RIS325009 Bijlage Staat van de stad 2026 Geredigeerd
Tekst van het document
65
Afbeelding 5.3 Over- en ondervertegenwoordiging van Culturele doelgroepen Culturele alleseters 159
161
Kindrijke cultuurvreters 137
125
Weelderige cultuurminnaars 199
226
Klassieke cultuurliefhebbers 157
177
Startende cultuurspeurders
94
83
Actieve vermaakvangers 124
123
Proevende buitenwijkers 109
102
Nieuwsgierige toekomstgrijpers
50
39
Flanerende plezierzoekers
51
42
Sociale cultuurhoppers
66
55
Lokale vrijetijdsgenieters
40
38 0
50 Index meting 3
100
150
200
Index meting 2
Bron: The Hague & Partners1
5.4 Bibliotheek Den Haag Bibliotheek Den Haag heeft in 2025 ruim 2 mln bezoekers ontvangen in de zeventien vestigingen. Het is voor het eerst sinds de coronaperiode dat dit bezoekersaantal opnieuw bereikt is. De groei in het leden aantal wordt deels veroorzaakt doordat een andere manier van tellen wordt gehanteerd. Jeugdleden telden tot 2025 alleen als lid wanneer zij in de afgelopen twee jaar materialen hadden geleend. Binnen de vier grote steden is nu afgesproken alle jeugdleden, ongeacht het leengedrag, mee te tellen. In 2025 leenden de 128.000 leden samen zo’n 1,9 mln boeken, tijdschriften, films en documentaires, muziek en andere materialen. Het aantal deelnemers aan activiteiten in de vestigingen in 2025 is 227.000 en ligt lager dan vorig jaar. Dit heeft er onder andere mee te maken dat een deel van de activiteiten op het gebied van leesbevordering en literatuur in het kader van de Bibliotheek op school op scholen heeft plaatsgevonden. Deze deelnemers zijn niet meegeteld in het aantal deelnemers dat in deze rapportage is opgenomen. In de loop van schooljaar 2025-2026 wordt het aantal deelnemende scholen aan het programma de Bibliotheek op school uitgebreid met 22, het worden dan 61 in totaal.
1
66
Een index van 100 betekent dat deze doelgroep even vaak terug te zien is in de bevolking van Den Haag als in het cultuurpubliek.
Staat van de Stad - Cultuur en bibliotheken
Afbeelding 5.4 Overzicht kerncijfers Bibliotheek 2020
2021
2022
2023
2024
2025
Leden
90.000
83.000
85.000
90.000
88.000
128.000*
Uitleningen
1.7 mln.
1.4 mln.
2.0 mln.
2.0 mln.
2.0 mln.
1.9 mln.
Bezoeken bibliotheek totaal
1.2 mln.
970.000
1.7 mln.
1.9 mln.
2.0 mln.
2.2 mln.
Deelnemers activiteiten
81.000
107.000
136.000
206.000
238.000
227.000
NB: Cijfers zijn afgeronde aantallen * De grote groei in het leden aantal wordt deels veroorzaakt doordat een andere manier van tellen wordt gehanteerd. Jeugdleden telden tot 2025 alleen als lid wanneer zij in de afgelopen twee jaar materialen hadden geleend. Binnen de vier grote steden is nu afgesproken alle jeugdleden, ongeacht het leengedrag, mee te tellen.
5.5 Haags gemeentearchief Het Haags Gemeentearchief brengt via tentoonstellingen, publicaties, lezingen, workshops, rondleidingen en sociale media de collectie onder de aandacht van Haagse inwoners en geïnteresseerden. Via de website haagsgemeentearchief.nl is steeds meer gedigitaliseerd archiefmateriaal beschikbaar voor een breed publiek. Dit materiaal is overal online te benaderen. Hierdoor daalt het aantal informatievragen. Afbeelding 5.5: Overzicht kerncijfers Haags gemeentearchief Unit
2020
2021
2022
2023
2024
2025
Pagina weergaves op de website
Aantal
3 mln.
2.7 mln.
2.2 mln.
4.3 mln.
4.2 mln.
1.7mln.**
Deelnemers educatieve activiteiten
Aantal
1.100
950
-
1.700
3.000
2.500
Opgevraagde authentieke stukken uit het archief
Aantal
0*
7.300
8.500
6.700
6.800
6.500
Informatievragen afgehandeld
Aantal
0*
5.700
4.200
5.700
6.200
5.750***
Beheer analoge archieven en collecties
Meters
19.000
18.800
19.300
19.500
19.600
20.000
Digitale informatie en collecties
TBytes
9,1 TB
10,6 TB
24,9 TB
26,35 TB
34,6 TB
95 TB ****
* Vanwege de coronapandemie ** Daling door wijziging in onderliggende IT. *** Incl. Aandeel in informatieaanvragen chatdienst (met Rotterdam en Leiden), **** Incl. Lokale opslag
Cultuur en bibliotheken - Staat van de Stad
67
6
Onderwijs
•
Ruim een kwart van de Haagse basisschoolleerlingen behoort tot de landelijke doelgroep met een verhoogd risico op onderwijsachterstanden. Deze leerlingen zijn ongelijk over de stad verspreid.
•
De deelname aan voorschoolse educatie onder peuters die onder de Haagse doelgroepdefinitie vallen is de afgelopen jaren toegenomen en bedraagt in 2024 ongeveer driekwart van alle doelgroeppeuters.
•
Sociaaleconomische verschillen werken door in het onderwijs. Met name inkomensverschillen zijn bepalend voor de mate van ontmoeting: de kans dat leerlingen uit de hoogste en laagste inkomensgroepen elkaar op de basisschool ontmoeten is de afgelopen jaren afgenomen.
•
Het aantal studenten in Den Haag is de afgelopen jaren gedaald, vooral door een afname van het aantal hbo-studenten. Desondanks vormen hbo-studenten nog steeds de grootste studentenpopulatie in de stad.
•
Het lerarentekort is stedelijk gezien afgenomen, maar de verschillen tussen stadsdelen blijven groot. De tekorten zijn het hoogst in wijken met een relatief hoog aandeel doelgroepkinderen.
•
Het aantal thuiszitters en voortijdig schoolverlaters (vsv) is ten opzichte van vijf jaar geleden toegenomen.
6.1 Inleiding In het hoofdstuk Onderwijs wordt op basis van de beschikbare kerncijfers ingegaan op verschillende onderwerpen die relevant zijn om een beeld te krijgen van de staat van het Haagse onderwijs. Onderwijs is een omvangrijk en veelzijdig beleidsterrein dat meerdere sectoren, doelgroepen en maatschappelijke opgaven omvat. Volledigheid is daarom niet mogelijk; in dit hoofdstuk is een selectie gemaakt van thema’s die gezamenlijk inzicht bieden in de belangrijkste ontwikkelingen. Een groot deel van deze thema’s hangt samen met kansengelijkheid en onderwijsachterstanden.
6.2 Onderwijsachterstanden Onderwijsachterstanden hangen samen met verschillen in gezinsomstandigheden, waarbij het opleidingsniveau van ouders een belangrijke voorspeller is van onderwijsloopbanen en studiesucces. Voor een effectieve aanpak van onderwijsachterstanden is het daarom van belang om vroegtijdig kinderen te identificeren die een verhoogd risico lopen, zodat gerichte en tijdige ondersteuning kan worden ingezet.
Doelgroepkinderen volgens de landelijke doelgroepdefinitie Scholen en gemeenten ontvangen financiële middelen van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om onderwijsachterstanden te bestrijden. De verdeling van deze middelen over gemeenten is gebaseerd op een door het CBS ontwikkelde indicator waarmee achterstandsscores worden berekend voor peuters van 2,5 tot 4 jaar en basisschoolleerlingen; deze scores worden geaggregeerd tot een gemeentelijke achterstandsscore en geven een indicatie van de verwachte achterstandsproblematiek.
