CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS324965 Bijlage 2 Achter Afval - Rapport fase 2-3

Algemene Raadscommissie 9 april 2026, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken17.484 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ACHTER AFVAL Achterliggende oorzaken van bijplaatsingen in Den Haag - Rapport fase 2-3

ACHTER AFVAL Achterliggende oorzaken van bijplaatsingen in Den Haag Rapport met onderzoeksresultaten uit fase 2 & 3 van het onderzoek “Achter Afval”

Achter Afval is een onderzoek naar de achterliggende oorzaken van afvalproblematiek in Den Haag bestaande uit drie fasen. Het wordt uitgevoerd door de Erasmus School of Social and Behavioural Sciences (ESSB) in de periode van Maart 2024 – September 2025

Auteurs: Britt van den Berg Renate Schelwald Onderzoekers: Britt van den Berg Sweya Geerlings Jade Lo Renate Schelwald Suzan Christiaanse Principal Investigator: Arwin van Buuren Datum: oktober 2025

Inhoudsopgave Samenvatting Rapport Fase 1: Blik op Afval

3

Samenvatting Huidig Rapport, Fase 2-3: Achter Afval 

5

1. Inleiding

6

1.2 Theoretisch kader: Sociale Praktijken 

7

2. Methoden

9

3. Analyse 

13

3.1 Betekenissen van ‘schoon’, ‘vies’ en hergebruik 

13

3.2 Ruimtegebrek en dagelijkse ritmes 

16

3.3 Sociaal-economische omstandigheden 

20

3.4 Kennis en informatie 

21

3.5 Verbinding en vervreemding in de buurt 

22

3.6 Relationele infrastructuren 

24

4. Aanbevelingen 

26

4.1 Integrale blik 

26

4.2 Zorg voor toegankelijke en betekenisvolle infrastructuur 

27

4.3 Investeer in relationele netwerken als kern van afvalbeheer 

30

4.4 Sluit aan bij bewoners 

32

Referenties 

34

Bijlagen 35

ACHTER AFVAL - Achterliggende oorzaken van bijplaatsingen in Den Haag

2

Samenvatting Rapport Fase 1: Blik op Afval Het eerder verschenen rapport Blik op Afval vormt de neerslag van de eerste fase van het onderzoeksproject Achter Afval, dat als doel had om inzicht te verkrijgen in de achterliggende oorzaken van afvalproblematiek in Den Haag. In deze verkennende fase stond het ophalen van aannames van professionals en betrokkenen centraal, als eerste stap richting een meer fundamenteel begrip van afvaloverlast in de stad. Het onderzoek beoogt uiteindelijk niet alleen het identificeren van verklarende factoren, maar ook het ontwikkelen van oplossingsrichtingen die structureel en duurzaam van aard zijn. In deze eerste fase zijn tien semigestructureerde interviews afgenomen met beleidsmedewerkers, uitvoerders, beheerders en ervaringsdeskundigen, aangevuld met zes oriënterende gesprekken met onderzoekers en ontwerpers. Deze gesprekken waren erop gericht te achterhalen welke typen afval als problematisch worden gezien, waar de hotspots zich bevinden, welke actoren betrokken zijn bij de problematiek, en welke verklaringen en oplossingsrichtingen worden aangevoerd. De problematiek rondom afval in Den Haag lijkt geconcentreerd te zijn in bepaalde stadsdelen en wijken, met name Laak en Escamp, en delen van het Centrum.

Het gaat daarbij niet alleen om zwerfafval, maar vooral om bijplaatsingen van vuilniszakken, matrassen en grofvuil, veelal naast ondergrondse containers. Verschillende typen afval worden gekoppeld aan specifieke doelgroepen: matrassen aan arbeidsmigranten, zwerfafval aan jongeren en recreanten, dumpingen aan ondernemers. Daarbij valt op dat feitelijke observaties en normatieve evaluaties vaak met elkaar vervlochten zijn in het discours van professionals. Veel uitspraken over ‘gedrag’ zijn in feite morele beoordelingen, waarin termen als ‘luiheid’, ‘gemakzucht’ of ‘gebrek aan normen’ worden gebruikt. De analyse van deze oordelen vormt een belangrijk uitgangspunt voor de verdere theoretische verkenning in fase twee.

Sociale Praktijken Het onderzoek introduceert Social Practice Theory (SPT) als belangrijkste theoretische lens om de afvalproblematiek te analyseren. SPT biedt een alternatief voor dominante gedragsmodellen die focussen op individuele intenties, attitudes of gedragssturing via nudging of informatievoorziening. In plaats daarvan wordt afvalgedrag begrepen als een uitdrukking van sociaal ingebedde praktijken, gevormd door drie onderling verweven elementen: betekenissen, competenties en materiële middelen. De toepassing van SPT maakt zichtbaar dat ‘afvalgedrag’ niet op zichzelf staat, maar ingebed is in bredere routines en contexten. De theorie maakt ook zichtbaar hoe verschillende actoren en systemen, zoals verhuurders, handhavers, bewonersinitiatieven en gemeentelijk beleid, elkaar beïnvloeden binnen het stedelijke afvallandschap.

Afval als stedelijk vraagstuk: symptomen, oorzaken en waarnemingen Instrumenteel en Structureel De interviews maken duidelijk dat de oorzaken van afvalproblematiek uiteenvallen in twee hoofdcategorieën. Enerzijds zijn er instrumentele oorzaken, zoals onvoldoende of slecht functionerende voorzieningen, beperkte handhaving, gebrekkige communicatie of versnipperd beleid. Anderzijds zijn er structurele, achterliggende oorzaken die verband houden met sociaaleconomische ongelijkheid, gebrekkige binding met de leefomgeving, culturele betekeniskaders en materiële beperkingen zoals woninggrootte of mobiliteit. Cruciaal is dat deze oorzaken vaak in samenhang optreden. Zo kan een tekort aan afvalcontainers pas problematisch worden als bewoners geen opslagruimte hebben of als er onduidelijkheid is over

ACHTER AFVAL - Achterliggende oorzaken van bijplaatsingen in Den Haag

3

meldingen of het maken van een afspraak. Opvallend is ook dat veel geïnterviewden erkennen dat zogenaamde ‘gedragsproblemen’ vaak wortelen in bredere omstandigheden zoals stress, armoede, overbewoning of sociaal isolement. Dit vraagt om een perspectiefverschuiving in beleid en praktijk: van gedragssturing naar structurele ondersteuning. Binding, cultuur en publieke ruimte Een bijzonder inzicht uit de eerste fase betreft de rol van binding aan de leefomgeving. Gebrek aan deze ‘plaatsbinding’, bijvoorbeeld bij tijdelijke bewoners, wordt vaak genoemd als verklarende factor. Plaatsbinding, sociale cohesie en informele controlemechanismen blijken van grote invloed op hoe bewoners omgaan met publieke ruimte. Tegelijkertijd blijkt uit het onderzoek dat bewoners elkaar in wijken met lage cohesie minder snel aanspreken op afvalgedrag, mede uit angst voor negatieve reacties of vanwege verschillen in normenkaders. Deze bevindingen onderstrepen het belang van culturele sensitiviteit en sociaal-ruimtelijke analyse in het ontwerp van interventies. Wat als normatief ‘slecht gedrag’ wordt gezien, kan in andere contexten onderdeel zijn van een morele overtuiging, bijvoorbeeld het niet verspillen van voedsel door het te voeren aan dieren.  

