CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS325084 Bijlage 1 Nieuwe versie Nota Haags Woonwagenbeleid-2

Gemeenteraad 4 juni 2026, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake Nota Haags Woonwagenbeleid 2026 (RIS325084)9.783 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Nota Haags Woonwagenbeleid 2026 Maart 2026

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/

Nota Haags Woonwagenbeleid 2026................................................................................................... 1 1.

2

Inleiding .............................................................................................................................................. 4 1.1

Aanleiding ....................................................................................................................................... 4

1.2

Leeswijzer ........................................................................................................................................ 4

1.3

Context intern beleid ...................................................................................................................... 4

1.4

Geschiedenis woonwagenbeleid in Nederland en Den Haag tot 2014 ......................................... 5

1.5

Vanaf 2014 een nieuw hoofdstuk in woonwagenbeleid: het mensenrechtelijk kader................. 6

Huidige situatie ...................................................................................................................................... 8 2.1

Beschrijving huidige woonwagenlocaties ...................................................................................... 8

2.1.1 2.2 3

Bestemmingsplan Woonwagenlocaties 2009 (nu Omgevingsplan) .......................................... 10

Ontwikkeling nieuw woonwagenbeleid gemeente Den Haag ............................................................ 10 3.1

4

Verplaatsing Energiestraat en ontwikkeling woonwagenlocatie Henri Faasdreef ............... 9

Hoe is dit beleid tot stand gekomen? ........................................................................................... 10

3.1.1

Uitgangspunten voor nieuw beleid gebaseerd op het BZK-beleidskader ........................... 10

3.1.2

Definities ................................................................................................................................. 11

3.1.3

Participatieproces met woonwagenbewoners .......................................................................12

Nieuw Haags Woonwagenbeleid ..........................................................................................................13 4.1

Voldoende variatie aanbod in woonwagens en standplaatsen ....................................................13

4.1.1

Huurstandplaatsen en huurwoonwagens ..............................................................................14

4.1.2

Huurstandplaatsen en koopwoonwagens (voortzetting huidige situatie) ...........................14

4.1.3

Erfpacht/koop standplaatsen en koopwoonwagens .............................................................14

4.1.4

Verantwoordelijkheden gemeente en corporaties ................................................................ 15

4.2

Toewijzing woonwagenstandplaatsen en huurwoonwagens .......................................................16

4.2.1

Toewijzing van een bestaande huurstandplaats op een bestaande locatie .......................... 17

4.2.2

Toewijzing van een nieuwe standplaats op een bestaande locatie (uitbreiding)................. 17

4.2.3

Toewijzing van een nieuwe standplaats op een nieuwe locatie ........................................... 18

4.2.4

Toewijzing van huurwoonwagens ..........................................................................................19

4.2.5

Belang wachtlijst en het digitaliseren van de ‘wachtlijst’ .....................................................19

4.2.6

Huisvestingswet en Huisvestingsverordening ......................................................................19

4.3

Interne en externe samenwerking ................................................................................................19

4.3.1

Participatie woonwagenbewoners en omwonenden ............................................................ 20

4.3.2

Samenwerking met woningcorporaties en beheerorganisatie(s) in Den Haag .................. 20

4.3.3

Samenwerking met de regio, het Rijk en kennisorganisaties ...............................................21

4.4

Aandacht voor leefbaarheid en welzijn .........................................................................................21

4.4.1

Contact met de gemeente .......................................................................................................21

2/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/

4.4.2

Leefbaarheid ...........................................................................................................................21

4.4.3

Schoon, heel en veilig ............................................................................................................ 22

4.4.4

Sociale inclusie en tegengaan discriminatie ......................................................................... 22

4.4.5

Ontmoetingsruimtes op woonwagenlocaties ....................................................................... 22

4.5

Duurzame en toekomstbestendige woonwagens en woonwagenlocaties .................................. 23

4.6

Nieuwe bouwregels voor woonwagens om een wooncarrière gebruik mogelijk te maken ....... 23

4.6.1 5

Wijziging ruimtelijke kaders ................................................................................................. 23

Uitvoering van deze beleidsnota ......................................................................................................... 24 5.1

Monitoring en evaluatie ............................................................................................................... 24

3/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/

1. Inleiding 1.1 Aanleiding Het woonwagendossier in Den Haag kent een roerige geschiedenis. Na het afschaffen van de Woonwagenwet in 1999 mochten gemeenten zelf hun beleid bepalen. In Den Haag heeft dat geleid tot een afname van het aantal beschikbare standplaatsen voor woonwagens. Iets dat vandaag de dag nog altijd door de gemeenschap van woonwagenbewoners gevoeld wordt. In 2018 kantelt het perspectief. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK) roept met het ‘Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid’ gemeenten op om woonwagenbeleid vorm te geven dat recht doet aan de culturele identiteit van woonwagenbewoners. Dit na jaren waarin er weinig aandacht was voor het leven in woonwagens. Diverse rechtelijke uitspraken de afgelopen jaren nopen tot nieuw beleid in overeenstemming met het mensenrechtelijk kader waarin samenleven in familieverband, ruimte geven aan de culturele identiteit en uitbreiding van standplaatsen centraal staan. Een vastgesteld woonwagenbeleid schept helderheid en zekerheid voor de betrokken woonwagenbewoners, omwonenden en samenwerkingspartners zoals woningcorporaties en beheerorganisaties.

1.2 Leeswijzer Deze beleidsnota schetst eerst de geschiedenis van het woonwagenbeleid in Nederland en Den Haag alsmede het mensenrechtelijk kader (hoofdstuk 1). Vervolgens gaat het in op de huidige situatie (hoofdstuk 2), hoe deze beleidsnota tot stand is gekomen (hoofdstuk 3) en de richting die we met het nieuwe beleid de komende jaren voor ons zien (hoofdstuk 4). De nota sluit af met een actiepuntenlijst (hoofdstuk 5).

1.3 Context intern beleid In de Woonvisie Den Haag 2040 (RIS319812) is aangegeven dat de gemeente standplaatsen realiseert voor woonwagenbewoners. Dit volgt op diverse beleidsproducten in voorgaande jaren waarin woonwagenbeleid is opgenomen. In de vorige Woonvisie 2017-2030 (RIS296833) is voor het eerst sinds lange tijd weer standplaatsenbeleid opgenomen. Daarin werd ingezet op een uitbreiding van woonwagenstandplaatsen op of aanliggend aan de bestaande locaties. Daarna is in de Woonagenda 2020-2023 ‘Haags samen wonen’ (RIS305711) woonwagenbeleid opgenomen. Hierin is aangegeven dat de gemeente afstand nam van het ‘uitsterfbeleid’ en in de periode 2020-2023 zich richtte op een uitbreiding van het aantal standplaatsen op kleine schaal. Daarbij is in eerste instantie gekeken naar uitbreiding op bestaande locaties. Daarnaast is gezocht naar nieuwe locaties, waar nodig in overleg met de regio. Dit kwam tevens terug in het coalitieakkoord 2023-2026 (Haags Akkoord RIS316672). Deze eerdere beleidsvoornemens hebben tot de volgende resultaten geleid: -

Woonbehoefte onderzoek in 2020 (zie RIS307739, Bijlage 1 en hoofdstuk 2.3) en 2025 (Zie RIS324010) Locatiestudie naar uitbreidingmogelijkheden op bestaande locaties en nieuwe locaties in 2021 (zie RIS311557) Aanschaf van 4 huurwoonwagens voor schrijnende gevallen, aangekocht en verhuurd door de Gemeente Den Haag in 2021 (zie RIS309913)

Deze beleidsnota is een nadere uitwerking van “Speerpunt 2, Actielijn 6: standplaatsen realiseren voor woonwagenbewoners” zoals opgenomen in de vastgestelde Woonvisie Den Haag 2040 (RIS319812).

