RIS325516 Bijlage 3 Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving
Tekst van het document
Postbus 103 5300 AC Zaltbommel Gamerschestraat 34 5301 AS Zaltbommel Tel. info@legalexion.nl
Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving ten behoeve van een tijdelijke omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor realiseren van een paviljoen Trekweg 121 te Den Haag
Sept. 2025
Ruimtelijke Onderbouwing ten behoeve van het doorlopen van een procedure voor het verlenen van een tijdelijke omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld onder artikel 5.1 lid 1 onder a van de Omgevingswet, voor een paviljoen aan de Trekweg 121 te Den Haag.
Opdrachtgever Opgesteld door Opsteller Datum Versie Kenmerk
: : Legalexion : : 13 september 2025 :1 : 2023421/2
2
Inhoudsopgave 1. 1.1 1.2 1.3 1.4
INLEIDING ...............................................................................................................................4 AANLEIDING ......................................................................................................................................4 OMGEVINGSPLAN ..............................................................................................................................4 PLANGEBIED .....................................................................................................................................5 LEESWIJZER .......................................................................................................................................6
2. 2.1 2.2
HET PLAN ...............................................................................................................................7 BESTAANDE SITUATIE ..........................................................................................................................7 BESCHRIJVING VAN HET PLAN ...............................................................................................................8
3. RUIMTELIJK BELEID ...............................................................................................................13 3.1 LANDELIJK ......................................................................................................................................13 3.1.1 NATIONALE OMGEVINGSVISIE ............................................................................................................13 3.1.2 NATIONAAL KLIMAATBELEID ...............................................................................................................13 3.1.3 LADDERTOETS .................................................................................................................................15 3.2 PROVINCIAAL BELEID ........................................................................................................................16 3.2.1 ALGEMEEN.....................................................................................................................................16 3.2.2 PROVINCIALE OMGEVINGSVISIE ..........................................................................................................16 3.2.3 PROVINCIALE OMGEVINGSVERORDENING .............................................................................................18 3.3 GEMEENTELIJK BELEID
......................................................................................................................19 3.3.1 AGENDA RUIMTE VOOR DE STAD .........................................................................................................19 3.3.2 OMGEVINGSVISIE .............................................................................................................................19 4. OMGEVINGS- EN MILIEUASPECTEN ........................................................................................21 4.1 GELUID ..........................................................................................................................................21 4.2 BODEM ..........................................................................................................................................21 4.3 LUCHTKWALITEIT .............................................................................................................................22 4.4 BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING .........................................................................................................24 4.5 NATUUR VANAF HIER VERDER .............................................................................................................24 4.6 EXTERNE VEILIGHEID
.........................................................................................................................26 4.7 WATER ..........................................................................................................................................27 4.7.1 INLEIDING .......................................................................................................................................27 4.7.2 PROCEDURE WATERTOETS EN WETTELIJK KADER ....................................................................................27 4.7.3 LIGGING PLANGEBIED ........................................................................................................................28 4.7.4 WATERKERINGEN & WATERVEILIGHEID ................................................................................................29 4.7.5 GRONDWATER, BODEMDALING EN VOORKOMEN ZOETWATERTEKORT ........................................................32 4.7.6 OPPERVLAKTEWATER EN VOORKOMEN WATEROVERLAST .........................................................................32 4.7.7 WATERSYSTEEMKWALITEIT EN ECOLOGIE ..............................................................................................34 4.7.8 AFVALWATER EN RIOLERING ...............................................................................................................34 4.7.9 KLIMAATADAPTATIE
..........................................................................................................................35 4.7.10 CONCLUSIE .....................................................................................................................................35 5 5.1 5.2
CULTUURHISTORIE & ARCHEOLOGIE ......................................................................................36 MONUMENTEN / BESCHERMD STADS- EN DORPSGEZICHT ........................................................................36 ARCHEOLOGIE .................................................................................................................................36
6.
EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES .....................................................38
7.
UITVOERBAARHEID ...............................................................................................................40
8.
PARTICIPATIE ........................................................................................................................41
3
1.
INLEIDING
1.1
Aanleiding Op 8 mei 2013 is voor het paviljoen aan de Trekweg 121 te Den Haag een omgevingsvergunning verleend (201300681/5197716), waarbij afgeweken werd van het destijds geldende bestemmingsplan. Dit betrof een tijdelijke omgevingsvergunning. Op 9 augustus 2018 is de termijn van de betreffende omgevingsvergunning verlengd. De initiatiefnemer wenst de omgevingsvergunning opnieuw voor een periode van 3,5 jaar vergund te krijgen, middels een tijdelijke omgevingsvergunning. Daarvoor is een nieuwe aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor het afwijken van het Omgevingsplan Gemeente Den Haag. Het betreffende paviljoen heeft een (lichte) horeca-functie, een recreatieve en een culturele functie. Met het buurtpaviljoen wordt voorzien in een behoefte in de buurt en de verdere omgeving, een laagdrempelige plek om samen te komen, om zo een bijdrage te leveren aan de levendigheid van de wijk en de verbetering van de woon – en leefkwaliteit ter plaatse. Tevens biedt het recreatiemogelijkheden voor fietsers (vanwege naastgelegen fietspad) en watersporters (vanwege aanlegplek vanaf de Trekvliet). De gemeente heeft aan de initiatiefnemer laten weten mee te willen werken aan het plan. Hiervoor dient een planologische procedure doorlopen te worden.
Dat betreft de procedure voor het doorlopen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (als bedoeld in artikel 5.1 lid 1 onder a van de Omgevingswet). Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels van afdeling 8.1 Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). Op grond van deze regels wordt een omgevingsvergunning slechts verleend: ▪ met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl) ▪ als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Die beoordelingsregels komen overeen met de regels die gelden voor het opstellen van een omgevingsplan. Dat betekent dat ook de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden (instructieregels voor omgevingsplannen) Dit document bevat een onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving (GoFlo) van de te realiseren kinderopvang.
1.2
Omgevingsplan Ingevolge het (tijdelijke) Omgevingsplan Gemeente Den Haag, specifieke het bestemmingsplan ‘Laakwijk – Schipperskwartier’, vastgesteld d.d. 9 juli 2009, rust op de locatie de bestemming ‘Groen’ (art. 10). Deze gronden zijn bestemd voor: park, plantsoen, grasvelden, bomen en planten, speeltoestellen, waterlopen en waterpartijen, oevers, duikers en bruggen, voet- en
4
fietspaden, parkeerplaatsen. Op deze gronden mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gebouwd worden met een hoogte van 2 meter, met uitzondering van speeltoestellen waarvan de hoogte maximaal 7 meter mag bedragen en kunstobjecten met een hoogte van maximaal 7 meter. Het gewenste paviljoen past niet binnen deze bestemming. Om het plan toch mogelijk te maken, dient een planologisch procedure te worden doorlopen.
