CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS324995 Bijlage Significant-APE-2025-Rapportage-onderzoek-re-integratiedienstverlening-gemeenten Geredigeerd

Algemene Raadscommissie 21 mei 2026, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken17.836 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

24

3.3.5

Meer samenwerking in de uitvoering met regionale organisaties Steeds meer gemeenten zoeken de samenwerking met regionale uitvoeringsorganisaties (zoals het UWV en regionaal opererende sociaal ontwikkelbedrijven) om hun re-integratiedienstverlening te versterken en met elkaar te stroomlijnen. Deze samenwerkingen ontstaan vanuit de behoefte om expertise te bundelen, capaciteit te vergroten en betere (digitale) dienstverlening op maat te kunnen bieden. Maar ook omdat het Rijk vraagt om meer regionale samenwerking, bijvoorbeeld in het kader van de oprichting van de Regionale Werkcentra en de Wet van school naar duurzaam werk. Daarnaast speelt het streven naar preventie een rol: door al tijdens de WW-periode ondersteuning te bieden, proberen gemeenten in samenwerking met het UWV te voorkomen dat mensen in de bijstand terechtkomen. Opvallend is dat deze samenwerkingen zich voordoen in vele variaties, afhankelijk van de regionale context en de ambities van samenwerkende partijen. Dit leidt tot een breed palet van samenwerkingsmodellen die soms moeilijk vergelijkbaar zijn. Wat wel zichtbaar wordt, is een beweging waarin gemeenten verkennend opereren en gerichte regionale samenwerkingen aangaan om specifieke doelgroepen te ondersteunen.

25

4 Budgetten en uitgaven In dit hoofdstuk geven we inzicht in hoeveel geld gemeenten beschikbaar stellen voor re-integratie. We brengen budgetten en uitgaven in kaart, beschrijven hoe deze tot stand komen, en welke keuzes daarachter liggen. We behandelen zowel het nationaal niveau als (verschillen en overeenkomsten op) het lokaal niveau. We beginnen daarvoor met een uitwerking van hoe wij de budgetten en uitgaven voor dit onderzoek definiëren. 4.1 4.1.1

Iv3-taakveld Arbeidsparticipatie (6.5) als basis voor de cijferanalyse Wat zijn de iv3-gegevens? De uitgaven en budgetten voor re-integratie in Nederland maken we inzichtelijk met behulp van Informatie voor Derden (Iv3). Dit informatiesysteem biedt een uniforme manier waarop gemeenten, provincies en gemeentelijke regelingen financiële gegevens aanleveren. De Iv3 bevat gegevens uit de begroting, kwartaalcijfers en de jaarrekening. Er zijn gegevens over lasten en baten per gemeentelijk taakveld.5 Omdat alle gemeenten hun gegevens op eenzelfde wijze moeten aanleveren, bieden de iv3-cijfers een logisch vertrekpunt om gemeenten te vergelijken en te komen tot een landelijk beeld. We maken gebruik van de onbewerkte-iv3-gegevens6 op gemeenteniveau.

4.1.2

Iv3-taakveld 6.5 Arbeidsparticipatie gaat vrijwel volledig over re-integratie Re-integratiedienstverlening van gemeenten wordt met name geregistreerd op het taakveld 6.5 genaamd “Arbeidsparticipatie”. Het CBS schrijft hierover: “Tot dit taakveld behoren alle op arbeid gerichte participatie- en re-integratievoorzieningen”, waarbij verschillende instrumenten of voorzieningen als voorbeeld worden genoemd.7 Hieruit blijkt dat dit taakveld (in tegenstelling tot wat het woord Arbeidsparticipatie suggereert) zowel re-integratie in enge zin als re-integratie in brede zin behelst. Op dit taakveld ligt dan ook de nadruk in dit hoofdstuk. Gemeenten bevestigen ook in de vragenlijst dat dit taakveld Arbeidsparticipatie volledig of vrijwel volledig (>95%) bestaat uit re-integratieactiviteiten (in enge dan wel brede zin). Uit een nadere analyse van de onderliggende kostencategorieën in de iv3-data blijkt dat het meeste geld binnen dit taakveld is bestemd voor salariskosten (van bijvoorbeeld klantmanagers en jobcoaches), bekostiging van gemeenschappelijke regelingen zoals sociaal ontwikkelbedrijven, en “overige goederen en diensten”.

Hoewel de iv3-uitleg hierover weinig concreet is, betreft dit laatste waarschijnlijk de inkoop van specifieke re-integratie-instrumenten of -diensten.8 In de interviews geven gemeenten aan dat de uitgaven in de administratie doorgaans gekoppeld zijn aan de betreffende taakvelden. Zij gebruiken dan soms een verdeelsleutel als het gaat om een uitgave die aan meerdere taakvelden hangt (zoals salariskosten van integraal werkende professionals). 5 Gemeenten geven hun geld uit aan een breed scala aan deelterreinen, variërend van jeugdzorg,

onderwijshuisvesting en re-integratie. Om te zorgen dat deze uitgaven geaggregeerd kunnen worden en vergeleken kunnen worden tussen gemeenten, onderscheidt het CBS een set van 28 inhoudelijk samenhangende eenheden. Deze eenheden worden ‘taakvelden’ genoemd. 6 Het CBS publiceert de bewerkte (gecorrigeerde) iv3-gegevens op Statline alleen op regionaal niveau.

Bovendien voegt het CBS daarin taakvelden samen, op een manier dat voor ons onderzoek onhandig uitkomt. Deze aggregatie en samenvoeging maakt dat we ervoor kiezen de open data te gebruiken. Dat is ook het advies van CBS. 7 Link naar iv3-informatievoorschriften. 8 Voor onze verdere analyse gebruiken we alleen de totale lasten per taakveld, omdat gemeenten sterk

verschillen in hoe zij kosten naar categorie verdelen.

26

Ten tweede zien we dat de meeste gemeenten ook re-integratiegeld onder taakveld 6.4 “Wsw en beschut werk” scharen. Daarbij valt op dat ongeveer 20 respondenten de budgetten onder 6.4 niet hebben opgedeeld of konden opdelen in een deel voor de Wsw-populatie versus een deel voor de Participatiewetdoelgroep. Deze respondenten rekenden 100% of juist 0% van de budgetten onder 6.4 toe aan re-integratie. De gemeenten die deze knip wel konden maken, rekenen doorgaans tussen de 2 en 15% van taakveld 6.4 toe aan re-integratie (voor de Participatiewetdoelgroep), 7 tot 9% is gemiddeld. Ten derde zien we dat sommige respondenten ook re-integratiegeld onder andere taakvelden boeken. Enkele respondenten antwoorden dat een paar procent van de bedragen onder Jeugdzorg en Wmo (6.6 tot 6.8) een re-integratie-effect (kunnen) hebben. Het maximum is 10%, met 0% als meest genoemd percentage. Bij de taakvelden “Samenkracht en burgerparticipatie” (6.1) en “Wijkteams” (6.2) vullen respondenten meestal ook 0% in, maar er zijn uitschieters tot ruim boven de 20%. Dit zijn waarschijnlijk gemeenten waar wijkteams (of buurtteams, lokale teams) een belangrijke re-integratietaak hebben. Uit de interviews blijkt dat wijkteams dan vaak een rol hebben in de re-integratie in brede zin.