4/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/

1.4 Geschiedenis woonwagenbeleid in Nederland en Den Haag tot 2014 Aandacht van de overheid voor woonwagenbewoners kent een decennialange en bewogen geschiedenis. Enerzijds door steeds veranderende beleidsperspectieven door de jaren heen. Anderzijds door verzet vanuit de samenleving, van woonwagenbewoners zelf en deels door een inconsequente uitvoering van beleid. Begin twintigste eeuw werd in Den Haag voor het eerst een tiental woonwagens gevestigd nabij de Waldorpstraat en Laakhaven. Dit aantal nam jaarlijks toe, ook landelijk. Met de eerste "Wet op Woonwagens en Woonschepen" van 1918 werden gemeenten verplicht tot het aanwijzen en inrichten van standplaatsen. In Den Haag werd in 1920 een eerste (tijdelijk) terrein hiervoor ingericht bij de Binckhorstlaan tussen de spoorlijn en het PTT-gebouw. Later volgden terreinen aan de Slachthuiskade en de Lozerlaan. Gedurende de Tweede Wereldoorlog zijn Roma en Sinti in Den Haag vervolgd. Op 16 mei 1944 zijn 112 Sinti en Roma weggevoerd uit Den Haag waarvan slechts enkelen het hebben overleefd. Na de Tweede Wereldoorlog verschoof het accent van ‘beheersen’ naar meer aandacht en zorg voor woonwagenbewoners. Dit was erop gericht om woonwagenbewoners uit hun maatschappelijke achterstand te verheffen.

De centrale lijn was een gerichte ‘concentratie’ van woonwagenbewoners op ruim vijftig regionale ‘woonwagencentra’ met relatief goede standplaatsen, woonwagens, sanitaire- en nutsvoorzieningen en eigen maatschappelijke voorzieningen (school, buurthuis, wijkverpleegkundige, etc.). Voor Den Haag betrof dit grote locaties aan de Leyweg, Escamplaan en Viaductweg. Het merendeel van de centra in het land werd echter op flinke afstand van reguliere woonwijken gesitueerd. De concentratie van woonwagenbewoners in grootschalige centra en verbod op het nomadische bestaan werd in 1968 geformaliseerd in de Woonwagenwet. Het concentratiebeleid werd geen succes, onder meer door een te krappe inpassing van het aantal benodigde standplaatsen en de meer geïsoleerde ligging van veel locaties. Midden jaren zeventig werd daarom gebroken met het concentratiebeleid en werd ingezet op deconcentratie: grote centra werden opgeheven of verkleind en er kwamen kleinere centra, dichter in de buurt van reguliere woonwijken (deconcentratie). Daarnaast werden de categoriale voorzieningen afgebouwd (normalisatie) en werd het beleid gefaseerd overgedragen aan gemeenten (decentralisatie). In de daaropvolgende jaren werden in Den Haag meerdere kleinere locaties ontwikkeld. Tegelijkertijd zag het nieuwe normalisatiebeleid toe op de maatschappelijke integratie van woonwagenbewoners.

In 1987 besloot de gemeenteraad tot de realisatie van kleinere woonwagencentra op vier nieuwe locaties. Door protesten van omwonenden van de beoogde woonwagenlocaties en eisen die de woonwagenbewoners stelden, duurde het nog tot 1993 alvorens nieuwe locaties werden ontwikkeld aan de Guntersteinweg, Lozerlaan/Erasmusweg, Schapenatjesduin en de Energiestraat. In 1996-1997 werd de locatie Viaductweg gerenoveerd en verkleind. Op 1 maart 1999 werd de Woonwagenwet ingetrokken. De rol van het Rijk en de provincies binnen het woonwagenbeleid verviel daarmee. De afschaffing van de wet was het slotstuk van de zogenoemde ‘normalisatie’ van het woonwagenbeleid, namelijk de integratie van het woonwagenbeleid in het reguliere (volkshuisvestings-)beleid. Woonwagens werden – naast woningen – in de Woningwet en Huisvestingswet opgenomen als een erkende woonvorm. Woonwagenbewoners werden niet langer beschouwd als aparte huisvestingsdoelgroep en bijzondere rechten vervielen, waaronder het recht op

5/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/

een standplaats en het afstammingsbeginsel1. Het aantal standplaatsen in Nederland verminderde daarna sterk van ca. 9.600 standplaatsen in 2000 tot ca. 8.300 standplaatsen in 2008 (Reuver, 2009), doordat veel gemeenten destijds een uitsterfbeleid2 volgden. Anticiperend op het veranderende rijksbeleid stelde de gemeente Den Haag beleid vast in de vorm van de Nota ‘Woonwagenbeleid’ in 1987 en de nota ‘Wonen op wielen in beweging’ in 1997 (RIS19975). Leidende principes waren “normalisatie en deconcentratie”. In het bijbehorende actieplan werden zowel fysieke maatregelen betreffende de aanleg of modernisering van locaties opgenomen, als ook flankerend beleid gericht op het verbeteren van kansen op werkgelegenheid en onderwijs voor de doelgroep. In de periode 19992002 is de grote woonwagenlocatie aan de Leyweg ontmanteld en zijn de standplaatsgerechtigden van de Leyweg verhuisd naar locaties aan de Viaductweg, Henricuskade, Jan Hanlostraat en Tom Mandersstraat. In 2008 is de laatste grote woonwagenlocatie aan de Escamplaan ontmanteld zonder dat er een evenredig aantal compenserende standplaatsen ter vervanging is bijgekomen op andere locaties. Een deel van de bewoners van de Escamplaan is vervolgens noodgedwongen naar een reguliere nieuwbouwwoning verhuisd.

Dit paste in het (toenmalig nieuwe) Haagse beleid uit 2006 om geen nieuwe woonwagencentra te ontwikkelen en het aantal standplaatsen geleidelijk te verminderen, op termijn van ruim 300 destijds, naar circa 250 (RIS137449).

1.5 Vanaf 2014 een nieuw hoofdstuk in woonwagenbeleid: het mensenrechtelijk kader Een kantelpunt ontstond in de jaren na 2014. In die periode verschenen er diverse rechtelijke uitspraken en rapporten over de onrechtmatigheid van het uitsterfbeleid. Uitsterfbeleid levert direct onderscheid, het treft alleen woonwagenbewoners en is daarom discriminerend. Woonwagenbewoners hebben een eigen culturele identiteit. In 2014 is de woonwagencultuur door het Nederlands Centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed aangewezen als immaterieel erfgoed en op de Unesco-lijst van Immaterieel Cultureel Erfgoed geplaatst. In de laatste circa vijftien jaar is de bescherming van deze culturele identiteit vastgelegd in verschillende internationale verdragen, die door Nederland zijn ondertekend. Dit brengt de verplichting mee om voor voldoende standplaatsen te zorgen en om ervoor zorg te dragen dat woonwagenbewoners kunnen leven volgens hun tradities en culturele identiteit.3 In mei 2017 verscheen het rapport ‘Woonwagenbewoner zoekt standplaats’ van de Nationale Ombudsman, in feite een aanklacht tegen de Rijksoverheid: het geïntroduceerde ‘uitsterfbeleid’ moet van de baan en gemeenten moeten weer nieuwe standplaatsen gaan aanleggen die voorzien in de woonbehoefte van woonwagenbewoners.

Het gelijkheidsbeginsel betekent niet alleen dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld, maar ook dat ongelijke gevallen ongelijk moeten worden behandeld. Het gaat hierbij om het aspect dat woonwagenbewoning en het leven in familieverband gefaciliteerd wordt. In maart 2018 volgde het advies van het College van de Rechten van de Mens (CRvdM). Het CRvdM stelt dat het leven in een woonwagen een essentieel onderdeel is van de woonwagencultuur; een cultuur die door mensenrechten wordt beschermd en als beschermd immaterieel erfgoed is erkend. Het Rijk, lokale overheden en woningcorporaties zijn verplicht om de cultuur van 1

Bepaling uit de Woonwagenwet: het beginsel dat een standplaats of woonwagen die vrijkomt enkel weer beschikbaar komt voor mensen

die afstammen van oude woonwagenbewoners.