Fig. 1.1 Uitsnede bestemmingsplan (projectgebied: zie rode pijl)
1.3
Plangebied De bouwlocatie wordt kadastraal aangeduid als gemeente ‘s Gravenhage, sectie AI, nummer 10839. Aan de noord-westzijde van de locatie ligt een brede watergang. Aan de oost-westzijde grenst het paviljoen aan een woongebied.
5
Fig. 1.2 Luchtfoto projectlocatie (rood omkaderd)
1.4
bron: Google Earth
Leeswijzer Hierna volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het plan. Vervolgens bevat hoofdstuk 3 een overzicht van het van toepassing zijnde ruimtelijke beleid. In hoofdstuk 4 worden de milieu- en omgevingsaspecten besproken. Hoofdstuk 5 gaat in op cultuurhistorie en archeologie. Hoofdstuk 6 bevat de overwegingen omtrent een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In hoofdstuk 7 komt de economische uitvoerbaarheid van het plan aan de orde. Hoofdstuk 8 behandelt de wijze waarop participatie is toegepast in de te doorlopen procedure.
6
2.
HET PLAN Het voorliggende plan wijkt af van de vigerende bestemmingsregeling voor deze gronden. De stedenbouwkundige, kwalitatief-ruimtelijke en welstandstechnische aanvaardbaarheid van het plan zal daarom nader moeten worden beoordeeld en onderbouwd. Vervolgens wordt een stedenbouwkundige onderbouwing gegeven van het plan.
2.1
Bestaande situatie In hoofdstuk 1 van deze ruimtelijke onderbouwing is reeds aangegeven wat de huidige planologische en vergunde functiemogelijkheden zijn op de locatie aan de Trekweg 121. De locatie dient als openbaar groen. Zoals reeds vermeld, is het betreffende paviljoen al meer dan 10 jaar op de locatie aan de Trekweg 121 aanwezig.
Fig. 2.1 Bestaande situatie Trekweg 121 Op de betreffende locatie is op dit moment ook reeds straatmeubilair aanwezig en tevens een speelzandbak. Ten zuid-oosten van de locatie ligt een fietspad. Op de locatie is ook voorzien in een fietsparkeerplaats (figuur 2.2). Het gevolg hiervan is dat veel fietsers gebruik maken van deze plek om te recreëren. De locatie ligt direct aan de Trekvliet. Dat betekent dat er ook waterrecreatie gebruik maakt van de voorzieningen van het buurtpaviljoen. Op de projectlocatie is veel groen aanwezig. Kenmerkend zijn de bomen die een lange rij vormen langs de vaart. Tevens wordt het perceel afgescheiden van het fietspad door een groene haag.
7
Fig. 2.2 Bestaande situatie Trekweg 121
2.2
Beschrijving van het plan Algemeen Hoewel reeds sprake is van een bestaande situatie, bestaat het voornemen om het betreffende paviljoen waarvoor reeds eerder een tijdelijke omgevingsvergunning is verleend (echter waarvan de termijn is verstreken), opnieuw planologisch te regelen. De eigenaar / verhuurder en huidige huurder van het paviljoen hebben plannen om gezamenlijk te investeren, om dit tot een aantrekkelijke plek te maken in het Laakkwartier, welke omarmt moet gaan worden door zowel mensen uit de buurt als door mensen van daar buiten. Voorgenomen gebruik Het voornemen is om het buurtpaviljoen een impuls te geven voor wat betreft de gebruiksmogelijkheden. De concrete plannen voor het paviljoen zien er als volgt uit: a. Horeca-activiteiten Een horecagelegenheid met terras voor lichte horeca. Het betreft horeca-activiteiten die ingevolge bijlage II van de regels van het bestemmingsplan ‘Laakwijk – Schipperskwartier’ binnen horeca-categorie I vallen. Dat wil zeggen maximaal 30 punten krijgen, binnen de systematiek van die Staat van Horeca-activiteiten (zie bijlage II van deze ruimtelijke onderbouwing). Dat betekent dat men ter plaatse terecht kan voor zgn. kleine etenswaren: een betaalbare en goede kop koffie met zoete lekkernijen, limonade of een (gezonde) snack/ijsje voor de kinderen. Ook kun er geluncht worden en eventueel een uitgebreidere maaltijd, tot 19.00 uur.
De openingstijden zijn parallel aan openingstijden van winkels (tussen 7.00 uur en 19.00 uur en 1x per week tot 22.00 uur). Het publiek kan zich deels ook buiten ophouden, op het buitenterras. Wat betreft het aantrekkend verkeer wordt opgemerkt dat dit eigenstandig verkeer betreft van bezoekers. Er is geen dansgelegenheid.
8
Fig. 2.3 Foto’s bestaande situatie paviljoen
Fig. 2.4 Foto’s bestaande situatie paviljoen met bijgebouw b. ▪ ▪ ▪
Recreatie Rust- en recreatieplek voor fieters (locatie ligt aan een fietsknooppunt); Opstapplaats voor suppers – mogelijk op termijn supschool toe te voegen aan het paviljoen (er is ook een aanlegplaats aan de Trekvliet); Samenwerking tussen roeivereniging Laak en Gemeente Den Haag.