Het is voor gemeenten doorgaans moeilijk om in te schatten welk aandeel van de taken van wijkteams gaat over reintegratie, ten opzichte van de andere taken die wijkteams uitvoeren. Dit zien we ook terug in de vragenlijst: respondenten ronden deze cijfers af op hele procentpunten of soms zelfs op vijf procentpunten. Over het algemeen zien we dat het zicht op budgetten en uitgaven aan re-integratie in brede zin doorgaans minder goed is dan het zicht op re-integratie in enge zin. We zien dus dat een deel van de re-integratieactiviteiten buiten het taakveld 6.5 Arbeidsparticipatie valt. Dit gaat meestal om een beperkt bedrag, en het hangt sterk af van onder meer uitvoeringskeuzes. Daarom kiezen we voor het vervolg om het taakveld 6.5 Arbeidsparticipatie als vertrekpunt te nemen voor het geld dat gemeenten voor re-integratie inzetten. 4.2 4.2.1

De budgettaire inzet van gemeenten op re-integratiedienstverlening De totale uitgaven aan taakveld Arbeidsparticipatie zijn ruim € 1 miljard euro op nationaal niveau In figuur 6 tonen we de totale uitgaven (volgens de jaarrekening) van de gemeenten aan taakveld Arbeidsparticipatie. Dit geeft een beeld van wat Nederlandse gemeenten besteden aan re-integratieuitgaven. Een vergelijkbaar beeld ontstaat als we naar de budgetten (volgens de begroting) kijken. Te zien is dat de totale uitgaven door de jaren gestaag zijn opgelopen naar bijna € 1,3 miljard euro in 2024. Dat is een stijging van de bedragen met 41% ten opzichte van 2020. Als we corrigeren voor de prijsstijging in de overheidssector (prijs overheidsconsumptie, bron: CPB CEP 2025)10, zien we een reële stijging van de reintegratie-uitgaven met 19% tussen 2020 en 2024 (tabel 3). Dit loopt in de pas met de algemene stijging van het volume aan overheidsconsumptie gedurende die periode, à 12,5% (bron: CPB CEP 2025).11 Volgens het CBS stegen de totale lasten van gemeenten in dezelfde periode harder.12 Tegelijkertijd zagen we het aantal bijstandsontvangers in dezelfde periode met een paar procent dalen.13 Al met al zijn de reële middelen voor re-integratie de afgelopen jaren gestegen, maar het taakveld is in verhouding tot andere overheidstaken niet gegroeid. 10 Raming februari 2025 (CEP 2025) | CPB Website.

De prijs overheidsconsumptie is de prijs die de

overheid betaalt voor het leveren van publieke goederen en diensten (met name ambtenarensalarissen). 11 Raming februari 2025 (CEP 2025) | CPB Website. De overheidsconsumptie betreft de uitgaven aan

publieke goederen en diensten. 12 Gemeenten begroten 80 miljard euro aan kosten voor 2025 | CBS 13 Aantal mensen met bijstand met 1 procent toegenomen in 2024 | CBS

28

de begroting (van het voorgaande jaar) vormt de basis, en actuele ontwikkelingen zorgen dat de begroting wordt aangepast, waaronder wijzigingen in de omstandigheden of Rijksbudgetten. Sommige gemeenten maken gebruik van de budgettool van Divosa en Cedris om veranderingen in de Rijksbudgetten door te vertalen naar onder andere de re-integratiebudgetten. Ook zien we dat de budgetprocessen verschillen per gemeente, afhankelijk van de uitvoeringsvorm. Bij gemeenten die re-integratietaken integraal beleggen bij het sociaal ontwikkelbedrijf, zijn de reintegratiebudgetten bijvoorbeeld onderdeel van een integrale bekostiging van het ontwikkelbedrijf. Zo gaan de financieringsgesprekken niet alleen over re-integratiediensten, maar ook bijvoorbeeld over beschut werk en werkplekken voor de Wsw en de algemene financiële resultaten van het bedrijf. Sociaal ontwikkelbedrijven hebben soms een afspraak waarbij een vast deel van de Rijksbudgetten wordt ‘doorgesluisd’ naar de uitvoerder. Gemeenten die specifieke re-integratiedienstverlening inkopen bij meerdere commerciële partijen (waaronder soms ook het sociaal ontwikkelbedrijf), hebben vaker een vorm van “PxQ-onderbouwing” van de begroting. De begroting vloeit dan voort uit een verwacht volume maal een (vooraf afgesproken) afgesproken tarief.

Een goede begroting is immers belangrijk om goed contractmanagement uit te voeren, de uitnutting van het budget te monitoren en hierop te sturen. 4.3.2

Gebruik van verschillende financieringsbronnen in een overzicht Gemeenten kunnen beschikken over verschillende bronnen om hun inzet op re-integratie te financieren. We hebben gemeenten gevraagd welke financieringsbronnen het meest worden ingezet (figuur 9). De resulterende cijfers uit de vragenlijst zijn beperkt representatief, gezien de beperkte hoeveelheid bruikbare respons (23 organisaties) en vanwege het feit dat de meeste respondenten een (ruwe) inschatting hebben gemaakt van de financieringsbronnen (figuur 8). Hieronder noemen we een aantal redenen hiervoor. Ten eerste zien we een verschil tussen gemeenten in hoe ze de aandelen per financieringsbron berekenen. De tool van Divosa wordt bijvoorbeeld soms gebruikt om de toedeling van middelen naar taken te onderbouwen of toetsen. De ene gemeente stuurt hier actiever op dan de andere. Soms berekenen gemeenten de bijdrage vanuit het Cluster Participatie door eerst te bepalen wat de bijdrage is vanuit andere middelen, zoals de Integratie-Uitkering Participatie (middelen voor de begeleiding van beschut werkers) en ESF+-middelen. Wat daarna overblijft, schrijven zij toe aan het Cluster Participatie. Ten tweede hebben respondenten budgetten soms “op gevoel” ingedeeld. Vanwege drukte was het enkel mogelijk voor respondenten een inschatting te geven van de inzet van verschillende financieringsbronnen en de mate daarvan.

Enkele gemeenten gaven daarnaast aan dat de gemeente één budget alloceert, zonder dat er achteraf een mogelijkheid is om na te gaan hoeveel vanuit dat budget uit bepaalde financieringsbronnen voortkomen. Een gemeente verwoordde het zo: “het [is] belangrijker waar het geld heengaat dan waar het vandaan komt.” Ten derde is het bij uitvoeringsorganisaties vaak niet duidelijk hoeveel van hun budget precies uit welke bron komt. Zij ontvangen soms één totaalbedrag vanuit de aangesloten gemeenten, waarin verschillende geldstromen zijn samengevoegd. Het is voor hen niet exact helder welke budgetten daarin zitten. De ondersteuning die uitvoeringsorganisaties bieden aan de Wsw-doelgroep is bijvoorbeeld verweven met de ondersteuning aan mensen met een beschutte werkplek en ook mensen met loonkostensubsidie. Indien sociaal ontwikkelbedrijven ook de re-integratiedienstverlening uitvoeren, is dit onderdeel van een integrale budgettering. Soms zijn de gelden wel op te delen in componenten (waaronder in ieder geval Integratieuitkering Participatie en de algemene uitkering), maar niet los te zien van elkaar.

33

4.3.4

Verschil in aandeel van de Algemene uitkering als financieringsbron De spreiding in het aandeel algemene uitkering is relatief beperkt. De meeste respondenten geven een percentage aan tussen de 70 en 95%. Voor alle gemeenten is deze financieringsbron de belangrijkste. Er zijn echter ook gemeenten die de uitgaven voor ‘slechts’ 50% uit het Algemene uitkering financieren, en er zijn gemeenten die dit voor 100% uit deze bron financieren. Gemeenten die een laag percentage opgeven voor de Algemene uitkering, weten doorgaans meer andere financieringsbronnen te ontsluiten. We bespreken die hieronder.

4.3.5

BUIG-overschotten soms aanvullende bron van financiering voor re-integratie, maar niet altijd figuur 9 toont verder dat ongeveer een vijfde van de respondenten overschotten uit de BUIG inzet voor reintegratie. Voor deze gemeenten fluctueert het aandeel van deze financieringsbron tussen de 4 en 11%. Dit kan betekenen dat gemeenten met een BUIG-overschot in staat zijn meer geld in te zetten voor reintegratie dan gemeenten met een neutraal saldo of tekort. Overigens zitten in de responderende groep ook meerdere andere gemeenten met forse overschotten op de BUIG, die dit overschot niet aanwenden voor re-integratie, maar voor andere doeleinden binnen en buiten het sociaal domein. Sommige gemeenten hebben gesuggereerd dat een tekort op de BUIG evenzo leidt tot minder reintegratiebudgetten, zoals het onderzoek van De Beleidsonderzoekers en AEF ook suggereerde: “het resultaat op de gebundelde uitkering [blijkt] bepalend voor de ruimte die gemeenten ervaren om te investeren in re-integratie” (p.18). Er blijken evenwel ook gemeenten die juist meer investeren in reintegratie om de tekorten terug te dringen op de BUIG, via meer uitstroom.