2

Uitsterfbeleid is gericht op het verkleinen van een woonwagenlocatie door middel van het niet opnieuw verhuren van standplaatsen nadat

deze leeg komen te staan door de eindiging van een huurovereenkomst. 3

Woonwagenbewoner zoekt standplaats, rapport 2017/060 van de Nationale Ombudsman

6/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/

woonwagenbewoners te beschermen en te faciliteren. Gemeenten moeten daarom bij het huisvestingsbeleid rekening houden met woonbehoeften van woonwagenbewoners. Het mensenrechtelijk kader wordt onder meer gevormd door een aantal uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en komt op het volgende neer: De overheid heeft een inspanningsverplichting om te voorzien in adequate huisvesting, waarbij rekening wordt gehouden met de (erkende) specifieke wooncultuur van woonwagenbewoners; Het is niet geoorloofd om het aantal standplaatsen af te bouwen of niet uit te breiden, terwijl er sprake is van een duidelijke behoefte vanuit de woonwagenbewoners (dit is in strijd met de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB); De behoefte aan standplaatsen en woonwagens dient te worden geïnventariseerd. Als hieruit een aantoonbare behoefte naar voren komt, moet het woonwagen- en standplaatsenbeleid zodanig worden vormgegeven dat het voor een woonwagenbewoner binnen redelijke termijn mogelijk is om voor een standplaats in aanmerking te komen. De uitspraak van de Haagse Rechtbank in mei 2024 maakt de “redelijke termijn” concreet: de wachttijd moet vergelijkbaar zijn met die van een grondgebonden sociale huurwoning – in Den Haag ongeveer 9 jaar ten tijde van de rechtszaak (peildatum 2024).

Het oude woonwagenbeleid met aspecten als ‘normalisatie’ en ‘uitsterfbeleid’ is na deze cruciale internationale, Europese en nationale mensenrechtelijke uitspraken en ontwikkelingen onhoudbaar gebleken. Als reactie hierop verscheen, zoals hierboven al gemeld, op 12 juli 2018 het ‘Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid’ van BZK. Hierin staat dat gemeenten samen met corporaties nieuwe standplaatsen moeten realiseren op basis van de woonbehoefte van huidige en voormalige woonwagenbewoners die willen terugkeren naar een woonwagen om in familieverband te kunnen wonen. De eventuele uitbreiding van standplaatsen moet worden opgenomen in de gemeentelijke Woonvisie en in de Prestatieafspraken tussen gemeente, corporatie(s) en huurdersorganisaties. In december 2020 gaf het CRvdM een oordeel in een procedure tegen de gemeente Den Haag. (RIS307739 bijlage 3, Oordeel 2020-108). Het CRvdM oordeelt dat de gemeente het nieuwe woonwagenbeleid vanaf juli 2018 niet voldoende vorm heeft gegeven: er zijn onvoldoende standplaatsen bijgekomen en de wachttijd voor een standplaats is veel langer dan bij een sociale huurwoning (destijds afgerond 6 jaar voor een niet-grondgebonden sociale huurwoning, SVH jaarmonitor 2022,). Dit leidt naar het oordeel van het CRvdM tot een verboden onderscheid op grond van ras.

2024 – Rechtszaak van de Stichting Sinti, Roma en Reizigers tegen de gemeente Den Haag Op 29 mei 2024 heeft de Haagse Rechtbank geoordeeld, in een rechtszaak aangespannen door de Stichting Sinti, Roma en Reizigers, dat de gemeente Den Haag in strijd handelt met het discriminatieverbod door het aantal standplaatsen na de wijziging van het rijksbeleid in 2018 niet binnen afzienbare tijd uit te breiden. Daarom is de gemeente veroordeeld om binnen vijf jaar de wachttijd voor een standplaats vergelijkbaar te maken met de wachttijd voor een grondgebonden (nietgestapelde) sociale huurwoning in Den Haag.

7/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/

2 Huidige situatie 2.1 Beschrijving huidige woonwagenlocaties In de gemeente Den Haag zijn momenteel 233 standplaatsen verdeeld over 11 verschillende woonwagenlocaties en een aantal snipperlocaties met in totaal 8 standplaatsen. Het aantal standplaatsen is sinds 2009 gelijk gebleven. Van de huidige woonwagenlocaties zijn er drie in gemeentelijk bezit en de overige acht in bezit van een drietal woningcorporaties (t.w. Haag Wonen, Staedion en WoonInvest). Op dit moment zijn er twee locaties waar uitbreiding plaatsvindt. Aan het Isabellaland worden 8 standplaatsen toegevoegd. Daarnaast komen aan de (nieuwe locatie) Henri Faasdreef 15 nieuwe standplaatsen, naast de verplaatsing van de 10 standplaatsen die aan de Energiestraat zijn ontmanteld. Tot slot is er een uitbreiding van circa 30 standplaatsen voorzien op de nieuw te ontwikkelen locatie aan de Brasserskade. Met de aankoop van vier nieuwe huurwoonwagens in 2021 door de gemeente – bij wijze van pilot – zijn er momenteel vier sociale huurwoonwagens. De aanschaf van deze woonwagens was nodig om tegemoet te komen aan schrijnende woonsituaties (RIS309913). Het realiseren en exploiteren van woningen is echter geen kerntaak van de gemeente, om die reden vond deze aanschaf plaats in het kader van een pilot.

Conform de wettelijke taak van de woningcorporaties en in lijn met het beleidskader van BZK streeft de gemeente naar een overname van deze sociale huurwoonwagens door de woningcorporaties. Het dagelijks beheer van alle woonwagenlocaties wordt momenteel voor zowel de gemeentelijke locaties als die van de corporaties uitgevoerd door dezelfde externe partij. In het schema hieronder (figuur 1 en tabel 1) volgt een overzicht van de verschillende locaties, het aantal (huur) standplaatsen en de verschillende eigenaren van de woonwagenlocaties.

8/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/

Figuur 1: Woonwagenlocaties in Den Haag (peildatum 2025)

Adres

Aantal (huur) standplaatsen

Eigenaar van locatie

10

Erfpachter Haag Wonen

2.

Energiestraat (wordt Henri Faasdreef) Erasmusweg

18

Erfpachter Haag Wonen

3.

Isabellaland

18

Erfpachter Haag Wonen

4.

Strijpkade

5

Erfpachter Haag Wonen

5.

Guntersteinweg

15

Erfpachter Staedion

6.

Schapenatjesduin

18

Erfpachter Staedion

7.

Viaductweg

37

Erfpachter Staedion

8.

Bob Oosthoeklaan

5

Erfpachter WoonInvest

9.

Henricuskade

34

Gemeente Den Haag

10. Jan Hanlostraat

35

Gemeente Den Haag

11. Tom Mandersstraat

38

Gemeente Den Haag

Verschillende adressen

8

Divers: gemeente Den Haag, particulier en Staedion

Totaal

241

Woonwagenlocaties 1.

Snipperlocaties

Tabel 1: Overzicht standplaatsen en eigenaar per woonwagenlocatie (peildatum januari 2026)

2.1.1 Verplaatsing Energiestraat en ontwikkeling woonwagenlocatie Henri Faasdreef In november 2023 heeft de gemeenteraad ingestemd om de Henri Faasdreef aan te wijzen als woonwagenlocatie voor de bewoners van de Energiestraat én daar een uitbreiding te laten plaatsvinden (RIS316365). Bewoners van de Energiestraat zijn al vele jaren in gesprek om te verhuizen doordat hun woonsituatie door een combinatie van factoren aan de Energiestraat onhoudbaar is. Voor de bewoners van de Energiestraat worden 10 standplaatsen gerealiseerd aan de Henri Faasdreef. Daarnaast worden aan de Henri Faasdreef 15 nieuwe standplaatsen gerealiseerd.