c. Gebruik met maatschappelijk, cultureel en sociaal karakter Bij de invulling van bovengenoemde functies zal het paviljoen ook nog een groot sociaal karakter worden gegeven door de voorgenomen samenwerking met Hierover het volgende. is een lokaal Haags leerwerkbedrijf voor ongekend jong talent. Een stichting voor jongeren met een krasje die men klaar wil stomen voor banen in de breedste zin van het facilitaire werk. Een baan regelen is namelijk niet zo lastig. Een baan behouden wel. Een duurzame plek wordt bepaald door goed leermeesterschap bij bedrijven en vooral door te luisteren. Luisteren naar het antwoord op wat de betreffende jongeren nodig hebben. Een plek om te slapen, een luisterend oor, hulp bij voeding, je schulden, justitie, een huis, liefde of een wat strengere aanpak. Precies de methode of (DNA) vernoemd naar waarmee in de vorige eeuw als opa van de huidige directeuren en jonge mannen meenam naar zijn glazenwasserswijk. Deze opera-zingende glazenwasser bracht
9
‘straatschoffies’ het glazenwassersambacht met passie en een lach over. Hij bood ze werknemersvaardigheden en een luisterend oor. De deur openhouden voor klanten in de winkelwijk aan het Noordeinde, maar ook trots zijn op wie je bent. Zo’n 25 jaar nadat zijn zeemtas aan de wilgen hing is de stichting allesbehalve overbodig. De stichting heeft samenwerkingen met grotere bedrijven, diverse gemeenten, verzekeraars voor budget trainingen, verschillende gemeenten en instanties voor instroom. De stichting is PSO30+ gecertificeerd en staat als sociale onderneming op de website van de Gemeente Den Haag. voert opdrachten uit voor dezelfde gemeente door met jongeren op elektrische fietsen (Energie Transfietsies) woningen te verduurzamen. Stichting heeft een contract met Facilicom voor de instroom van talent. Deze integrale dienstverlening biedt 26.000 arbeidsplaatsen en van daaruit heeft stichting een contract voor meer dan 50 talenten per jaar met de stichting. zal de huidige werkruimte die ze op de Werkfabriek delen met (sociale dienstverlener) verlaten om dichter bij de doelgroep te zitten. Op die manier wordt invulling gegeven aan een werkplek waar talent even uitblaast, cursussen plaatsvinden, intakegesprekken en betrokken ouders, wijkagenten en hulpverleners binnenlopen voor een kop koffie. Het Paviljoen is daarvoor de ideale plek.
Met het gezicht naar de buren in Molenwijk en in de rug de ruimte van de Vliet en het industriegebied Binckhorst. wil ‘een brug bouwen’ tussen de talenten en de banen. Het is de bedoeling om het paviljoen in te richten met werkplekken voor het team van 4 werknemers (waaronder een coach) met een koffiecorner waar iedereen kan binnen lopen. Op die manier wordt de verbinding gezocht met de wijk voor de talenten die juist een beetje hulp nodig hebben. Bouwkundige aanpassingen van het paviljoen: Om bovenstaande plannen goed te kunnen faciliteren, zullen er noodzakelijke aanpassingen aan het paviljoen moeten komen. Tevens dient voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning het paviljoen te voldoen aan het Bouwbesluit. De noodzakelijk aanpassingen zijn: ▪ Het creëren van een nieuwe indeling van het paviljoen zodat er meer werkruimte is in de keuken en voor gasten; ▪ Creëren van een uitgifteluik voor take-away (denk hierbij aan o.a. verkoop van snacks, ijsjes en drankjes voor bezoekers van de speelplaats).
Fig. 2.5 Zijgevel links met bijgebouw
Fig. 2.6 Zijgevel rechts met bijgebouw
10
Behoefte buurtpaviljoen In de eerder verleende omgevingsvergunning is de volgende motivering gegeven om af te wijken van het bestemmingsplan: ‘Den Haag heeft de ambitie een attractieve Wereldstad aan zee te zijn. Met hoogstaand aanbod van woon- en werkmilieus, voorzieningen, recreatie en cultuur. Helaas zijn er wijken en gebieden met verouderde woningvoorraad, gebrek aan voorzieningen en een groot aantal gezinnen met lange inkomens. Door de huidige wereldwijde economische crisis is het herstructureren van deze krachtwijken voor onbepaalde tijd uitgesteld. Als er niet geïnvesteerd wordt in deze gebieden komen de leefbaarheid en de veiligheid in het geding. Het mee participeren van Bewoners bij de verbetering van de leefbaarheid is essentieel in deze. Wijkvoorzieningen als deze zijn belangrijk in het bereiken en onderhoud van de contacten met bewoners.’ Deze motivatie is nog steeds voluit van toepassing. Het buurtpaviljoen heeft nog steeds een heel belangrijke functie, zowel op het vlak van woon- en werkmilieu, als op het vlak van recreatie en cultuur. Het heeft ook toegevoegde waarde voor de naastgelegen fietsstraat. Het gebouwtje is allereerst een uitspanning, maar is daarnaast voor veel verschillende doeleinden te gebruiken.
Het buurtpaviljoen legt een mooi nieuw accent op een oud gebied waardoor het mogelijk wordt om de aandacht op het gebied te versterken, bijvoorbeeld door een verbinding te vormen van de Molenwijk en Laak met de Binckhorst met zijn vele innovatieve en creatieve ontwikkelingen.
Fig. 2.7 Foto’s bestaande recreatie rondom het buurtpaviljoen Parkeren Conform het bestemmingsplan ‘Parapluherziening (fiets)parkeren’ is op basis van de parkeernormen en berekeningsmethode zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen Den Haag en de meest recente wijzigingen hiervan de parkeerbehoefte voor motorvoertuigen en fietsen berekend. Voor een cafetaria / lunchroom / restaurant gaat de nota uit van 5 parkeerplaats per 100 m2 (na-oorlogse wijken). Het buurtpaviljoen heeft een oppervlakte van 106 m2. Dat betekent dus dat er in 5 parkeerplaatsen moet worden voorzien, waarvan 80% bezoekersaandeel.
11
Artikel 3:2 van de Nota Parkeernormen bepaalt dat bij een verbouwontwikkeling of functiewijziging alleen hoeft te worden voorzien in de extra autoparkeervraag en niet in de autoparkeervraag van de laatste formele bestemming toegestaan door het bestemmingsplan (inclusief overgangsrecht), tenzij er sprake is van leegstand van meer dan 5 jaar voor de aanvraag van de omgevingsvergunning. Het betreffende buurtpaviljoen is reeds 10 jaar aanwezig. Dat betekent dat er ten aanzien van parkeren geen wijzigingen plaatsvinden ten aanzien van de bestaande situatie (dus geen extra parkeerplaatsen).
12
3.
RUIMTELIJK BELEID Dit hoofdstuk bevat het relevante ruimtelijk beleid dat door de verschillende overheden in verdragen, visies, beleidsnota’s en overige documenten is vastgelegd.
3.1
Landelijk
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld (NOVI). De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI richt zich op vier prioriteiten. Deze onderwerpen hebben onderling veel met elkaar te maken en ze hebben gevolgen voor hoe we onze fysieke leefomgeving inrichten. De Nationale Omgevingsvisie helpt bij het maken van de noodzakelijke keuzes: ▪ ▪ ▪ ▪
Ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden Onze steden en regio’s sterker en leefbaarder maken Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen
De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Bij dit plan zijn er geen nationale belangen in het geding. Conclusie Het initiatief heeft geen betrekking op één van de rijksbelangen die zijn opgenomen in de NOVI. Het beleidskader van de NOVI vormt dan ook geen belemmering.