4.3.6

Integratie-uitkering niet altijd te isoleren van andere financieringsbronnen Veel gemeenten maken gebruik van de IU Participatie als financieringsbron voor hun reintegratiedienstverlening. Dit geldt voor ruim tweederde (69%) van de respondenten. Het aandeel van de IU Participatie in de totale re-integratiefinanciering varieert tussen gemeenten. Het aandeel van de financiering van de IU Participatie ligt tussen de 5% en ruim 20%. In uitzonderlijke gevallen wordt zelfs een aandeel van 75% genoemd. Deze laatste groep is echter buiten de analyse gehouden, omdat vermoed wordt dat zij ook de Wsw-uitgaven hebben meegerekend, wat leidt tot een vertekend beeld. Gemeenten die 0% hebben ingevuld, hebben waarschijnlijk beschut werk buiten de analyse gelaten.

4.3.7

Ruim de helft van de gemeenten zet aanvullende regionale, landelijke en/of Europese middelen in 56% van de respondenten geeft aan “overige” financieringsbronnen aan te wenden voor re-integratieuitgaven. Het bedrag van deze aanvullende middelen op het totale re-integratiebudget blijft echter doorgaans beperkt. Hier gaat het om regionale stimuleringsfondsen, landelijke Spuk-regelingen zoals Kansrijke Wijk en Regio Deals, maar ook Europese middelen vanuit het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) of het Just Transition Fund (JTF). Gemeenten geven aan dat deze aanvullende middelen hen in staat stellen extra (intensieve) dienstverlening te bieden voor specifieke doelgroepen of bestaande dienstverlening eenvoudiger te kunnen bekostigen. Gemiddeld vormen deze bronnen 6% van het totale budget dat zij aan re-integratie inzetten, hoewel er variatie is tussen 1% en wel 25% van het totaalbudget. Belangrijke kanttekeningen zijn dat deze aanvullende middelen niet altijd exclusief geoormerkt zijn voor re-integratiedoeleinden. Bovendien ontvangen centrumgemeenten soms het budget namens meerdere gemeenten. En dan is het bij de centrumgemeente niet altijd (zonder diepere analyse) duidelijk welk aandeel ervan specifiek ten goede komt aan de re-integratie-dienstverlening in de eigen gemeente versus andere gemeenten.

35

Sommige gemeenten suggereren dat er vaak meer budget te “ontsluiten” is dan andere gemeenten denken. Het vergt kennis om te weten welke aanvullende Europese, landelijke en regionale financieringsbronnen er zijn. Vervolgens moeten gemeenten dan ook inspanning plegen om hier aanspraak op te maken. Voor bijvoorbeeld ESF+ gelden is wel een goede administratie van belang. Je moet cijfers hebben om een aanvraag goed te kunnen onderbouwen. Sommige zeggen hierin inmiddels veel ervaring te hebben opgebouwd, terwijl andere gemeenten hierin nog zoekende zijn. 4.4

Kostenbewustzijn van professionals bij gemeenten in de praktijk We hebben in de interviews gevraagd welke rol financiën spelen in de dagelijkse keuzes van beleid- en uitvoeringsmensen. Ten eerste hangt dit af van de mate waarin er überhaupt zicht is op financiën en kosten. We zien dat gemeenten hierin verschillen (zie ook hoofdstuk 7): de ene gemeente heeft scherper zicht op kosten dan de andere. Dit heeft ook te maken met verschillen in registratie. Organisaties die instrumenten inkopen bij externen hebben bijvoorbeeld doorgaans een goede registratie van wat een instrument per stuk of per inwoner kost. Hoe minder het zicht op kosten, hoe minder professionals op kosten(effectiviteit) kunnen sturen. Er is een afruil tussen de kwaliteit van kostengegevens en administratietijd. In sommige gemeenten is financiën een belangrijkere overweging dan in andere. Bijvoorbeeld gemeenten uit de G4 noemen budgettaire tekorten (op de BUIG of breder) terugkerend als belangrijk thema. Met name wordt dan gezegd dat deze gemeenten niet iedereen kunnen helpen vanwege beperkte budgetten. In zulke gemeenten zien we professionals in verschillende lagen van de organisatie vaker kostenbesparende keuzes maken of besluiten op basis van een businesscase.

We horen bijvoorbeeld ook dat meerdere gemeenten recent hebben gekozen om meer re-integratiedienstverlening in eigen huis te nemen, omdat dit op korte termijn goedkoper uitvalt of omdat de gemeente moest ingrijpen om budgetoverschrijding te voorkomen. Ook wordt volgens sommige respondenten kritischer dan voorheen getoetst of duurdere trajecten nodig zijn. Verschillende gemeenten geven dus aan dat financiën een belemmerende factor zijn voor de re-integratiedienstverlening. Aan de andere kant geven verschillende andere gemeenten (ook financials) desgevraagd aan dat financiën geen grote rol van betekenis spelen in hun dagelijkse werkzaamheden. Dit is een signaal dat de financiën in deze gemeenten minder belemmerend worden ervaren, maar het wil niet zeggen dat er veel geld overblijft in deze gemeenten of dat deze gemeenten inefficiënt veel uitgeven. Het kan bijvoorbeeld zijn dat in deze gemeenten het kostenbewustzijn belegd is bij een beperkt aantal professionals. De overige professionals opereren vervolgens binnen de budgettaire kaders die zij toebedeeld krijgen.

36

5 (Prioritering van) doelgroepen In dit hoofdstuk geven we aan op welke doelgroepen gemeenten vooral re-integratieondersteuning inzetten. Waar we in hoofdstuk 3 onder meer beschreven op welke doelgroepen gemeenten zich richten in hun beleid, kijken we nu hoe dit beleid zich vertaalt naar de praktijk. Ook benoemen we de redenen waarom gemeenten deze doelgroepen meer of minder ondersteunen, op basis van interviews die we afnamen met beleidsmedewerkers en uitvoerders. Op deze manier schetsen we een algemeen beeld van de keuzes die gemeenten maken over de doelgroepen die zij bedienen, wetende dat de beschikbare budgetten en/of capaciteit niet voldoende zijn bij iedere gemeente om iedereen passende ondersteuning te bieden. 5.1

Inzet naar afstand tot de arbeidsmarkt De afstand van bijstandsontvangers tot de arbeidsmarkt kan bepalend zijn voor de re-integratiedienstverlening die de gemeente hen biedt. Om te bepalen in hoeverre dat het geval is, vroegen we gemeenten in de vragenlijst om een inschatting te maken in welke mate hun re-integratielasten zijn verdeeld over vier groepen op basis van hun afstand tot de arbeidsmarkt21: a.

Doelgroep 1: Inwoners waarbij op korte termijn betaald werk mogelijk is;

b.

Doelgroep 2: Inwoners waarbij op langere termijn betaald werk mogelijk is;

c.

Doelgroep 3: Inwoners waarbij betaald werk niet is voorzien maar maatschappelijke participatie op korte termijn wel mogelijk is;

a.

Doelgroep 4: Inwoners waarbij betaald werk niet is voorzien maar maatschappelijke participatie op lange termijn mogelijk is.

5.1.1

Hoe groter de afstand tot de arbeidsmarkt, hoe minder gemeenten uitgeven aan re-integratie De onderstaande grafiek toont het gemiddeld aandeel (in %) dat iedere doelgroep vormt van het bijstandsbestand (roze) en de re-integratielasten (paars) op basis van een inschattingen van de respondenten. Een voorbeeld: bijstandsontvangers die op korte termijn weer aan het werk kunnen, maken gemiddeld 13% uit van het totale bijstandsbestand. Toch gaat 29% van het re-integratiegeld naar deze groep. Respondenten gaven hier meestal een ruwe inschatting. Het betreft hier ongewogen gemiddelden op basis van de inschattingen van respondenten22. In de grafiek is een duidelijke trend te zien in de verhoudingen tussen het aandeel van deze doelgroep in het bijstandsbestand en de re-integratielasten. Kijken we bijvoorbeeld naar de groep bijstandsontvangers die op korte termijn kunnen werken, dan komen we uit op een verhouding van 2,2. Dit betekent: gemeenten besteden ruim 2 keer zoveel aan deze doelgroep dan te verwachten valt op basis van hun

21 Gemeenten hanteren uiteenlopende criteria om deze groepen van elkaar te onderscheiden. Het is niet

mogelijk gebleken om eenduidige criteria te hanteren die voor elke gemeente te hanteren is op basis van wat en hoe zij hun inzet registreren. Zo zijn er gemeenten die doelgroep 1 en 2 niet strikt van elkaar onderscheiden en gemeenten die andere ‘korte’ termijnen hanteren waarbinnen betaald werk mogelijk is (zoals 6, 12 of 18 maanden). Daarom hebben we een strikt onderscheid losgelaten, om ook te voorkomen dat respondenten niet of te beperkt de vragenlijst konden invullen. Wel vroegen we of en hoe zij bepaalde doelgroepen definiëren. 22 De cijfers kunnen afwijken van de landelijke totalen door de beperkte respons (19 respondenten) en het

feit dat sommige respondenten kozen voor een inschatting. In het licht van deze databeperkingen heeft een weging van de gemiddelden naar omvang weinig meerwaarde.