Richtingen voor oplossingen: van symptoombestrijding naar systeemaanpak Tot slot identificeert het rapport drie typen oplossingsrichtingen die in de interviews naar voren kwamen: (1) instrumentele aanpassingen in beleid en uitvoering (zoals betere logistiek, meer handhaving, meldingsapps), (2) gedragsgerichte interventies (zoals nudges, beloningssystemen, informatiecampagnes), en (3) structurele of systeemgerichte benaderingen die de achterliggende oorzaken aanpakken. Hoewel de eerste twee oplossingsrichtingen het meest gangbaar zijn, wijst het rapport er nadrukkelijk op dat blijvende effecten waarschijnlijker zijn wanneer ook de derde richting wordt verkend. Dat vraagt om een meer integrale, langetermijngerichte benadering waarbij niet alleen gedrag wordt beïnvloed, maar ook structuren, voorzieningen en machtsverhoudingen worden herzien. Hierbij past een reflexieve beleidsaanpak waarin bewoners en betrokkenen mede vormgevers zijn van oplossingen die al lerend en uitproberend worden ontworpen.

ACHTER AFVAL - Achterliggende oorzaken van bijplaatsingen in Den Haag

4

Samenvatting Huidig Rapport, Fase 2-3: Achter Afval Dit onderzoek naar afvaloverlast in Den Haag richtte zich op de onderliggende oorzaken van bijplaatsingen rond afvalcontainers. Naast een analyse van gemeentelijk beleid en data zijn dagboekopdrachten, interviews en co-designsessies met bewoners uitgevoerd. De centrale uitkomst is dat afvaloverlast niet op zichzelf staat, maar voortkomt uit een samenspel van fysieke, sociale en institutionele factoren. In de analyse onderscheiden we zes thema’s. Afval heeft voor bewoners uiteenlopende betekenissen: van iets vies dat snel weg moet tot iets dat nog waarde kan hebben. Ruimtegebrek in woningen en de timing van lediging leiden tot piekdruk op containers, vooral in dichtbevolkte wijken. Sociaal-economische omstandigheden, zoals stress, tijdelijke bewoning en overbewoning, maken dat afval minder prioriteit krijgt en dat signalen van bewoners niet altijd worden opgepakt. Gebrek aan kennis, taalbarrières en impliciete regels vergroten de kans op misverstanden. Tegelijk ervaren bewoners vervreemding: ze voelen zich niet gehoord of zien meldingen onbeantwoord blijven. Daardoor verliezen formele systemen betekenis en verschuift gedrag naar informele routes en netwerken. De bevindingen laten zien dat deze factoren sterk met elkaar verweven zijn. Afvalpraktijken ontstaan op het snijvlak van ruimte, tijd, regels en sociale relaties.

Social practice theory helpt die samenhang te begrijpen: niet één oorzaak is bepalend, maar juist de afstemming tussen materialen, vaardigheden en betekenissen bepaalt of een praktijk werkt of ontspoort. Deze verweven dynamiek vormt de basis voor de aanbevelingen. De aanbevelingen volgen dezelfde lijn. Allereerst is een toegankelijke en betekenisvolle infrastructuur nodig, afgestemd op ritmes en dichtheid van wijken. Daarnaast vraagt afvalbeheer om investeren in relationele netwerken, nabijheid en betrouwbaarheid. Sluit aan bij de betekenissen die bewoners zelf aan afval geven, en erken ook alternatieve praktijken zoals hergebruik. Zet kennis en coaching centraal, met aandacht voor taal, persoonlijke begeleiding en sleutelfiguren in de wijk. Tot slot is een integrale blik noodzakelijk. Structurele oorzaken liggen vaak in domeinen als wonen, armoede of sociale cohesie en vragen om samenwerking over beleidsterreinen heen. Afvaloverlast blijkt daarmee niet volledig maakbaar. Een zekere mate van rommel hoort bij stedelijk leven. Door infrastructuur, relaties en kennis te versterken kunnen bewoners en gemeente beter inspelen op die dagelijkse werkelijkheid en samen verantwoordelijkheid dragen.

ACHTER AFVAL - Achterliggende oorzaken van bijplaatsingen in Den Haag

5

1. Inleiding Afval in de openbare ruimte is een hardnekkig stedelijk probleem dat vele gezichten kent. Over de oorzaken van dit afvalprobleem leven tal van beelden en aannames, waarbij de vraag is in hoeverre die op feiten zijn gestoeld. De gemeente Den Haag doet al veel om te werken aan een schone stad en een schone stoep, maar deze inspanningen zorgen nog voor onvoldoende effect, zoals duidelijk wordt uit het onderzoek van de Rekenkamer, ‘Schoon op Papier’ (2021). De Rekenkamer wees er in haar aanbevelingen op dat het college naast het wegnemen van vervuiling ook de achterliggende oorzaken in kaart zou moeten brengen. De gemeente zette daarom de opdracht uit bij de Erasmus Universiteit om een fundamenteel designonderzoek uit te voeren op het vraagstuk van een schone stad. De Erasmus Social Design Hub heeft dit onderzoek uitgevoerd van april 2024 tot september 2025. Dit onderzoek verkent de achterliggende oorzaken van afvaloverlast en vervuiling in Den Haag en onderzoekt hoe deze samenhangen met bredere sociaal-maatschappelijke vraagstukken. Wat verklaart dat afvalproblematiek in sommige wijken sterker speelt dan in andere? Vanuit een participatieve en co-creatieve benadering proberen we inzicht te krijgen in de sociale, culturele, economische en materiële structuren die deze verschillen beïnvloeden.

Samen met bewoners en de gemeente verkenden we waar kansen liggen voor verandering en welke principes richting kunnen geven aan toekomstige oplossingen. Het onderzoek bestond uit drie fasen: een verkennende fase, een verdiepende fase en een vooruitblikkende fase. Dit eindrapport bevat de overkoepelde bevindingen uit het gehele onderzoek. Een samenvatting van de verkennende fase (fase 1) vindt u in het voorgaande hoofdstuk. Fase 2 en 3 van het onderzoek zijn ontwerpgericht: een iteratief en verkennend proces gericht op het genereren van vernieuwende ideeën (Dorst, 2011; Zamenopoulos & Alexiou, 2018). In fase drie werden in participatiesessies afvalproblematiek gezamenlijk hergedefinieerd om tot nieuwe oplossingsrichtingen te komen.

ACHTER AFVAL - Achterliggende oorzaken van bijplaatsingen in Den Haag

6

1.2 Theoretisch kader: Sociale Praktijken De problematiek van afval in de publieke ruimte wordt in beleid en onderzoek vaak benaderd als een gedragsvraagstuk. De focus ligt dan op het veranderen van individueel gedrag: mensen moeten beter worden geïnformeerd, aangespoord of aangesproken om hun afval op de juiste manier aan te bieden. Binnen deze gedragsbenadering domineert een causaal model waarbij attitudes, normen en intenties gezien worden als voorspellers van gedrag, zoals in de Theory of Planned Behaviour (Ajzen, 1991). Hoewel deze benadering waardevolle inzichten biedt, schiet zij tekort in het verklaren van de kloof tussen intentie en daadwerkelijk gedrag, de zogeheten value-action gap (Blake, 1999). Bovendien blijft de bredere sociale, culturele en materiële context waarin gedrag plaatsvindt vaak buiten beeld. Om dit te overbruggen, hanteren we in dit onderzoek Social Practice Theory (SPT) als leidend theoretisch kader. SPT biedt een alternatieve benadering waarin niet het individu centraal staat, maar sociale praktijken. Praktijken zijn routinematige, collectief gedeelde manieren van doen, die zich in de tijd hebben gevormd en voortdurend veranderen door menselijk handelen én de materiële condities waarin dat handelen plaatsvindt (Reckwitz, 2002; Shove, Pantzar & Watson, 2012). Praktijken worden gedragen door mensen, en niet andersom.