3.1.2 Nationaal klimaatbeleid Nederland heeft zich verbonden aan verschillende internationale afspraken. ▪ het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (VN) uit 1992 is het eerste klimaatverdrag.
13
▪ ▪
het Kyoto-Protocol uit 1997. Hierin staat dat de emissiereducties van land tot land verschillen en onder elkaar verhandeld kunnen worden. VN-klimaattop in Parijs: de Conference of Parties (COP21). Nederland heeft daar ingestemd met een nieuw VN-klimaatakkoord, dat in 2020 is ingegaan. Doel van het akkoord: de opwarming van de aarde beperken tot ruim onder 2 graden Celsius. Met een duidelijk zicht op 1,5 graden Celsius.
Nationale doelen voor terugdringen van broeikasgassen De Klimaatwet stelt vast met hoeveel procent ons land de CO₂-uitstoot moet terugdringen. De Klimaatwet moet burgers en bedrijven zekerheid geven over de klimaatdoelen: ▪ 49% minder CO₂-uitstoot in 2030 ten opzichte van 1990. Om dit doel te halen, hebben de overheid, bedrijven en maatschappelijke organisaties een Klimaatakkoord gesloten. Er staan ook afspraken in die partijen onderling hebben gemaakt. ▪ 95% minder CO₂ -uitstoot in 2050 ten opzichte van 1990. o Daarnaast moet de Nederlandse staat eind 2020 ten minste 25% minder broeikasgassen uitstoten ten opzichte van 1990. Klimaatakkoord In het Klimaatakkoord staan afspraken met 5 sectoren over de maatregelen die deze sectoren de komende 10 jaar en in de jaren daarna gaan nemen om de klimaatdoelen te halen. Deze sectoren zijn gebouwde omgeving, landbouw en landgebruik, elektriciteit, industrie en mobiliteit. Relevant voor het plan zijn: ▪
▪
▪
Gebouwde omgeving: In 2050 moeten 7 miljoen woningen en 1 miljoen andere gebouwen van het aardgas af zijn. Dat betekent isoleren en gebruikmaken van duurzame warmte en elektriciteit. Er moet flink wat gebeuren, maar daar is 31 jaar de tijd voor. Als eerste stap moeten in 2030 de eerste 1,5 miljoen bestaande woningen verduurzaamd zijn. Mobiliteit: In 2050 stoot het Nederlands verkeer en alle transport geen schadelijke uitlaatgassen en CO2 meer uit. Verkeer en transport kunnen schoner, én ook slimmer. Zo wordt ook de bereikbaarheid en de toegankelijkheid voor iedereen beter. De doorstroming in steden wordt beter, en gebieden en dorpen worden goed ontsloten. Dit kan door voertuigen en infrastructuur, zoals wegen, spoor en vaarwater, optimaal te gebruiken. Elektrisch vervoer en aandrijving met duurzame waterstof is daarbij belangrijk. Voorbeelden van maatregelen zijn meer oplaadpalen voor elektrische auto’s, ontwikkeling en productie van duurzame brandstoffen, bussen in het openbaar vervoer 100% schoon laten rijden en stimuleren om te fietsen. Elektriciteit: In 2030 wil Nederland 70% van alle elektriciteit opwekken met windturbines op zee en op land en zonnepanelen op daken en in zonneparken. In 2050 wil Nederland helemaal geen fossiele brandstoffen, zoals aardgas en steenkool, gebruiken.
Er is nog veel te doen om dat te bereiken, want in 2018 kwam nog maar 7,2% van alle elektriciteit uit duurzame bronnen. Tegelijk groeit de vraag naar elektriciteit. Auto’s worden elektrisch, de industrie vervangt olie en gas voor schone stroom. Gebouwen gaan van het gas af en hebben meer stroom nodig voor verwarmen en koken.
14
Planspecifiek Het pand aan de Trekweg 121 wordt aangepast aan de laatste technische bouweisen. Voorts is het aan de eindgebruiker van het pand om deze naar eigen wens zo energiezuinig mogelijk in te richten, bijvoorbeeld door het toepassen van waterbesparende kranen, het aanleggen en gebruiken van zonne-energie en/of het toepassen van LED-verlichting.
3.1.3 Laddertoets De laddertoets is te vinden in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Uit dit artikel volgt dat getoetst moet worden aan de ladder bij stedelijke ontwikkelingen bij het wijzigen van een omgevingsplan, voor zover die wijziging voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In het tweede lid van artikel 5.129g worden de voorwaarden van de ladder verder uitgewerkt. In dit artikellid staat dat moet worden gehouden met de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling. Daarnaast geeft het de juridische kaders om aan te tonen waarom het niet lukt om binnen het bestaande stedelijke gebied te voorzien in de behoefte. De omschrijving van stedelijk gebied is verwerkt in bijlage I bij het Bkl. Uit artikel 8.0b, eerste lid, onder a, van het Bkl valt op te maken dat ook bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit de laddertoets moet worden doorlopen. In dat artikel is namelijk bepaald dat bij een BOPA getoetst moet worden aan de regels uit hoofdstuk 5 van het Bkl, waar dus ook de laddertoets is te vinden. Artikel 5.129 g lid 2 van het Bkl bepaalt hierover het volgende: Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a.
de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
Planspecifiek Gelet op de zeer beperkte omvang van het paviljoen kan worden opgemerkt dat hier geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de zin van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het plan aansluit op het nationaal ruimtelijk beleid en de nationale regelgeving.
15
3.2
Provinciaal Beleid
3.2.1 Algemeen Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het provinciale Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma's en -plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hieraan geeft men richting door het maken van samenhangende beleidskeuzes, die volgen uit de provinciale opgaven. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma's en naar regels in de verordening. Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma's en verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Met het samenbrengen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving tot een integraal Omgevingsbeleid sorteert de provincie voor op de Omgevingswet.
De Zuid-Hollandse Omgevingsvisie en Omgevingsverordening zijn per 1 april 2019 in werking getreden en opgesteld in het kader van de Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking is getreden. De Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening zijn op 1 april 2023 geconsolideerd. Het beleid is gericht op het realiseren van maatschappelijke belangen en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit.