Onderwijs - Staat van de Stad
69
In Den Haag is tussen 2019 en 2024 het aantal kinderen met een verhoogd risico op onderwijsachterstanden met 940 afgenomen. Als gevolg hiervan is het aandeel van de doelgroep binnen de totale populatie gedaald van 28% in 2019 naar 26% in 2024. Afbeelding 6.1: Percentage en aantal kinderen met een verhoogd risico op onderwijsachterstanden (2025) 2019
2020
2021
2022
2023
2024
Totaal aantal kinderen
54.975
54.420
53.320
55.005
54.725
53.710
Totaal aantal doelgroepkinderen
15.125
14.850
14.440
14.590
14.300
14.185
% doelgroep kinderen
28%
27%
27%
27%
26%
26%
Bron: CBS dashboard Onderwijsachterstanden, 2025
Spreiding van doelgroepkinderen In Den Haag is de spreiding van kinderen met een verhoogd risico op onderwijsachterstanden ongelijk over de stad. Relatief hoge aandelen bevinden zich in de stadsdelen Escamp (37%), Centrum (44%) en Laak (38%). Sinds 2019 is het aandeel in de stadsdelen Centrum en Laak afgenomen met respectievelijk 4 procentpunt, terwijl in Leidschenveen-Ypenburg een toename van 2 procentpunt zichtbaar is. Daarmee is Leidschenveen-Ypenburg het enige stadsdeel waar het aandeel leerlingen met een verhoogd risico op onderwijsachterstanden in 2024 hoger ligt dan in 2019. Afbeelding 6.2 Percentage kinderen met een verhoogd risico op onderwijsachterstanden per stadsdeel 60 50 40 30 20 10 0 2019
Centrum Haagse Hout
2020
2021
Laak
Escamp
Leidschenveen-Ypenburg
Bron: CBS dashboard Onderwijsachterstanden, 2025
70
2022
Staat van de Stad - Onderwijs
2023
2024
Loosduinen Segbroek
Scheveningen
6.3 Voorschoolse educatie Voorschoolse educatie is een doelgericht programma voor peuters van 2,5 tot 4 jaar die een verhoogd risico lopen op ontwikkelingsachterstanden. Het programma richt zich op het stimuleren van taalontwikkeling, rekenkundig denken en sociaal-emotionele vaardigheden, met als doel een goede start in het basisonderwijs te bevorderen. Voorschoolse educatie wordt aangeboden binnen de kinderopvang en is primair bedoeld voor zogenoemde doelgroeppeuters. Gemeenten bepalen binnen landelijke kaders zelf welke kinderen tot deze doelgroep behoren. Den Haag hanteert daarbij een ruimere doelgroepdefinitie dan de landelijke doelgroepdefinitie, waardoor een groter aandeel peuters in aanmerking komt voor voorschoolse educatie. In totaal betreft dit circa 58% van de Haagse kinderen. In 2024 bereikt de voorschoolse educatie 75% van de doelgroeppeuters, hetgeen betekent dat drie kwart van deze groep staat ingeschreven bij een VE-voorziening. Afbeelding 6.3: Bereik voorschoolse educatie 2023
2024
Aantal Haagse doelgroepkinderen VE
5188
5328
Aantal Haagse doelgroepkinderen dat VE volgt (bereik)
2964
3933
Bron: Peutermonitor, 2024
Sinds 2024 wordt gebruik gemaakt van de Peutermonitor. De cijfers vanaf 2024 zijn daardoor methodologisch niet één-op-één vergelijkbaar met eerdere jaren, waarin deelname werd berekend.
6.4 Onderwijssegregatie Segregatie is het verschijnsel waarbij groepen gescheiden van elkaar leven, bijvoorbeeld doordat zij geclusterd wonen in bepaalde buurten of onderwijs volgen op verschillende scholen. In het onderwijs spreekt men van onderwijssegregatie wanneer de samenstelling van scholen structureel verschilt naar achtergrondkenmerken van leerlingen. Deze verschillen hangen samen met factoren zoals woonsegregatie en schoolkeuzevoorkeuren. Onderwijssegregatie kan worden beschreven met twee statistische maten. Dissimilariteit geeft aan hoe ongelijk leerlingen over scholen zijn verdeeld; een hogere waarde duidt op meer segregatie en grotere verschillen tussen scholen. Interactie is een aanvullende maat die weergeeft in hoeverre leerlingen met verschillende achtergronden elkaar op school ontmoeten. Een lagere interactiewaarde wijst op meer segregatie.
Kans op interactie tussen kinderen Tussen 2021 en 2023 is in het basisonderwijs een lichte afname zichtbaar in de interactie tussen leerlingen naar inkomen en opleidingsniveau. Dit duidt op een afnemende ontmoeting tussen leerlingen met verschillende sociaaleconomische achtergronden. Het achtergrondkenmerk opleidingsniveau heeft hierbij betrekking op het opleidingsniveau van de ouders, waarbij wordt gekeken naar twee uiterste categorieën: leerlingen van wie beide ouders geen startkwalificatie hebben behaald en leerlingen met ten minste één ouder die een hbo of wo-opleiding heeft afgerond. Tegelijkertijd is de interactie naar herkomst in deze periode toegenomen.
Onderwijs - Staat van de Stad
71
In het voortgezet onderwijs blijft de interactie naar inkomen en herkomst in dezelfde periode grotendeels stabiel. Voor opleidingsniveau is daarentegen een lichte toename zichtbaar, wat erop wijst dat leerlingen in het voortgezet onderwijs iets vaker in contact komen met leeftijdsgenoten met verschillende opleidingsachtergronden van ouders. Afbeelding 6.4 Ontwikkeling interactie in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs. 2021
2022
2023
Inkomen
0,13
0,13
0,12
Opleiding
0,24
0,24
0,23
Herkomst
0,24
0,25
0,27
Inkomen
0,17
0,17
0,17
Opleiding
0,24
0,24
0,25
herkomst
0,23
0,23
0,23
Basisonderwijs
Voortgezet onderwijs
Bron: DUO Dashboard kansengelijkheid en onderwijssegregatie, 2025
Verdeling van groepen leerlingen over scholen (dissimilariteit) Tussen 2021 en 2023 is in het basisonderwijs de dissimilariteit naar inkomen licht toegenomen, wat wijst op een groeiende scheiding naar economische positie. Voor opleidingsniveau is de mate van scheiding stabiel gebleven, terwijl de dissimilariteit naar herkomst een dalende trend vertoont. Dit laatste wijst op een toegenomen etnische diversiteit binnen basisscholen. In het voortgezet onderwijs is in dezelfde periode een lichte afname zichtbaar in de dissimilariteit naar inkomen, wat duidt op een iets gelijkere verdeling van leerlingen naar economische achtergrond. De dissimilariteit naar opleidingsniveau blijft vrijwel onveranderd, terwijl de scheiding naar herkomst licht is toegenomen. Dit wijst op een sterkere concentratie van leerlingen met een vergelijkbare etnische achtergrond binnen scholen in het voortgezet onderwijs. Afbeelding 6.5 Ontwikkeling dissimilariteit in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs 2021
2022
2023
Inkomen
0,65
0,66
0,67
Opleiding
0,64
0,64
0,64
Herkomst
0,59
0,58
0,56
Inkomen
0,57
0,57
0,56
Opleiding
0,6
0,59
0,6
Herkomst
0,61
0,62
0,62
Basisonderwijs
Voortgezet onderwijs
Bron: DUO Dashboard kansengelijkheid en onderwijssegregatie, 2025
72
Staat van de Stad - Onderwijs
6.5 Kennis -en studentenstad Het opleidingsniveau in Den Haag Het opleidingsniveau en het bezit van een startkwalificatie (een diploma havo, vwo of mbo niveau 2 of hoger) zijn belangrijke indicatoren voor gezondheid en arbeidsmarktkansen. In 2023 beschikte 70% van de Haagse inwoners over een startkwalificatie, een toename van drie procentpunt ten opzichte van 2017. Sinds 2020 is dit aandeel stabiel gebleven. Binnen Den Haag bestaan aanzienlijke ruimtelijke verschillen in opleidingsniveau. In Haagse Hout (56%) en Segbroek (53%) woont het grootste aandeel inwoners met een afgeronde hbo- of wo-opleiding. In Laak (41%) en Escamp (39%) is het aandeel inwoners het grootst dat als hoogst behaalde opleiding basisonderwijs, vmbo of mbo niveau 1 heeft afgerond. Deze ruimtelijke spreiding wijst op structurele sociaaleconomische verschillen tussen Haagse stadsdelen. Tussen 2019 en 2023 is het aandeel hbo- en wo-opgeleiden in vrijwel alle stadsdelen gestegen, met uitzondering van Centrum waar een lichte daling (1 procentpunt) zichtbaar is. In de meeste stadsdelen is het aandeel inwoners zonder startkwalificatie afgenomen of stabiel gebleven; alleen in Centrum, Laak en Leidschenveen-Ypenburg is sprake van een lichte toename (1 procentpunt). Afbeelding 6.6 Ontwikkeling opleidingsniveau inwoners Den Haag 100% 80%
31
32
34
36
36
36
36
36
36
35
34
34
34
34
33
32
31
30
30
30
30
2017
2018
2019
2020
2021
2022
2023
60% 40% 20% 0
Basisonderwijs, vmbo, mbo 1
Havo, vwo, mbo 2-4
Hbo, wo
Bron: DHIC/CBS, 2023
Beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs Den Haag beschikt over een breed aanbod aan onderwijsinstellingen, met een sterke vertegenwoordiging van het beroepsonderwijs. In het middelbaar beroepsonderwijs is ROC Mondriaan de grootste aanbieder. Het hoger beroepsonderwijs wordt verzorgd door onder meer De Haagse Hogeschool, Hogeschool Inholland, Hotelschool The Hague en de Hogeschool der Kunsten. Daarnaast zijn in de stad verschillende universitaire instellingen aanwezig, waaronder de Universiteit Leiden, het International Institute of Social Studies van de Erasmus Universiteit Rotterdam, de TU Delft en het T.M.C. Asser Instituut. Studenten beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs Sinds 2021 is het aantal studenten in Den Haag gedaald, in lijn met de landelijke trend en samenhangend met demografische ontwikkelingen. De afname wordt vooral veroorzaakt door een daling van het aantal hbo-studenten, dat tussen 2021 en 2024 met 2.593 studenten is afgenomen. Ondanks deze terugloop vormen hbo-studenten nog steeds de grootste studentenpopulatie in de stad.
