, bodemdaling en voorkomen zoetwatertekort Huidige situatie Het maaiveldniveau ligt op ongeveer NAP+0,7 m. Binnen en buiten liggen ongeveer op gelijk niveau. De locatie ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Uit de gegevens in het Bro-loket wordt afgeleid dat de bodem bestaat uit ongeveer 3 meter zand en daaronder klei en wat veen tot ca 15 m diepte. Daaronder ligt een dik zandpakket. Volgens de Klimaateffectatlas van Gemeente Den Haag was de bodemdaling in droge jaren 2 à 3 mm per jaar. Toekomstige situatie Met een boezempeil van NAP-0,43 m is de drooglegging voldoende voor de beoogde gebruiksfunctie. Deze omgevingsvergunning verandert niets aan bodem en grondwater. Het bouwwerk staat er immers al en een grondwateronttrekking /bemaling voor realisatie is dus niet nodig.
4.7.6 Oppervlaktewater en voorkomen wateroverlast Huidige situatie De Haagse Trekvliet (ook Haagse Vliet of Trekvaart) is onderdeel van Delflands Boezemstelsel met een jaarrond vast oppervlaktewaterpeil van NAP-0,43 m. Het plangebied ligt volgens de peilgebiedenkaart in boezemland, dat vrij afwatert op de boezem. Vanuit de waterkering bezien zou het net binnen de Noordpolder liggen (immers aan de binnendijkse zijde). Het oppervlaktewaterpeil in peilvak I van de Noordpolder is jaarrond NAP-1,3 m, met een beheermarge van 5 cm naar boven en beneden. De polders malen hun wateroverschot uit op de hoger gelegen boezem, waarna het water naar zee wordt verpompt. In droge perioden kunnen de polders juist water inlaten vanuit de boezem. De Haagse Trekvliet is een primair boezemwater. Hoogheemraadschap van Delfland is verantwoordelijk voor onderhoud.
32
Fig. 4.8 Legger Oppervlaktewateren Hoogheemraadschap van Delfland. NL15_440HV44B1000 Haagsche Vliet of trekvaart
Het vereiste beschermingsniveau tegen overstroming voor het plangebied volgens de provinciale normen voor wateroverlast is 1/100 per jaar. Gemeente Den Haag heeft een klimaateffectatlas voor haar grondgebied. Daaruit blijkt dat de planlocatie niet kwetsbaar is voor wateroverlast bij hevige neerslag. Ook de begaanbaarheid van de lokale wegen is meest goed. Figuur 4.9 toont de gemodelleerde wateroverlast bij een kans van voorkomen van 1/100 per jaar in 2050.
Fig. 4.9 Klimaatatlas Den Haag - Wateroverlast bij 70 mm neerslag in 1 uur
33
Toekomstige situatie Het opnieuw verlenen van een tijdelijke vergunning verandert buiten niets. Het verhard oppervlak blijft gelijk. Toch kan ook hiervoor een wateropgave gelden. Hoogheemraadschap van Delfland vraagt immers niet alleen waterberging als compensatie voor versnelde afvoer door een toename van verhard oppervlak, maar ook voor klimaateffecten van het plan op het watersysteem. En dit wordt gerelateerd aan het oppervlak van het plangebied (met de type oppervlakken). Uit de ingevulde Watersleutel blijkt dat het plan een klimaatopgave heeft van 2,9m³. Daarmee valt het plan onder de kruimelregeling (tot 5m³) en is geen compensatie vereist. Bij verbouwing van het bouwwerk kunnen wel maatregelen worden overwogen, zoals toepassing van een groen (en waterbergend) dak, of infiltratiekoffers voor hemelwater onder bestrating of terras. De bouwwerken liggen ruim buiten de beschermingszones voor het oppervlaktewaterlichaam (voor inspectie en onderhoud). Tussen insteek/oever van de watergang en de bouwwerken ligt nog een fietspad. Hier verandert niets aan en de omgevingsvergunning heeft dus geen impact op het thema Onderhoud en Bagger.
4.7.7 Watersysteemkwaliteit en ecologie Huidige situatie De Haagse Trekvliet is een KRW-oppervlaktewaterlichaam. Doel is om in 2017 het oppervlaktewaterlichaam naar zijn potentieel op orde te hebben. Ook voor waterkwaliteit geldt tenminste een stand-still, dus ruimtelijke ontwikkelingen mogen geen negatief effect hebben op de oppervlaktewaterkwaliteit. Toekomstige situatie De bouw was zoveel mogelijk duurzaam (circulair / herbruikbaar), waarmee uitloging en negatief effect op de waterkwaliteit en ecologie wordt voorkomen. De omgevingsvergunning en interne verbouwing veranderen daar niets aan.
4.7.8 Afvalwater en riolering Huidige situatie Volgens de viewer Riolering Den Haag ligt de planlocatie in deelgebied Laakwijk en ligt hier een gemengd rioolstelsel. Gezien de jonge leeftijd van het paviljoen ligt het voor de hand dat alleen huishoudelijk afvalwater van het paviljoen naar het gemengde riool wordt afgevoerd en dat het dakwater lokaal wordt verwerkt. Op het dak liggen ook kratten met sedum die regenwater benutten en de afvoer vertragen. Regenwater van de verhardingen (terras, paden) stroomt af naar de onverharde stroken erlangs, waar het kan infiltreren. Toekomstige situatie De te verlenen vergunning verandert niets aan de huidige omgang met afvalwater en riolering. Ook de hoeveelheid afvalwater die vrijkomt wijzigt niet.
34
4.7.9 Klimaatadaptatie Huidige situatie Klimaatverandering vraagt voorbereiding en aanpassing. Klimaatverandering leidt tot meer kans op hitte, langduriger droogte, maar ook extremere (zomer) piekbuien en grotere kans op overstromingen (zowel lokaal als regionaal). In de Klimaatatlas Den Haag zijn de kwetsbaarheden terug te vinden. Overstroming, wateroverlast en bodemdaling zijn in de voorgaande paragrafen al aan de orde gekomen. Wat betreft hitte ligt de planlocatie op een relatief warme plek, want in de stad. De nabijheid van het water en bomen beperken het hitteeiland effect wel, maar nog steeds is het gemiddelde luchttemperatuurverschil met landelijke gebieden 1,6 – 1,8 graden Celsius. Binnen bebouwd gebied kunnen bomen, schaduwplekken en goede luchtstroming /wind in de buitenruimte ervoor zorgen dat hitte minder wordt ervaren. Toekomstige situatie Het verhard oppervlak neemt in het plangebied niet toe. De verharding en inrichting van de buitenruimte verandert niet, dus het plan leidt niet tot een verandering van hittekans. Het paviljoen is nu in gebruik als buurtpaviljoen. Het is een bereikbare plek met schaduw en koelte van bomen, voor bewoners uit de buurt en voor passanten.
4.7.10 Conclusie Uit de waterparagraaf blijkt dat geen negatieve effecten te verwachten zijn op de waterhuishouding. Het hoofdgebouw wordt intern verbouwd, aan de buitenruimte en het bijgebouw verandert niets. Verhard oppervlak neemt niet toe, en dus ook de versnelde afvoer van water niet. De kleine opgave door klimaateffecten op het plan valt onder de kruimelregeling waardoor compenserende waterberging niet verplicht is. En de bebouwing staat weliswaar in de waterkeringszone, maar voldoet aan Beleid Medegebruik Waterkeringen. Voor het legaliseren van het bestaande paviljoen binnen de kern- en beschermingszone van de waterkering is een watervergunning aangevraagd en verleend op 10 juli 2023 (vergunning Z23099276/D-23-086026).