3.2.2 Provinciale Omgevingsvisie Algemeen De Omgevingsvisie benoemt voor de provincie de visie, ambities en opgaven voor de provincie Zuid-Holland. De omgevingsvisie bevat zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving: • • • • • •
naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendige meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
Naast de zes ambities stelt de provincie in de omgevingsvisie 12 provinciale opgaven voor de omgevingskwaliteit vast. De provincie werkt bij deze opgaven samen met andere overheden en maatschappelijke partners. De 12 provinciale opgaven omgevingskwaliteit zijn: Landschap en cultuurhistorie, Gezondheid en veiligheid, Natuur en recreatie, Ruimte en verstedelijking (de bebouwde ruimte beter benutten), Wonen, Bodem en ondergrond, Cultuurparticipatie en
16
bibliotheken, Klimaatadaptie, Zoetwater en drinkwater, Bereikbaarheid, Regionale economie en Energievoorziening. Ook het programma Ruimte en de Kwaliteitskaart zijn onderdeel van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid - Holland. Het programma Ruimte bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Daarbij gaat het om locatie specifieke of de programmatische invulling van beleidsbeslissingen uit de Omgevingsvisie. Om aan te geven wat de provincie verstaat onder gebiedskwaliteit is een integrale Kwaliteitskaart opgenomen in de Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de gebruikswaarde, de toekomstwaarde en de belevingswaarde van een gebied. Het gaat daarbij onder andere om gebiedskenmerken zoals de aard en schaal, om duurzaam gebruik van de ondergrond, de versterking van de ruimtelijke opbouw en de inpassing in de wijdere omgeving. Ruimtelijke kwaliteit is vanuit het perspectief van de provincie sterk verbonden met het landschap. De provincie zet in op het versterken en benutten van de verschillen tussen de vier groepen landschappen: kustlandschappen, veen(weide) landschappen, deltarivierenlandschappen en stedelijke landschappen. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang.
Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: ▪ De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. ▪ Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. ▪ Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. ▪ Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. ▪ In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit.
Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Een plan dat de kwaliteiten van een gebied versterkt is in ieders belang.
17
Planspecifiek Met activiteiten in en rondom het paviljoen wordt bijgedragen aan de opgave recreatie en aantrekkelijke woon- en leefomgeving (het paviljoen heeft immers een buurtfuctie waardoor de leefbaarheid van de woonwijk wordt verbeterd). Dat draagt bij aan het verhogen van de aantrekkelijkheid van de wijk c.q. stad. Hiermee sluit het plan aansluit op de doelstellingen van de Omgevingsvisie.
3.2.3 Provinciale Omgevingsverordening Om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren heeft de provincie verschillende instrumenten, waarvan de Omgevingsverordening er één is. De Omgevingsverordening Zuid Holland stelt regels aan gemeentelijke bestemmingsplannen. Niet alle onderwerpen zijn geschikt voor opname in een verordening. De inhoud is van toepassing op de fysieke leefomgeving en activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving, waarbij een provinciaal belang speelt. De provincie heeft in de Omgevingsverordening Zuid - Holland daarom onder meer regels opgenomen over activiteiten in de fysieke leefomgeving, zoals bodemsanering en flora- en fauna activiteiten, de leefomgevingskwaliteit en instructieregels aangaande gemeentelijke bestemmingsplannen. Zo worden er bijvoorbeeld voorwaarden gesteld aan bestemmingsplannen welke de ontwikkeling van bedrijven of kantoren mogelijk maken of welke betrekking hebben op gebieden met een provinciaal belang, zoals langs provinciale vaarwegen of nabij landgoederen en kastelen. Kortom: in de verordening staan de regels die de provincie stelt aan ruimtelijke ontwikkelingen. Planspecifiek Vanuit de instructieregels van de provinciale verordening dient aan een aantal onderwerpen getoetst c.q. aandacht besteed te worden. Hierover het volgende.
Artikel 7.13 lid 3 van de provinciale verordening schrijft voor dat in geval van functiewijziging in bestaand stedelijk gebied de paragrafen 7.3.4 t/m 7.3.8 niet van toepassing is. Hier is inderdaad sprake van een functiewijziging naar paviljoen. Dat betekent dat de paragrafen 7.3.4 tot en met 7.3.8 hier niet van toepassing zijn. Dat betekent dat ook de toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking vanuit de provinciale verordening (artikel 7.44) niet nodig is. Ook voor het overige is het plan voor het paviljoen aan de Trekweg 121 niet strijd met de provinciale omgevingsverordening. Conclusie Kortom: het plan is niet strijdig met de Provinciale Omgevingsverordening.
18
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Agenda Ruimte voor de stad De Agenda Ruimte voor de stad (RIS295016, door de raad vastgesteld op 15 december 2016) is het richtinggevend document voor de ruimtelijke ontwikkeling van de stad en als zodanig de ruimtelijke onderlegger voor de nog op te stellen Omgevingsvisie die, wanneer de nieuwe Omgevingswet van kracht wordt, ook voor gemeenten verplicht gesteld is. Voor de Agenda Ruimte voor de Stad zijn vier transitieopgaven van belang: de ontwikkeling naar een nieuwe economie, de vraag om een inclusieve en veerkrachtige samenleving, de roep om slimme stadsontwikkeling en de opgave voor de overheid om in dit proces organiserend vermogen te tonen en ruimte te bieden voor maatschappelijk initiatief. Met behulp van negen principes voor stedelijke ontwikkeling wordt in de Agenda Ruimte voor de Stad aangegeven hoe de ontwikkelingen gestuurd wordt: •
•
•
Kwaliteit van het proces door samen stad maken waar mogelijk ruimte aan initiatiefnemers, daarbij hoort ook experimenteerruimte die belangrijk is voor innovatie en dynamiek in de stad en ruimtelijke keuzen om antwoorden te bieden op de stedelijke en regionale opgaven. Ruimtelijke kwaliteit, zoals groen, cultuurhistorisch erfgoed en de buitenruimte omdat die in belangrijke mate bijdraagt aan een aantrekkelijke leefomgeving en het economisch vestigingsklimaat. Kwaliteit door integrale samenhang met sociaal-maatschappelijke opgaven, zoals de opgave om sociaaleconomische differentiatie, functiemenging en ruimte voor wijkeconomie te bevorderen in wijken waar dat nodig is gelet op bijvoorbeeld werkeloosheid.