Onderwijs - Staat van de Stad
73
Afbeelding 6.7 Ontwikkeling aantal studenten in Den Haag 60.000 50.000 40.000 30.000 20.000 10.000 0 2019
2020
2021
totaal
2022
hbo
2023
mbo
2024
wo
Bron: Ministerie van OCW/DUO, 2025
6.6 Onderwijsprofessionals Lerarentekort in Den Haag Het onderwijs in Den Haag heeft al lange tijd last van een groot tekort aan leraren. In oktober 2025 bedroeg het lerarentekort in het basisonderwijs 15,6%. Een daling van 1,9 procentpunt ten opzichte van 2024, maar nog altijd aanzienlijk hoger dan in 2020. In het praktijkonderwijs zijn de tekorten daarentegen verder toegenomen. Ook de kinderopvang kampt met toenemende personeelstekorten, waardoor de druk op het gehele onderwijs- en pedagogische stelsel verder toeneemt. Prognoses voorspellen dat het lerarentekort de komende jaren zal dalen om na 2030 weer sterk toe te nemen (Centerdata, 2024). Afbeelding 6.8 Ontwikkeling lerarentekort in Den Haag 2020
2021
2022
2023
2024
2025
Basisonderwijs
11,50%
16%
17,30%
21,80%
17,50%
15,60%
Speciaal basisonderwijs
14,10%
14,60%
25,90%
15%
15,50%
14,80%
(Voortgezet) speciaal onderwijs
11,80%
14,20%
18,50%
14,60%
16,60%
11,10%
Gemiddelde primair onderwijs
11,70%
15,80%
17,80%
20,70%
17,30%
15,10%
Praktijkonderwijs
3,50%
4,90%
4,10%
8,60%
Vmbo, havo, vwo
5,40%
10,60%
5,30%
3,60%
Gemiddelde voortgezet onderwijs
5,50%
10,10%
5%
4%
Bron: Centerdata, 2025
74
Staat van de Stad - Onderwijs
Lerarentekort primair onderwijs per stadsdeel In Den Haag is het lerarentekort in het primair onderwijs ongelijk verdeeld over de stadsdelen. Het tekort is evenals voorgaande jaren het grootst in Laak, waar in 2024 een tekort van 27,2% werd geregistreerd. Wel is sprake van een afname 5 procentpunt ten opzichte van 2023. In de stadsdelen Segbroek en Haagse Hout zijn de tekorten in 2024 ten opzichte van 2023 juist toegenomen met respectievelijk 2,7 procentpunt in Segbroek en 1,3 procentpunt in Haagse Hout. Afbeelding 6.9 Ontwikkeling Lerarentekort primair onderwijs naar stadsdeel 35 30 25 20 15 10 5 0 2020
2021
Laak
2022
Escamp
Leidschenveen-Ypenburg
2023
Scheveningen Centrum
2024
2025
Haagse Hout Segbroek
Bron: Centerdata, 2025
6.7 Een passende plek Leerlingen in het Haagse speciaal (basis)onderwijs Het speciaal onderwijs is bedoeld voor leerlingen met lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke beperkingen en voor leerlingen met psychische of gedragsproblemen. Voor leerlingen van 12 tot 20 jaar met vergelijkbare ondersteuningsbehoeften is er het voortgezet speciaal onderwijs. Het speciaal basisonderwijs is er voor leerlingen die meer ondersteuning nodig hebben dan het reguliere basisonderwijs kan bieden om zich goed te kunnen ontwikkelen; de problematiek is hierbij doorgaans minder ernstig dan in het speciaal onderwijs. In Den Haag is het aantal leerlingen in het speciaal (basis)onderwijs in de afgelopen tien jaar met 489 toegenomen, met een piek van 3.402 leerlingen in 2020. Het grootste deel volgt onderwijs in het speciaal basisonderwijs. Sinds 2020 daalt het aantal leerlingen in het speciaal basisonderwijs en het speciaal onderwijs, terwijl het aantal leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs toeneemt.
Onderwijs - Staat van de Stad
75
Afbeelding 6.10 Ontwikkeling aantal leerlingen speciaal (basis)onderwijs Den Haag 4.000 3.500 3.000 2.500 2.000 1.500
914
895
886
910
950
960
1039
1099
1137
1131
1120
1090
1070
865
860
829
866
884
965
1015
1094
1195
1334
1382
1370
1355
1310
1250
1200
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
2022
2023
2024
1.000 500
867
0
SBO
SO
VSO
Bron: Den Haag in Cijfers/CBS, 2025
Vrijstellingen van onderwijs De Leerplichtwet biedt in uitzonderlijke situaties mogelijkheden voor een vrijstelling van schoolinschrijving. Tussen het schooljaar 2019-2020 en 2024-2025 is het aantal leerlingen in Den Haag met een vrijstelling van de leerplicht gestegen van 476 naar 1.111. De meeste vrijstellingen worden verleend op lichamelijke en psychische gronden. Afbeelding 6.11 Ontwikkeling aantal vrijstellingen van de leerplicht Den Haag 20192020
20202021
20212022
20222023
20232024
20242025
Vervangende leerplicht
11
1
1
3
3
0
Vervangende leerplicht laatste schooljaar
28
56
45
67
95
90
140
169
135
218
231
288
270
245
370
472
300
Lichamelijke of psychische gronden In schooljaar ontstane vrijstellingen In schooljaar lopende vrijstellingen Overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs
28
33
50
64
80
99
Inschrijving school in buitenland
203
153
189
210
238
305
Volgen van ander onderwijs
66
76
65
28
37
29
Totaal aantal vrijstellingen
476
758
730
960
1.156
1.111
Bron: Jaarverslag leerplicht 2024 - 2025
76
Staat van de Stad - Onderwijs
Thuiszitters Thuiszitters zijn leerplichtige en kwalificatieplichtige kinderen met een schoolinschrijving die geen onderwijs volgen, omdat zij langer dan vier weken aaneengesloten zonder geldige reden niet naar school gaan of kinderen die geen schoolinschrijving hebben. Sinds het schooljaar 2019–2020 neemt het aantal thuiszitters jaarlijks toe. Het totaal aantal thuiszitters in het schooljaar 2024-2025 (1.514 thuiszitters) is ten opzichte van het schooljaar 2023-2024 (1.483 thuiszitters) met 31 thuiszitters toegenomen. Afbeelding 6.12 Ontwikkeling aantal thuiszitters in Den Haag. 1.600 1.400 427
1.200 487
1.000 800
506 279
600 400
366 413
256
262
165
156
187
74
94
91
355
200 121
0
2017-2018
2018-2019
261 168
550
423
159
2019-2020 2020-2021
2021-2022
2022-2023
2023-2024
Aantal nog in behandeling einde schooljaar Aantal opgelost na drie maanden of langer Aantal opgelost binnen drie maanden Bron: Jaarverslag leerplicht 2024-2025
Voortijdig schoolverlaters Voortijdige schoolverlaters zijn jongeren van 12 tot 23 jaar die het onderwijs verlaten zonder een startkwalificatie te behalen. In het schooljaar 2023/2024 zijn tot eind maart 1.026 nieuwe voortijdig schoolverlaters geregistreerd, wat overeenkomt met 2,75%. Dit percentage ligt 0,16 procentpunt lager dan in het voorgaande schooljaar. Afbeelding 6.13 Ontwikkeling nieuwe voortijdig schoolverlaters (vsv) 2019/2020
2020/2021
2021/2022
2022/2023
2023/2024
percentage
2,44%
2,34%
2,88%
2,91%
2,75%
aantal
897
864
1064
1069
1026
Bron: Dashboard VSV, 2025
Onderwijs - Staat van de Stad
77
6.8 Onderwijshuisvesting Op het moment zijn er 260 schoolgebouwen (permanente locaties) voor basis-, (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs in Den Haag, met een gezamenlijk oppervlak van 554.000 m2 bvo. 52 van de 260 schoolgebouwen in Den Haag (20%) hebben een monumentale of beeldbepalende status. Een indicatie van de kwaliteit van de schoolgebouwen is de gemiddelde leeftijd. De gemiddelde leeftijd van schoolgebouwen in Den Haag is 31 jaar (bij een grootschalige renovatie wordt hierbij uitgegaan van het renovatiejaar). Meer dan de helft van de schoolgebouwen in de stad is jonger dan 30 jaar (gerealiseerd sinds de gemeente verantwoordelijk is voor de bekostiging van nieuwbouw van scholen) Afbeelding 6.14 Schoolgebouwen in Den Haag naar leeftijdscategorie 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0 voor 1920
1920–1940
1940–1965
Basisonderwijs Internationaal basisonderwijs
Bron: Onderwijsloket, 2025
78
Staat van de Stad - Onderwijs
1965–1990
1990–2000
2000–2010
Internationaal voortgezet onderwijs Speciaal basisonderwijs
na 2010
Speciaal onderwijs Voortgezet onderwijs
Onderwijs - Staat van de Stad
79
7 Staat van de Stad - Werk en inkomen
Werk en inkomen
•
Bestaanszekerheid is niet vanzelfsprekend: een substantieel deel van Den Haag leeft in inkomens onzekerheid en armoede-intensiteit neem toe.