Een manier om SPT te operationaliseren is door ze te zien als bestaande uit drie elementen: materiële middelen en infrastructuur, vaardigheden, kennis en know-how, en sociale en culturele betekenissen. Een praktijk als het wegbrengen van afval is dus geen individuele handeling, maar een sociaal gevormd en ingebed geheel van deze elementen. De manier waarop mensen omgaan met afval is afhankelijk van de toegang tot voorzieningen (zoals containers of vervoermiddelen), de kennis van lokale regels en procedures, én de betekenis die zij hechten aan publieke ruimte, netheid, eigenaarschap of stedelijk burgerschap. Deze driedeling (materials, competences, meanings) stelt ons in staat om afvalgedrag te analyseren als een resultaat van (bundels van) praktijken, en niet als een optelsom van keuzes van individuele burgers. Zo kan bijplaatsing bekeken worden vanuit een lens die niet (op voorhand) met een beschuldigende vinger wijst en morele beoordelingen maakt. Het stelt ons in staat om bijvoorbeeld de plaatsing van een matras naast een ORAC te bekijken vanuit de (systemische) achtergrond oorzaken: misschien is er geen opslagruimte in de woning, geen kennis over het maken van een grofvuilafspraak, of een afwezigheid van plaatsbinding die het gevoel van verantwoordelijkheid zou versterken.

In onze analyse benadrukken we dan ook de onderlinge verwevenheid van elementen (Gherardi, 2016), waarbij bijvoorbeeld een tekort aan materiaal (ruimte, geld) leidt tot het afwijken van dominante betekenissen (wat is ‘netjes’) of het ontbreken van bepaalde competenties (hoe meld ik grofvuil aan?).

Praktijken als relationeel Binnen SPT worden praktijken niet gezien als geïsoleerd, maar als relationeel. Praktijken interacteren met elkaar: eten ‘on the go’ leidt bijvoorbeeld tot andere afvalpatronen dan thuis koken en eten aan tafel (Perry, Juhlin & Normark, 2010). Evenzo zijn afvalpraktijken verweven met mobiliteitspraktijken, huishoudpraktijken, en onderhoud van de publieke ruimte. Een verschuiving in één praktijk kan dus resoneren in andere domeinen. Dit betekent dat ook interventies gericht op afval andere praktijken kunnen beïnvloeden, en vice versa.

ACHTER AFVAL - Achterliggende oorzaken van bijplaatsingen in Den Haag

7

Voor het stedelijke afvalvraagstuk is dit van belang, omdat veel van de geobserveerde problematiek ontstaat op het snijvlak van praktijken: bijvoorbeeld wanneer de manier waarop afval wordt ingezameld niet goed past bij het dagelijkse ritme en de middelen van bewoners. Ook ontstaat overlast wanneer praktijken van tijdelijke bewoners botsen met (beleids-)verwachtingen rondom netheid en eigenaarschap. Door deze praktijken relationeel te analyseren, kunnen we mechanismen van frictie en dissonantie in kaart brengen die aan de oppervlakte verschijnen als ‘afvaloverlast’.

Materialiteit en infrastructuur SPT maakt het ook mogelijk om de rol van materiële infrastructuren niet als louter achtergrond of ‘faciliterend’ te beschouwen, maar als integraal onderdeel van praktijken. In de context van afval betekent dit dat containers, zakken, kliko’s, grofvuilregels, maar ook tijd, ruimte en vervoermiddelen als ‘materiaal’ moeten worden begrepen die praktijken mede vormgeven (Shove et al., 2012). De materialiteit van afval is bovendien niet neutraal. Zoals Thompson (1979) al stelde, is afval een sociaal geconstrueerde categorie: objecten worden afval op het moment dat zij hun bruikbaarheid verliezen binnen een bepaald sociaal kader. In deze zin is afval ook een betekenisgevend fenomeen, dat raakt aan morele, culturele en politieke ordeningen van de publieke ruimte. De wijze waarop afval zichtbaar of onzichtbaar wordt in de straat, geeft dus ook vorm aan de wijze waarop mensen zich tot die ruimte en tot elkaar verhouden. Bijvoorbeeld, een vieze straat met veel grofvuil nodigt niet uit tot gezellig een praatje maken op de hoek. Een gebrek aan containers of een meldsysteem waarvan de werking voor bewoners niet goed inzichtelijk is is dus ook geen neutraal obstakel, maar activeert alternatieve en relationele praktijken.

Daarnaast kunnen ook niet-mensen, bijvoorbeeld meeuwen, de straat en de vormgeving van de openbare ruimte de praktijken van afvalproductie en -verwerking beïnvloeden.

SPT als onderzoeksstrategie Voor dit project betekent het gebruik van Social Practice Theory dat we afvaloverlast niet analyseren als gedrag dat ‘afwijkt’, maar als een uitdrukking van praktijken die passen binnen bepaalde sociale, economische en materiële omstandigheden. In fase 1 hebben we de aannames en waarnemingen van professionals en bewoners geïnventariseerd. In fase 2 zullen we onderzoeken hoe deze praktijken zich daadwerkelijk manifesteren in het alledaagse leven van bewoners, hoe zij samenhangen met andere praktijken, en hoe interventies ontwikkeld kunnen worden die niet alleen symptoombestrijding bieden, maar gericht zijn op het beïnvloeden van de praktijkconfiguratie als geheel. SPT biedt in die zin niet alleen een analytisch kader, maar ook een ontwerpinstrument: het helpt ons om interventies te richten op het veranderen van de ‘elementen’ die praktijken in stand houden. Denk aan het toegankelijker maken van middelen (bijvoorbeeld logistieke of digitale infrastructuur), het versterken van collectieve betekenissen (door sociale cohesie), of het verspreiden van praktische kennis via netwerken van praktijkdragers. Daarmee sluit SPT aan bij een fundamentele doelstelling van dit onderzoek: het ontwikkelen van duurzame, contextgevoelige oplossingen die recht doen aan de complexiteit van het vraagstuk van afval in Den Haag.

ACHTER AFVAL - Achterliggende oorzaken van bijplaatsingen in Den Haag

8

2. Methoden Casus In Nederland ligt de formele verantwoordelijkheid voor het beheer van huishoudelijk afval bij de gemeenten. In Den Haag is dit opgedeeld in twee hoofdtakken: de Haagse Milieu Services (HMS), verantwoordelijk voor de afvalinzameling, en de Haagse Straat Organisatie (HSO), die onder andere verantwoordelijk is voor de straatreiniging en het schoonhouden van de openbare ruimte. Het onderzoek richt zich op Laakkwartier en Spoorwijk, Transvaalkwartier, Groente- en Fruitmarkt, Rustenburg & Oostbroek, Moerwijk, Vruchtenbuurt en Houtwijk. Deze wijken zijn gekozen vanwege de omvang van de afvalproblematiek en omdat daar contact tot stand kwam met bewoners en betrokkenen. Binnen deze stadsdelen zijn buurten te onderscheiden met elk hun eigen lokale infrastructuren, zoals het type afval inzamelsysteem, de aanwezigheid van buurtwinkels en de invloed van religieuze of culturele gemeenschappen, die medebepalend lijken voor de specifieke aard van de afvaloverlast. In sommige delen van Laak vindt de afvalinzameling nog huis-aan-huis plaats met zakken, in tegenstelling tot wijken waar ondergrondse containers (ORAC’s) worden gebruikt. Het Centrum kent eveneens gebieden waar huis-aan-huisinzameling plaatsvindt, naast delen met andere inzamelsystemen. De aanwezigheid van veel ondernemers en bezoekers heeft daarnaast waarschijnlijk invloed op de aard van de afvalproblematiek.

Hoewel Den Haag te maken heeft met verschillende soorten afval, zoals zwerfafval, grofvuil en bijplaatsingen, en deze mogelijk verschillende bronnen of actoren hebben, ligt de focus van dit onderzoek op bijplaatsingen. Deze benaderen we primair vanuit het perspectief van bewoners, omdat dit in de latere fasen van het onderzoek centraal stond.