37

5.2.2

Bij recent ingestroomde bijstandsontvangers wordt volop ingezet op betaald werk Gemeenten zetten bij recent ingestroomde bijstandsontvangers relatief veel in op re-integratie in enge zin. Gemiddeld classificeren zij hun relatieve inzet met een 4,4 op een schaal van 1 op 5. Bij deze groep wordt meer ingezet op re-integratie in enge zin dan bij inwoners die tussen de 2 en 5 jaar in de bijstand zitten (score: 3,5) of langer dan 5 jaar in de bijstand zitten (score 2,4). Uit gesprekken met respondenten komt naar voren dat recent ingestroomde bijstandsontvangers in veel gevallen nog een recent arbeidsverleden hebben en daardoor de stap naar betaald werk makkelijker kunnen zetten. Dit verklaart waarom gemeenten voor deze groep inwoners vooral inzetten op re-integratie in enge zin en minder op reintegratie in brede zin (score: 2,6). Wel geven gemeenten aan dat de duur dat iemand in de bijstand zit wel steeds minder bepalend is voor de kans om de stap naar betaald werk te (kunnen) zetten. Meer bepalend is iemands motivatie en ontwikkelkansen. Bij inwoners die langer dan 2 jaar in de bijstand zitten, is re-integratie in enge zin vaak al geprobeerd. Voor deze inwoners bleek de stap naar werk destijds te groot of de ondersteuning heeft nog niet geleid tot het gewenste resultaat.

Deze groep ontvangt gemiddeld genomen daarom net iets vaker ondersteuning op het vlak van re-integratie in brede zin vanuit gemeenten (score: 2,9 en 2,8), maar veel verschilt dit niet van de inzet hierop bij recent ingestroomde bijstandsontvangers (score: 2,6). Oftewel: gemeenten zetten niet per se veel meer of minder in op re-integratie in brede zin naarmate iemand langer in de bijstand zit.

5.2.3

De meeste gemeenten richten zich relatief weinig op niet-uitkeringsgerechtigden, uitgezonderd de kansrijke zelfmelders De meeste gemeenten bieden weinig re-integratie in enge zin aan niet-uitkeringsgerechtigden. Gemeenten die aangeven wel in te zetten op niet-uitkeringsgerechtigden doen dit uitsluitend aan nietuitkeringsgerechtigden die zichzelf melden én willen werken, of enkele specifieke groepen nietuitkeringsgerechtigden, met bijzondere aandacht voor voortijdige schoolverlaters uit het praktijk-, voortgezet speciaal of entree-onderwijs. Figuur 16 dienen we dan ook als volgt te interpreteren: als een niet-uitkeringsgerechtigde zichzelf meldt en/of kansrijk wordt ingeschat door de gemeente, dan ligt de gemiddelde relatieve inzet van gemeenten op een 2,9 op een schaal van 1 tot 5. Andere groepen nietuitkeringsgerechtigden ontvangen minder inzet op re-integratie in enge zin vanuit gemeenten. In vergelijking met bijstandsontvangers (zonder vrijstelling) hebben niet-uitkeringsgerechtigden geen verplichting tot re-integratie. Dit, en de afwezigheid van financiële prikkels vanuit het Rijk voor de gemeentelijke re-integratieondersteuning aan niet-uitkeringsgerechtigden, leidt ertoe dat de gemeenten relatief weinig tot geen re-integratie in enge zin bieden aan de hele groep niet-uitkeringsgerechtigden.

Als gemeenten wel re-integratieondersteuning bieden aan niet-uitkeringsgerechtigden, zien we ook dat gemeenten strengere voorwaarden verbinden aan de geboden ondersteuning, op jongere nietuitkeringsgerechtigden na. Zij stellen bijvoorbeeld voorwaarden rondom de financiering (o.a. een eigen bijdrage vanuit de niet-uitkeringsgerechtigde), een beperkte beschikbaarheid van instrumenten voor deze groep, minimale beschikbaarheid voor werk of (gedeeltelijke) uitsluiting van instrumenten bij een bepaald inkomen of vermogen. Bij de ondersteuning aan niet-uitkeringsgerechtigden wegen gemeenten dus vele malen strenger of de eigen inzet uiteindelijk effectief is en passen hun aanbod daarop aan. Gemeenten geven daarnaast aan dat zij liever geen inzet plegen voor niet-uitkeringsgerechtigden die zij kenmerken als “de partner van de tandarts”: mensen zonder geldzorgen, maar ook zonder baan.

5.2.4

Gemeenten zetten bij jongeren relatief veel in op re-integratie in enge zin Gemeenten zetten bij jongeren (tot 27 jaar) relatief veel in re-integratie in enge zin (score: 4,5). 87% van de respondenten geeft aan dat zij op een schaal van 1 tot 5 een inzet van 4 of 5 hebben. Deze doelgroep

44

krijgt dus nadrukkelijk meer aandacht dan andere doelgroepen die respondenten ondersteuning bieden. Bijstandsontvangers tussen 27 en 50 jaar krijgen ook relatief iets meer dan gemiddeld aandacht (score: 3,6) om de stap naar werk te maken. Gemeenten focussen zich echter niet in het bijzonder op 50plussers. Als zij de stap naar werk kunnen zetten, dan krijgen ze ondersteuning hierbij, maar respondenten zetten op deze doelgroep in vergelijking met andere doelgroepen minder in. Uit gesprekken met respondenten komt naar voren dat zij jongeren vaak zien als een groep met relatief veel arbeidskansen, waardoor zij ervoor kiezen om meer in te zetten op deze groep. Leeftijd hangt volgens respondenten vaak samen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Ook voorkomt een vroege inzet op jongeren langdurige afhankelijkheid van de bijstand. Uit de resultaten blijkt niet dat respondenten hun inzet op re-integratie in brede zin sterk laten afhangen van de leeftijd van bijstandsontvangers. Veeleer wordt deze inzet bepaald door de persoonlijke situatie van inwoners (wat iemand nodig heeft en wat iemand kan) en de beschikbaarheid van geschikte plekken om te participeren. 5.2.5

Re-integratie in enge zin is bij de doelgroepen beschut werk en Banenafspraak vooral de focus Bijstandsontvangers die vallen onder de doelgroep beschut werk of de doelgroep Banenafspraak krijgen relatief veel inzet vanuit gemeenten, met een duidelijke focus op re-integratie in enge zin. Dit is niet verwonderlijk, aangezien de gemeente hier een strengere wettelijke taak heeft. Voor de doelgroep beschut werk geldt dat gemeenten verantwoordelijk zijn om actief beschutte werkplekken in te richten als eenmaal de indicatie is afgegeven. Voor de doelgroep Banenafspraak geldt een wettelijke taakstelling: gemeenten moeten zelf banen creëren binnen hun organisatie voor deze doelgroep, net als andere werkgevers. Deze verplichtingen geven gemeenten een duidelijke prikkel om deze doelgroepen re-integratie in enge zin te bieden, en minder op re-integratie in brede zin. Deze inzet heeft overigens wel grenzen, aangezien de financiering van beschut werk niet toereikend is om de kosten te dekken.24

5.2.6

Bij statushouders ligt inzet van gemeenten zowel op re-integratie in enge als in brede zin Statushouders nemen een bijzondere positie in binnen de re-integratieondersteuning van gemeenten. Want zoals blijkt uit figuur 16 zetten respondenten bij statushouders relatief veel in op zowel re-integratie in enge zin als re-integratie in brede zin. Dit accent in ondersteuning is grotendeels toe te schrijven aan de verantwoordelijkheid van gemeenten voor het inburgeringstraject van statushouders. In combinatie met bijvoorbeeld taallessen, zetten respondenten gelijktijdig in op ondersteuning naar werk en participatie, wat ook verplicht is binnen de leerroute Z. Tegelijkertijd geldt dat statushouders in sommige gevallen tijdelijk worden vrijgesteld van verplichtingen uit de Participatiewet, bijvoorbeeld wanneer het inburgeringstraject veel tijd en inzet vergt of wanneer werk overdag moeilijk valt te combineren met inburgeringsactiviteiten. Verder bieden sommige gemeenten meestal een specifiek aanbod voor statushouders, zoals maatwerktrajecten en intensieve begeleiding. Dat statushouders extra aandacht krijgen van gemeenten, komt niet alleen voort uit de wettelijke taak die gemeenten hebben, maar ook uit de overtuiging dat statushouders - mits goed ondersteund - op termijn succesvol de stap naar werk kunnen zetten.