Planspecifiek Met het buurtpaviljoen wordt voorzien in een behoefte in de buurt en de verdere omgeving, een laagdrempelige plek om samen te komen, om zo een bijdrage te leveren aan de levendigheid van de wijk en de verbetering van de woon – en leefkwaliteit ter plaatse. Dat draagt bij aan de doelstellingen om een aantrekkelijke leefomgeving te realiseren.
3.3.2 Omgevingsvisie De gemeente Den Haag is bezig met het opstellen van een omgevingsvisie. Daarin wordt vastgelegd wat voor stad Den Haag wil zijn, in 2050. Uit eerdere gesprekken met bewoners, ondernemers, jongeren, experts en ambtenaren is duidelijk geworden dat er in Den Haag zes belangrijke ambities zijn. Dit zijn onderwerpen die belangrijk zijn voor de stad. Deze zijn vastgesteld door de gemeenteraad. De ambities zijn: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Sociaal Den Haag; Iedereen kan wonen in Den Haag; Klimaatbestendig en groen Den Haag; Bruisend Den Haag; Gezond en veilig Den Haag; Duurzaam bereikbaar Den Haag.
19
Den Haag wil een aantrekkelijke stad zijn, voor bewoners en bezoekers uit binnen- en buitenland. Planspecifiek Met het buurtpaviljoen wordt voorzien in een behoefte in de buurt en de verdere omgeving, een laagdrempelige plek om samen te komen, om zo een bijdrage te leveren aan de levendigheid van de wijk en de verbetering van een aantrekkelijke woon – en leefkwaliteit ter plaatse. Dat draagt bij aan de doelstellingen ‘Sociaal Den Haag’ en ‘Bruisend Den Haag’ zoals genoemd in de Omgevingsvisie.
20
4.
OMGEVINGS- EN MILIEUASPECTEN Dit hoofdstuk bevat een verantwoording van de milieu(hygiënische) aspecten die voor het buurtpaviljoen aan de Trekweg 121 relevant kunnen zijn. Daarbij wordt ook ingegaan op de milieutechnische consequenties die verwezenlijking van het project zowel binnen het projectgebied als daarbuiten kan hebben.
4.1
Geluid Algemeen De regels voor geluid in relatie tot bedrijven zijn vastgelegd in de Omgevingswet, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Daarnaast kunnen maatwerkvoorschriften gelden. Doel is om geluidgevoelige gebouwen, zoals woningen te beschermen en overlast te voorkomen als onderdeel van een gezonde en veilige leefomgeving. Bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties kan de gemeente regels opnemen waardoor de locaties waar de verschillende activiteiten plaatsvinden ten opzichte van elkaar te scheiden (zonering) of door regels te stellen aan activiteiten op een specifieke locatie. De regels aan activiteiten op een locatie in een Omgevingsplan moeten voldoen aan de instructieregels uit het Bkl die gericht zijn op gezondheid en milieu en gelden voor alle geluidgevoelige gebouwen die in het Bkl als zodanig zijn aangewezen. Artikel 3.20 Bkl wijst naast woningen, ook onderwijsgebouwen, zorggebouwen met slaapgelegenheid en kinderdagverblijven aan als geluidgevoelige gebouwen. Indien wordt voldaan aan de standaardwaarden uit artikel 5.65 Bkl wordt in beginsel voldaan aan de eis van aanvaardbaarheid zoals opgenomen in artikel 5.59 Bkl. De standaardwaarden zijn gebaseerd op de algemene geluidnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Voor piekgeluiden van activiteiten is deels een andere geluidnormering dan die van het Activiteitenbesluit opgenomen. Er geldt geen standaardwaarde voor piekgeluiden in de dagperiode. Voor de avond- en nachtperiode is een aparte (hogere) standaardwaarde opgenomen voor het (aandrijfgeluid) van transportmiddelen dan voor de andere piekgeluiden. De gemeente kan gemotiveerd afwijken van de standaardwaarden, bijvoorbeeld om mogelijkheden te bieden voor bedrijvigheid in een gemengd gebied. Voorwaarde is dat sprake moet zijn van 'aanvaardbaar geluid' op geluidgevoelige gebouwen. Planspecifiek Het betreffende buurtpaviljoen betreft geen geluidgevoelige functie. Dat betekent dat er niet behoeft te worden getoetst aan het Bkl.
4.2
Bodem Algemeen Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Wet bodembescherming vervallen. Via de Aanvullingswet bodem Omgevingswet en Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet zijn de regels voor bodem onderdeel gemaakt van de Omgevingswet. Het nieuwe wettelijke instrumentarium voor bodem berust op drie pijlers:
21
▪ ▪ ▪
Het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); Het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); Het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer historische verontreinigingen).
Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Een onderzoek in de vorm van een historisch onderzoek of een verkennend bodemonderzoek geeft inzicht of de bodem ter plaatse van een ontwikkeling geschikt is voor het beoogde gebruik en activiteiten. Planspecifiek In dit geval is er reeds sprake van een bestaande situatie (het buurtpaviljoen is er reeds 10 jaar aanwezig). Er vinden geen werkzaamheden plaats in de bodem. Dat betekent dat een onderzoek naar de kwaliteit van de bodem niet nodig is. Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de bodem geen belemmering vormt voor onderhavig plan.
4.3
Luchtkwaliteit Algemeen Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is een aantal regels rondom lucht veranderd. De overheid toetst minder (ruimtelijke) projecten aan de regels voor luchtkwaliteit. Vooral in en nabij de aandachtsgebieden moeten overheden toetsen aan de rijksomgevingswaarden. Dit hoeft niet als een project geen of weinig luchtverontreiniging veroorzaakt. Het project draagt dan 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtvervuiling. Toetsing aan de rijksomgevingswaarde is dan niet nodig. Planspecifiek Er is sprake van een geval van ‘niet in betekenende mate’ voor zover het toelaten van activiteiten leidt tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 μg/m3 of minder. Om dat te berekenen kan gebruik worden gemaakt van de zogenaamde NIBM-tool. Hieronder zijn de resultaten weergegeven van de situatie waarin is uitgegaan van 100 voortuigbewegingen per dag. Dat is een behoorlijk fors aantal, omdat de verwachting is dat mensen eerder per fiets of lopend het paviljoen bezoeken.
22
Fig. 4.1. Overzicht NIBM-tool
Wat betreft de bestaande luchtkwaliteit kan het volgende worden opgemerkt. Uit Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit blijkt dat ter plaatse van het meetpunt dat het meest dichtbij de planlocatie ligt ruimschoots onder de toegestane concentraties wordt gebleven (NO2 18,86 ug/m3 en PM10 16,29 ug/m3 en PM2,5 8,43 ug/m3 (norm is 35 ug/m3), met maximaal 6 overschrijdingsdagen (norm is 35 dagen)).