Onderzoeksaanpak Fase 2 In de tweede fase van dit onderzoek zijn de aannames van de experts welke in de eerste fase naar boven kwamen, getoetst met ervaringen in het dagelijks leven van bewoners in de betreffende wijken. Het onderzoeken van de alledaagse sociale praktijken van bewoners droeg bij aan het mede-ontwerpen van effectievere oplossingen voor afvalbeheer. Fase 2 liep van oktober 2024 tot juni 2025 en overlapte deels met fase 3, welke plaatsvond van februari 2025 tot augustus 2025. Fase twee had een multi-methodische, kwalitatieve onderzoeksopzet, welke gericht was op het verkrijgen van diepgaand inzicht in de alledaagse praktijken rond afval in de Haagse wijken. De gebruikte methoden waren veldobservaties, (wandel)interviews met bewoners en ambtenaren, een workshop-sessie met milieubeheerders, een cultural probe/dagboekstudie en, waar mogelijk, huisbezoeken. Door deze methoden te combineren konden we de onderliggende routines en contextuele factoren die afvalpraktijken vormgeven in kaart brengen en analyseren. De observaties binnen het veldwerk waren met name observaties van de openbare ruimte en de wijze waarop huishoudelijk afval werd aangeboden. Deze observaties werden aangevuld met informele gesprekken op straat en wandelinterviews met zowel bewoners als uitvoerende ambtenaren, zoals Schoon medewerkers en wijkregisseurs.

De wandelinterviews boden een laagdrempelige manier om in gesprek te gaan over lokale praktijken en ervaringen. Deze methode gaf deelnemers de mogelijkheid om concrete situaties direct aan te wijzen en te bespreken, in een voor hen vertrouwde context. Waar mogelijk bezochten we daarnaast bewoners thuis (‘achter de voordeur’) om samen met hen te verkennen hoe huishoudelijke routines vorm kregen. Het doel hiervan was niet om gedrag individueel te verklaren, maar om de verwevenheid van sociale contexten, materiële condities en gedeelde betekenissen rondom afvalpraktijken te onderzoeken.

ACHTER AFVAL - Achterliggende oorzaken van bijplaatsingen in Den Haag

9

Dagboekstudie (geïnspireerd op cultural probes) De dagboekstudie is geïnspireerd op de cultural probe-methode uit sociaal ontwerp- en designonderzoek, waarbij deelnemers via creatieve, open opdrachten worden uitgenodigd hun eigen leefwereld te documenteren. Het is in essentie een vorm van zelfrapportage waarmee deelnemers activiteiten en contexten vanuit hun eigen perspectief kunnen vastleggen (Bryman, 2012). We vroegen deelnemers gedurende een bepaalde periode via notities, audio, foto’s of video verslag te doen van hun dagelijkse routines rond afval. Ze ontvingen een pakket met opdrachten waarin we elementen van een ‘klassieke’ cultural probe integreerden (Gaver, Dunne & Pacenti, 1999; Gaver et al., 2004): kaarten waarop ze locaties konden markeren, ansichtkaarten met vragen over hun buurt, en opdrachten zoals het fotograferen van alle gebruikte materialen voor afvalopslag of -verwerking. De bijlage toont een niet-ingevuld probe-pakket, afbeelding 1 een voorbeeld van een ingevulde pagina van een deelnemer.

Afbeelding 1

Deelnemers doorliepen het dagboek-pakket in hun eigen tijd, aan de hand van een stapsgewijze instructie. Op deze manier werd extra context toegevoegd aan de inzichten uit de wandelinterviews en observaties, en kregen de onderzoekers tevens zicht ‘achter de voordeur’ zonder dat fysieke aanwezigheid noodzakelijk was. Dit stelde ons in staat om huishoudelijke praktijken te begrijpen op een manier die nauw aansloot bij de leefwereld en beleving van de bewoners zelf. Via triangulatie van de veldnotities, de dagboek studie en bijhorende foto’s, interviewdata en deelnemersfeedback (na workshops) beoogden we een rijk, gelaagd begrip te verkrijgen van hoe afval in de openbare ruimte ontstaat, beleefd wordt en hoe het kan worden aangepakt.

ACHTER AFVAL - Achterliggende oorzaken van bijplaatsingen in Den Haag

10

Fase 3 Co-creatie stond centraal in deze fase, wat betekent dat belanghebbenden bij het ontwerpproces werden betrokken. Met co-creatie bedoelt men elke collectieve, creatieve activiteit waarbij professionals en niet-professionals samenwerken aan het ontwikkelen van oplossingen (Sanders en Stappers, 2008). Binnen dit proces traden wij op als facilitators, terwijl deelnemers hun ervaringskennis en lokale expertise inbrachten. Hierdoor konden oplossingsrichtingen ontstaan die geworteld zijn in de dagelijkse realiteit van degenen die het meest geraakt worden door de afvalproblematiek. De aanpak maakt het mogelijk om uiteenlopende perspectieven te integreren en een gedeeld eigenaarschap te bevorderen (Thorpe & Gamman, 2011). Deelnemers aan de dagboekstudie werden uitgenodigd voor een co-design workshop. Tijdens de sessie werden de inzichten uit de dagboekstudie gepresenteerd en voorgelegd aan de bewoners. Vijf hoofdthema’s waren op basis van het dagboekonderzoek geïdentificeerd; bewoners kozen zelf welke thema’s zij het meest relevant vonden om verder uit te werken. De nadruk bij deze thema’s lag op de achterliggende oorzaken. Met behulp van individueel en gezamenlijk brainstormen, gevolgd door iteratieve rondes, werden mogelijke oplossingen ontwikkeld.

Daarbij werd expliciet gevraagd naar de achterliggende redenen van de voorgestelde ideeën, zodat niet alleen de uitkomsten maar ook de motivaties in beeld kwamen. De ideeën die tijdens de co-design workshop ontstonden, zijn geanalyseerd en vertaald naar overkoepelende aanbevelingsrichtingen. Op de bewonersworkshop volgde een terugkoppelsessie met medewerkers van Beleid Schone en leefbare stad, medewerkers stadsdelen en beheer. Daarin werden de inzichten en oplossingen van bewoners besproken en verder ingevuld met hun beleidsmatige en praktische expertise.

Afbeelding 2.

ACHTER AFVAL - Achterliggende oorzaken van bijplaatsingen in Den Haag

11

Om inclusiviteit te waarborgen, werd bij de organisatie van de workshops rekening gehouden met praktische drempels voor deelname. We zorgden voor vertaling waar nodig, en er was gratis avondeten aan het einde van de workshop, zodat deelname haalbaar werd voor een brede groep bewoners. Als bedankje en erkenning voor hun tijd kregen deelnemers een cadeaubon ter waarde van 50 euro na afloop. Deze praktische overwegingen waren essentieel om het uitgangspunt te realiseren dat iedereen die geraakt werd door het probleem ook de kans kreeg om bij te dragen aan de ontwikkeling van oplossingen. Voor dit onderzoek kozen we ervoor om co-design in te zetten binnen specifieke buurten. Deze buurtgerichte benadering maakte het mogelijk om direct aan te sluiten bij de lokale behoeften. Door bewoners uit te nodigen om samen met de onderzoekers problemen te benoemen en mogelijke oplossingsrichtingen te verkennen, werd de relevantie en toepasbaarheid van de uitkomsten vergroot. Tegelijkertijd versterkte dit het gevoel van zeggenschap en betrokkenheid bij de groep die dagelijks te maken heeft met afvaloverlast in hun leefomgeving. Parallel aan dit onderzoek liepen twee afstudeeronderzoeken die thematisch aansloten bij de afvalproblematiek. De inzichten uit deze onderzoeken zijn meegenomen in de analyse, zowel ter verdieping van bepaalde thema’s als ter triangulatie van de bevindingen.

Tevens zijn deze onderzoeken te vinden in de bijlage.