Gemeenten zien in deze groep een latent potentieel dat met de juiste investering kan worden ontsloten, al vraagt dit soms om een langere adem.

24 Bronnen: De kosten en uitvoering van beschut werkplekken in Nederland - Cijfers, duiding en

doorgroeipotentie | Rapport | Rijksoverheid.nl en Sectorinformatie 2024: investeren in mensen loont.

45

6 Re-integratie-instrumenten In dit hoofdstuk geven we inzicht in de instrumentkeuze van gemeenten, en welke doelgroepen welk type instrumenten ontvangen (voor welk doel). Hiernaast beschrijven we de overwegingen van gemeenteprofessionals achter deze keuzes. 6.1 6.1.1

SRG-cijfers als basis voor de cijferanalyse Wat zijn de SRG-gegevens en wat zeggen deze over re-integratie? Het CBS verzamelt gegevens over de ingezette re-integratie- en participatievoorzieningen van gemeenten via de Statistiek Re-integratie Gemeenten (SRG). Een voorziening wordt in dit kader gedefinieerd als “een activiteit die door een gemeente wordt ingezet nadat de gemeente heeft vastgesteld dat de cliënt een belemmering heeft die directe arbeidsinschakeling bemoeilijkt. 25 Gemeenten en/of hun uitvoerders leveren hun gegevens aan bij het CBS in de vorm van aantallen voorzieningen naar type en (sinds 2018/2019) naar doelstelling. De SRG-gegevens zijn de standaardgegevens om de inzet op re-integratie-instrumenten op nationaal niveau te meten. Het CBS onderscheidt twee doelstellingen van voorzieningen: “re-integratie”, waarbij het langetermijndoel altijd arbeidsinschakeling is, en “participatie”, dat gericht [is] op het gaan of blijven deelnemen aan de maatschappij. Deze tweedeling sluit aan bij onze opdeling van de re-integratiedienstverlening: de eerste categorie betreft wat wij re-integratie in enge zin noemen, en de tweede betreft re-integratie in brede zin.

6.1.2

CBS-onderzoek toont aan dat de SRG-registratie niet perfect is Recent onderzocht het CBS in hoeverre de SRG een compleet en accuraat beeld geeft van de ingezette voorzieningen door gemeenten.26 Het CBS ontving immers signalen dat er mogelijk sprake is van onderregistratie bij sommige gemeenten. Het CBS concludeert dat verschillen tussen gemeenten in de inzet van voorzieningen voor een deel terug te voeren zijn op verschillen in registratie en administratie. CBS noemt onder andere deze factoren, die wij in dit onderzoek ook zijn tegengekomen: a.

Het is voor gemeenten niet altijd duidelijk of een voorziening in de SRG thuishoort of niet. Er is grijs gebied wat hieronder valt. De SRG gaat uitsluitend om voorzieningen die zijn ingezet voor reintegratie of participatie op grond van de Participatiewet. Activiteiten zoals arbeidsmatige dagbesteding (Wmo) of sommige inburgeringstrajecten vallen buiten de scope van de SRG;

b.

Soms registreren gemeenten “standaarddienstverlening” in de SRG, zoals monitoring en procesbegeleiding. Het CBS stelt dat deze dienstverlening strikt genomen niet tot de SRG hoort;

c.

De kwaliteit van de registratie kan lijden onder de druk van administratieve lasten bij de gemeente;

d.

Als het belang van een goede registratie duidelijk is, dan krijgt goed registreren meer prioriteit. Dat geldt bijvoorbeeld voor voorzieningen waaraan financiële gevolgen verbonden zijn (zoals bij loonkostensubsidie)27 en wanneer de gemeente de SRG-gegevens gebruikt voor financiële verantwoording;

e.

Gemeenten geven aan dat de kwaliteit van de registratie beter is bij de externe partij, want dan is er verantwoording nodig. Anderzijds hebben sommige gemeenten in dergelijke gevallen niet scherp op het netvlies dat de begeleiding door de eigen medewerkers ook een voorziening zou kunnen zijn.

25 Re-integratie-/participatievoorzieningen; type, status voorziening en regio | CBS. 26 Zie 6. Doorgevoerde acties om de registratie te verbeteren | CBS. 27 De registratie van LKS-voorzieningen is bijvoorbeeld direct gekoppeld aan de hoogte van de Algemene

uitkering in het Gemeentefonds.

46

250.000 nog maar 0,55 voorziening. Bij gemeenten met meer dan 250.000 inwoners is de gemiddelde inzet verder gedaald naar 0,46 per bijstandsontvanger. Wel zetten grotere gemeenten meer in per inwoner. Dit heeft te maken met het relatief hoge aantal bijstandsontvangers in grote gemeenten.31

Gemiddelde inzet re-integratie/ participatievoorzieningen per bijstandsontvanger (2024)

Gemiddelde inzet re-integratie/ participatievoorzieningen per 1.000 inwoners (2024) < 15.000

10

< 15.000

0,89

15.000 - 25.000

10

15.000 - 25.000

0,84

0,90

25.000 - 50.000

13

25.000 - 50.000

50.000 - 100.000

14

50.000 - 100.000

100.000 - 250.000

14

100.000 - 250.000

> 250.000

18

0

5

10

15

20

0,73 0,55

> 250.000

0,46 0,0

0,5

1,0

Figuur 20. Gemiddelde inzet op re-integratie- en participatievoorzieningen in 2024 (september) naar gemeentegrootte. Bron totaal aantal voorzieningen: CBS-SRG. Noemer: aantal inwoners of aantal ontvangers van bijstandsuitkeringen januari 2024 (CBS). Dit is een opvallend patroon dat niet direct past bij de analyse van de budgettaire inzet (figuur 7). Daar signaleerden we namelijk dat de inzet in euro’s per inwoner en bijstandsontvanger stijgt in gemeentegrootte. We hebben geen sluitende verklaring voor deze ogenschijnlijke tegenstrijdigheid, maar hieronder noemen we enkele mogelijke hypothesen, die we niet nader hebben getoetst (naast die genoemd rond figuur 7): i.

Grote gemeenten hebben minder zicht op de SRG-registratie, omdat zij processen meer scheiden dan kleinere gemeenten. Hierdoor kan er meer sprake zijn van onderregistratie in de SRG met name in grotere gemeenten;

ii.

Grotere gemeenten hebben een ingewikkelder te begeleiden bijstandsbestand, waardoor inzet op voorzieningen naar werk minder vaak aan de orde zijn;

iii.

Het kan ook zo zijn dat grote gemeenten daadwerkelijk hogere kosten maken per SRGvoorziening.

6.3

Inzet van voorzieningen verschilt per doelgroep In deze paragraaf zoomen we verder in op doelgroepen die (al dan niet) een voorziening ontvangen.

31 Het CBS heeft geen openbare gegevens per gemeente van het aantal SRG-ontvangers zonder

bijstandsuitkering. We kunnen wel indirect corrigeren voor het feit dat gemeenten ook SRG-voorzieningen inzetten voor niet-uitkeringsgerechtigden, door te kijken naar het aantal SRG-voorzieningen gedeeld door het aantal bijstandsontvangers plus LKS-ontvangers. Bij die rekensom blijft het verschillenpatroon tussen gemeenten staan, hoewel iets genuanceerder.

52

en/of met loonkostensubsidie) aan de slag. Het verschilt uiteraard wel per regio welk type werkgevers en banen beschikbaar zijn, en daarmee samenhangend hoe de gemeente de werkgevers benadert. Voor doelgroepen met grotere afstand tot de arbeidsmarkt is er aanzienlijk meer variatie tussen gemeenten. Het beschikbare ondersteuningsaanbod kan dusdanig verschillen per gemeente, dat het niet zomaar mogelijk is hier een landelijk beeld van te geven. In hoofdstuk 8 geven we een indicatie van deze verschillen, door te kijken wat gemeenten voor wie inzetten op casusniveau.