35
5
CULTUURHISTORIE & ARCHEOLOGIE In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de eventueel in of direct nabij het projectgebied aanwezige cultuurhistorische - en/of archeologische waarden en de eventuele consequenties daarvan voor de verwezenlijking van het plan.
5.1
Monumenten / Beschermd stads- en dorpsgezicht Binnen het projectgebied bevinden zich geen gemeentelijke - of rijksmonumenten. Ook op de gronden, die direct aan het projectgebied grenzen of anderszins in de directe nabijheid van het projectgebied zijn gelegen, zijn geen monumenten aangewezen. Voorts ligt het plan niet binnen een beschermd stads- en dorpsgezicht en is er geen sprake van monumentale bomen of historisch groen in de directe omgeving van het plangebied.
5.2
Archeologie Algemeen De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in archeologische functies en cultuurhistorische functies opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Planspecifiek De gronden van de projectlocatie hebben tevens de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Artikel 22 lid 1 van de planregels bepaalt dat de als ‘Waarde – Archeologie’ aangewezen gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd zijn voor het behoud van archeologische waarden. Daarvoor geldt ook een zogenaamd ‘aanlegvergunningstelsel’, zoals opgenomen in artikel 22.2: 22.2 Aanlegvergunning a.
Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie' bestemde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. het wijzigen van het huidige maaiveldniveau door middel van verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de grond; 2. het uitvoeren van grondwerken, dieper dan 0,5 m ten behoeve van het bouwen en voor het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; 3. het graven van sloten, watergangen, vijvers of vaarten.
36
b.
c.
d.
Het verbod als bedoeld onder a is niet van toepassing voor zover de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden: 1. hetzij noodzakelijk zijn in verband met het normale beheer of onderhoud van gronden; 2. hetzij ten dienste staan van de instandhouding of voltooiing van werken die op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan reeds bestaan of in uitvoering zijn genomen dan wel geacht moeten worden te bestaan of in uitvoering te zijn genomen. Alvorens burgemeester en wethouder besluiten over het verlenen van een aanlegvergunning als bedoeld onder a: 1. doen zij een inventariserend archeologisch vooronderzoek; 2. winnen zij, als het onderzoek onder a archeologische waarden aantoont, advies in van de provincie Zuid-Holland en de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten over de wijze waarop met deze waarden moet worden omgegaan; 3. doen zij, als het onderzoek onder a archeologische waarden aantoont en de voorgenomen werken en/of werkzaamheden daaraan schade kunnen berokkenen, een archeologisch opgravingsonderzoek.
De werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden als bedoeld onder a zijn slechts toelaatbaar indien en voor zover de belangen die samenhangen met de aanwijzing van de gronden voor het behoud van archeologische waarden dit gedogen of als deze belangen door het stellen van voorwaarden bij het verlenen van een aanlegvergunning kunnen worden veiliggesteld.
Het betreffende paviljoen is al aanwezig. Er vinden geen werkzaamheden plaats die het huidige maaiveldniveau wijzigen. Tevens worden er geen grondroerende werkzaamheden uitgevoerd die dieper zijn dan 0,5 meter. Eventueel aanwezige archeologische waarden worden dan ook niet aangetast. Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat archeologie geen belemmering vormt voor de beoogde functiewijziging.
37
6.
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Algemeen Op grond van artikel 5.21 lid 2 onder b van de Omgevingswet moet een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels. In voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het ruimtelijke beleid van de diverse overheden, alsook op de diverse milieu- en omgevingsaspecten. In dit hoofdstuk zijn de conclusies uit de genoemde hoofdstukken opgenomen in het kader van de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ruimtelijk beleid Den Haag wil een aantrekkelijke stad zijn, voor bewoners en bezoekers uit binnen- en buitenland. Het betreffende paviljoen heeft een (lichte) horeca-functie, een recreatieve en een culturele functie. Met het buurtpaviljoen wordt voorzien in een behoefte in de buurt en de verdere omgeving, een laagdrempelige plek om samen te komen, om zo een bijdrage te leveren aan de levendigheid van de wijk en de verbetering van de woon – en leefkwaliteit ter plaatse. Tevens biedt het recreatiemogelijkheden voor fietsers (vanwege naastgelegen fietspad) en watersporters (vanwege aanlegplek vanaf de Trekvliet).
Dat betekent dat het paviljoen bijdraagt aan de doelstellingen ‘Sociaal Den Haag’ en ‘Bruisend Den Haag’ zoals genoemd in de Omgevingsvisie. Milieu- en omgevingsaspecten De impact van de beoogde ontwikkeling op omgevingsaspecten is beperkt van aard en er treden geen nadelige gevolgen voor het milieu c.q. de leefomgeving op. Belangenafweging Om tot een aanvaardbare planologische inpassing te komen, is er gekeken of het plan ook verantwoord is vanuit het perspectief van de bestaande bebouwing c.q. omwonenden. Het betreffende buurtpaviljoen staat iets meer dan 20 meter af van de meest nabijgelegen woningen. In een stedelijk gebied is deze afstand zeer acceptabel. Tevens wordt opgemerkt dat het buurtpaviljoen er reeds circa 10 jaar staat. Dat betekent dat de directe woon- en leefomgeving inmiddels gewend is aan de aanwezigheid van het buurtpaviljoen. Bovendien zijn er ook geen klachten bekend vanuit de buurt. De aanwezigheid wordt juist ook vanuit de buurt toegejuicht. Voorts bestaat er een (maatschappelijke en sociale) behoefte aan de aanwezigheid van het buurtpaviljoen. Het buurtpaviljoen draagt bij aan het verlevendigen van de omgeving en het verhogen van de sociale cohesie. Het buurtpaviljoen sluit aan op de naastgelegen Trekvliet en het naastgelegen fietspad.
38
Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat ten aanzien van het buurtpaviljoen aan de Trekweg 121 te Den Haag sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als bedoeld in artikel 5.21 lid 2 onder b van de Omgevingswet.
39
7.
UITVOERBAARHEID Als op voorhand duidelijk is dat het toegedachte bouwplan om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, hoort de het plan niet mogelijk gemaakt te worden. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een behoefte waar in de markt vraag naar is. De voorgenomen ontwikkeling betreft een voornemen van een private partij, waarbij de lasten door deze initiatiefnemer zullen worden gedragen. De financiële uitvoerbaarheid is daarmee verzekerd.
40
8.