9/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/

2.2 Bestemmingsplan Woonwagenlocaties 2009 (nu Omgevingsplan) In Den Haag vallen 10 van de 11 woonwagenlocaties onder het planologisch kader wat bekend stond als bestemmingsplan ‘Woonwagenlocaties 2009’. Hierin zijn de standplaatsen nauwkeurig ingemeten en bestemd. In dit bestemmingsplan zijn geen afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Hierdoor zijn geen juridische mogelijkheden voor de uitbreiding van het aantal standplaatsen of andere afmetingen van de woonwagens om invulling te geven aan de voorliggende nota. De woonwagenlocatie Strijpkade en de ‘snipperlocaties’ vallen onder andere planologische kaders, evenals de nieuwe locatie Henri Faasdreef. Om uitvoering te geven aan de voorliggende nota is een beleidsrijke wijziging van het omgevingsplan nodig. Zie hiervoor hoofdstuk 4.6 van deze nota.

3 Ontwikkeling nieuw woonwagenbeleid gemeente Den Haag Sinds 2014 is de maatschappelijke en politieke beschouwing van de woonwagencultuur door verschillende juridische uitspraken sterk veranderd. De beleidskaders en uitvoeringsinstrumenten met betrekking tot woonwagenbewoning zijn daarom toe aan vernieuwing. Met deze nota geeft de gemeente Den Haag richting aan het beleid voor woonwagenleven in overeenstemming met het mensenrechtelijk kader voor de komende jaren.

3.1 Hoe is dit beleid tot stand gekomen? 3.1.1 Uitgangspunten voor nieuw beleid gebaseerd op het BZK-beleidskader Voor de ontwikkeling van het nieuwe woonwagenbeleid zijn verschillende rechtelijke uitspraken en het Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid van het ministerie van BZK4 van belang. In onderstaande tabel zijn belangrijke adviezen en uitgangspunten vanuit die verschillende kaders samengevat en wordt aangegeven op welke wijze de gemeente Den Haag hieraan uitwerking geeft:

4

Advies vanuit BZK-Beleidskader

Uitwerking

De gemeente stelt het beleid voor woonwagens en standplaatsen vast als onderdeel van het volkshuisvestingsbeleid.

Opstellen Haags woonwagenbeleid (deze beleidsnota). Integratie daarvan in de nieuwe Woonvisie, Huisvestingsverordening en Omgevingsvisie.

Het beleid houdt voldoende rekening met en geeft ruimte aan het woonwagenleven van woonwagenbewoners.

Mensenrechtelijk kader als uitgangspunt voor deze nota en de implementatie ervan.

De behoefte aan standplaatsen wordt in kaart gebracht.

Inventarisatie van de woonbehoefte uitgevoerd in 2020 en elke 5 jaar actualiseren, zoals ook in 2025 is gebeurd.

Corporaties voorzien in de huisvesting van woonwagenbewoners voor zover deze tot de doelgroep behoren.

Afspraken met corporaties bindend en blijvend vastleggen in de raamovereenkomst.

Zie Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid op de website Volkshuisvestingnederland.nl

10/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/

Afspraken over wijze waarop een meer gevarieerde mix van huur- en koopstandplaatsen en huur- en koopwoonwagens kan worden gerealiseerd. In de raamovereenkomst afspraken opnemen die verder gespecificeerd worden in de jaarlijkse realisatieagenda. De afbouw van standplaatsen is niet toegestaan (behoudens uitzonderlijke omstandigheden) zolang er behoefte is aan standplaatsen.

Uitbreiding van standplaatsen op bestaande en nieuwe locaties.

Een woningzoekende woonwagenbewoner moet binnen redelijke termijn kans maken op een standplaats.

In Den Haag streven we naar een redelijke termijn voor standplaatszoekenden, waarbij in verhouding tot het aanbod aan sociale huurwoningen voldoende standplaatsen aanwezig zijn met inachtneming van de specifieke beperkingen die het realiseren van woonwagens heeft ten opzichte van het realiseren van sociale huurwoningen. Concreet betekent dit dat “een redelijke termijn” moet worden beschouwd als een vergelijkbare wachttijd voor een grondgebonden sociale huurwoning. De uitspraak van de Haagse Rechtbank op 29 mei 2024 gaat uit van 110 maanden (ongeveer 9 jaar).

Het wonen in familieverband wordt gefaciliteerd.

Aanpassing van het toewijzingsbeleid.

Tabel 3: vertaling van BZK-beleidskader naar uitgangspunten voor beleid

De voorliggende Nota Haags woonwagenbeleid 2026 volgt het beleidskader van BZK en de uitspraak van de Haagse Rechtbank uit mei 2024. Verder is deze Nota Haags woonwagenbeleid 2026 gebaseerd op en ingepast in bestaand landelijk en Haags woonbeleid. Deze beleidsnota heeft zes pijlers die nader zijn uitgewerkt: 1. Voldoende en gedifferentieerd woonwagen- en standplaatsaanbod; 2. Toewijzing van standplaatsen op grond van het afstammingsbeginsel en het faciliteren van wonen in familieverband; 3. Versterken interne slagkracht en samenwerking met externe stakeholders: woonwagenbewoners, corporaties, beheerorganisatie; 4. Aandacht voor het welzijn van woonwagenbewoners; 5. Duurzame en toekomstbestendige woonwagens en woonwagenlocaties; 6. Nieuwe (bouw)regels voor woonwagens om een wooncarrière gebruik mogelijk te maken. 3.1.2

Definities

Woonwagenbewoners Het College voor de Rechten van de Mens (CRvdM) definieert woonwagenbewoners als volgt:

11/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/

“woonwagenbewoners die zich van generatie op generatie als zodanig manifesteren en die zich beschouwen als een bevolkingsgroep met een van andere bevolkingsgroepen te onderscheiden cultuur.”5 Hieronder vallen zowel woonwagenbewoners die afstammen van Roma en Sinti, als afstammelingen van klassieke 'reizigers'. In essentie verwijst deze definitie naar mensen die qua afstamming voortkomen uit bewoners die in een woonwagen wonen en deel uitmaken van een familie die van generatie op generatie in een woonwagen woont of heeft gewoond. Een formele registratie van de leden van de doelgroep wordt niet nodig en zelfs onwenselijk geacht. Woonwagen Een woonwagen is een voor permanente bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst. Een chalet of stacaravan valt ook onder deze definitie. Een woonwagen is aangesloten op nutsvoorzieningen zoals water en elektra. Een mobiel verplaatsbare caravan valt hier niet onder omdat dit een niet voor permanente bewoning bestemd gebouw is. Een woonwagen wordt gezien als een onroerende zaak, omdat deze duurzaam met de grond is verbonden naar aard en inrichting bedoeld is om ter plaatse te blijven.

Woonwagenstandplaats Een kavel die is bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, van andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten6. 3.1.3 Participatieproces met woonwagenbewoners In april 2024 zijn op 10 van de 11 woonwagenlocaties gesprekken gevoerd met woonwagenbewoners, over de (destijds nog vijf) geformuleerde beleidsdoelen. Ook is een gesprek gevoerd met voormalig Escamplaan bewoners omdat zij onvrijwillig in woningen terecht zijn gekomen na het verliezen van hun standplaats. Het doel van de participatie was om te verifiëren of de beleidsdoelen aansluiten bij de wensen van de woonwagenbewoners en om de invulling en uitvoering van de doelen verder aan te vullen met de ervaringen en expertise van woonwagenbewoners. De onderwerpen die tijdens het participatieproces zijn besproken zijn: 1) variatie in aanbod, 2) ideeën voor woonwagens met meer volume en uitbreiding op bestaande locaties, 3) ideeën voor de inrichting van nieuwe woonwagenlocaties, 4) nieuwe toewijzingscriteria en 5) welzijn- en leefbaarheidsvraagstukken. Op 15 mei 2024 vond een terugkoppeling plaats met vertegenwoordigers van alle locaties en in juli 2024 ontvingen alle bewoners per locatie een specifieke terugkoppeling in een informatieboekje. De bewoners waardeerden dat de gemeente langskwam op locatie.

Wel is er sprake van veel wantrouwen richting de gemeente omdat er al heel lang geen vooruitgang is in het verminderen van de woningnood onder deze doelgroep en het ontwikkelen van woonwagenbeleid. Het wantrouwen en de ontevredenheid verschilde per locatie, maar kwam wel op alle locaties naar voren. Naast alle ideeën die zijn opgehaald, was de belangrijkste boodschap richting de gemeente: laat resultaten zien.