Fig. 4.2 Uitsnede uit Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit
23
Conclusie Er bestaan voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen.
4.4
Bedrijven en milieuzonering Het begrip 'inrichting' uit de Wet milieubeheer bestaat onder de Omgevingswet niet meer, deze is vervangen door regels voor milieubelastende activiteiten. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Lozingsactiviteiten op oppervlaktewater of een zuiveringsinstallatie of wateronttrekking vallen niet onder de definitie van een 'milieubelastende activiteit'. Inhoudelijk zijn er weinig veranderingen, wel is de systematiek gewijzigd. De rijksregels voor milieubelastende activiteiten staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Voor activiteiten die niet in H3 van het Bal zijn aangewezen, kan een gemeente regels opnemen in het Omgevingsplan. De algemene zorgplicht (artikel 1.7) en het algemene verbod (artikel 1.7a) uit de Omgevingswet zijn altijd van toepassing. Om hinder tussen bedrijven en woningen te voorkomen, is ook onder de Omgevingswet een goede afstemming noodzakelijk. Milieuzonering zorgt ervoor dat bij de bouw van nieuwe woningen voldoende afstand in acht wordt genomen tot milieubelastende activiteiten (tussen bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen). Zo worden hinder en gevaar voorkomen en kunnen bedrijven zich binnen aanvaardbare voorwaarden in een gebied vestigen en activiteiten (blijven) uitoefenen.
Planspecifiek Voor lichte horeca (restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d.) geeft de VNG-brochure een richtafstand van 10 meter. De werkelijke afstand tussen het buurtpaviljoen en de meest nabij staande woningen bedraagt hier bijna 25 meter. Dat betekent dat wordt voldaan aan de richtafstand uit de VNG-brochure.
4.5
Natuur vanaf hier verder Algemeen In de toelichting van een omgevingsplan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de wet- en regelgeving op het gebied van natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Het ecologisch onderzoek is uitgevoerd binnen de kaders van de Wet natuurbescherming. Gelet op het feit dat het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling niet gewijzigd zijn, kunnen de conclusies uit het rapport als motivering aan dit plan ten grondslag worden gelegd.
24
Soortenbescherming Soortenbescherming is onderdeel van de Omgevingswet. Met verschillende wetsinstrumenten is het mogelijk om te zorgen voor de bescherming van flora en fauna. Dit voorkomt achteruitgang van de biodiversiteit. Gebiedsbescherming - Natura 2000-gebieden Gebiedsbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijnen/of Habitatrichtlijnen) in Nederland. Projecten of andere handelingen en plannen die negatieve effecten op deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel zonder vergunning niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een omgevingsplan of inpassingsplan is niet toegestaan, wanneer het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000gebieden. Naast directe effecten (zoals ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (zoals door geluid, licht en stikstofdepositie). - Natuurnetwerk Nederland Een andere vorm van gebiedsbescherming is het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen.
De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN is voor Zuid-Holland uitgewerkt in de Omgevingsverordening Zuid-HollandPlanspecifiek Planspecifiek In dit geval vinden er geen sloopwerkzaamheden plaats. Er is aan de buitenzijde enkel sprake van kleine aanpassingen, namelijk het toevoegen van een uitgifteluik. Om die reden is het niet aannemelijk dat er sprake zal zijn van aantasting van beschermde soorten of verblijfplaatsen van beschermde dieren. Om daadwerkelijk uit te kunnen sluiten dat er negatieve effecten zijn op Natura2000-gebieden heeft Milieuadvies een stikstofbeoordeling uitgevoerd (Memo stikstofdepositie Trekweg 121 Den Haag, d.d. 27 maart 2025, bijlage I). Milieuadvies komt tot de volgende bevindingen: ▪
▪ ▪
Uit het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie blijkt dat de inzet van machines en transportbewegingen gedurende de uitvoering van de noodzakelijke aanpassingen en verkeer ten behoeve van het gebruik van het paviljoen (gecumuleerd) niet leidt tot een stikstofdepositietoename die groter is dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura2000-gebieden. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten. Voor het project geldt geen vergunningplicht op grond van de Omgevingswet ten gevolge van stikstofdepositie (gebiedsbescherming).
Conclusie Vanuit het oogpunt van soortenbescherming bestaan er geen belemmeringen voor dit initiatief.
25
4.6
Externe veiligheid Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd: ▪ Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een risicobron bevindt, overlijdt door een ongeval met de risicobron. Het PR is daarmee de risicomaat om het beschermingsniveau voor de individuele burger uit te drukken. Het toetsingscriterium is in veel gevallen een PR van 10-6. PR wordt inzichtelijk gemaakt door vaste contouren rondom een risicobron.
Kwetsbare objecten, zoals woningen en functies met veel bezoekers, zijn niet toegestaan binnen de 10-6-contour van het PR rond inrichtingen waar opslag en/of verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. ▪ Het groepsrisico (GR) geeft aan wat de kans is op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde risicobron. Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstandenrekenkundig te bepalen. Planspecifiek Op basis van de risicokaart (www.risicokaart.nl, zie figuur 4.3) is de conclusie dat er 1 relevante risicobronnen ligt nabij het plangebied. Het betreft hier echter geen realisatie van een gevoelige functie, waardoor toetsing aan het groepsrisico niet noodzakelijk geacht wordt.
26
Fig. 4.3 Uitsnede risicokaart
4.7
Water
4.7.1 Inleiding Deze paragraaf beschrijft de waterhuishouding in en rond de planlocatie, effecten van de beoogde ontwikkeling hierop en eventuele maatregelen die worden genomen om negatieve effecten te compenseren of te mitigeren.
4.7.2 Procedure Watertoets en wettelijk kader Eén van de instrumenten om het nieuwe waterbeleid voor de 21e eeuw vorm te geven is de watertoets. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. In juli 2023 is de waterparagraaf voor informeel wateradvies voorgelegd aan Hoogheemraadschap van Delfland. Daaraan voorafgaand heeft overleg en afstemming plaatsgevonden met zowel de adviseur Watertoets als met afdeling Regulering en Planadvisering voor het bouwwerk in de waterkering (voorbereiding aanvraag watervergunning). De adviezen zijn verwerkt in deze waterparagraaf. Beleidskader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW).