•
Inkomensverschillen zijn groot: wijken als de Schilderswijk en Stationsbuurt behoren tot de laagste inkomensgroepen, terwijl Benoordenhout en Archipelbuurt tot de hoogste behoren.
•
Armoede is omvangrijk en vaak langdurig: In 2023 leefden 5.500 huishoudens van een inkomen tot 85% van het bestaansminimum en 11.900 huishoudens tussen 85–100% daarvan. Binnen de groep tot 150% van het sociaal minimum leeft 57% onder of rond het bestaansminimum. Twee derde van deze huishoudens is langdurig (minstens drie jaar) arm.
•
Kinderarmoede blijft hardnekkig. In 2023 groeiden 19.800 kinderen (0–18 jaar) op in een huis houden met een inkomen tot 150% van het sociaal minimum. Voor kinderen van 4–18 jaar gaat het om 15.600 kinderen, oftewel 19,5%. De daling van kinderarmoede is in 2023 tot stilstand gekomen en betreft vooral langdurig arme gezinnen.
•
Het aandeel huishoudens met problematische schulden steeg van 13,3% in 2021 naar 15,2% in 2024 (43.010 huishoudens). In 2024 ontvingen 21.124 inwoners een bijstandsuitkering (3,9% van de bevolking).
•
Ruim driekwart van de bijstandsgerechtigden in Nederland worstelt met een stapeling van problemen. Een derde van hen is zelfs helemaal niet in staat een betaalde baan te hebben. In het eerste halfjaar van 2025 neemt het aantal bijstandsuitkeringen ook in Den Haag licht toe: 21.285 op 1 juli 2025.
•
Jongeren zijn ook in Den Haag een kwetsbare groep. Het aantal jongeren in de bijstand stijgt, van 1.442 in september 2022 naar 1.664 in september 2025: een plus van 222 (15%). Zorgelijk hierbij is ook het relatief grote aantal dak- en thuisloze mensen onder de 28 jaar.
•
De gemeente Den Haag heeft een grote opdracht in de begeleiding van statushouders en nieuwkomers. In september 2025 zijn er 1.437 statushouders met bijstand van wie 60% langer dan 18 maanden uitkering ontvangt. De doelgroep Oekraïense ontheemden van 18 jaar en ouder in Den Haag bestaat uit 3.872 personen.
•
Mensen met een lichamelijke, psychische en/of verstandelijke beperking krijgen in Den Haag bijzondere aandacht, vooral door het realiseren van 1.350 beschutte werkplekken in 2025. Het totale aantal werkenden met loonkostensubsidie bedraagt in de eerste helft van 2025: 2.163 personen.
7.1 Inleiding In het hoofdstuk Werk en Inkomen wordt op basis van de beschikbare kerncijfers ingegaan op verschillende onderwerpen die relevant zijn om een beeld te krijgen van de staat van de bestaanszekerheid. Daarbij wordt achtereenvolgens stilgestaan bij de beroepsbevolking en arbeidsparticipatie, inkomen, armoede en de populatie binnen de Participatiewet (met daarbij extra aandacht voor statushouders en de ondersteuning van mensen met een arbeidsbeperking).
Werk en inkomen- Staat van de Stad
81
7.2 Bestaanszekerheid Onze economie draait op volle toeren, maar tegelijkertijd staat gemeente Den Haag voor grote sociale vraagstukken. De arbeidsmarkt is krap, maar heeft een afstand tot een groep mensen die kwetsbaar is. Bestaanszekerheid is niet vanzelfsprekend: een substantieel deel van Den Haag leeft in inkomensonzekerheid en armoede-intensiteit neem toe. Niet iedereen lukt het om mee te doen in onze samenleving en op de arbeidsmarkt. Vooral jongeren, vluchtelingen (waaronder Oekraïners die een bijzondere status hebben in de EU), (EU-arbeids)migranten en mensen met een arbeidsbeperking lopen extra risico. Hen lukt het lang niet altijd om een duurzaam inkomen uit betaald werk te realiseren. In 2025 concludeerden SCP, CPB en CBS in het rapport Bestaanszekerheid vanuit brede welvaart dat de huidige invulling van het sociaal minimum tekortschiet in het garanderen van brede bestaanszekerheid. Dat is bestaanszekerheid waarbij ook aspecten als gezondheid, huisvesting en sociale relaties zijn inbegrepen. Daar komt bij dat nieuwe belastingregels sinds januari 2025 de financiële positie van mensen met lage inkomens verslechteren (bron: SCP). Het CBS laat in de Monitor Brede Welvaart en de Sustainable Development Goals 2025 zien dat de financiële middelen van huishoudens toenemen. Wel stijgt het aandeel huishoudens met problematische schulden.
Ontwikkelingen als ‘buy-now-pay-later' en het gemak waarmee schulden ontstaan werken niet mee om het aantal mensen met problematische schulden te verminderen. Ook neemt het aandeel huishoudens toe dat de woning niet voldoende kan verwarmen. Verder zijn door de krapte op de arbeidsmarkt de mogelijkheden om te werken groot. Een steeds groter deel van de bevolking (15-74 jaar) werkt, de werkloosheid en het onbenut arbeidspotentieel dalen, en minder mensen maken zich zorgen om het behoud van hun baan. De arbeidsparticipatie is de hoogste van de EU en de langdurige werkloosheid de laagste. De grote vraag naar personeel is niet voor iedereen terug te zien in de financiële beloning voor werk. In dit zevende hoofdstuk wordt dieper ingezoomd op achtereenvolgens bestaanszekerheid, de beroepsbevolking en arbeidsparticipatie, inkomen, armoede, geldzorgen en geldproblemen, en groepen in kwetsbare posities die een beroep doen op de Participatiewet.
7.3 Beroepsbevolking en arbeidsparticipatie Zoals ook beschreven in hoofdstuk 11 Economie, is de groei van de werkgelegenheid na de coronajaren in de regio Den Haag versneld, zowel in vergelijking met het verleden als in vergelijking met Nederland en andere grote stedelijke regio’s. Het aantal werkzame personen (werknemers en zzp’ers) volgt op de lange termijn ongeveer het landelijke tempo, met uitzondering van enkele coronajaren. Sinds 2014 is de vraag naar arbeid in Nederland sterk gestegen. Het aanbod groeit trager, wat leidt tot meer spanning op de arbeidsmarkt. Ondanks economische en werkgelegenheidsgroei zijn er in de grote steden, waaronder Den Haag, groepen mensen die niet participeren op de arbeidsmarkt. Het zijn vooral praktisch opgeleiden en jongeren. Dit houdt in Den Haag verband met het karakter van de economie, die sterk afhankelijk is van de overheid als werkgever. Hoewel de arbeidsparticipatie de laatste tijd gestegen is, blijft deze in Den Haag het laagst van de G4.
82
Staat van de Stad - Werk en inkomen
In 2024 bestond de Haagse beroepsbevolking (15-75 jaar) uit ca.315.000 personen, waarvan 300.000 werkzaam en 16.000 werkloos. De beroepsbevolking bestaat uit personen van 15 tot 75 jaar die óf betaald werk hebben (werkzame beroepsbevolking) óf recent naar betaald werk hebben gezocht en daarvoor direct beschikbaar zijn (werkloze beroepsbevolking). Afbeelding 7.1: Bruto en netto arbeidsparticipatie in Den Haag (2019-2024) 74 72 70 68 66 64 62 60 2019
2020
2021
Bruto arbeidsparticipatie
2022
2023
2024
Netto arbeidsparticipatie
Bron: CBS 2025a
Arbeidsparticipatie geeft aan welk deel van de bevolking deelneemt aan het arbeidsproces. De bruto arbeidsparticipatie omvat zowel de werkzame als de werkloze beroepsbevolking en geeft het aandeel van de totale bevolking weer dat beschikbaar is voor werk. De netto arbeidsparticipatie betreft het werkzame deel van de beroepsbevolking. De netto arbeidsparticipatie is de laatste jaren toegenomen, maar nog steeds lager dan landelijk: in het derde kwartaal van 2025 lag dit percentage nationaal op 73,4 procent en in Den Haag op 68,8 procent.
7.4 Inkomen Het gemiddelde inkomen van Haagse huishoudens ligt lager dan het landelijk gemiddelde inkomen. Ook zijn de verschillen in inkomen op wijkniveau in Den Haag hoger dan in de rest van Nederland. In 2023 was het gemiddelde besteedbare inkomen van Haagse huishoudens 51,9 duizend euro. Huishoudens verschillen echter in omvang en samenstelling. Het gestandaardiseerde besteedbare inkomen — gecorrigeerd voor deze verschillen en herleid naar een eenpersoonshuishouden — bedraagt 37,4 duizend euro in 2023. Dat is lager dan landelijk en Amsterdam en Utrecht, maar hoger dan in Rotterdam. Inkomens zijn niet gelijk verdeeld over huishoudens. Het mediane, ofwel middelste inkomen herleid naar eenpersoonshuishoudens, ligt in Den Haag op 32,1 duizend euro in 2023.