5

Zoals door het CRvdM omschreven in het ‘Advies aan minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties inzake Woonwagen- en

standplaatsenbeleid’ in april 2018 6

Bron: Woningwet

12/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/

De resultaten van het participatieproces zijn terug te vinden in bijlage 2. Bij sommige onderdelen in deze beleidsnota is expliciet aangegeven wat de wensen zijn van de bewoners zoals we die hebben opgehaald tijdens het participatieproces. Door een gebrek aan vertrouwen bij de lopende projecten voor uitbreiding van het aantal standplaatsen, bleek er in maart 2025 onvoldoende draagvlak vanuit de gemeenschap om het voorgestelde woonwagenbeleid vast te stellen. Daarom is de beleidsnota ingetrokken en aangepast op diverse onderdelen. Er zijn twee beleidspijlers toegevoegd: duurzame en toekomstbestendige woonwagenlocaties en nieuwe bouwregels om een te kunnen groeien in een woonplek. Voor het woonbehoefteonderzoek is nauw samengewerkt met de Stichting Sinti, Roma en Reizigers en tijdens een bewonersavond op 27 november 2025 zijn de resultaten van het woonbehoefteonderzoek en de nota met een bredere vertegenwoordiging besproken. Op 20 en 22 januari 2026 is de nieuw geformuleerde opgave en de toewijzingscriteria met vertegenwoordigers van de gemeenschap besproken.

4 Nieuw Haags Woonwagenbeleid 4.1 Voldoende variatie aanbod in woonwagens en standplaatsen Momenteel is er geen keuze in het aanbod van huur/koop -standplaatsen en huur/koop -woonwagens. In vrijwel alle huidige situaties is sprake van huurstandplaatsen in eigendom van de corporatie of gemeente en koopwoonwagens in eigendom van bewoners. In de toekomst streeft de gemeente naar een meer divers aanbod in standplaatsen en woonwagens al naar gelang er behoefte aan is. Zo kunnen woonsituaties mogelijk gemaakt worden die beter aansluiten op de woonwensen en inkomenssituatie van bewoners. Een ander voordeel voor woonwagenbewoners is dat een standplaats in de familie kan blijven en dat een erfpacht/koop standplaats een voorwaarde is voor het aanvragen van een hypotheek. Variatie in het aanbod is een nadrukkelijke wens van woonwagenbewoners. Dit kwam naar voren in het uitgevoerde participatieproces in 2024 en in het woonbehoefteonderzoek van Labyrinth in 2025. Concreet betekent dit dat de gemeente zich inzet voor de verhuur van sociale huurwoonwagens door woningcorporaties en dat de gemeente het mogelijk maakt om in ieder geval op nieuwe locaties standplaatsen in erfpacht/koop uit te geven. Tegelijkertijd zal het niveau van de huurvoorraad moeten worden bewaakt.

Het doel is om variatie aan te brengen in het woningaanbod voor woonwagenbewoners: 1) sociale huurstandplaatsen met een koopwoonwagen, 2) sociale huurstandplaatsen met een sociale huurwoonwagen en 3) erfpacht/koopstandplaatsen met een eigen woonwagen. Als gemeente gaan we daarom, in samenwerking met woningcorporaties, inzetten op de volgende woonsituaties: Sociale huurstandplaats met een huurwoonwagen (in het sociale segment, vanuit het wettelijk kader de verantwoordelijkheid van de woningcorporaties). Sociale huurstandplaats met een eigen woonwagen (voortzetting huidige situatie voor wie dat wil, verantwoordelijkheid van de woningcorporatie). Erfpacht/koop standplaats met eigen woonwagen (in de vrije sector, verantwoordelijkheid gemeente).

13/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/

4.1.1 Huurstandplaatsen en huurwoonwagens De gemeente Den Haag verhuurt momenteel vier huurwoonwagens. Deze huurwoonwagens worden op dit moment sociaal verhuurd door de gemeente. Dit wordt gezien als een maatwerkvoorziening in het kader van een pilot. Na aanschaf van de huurwoonwagens zijn meerdere aanvragen vanuit woonwagenbewoners binnengekomen voor een sociale huurwoonwagen. De verwachting is dat op niet al te lange termijn meerdere koopwoonwagens vanwege de technische en functionele staat na 40-50 jaar moeten worden vervangen. Voor personen met een laag inkomen, is het niet mogelijk om zelf hun woonwagen te vervangen. Daarom is het belangrijk om in de vraag naar sociale huurwoonwagens te voorzien, net zoals andere bewoners van onze stad met een daarbij passend inkomen een beroep kunnen doen op een sociale huurwoonwagen. Zoals gezegd zijn de corporaties vanuit het wettelijk kader en in lijn met het beleidskader van BZK verantwoordelijk voor het exploiteren van de standplaatsen en woonwagens voor huurders die tot hun primaire inkomensdoelgroep behoren. In de Raamovereenkomst 2026-2030 is afgesproken dat corporaties toewerken naar het beheren en exploiteren van huurwoonwagens op huurstandplaatsen in de toekomst, al dan niet uitgevoerd door een externe partij (zie RIS324221).

4.1.2 Huurstandplaatsen en koopwoonwagens (voortzetting huidige situatie) Op dit moment zijn er in Den Haag nagenoeg alleen maar huurstandplaatsen met koopwoonwagens. Dit impliceert weinig keuze in het aanbod. Dit is anders dan bij reguliere woningen, waar wel een onderscheid bestaat tussen koop en huur, en bij huurwoningen waar onderscheid is tussen sociale huur en middenhuur. Deze constructie heeft ook nadelige gevolgen voor woonwagenbewoners in het geval een woonwagenbewoner van een huurstandplaats vertrekt of overlijdt: als de standplaats volgens de nieuwe toewijzingsregels niet kan worden toegewezen aan derden of familieleden die de koopwoonwagen overnemen, moet de koopwagen van de huurstandplaats verwijderd worden. Ook dat verschilt van de situatie bij een reguliere koopwoning of huurwoning waar de woning na het vertrek of overlijden niet verwijderd hoeft te worden. Door variatie in het aanbod mogelijk te maken, kunnen woonwagenbewoners kiezen welke situatie het beste bij hen past. Momenteel beheert de gemeente nog drie woonwagenlocaties met meer dan 100 huurstandplaatsen. De gemeente werkt er naartoe om voor wie dat wil de huurstandplaatsen om te zetten in erfpacht/koop om vervolgens de resterende huurstandplaatsen over te dragen aan woningcorporaties.

Voor huurstandplaatsen met een koopwoonwagen stimuleert de gemeente het vestigen van een huurafhankelijk recht van opstal. Dit opstalrecht stelt de standplaatshouder in staat om een woonwagen of andere opstallen te plaatsen (natte en droge ruimten) en in eigendom te houden, terwijl de grond in eigendom blijft van de gemeente/woningcorporaties7. 4.1.3 Erfpacht/koop standplaatsen en koopwoonwagens De gemeente kan standplaatsen in erfpacht uitgeven of verkopen, afhankelijk van de voorwaarden conform het actueel geldende grondbeleid (op dit moment RIS319970), het actueel geldende Uitgifteen Erfpachtkader (op dit moment RIS320788), het actueel geldende Grondprijzenkader (op dit moment RIS320790) en de vigerende Algemene Bepalingen en raadsbesluiten daarmee samenhangend. Daarin zijn opgenomen de voorwaarden voor de keuze tussen erfpacht en koop voor de woonwagenbewoner van zijn standplaats, zodat hij zijn eigen koopwoonwagen op de grond kan zetten en kan financieren.

7

Het recht van opstal voorkomt dat de eigenaar van de grond automatisch (door ‘natrekking’) eigenaar wordt van alles wat daarmee is

verbonden zoals een woonwagen. Dit recht kan worden gekoppeld aan de duur van het huurcontract.