PARTICIPATIE Het doorlopen van een procedure waarbij een omgevingsvergunning wordt verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit dient zorgvuldig te gebeuren. In dat kader is het van belang dat er vooroverleg met betrokken instanties, burgers en maatschappelijke organisaties plaatsvindt, zodat in een vroeg stadium knelpunten, belangen en verbeterpunten kunnen worden gesignaleerd. Planspecifiek Verplichte participatie geldt binnen de gemeente Den Haag in een aantal situaties. Ingeval van het realiseren, veranderen en uitbreiden van andere functies dan wonen met meer dan 1000 m² bruto vloeroppervlak aan bouwwerken, of het wijzigen van de functie van meer dan 1000 m², is participatie verplicht. Indien geen sprake is van een functiewijziging vanaf 1000 m² bvo, dan is participatie niet verplicht, echter wel wenselijk, gezien de nieuwe functie en de directe omgeving (bedrijven en woningen). In dit geval is participatie niet verplicht gesteld, omdat de oppervlakte van het bouwwerk minder is dan 1.000 m2. Niettemin zijn de direct omwonenden geïnformeerd over de aanvraag, via een brief in de brievenbus. Daarin is de voortzetting van het paviljoen toegelicht. Tevens is in deze brief het emailadres vermeld van initiatiefnemer, zodat men de mogelijkheid heeft om bij vragen of opmerkingen rechtstreeks contact met initiatiefnemer te zoeken.
Overigens is vanuit de buurt bekend dat omwonenden de aanwezigheid van het paviljoen juist toejuichen (en er zelf ook gebruik van maken).
Bijlage I. II.
Memo stikstofdepositie Trekweg 121 Den Haag, Staat van horeca-activiteiten
Milieuadvies, d.d. 27 maart 2025
41
Legalexion t.a.v. Postbus 103 5300 AC Zaltbommel
Betreft: Datum: Nummer: bijlage(n)
Memo stikstofdepositie Trekweg 121 Den Haag 27 maart 2025 23063.02 AERIUS_projectberekening_20250327224735_RxV9hugWXmFY_Paviljoen.pdf
1.1. Aanleiding In opdracht van Legalexion heeft Milieuadvies onderzoek verricht naar de stikstofdepositie op nabijgelegen kwetsbare natuurgebieden ten gevolge van het voornemen om een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsactiviteit een bestaand paviljoen aan de Trekweg 121 te Den Haag planologisch permanent te regelen en het buurtpaviljoen een impuls te geven voor wat betreft de gebruiksmogelijkheden. Hiertoe zijn aanpassingen aan het paviljoen noodzakelijk, waaronder het storten van een nieuwe vloer, het creëren van een nieuwe indeling en het creëren van een uitgifteluik voor take-away. Op de onderstaande afbeelding is het bestaande paviljoen met bijgebouw weergegeven.
Figuur 1 foto paviljoen met bijgebouw aan Trekweg 121 te Den Haag
A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T IBAN: E info@
KvK |
BTW-nr NL001387670B84 | 1
Het paviljoen ligt op circa 4,5 kilometer afstand van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura 2000-gebied “Meijendel & Berkheide” en circa 5,0 kilometer afstand van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura 2000-gebied “Westduinpark & Wapendal” In figuur 2 zijn het paviljoen en het Natura 2000-gebied weergegeven. De stikstofgevoelige habitats en leefgebieden zijn roze gekleurd. De overige niet stikstofgevoelige delen van het Natura 2000-gebied zijn geel-groen gekleurd
Figuur 2 ligging voornemen t.o.v. Natura 2000 (bron: AERIUS Calculator)
1.2. Doel van het onderzoek Het voorliggende onderzoek stikstofdepositie heeft tot doel de NOx (stikstof) en NH3 (ammoniak) emissies naar de lucht door het voornemen inzichtelijk te maken en de toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden te berekenen. Dit onderzoek gaat over de depositie tijdens de aanleg- en bouwfase alsook de gebruiksfase. Het onderzoek wordt afgesloten met conclusies waarbij duidelijk wordt of in het kader van de Omgevingswet of er een kans is op significante gevolgen op Natura 2000-gebieden en er een nader (ecologisch) onderzoek nodig is.
A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T IBAN: E info@
KvK |I
BTW-nr NL001387670B84 | 2
1.3. Wet en regelgeving Natura 2000 & stikstof In Nederland zijn 166 Natura 2000-gebieden aangewezen. Dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante effecten’ op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. In het kader van deze Wet moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten kunnen optreden in Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden waarvoor een Natura 2000gebied is aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of andere handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die reeds overbelast zijn. Voor projecten geldt op grond van artikel art. 5.1, lid 1 van de Omgevingswet dat het verboden is zonder vergunning een project te realiseren dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Er is dan sprake van een Natura 2000-activiteit1.
Voor een Natura 2000-activiteit geldt een vergunningplicht conform art. 5.1, lid 1 Ow. In sommige gevallen is er sprake van een zogenaamde vergunningsvrij geval, bijvoorbeeld bij een tijdelijke activiteit dat leidt tot stikstofdepositie of een Natura 2000-activiteit in gevallen aangewezen in een programma, omgevingsverordening of ministeriële regeling. Een project dat wordt uitgevoerd in het kader van het beheer van een Natura 2000-gebied, valt niet binnen de reikwijdte van het begrip Natura 2000-activiteit en valt derhalve ook buiten de vergunningplicht. Als een project leidt tot stikstofdepositie op stikstofgevoelige delen van Natura 2000-gebieden die al hoog belast zijn, is het onder voorwaarden toegestaan om te salderen met emissies in het projectgebied (of elders). Hierbij geldt een vergunningplicht. Het onderstaande overzicht van de Raad van State geeft meer inzicht in de procedure die hoort bij ‘intern salderen’.
1 Een Natura 2000-activiteit is volgens de begripsbepalingen in Bijlage A behorende bij art. 1.1 Ow: “Activiteit,
inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T IBAN: E info@
KvK |
BTW-nr NL001387670B84 | 3
Voor het onderhavige project is onderzocht of er sprake kan zijn van een significante depositie van stikstof op relevante delen van Natura 2000-gebieden. Op basis van de berekende stikstof- en ammoniak emissies die het gevolg zijn van het voornemen wordt met een verspreidingsmodel de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura 2000-gebieden berekend. Depositieberekeningen worden uitgevoerd met de meest recente versie van AERIUS Calculator 2024. Elke depositiebijdrage op een door stikstof overbelaste locatie in een Natura 2000-gebied – eventueel na saldering- is in potentie een significant effect. Een kwalitatieve ecologische beoordeling kan uitwijzen of de depositiebijdrage leidt tot significant negatieve effecten. AERIUS Calculator 2024 geeft informatie over de actuele stikstofdepositie en kritische depositiewaarde (kdw) van stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden in de Natura 2000-gebieden. Ook geeft het inzicht of een depositiebijdrage optreedt op reeds (bijna) overbelaste delen van een stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 18 oktober 2023 geoordeeld2 dat de Instructie gegevensinvoer (..) is opgesteld als instructie voor het maken van specifieke berekeningen, die worden verricht bij plannen en projecten om te kunnen aantonen dat wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2.8 van de Wnb, gelezen in samenhang met artikel 2.7 van de Wnb (nu opgenomen in de Omgevingswet). Met toepassing van de meest recente Instructie gegevensinvoer AERIUS Calculator (versie 2024.1; 11 februari 2025) van het Expertiseteam Stikstof en Natura 2000 van Bij12 (verder genoemd: ‘instructie gegevensinvoer’) wordt berekend wat de gevolgen zijn van een specifiek project of plan voor de stikstofdepositie op de desbetreffende rekenpunten in de Natura 2000-gebieden. 1.4. Onderzoeksopzet De onderzoeksopzet is als volgt: - onderzoek naar de NOX en NH3 emissies gedurende de realisatiefase - onderzoek naar de NOX en NH3 emissies gedurende de gebruiksfase - een berekening van de depositie met AERIUS Calculator
2 ECLI:NL:RVS:2023:3845, r.o. 5.11
A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T IBAN: E info@
KvK |
BTW-nr NL001387670B84 | 4
2. Emissies realisatiefase Om de gewenste impuls te geven voor wat betreft de gebruiksmogelijkheden en te voldoen aan het Bouwbesluit zijn aanpassingen aan het paviljoen noodzakelijk. Het gaat om: ▪ ▪ ▪
Het storten van een nieuwe vloer in het paviljoen (tegels binnen liggen nu direct op zand); Het creëren van een nieuwe indeling van het paviljoen zodat er meer werkruimte is in de keuken en voor gasten; Creëren van een uitgifteluik voor take-away (denk hierbij aan o.a. verkoop van snacks, ijsjes en drankjes voor bezoekers van de speelplaats).