ACHTER AFVAL - Achterliggende oorzaken van bijplaatsingen in Den Haag

12

3. Analyse In dit hoofdstuk presenteren we de analyse van het onderzoek. De inzichten zijn gebaseerd op interviews, dagboekstudies, observaties en co-designsessies uit fase 2 en 3, en bieden een verdiepend beeld van de onderliggende praktijken rondom afval en bijplaatsingen. De analyse is geïnterpreteerd met behulp van Social Practice Theory (SPT). Dit perspectief maakt het mogelijk om afvalgedrag te begrijpen als onderdeel van bredere sociale praktijken, waarin materiaal, kennis en betekenis samenkomen. We bespreken zes thema’s die in het onderzoek naar voren kwamen en die samen laten zien hoe bewoners, gemeentemedewerkers en infrastructuren met elkaar verweven zijn in het omgaan met afval in Den Haag.

3.1 Betekenissen van ‘schoon’, ‘vies’ en hergebruik Een eerste patroon dat naar voren kwam in de data is dat bewoners afval niet primair classificeren op basis van formele categorieën (rest, GFT, plastic, papier), maar op basis van de zintuiglijke ervaring ervan. Wat als ‘vies’ of overlastgevend wordt ervaren, hangt niet af van beleidsdefinities, maar van hoe afval ruikt, oogt, lekt, of zich gedraagt in de ruimte. Etensresten, vieze luiers of opengebarsten zakken worden als ernstig storend en gevaarlijk gezien. Grofvuil daarentegen, zoals een kast of stoel, wordt zelden als ‘vies’ benoemd en roept minder emotionele reactie op. In een walking interview zei een bewoner het volgende toen we langs een berg grofvuil liepen: “Dit is niet helemaal zoals het hoort natuurlijk, maar dat is niet schokkend hoor, het zou me normaal niet opvallen. Ik denk dat ik dit zo vaak zie dat ik me er niet meer aan erger. Op het moment dat er allerlei etenswaren op straat liggen met zwermen meeuwen omheen, dan begint het op te vallen. [...] Ik weet eigenlijk dat grofvuil bij de eerstvolgende rit door de wijk wel op zal lossen. Dit trekt ook geen ongedierte aan”.

Afbeelding 3.

ACHTER AFVAL - Achterliggende oorzaken van bijplaatsingen in Den Haag

13

De classificatie van afval als ‘vies’ of ‘acceptabel’ blijkt direct gedrag te sturen. Wanneer bewoners voorspellen dat ze afval zullen moeten aanraken, ruiken of transporteren in oncomfortabele omstandigheden, verandert hun handeling. Bijvoorbeeld: “Ik ga niet met die zak naar huis terug, die kip gaat stinken.” Een andere deelnemer gaf aan het afvalbrengstation te vermijden “omdat je daar [het afvalbrengstation] de container in moet, dat vind ik vies, dus laat ik het voortaan ophalen”. Deze zintuiglijke categorieën vormen een informele hiërarchie van afvalsoorten. Karton, plastic en grofvuil worden minder snel als ‘vervuilend’ ervaren. Dat maakt bijplaatsing ervan voor bewoners eerder acceptabel. In de dagboekstudie zien we dat bewoners bijplaatsing van plastic of karton minder problematisch vinden dan van restafval, juist omdat het niet ‘vies’ is: “But I had this thought that it is rather fine. It is not the same as the real waste which can be spread all over by the birds!”. Dit toont hoe betekenissen over afval ingebed zijn in zintuiglijke classificaties en publieke verwachtingen. De afweging vindt plaats in de praktijk: iemand wil de tram halen, heeft weinig ruimte in huis, ziet dat de container vol is, en beslist dat een ‘niet vies’ item best even buiten kan blijven.

In de interviews en observaties komt een opvallende tegenstelling naar voren tussen hoe bewoners hun eigen omgang met afval beschrijven en hoe zij het gedrag van anderen beoordelen. Hoewel vrijwel iedereen afval op straat als “aso” of storend beschouwde, vertelden enkele bewoners later over situaties waarin ze toch iets hadden bijgezet, vaak met een rechtvaardiging zoals tijdsdruk, een volle container of omdat het geen etensresten betrof. De betekenis van “afval naast de container zetten” kan dus variëren per situatie, afhankelijk van hoe mensen de context interpreteren en welke elementen van de praktijk op dat moment activeren. Zo vertelde een bewoner: “Today I was throwing some plastic waste. Unfortunately the container dedicated for plastic was removed from a place where it always was so I had to leave it that way. I couldn’t take this bag back with me because I was in hurry for the tram. So it was for me very irritating situation.”

Afbeelding 4 & 5 Later in de dagboekstudie, bij de vraag of deze bewoner wel eens afval bijplaatste, antwoordde deze bewoner eerst ‘never’. Kort daarop reflecteerde hen echter op een situatie waarin hen plastic naast de container had gezet. Op dat moment zag die dit niet als een tekortkoming van zichzelf, maar als gevolg van de afwezigheid van infrastructuur, waarbij het plastic als niet overlastgevend werd gezien.

ACHTER AFVAL - Achterliggende oorzaken van bijplaatsingen in Den Haag

14

Wat hier zichtbaar wordt is niet de afwezigheid van intentie, maar de verandering van de elementen binnen de praktijk ‘afval weg doen’. De container als materieel element was ‘verdwenen’, ook het materieel element van tijd was schaars, en de betekenis van plastic als ‘onschuldig afval’ verkleinde de drempel voor bijplaatsing. De praktijk van afval wegbrengen werd op dat moment dus anders geconfigureerd, en leidde tot een andere handeling. Niet omdat de norm vervaagde, maar omdat de praktijk veranderde. Een ander voorbeeld waarin de betekenis van spullen of afval zwaar weegt, is het bijplaatsen van herbruikbare spullen en financiële waarde. Een bewoner vertelde hoe zij bij een verhuizing een kattenreismand achterliet: te onhandig om mee te nemen en niet waardevol genoeg om te verkopen, maar mogelijk nog bruikbaar voor iemand anders. Dit laat zien hoe objecten die herbruikbaar zijn, maar geen grote financiële waarde vertegenwoordigen, vaak in een tussencategorie vallen. Het bijplaatsen krijgt dan de betekenis van een informele uitnodiging tot hergebruik, waarbij bewoners hun keuzes afstemmen op praktische omstandigheden zoals verhuizen, beschikbare tijd en gemak. Het is aannemelijk dat deze praktijk vaker voorkomt bij bewoners met een krappe financiële situatie of een hoge verhuisfrequentie.

In die context ontstaan meer objecten met beperkte marktwaarde en minder mogelijkheden voor formele afvoer, waardoor bijplaatsen een praktische en sociaal gelegitimeerde oplossing wordt. Ook het scheiden van afval krijgt voor veel bewoners een morele betekenis. Sommigen gaven aan dat ze het belangrijk vinden om verspilling te voorkomen, ook wanneer ze niet altijd in staat zijn hun afval te scheiden. Anderen ervaren juist voldoening omdat ze via scheiding bijdragen aan recycling en hergebruik. In dagboekbeschrijvingen kwam daarnaast naar voren dat bewoners zich bewust zijn van de hoeveelheid verpakkingen waarin dagelijkse producten zijn verpakt. Vaak werd dit als jammer of onvermijdelijk gezien. Afval scheiden wordt zo een manier om zorg en verantwoordelijkheid te tonen, ook binnen de beperkingen van het dagelijks leven.

De praktijk van afval wegbrengen is dus relationeel: ze verandert met het ritme van de dag, de beschikbaarheid van ruimte, de interactie met andere praktijken zoals werk, vervoer of zorg voor kinderen. Wat in beleid vaak wordt benaderd als ‘verkeerd’ gedrag, zijn in feite normale uitkomsten van veranderende praktijkconfiguraties. De kloof tussen houding en handeling laat zien dat naleving van de norm sterk afhangt van de situatie waarin mensen handelen.