58

7 Kosten van jobcoaches en klantmanagers Salariskosten zijn de grootste kostenpost voor re-integratie, zo bleek al in hoofdstuk 4. In dit hoofdstuk beschrijven we twee functies die veel voorkomen bij gemeenten en die een belangrijke rol spelen in hun re-integratiedienstverlening: de jobcoach en de klantmanager. We vroegen twaalf organisaties een inschatting te maken van de kosten van deze twee functies met behulp van een invulformat. In paragrafen 7.1 en 7.2 gaan we in op de taken en kosten van de jobcoach. Paragrafen 7.3 en 7.4 behandelen de rol en kostprijs van de klantmanager. In bijlage B staan aanvullende grafieken ter verduidelijking van de resultaten. 7.1 7.1.1

Taken van een jobcoach De jobcoach begeleid mensen naar (passend/duurzaam) werk De jobcoach neemt een belangrijke rol in binnen de gemeentelijke re-integratiedienstverlening. Gemeenten zetten jobcoaches in om mensen met een korte tot middellange afstand tot de arbeidsmarkt te begeleiden naar passend en duurzaam werk. De begeleiding is onder meer gericht op het versterken van werknemersvaardigheden en het bevorderen van de zelfstandigheid van de inwoner. Op basis van de kostenformats die gemeenten hebben ingevuld, komen de volgende taken naar voren als belangrijk: a.

Matching en plaatsing van kandidaten;

b.

Ondersteunen van werkgevers in het begeleiden van de kandidaat;

c.

Opstellen van traject- of coachingsplannen;

d.

Begeleiding op de werkvloer door onder meer het versterken van werknemersvaardigheden, en het bevorderen van zelfstandigheid;

e.

In kaart brengen van werknemersvaardigheden, competenties en belastbaarheid, eventueel met behulp van diagnostische testen;

f.

Contacten onderhouden met werkgevers en het zoeken naar passende werkplekken voor de inwoner.

Naast het begeleiden naar werk kan de jobcoach ook verantwoordelijk zijn voor het bieden van ondersteuning bij het behouden van werk. In sommige gevallen voert de jobcoach ook aanvullende taken uit, zoals het uitvoeren van loonwaardemetingen en het beheren van contracten rondom loonkostensubsidie en detacheringen. Van de twaalf gemeenten die het kostenformat invulden, geven vijf aan jobcoaching volledig of gedeeltelijk in te kopen bij een externe partij. Andere gemeenten kiezen ervoor om jobcoaching intern te organiseren. De keuze tussen intern en extern is vaak een afweging tussen kosten, kwaliteit, flexibiliteit en sturingsmogelijkheden. Er zijn ook gemeenten die zowel interne als externe jobcoaches hebben. Door jobcoaching intern te organiseren houden gemeenten meer regie, kan er sneller worden geschakeld en kan de gemeente meer sturen op maatwerk. Ook zijn de lijnen met de klanten korter, waardoor signalen sneller worden opgevangen. Voor sommige gemeenten is interne jobcoaching goedkoper dan uitbesteden, en geeft het meer grip op de inzet van middelen en personeel. Externe jobcoaching wordt vaak gekozen vanwege schaalvoordelen of omdat de externe partij specialistische kennis heeft.

59

Gemeenten kiezen soms om de mensen met de grootste afstand tot de arbeidsmarkt door een externe, gespecialiseerde partij te laten begeleiden. Dit vraagt wel om goed contractmanagement en monitoring. 7.1.2

De doelgroepen die een jobcoach begeleidt kunnen verschillen tussen gemeenten en binnen gemeenten De doelgroep waarop een jobcoach zich richt kan verschillen per gemeente. In sommige, met name grotere gemeenten is de jobcoach aangesteld voor het begeleiden van een specifieke doelgroep, bijvoorbeeld de mensen in het doelgroepenregister of beschut werk. In deze gemeenten kan de rol van de jobcoach gecombineerd zijn met die van de klantregisseur. Dit hangt samen met de omvang van deze groepen en het feit dat zij vaak een andere, meer intensieve begeleiding nodig hebben dan reguliere bijstandsontvangers. Deze doelgroep kan bijvoorbeeld extra ondersteuning nodig hebben bij het ontwikkelen van werknemersvaardigheden. In andere gemeenten is de doelgroep minder nauw gespecificeerd en richt de jobcoach zich op de gehele populatie die naar werk is te begeleiden. Ook in die gemeenten wordt aangegeven dat de werkzaamheden van een jobcoach soms gelijk zijn aan die van een klantmanager, en dat daartussen geen onderscheid wordt gemaakt. Beperkte registratiekwaliteit kan resultaten beïnvloeden Zoals in eerdere hoofdstukken aangegeven, varieert de kwaliteit van de registratie over de inzet en kosten van re-integratie-instrumenten sterk tussen gemeenten. Dit heeft ook invloed op de interpretatie van de gepresenteerde resultaten in dit hoofdstuk.

Op basis van de vragenlijst onder 44 gemeenten blijkt dat ruim de helft van de gemeenten enkel indicatief informatie kan aanleveren over de kostprijs van een jobcoach en/of klantmanager (op basis van aanvullende aannamen). Ongeveer een kwart van deze gemeenten geeft aan deze informatie niet beschikbaar te hebben of niet te kunnen produceren. Slechts een beperkt deel van de gemeenten kan deze gegevens relatief eenvoudig uit hun systemen halen. Specifiek voor de inzet van jobcoaching gaf 16% van de gemeenten aan geen informatie te kunnen leveren. Voor de inzet van klantmanagers is dit aandeel iets hoger, namelijk 23%. In beide gevallen geeft ruim de helft van de gemeenten aan de informatie slechts via aanvullende aannames in te kunnen vullen. Naast de vragenlijst hebben we een kostenuitvraag uitgezet onder 12 gemeenten. Alle 12 hebben het format ingevuld. Op basis van de ingevulde kostenformats zien wij dat niet alle informatie even goed door gemeenten is ingevuld. Soms ontbraken gegevens, soms zijn cijfers gebaseerd op schattingen. De verdere analyse in dit hoofdstuk is gebaseerd op deze 12 gemeenten.

7.2 7.2.1

Kosten van een jobcoach De kostprijs per jobcoach per fte per maand kent grote verschillen De kostprijs voor een jobcoach per fte per maand varieert aanzienlijk tussen gemeenten. Gemiddeld bedraagt deze kostprijs € 7.682, opgebouwd uit € 6.108 aan loonkosten36 en €1.574 aan overhead (gemiddeld opslagpercentage van 26%). In onderstaande figuur zijn de kostprijzen van een jobcoach weergegeven, waarbij elke staaf een andere gemeente of andere jobcoach representeert. De hoogste

36 De loonkosten zijn inclusief salaris, IKB (vakantiegeld, eindejaarsuitkering, overige toelagen),

reiskostenvergoeding en sociale premies ten laste van werkgevers.

60

7.2.2

De caseload en intensiteit van de dienstverlening van een jobcoach verschilt per gemeente, doelgroep en functiepakket van de professional De caseload van een jobcoach varieert sterk tussen gemeenten en hangt nauw samen met het takenpakket. Uit onze uitvraag blijkt dat het aantal cliënten (inwoners met ondersteuning) per jobcoach-fte uiteenloopt van 15 tot 63, met een gemiddelde van 37 cliënten. Naast de grote spreiding tussen gemeenten, kunnen de caseloads binnen gemeenten ook sterk verschillen. Dit hangt vooral samen met de doelgroep waarop een jobcoach wordt ingezet. In sommige gemeenten begeleidt een jobcoach een gemengde caseload met uiteenlopende typen cliënten, terwijl andere gemeenten juist werken met gespecialiseerde jobcoaches voor specifieke doelgroepen, zoals mensen uit het doelgroepenregister of beschut werk. In sommige gevallen is de jobcoach verantwoordelijk voor een brede ondersteuning, waarbij naast ondersteuning richting werk ook begeleiding op andere levensgebieden plaatsvindt. Bij deze gemeenten ligt de caseload vaker lager dan in gemeenten waar de begeleiding zich beperkt tot gesprekken op de werkvloer. De caseload bepaalt voor een belangrijk deel ook de intensiteit van de dienstverlening. De intensiteit wordt gemeten als het aantal ingezette uren per maand per cliënt.