Tijdens de aanlegperiode ontstaan NOx en NH3-emissies door de inzet van mobiele werktuigen, auto’s en vrachtwagens. Het onderzoek richt zich op de emissies tijdens de uitvoering van bovenstaande aanpassingen. De NOx en NH3 emissies zijn berekend op basis van de AUB-methode uit TNO rapport R12305 3 conform de ‘instructie gegevensinvoer’ dat grotendeels de eerder verschenen AERIUS factsheets, leeswijzers en handleidingen waar naar wordt verwezen in deze instructie vervangt. Het dieselverbruik is conform het TNO rapport R12305 bepaald (AUB-methode). TNO houdt rekening met de aandrijfconfiguratie (vaste as, transmissie, hydrauliek) , de stand-bye tijd bij de soort inzet (wisselend en constant) en de verliezen (zie onderstaande tabel). TNO gaat voor werktuigen met een wisselende inzet uit van een gemiddelde ‘typische motorlast’ van 35%. In dit onderzoek is daarbij aangesloten.
AdBlue wordt enkel gebruikt in dieselmotoren voorzien van een SCR. Voor het inschatten van het verwachte aantal liter kan uitgegaan worden van het normale AdBlue-gebruik dat door TNO gegeven wordt4. Voor Stage IV en V werktuigen is dit 6% van het dieselverbruik. Voor Stage III is dit 3% van het dieselverbruik.
3 TNO 2021 R12305 AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van
NOx en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T IBAN: E info@
KvK |
BTW-nr NL001387670B84 | 5
2.1. Rekenwijze m.b.t. motorvoertuigen 2.1.1. Verkeer op de openbare weg Conform de ‘instructie gegevensinvoer’ wordt met de verkeersgeneratie het aantal vervoersbewegingen met motorvoertuigen uitgedrukt van zowel het heen- als teruggaand verkeer. Het aantal vervoersbewegingen is het aantal ritten heen én terug opgeteld. 2.1.2. stationaire emissies wegverkeer op de bouwplaats In de ‘instructie gegevensinvoer’ is de “Rekeninstructie stationaire emissies wegverkeer” opgenomen. Bij sommige projecten/initiatieven kan het nodig zijn om het stationair draaien van wegverkeer te berekenen. Dit is van belang als er situaties zijn waarin deze voertuigen regelmatig stationair draaien en die geen onderdeel zijn van gewone verkeersbewegingen. Stilstaan voor stoplichten en in files vallen hier dus nadrukkelijk niet onder. Wat hier wel onder valt is stilstaan met draaiende motor op eigen terrein. Bijvoorbeeld als tijdens het laden/lossen de motor draait, of tijdens het wachten op het vrijkomen van een losplaats. De rekeninstructie hanteert een tabel met emissiecijfers die is samengesteld op advies van experts van TNO. De hoogte van de stationaire emissie is gekoppeld aan een emissiefactor afhankelijk van de verkeersklasse (bussen, licht-, middelzwaar- en zwaar verkeer) en jaartal op basis van het snelheidstype ‘stad stagnerend’ en de tijdsduur.
Tijdens het laden en lossen draaien de motoren van de vrachtwagens gedurende een langere tijd. De gemiddelde laad/lostijd per vracht is ingeschat op circa 10 minuten. Gelet op de aanwezigheid van start-stop systemen op hedendaagse vrachtwagens is dit een ruime inschatting. 2.1.3. Emissies tijdens het starten van voertuigen (zgn. koude start) Bij de release van AERIUS 2024 zijn categorieën voor de koude start toegevoegd naar aanleiding van onderzoek door TNO. Een ‘koude start’ is het fenomeen dat voertuigen met een koude motor meer emissie uitstoten dan voertuigen met een warme motor. Er is sprake van een koude start wanneer motorvoertuigen gestart worden nadat ze 2 uur of langer stil gestaan hebben. De katalysator functioneert dan niet gelijk. Hierdoor komt tijdens de koude start relatief meer emissie vrij dan tijdens het rijden met een warme motor (rijdend verkeer emissie). Het uitgangspunt is dat de hogere koude start-emissies in de eerste 10 tot 30 seconden na de start plaatsvinden. Dit betekent in de praktijk dat de emissies door koude start veelal optreden voordat een voertuig van zijn plaats is gekomen. Tijdens de realisatiefase arriveren vrachtwagens op de bouwplaats met warme motor en vertrekken in principe direct na het laden en lossen weer, waardoor er in principe geen situaties optreden waarbij deze 2 uur of langer stil staan en er koude starts ontstaan.
Personenauto’s en werkbusjes parkeren wel gedurende langere tijd waardoor koude starts ontstaan. 2.1.4. Rijdend verkeer tussen de openbare weg en de parkeerplaats Tussen de doorgaande weg en de parkeerplaats (c.q. de bouwplaats) kent het verkeer een lagere gemiddelde snelheid en meer stops per kilometer dan normaal stadsverkeer. Om hiermee rekening te houden wordt uitgegaan van “stagnerend stadsverkeer” wat staat voor stadsverkeer met een grote mate van congestie, gemiddelde snelheid kleiner dan 15 km/h en gemiddeld 10 stops per afgelegde kilometer.
A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T IBAN: E info@
KvK |
BTW-nr NL001387670B84 | 6
2.2. Inzet & emissie mobiele werktuigen De verwachte inzet en dieselverbruik van mobiele werktuigen tijdens de uitvoering van beschreven aanpassingen aan het paviljoen is beperkt. Voor het storten van een nieuwe vloer in het paviljoen is worstcase uitgegaan van een betonmixer en betonpomp die beide 3 uur draaien; Voor het creëren van een nieuwe indeling en een uitgifteluik voor take-away zijn geen mobiele werktuigen nodig. De worstcase inzet van betonmixer en betonpomp is weergegeven in de onderstaande tabel. type apparaat / werktuig
(mobiel)
Betonmixer Betonpomp totaal
brandstof diesel diesel
verm STAGEdraai- bouwogen klasse uren jaar [kW] 3 ≥2014 330 STAGE IV 3 ≥2014 112 STAGE IV
brandstofverbruik (l) p/u totaal adblu 32,3 97 6 11,3 34 2
totale emissie [kg] NOx NH3 0,5 0,0 0,2 0,0 0,7 0,0
Figuur 3 inzet mobiele werktuigen realisatie
Er vinden circa 100 bewegingen plaats met licht motorvoertuigen (auto’s, busjes). In de regel zullen deze ’s ochtends aankomen en ’s middags weer vertrekken. Alleen bij het vertrekkende verkeer is er sprake van een koude start (50x per jaar). In totaal vinden er niet meer dan 20 vrachten plaats. Dit leidt tot maximaal 40 ritten door vrachtwagens. Er wordt (worstcase) uitgegaan van 100% zware motorvoertuigbewegingen. Het vrachtverkeer staan in principe niet langer dan 2 uur met de motor uit op de bouwplaats. Er treden dan ook geen koude starts op (zie 2.1.3). De emissie door stationair draaien van motorvoertuigen in het projectgebied is weergegeven in de onderstaande tabel. stationair draaien / motorvoertuigen Zwaar wegverkeer
emissie [gram/uur]
totale emissie [kg]
NOx
NH3
NOx
4 92,49
0,90
0,37
draaiuren
NH3 0,00
Figuur 4 stationaire emissies motorvoertuigen realisatie
A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T IBAN: E info@
KvK |
BTW-nr NL001387670B84 | 7
3.