Werk en inkomen- Staat van de Stad
83
Afbeelding 7.2: ontwikkeling gestandaardiseerd gemiddeld en mediaan besteedbaar inkomen Haagse particuliere huishoudens (exclusief studenten) 2016-2023 (in euro x 1000) Gemiddeld
2016
2017
2018
2019
2020
2021
2022
2023*
Nederland
28,9
29,8
30,1
32,3
32,8
34,3
36,3
39
Amsterdam
29,2
30,3
31,2
33,6
34,4
36,4
38,9
41,6
Den Haag
27,8
28,8
29,1
31
31,7
33,1
35
37,4
Rotterdam
25,6
26,5
27
29
29,6
31,1
33,1
35,6
Utrecht
29,7
30,3
30,9
32,8
33,9
35,8
38,1
40,4
Mediaan
2016
2017
2018
2019
2020
2021
2022
2023*
Nederland
25,7
26,2
26,7
28
29,1
30,4
32,1
34,5
Amsterdam
23,5
24,2
24,8
26,2
27,2
28,6
30,5
32,8
Den Haag
23,3
24
24,5
25,8
26,9
28,1
29,8
32,1
Rotterdam
21,7
22,3
22,9
24,2
25,2
26,5
28,2
30,6
Utrecht
26,4
26,9
27,5
29
30,5
32
33,9
36,2
Bron: CBS 2024, * 2023 voorlopige gegevens
Ten opzichte van het landelijk beeld kent Den Haag –- net als in de andere grote steden — een relatief grote inkomens- en vermogensongelijkheid (CBS 2024). De ongelijke verdeling is terug te zien op wijkniveau. Als we kijken naar de inkomensverschillen op wijkniveau dan is het beeld dat inwoners in de Schilderwijk en de Stationsbuurt over laagste besteedbaar inkomen beschikken en inwoners van Benoordenhout en de Archipelbuurt over het hoogste. Afbeelding 7.3: gemiddeld gestandaardiseerd besteedbaar inkomen op wijkniveau in 2023 (in euro x 1.000).
Bron: CBS 2025b
84
Staat van de Stad - Werk en inkomen
7.5 Armoede Jaarlijks wordt, in samenwerking met het CBS, de groep huishoudens in kaart gebracht die moet rondkomen van een laag inkomen en weinig vermogen heeft. Een aanzienlijk deel van de Haagse minima leeft van een inkomen onder of rond het bestaansminimum. Zo telt de stad in 2023 5.500 huishoudens met een inkomen tot 85 procent van het bestaansminimum en nog eens 11.900 met een inkomen vanaf 85 procent tot op het bestaansminimum. Een eveneens grote groep heeft een inkomen net boven het bestaansminimum, d.w.z. tot 105 procent daarvan. Het gaat om 11.400 huishoudens. Binnen de groep met een inkomen tot 150 procent van het sociaal minimum, hebben de huishoudens die leven onder of rond het bestaansminimum een aandeel van 57 procent (CBS 2025). Ook in Den Haag leeft een groot deel van de minima met tekorten. In lijn met onderzoek van het CPB zien we onder de groep met de grootste tekorten relatief veel werkenden, vooral ondernemers. Het CPB concludeerde onlangs een toegenomen intensiteit van armoede en verwacht dat de intensiteit van armoede in de komende jaren verder oploopt (CPB 2025). In 2023 hebben 50.100 Haagse huishoudens een inkomen tot 150% van het wettelijk sociaal minimum (bijstands- en AOW niveau) en weinig vermogen: 19,9% van de huishoudens. Ten opzichte van 2022 is dat een lichte stijging.
Afbeelding 7.4: Haagse particuliere huishoudens met een inkomen tot 150 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen 2017-2023 (aantallen en percentages) Aantal
Percentage
2017
54.500
23,6%
2018
53.600
22,8%
2019
52.600
22,2%
2020
52.500
21,8%
2021
50.400
20,7%
2022
48.600
19,7%
2023
50.100
19,9%
Bron: CBS 2020-2025
Ruim de helft van deze huishoudens leeft van een bijstands- of andere uitkering, terwijl een kwart rondkomt van een pensioen. Nog eens een kwart heeft inkomsten uit loondienst of een eigen onderneming. Hoewel de kans op armoede onder werkenden relatief laag is, gaat het in 2023 toch om een groep van ruim 13.000 huishoudens. Tot slot, is twee derde van de huishoudens met een laag inkomen langdurig (d.w.z. drie jaar of langer) arm. Het totale aantal personen en kinderen in armoede daalt landelijk sinds 2018. Het aantal mensen met een inkomen van minder dan 30% onder de armoedegrens is de afgelopen jaren echter hetzelfde gebleven. Daardoor loopt de armoede-intensiteit op. De groep mensen in Nederland die dieper in de armoede zit, bestaat vaak uit huishoudens met inkomen uit werk (loon of zelfstandig). Dat blijkt uit onderzoek van het Centraal Planbureau (CPB) naar armoede-intensiteit.1
1 Armoedemonitor gemeente Den Haag, 2022.CBS (2025e) Armoedemonitor gemeente Den Haag, 2023.
Werk en inkomen- Staat van de Stad
85
Kinderarmoede In totaal zijn er 19.800 kinderen van 0 tot 18 jaar die opgroeien in een huishouden met een inkomen tot 150 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen. De daling van het aantal kinderen dat opgroeit in armoede in de afgelopen jaren is in 2023 gestopt. Het merendeel van deze kinderen groeit op in een langdurig arm gezin. Afbeelding 7.5: Kinderen van 4 tot 18 jaar in Haagse particuliere huishoudens met een inkomen tot 150 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen 2020-2023 Aantal
Percentage
2020
17.400
21,9
2021
16.600
20,8
2022
15.400
19,3
2023
15.600
19,5
Bron: CBS (2020) Armoedemonitor gemeente Den Haag, 2017 en 2018. CBS (2021) Armoedemonitor gemeente Den Haag, 2019.CBS (2022) Armoedemonitor gemeente Den Haag, 2020 CBS (2024b) Armoedemonitor gemeente Den Haag, 2022.CBS (2025e) Armoedemonitor gemeente Den Haag, 2023.
Geldzorgen en geldproblemen Het CBS kijkt alleen naar de hoogte van het inkomen, terwijl aan de uitgavenkant ook het een en ander kan veranderen door inflatie. Er is een stijging van het aantal vroegsignalen vanuit vaste lastenleveranciers. Zij zijn verplicht om door te geven als een inwoner een betalingsachterstand heeft. De gemeente neemt dan contact op met deze inwoner. Het aantal vroegsignalen verschilt per maand maar ligt gemiddeld rond de 5.000 signalen.Geldzorgen, gevolgd door geldproblemen, zorgen voor mentale problematiek. Zie hiervoor ook de Haagse Preventieaanpak (RIS316587). Aangezien er meerdere definities zijn van het begrip problematische schulden hanteren wij de definitie van het NVVK: “Een problematische schuldsituatie is de situatie waarin te voorzien is dat een natuurlijke persoon schulden niet zal kunnen blijven afbetalen of is gestopt met afbetalen. In ieder geval een situatie waarin niet binnen 36 maanden alle openstaande vorderingen betaald kunnen worden (met een betalingsregeling).” Uit de Gezondheidsmonitor van de GGD blijkt dat 19,7% van de volwassenen en ouderen in Den Haag moeite heeft met rondkomen. Dit is weliswaar lager dan in 2022 (27,8%) maar op hetzelfde niveau als in 2020 (20,4%). 26,9% geeft aan de afgelopen vier weken (heel) veel stress te hebben ervaren.
Afbeelding 7.6: Haagse particuliere huishoudens met problematische schulden in 2021-2024 Aantal
Percentage
2021
35.820
13,30%
2022
38.810
14,10%
2023
42.380
15,10%
2024
43.010
15,20%
Bron: CBS 2025
86
Staat van de Stad - Werk en inkomen
Afbeelding 7.7: Huishoudens met geregistreerde problematische schulden in Den Haag (%) 2024-01
Bron: CBS2025f
In sommige delen van de stad wonen meer mensen met (ernstige) geldzorgen en geldproblemen dan in andere delen. Hier hebben veel mensen een laag inkomen en vinden we een bovengemiddeld aantal huishoudens dat kampt met geldzorgen en geldproblemen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan Laak, Duindorp, Schilderswijk en Transvaal en aan Den Haag Zuidwest, maar ook aan wijken zoals Mariahoeve en Loosduinen waar in sommige buurten veel bewoners met een laag inkomen en de bijbehorende zorgen wonen.
7.6 Participatiewet Op 31 december 2024 werden er in Den Haag 21.124 bijstandsuitkeringen verstrekt. Het aantal bijstandsuitkeringen is de laatste jaren gedaald en daalde in 2024 met 0,3%. Deze daling vlakt sinds 2023 steeds verder af. De uitstroom naar werk daalde, terwijl de instroom van inwoners met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt min of meer gelijk bleef. Op 31 december 2024 werden er in Nederland 406.000 bijstandsuitkeringen verstrekt. Het aandeel van de G4-steden hierin is bijna een kwart, namelijk 97.577 uitkeringen. Binnen de G4-steden kennen Amsterdam (34.708) en Rotterdam (31.580) een groter aantal uitkeringen dan Den Haag. Het aandeel bijstandsgerechtigden in Den Haag is vergelijkbaar met dat in Amsterdam: respectievelijk 3,9% en 3,8% in 2025. In Rotterdam ligt het percentage in hetzelfde jaar hoger (5,7%). In het eerste halfjaar van 2025 neemt het aantal bijstandsuitkeringen ook in Den Haag licht toe: 21.285 op 1 juli 2025. Dit komt overeen met de landelijk trend. Daarin is vooral een toename van het aantal jongeren te zien, waarover verderop meer.