27
Nationaal: Nationaal Water Programma 2022-2027, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21), Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), Waterwet, Beleidsbrief Bodem en Water Sturend. Provinciaal: Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027, Omgevingsvisie ZuidHolland, Omgevingsverordening Zuid-Holland Regionaal: Deelstroomgebiedsvisie Zuid-Holland Zuid. Beleid Hoogheemraadschap van Delfland In het Waterbeheerprogramma van Delfland 2022-2027 (WBP6) heeft Delfland met een brede blik naar haar watertaken (waterveiligheid, waterbeheer en waterzuivering) gekeken vanuit het perspectief van de leefomgeving. Delfland zet in op integraal waterbeheer in het sterk verstedelijkt deel van Nederland. Samen met de gemeenten en andere partners werkt Delfland aan klimaatadaptatie en het realiseren van waterdoelen. Een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem is vertaald naar zelfvoorzienendheid door het sluiten van kringlopen van water, energie en grondstoffen. Werken aan waterbewustzijn wordt ingezet om de kosten van het waterbeheer waar mogelijk te verlagen en het draagvlak voor maatregelen te vergroten. In de Handreiking watertoets voor gemeenten beschrijft Delfland hoe ze omgaat met de Watertoets en wat ze vraagt in een waterparagraaf bij (gemeentelijke) ruimtelijke plannen. Dit is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de landelijke en provinciale regelgeving.
Conform het standstill-beginsel mag de kans op wateroverlast niet toenemen als gevolg van het ruimtelijke plan. Eventuele negatieve gevolgen moet initiatiefnemer compenseren. Dit kan door bergen van water óf door compensatie in het onderdeel van de trits vasthouden-bergenafvoeren, waarin de verslechtering optreedt. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, of de vasthoudcapaciteit van een gebied op andere manieren wordt verkleind, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater, doordat water niet langer in de bodem kan infiltreren maar oppervlakkig of via (hemelwater)riolering wordt afgevoerd. Dit kan leiden tot wateroverlast, en past dus niet binnen het standstill-beginsel, tenzij ter compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd. De compensatie kan worden bepaald met de Watersleutel. Beleid Gemeente Den Haag In Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig geeft de gemeente criteria voor klimaatbestendige inrichting en een gezamenlijke aanpak om de stad klimaatbestendig en waterrobuust te maken. Het geeft ook een mooi overzicht van de relevante beleidsdocumenten, zoals Den Haag Resilience Strategie 2019 en Integraal Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025. Vergroenen van de stad en een goede verwerking van hemelwater hebben een prominente plek.
4.7.3 Ligging plangebied De projectlocatie betreft het buurtpaviljoen aan de Trekweg 121 te Den Haag. Dit is in de Molenwijk, aan de Haagse Trekvliet. Het bestaat uit een hoofdgebouw (ca 100 m²) en een
28
bijgebouw (ca 11 m²) De bouwwerken (hoofd- en bijgebouw) liggen op gemeentelijk eigendom. Met buitenruimte erbij gaat het om circa 300 m². Er is geen eigen kadastraal perceel.
4.7.4 Waterkeringen & waterveiligheid Huidige situatie Het paviljoen ligt langs de Haagse Trekvliet, op de grens met de Noordpolder. Op de zuidwestoever van de Haagse Trekvliet ligt een regionale waterkering die de polder beschermd tegen het hogere waterpeil in de Boezem. Het paviljoen ligt binnen de begrenzing van het waterstaatswerk (de waterkering). De Zuid-Hollandse Omgevingsverordening geeft aan dat dit een klasse III kering is met als norm een gemiddelde overschrijdingskans van 1/100 per jaar. Volgens de Legger geldt hier leggerprofiel 77, met een kruinhoogte van tenminste NAP +0,12 m. De Kruinbreedte is 2 meter. Aangezien het maaiveld rondom het paviljoen, maar ook de weg, ruim hoger liggen, spreken we hier van een verheelde waterkering (niet zichtbaar in het landschap). Figuur 4.4 geeft een uitsnede van de legger, waarin de planlocatie indicatief is aangegeven. De oranje lijn in de figuur (midden in de roze strook) geeft de ligging van de buitenkruinlijn weer. In de Watervergunning is hierbij door HHD opgemerkt dat de lijn volgens de Legger op 0,55 m van de oeverlijn ligt, waardoor de bebouwing in werkelijkheid op grotere afstand van de buitenkruinlijn ligt (gunstig).
Fig. 4.4 Legger Waterkeringen (Rode rechthoek is indicatieve ligging waterkering)
Op de Atlas van de leefomgeving, onderdeel Klimaatverandering, geeft de Rijksoverheid de overstroombare gebieden aan bij een dijkdoorbraak (met een extreem kleine kans van voorkomen). Onderstaande kaart geeft aan dat de overstromingsdiepte met maximaal 0,5m klein is, zeker in vergelijking met andere gebieden in Den Haag en omgeving.
29
Fig. 4.5 Atlas van de leefomgeving Klimaatverandering waterdiepte bij dijkdoorbraak extreem kleine kans (1/100.000 per jaar). Het kleine rode cirkeltje is de indicatieve ligging van het plangebied.
Toekomstige situatie Het paviljoen staat binnen het waterstaatswerk van de waterkering. Dat geldt zowel voor het hoofd- als het bijgebouw. Aan de bebouwing verandert voor de waterkering niets. Het oppervlak en de funderingswijze blijven ongewijzigd. De bouwwerken hebben een strokenfundering (staalfundering). De bouw was is 2014, dus de restlevensduur is nog ca 40 jaar. De bebouwing ligt op het (theoretisch) binnentalud van de waterkering, buiten de kruin. Aanzien het huidig maaiveld ook nog eens ruim boven de kruinhoogte ligt (bijna 60 cm), en het theoretisch binnentalud schuin naar beneden afloopt, ligt het bouwwerk ruim buiten het leggerprofiel. En in het platte vlak tenminste 1 meter vanaf de binnenkruinlijn die het Beleid Medegebruik Waterkeringen voorschrijft. De zettingssnelheid is volgens de kaart in de Beleidsregel gemiddeld 1 mm per jaar.
30
Fig. 4.6 Bouwwerken tov buitenkruinlijn waterkering (oranje lijn). Volgens HHD ligt de buitenkruinlijn nog dichter bij de oeverlijn (op 0,55m) en is de afstand tot bebouwing dus groter (gunstig).
Fig. 4.7 Dwarsprofiel bouwwerk in de waterkeringszone