ACHTER AFVAL - Achterliggende oorzaken van bijplaatsingen in Den Haag

15

3.2 Ruimtegebrek en dagelijkse ritmes Een terugkerend thema in het onderzoek is de ervaren (on)beschikbaarheid van containers. Uit de interviews en dagboekstudies blijkt dat bewoners vaak aangeven dat een container niet beschikbaar is omdat deze ‘vol’ zou zitten. Onderzoek van Dur en Vollaard (2015) in Rotterdam laat zien dat afval regelmatig naast containers wordt geplaatst terwijl deze niet vol zijn, en ook Haagse gemeentemedewerkers herkennen dit beeld. Volgens zowel bewoners als medewerkers kan het echter voorkomen dat containers verstopt raken, waardoor ze onbruikbaar zijn. In zo’n geval moet een melding worden gedaan of kan een ORAC-adoptant de verstopping verhelpen. De ervaren beschikbaarheid van ORAC’s blijkt dus niet altijd overeen te komen met de feitelijke capaciteit. De technische werking van ORAC’s speelt hierbij een rol. Wanneer een container vol is, geeft een sensor dit door aan de gemeente, die de inzamelroute daarop plant. Staat er echter meer dan één container en is slechts één vol, dan volgt er nog geen ophaalsignaal. Bij een verstopping komt er helemaal geen signaal binnen, waardoor de container feitelijk niet beschikbaar is maar ook niet wordt geleegd. Daarnaast blijkt dat bewoners zich in hun keuzes vaak laten leiden door perceptie. Als er al vuilniszakken naast een container liggen, ontstaat al snel de indruk dat deze vol is.

Een enkele bewoner merkte op dat de opening te klein is voor een standaard huisvuilzak, en tijdens veldwerk zagen we dat groot afval soms in de opening bleef steken en zo verstoppingen veroorzaakte. Deze bevindingen laten zien dat de ervaren beschikbaarheid van ORAC’s verweven is met hoe bewoners afval thuis verzamelen en inpassen in hun dagelijkse routines. In de volgende paragrafen gaan we verder in op hoe factoren als woonruimte, opslagmogelijkheden en ritmes van werk en huishouden samenhangen met het ontstaan van bijplaatsingen. De manier waarop mensen met afval omgaan wordt mede gevormd door de fysieke infrastructuur van de woning: is er ruimte om afval tijdelijk op te slaan, hoe groot is de keuken, is er een balkon, een schuur, of zelfs een tuin? In veel Haagse wijken zijn woningen klein en compact, en dit beperkt direct de handelingsmogelijkheden van bewoners. Uit de dagboekopdrachten blijkt dat bewoners gemiddeld meerdere (tijdelijke) opslagplekken in huis hebben, zoals in de gang, op het balkon of in een kast. Sommigen gaven aan afval tijdelijk op te slaan in een schuur of tuin, als deze beschikbaar is. Anderen vertelden dat ze het afval liever meteen wegbrengen, omdat de geur anders blijft hangen of omdat de ruimte te beperkt is. De praktijken van afval bewaren, maar ook afval wegdoen zijn dus mede afhankelijk van fysieke ruimte.

Een bewoner schreef: “het is altijd de vraag of die [ORAC] vol zit zo ja dan zet ik het in mijn schuur want de rest in de buurt zit dan vaak ook vol”. Deze bewoner kan anticiperen op de onbeschikbaarheid van de containers, omdat de bewoner over een schuur beschikt. Dat maakt het mogelijk om een alternatieve praktijk te activeren, tijdelijk opslaan in plaats van meteen buiten neerzetten. Bewoners zonder zo’n ruimte zijn afhankelijker van directe beschikbaarheid. Als de ORAC vol is, en er geen ruimte in huis is, verdwijnt deze speelruimte. Er zijn dus bewoners die hun afval niet wegbrengen op basis van wat ze daadwerkelijk waarnemen, maar op basis van wat ze verwachten aan te treffen. Die verwachting is gestoeld op ervaring, maar werkt op den duur als een structurerend element van de praktijk zelf. Mensen gaan niet eerst kijken of de andere ORAC’s ook vol zijn, ze handelen vanuit de aanname dat deze toch niet beschikbaar zullen zijn.

ACHTER AFVAL - Achterliggende oorzaken van bijplaatsingen in Den Haag

16

Deelnemers beschreven dat zij soms naar een container lopen, ontdekken dat deze vol of verstopt is, en vervolgens doorlopen naar een volgende ORAC die óók niet beschikbaar blijkt te zijn. Deze ervaringen versterken het gevoel van onvoorspelbaarheid: wanneer containers vaak vol zijn, ontstaat de verwachting dat dit ook de volgende keer zo zal zijn. Een bewoner vertelde in het dagboek: “I took a waste out today and it was as I usually do: I took it with me to the car and threw it next to my work. I mostly never use the container closest to my house because it is mostly always full which is very irritating. So I threw the waste in Vogelwijk.”

Afbeelding 6 & 7. Notitie: Aan de linkerkant de ORAC’s in de Vogelwijk, aan de rechterkant de ORAC’s in de buurt van de bewoner, Escamp. Foto’s gemaakt door bewoner.

Elders voegde deze bewoner bovenstaande foto’s toe: “Now you see why I don’t go to my closest waste container. It doesn’t look like that during all week but mostly containers are full.” Wat hier zichtbaar wordt, is hoe de ervaring van onbetrouwbaarheid zich vertaalt in een structurele aanpassing van de praktijk. Afval wordt meegenomen in de auto en elders weggegooid omdat het ritme van de dag (werken, reizen) beter aansluit bij een voorspelbare infrastructuur. Dit laat zien dat verwachting een krachtig organiserend principe is. De ORAC hoeft niet daadwerkelijk vol te zijn om bewoners ertoe aan te zetten alternatieve praktijken te ontwikkelen. Maar voor bewoners met minder tijd of zonder vervoersmiddelen betekent dit dat ze geen mogelijkheid hebben om uit te wijken of om ‘het later te proberen’. Een bewoner vertelt ook hoe zij anticipeert op het ophaalmoment: “Ik zet afval niet naast de ORAC. Dat doe ik heel soms, maar alleen als de ORAC vol zit en ik weet dat ze het dezelfde dag op komen halen…”​

ACHTER AFVAL - Achterliggende oorzaken van bijplaatsingen in Den Haag

17

Sommige bewoners gaven in de dagboekstudie aan ontevreden te zijn met waar ze afval in huis verzamelen. Redenen van ontevredenheid waren: stank (bijvoorbeeld op het balkon), rommelig uitzien, of in de weg staan, bijvoorbeeld in een krappe gang, of te weinig ruimte om grofvuil op te slaan). De beschikbare ruimte kan dus ook effect hebben op de praktijken rondom afval, ondanks hun kijk op hoe het zou moeten: “I do not separate a lot of like plastic, paper, glass, bio. Bio waste we don’t have in my neighbourhood. As it goes about others - I live in a very small flat and my kitchen is tiny. I wish I have more space for separating waste but it is what it is.”

Afbeelding 8 & 9. Notitie: 2 plattegronden getekend door bewoners. Gemarkeerd met stickers zijn plekken waar ze afval verzamelen, waarbij de groene sticker een indicatie geeft met plekken waar ze tevreden over zijn, en rode stickers waar ze niet tevreden zijn.