14/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/

We houden ons bij het uitgeven van grond aan de verplichtingen die volgen uit de Didam-arresten. De hoofdregel is dat ruimte moet worden gegeven aan potentiële gegadigden om mee te dingen als de gemeente bijvoorbeeld een stuk grond verkoopt of in erfpacht uitgeeft (openbare selectieprocedure). Met als enige uitzondering hierop dat als op basis van objectieve, toetsbare en redelijke criteria vaststaat dat er maar één serieuze gegadigde is, de openbare selectieprocedure niet hoeft te worden doorlopen. De uitzondering dient goed gemotiveerd te worden. Het voornemen tot verkoop of uitgifte in erfpacht dient dan vooraf gepubliceerd te worden door de gemeente. Uitvoering Erfpacht/koopstandplaatsen worden uitgegeven door de gemeente, huurstandplaatsen door de woningcorporaties. Op nieuwe locaties en bij de uitbreiding van standplaatsen op bestaande locaties krijgen bewoners direct de mogelijkheid om te kiezen tussen huur of erfpacht/koop als het is toegestaan volgens het grondbeleid (RIS319970) en o.a. aan de voornoemde voorwaarden wordt voldaan. Het omzetten van huurstandplaatsen op bestaande locaties (met name de locaties in beheer van woningcorporaties) naar een erfpacht-/koopstandplaats wordt nader uitgewerkt.

4.1.4 Verantwoordelijkheden gemeente en corporaties Gemeente en woningcorporaties zijn verantwoordelijk om zowel beleidsmatig als praktisch te zorgen voor adequate huisvesting voor woonwagenbewoners. De gemeente is verantwoordelijk voor het beleid, evenwichtige toedeling van de locaties en koop/erfpachtstandplaatsen. De woningcorporaties hebben volgens de Woningwet de wettelijke taak om te zorgen voor het bouwen, verhuren en beheren van woningen voor huurders die tot hun primaire doelgroep behoren. Corporaties hebben de kennis en expertise uitbesteed om op te treden als goede en sociale verhuurder van standplaatsen. Het gemeentelijk beleid is erop gericht hiervoor het juiste kader te scheppen en toe te zien dat genoemde taak ook door de woningcorporaties wordt verricht. Afspraken over de verantwoordelijkheden van gemeente en woningcorporaties staan vastgelegd in de Raamovereenkomst Wonen 2026-2030. Het uitgangspunt is dat de woningcorporaties verantwoordelijk zijn voor de huisvesting van woonwagenbewoners, die behoren tot hun primaire doelgroep. Dit omvat het verhuren van huurstandplaatsen met sociale huurwoonwagens aan woonwagenbewoners. Het is de wens van de gemeente om afspraken hierover te concretiseren in 2026. Zie ook paragraaf 4.4.2 over de samenwerking met woningcorporaties.

Voor woonwagenbewoners die niet tot de primaire doelgroep van woningcorporaties behoren, vereist het mensenrechtelijk kader dat de gemeente aanvullende maatregelen treft om te voorzien in voldoende (koop-)standplaatsen (artikel 75 van de Woningwet) 8. De gemeente zal standplaatsen in eigendom of erfpacht uitgeven. Die keuze wordt gebaseerd op het grondbeleid, zoals hiervoor aangegeven.

8

Artikel 75 van de Woningwet: 1. Burgemeester en wethouders kunnen, ingeval dit noodzakelijk is voor het naar behoren uitvoeren van deze wet, besluiten rechtstreeks van gemeentewege voorzieningen in het belang van de volkshuisvesting te treffen. 2. Indien ter uitvoering van het eerste lid van gemeentewege woongelegenheden worden gebouwd, geschiedt dit slechts, indien aannemelijk is, dat door het bouwen van woongelegenheden door toegelaten instellingen niet voldoende in de woonbehoefte wordt voorzien.

15/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/

Bij het realiseren van nieuwe woonwagenlocaties is de gemeente verantwoordelijk om juridischplanologisch aan te geven waar en binnen welke kaders dit plaatsvindt. Op nieuwe locaties worden de erfpacht/koop standplaatsen door de gemeente uitgegeven en de huurstandplaatsen door een woningcorporatie. In oktober 2025 werd bekend dat per 2026 één NHG-grens geldt voor alle soorten woningen. Daarmee vervalt de aparte grens voor woonwagens en standplaatsen. Voorheen gold een NHG-grens voor woonwagens € 172.000 en voor standplaatsen € 61.000. In 2026 wordt dat € 470.000 voor woonwagen en standplaats samen. Dit zou ertoe moeten leiden dat het verkrijgen van een hypotheek voor woonwagenbewoners makkelijker wordt. We monitoren in samenwerking met de Gemeentelijke Kredietbank (GKB) of dit in de praktijk het geval is. Zo niet verkennen we met de GKB alternatieve mogelijkheden.

4.2 Toewijzing woonwagenstandplaatsen en huurwoonwagens Woonwagenstandplaatsen zijn schaars en de vraag ernaar is aanzienlijk. Om deze schaarste op een rechtvaardige en transparante manier te reguleren, is het noodzakelijk om inschrijving in het Register voor Standplaatszoekenden (hierna: de wachtlijst) als voorwaarde te stellen voor toewijzing van een standplaats. De wachtlijst fungeert daarmee als een objectieve indicator van de actuele behoefte aan standplaatsen binnen de gemeente. De gemeente beheert de wachtlijst. Voor deze Haagse wachtlijst bestaan de volgende inschrijvingscriteria: meerderjarigheid, geldige verblijfsstatus en inschrijving in de basisregistratie. Sinds 2015 vindt de toewijzing van standplaatsen plaats op basis van eventuele verleende herstructureringsurgentie en de plaats op de wachtlijst. Een belangrijk aspect van de culturele identiteit van de woonwagenbewoner zijn de sterke sociale en familieverbanden. Dit uit zich in het gegeven dat woonwagenbewoners, van oudsher, veelal in families bij elkaar op één woonwagenlocatie wonen. Het beleidskader van BZK stelt hierover: “bij daadwerkelijke toewijzing van een standplaats is het gewenst om rekening te houden met de mogelijkheid voor woonwagenbewoners om in familieband te kunnen samenleven.

Daarom is te overwegen om voorrang te verlenen aan (in volgorde): volwassen kinderen (op volgorde van leeftijd) van dezelfde locatie die nog bij hun ouders wonen en eerstegraads-familieleden van bewoners van de locatie. Bij de toewijzing kan worden overwogen een ingestelde bewonerscommissie te laten adviseren.”

Om het samenleven in familieverband te faciliteren is in 2019 is de Huisvestingsverordening gewijzigd en werd “het samenleven in familieverband” als nieuw criterium toegevoegd, naast de drie bestaande criteria. In de toelichting op deze aanvulling werd verwezen naar het mensenrechtelijk kader uit het beleidskader van BZK uit 2018. Deze manier van toewijzing vraagt om een herziening van de toewijzingsprocedure zodat samenleven in familieverband het belangrijkste toewijzingscriterium wordt en de toewijzing transparanter kan verlopen. Dit betekent dat de volgorde van wachtlijstinschrijving (en dus inschrijfduur) een minder belangrijke rol speelt dan het samenleven in familieverband. Dit is tijdens de participatie in samenspraak met de woonwagenbewoners afgestemd. We evalueren de toewijzingscriteria na twee jaar. Met de regiogemeentes is afgesproken dat we de toewijzingscriteria met elkaar afstemmen zodat de toewijzing in elke gemeente op een vergelijkbare manier gebeurt. Met de nieuwe toewijzingscriteria wijzen we standplaatsen toe op een manier die het samenleven in familieverband bevordert en volgens een transparant en duidelijk te volgen proces.