Deze intensiteit is gebaseerd op het aantal contracturen per jaar, de duur van de werkweek, de productiviteit en de caseload. Gezien het feit dat de productiviteit van jobcoaches tussen gemeenten grotendeels gelijk is (aantal werkbare uren tussen de 7080% van de cao-contracturen, gemiddeld 1.600 netto werkbare uren per jaar), zien we een vergelijkbare spreiding in intensiteit als bij de caseload. De gemiddelde intensiteit ligt net onder de 4 uur per maand: dat betekent dat een jobcoach gemiddeld bijna 1 uur per week aan jobcoaching per cliënt kan bieden. Echter zien wij verschillen tussen gemeenten en tussen jobcoaches. Er zijn gemeenten waarbij een cliënt gemiddeld dubbel zoveel begeleiding per maand ontvangt, echter zijn er ook gemeenten waar een cliënt maar 2 uur per maand ontvangt. Het gaat hierbij om een gemiddeld aantal uren ingezet per cliënt, ook binnen de gemeenten verschilt de ondersteuning nog per persoon. De doelgroep die een jobcoach begeleidt en de invulling van deze begeleiding, beïnvloeden de intensiteit. Gemeenten die inzetten op intensieve en persoonlijke ondersteuning, bijvoorbeeld om de zelfstandigheid van cliënten te vergroten, rapporteren een hogere tijdsbesteding per cliënt. In andere gemeenten bestaat de begeleiding enkel uit een periodiek gesprek, wat minder tijd vergt.

Dit laatste is niet per se goedkoper, omdat dan andere professionals een deel van de dienstverlening op zich nemen.

7.2.3

Het inzetten van een jobcoach kost gemiddeld € 74 per uur De kosten van de jobcoach per ingezet uur komen gemiddeld uit op € 74, met een spreiding van € 42 tot € 96 per uur (zie onderstaand figuur). De jobcoaches in het duurdere deel zijn veelal ingekochte jobcoaches waarvoor een vast all-in-uurtarief wordt gehanteerd. Ondanks de hogere uurprijs is het niet per se gegeven dat het inkopen van jobcoaching een ondoelmatige keuze is. Externe jobcoaches kunnen bijvoorbeeld worden ingeschakeld voor meer specialistische expertise. Aan de andere kant achten wij een integrale kostprijs van € 40 per uur aan de lage kant, zeker als we dit vergelijken met bijvoorbeeld de tarieven die UWV hanteert voor jobcoaching. UWV hanteert in 2025 een normbedrag van € 111 per uur (excl. btw) voor persoonlijke ondersteuning/jobcoaching39. De spreiding in het uurtarief is het resultaat van het verschil in salariskosten, overhead en productiviteit.

39 Bron: wetten.nl - Regeling - Besluit Normbedragen Voorzieningen UWV 2025 - BWBR0050803

62

Er zijn ook veel synoniemen van het woord “klantmanager” in omloop, zoals werkcoach, reintegratiecoach, participatiecoach, activeringscoaches, consulent werk (en inkomen), et cetera. Soms wordt de term “jobcoach” zelfs gebruikt voor de klantmanager. De klantmanager heeft regie op het gehele traject naar werk, opleiding of maatschappelijke participatie. Naast de begeleiding voert de klantmanager meestal ook administratieve taken uit, waaronder het aanmelden van inwoners, verwerken van aanvragen voor bijzondere bijstand en het vastleggen van de vooruitgang. Ook onderhoudt de klantmanager contact met externe partijen zoals zorgaanbieders en wijkteams. In sommige gemeenten is de klantmanager niet alleen verantwoordelijk voor werk en/of participatie, maar ook voor rechtmatigheid(scontroles) en inkomensvoorziening. In sommige gemeenten is de klantmanager verantwoordelijk voor de begeleiding van alle doelgroepen. In andere gemeenten zijn klantmanagers juist gespecialiseerd per doelgroep, zoals jongeren, inburgeraars of mensen in beschut werk. Afhankelijk van de doelgroep ligt de focus op begeleiding naar werk of op sociale activering. Binnen deze doelgroepen bevinden zich mensen met een korte of lange afstand tot de arbeidsmarkt, maar ook mensen voor wie maatschappelijke participatie het hoogst haalbare is. 7.3.2

De intensiteit van de dienstverlening van een klantmanager verschilt sterk tussen gemeenten De intensiteit van de begeleiding van klantmanagers verschilt sterk tussen gemeenten. Sommige gemeenten hebben jaarlijks contact met al hun bijstandsontvangers. Deze regelmatige gesprekken bieden gemeenten de mogelijkheid om de voortgang van het re-integratietraject beter te monitoren en sneller knelpunten te signaleren. De uitvoerbaarheid van jaarlijkse contactmomenten is afhankelijk van gemeentegrootte, beschikbare capaciteit en beleidskeuzes. We zien dat vooral kleinere gemeenten vaker inzetten op jaarlijkse contactmomenten met de hele doelgroep, mogelijk door hun beperkte schaalgrootte en kleiner bijstandsbestand. Grotere gemeenten zijn eerder genoodzaakt te prioriteren op basis van kansrijkheid, zoals de verwachte uitstroomkans naar werk, en kiezen ervoor om niet iedereen jaarlijks te spreken. Bij deze gemeenten zien we vaker dat zij een afwijkende contactfrequentie hanteren (zoals eens in de twee of drie jaar) voor bepaalde doelgroepen, bijvoorbeeld inwoners die voor langere tijd al een bijstandsuitkering ontvangen. Deze diversiteit in aanpak komt ook duidelijk naar voren in de cijfers van de ingevulde kostenformats (zie 7.4.2). Hiernaast kan de contactfrequentie ook nog sterk verschillen binnen deze doelgroepen.

64

Voorbeeld van de taken van een klantmanager: De intake Klantmanagers voeren voorafgaand aan de start van de re-integratiedienstverlening vaak een intake uit om te bepalen welke voorzieningen en trajecten het beste aansluiten bij de situatie van de bijstandsontvanger. Een intake dient als routeringsinstrument, op basis waarvan wordt bepaald of iemand naar werk, participatie of zorg wordt doorverwezen. Binnen de intake speelt diagnostiek een centrale rol. Via methodes zoals Compentensys of de ABCmethode worden vaardigheden, kwaliteiten en beperkingen vastgesteld. De diagnose is mede bepalend of iemand direct naar werk kan worden begeleid, eerst een ontwikkeltraject nodig heeft, of (voorlopig) niet bemiddelbaar is. Het heeft daarmee invloed op de intensiteit en het type begeleiding dat iemand ontvangt en is de basis waarop het persoonlijk ontwikkelplan wordt opgesteld. Sommige gemeenten geven aan de diagnose niet alleen bij instroom te laten plaatsvinden, maar ook periodiek worden herhaald om te beoordelen of de situatie van de klant is veranderd. Gemeenten hebben vaak de mogelijkheid om in specifieke gevallen een intensievere diagnose (bijvoorbeeld in combinatie met arbeidsmedisch onderzoek) in te zetten bij een gespecialiseerde professional.