Werk en inkomen- Staat van de Stad
87
Afbeelding 7.8: Ontwikkeling aandeel inwoners met bijstand in de G4 (2019-2025) 0,065 0,06 0,055 0,05 0,045 0,04 0,035 0,03 0,025 0,02 2019
2020
Amsterdam
2021 Den Haag
2022
2023 Rotterdam
2024
2025 Utrecht
Bron: CB, 2025
Een steeds groter deel van de mensen in de bijstand heeft te maken met complexe problematiek. Deze ontwikkeling is niet alleen kenmerkend voor Den Haag maar wordt landelijk gedeeld (SCP 2024). Ruim driekwart van de bijstandsgerechtigden in Nederland worstelt met een stapeling van problemen: een groot gedeelte heeft lichamelijke en/of mentale problemen, moeite met huishoudelijke activiteiten of (trap) lopen, heeft een klein sociaal netwerk en beschikt over beperkte administratieve vaardigheden. Ze ervaren weinig regie over hun leven, zijn minder veerkrachtig, participeren minder in hun vrije tijd, zijn gemiddeld minder tevreden met hun leven en voelen zich eenzamer dan mensen zonder bijstandsuitkering. Een derde van hen is zelfs helemaal niet in staat een betaalde baan te hebben. De Haagse situatie is vergelijkbaar met die in heel Nederland.1 Velen hebben geen startkwalificatie en/of een taalachterstand. De meesten kampen met financiële problemen, gezondheidsklachten, een beperkt sociaal netwerk of problemen in de woon- of leefsituatie. Behoudens de langdurig bijstandsgerechtigden zien we bij alle groepen veel schuldenproblematiek. Vaak staan de problemen niet op zichzelf en gaat het om gecombineerde problematiek, die elkaar versterkt en niet onafhankelijk van elkaar opgelost kan worden.
Was in 2015 al 68 procent van de Haagse bijstandspopulatie niet of zeer lastig bemiddelbaar naar werk, in 2022 gold dit inmiddels voor ruim driekwart van de Haagse bijstandsgebruikers (zie onderstaande afbeelding). Zij zijn vooral gebaat bij brede ondersteuning gericht op het verbeteren van de kwaliteit van leven. Bijstandsgerechtigden ervaren meer perspectief en minder stress als de relatie met de professional gebaseerd is op persoonlijke aandacht en maatwerk.
1
88
De veranderende doelgroep in Beeld 2024
Staat van de Stad - Werk en inkomen
Afbeelding 7.9: De veranderende samenstelling van de Haagse bijstandspopulatie (2015-2022) 100% 80%
31,8
26,1
24,3
68,3
73,9
75,8
2015
2018
2022
60% 40% 20% 0% Moeilijk(er)/niet bemiddelbaar
Makkelijk(er) bemiddelbaar
Bron: De veranderende doelgroep in Beeld, 2024
Naast dit algemene beeld van kwetsbare Haagse inwoners die een beroep doen op de Participatiewet, wordt hieronder gefocust op specifieke groepen: jongeren, statushouders en mensen met een arbeidsbeperking. Voor deze groepen heeft de gemeente bijzondere wettelijke begeleidingstaken.
Jongeren Uit het SEO-onderzoek ‘Voor iedere jongere een duurzame plek’ (2025) blijkt dat het hebben van een uitkering een belangrijkere indicator is voor een lagere zelfredzaamheid dan het niet hebben van een startkwalificatie. Jongeren met een uitkering zijn minder gezond, minder financieel zelfredzaam of de thuissituatie is minder gunstig. Er is sprake van een stapeling van moeilijkheden. Deze groep jongeren overlapt ook vaker met andere groepen kwetsbare jongeren, zoals jongeren met een slechte mentale gezondheid of jongeren die in aanraking zijn gekomen met jeugdhulp, jeugdbescherming of Wmo. Afbeelding 7.10: Aantal Haagse jongeren met bijstand. 1.800 1.700 1.600 1.500 1.400 1.300 1.200 1.100 1.000 jan-22
juli-22
jan-23
juli-23
jan-24
juli-24
jan-25
juli-25
Bron: SZW (OAS), 2025
Zoals hierboven aangegeven stijgt het aantal jongeren in de bijstand, van 1.442 in september 2022 naar 1.664 in september 2025: een plus van 222 (15%). De instroom stijgt, terwijl de uitstroom daalt. Per saldo komen (en blijven) er sinds 2023 meer jongeren in de bijstand dan er uitstroomden. Omdat de stijging zich landelijk voordoet, wordt momenteel met andere gemeenten overlegd over het Werk en inkomen- Staat van de Stad
89
gezamenlijk starten van een onderzoek. Het is moeilijk om specifiek te duiden waardoor de toename van jongeren in de bijstand wordt veroorzaakt. Meerdere factoren kunnen hierbij een rol spelen, zoals economische ontwikkelingen, arbeidsmarktkansen voor jongeren en persoonlijke omstandigheden. Uit de ETHOS-telling die in 2025 in Den Haag is gedaan, blijkt dat veel van de dak- en thuisloze mensen jong zijn; 40% van de 7.201 getelde mensen in de regio Den Haag is jonger dan 28 jaar. Meer informatie over dak- en thuisloosheid en de ETHOS-telling is te lezen in hoofdstuk 8.
Statushouders De Wet inburgering maakt onderscheid tussen inburgeringsplichtige statushouders en nietinburgeringsplichtige statushouders. Gemeenten hebben de regie over het inburgeringsproces van statushouders. Voor inburgeringsplichtige statushouders betekent dit dat de gemeente hen begeleidt tijdens hun inburgering. Daarnaast zijn er statushouders die niet- inburgeringsplichtig zijn, omdat zij bijvoorbeeld de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt of een vrijstellende opleiding volgen. Ook aan deze groep biedt de gemeente ondersteuning. Voor de bijstandsgerechtigden wordt dienstverlening aangeboden gericht op inkomensondersteuning en activering. Dit bestaat naast het verstrekken van een bijstandsuitkering of het bieden van schuldhulpverlening uit ondersteuning bij het leren. In september 2025 zijn er 1.437 statushouders met bijstand van wie 60% langer dan 18 maanden uitkering ontvangt Uit interne berekeningen bij de afdeling inburgering blijkt dat 35–45% van de statushouders en 55–65% van de gezinsmigranten na de wettelijke termijn van drie jaar nog niet is ingeburgerd. Omdat de Wet inburgering 2021 pas vanaf begin 2022 door gemeenten wordt uitgevoerd is het zicht op de toekomstige ontwikkeling van de uitstroom beperkt. Naast ondersteuning van statushouders, is ingezet op andere groepen nieuwkomers.
In de periode tot aan augustus 2025 zijn 165 Oekraïense ontheemden en 141 asielzoekers uit COA-opvanglocaties bemiddeld naar werk. Vluchtelingen uit Oekraïne kunnen tijdelijk bescherming krijgen in Nederland door de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van de Europese Unie. De Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) voor Oekraïners is verlengd tot 4 maart 2027. Dit betekent dat zij tot die datum recht hebben op verblijf, opvang, medische zorg, onderwijs en toegang tot de arbeidsmarkt in de EU-lidstaten, zonder asielprocedure. Het kabinet verkent een tijdelijke nationale verblijfsstatus voor Oekraïense ontheemden in de vorm van een transitievergunning. Deze transitievergunning is een onderdeel van een langetermijnstrategie voor Oekraïense ontheemden. Deze aanpak – die voorheen de Nationale Terugval Optie werd genoemd – biedt een alternatief voor het waarschijnlijk aflopen van de RTB. Ontheemden uit Oekraïne krijgen met een transitievergunning dezelfde rechten, plichten en voorzieningen als reguliere statushouders, met uitzondering van het onderdeel inburgering en het recht op nareis. Dat betekent dat ontheemden onder de Participatiewet zullen vallen als ze niet werken. De doelgroep Oekraïense ontheemden van 18 jaar en ouder in Den Haag bestaat uit 3.872 personen. Met een arbeidsparticipatie (CBS/UWV) van ongeveer 53% zullen naar schatting 2.052 tot de groep werkenden behoren.
Dat betekent dat de groep niet werkende (potentiële instroom Participatiewet) ongeveer 1.820 personen betreft.