16/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/

Bij implementatie van de voorliggende beleidsnota, kunnen er drie situaties ontstaan waarvoor toewijzingsregels nodig zijn voor de toewijzing van standplaatsen: 1) toewijzing van een huurstandplaats indien de oorspronkelijke huurder vertrekt of overlijdt (huidige situatie), 2) toewijzing van nieuwe standplaatsen op een bestaande locatie (indien nieuwe standplaatsen op een bestaande locatie worden toegevoegd) en 3) toewijzing van nieuwe standplaatsen op een nieuwe locatie (indien nieuwe standplaatsen op een nieuwe locatie worden gerealiseerd). Voor elk van deze situaties zijn nieuwe toewijzingscriteria opgesteld en getoetst bij de bewoners. Dit heeft tot onderstaande toewijzingscriteria geleid. 4.2.1 Toewijzing van een bestaande huurstandplaats op een bestaande locatie 1. Inwonend volwassen (klein)kind op volgorde van leeftijd, van de oorspronkelijke huurder; 2. Volwassen (klein)kind, op volgorde van leeftijd, van de oorspronkelijke huurder dat het merendeel van zijn jeugd (minimaal de helft van de levensfase tussen 0-30 jaar) op die betreffende woonwagenlocatie heeft gewoond; 3. De volwassen kinderen (op volgorde van leeftijd) van de locatie die nog bij hun (groot)ouder(s) wonen. Bij meerdere gegadigden binnen deze groep (in dit geval alleen meerlingen) wordt toegewezen op volgorde van wachtlijstinschrijving; 4. De eerstegraads familieleden van bewoners van de locatie.

Bij meerdere gegadigden binnen deze groep wordt toegewezen op volgorde van wachtlijstinschrijving; 5. Tweedegraads familieleden van bewoners van de locatie. Bij meerdere gegadigden binnen deze groep wordt toegewezen op volgorde van wachtlijstinschrijving; 6. Derdegraads familieleden van bewoners van de locatie (overgrootouders, achterkleinkinderen, neven en nichten). Bij meerdere gegadigden binnen deze groep wordt toegewezen op volgorde van wachtlijstinschrijving; 7. Woonwagenbewoners die hun standplaats hebben verloren in Den Haag en daardoor in een reguliere woning terecht zijn gekomen, op volgorde van de wachtlijst; 8. Overige woonwagenbewoners op de wachtlijst die ten minste sinds twee jaar voorafgaand aan het moment dat de standplaats vrijkomt aansluitend staan ingeschreven in de basisregistratie personen van de gemeente Den Haag. Bij meerdere gegadigden binnen deze groep wordt toegewezen op volgorde van wachtlijstinschrijving; 9. Overige woonwagenbewoners op de wachtlijst. Bij meerdere gegadigden binnen deze groep wordt toegewezen op volgorde van wachtlijstinschrijving; 10. Overige personen op de wachtlijst. Bij meerdere gegadigden binnen deze groep wordt toegewezen op volgorde van wachtlijstinschrijving.

1.

2. 3. 4.

5.

4.2.2 Toewijzing van een nieuwe standplaats op een bestaande locatie (uitbreiding) De inwonende volwassen (klein)kinderen (op volgorde van leeftijd) van de locatie die nog bij hun (groot)ouder(s) wonen. Bij meerdere gegadigden binnen deze groep (in dit geval alleen meerlingen) wordt toegewezen op volgorde van wachtlijstinschrijving; De eerstegraads familieleden van bewoners van de locatie. Bij meerdere gegadigden binnen deze groep wordt toegewezen op volgorde van wachtlijstinschrijving; Tweedegraads familieleden van bewoners van de locatie. Bij meerdere gegadigden binnen deze groep wordt toegewezen op volgorde van wachtlijstinschrijving; Derdegraads familieleden van bewoners van de locatie (overgrootouders, achterkleinkinderen, neven en nichten). Bij meerdere gegadigden binnen deze groep wordt toegewezen op volgorde van wachtlijstinschrijving; Woonwagenbewoners die hun standplaats hebben verloren in Den Haag en daardoor in een reguliere woning terecht zijn gekomen, op volgorde van de wachtlijst;

17/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/

6.

7. 8.

Overige woonwagenbewoners op de wachtlijst die ten minste sinds twee jaar voorafgaand aan het moment dat de standplaats vrijkomt aansluitend staan ingeschreven in de basisregistratie personen van de gemeente Den Haag. Bij meerdere gegadigden binnen deze groep wordt toegewezen op volgorde van wachtlijstinschrijving: Overige woonwagenbewoners op de wachtlijst. Bij meerdere gegadigden binnen deze groep wordt toegewezen op volgorde van wachtlijstinschrijving; Overige personen op de wachtlijst. Bij meerdere gegadigden binnen deze groep wordt toegewezen op volgorde van wachtlijstinschrijving.

4.2.3 Toewijzing van een nieuwe standplaats op een nieuwe locatie Ten eerste wordt 50% van de nieuwe standplaatsen toegewezen aan woonwagenbewoners die onvrijwillig hun standplaats hebben verloren in Den Haag en daardoor in een reguliere woning terecht zijn gekomen, op volgorde van de wachtlijst. Zodra deze groep een standplaats heeft gekregen, zullen standplaatsen aan overige woonwagenbewoners die op de wachtlijst staan en ten minste twee jaar voorafgaand aan het moment dat de standplaats vrijkomt aansluitend staan ingeschreven in de basisregistratie personen van de gemeente Den Haag op volgorde van wachtlijstinschrijving worden toegewezen. De overige 50% (of een groter aandeel als er geen voormalige woonwagenbewoners die hun standplaats onvrijwillig hebben verloren en daardoor in een reguliere woning terecht zijn gekomen en op de wachtlijst staan) van de nieuwe standplaatsen wordt als volgt toegewezen aan personen op de wachtlijst: 1. De inwonende volwassen (klein)kinderen (op volgorde van leeftijd) die nog bij hun (groot)ouders wonen in een woonwagen in Den Haag. Bij meerdere gegadigden binnen deze groep van dezelfde leeftijd (in dit geval alleen meerlingen) wordt toegewezen op volgorde van wachtlijstinschrijving; 2.

De eerstegraads familieleden van bewoners van een woonwagen in Den Haag, die ten minste sinds twee jaar voorafgaand aan het moment dat de standplaats vrijkomt aansluitend staan ingeschreven in de basisregistratie personen van de gemeente Den Haag. Bij meerdere gegadigden binnen deze groep wordt toegewezen op volgorde van wachtlijstinschrijving; 3. Tweedegraads familieleden van bewoners van een woonwagen in Den Haag, die ten minste sinds twee jaar voorafgaand aan het moment dat de standplaats vrijkomt aansluitend staan ingeschreven in de basisregistratie personen van de gemeente Den Haag. Bij meerdere gegadigden binnen deze groep wordt toegewezen op volgorde van wachtlijstinschrijving; 4. Derdegraads familieleden van bewoners van een woonwagen in Den Haag (overgrootouders, achterkleinkinderen, neven en nichten), die ten minste sinds twee jaar voorafgaand aan het moment dat de standplaats vrijkomt aansluitend staan ingeschreven in de basisregistratie personen van de gemeente Den Haag. Bij meerdere gegadigden binnen deze groep wordt toegewezen op volgorde van wachtlijstinschrijving; 5. Overige woonwagenbewoners op de wachtlijst die ten minste sinds twee jaar voorafgaand aan het moment dat de standplaats vrijkomt aansluitend staan ingeschreven in de basisregistratie personen van de gemeente Den Haag.

Bij meerdere gegadigden binnen deze groep wordt toegewezen op volgorde van wachtlijstinschrijving; 6. Overige woonwagenbewoners op de wachtlijst. Bij meerdere gegadigden binnen deze groep wordt toegewezen op volgorde van wachtlijstinschrijving; 7. Overige personen op de wachtlijst. Bij meerdere gegadigden binnen deze groep wordt toegewezen op volgorde van wachtlijstinschrijving. Overige situaties, maatwerk en hardheidsclausule

18/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/

Het is voorstelbaar dat zich situaties voordoen die niet expliciet in dit toewijzingsbeleid zijn voorzien. Daarnaast kan het samenstellen van een nieuwe woonwagenlocatie of het behouden van een prettige woonwagengemeenschap in de praktijk vragen om maatwerk. Het doel van dit beleid is het faciliteren van de woonwagencultuur en -gemeenschap, die zich kenmerkt door het samenleven in familieverband, vaak met meerdere generaties en families. In dat kader kan het, in overleg met de woonwagenbewoners, noodzakelijk zijn om maatwerk toe te passen. Het college kan, in bijzondere of onvoorziene gevallen, afwijken van dit beleid indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard of als dit noodzakelijk is voor het behoud of herstel van een evenwichtige en leefbare woonwagengemeenschap. Ter advisering hierover kan een bewonersadviescommissie worden ingesteld. 4.2.4 Toewijzing van huurwoonwagens Met het verhuren van huurwoonwagens wordt er ook toewijsbeleid voor de toewijzing van huurwoonwagens opgesteld. Dat wordt bij de uitvoering van deze beleidsnota uitgewerkt.