Emissies gebruiksfase
3.1. Beschrijving voornemen Het voornemen is om het buurtpaviljoen een impuls te geven voor wat betreft de gebruiksmogelijkheden. De concrete plannen voor het paviljoen zien er als volgt uit: a. Horecagelegenheid met mogelijkheden voor zaalverhuur Een horecagelegenheid met terras voor lichte horeca. Dat betekent dat men ter plaatse terecht kan voor een betaalbare en goede kop koffie met zoete lekkernijen, een heerlijk glas limonade of een (gezonde) snack/ijsje voor de kinderen. Ook kun er geluncht worden, eventueel een diner en voor bijeenkomsten zoals zakelijke vergaderingen, buurtbijeenkomsten en borrels. Ook de catering voor instanties en bedrijven uit de buurt kan vanuit dit buurpaviljoen worden verzorgd. b. Recreatie ▪ Rust- en recreatieplek voor fieters (locatie ligt aan een fietsknooppunt); ▪ Oplaadpunt voor fietsen en boten (sluit aan op de strategie van de Gemeente Den Haag om uiteindelijk alleen nog maar elektrische boten op het water te hebben); ▪ Opstapplaats voor suppers – mogelijk op termijn supschool toe te voegen aan het paviljoen (er is ook een aanlegplaats aan de Trekvliet); ▪ Samenwerking tussen roeivereniging Laak en Gemeente Den Haag. c.
Gebruik met maatschappelijk, cultureel en sociaal karakter Bij de invulling van bovengenoemde functies zal het paviljoen ook nog een groot sociaal karakter worden gegeven door de onderstaande samenwerkingen: ▪ Samenwerking met Esloo college uit de buurt– door middel van o.a. het creëren van stageplekken voor jongeren met een achterstand naar de arbeidsmarkt; ▪ Samenwerking met Middin – vervangende werkplek voor mensen met een verstandelijke beperking (deels inzetten van mensen met een verstandelijke beperking in te zetten in de bediening en andere uitvoerbare werkzaamheden); ▪ Samenwerking met de Gemeente Den Haag en politie met betrekking de sociale controle in de buurt en de naastgelegen waterspeelplaats.
A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T IBAN: E info@
KvK |
BTW-nr NL001387670B84 | 8
3.2.
Wegverkeer
Op de betreffende locatie is op dit moment ook reeds straatmeubilair aanwezig en tevens een speelzandbak. Ten zuid-oosten van de locatie ligt een fietspad. Op de locatie is ook voorzien in een fietsparkeerplaats (figuur 3.2). Het gevolg hiervan is dat veel bezoekers met de fiets naar het paviljoen komen. In lijn met de berekening van de parkeerbehoefte voor motorvoertuigen in de ruimtelijke onderbouwing, is tevens de verkeersgeneratie bepaald. Parkeren Conform het bestemmingsplan ‘Parapluherziening (fiets)parkeren’ is op basis van de parkeernormen en berekeningsmethode zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen Den Haag en de meest recente wijzigingen hiervan de parkeerbehoefte voor motorvoertuigen en fietsen berekend. Voor een cafetaria / lunchroom / restaurant gaat de nota uit van 5 parkeerplaats per 100 m2 (na-oorlogse wijken). Het buurtpaviljoen heeft een oppervlakte van 106 m2. Dat betekent dus dat er in 5 parkeerplaatsen moet worden voorzien, waarvan 80% bezoekersaandeel. Voor dit onderzoek wordt worstcase uitgegaan dat: - Op de 5 parkeerplaatsen 4x per dag een andere auto door een bezoeker of een werknemer staat. Dit leidt tot 5x4x2= 40 motorvoertuigbewegingen pet etmaal. - Ten behoeve van bevoorrading er per etmaal gemiddeld niet meer dan 1 beweging met een middelgrote vrachtwagen en 2 bewegingen met een busje plaats vindt.
(dus 1 vrachtwagen per 2 dagen en 1 busje per dag) De totale verkeersgeneratie door het project is 43 motorvoertuigbewegingen per etmaal, waaronder 42 door lichte motorvoertuigen en 1 door middelzware motorvoertuigen. Worstcase is uitgegaan dat 50% van de lichte voertuigbewegingen langer dan 2 uur de motor uit heeft staan en een koude start veroorzaakt. Dit leidt tot 21 koude starts per etmaal
A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T IBAN: E info@
KvK |
BTW-nr NL001387670B84 | 9
3.3. Verwarming van het paviljoen Verschillende activiteiten in gebouwen kunnen leiden tot ammoniak- en stikstofemissies, waarvan verwarming van gebouwen met een verbrandingsketel met afstand de belangrijkste bron is. De eigenaar heeft aangegeven dat het aardgasverbruik van het paviljoen momenteel circa 1.100 m3 is. Gelet op de gewenste uitbreiding van de gebruiksmogelijkheden zal het Paviljoen mogelijk vaker en langer verwarmd worden. Worstcase is uitgegaan van 50% meer gasverbruik dan nu het geval is (1100+550=1650 m3). Het is nl. niet ondenkbaar dat – gelet op de hogere gasprijzen – extra energiebesparende maatregelen worden getroffen tijdens de uitvoering van de noodzakelijke aanpassingen en het gasverbruik niet of nauwelijks stijgt. Een stookinstallatie (CV-ketel) veroorzaakt enige mate van NOx-uitstoot. Op basis van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt dat het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen van 1 Megawatt of meer (geen grote stookinstallatie) aan de emissiegrenswaarde van 70 mg/Nm3 moet voldoen bij 3% zuurstof. Op basis van deze eis wordt er van uit gegaan dat de emissie per kubieke meter aardgas dus maximaal deze grenswaarde betreft.
1 m3 aardgas geeft een stoichiometrisch rookgasvolume van 7,7 Nm3 (droog). Bij een zuurstof overmaat van 3% wordt dit getal gecorrigeerd met 21/(21-3) = 1,16667. 1 m3 aardgas levert circa 9,0 Nm3 rookgas. De concentratie NOx bedraagt 70 mg/Nm3 (droog rookgas bij 3% zuurstof). Met bovenstaande gegevens kan de jaaremissie NOx van de CV installatie worden berekend: gasverbruik (in m3) * 9,0 * 70/1.000.000 = emissie NOx kg/jaar. 1.650 m3 aardgas per jaar leidt tot een NOx-emissie van 1,04 kg/jaar. NH3: Conform de ‘instructie gegevensinvoer’ en jurisprudentie hoeft voor woningen binnen de sector wonen en werken geen NH3 emissie berekend te worden. Voor een paviljoen is dat niet anders. Er is een emissiefactor van 0 gehanteerd.