90
Staat van de Stad - Werk en inkomen
Afbeelding 7.11: Werkzame en niet werkzame Oekraïners met status tijdelijke bescherming in Den Haag
25
28,82
31,06
31,79
30,88
31,82
33,06
33,91
34,55
34,9
36,19
37,43
38,24
38,26
38,11
38,44
38,11
38,32
38
38,29
38,3
38,52
39,65
40,13
71,18
68,94
68,21
69,12
68,18
66,94
66,09
65,45
65,1
63,81
62,57
61,76
61,74
61,89
61,56
61,89
61,68
62
61,71
61,7
61,48
60,35
59,87
90
75
100
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
80 70 60 50 40 30 20 10 0
Maanden na vestiging Vertrokken/overleden/(nog) niet in BRP
Niet werkzaam
Werkzaam
Bron: Zuid-Hollandinzicht.nl
Ondersteuning mensen met een arbeidsbeperking Naar schatting 1,5 miljoen Nederlanders hebben een arbeidsbeperking (SCP 2019), van wie rond de 600.000 aan de kant staan (ABN Amro 2024). Deze mensen met een lichamelijke, psychische en/ of verstandelijke beperking krijgen in Den Haag bijzondere aandacht, vooral door het realiseren van 1.350 beschutte werkplekken. Dit vergroot de inclusiviteit in Den Haag, zorgt voor een breder aanbod van passende werkplekken en meer diversiteit in het werk. De beschutte werkplekken worden voornamelijk gerealiseerd via Den Haag Werkt/Werk in Opdracht (WIO) en via detachering bij andere gemeentelijke diensten. In 2025 is geëxperimenteerd met het organiseren van beschutte werkplekken buiten WIO; er zijn 18 mensen gedetacheerd bij diverse werkgevers en er zijn 14 inwoners met een advies beschut werk in dienst bij diverse werkgevers. De gemeente hanteert actief het instrument van loonkostensubsidie, waarmee werkgevers worden gestimuleerd om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt in dienst te nemen. Deze subsidie compenseert de verminderde productiviteit van de werknemer. In de eerste helft van 2025 zijn in Den Haag 416 inwoners met inzet van loonkostensubsidie aan een baan geholpen. Dat bracht het totale aantal werkenden met loonkostensubsidie op 2.163 personen.
Werk en inkomen- Staat van de Stad
91
8
Gezondheid, zorg, welzijn en jeugd
Inleiding Dit hoofdstuk bestaat uit twee delen. Hoofdstuk 8a biedt inzicht in indicatoren met betrekking tot de gezondheid van de inwoners van Den Haag, zoals lichamelijke en mentale gezondheid en levensverwachting. Daarnaast is er in het eerste deel Gezondheid aandacht voor indicatoren over de kwaliteit van de omgeving in relatie tot gezondheid, zoals leefomgeving en luchtkwaliteit. Hoofdstuk 8b biedt inzicht in voorzieningen voor inwoners die (tijdelijk of langer) ondersteuning nodig hebben. Hier is onder meer aandacht voor dak- en thuisloosheid in Den Haag, gegevens over wonen en zorg, beschikbaarheid van mantelzorg en voorzieningen in de buurt, de toegang tot de WMO, Jeugdzorg en Jeugdhulp, de Haagse vaccinatiegraad en nieuwkomers.
Gezondheid, zorg, welzijn en jeugd- Staat van de Stad
93
8.a Gezondheid
94
• Inwoners met een lagere sociaaleconomische status hebben vaker een minder goede lichamelijke gezondheid, bijvoorbeeld door langdurige ziekte of aandoeningen. Ook de psychische gezondheid van inwoners met een lagere sociaaleconomische status is vaker minder goed, zij lopen een hoger risico op angststoornissen of depressie en ervaren vaker veel stress. Daarnaast is de sociale gezondheid kwetsbaarder, bijvoorbeeld door (zeer) ernstige eenzaamheid of een gevoel van sociale uitsluiting. • Het verschil in gezonde levensverwachting tussen wijken met een lage en hoge SES (sociaaleconomische status) in Den Haag is groot: inwoners van wijken met een lage SES leven gemiddeld 13 jaar minder in goede gezondheid dan inwoners van wijken met een hoge SES. Dit verschil is verder toegenomen ten opzichte van de periode 2019-2022. • Roken is de belangrijkste gedragsmatige determinant van ziektelast. Onder volwassenen in Den Haag daalt het percentage rokers, maar onder jongeren neemt dit percentage juist toe ten opzichte van 2021. Een nieuwe ontwikkeling is vapen: iets meer dan één op de vijf jongeren in Den Haag heeft wel eens een vape (e-sigaret) gebruikt.
• Het percentage inwoners in Den Haag dat zich eenzaam voelt, chronische stress ervaart of een verhoogd risico op angst en depressie heeft relatief hoog in vergelijking met het landelijk gemiddelde, maar vergelijkbaar met Amsterdam, Rotterdam en Utrecht. Opvallend is dat deze percentages onder vrouwen hoger liggen dan onder mannen. • De luchtkwaliteit in en rondom de stadsdelen Centrum en Laak blijft aanzienlijk slechter dan de WHO-advieswaarden.
8.a.1 Gezondheid, bestaanszekerheid, leefomgeving Omdat gezondheid een erg breed concept is, wordt in de publieke gezondheid vaak gewerkt met indicatoren van de gezondheid van bevolkingsgroepen. Zo is eenzaamheid een indicator van de mate van sociale gezondheid en is (chronische) stress een indicator van de mentale gezondheid. Landelijk groeit de aandacht voor de relatie tussen gezondheid, bestaanszekerheid en een gezonde leefomgeving. Waar er eerder met name aandacht was voor het effect van leefstijl op gezondheid, wordt nu steeds meer erkend dat ook factoren als schulden, armoede, stress, een klein sociaal netwerk en een ongezonde woonomgeving (bijvoorbeeld vocht of slechte luchtkwaliteit) samenhangen met gezondheid. Het Rijksinstituut van Volksgezondheid en Milieu (RIVM) identificeert zogenaamde algemene Impactvolle Determinanten die de gezondheid positief of negatief beïnvloeden. Vanuit gedrag veroorzaakt roken veruit de grootste ziektelast (7,6%) gevolgd door alcoholgebruik (3,0%), ongezonde voeding (2,8%) en weinig bewegen (1,8%). Vanuit het milieu veroorzaakt met name luchtverontreiniging een hoge ziektelast (3,4%) (Impactvolle Determinanten van gezondheid RIVM, 2025). Ook infectieziekten kunnen een grote negatieve invloed hebben op de volksgezondheid, zoals bleek tijdens de COVID-19 pandemie.
Om kwetsbare groepen, met name (jonge) kinderen, tegen een aantal ernstige infectieziekten te beschermen, worden landelijk vaccinaties vanuit het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) aangeboden. De vaccinatiegraad wordt verder besproken in het hoofdstuk over Jeugd.