In verschillende van de gesproken gemeenten gebeurt dit via een brede (integrale) intake: een gesprek waarin niet alleen de arbeidsmogelijkheden, maar ook andere leefgebieden zoals inkomen, schulden, gezondheid en gezinssituatie worden besproken. In sommige gemeenten wordt de brede intake uitgevoerd door een integraal team, bestaande uit een inkomensconsulent, arbeidscoach en soms een Wmo-consulent. In andere gemeenten is nog geen sprake van een brede intake. Gemeenten voeren dan meestal eerst een rechtmatigheidsonderzoek uit: heeft iemand recht op een uitkering? Dit wordt gedaan door klantmanagers rechtmatigheid (of: inkomen). Hierop voortbouwend volgt dan een intake bij de klantmanager werk. De duur van de brede intake verschilt per gemeente. Het gesprek zelf duurt vaak een tot anderhalf uur. Er zijn echter ook gemeenten waar de brede intake uit meerdere gesprekken kan bestaan afhankelijk van de problematiek van de inwoner. Hierna werkt de klantmanager de informatie uit in een plan van aanpak. Het uitwerken daarvan kost meestal een tot enkele uren. 7.4 7.4.1

Kosten van een klantmanager De kostprijs per klantmanager per fte per maand ligt vaak rond de € 9.000 De kostprijs per fte per maand voor een klantmanager ligt bij veel gemeenten rond de € 9.000. Dit ligt ruim € 1.000 hoger dan de maandelijkse kosten voor een jobcoach. In tegenstelling tot de kosten voor een jobcoach, zijn de verschillen tussen gemeenten relatief beperkt. De gemiddelde loonkosten liggen rond de € 7000 per fte per maand met een minimum van € 6.500 en een maximum van € 7.400. Dit is opmerkelijk, omdat het takenpakket van klantmanagers juist meer kan verschillen tussen gemeenten dan de taak van een jobcoach. Het aandeel overhead is gemiddeld 26% met uitschieters van 19% tot 53%. In sommige gemeenten voert echter dezelfde persoon zowel de taken van jobcoach als klantmanager uit. In die gevallen is er geen onderscheid gemaakt in de kostprijs, waardoor de kosten voor de klantmanager gelijk zijn aan die van de jobcoach.

65

8 Instrumenten re-integratie in brede zin In dit hoofdstuk beschrijven we de interventies die gemeenten treffen voor enkele specifieke groepen inwoners met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Dit geeft een beeld bij het brede scala aan mogelijke interventies die gemeenten plegen om re-integratie (in brede zin) te bevorderen. Het gaat hier om groepen inwoners waarvan gemeenten inschatten dat zij niet binnen twee jaar de stap kunnen maken naar betaald werk, maar binnen 2 jaar wel geactiveerd kunnen worden richting (on)betaald werk of maatschappelijke participatie. 8.1

Persona’s als basis voor de analyse Gemeenten bieden uiteenlopende re-integratietrajecten, -voorzieningen en/of -interventies aan om inwoners te ondersteunen. Vanwege de grote variatie in dienstverlening die gemeenten bieden aan verschillende inwoners, is het niet realistisch om voor alle groepen inwoners inzicht te krijgen in de ingezette ondersteuning. Omdat de ondersteuning te veel uiteenloopt en vanwege verschillen in de registratiewijze van gemeenten, beperken we deze analyse tot drie persona’s met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Zie figuur 31 voor een visuele weergave van deze persona’s41.

Persona A: Vincent

Persona B: Mia

Persona C: Samir

Figuur 31. Visuele weergave van de drie persona’s. Een persona is een beschrijving van een fictief persoon die geldt als een afspiegeling voor een brede doelgroep. Voor dit onderzoek selecteerden we drie persona’s die een afspiegeling vormen van enkele veelvoorkomende groepen van bijstandsontvangers, vooral gebaseerd op onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP)42. Deze persona’s bieden inzicht in de variëteit van ondersteuning die gemeenten bieden aan inwoners met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, zoals de beschreven persona’s. In de onderstaande paragrafen lichten we per persona hun situatie en hulpvraag toe.

41 De foto’s bij de persona’s zijn AI-gegenereerd. Op basis van de persoonsbeschrijving vroegen we

ChatGPT om een bijpassende foto te generen. 42 In het rapport ‘Een brede blik op bijstand’ (2020) maakt het SCP een onderscheid tussen acht

veelvoorkomende groepen bijstandsontvangers met samenhangende kenmerken. Persona Vincent is gebaseerd op cluster 2 ‘mensen met ggz- en schuldenproblematiek’ en persona Mia op cluster 1 ‘ouderen met alleen een basis-/vmbo-opleiding en gezondheidsproblemen’. Het persona Samir is toegevoegd op verzoek van het ministerie van SZW en is niet gebaseerd op een geïdentificeerde groep door het SCP.

69

route of de Zelf-redzaamheidsroute). Deze instrumenten worden verleend bij een andere afdeling van de gemeente dan de afdeling(en) die verantwoordelijk zijn voor de re-integratiedienstverlening aan bijstandsontvangers. Hierdoor hebben respondenten, die verantwoordelijk zijn voor de reintegratiedienstverlening, beperkt zicht op het totale aanbod dat Samir ontvangt op het gebied van reintegratie in enge en brede zin. Wel constateren we onderling verschillen tussen respondenten in de aanvullende ondersteuning die zij bieden. Sommige respondenten nodigen Samir uit voor een banenmarkt, koppelen hem aan een taalmaatje, of bieden een werkfit- en/of werkontwikkeltraject aan, specifiek op maat gemaakt voor statushouders. Deze werkfit- en/of werkontwikkeltrajecten gaan gepaard met hoge kosten. De geschatte kosten hiervan liggen tussen de € 1.000 en bijna € 6.000. Maar wederom geldt hier: de hoogte van de kosten is sterk afhankelijk van de duur, intensiteit en opzet van het traject en de financiële afspraken die gemaakt zijn met aanbieders. 8.4.2

Vooral inzet op oriënterende gesprekken en lichte vorm van vrijwilligerswerk Bij de bemiddeling van Samir ligt de focus van respondenten vooral op voorbereidende of oriënterende gesprekken, gevolgd door bemiddelingsgesprekken. Aanvullende bemiddeling vindt immers plaats vanuit een andere afdeling of organisatie bij respondenten, in het geval van statushouders. Voor de inzet van deze gesprekken rekenen respondenten tussen 2 en 4 uur in totaal, met een kostprijs van € 50,- tot € 125,- per uur. Deze inzet richt zich in eerste instantie op bemiddeling naar vrijwilligerswerk. Wel valt op dat deze inzet minder is dan bij Mia. Dit verschil is deels te verklaren doordat Samirs inburgeringstraject nog loopt waarin ook aandacht is voor taal, opleiding en ontwikkeling. Deze aanpak weerspiegelt een strategische keuze vanuit respondenten: in plaats van volop inzetten op vrijwilligerswerk, wordt er bij Samir gekozen voor een traject dat ertoe leidt dat hij op termijn de stap naar betaald werk kan zetten. Maatschappelijk participeren op korte termijn heeft minder prioriteit.

8.4.3

Veel tijd en aandacht voor voortgangsbewaking en monitoring Meerdere respondenten geven aan dat de klantmanager in het geval van Samir ook tijd besteden aan voortgangsgesprekken en monitoring gedurende de activeringsfase. Dit is opvallend, omdat deze inzet bij bijvoorbeeld Vincent minder voorkomt. Het is echter onduidelijk waarom respondenten bij Samir hier juist meer tijd voor uittrekken. De inschattingen van de benodigde inzet hiervoor loopt uiteen: sommige respondenten rekenen met ongeveer 2 uur, terwijl andere uitgaan van 8 uur. De gehanteerde tarieven liggen in lijn met de kostprijzen in de bemiddelingsfase, namelijk tussen de € 50,- tot € 125,- per uur. Een respondent benadrukt dat inzet van de klantmanager in de voortgangsbewaking sterk afhankelijk is van de behoeftes van de inwoner, de ingeschatte noodzaak, en de afspraken die zijn gemaakt met de inburgeringsconsulent. De fase waarin klantmanagers de voortgang van Samirs activeringstraject volgen, duurt doorgaans een jaar. Dit wijst op een langdurige betrokkenheid, ondanks de relatief beperkte inzet in deze fase van professionals die re-integratiedienstverlening bieden.

74

A. Onderzoeksverantwoording Gesprekspartners Gedurende het onderzoek hebben we gesproken met de volgende organisaties en functionarissen. Vooronderzoek a.

Expertgroep: -

Hoogleraar van de Department of Public Administration and Sociology van de EUR;

-

Hoogleraar van de Department of Economics van de VU Amsterdam;

-

Senior onderzoeker van het SCP;

-

Zelfstandig uitvoeringsdeskundige met ervaring als manager bij gemeenten en Divosa.

b.

Deskundigen op het gebied van de SRG en Iv3 van het CBS

c.

Divosa

d.

VNG

e.

Gemeenten/uitvoeringsorganisaties: -

Almere;

-

Rotterdam;

-

Apeldoorn;

-

Senzer;

-

Veendam;

-

Fijnder (regio Oost-Achterhoek);

-

Den Haag;

-

RSD de Liemers.

Verdiepende studie a.

Almere;

b.

Den Haag;

c.

Katwijk;

d.

Losser;

e.

Rotterdam;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16826087/1