4.2.5 Belang wachtlijst en het digitaliseren van de ‘wachtlijst’ Het is essentieel dat de wachtlijst zorgvuldig wordt beheerd en geregistreerd. Een goed functionerende wachtlijst draagt bij aan een eerlijke verdeling van standplaatsen en biedt beleidsmatig houvast bij het onderbouwen van keuzes in de huisvestingsverordening. Tijdens het participatieproces en het woonbehoefteonderzoek 2025 kwam meermaals naar voren dat bewoners veel vragen hebben over de wachtlijst: het is onduidelijk op welke plek ze op de wachtlijst staan, of ze überhaupt ingeschreven staan, of er personen (hoog) op de wachtlijst staan die ‘er niet op horen’ omdat ze niet afstammen van oorspronkelijke woonwagenbewoners, hoe er in het verleden met de wachtlijst is omgegaan en of er misbruik is gemaakt van de wachtlijst. Deze signalen heeft de gemeente serieus genomen en daarom wordt de wachtlijst gedigitaliseerd zodat inschrijven makkelijker wordt en bewoners hun inschrijving online kunnen inzien. Daarnaast, om te bevorderen dat alleen serieuze gegadigden zich inschrijven en de wachtlijst actueel blijft, worden in de toekomst jaarlijkse leges geheven vergelijkbaar met regulier woningzoekenden.

4.2.6 Huisvestingswet en Huisvestingsverordening De Huisvestingswet is een instrument om de eerlijke en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte te reguleren. Het gemeentelijk beleid is gericht op het zoveel als mogelijk wegnemen van schaarste. Om uitvoering te kunnen geven aan de nieuwe toewijzingscriteria, moeten de toewijzingsregels vastgelegd worden in de Huisvestingsverordening. In de huisvestingsverordening zal ook de voorwaarde worden opgenomen dat een inschrijving in het Register voor Standplaatszoekenden nodig is om een standplaats toegewezen te krijgen (in combinatie met de gestelde toewijzingscriteria).

4.3 Interne en externe samenwerking Het doel is om 1) het contact met woonwagenbewoners te verbeteren en om met hen uitvoering te geven aan het beleid en 2) samen met woningcorporaties uitvoering te geven aan dit beleid, ieder vanuit een eigen verantwoordelijkheid. Ook de intern gemeentelijke samenwerking moet versterkt worden om dit doel te realiseren.

19/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/

4.3.1 Participatie woonwagenbewoners en omwonenden Zoals in alle stedelijke ontwikkelingsprojecten is participatie van huidige en toekomstige bewoners en omwonenden een vereiste. Tijdens het uitgevoerde participatieproces in 2024 is met de woonwagenbewoners besproken hoe we het beste met elkaar in gesprek kunnen blijven. Woonwagenbewoners willen regelmatig op de hoogte gehouden worden over de voortgang van het beleid en de resultaten die gerealiseerd worden. Dit doen we via algemene bewonersbrieven die naar alle locaties gaan. Daarnaast organiseren we structureel, 2 keer per jaar, een stadsbrede bewonersavond. Tijdens deze stadsbrede bewonersavonden gaan we in op de voortgang van de uitvoering van het beleid. Indien nodig organiseren we thema-specifieke bijeenkomsten, bijvoorbeeld over nieuwe regels voor het bouwen van een woonwagen of de uitgifte van standplaatsen in erfpacht. Voor locatiespecifieke vraagstukken gaan we langs op de locaties zelf. Het doel hiervan is dat woonwagenbewoners goed geïnformeerd zijn en dat we kunnen werken aan het herstellen van het vertrouwen in elkaar. Tevens is het idee ontstaan om een bewonersadviescommissie op te stellen die we kunnen raadplegen bij specifieke onderwerpen zoals bijvoorbeeld de inrichting van nieuwe locaties, de toewijzing van standplaatsen op nieuwe locaties of een verkenning naar nieuwe regels voor het bouwen van woonwagens.

Het idee is dat per woonwagenlocatie maximaal twee vertegenwoordigers in de adviescommissie kunnen deelnemen en daarbij is het belangrijk dat de adviescommissie onafhankelijk is. We gaan dit samen met de bewoners verder vormgeven en uitwerken. Bij uitbreiding van standplaatsen (op bestaande en nieuwe locaties) voeren we participatie met de huidige en toekomstige woonwagenbewoners en omwonenden. Omwonenden worden geïnformeerd en kunnen reageren. 4.3.2 Samenwerking met woningcorporaties en beheerorganisatie(s) in Den Haag De gemeente heeft structureel overleg met de vier grootste Haagse woningcorporaties en WoonInvest. In dit structureel overleg bespreken we de ontwikkeling, de uitvoering en de realisatie van het beleid, en praktijksituaties. Het doel hiervan is om intensiever met elkaar samen te werken op dit beleidsdossier en om tot betere resultaten te komen met elkaar. Raamovereenkomst Met de woningcorporaties zijn in de raamovereenkomst afspraken gemaakt over de rol die woningcorporaties hebben in het woonwagendossier. Vanuit de gemeente zijn er op korte termijn twee prioriteiten: 1) de uitbreidingsopgave en 2) de wijze waarop tot een meer gevarieerde mix van huur- en koopstandplaatsen en huur- en koopwoonwagens te komen is op basis van de vraag die er is.

Aanbieden huurwoonwagens Woningcorporaties zijn verantwoordelijk om woonruimte aan te bieden voor bewoners die qua inkomen tot hun doelgroep behoren. Op dit moment verhuren de corporaties alleen standplaatsen en geen huurwoonwagens. In de Raamovereenkomst 2026-2030 zijn diverse afspraken gemaakt, waaronder: “Corporaties werken toe naar het beheren en exploiteren van huurwoonwagens op huurstandplaatsen in de toekomst, al dan niet uitgevoerd door een externe partij.” (zie RIS324221 pagina 30 punt 5.19). De verhuur van een huurwoonwagen is niet kostendekkend en kent een grotere onrendabele top dan de verhuur van een sociale huurwoning. Om dit verschil te verkleinen, verkent de gemeente in overleg met de woningcorporaties hoe de verhuurexploitatie verbeterd kan worden.

20/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/

4.3.3 Samenwerking met de regio, het Rijk en kennisorganisaties In het kader van de regionale woonzorgvisie is op verzoek van de Bestuurlijke Tafel Wonen een regionale werkgroep over woonwagenzaken gestart. Hierin zijn verschillende vormen van regionale samenwerking verkend en is besloten dat er een regionaal woonbehoefteonderzoek wordt uitgevoerd en dat we de toewijzingscriteria in de Huisvestingsverordening zo veel als mogelijk op elkaar afstemmen zodat de toewijzing in de regio op een vergelijkbare manier geschiedt. De inzet voor de gemeente Den Haag is om op de langere termijn intensiever samen te werken en ook de mogelijkheid voor de realisatie van een regionale woonwagenlocatie verkennen. Ook staan we in verbinding met de ontwikkelingen binnen de Rijksoverheid, VNG en kennisorganisaties op het gebied van woonwagenbewoning. Hierdoor verbreden we onze kennis over het dossier en halen we inspiratie op. Belangrijke lobbypunten zijn: de business case voor de verhuur van huurwoonwagens, de mogelijkheid om een hypotheek bij banken te kunnen krijgen, een opstalverzekering bij verzekeraars af te kunnen sluiten en meer kennis over verduurzaming van woonwagens en woonwagenlocaties.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16815036/1