A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T IBAN: E info@
KvK |I
BTW-nr NL001387670B84 | 10
4.
AERIUS berekeningen
4.1. Uitgangspunten Met AERIUS Calculator zijn de eerder genoemde emissiebronnen gemodelleerd. • Het projectgebied is gemodelleerd als oppervlaktebron. • De koude start emissies zijn gemodelleerd als vlakbronnen. In de realisatiefase als ‘overig’ (geen parkeergarage) ; in de gebruiksfase als ‘parkeergarage’. • Het stationair draaien van wegverkeer op de bouwplaats is gemodelleerd als vlak. Conform de rekeninstructie ‘Stationaire emissies wegverkeer’ is het stationair draaien van wegverkeer gemodelleerd onder de sector ‘Anders’. waarbij de emissie NOx en NH3 zijn ingevuld en de overige kenmerken zijn aangepast zodat deze vanuit worstcase benadering passend zijn voor de specifieke situatie. • Het wegverkeer op de openbare weg is gemodelleerd als lijnbron. Bij de gehele verkeersstroom is uitgegaan van stagnerend stadsverkeer (zie 2.1.3). • De doorrekening van het verkeer en de verkeersstromen zijn bepaald conform de “‘instructie gegevensinvoer’ Een algemeen criterium voor verkeer van en naar inrichtingen is dat de gevolgen niet meer aan de inrichting worden toegerekend wanneer het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden, projecten met of zonder netwerkeffect. Infrastructurele projecten of projecten van zeer grote omvang, zoals woonwijken, grote industriecomplexen of nieuwe (lucht)havens leiden veelal tot netwerkeffecten.
• Voor (kleinere) projecten zonder netwerkeffecten, zoals het onderhavige, geldt dat het aan- en afvoerende verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld als wordt voldaan aan de onderstaande twee criteria genoemd: 1. Het verkeer door het voornemen onderscheidt zich hier door zijn snelheid en rijen stopgedrag niet meer van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. 2. De verhouding tussen de hoeveelheid verkeer (per etmaal) dat door het voornemen wordt aangetrokken en het reeds op de weg aanwezige verkeer. In de regel wordt het verkeer meegenomen tot het zich verdund heeft tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State accepteert deze afbakening van ‘heersende verkeersbeeld” bij stikstofonderzoek voor dergelijke projecten 4. o Het projectgebied wordt ontsloten op de Trekweg en verkeer zal voornamelijk vanaf de Rijswijkseweg via de Laakkade of Draaistraat rijden. Als het aan- en afvoerende verkeer op de Laakkade of Draaistraat rijdt, onderscheidt het zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. Hier wordt voldaan aan het 1e criterium. o De verkeersintensiteit op de Trekweg is gering. Op de Rijswijkseweg daarentegen rijden ter hoogte van het projectgebied gemiddeld meer dan 8.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal5.
De verkeersgeneratie van en naar het paviljoen (aanleg & gebruik gecumuleerd) op de Rijswijkseweg is verdund tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer. Op de Rijswijkseweg wordt voldaan aan het 2e criterium. Het verkeer is gemodelleerd heen via de Laakkade (50% van totaal) en terug via de Draaistraat (50% van totaal).
4 https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2024:249 5 Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit, https://www.cimlk.nl/
A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T IBAN: E info@
KvK |I
BTW-nr NL001387670B84 | 11
4.2. Rekenjaar Uitgangspunt is dat de depositiebijdrage inzichtelijk wordt gemaakt voor het jaar waarvoor de depositie het hoogst is. Door de technologische ontwikkelingen en milieuregelgeving nemen de emissies van o.a. wegverkeer met de jaren af. De verspreidingsberekeningen voor de realisatie en het gebruik zijn gecumuleerd gevoerd voor 2025. 4.3. Rekenresultaten Uit de rekenresultaten met AERIUS Calculator versie 2024.1.3 blijkt dat ten gevolge van het onderhavige project de depositietoename op stikstofgevoelige habitats of leefgebieden in Natura 2000-gebieden nergens hoger is dan 0,00 mol/ha/jr.
Figuur 5 rekenresultaten AERIUS Calculator
Voor gedetailleerde informatie over invoer en rekenresultaten wordt verwezen naar de met AERIUS gegenereerde rapportage (PDF) die als separate bijlage bij dit memo is gevoegd.
A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T IBAN: E info@
KvK |I
BTW-nr NL001387670B84 | 12
5. Conclusies In opdracht van Legalexion heeft Milieuadvies onderzoek verricht naar de stikstofdepositie op nabijgelegen kwetsbare natuurgebieden ten gevolge van het voornemen om een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsactiviteit een bestaand paviljoen aan de Trekweg 121 te Den Haag planologisch permanent te regelen en het buurtpaviljoen een impuls te geven voor wat betreft de gebruiksmogelijkheden. Hiertoe zijn aanpassingen aan het paviljoen noodzakelijk, waaronder het storten van een nieuwe vloer, het creëren van een nieuwe indeling en het creëren van een uitgifteluik voor take-away. Uit het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie blijkt dat de inzet van machines en transportbewegingen gedurende de uitvoering van de noodzakelijke aanpassingen en verkeer ten behoeve van het gebruik van het paviljoen (gecumuleerd) niet leidt tot een stikstofdepositietoename die groter is dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura2000-gebieden. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten. Voor het project geldt geen vergunningplicht op grond van de Omgevingswet ten gevolge van stikstofdepositie (gebiedsbescherming).
A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T IBAN: E info@
KvK |I
BTW-nr NL001387670B84 | 13
Bijlage II Staat van horeca-inrichtingen Inleiding Deze bijlage schetst eerst kort de achtergrond van de staat van horeca-inrichtingen in dit plan en gaat daarna in op de regeling zelf. Het belang van horeca-inrichtingen moet in een bestemmingsplan worden afgewogen tegen het belangen van bijvoorbeeld wonen en werken. Bij de opstelling van een regeling ten aanzien van horeca-inrichtingen zijn niet alle factoren die verschillende vormen van horeca onderscheiden op voorhand ruimtelijk relevant. Hoewel de jurisprudentie niet een duidelijke lijn trekt, biedt zij toch voldoende aanknopingspunten voor een regeling ten aanzien van horeca-inrichtingen die in een bestemmingsplan kan worden opgenomen. De regeling voorziet in een aantal definities van horeca-inrichtingen en in de opzet van een beoordelingssysteem waarin aan de hand van een aantal beoordelingscriteria bepaald kan worden tot welke categorie een bepaalde horeca-inrichting gerekend moet worden. De betreffende criteria zijn vooral gericht op de beoordeling of een concreet horecabedrijf in functioneel opzicht en uit een oogpunt van het leefmilieu in een bepaalde mate verstorend kan werken. De mate van verstoring (of de afwezigheid ervan) is bepalend voor de indeling in een bepaalde categorie, waarbij categorie I staat voor de lichtste vormen van horeca en categorie IV voor de zwaarste vormen.