De competentie is aanwezig, de betekenis (scheiden is goed) ook, maar het materiële element (ruimte) ontbreekt. Daardoor valt de praktijk van afvalscheiding weg. Niet omdat de bewoner niet wil, maar omdat de praktijk niet vol te houden is in de bestaande constellatie van elementen. Deze ruimtelijke beperking krijgt extra gewicht in situaties waarin de ORAC’s niet beschikbaar zijn. Niet alleen een tekort aan ruimte speelt een rol in de omgang met afvalverzameling, maar ook zintuigelijke aspecten in relatie tot beschikbare ruimte. Bewoners geven bijvoorbeeld aan dat zij afval op het balkon verzamelen, maar zijn daar ontevreden over. Zo kan afval gaan stinken wanneer het in de zon staat of trekt het ongedierte aan. Het is waarschijnlijk dat sociaaleconomisch kwetsbare wijken extra lasten ervaren bij afvalverzameling, omdat negatieve omgevingsfactoren daar vaker samenkomen. Zo kunnen bijvoorbeeld hitte-eilanden of woningen met slechte ventilatie ervoor zorgen dat afval sneller gaat stinken, en kan de grotere aanwezigheid van ongedierte in bepaalde wijken leiden tot extra problemen in en rond de woning.

ACHTER AFVAL - Achterliggende oorzaken van bijplaatsingen in Den Haag

18

In de dagboekopdrachten werd zichtbaar dat het moment waarop bewoners afval wegbrengen niet altijd overeenkomt met het ophaal- of ledigingsschema van de gemeente. Bewoners gaven aan hun afval vooral weg te brengen wanneer de zak vol is, wat voor de meesten neerkomt op elke paar dagen of eens per week. Vaak gebeurt dit in het weekend, wanneer zij meer tijd hebben of een opruimmoment plannen, zoals op zaterdag. Ook koppelen veel bewoners het wegbrengen aan andere activiteiten, zoals op weg naar werk of na het eten, waardoor het onderdeel wordt van hun dagelijkse routine. Onderzoek laat zien dat afvalpraktijken niet alleen worden beïnvloed door fysieke infrastructuur, maar ook door de ritmes van schoonmaak, gebruik van ruimte en dagelijkse activiteiten. Sefkatli & Nevejan (2023) onderscheiden hierin verschillende “ritmezones”, waarbij de afstemming tussen bewoners, infrastructuur en schoonmaakcapaciteit cruciaal is. Deze inzichten sluiten aan bij onze bevinding dat bewoners ervaren dat containers juist op piekmomenten, zoals in het weekend, vaker vol zijn, waardoor bewoners minder speelruimte hebben om afval correct aan te bieden. Deze piekdruk op de infrastructuur raakt bewoners ongelijk, mede door verschillen in woonruimte en (beschikbare) tijd.

Wanneer bewoners weinig ruimte hebben, of wanneer de woning fysiek beperkte mogelijkheden biedt om afval tijdelijk op te slaan of te scheiden, verkleint dat hun flexibiliteit om zich aan te passen aan volle of verstopte containers. Daarmee wordt de samenhang tussen de binnenruimte en de stedelijke infrastructuur zichtbaar: bewoners die binnenshuis minder ruimte of tijd hebben, zijn sterker afhankelijk van voorzieningen buitenshuis, met name van containers die op het moment dat zij afval willen aanbieden beschikbaar zijn. Wanneer die beschikbaarheid ontbreekt, bijvoorbeeld door volle of verstopte ORAC’s, neemt hun handelingsruimte verder af en ervaren zij de infrastructuur als minder betrouwbaar.

Afbeelding 10. Notitie: pagina uit dagboekstudie, waarbij de bewoner aangeeft afval in het weekend weg te brengen

ACHTER AFVAL - Achterliggende oorzaken van bijplaatsingen in Den Haag

19

De ervaren druk op de afvalinfrastructuur lijkt samen te hangen met bevolkingsdichtheid. In dichtbevolkte wijken vertellen sommige bewoners en betrokken professionals dat containers sneller vol raken, terwijl het aantal ORAC’s per bewoner als relatief laag wordt ervaren. Tegelijkertijd wijzen anderen erop dat de ervaren druk minder te maken heeft met het aantal containers dan met hun feitelijke beschikbaarheid. Volle of verstopte ORAC’s, of de indruk dat ze vol zijn door bijplaatsingen, zorgen ervoor dat containers regelmatig tijdelijk niet te gebruiken zijn, of dat bewoners dit als een terugkerend probleem ervaren. Zelfs wanneer verstoppingen of volle containers uiteindelijk worden verholpen, blijft het beeld bestaan dat de voorzieningen zelden beschikbaar zijn op het moment dat ze nodig zijn. Beschikbaarheid blijkt in de praktijk vooral te draaien om hoe betrouwbaar en voorspelbaar voorzieningen zijn op het moment dat bewoners ze nodig hebben.

De fysieke condities van woningen en wijken, in combinatie met de ritmes van bewoners en inzameling, bepalen hoeveel speelruimte er is om afval op de juiste manier weg te brengen. Waar deze speelruimte ontbreekt, worden bewoners gedwongen te improviseren, wat bijplaatsingen in de hand werkt.

3.3 Sociaal-economische omstandigheden Tijdens fase 1 van het onderzoek gaven veel deelnemers aan dat zij de stad als geheel zien kampen met een afvalprobleem, dat deels te verklaren zou zijn vanuit ‘gedrag’. Tegelijkertijd werd door dezelfde deelnemers erkend dat bewoners in sommige wijken dagelijks met andere, urgentere zorgen te maken hebben, zoals financiële onzekerheid, werkloosheid of gebrek aan stabiele huisvesting. De omgang met afval is dan geen prioriteit. In de literatuur zien we dat sociaaleconomische omstandigheden structureel samenhangen met het verkeerd plaatsen van huishoudelijk afval. Epskamp, De Vries en Van Ostaaijen (2021) tonen aan dat in buurten met een lager gemiddeld inkomen, kleinere woningen en een hoger aandeel bewoners met een migratieachtergrond, significant vaker sprake is van (ver)plaatsing van afval. In onze gesprekken zien we dat deelnemers zich hier bewust van zijn, ook als ze het niet direct aan hun eigen situatie koppelen. In een gesprek in Transvaal werd opgemerkt dat een groot deel van de afvalproblematiek samen zou hangen met de kwetsbare situatie van sommige bewoners. Zo worden er soms complete inboedels op straat achtergelaten (“een kast met hele inhoud”), wat werd omschreven als ‘paniekacties’ die de moeilijke omstandigheden bewoners zichtbaar maken en gevolgen hebben voor afval op straat.

Een medewerker op schoon van een stadsdeel verwoordde het zo: “Mensen hebben achter de deur problemen, en dus iets anders aan het hoofd dan afval goed wegdoen.” Dit laat ook zien dat afvalpraktijken zich niet los ontwikkelen, maar in wisselwerking met andere praktijken zoals verhuizen, huishoudorganisatie, zorg voor kinderen of het delen van een woning met onbekenden. In contexten van overbewoning of tijdelijke bewoning interfereren deze praktijken met elkaar. Ze botsen qua ritme, qua betekenis, of qua toegang tot middelen, waardoor er alternatieve uitingen ontstaan die op straat zichtbaar worden als ‘overlast’. Veel bewoners noemden daarnaast overbewoning van woningen, met name tijdelijk bewoonde woningen, als problematisch in het licht van afvalproblematiek. De praktijk van afval wegbrengen botst bijvoorbeeld met de praktijk van tijdelijk onderverhuren, waarin bewoners elkaar nauwelijks spreken en geen gezamenlijke routines opbouwen. Of met de praktijk van uitzendwerk, waarbij lange of onregelmatige werktijden verhinderen dat mensen afval op het juiste moment kunnen aanbieden. Daarnaast wezen sommige bewoners op illegale of tijdelijke bewoning, waardoor de gebruikersdruk hoger kan zijn dan zichtbaar is.