Gezondheid - Staat van de Stad
95
Afbeelding 8.1: Goed ervaren gezondheid in Den Haag (aandeel personen 18 jaar en ouder)
Bron: buurtatlas RIVM, 2024
Den Haag wijkt op veel gezondheidsindicatoren af van het landelijk gemiddelde, wat samenhangt met de stedelijke en sociaaleconomische samenstelling. Het CBS berekent per buurt, wijk of gemeente een sociaaleconomische status (SES) score op basis van de mate van welvaart, opleidingsniveau en arbeidsmarktdeelname. In buurten met een lage SES zoals in de stadsdelen Centrum, Laak en Escamp, wordt de gezondheid vaker slechter ervaren (afbeelding 8.1). Een vergelijking met de andere drie grote steden in Nederland (Amsterdam, Utrecht en Rotterdam, tezamen de G4) is daarom passender en wordt gebruikt wanneer de data beschikbaar is. Dit hoofdstuk presenteert de meest recente Haagse cijfers uit de Gezondheidsmonitors (GM) van GGD Haaglanden: GM Volwassenen en ouderen 2024 (vanaf 18 jaar), GM Jongvolwassenen 2024 (16 t/m 25 jaar) en GM Jeugd 2023 (12 t/m 18 jaar). Wanneer cijfers uit andere bronnen komen, wordt dat vermeld. Alle cijfers zijn terug te vinden op de GGD website gezondheidsgids.ggdhaaglanden.nl. en op denhaag.incijfers.nl
8.a.2 Levensverwachting De levensverwachting is het gemiddeld aantal nog te verwachten levensjaren bij geboorte. In Nederland en ook in Den Haag leven vrouwen gemiddeld langer dan mannen. Dit verschil tussen mannen en vrouwen is de laatste jaren stabiel. In de periode 2021-2024 was de gemiddelde levensverwachting van Haagse mannen 78,6 jaar en van Haagse vrouwen 82,0 jaar. Dit is lager dan het landelijk gemiddelde (mannen 80,3 jaar; vrouwen 83,3 jaar). Afbeelding 8.2: Levensverwachting (geboorte) Den Haag 2009 – 2024 naar man-vrouw (in jaren) Levensverwachting (geboorte) - Den Haag
2009-2012
2013-2016
2017-2020
2019-2022
2021-2024
Man
78,1
78,6
78,2
77,9
78,6
Vrouw
82,2
82,3
81,8
81,6
82,0
Bron: CBS, 2021-2024
96
Staat van de Stad - Gezondheid
Gezonde levensverwachting De gezonde levensverwachting is het gemiddeld aantal levensjaren dat een persoon mag verwachten in goede gezondheid door te brengen. In Den Haag leven mannen gemiddeld 61,2 jaar en vrouwen gemiddeld 60,1 jaar in goede gezondheid. Dit is lager dan het landelijk gemiddelde (mannen 64,1 jaar en vrouwen 62,4 jaar). Na een flinke daling van de gezonde levensverwachting in 2019-2022 (waarschijnlijk te verklaren door de effecten van COVID-19) is er een weer een stijging te zien in de cijfers van 2021-2024. De cijfers laten zien dat, hoewel vrouwen gemiddeld ouder worden dan mannen, mannen en vrouwen gemiddeld ongeveer even lang leven in goede gezondheid. Vrouwen hebben dus meer ongezonde jaren. Deze worden in het algemeen doorgebracht in 'lichte' ongezondheid. Afbeelding 8.3 Gezonde levensverwachting (geboorte) Den Haag en Nederland, naar man-vrouw (in jaren) Gezonde Levensverwachting (geboorte) - Den Haag
20172020
2019- 2022
20212024
Gezonde Levensverwachting (geboorte) - Nederland
20172020
20192022
20192024
Man
62,5
57,9
61,2
Man
66,4
63,2
64,1
Vrouw
63,2
55,7
60,1
Vrouw
65,8
62,3
62,4
Bron: CBS, 2021-2024
Er bestaan aanzienlijke verschillen in gezonde levensverwachting tussen inwoners van wijken met een lage SES en inwoners van wijken met een hogere SES. In wijken met een lage SES ligt de gezonde levensverwachting voor zowel mannen als vrouwen gemiddeld 13 jaar lager dan in wijken met een hoge SES. Dit verschil is toegenomen in vergelijking met de periode 2019-2022. Afbeelding 8.4 Gezonde levensverwachting man-vrouw naar wijk lage/hoge SES (in jaren) Gezonde Levensverwachting (geboorte) - Den Haag
2013-2016
2017-2020
2019-2022
2021-2024
Man - wijk lage SES
49,8
56,1
49,5
51,0
Man - wijk hoge SES
62,2
65,6
60,8
64,6
Vrouw - wijk lage SES
49,3
55,8
46,4
50,3
Vrouw - wijk hoge SES
63,1
66,3
59,1
63,3
Bron: CBS, 2021-2024
8.a.3 Ervaren gezondheid Ervaren gezondheid, ook wel subjectieve gezondheid of gezondheidsbeleving genoemd, geeft een oordeel over de eigen gezondheid. Ervaren gezondheid is een samenvattende gezondheidsmaat van alle relevante gezondheidsaspecten voor de persoon in kwestie. Die gezondheidsaspecten hebben vaak betrekking op zowel de lichamelijke als de geestelijke gezondheid (ziekten, lichamelijke beperkingen maar ook fitheid, vermoeidheid en depressieve gevoelens) en leefstijlfactoren, zoals voeding, roken en lichamelijke activiteit.
Haagse Bewoners over gezondheid Volgens de Gezondheidsmonitor 2024 beoordeelde bijna driekwart van de Hagenaars (71%) van 18 jaar en ouder de eigen gezondheid als (zeer) goed. In 2022 was dat nog twee op drie (65%). Landelijk lag het percentage dat een (zeer) goed ervaren gezondheid heeft op 74%. Ten opzichte van Utrecht (79%) en Amsterdam (74%) was het aandeel Hagenaars met een (zeer) goed ervaren gezondheid lager, en ten opzichte van Rotterdam (69%) iets hoger.
Gezondheid - Staat van de Stad
97
Afbeelding 8.5 Ervaren gezondheid volwassenen/ouderen Den Haag 2020-2024 Ervaren gezondheid - Den Haag
2020
2022
2024
Zeer slecht
0,5%
1,4%
1,1%
Slecht, volwassenen/ouderen
3,7%
7,1%
5,2%
Gaat wel, volwassenen/ouderen
19,8%
26,3%
22,4%
Goed, volwassenen/ouderen
52,6%
48,9%
52,5%
Zeer goed, volwassenen/ouderen
23,5%
16,3%
18,8%
Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, 2024
In het schooljaar 2023 gaf 80% van de Haagse jongeren van 12 tot 18 jaar aan hun gezondheid als (zeer) goed te ervaren. Tussen schooltypen was nauwelijks verschil zichtbaar: 80% van de vmbo-leerlingen en 81% van de havo/vwo-leerlingen rapporteerden een (zeer) goede gezondheid. Wel is er een opvallend verschil tussen jongens en meisjes, waarbij 86% van de jongens hun gezondheid als (zeer) goed ervaren tegenover 75% van de meisjes (Gezondheidsmonitor Jeugd, 2023). Slechts 57% van de Haagse jongvolwassenen (in vergelijking met 64% landelijk) gaf in 2024 aan een (zeer) goede gezondheid te ervaren, waar dit in 2022 nog 61% was. Hiermee scoort deze leeftijdsgroep opvallend lager dan de jeugd en volwassenen en ouderen in Den Haag. Ook hier is een opvallende discrepantie zichtbaar in geslacht; slechts 51% van de vrouwen ervaart een (zeer) goede gezondheid tegenover 63% van de mannen (Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen, 2024).
8.a.4 Armoede en gezondheid Mensen in armoede hebben over het algemeen een slechtere gezondheid dan mensen die niet in armoede leven. Op vrijwel alle gezondheidsindicatoren scoort de groep ‘Moeite met rondkomen’ slechter dan de groep ‘Geen moeite met rondkomen’. Zo laten ook de Gezondheidsmonitors uit 2022 en 2024 zien dat inwoners met een laag inkomen een minder goede lichamelijke gezondheid hebben (bijvoorbeeld langdurige ziekte of aandoeningen), een minder goede psychische gezondheid (bijvoorbeeld hoger risico op een angststoornis of depressie, of veel stress ervaren) en een minder goede sociale gezondheid (bijvoorbeeld (zeer) ernstig eenzaam voelen of zich matig tot sterk sociaal uitgesloten voelen). De associatie tussen armoede en gezondheid kan twee kanten op werken: het lager inkomen kan komen omdat iemand minder kan werken ten gevolge van de slechtere gezondheid. Het kan echter ook dat mensen met een lager inkomen een slechtere gezondheid hebben door bijvoorbeeld stress of verminderde toegang tot (preventieve) voorzieningen zoals sportabonnementen. Afbeelding 8.6 Wel/geen moeite met rondkomen en ervaren gezondheid volwassenen/ouderen Den Haag 2020-2024 Moeite met rondkomen - Den Haag
2020
2022
2024
Geen moeite met rondkomen, (zeer) goed ervaren gezondheid, volwassenen/ouderen
79,9%
73,9%
76,5%
Moeite met rondkomen, (zeer) goed ervaren gezondheid, volwassenen/ouderen
59,0%
42,3%
51,4%
Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, 2024
98
Staat van de Stad - Gezondheid
8.a.5 Overgewicht en beweegnormen Overgewicht kan ernstige gevolgen hebben voor de fysieke en mentale gezondheid. Het risico op bepaalde ziekten en aandoeningen, zoals suikerziekte en hart- en vaatziekten, maar ook mentale problemen, discriminatie, verlies van arbeidsproductiviteit en arbeidsongeschiktheid stijgt naarmate de BMI (Body Mass Index) of de buikomvang toeneemt. Een BMI van 25-30 wordt gecategoriseerd als matig overgewicht, hoger dan 30 is ernstig overgewicht (obesitas). Afbeelding 8.7 (Ernstig) overgewicht volwassenen/ouderen Den Haag en Nederland 2020-2024 Ernstig overgewicht, volwassenen/ouderen
2020
2022
2024
Den Haag
47,1%
48,7%
47,5%
Nederland
49,4%
50,3%
50,0%
Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, 2024
In 2024 had iets minder dan de helft (48%) van de volwassen Hagenaars (ernstig) overgewicht. Van deze groep had 33% matig overgewicht en 15% ernstig overgewicht. Landelijk ligt het percentage overgewicht op 50% (34% matig,16% ernstig overgewicht). Door afronding kan het totaal iets afwijken. In Amsterdam en Utrecht lag in 2024 het percentage volwassenen met (ernstig) overgewicht met respectievelijk 40% en 36% lager. Rotterdam had met 50% een iets hoger percentage volwassenen met (ernstig) overgewicht. Bij de Haagse jeugd van 2 tot en met 15 jaar is het percentage overgewicht (inclusief obesitas) over de periode 2014 (18,7%) tot 2023 (19,2%) relatief stabiel gebleven (Kindmonitor, 2023). Sinds 2017 luidt de Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB): voor volwassenen minstens 150 minuten per week matig intensieve inspanning, zoals wandelen en fietsen, verspreid over diverse dagen en minstens tweemaal per week spier- en botversterkende activiteiten; voor ouderen gecombineerd met balansoefeningen. Bewegen verlaagt onder andere het risico op chronische ziekten als diabetes, hart- en vaatziekten en depressieve symptomen. Uit de Gezondheidsmonitor 2024 blijkt dat net iets meer dan de helft (52%) van de Haagse volwassenen en ouderen aan deze norm voldeed; dit is iets hoger dan het landelijk gemiddelde van 49%.