Criteria Uit de Kroonjurisprudentie volgt dat het aanbeveling verdient om aan de hand van ruimtelijk relevante criteria onderscheid te maken naar aard en omvang van horecabedrijven, hetgeen uit de toelichting of anderszins zou moeten blijken (KB 13-9-1999, nr. 7412, BR 1993, p.972). Voorts blijkt dat het belangrijk is de gemaakte keuzes in het bestemmingsplan zo volledig mogelijk te onderbouwen. a.
Sluitingstijden. Een te zwaar accent op de sluitingstijd van een horecabedrijf vindt
niet acceptabel (KB 20-5-1992, nr. 4381, BR 1992, p.695). Wel werd de
relatie met winkelsluitingstijden als criterium voor winkelgebonden horeca acceptabel geacht (Wnd.Vz.Afd. rechtspraak Raad van State 7-9-1987, BR 1988, p.432). b.
Overlast. Alleen overlast als motivering van het onderscheid wordt niet geaccepteerd (KB 14-6-1989, nr. 98.014433, BR 1989, p.830), wel mag overlast als één van de uitgangspunten voor het te maken onderscheid dienen (KB 25-6-1993, nr. 5301, BR 1993, p.711).
c.
Alcohol. Naar het oordeel van de Voorzitter van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State (23-3-1993, nr. S03.93.0297) heeft het al dan niet verstrekken van alcohol geen ruimtelijke relevantie. In het KB van 24-4-1990, nr. 90.009936, AB 1990, nr. 395, werd door
d.
Geluidhinder. Onder andere bij laatstgenoemde uitspraak oordeelde bestaan.
dit criterium echter wel aanvaard.
dat voor het weren van geluidhinder andere instrumenten dan het bestemmingsplan
e.
Kwantitatief. Beperkingen in kwantitatieve zin, zoals beperking van de oppervlakte en/of het aantal, worden aanvaardbaar geacht. Dit zijn echt ruimtelijk relevante criteria (KB 24-4-1990, nr. 90.009936, AB 1990, p.395; KB 30-1-1989, nr. 2365, BR 1989, p.449; KB 7-12-1986, nr. 15, BR 1986, p.429 en KB 11-1-1990, nr. 90.00342, AB 1990, nr. 285).
Naast de aanknopingspunten in de jurisprudentie, biedt de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' enige criteria voor een voldoende duidelijk en relevant onderscheid tussen de diverse horeca-inrichtingen. De meest voorkomende horecafuncties zijn met betrekking tot verkeer geïndexeerd op een 'potentieel aanzienlijke emissie of hinder'. De verkeersaantrekkende werking heeft betrekking op al het autoverkeer ten behoeve van goederen en personen van en naar de inrichting. 'Deze index kan een hulpmiddel zijn bij de planning van de ontsluiting en de parkeervoorzieningen, en kan in dat licht een indicator zijn voor de mogelijke hinder in de omgeving', aldus de toelichting in de brochure. Ook de jurisprudentie gaat uit van verkeer als criterium voor het onderscheid in horecafuncties, in de zin van verkeersaantrekkende werking maar ook parkeerdruk.
Afsterfregeling In de jurisprudentie is een afsterfregeling geaccepteerd (KB 2-10-1989, nr. 23944, BR 1990, p.202 en KB 14-6-1989, nr. 89.014438, AB 1990, nr. 1). Een afsterfregeling houdt in principe in dat indien een horecafunctie in een pand wordt beëindigd, daarin niet opnieuw een horecafunctie terug mag komen.
Definities 1.
Afhaalwinkel/maaltijdbezorging. Een inrichting, gericht op de bedrijfsmatige verkoop van al dan niet ter plaatse bereide maaltijden, anders dan voor gebruik ter plaatse, die door de kopers ter plaatse worden afgehaald, dan wel door de verkoper bij de koper thuis worden bezorgd. Een traiteur wordt met een afhaalwinkel/maaltijdbezorging gelijkgesteld.
2.
Broodjeszaak. Een inrichting, gericht op de verkoop, veelal voor gebruik ter plaatse van al dan niet ter plaatse bereide kleine maaltijden en etenswaren, in combinatie met de verkoop van overwegend niet-alcoholische dranken, met een in het algemeen gespreide bezoekersfrequentie tussen 7.00 uur en 19.00 uur, waarbij de bedrijvigheid zich binnen de lokaliteit voltrekt en waarbij de consumpties voornamelijk zittend worden genuttigd en het percentage van de totale vloeroppervlakte die als zitruimte fungeert minimaal 40% is. Een croissanterie, lunchroom, patisserie en konditorei worden met een broodjeszaak gelijkgesteld.
3.
Café. Een inrichting, gericht op het bedrijfsmatig, voor gebruik ter plaatse, aan de gebruiker verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken, eventueel in combinatie met het verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide kleine etenswaren. Het accent ligt op de verkoop van alcoholische dranken. Een dansvloer van minder dan 10 m² is toegestaan. Een bar, pub, taverne, grand café en eetcafé worden met een café gelijkgesteld.
4.
Cafetaria/snackbar. Een inrichting, gericht op het bedrijfsmatig, voor zowel gebruik ter plaatse als elders, verkopen aan de gebruiker van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren, in combinatie met de verkoop van overwegend niet-alcoholische dranken. Een shoarmazaak wordt met een cafetaria gelijkgesteld.
5.
Koffiehuis. Een inrichting, gericht op het bedrijfsmatig, voor gebruik ter plaatse aan de gebruiker verstrekken van niet-alcoholische dranken, in combinatie met de verkoop van niet ter plaatse bereide kleine etenswaren. Het accent ligt op de verkoop van niet-alcoholische dranken. Een theehuis, coffeeshop (geen verkoop van drugs) en poolcentrum worden met een koffiehuis gelijkgesteld. (Bij deze definitie wordt opgemerkt dat met name de term coffeeshop in de praktijk ook veel wordt gebezigd als aanduiding voor inrichtingen waar softdrugs worden verkocht. Daarom is in de definitie tot uitdrukking gebracht dat daaronder niet begrepen zijn de inrichtingen waar softdrugs verkrijgbaar zijn.
6.
Discotheek. Een inrichting, gericht op het bedrijfsmatig bieden van gelegenheid tot dansen op mechanische en/of levende muziek op een dansvloer van meer dan 10 m² en het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken.
7.
Hotel. Een inrichting, gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van logies, waarvan de exploitatie al dan niet geschiedt in combinatie met andere vormen van horeca, zoals café, restaurant, zalenexploitatie en/of discotheek.
8.
IJssalon. Een inrichting, gericht op het bedrijfsmatig, voor zowel gebruik ter plaatse als elders, aan de gebruiker verstrekken van al dan niet ter plaatse bereid consumptie-ijs met toebehoren, al dan niet in combinatie met het verstrekken van niet-alcoholische dranken.
9.
Ontmoetingscentrum. Een inrichting, gericht op het bieden van gelegenheid tot het leggen van contacten tussen personen, welke daartoe veelal in clubverband of anderszins georganiseerd zijn. Een studentensociëteit wordt met een ontmoetingscentrum gelijkgesteld.
10. Restaurant. Een inrichting, gericht op het bedrijfsmatig, voor gebruik ter plaatse, verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren, in combinatie met het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken. Het accent ligt op de verkoop van ter plaatse bereide etenswaren; de bezoekersfrequentie is in het algemeen gespreid tussen 17.00 uur en 24.00 uur, waarbij de bedrijvigheid zich binnen de lokaliteit voltrekt, de consumpties voornamelijk zittend worden genuttigd en het percentage van de totale vloeroppervlakte dat als zitruimte fungeert minimaal 70% is. Een petit-restaurant, restauratie, crêperie, pannenkoekenhuis en poffertjeszaak worden met een restaurant gelijkgesteld. 11. Zalenexploitatie. Een inrichting, gericht op het bedrijfsmatig bieden van gelegenheid tot het houden van vergaderingen, recepties, bruiloften en partijen. Noot: als handleiding bij het te maken onderscheid in de diverse horeca-inrichtingen zijn enkele beleidsnotities en criteria vastgesteld. De noodzaak daartoe werd onder meer gevormd door pogingen van aanvragers om de regelgeving te omzeilen.
Het betreft de beleidsnotitie Toetsing LMV/APV bij aanvragen Verenigingen en Stichtingen; via toetsing aan deze notitie worden horeca-activiteiten zoveel mogelijk onderscheiden van welzijnsactiviteiten en wordt voorkomen dat onder een welzijnsvlag een horecabedrijf wordt geëxploiteerd, in strijd met de van toepassing zijnde regelgeving. Voorts zijn er restaurantcriteria en criteria voor daghoreca opgesteld. Via de eerste wordt getoetst of
sprake is van een restaurant of van een andere horecagelegenheid waar voedsel wordt verstrekt. in de tweede zijn criteria en voorwaarden gegeven, waaronder zogenaamde 'dag-horecazaken' alcoholhoudende dranken mogen verstrekken. De betreffende notitie en criteria zijn bijgevoegd.
Toetsingscriteria horeca-inrichtingen Voor een indeling van horeca-inrichtingen in categorieën, moeten de diverse vormen van horecabedrijven worden getoetst/beoordeeld op hun functioneren, zulks in relatie tot de verschillende omgevingstypen waar dergelijke bedrijven voorkomen. Hoewel regelingen die met name waren gebaseerd op criteria als openingstijden, overlast of schenken van alcohol, doorstonden in het verleden niet toets der kritiek. Deze criteria kunnen wel een rol spelen bij de beoordeling van de mate waarin horeca-inrichtingen invloed hebben op hun omgeving en of deze horeca-inrichtingen zich met hun omgeving verdragen. Een ruimtelijke relevante vraag, nu functies die in strijd zijn met de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling in een bestemmingsplan worden verboden c.q. niet mogelijk gemaakt. Gelet op de jurisprudentie en de ervaring van de gemeente Den Haag met beleid ten aanzien van horeca-inrichtingen neergelegd in leefmilieuverordeningen, de APV en andere regelgeving, zijn de volgende toetsingscriteria opgesteld:
Staat van horeca-inrichtingen Toepassing van de toetsingscriteria leidt tot de volgende staat van horeca-inrichtingen.
Categorie-indeling < 30 punten: categorie I 30 < 40 punten: categorie II 40 < 50 punten: categorie III 50 punten en meer: categorie IV
Indien binnen één horeca-inrichting sprake is van meerdere bedrijfssoorten en/of van andere combinaties van bedrijfssoorten dan is aangegeven, wordt voor de puntentoebedeling en de categorie-indeling uitgegaan van de zwaarste bedrijfssoort.
Toelichting op de beoordeling Bij de beoordeling en de daarmee samenhangende toedeling van punten is voor elk criterium slechts op één onderdeel getoetst. Indien meerdere deelcriteria van toepassing zijn, zijn punten toebedeeld op basis van het onderdeel met de meeste punten. In de definitie van de diverse horeca-inrichtingen is aangegeven welke activiteiten gelijkgesteld worden met de in de staat van horeca-inrichtingen genoemde horecabedrijven. a.
Openingstijden. Bij het toekennen van de punten is ervan uitgegaan dat men in het algemeen weinig overlast ondervindt van inrichtingen waarvan de sluitingstijden ongeveer gelijklopen met de openingstijden van winkels. Uitgangspunt daarbij is een openingstijd van 07.00 tot 19.00 uur en één keer per week tot uiterlijk 22.00 uur. Deze inrichtingen krijgen in de staat bij het tweede criterium 'bezoekersfrequentie' 5 punten toebedeeld. Late openingstijden daarentegen zijn zwaar gewaardeerd: voor openingstijden na 01.00 uur worden 20 punten toegekend. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat deze bedrijven in het algemeen een forse uitstraling hebben naar de (woon)omgeving. Met name discotheken kenmerken zich door een in het algemeen hoge bezoekersfrequentie in de late avonduren en 's nachts. De invloed van een dergelijke inrichting op de omgeving doet zich daarom meer voelen.
b.
Alcohol Het afzonderlijk verkrijgbaar zijn van alcoholische drank en/of de nadruk in de bedrijfsvoering op de verstrekking van alcoholische drank (zoals bij cafés) is eveneens zwaar gewaardeerd met 10 punten. Niet alleen door het komen en gaan van de bezoekers heeft een dergelijke inrichting invloed op zijn omgeving maar ook door de combinatie van alcoholgebruik en het regelmatig daarmee samenhangende uitbundige gedrag van bezoekers. Horeca-inrichtingen waar alcoholische dranken uitsluitend of in hoofdzaak met ter plaatse bereide etenswaren te verkrijgen zijn (zoals restaurants), hebben een minder zware waardering gekregen vanuit de ervaring dat in deze bedrijven veel minder alcoholische dranken worden genuttigd dan in bedrijven die in hun bedrijfsvoering vooral gericht zijn op de verkoop van alcoholische dranken. Dit heeft in de invloed op de omgeving een positief effect. Bij een aantal inrichtingen komt het nogal eens voor dat met name kleine etenswaren en ijsproducten buiten de inrichting worden genuttigd. Bovendien trekken dit soort inrichtingen ook regelmatig publiek aan dat buiten de inrichting rondhangt. Vooral in de late avonduren en 's nachts vindt bezoek plaats na bezoek aan bijvoorbeeld een bioscoop, na cafébezoek of na bezoek aan een andere gelegenheid waar alcoholhoudende dranken worden geschonken.
Afhankelijk van de mate waarin het publiek zich buiten de inrichting ophoudt, heeft dit een negatieve invloed op de omgeving.
c.
Verkeersaantrekkende werking. De verkeersaantrekkende werking doet zich met name voor bij inrichtingen als een afhaalwinkel/maaltijdbezorging. Uitgangspunt is dat horeca die alleen overdag open is niet eigenstandig verkeer veroorzaakt. Met andere woorden, de bezoekers van zulke inrichtingen bevinden zich al in de omgeving, bijvoorbeeld voor winkelbezoek. Als naast bezoekers tevens sprake is van bezorgers, dan zijn daarvoor extra punten toebedeeld.
d.
Omvang dansvloer. Conform het bovenstaande beleid, zoals vastgelegd in onder andere de Nota Horeca Binnenstad, is onderscheid gemaakt in de omvang van een dansgelegenheid op basis van de oppervlakte van de dansvloer. Het onderscheid ligt bij een oppervlakte van meer of minder dan 10 m².