ACHTER AFVAL - Achterliggende oorzaken van bijplaatsingen in Den Haag

20

Naast persoonlijke omstandigheden zoals stress of werkdruk lijkt ook de institutionele en ruimtelijke context invloed te hebben op hoe bewoners met afval omgaan. Dit vraagt om een bredere kijk op sociaal-economische omstandigheden, waarin ook gemeentelijke inzet, beeldvorming en verdeling van middelen worden meegenomen Bewoners en welzijnsmedewerkers gaven aan dat de gemeentelijke inzet op schoon niet overal als evenwichtig wordt ervaren. In sommige wijken lijkt volgens hen meer aandacht of inzet nodig, terwijl anderen zich afvragen of zogenoemde ‘achterstandswijken’ juist minder prioriteit krijgen. Ook de manier waarop over deze wijken wordt gesproken speelt een rol: beeldvorming beïnvloedt hoe initiatieven worden ontvangen, en of signalen serieus worden genomen. Valenzuela-Levi (2018) bekritiseert dat het ‘verkeerd’ aanbieden van afval te vaak wordt verklaard vanuit de sociaaleconomische positie van bewoners, terwijl zulke verschillen juist kunnen voortkomen uit een ongelijke verdeling van gemeentelijke middelen en ondersteuning. Het is daarom belangrijk dat de gemeente kritisch blijft kijken naar hoe inzet en aandacht over wijken worden verdeeld en dat dit proces transparant is. Daarbij kan de feitelijke gebruiksdruk hoger zijn dan cijfers laten zien, bijvoorbeeld door oningeschreven of tijdelijke bewoning.

In wijken waar de infrastructuur of schoonmaakcapaciteit als minder toereikend wordt ervaren, of daadwerkelijk beperkter is, kan het heroverwegen van de inzet helpen om de basis op orde te houden en bij te dragen aan een rechtvaardiger verdeling van aandacht en middelen, zodat ongelijkheid in voorzieningen niet doorwerkt in afvalproblematiek. Meer zichtbaarheid over hoe keuzes in inzet tot stand komen versterkt bovendien het vertrouwen en het gevoel van rechtvaardigheid onder bewoners.

3.4 Kennis en informatie Naast sociaal-economische omstandigheden speelt ook kennis een belangrijke rol in hoe bewoners met afval omgaan. In ons onderzoek zagen we met grote regelmaat dat bewoners in kwetsbare situaties zich niet bewust zijn van grofvuilprocedures. We zagen veel gevallen waarbij de juiste informatievoorziening de start was van het herconfigureren van de afvalpraktijk, met name bij niet Nederlandse bewoners. Bewoners met een niet-Nederlandse afkomst geven bijvoorbeeld aan hindernissen te ervaren bij het opzoeken naar informatie, gezien hun praktijken die ze hebben ontwikkeld buiten Nederland niet aansluiten met de Nederlandse services. Zo geeft een bewoner aan: “I think as an international student or people on an expat package, I really need to see how my Dutch friends, colleagues, and classmates learn from them. Because I think it is difficult to access this kind of information normally.” Een bewoner, die enkele jaren geleden in Den Haag kwam wonen gaf aan: “ik wist niet hoe het moet, ik wist niet dat het gratis is, ik wist niet dat je wel grofvuil kan laten halen, dat het wel lang duurt” Deze situatie leidt niet per definitie tot ‘slechter’ gedrag, maar tot een praktijkvorm die niet goed aansluit bij beleidslogica’s. Beleidsmatig wordt verondersteld dat bewoners toegang hebben tot de informatie over afvalverzameling die op meerdere plekken beschikbaar is.

Wanneer bewoners weinig contact hadden met buurtgenoten die al langer bekend zijn in Den Haag, bleek deze informatie hen niet te bereiken. Een bewoner merkt op dat zij vooral contact heeft met medebewoners met dezelfde achtergrond, en nauwelijks met bewoners met een Nederlandse achtergrond of andere achtergronden. Ook andere bewoners gaven aan dat wanneer ze afvalregels niet weten, ze vooral naar vrienden, familie of de buurt kijken als kennisbronnen. Wanneer de connectie met de buurt laag is, en kringen dichtbij ook niet de (juiste) informatie beschikken, zorgt dit voor een kenniskloof.

ACHTER AFVAL - Achterliggende oorzaken van bijplaatsingen in Den Haag

21

Ook het aanbieden van informatie in alleen Nederlands en Engels vormt een barrière voor kennis over afvalverzameling. De gemeente werkt hieraan, maar belangrijke informatie, zoals de kaart met ORAC-locaties, is vaak nog niet meertalig beschikbaar. Naast actief informeren in meerdere talen is het van belang dat basisinformatie structureel in alle relevante talen toegankelijk is. Nu wordt er wel in meerdere talen geflyerd, maar informatie die bewoners zelf moeten kunnen opzoeken, zoals via de gemeentelijke website of meldingssystemen, blijft beperkt. Dit verschil tussen tijdelijk informeren en structurele toegankelijkheid beïnvloedt de effectiviteit van communicatie. Bovendien gaven meerdere bewoners aan dat flyeren weinig effect heeft: flyers worden vaak niet gezien, gelezen of direct weggegooid. Er worden verschillende kanalen ingezet om bewoners te informeren, maar deze sluiten in de praktijk vaak onvoldoende aan. Flyers zijn vluchtig en worden vaak niet gelezen, terwijl websites en meldingssystemen structureler zijn maar niet voor iedereen toegankelijk. Effectieve communicatie vraagt daarom om duurzame en toegankelijke informatievoorziening via meerdere kanalen, afgestemd op de diversiteit van bewoners. Het probleem is dus niet zozeer de afwezigheid van goede wil, maar de afwezigheid van een gedeeld kader waarin competenties of kennis ontwikkeld worden.

Mensen weten niet waar containers zijn, wat gewenst is wanneer een ORAC verstopt zit, wat de regels zijn voor het aanmelden van grofvuil, of, belangrijker nog, hoe ze in contact kunnen komen met buurtgenoten die deze kennis en competenties bezitten. Die kennis wordt normaal gesproken impliciet overgedragen. Voor bewoners die al langere tijd in Den Haag wonen, zijn de regels en gewoonten rondom afval aanbieden vaak vanzelfsprekend. Dat maakt het lastig zichtbaar waar die kennis vandaan komt, en wie er mogelijk buiten valt. Juist nieuwkomers, mensen die van buiten Nederland komen, of bewoners zonder sociaal netwerk in de buurt, hebben niet alleen weinig toegang tot expliciete vormen van kennis (brochures, websites etc.), zij hebben ook minder toegang tot deze impliciete vorm van kennis. Deze impliciete kennis over afval wordt niet gezocht, maar ontstaat via delen en deelname. Wanneer die deelname niet mogelijk is, blijft deze kennis onbekend.

3.5 Verbinding en vervreemding in de buurt In het onderzoek werd regelmatig benoemd dat bewoners zich ongemakkelijk of onveilig voelen bij het aanspreken van anderen op afvalgedrag, maar soms ook in situaties bij de afvalcontainers. Die ervaringen stonden zelden op zichzelf. Ze verwezen naar bredere gevoelens van afstand, onbegrip en wantrouwen tussen buurt- en/of stadsgenoten. Vanuit het perspectief van Social Practice Theory is dit een belangrijke factor in het begrijpen van afvalpraktijken. Want praktijken ontstaan in en door sociale relaties: waar die relaties onder druk staan, verandert ook de wijze waarop praktijken vorm krijgen. In verschillende gesprekken werd gesproken over het aanspreken van anderen. Vaak ging het om pogingen die op weerstand stuitten, soms zelfs op agressie. Een bewoner vertelt: “Niet zo lang geleden ben ik nog semi bedreigd door een verwarde man die door het afval speurde, vermoedelijk naar statiegeld flessen. Toen ik een foto maakte van de afvalberg begon ie met een gevonden stok op de dozen te slaan en te roepen dat ie agressie problemen heeft”.

ACHTER AFVAL - Achterliggende oorzaken van bijplaatsingen in Den Haag

22

Uit het onderzoek komt het bredere gevoel naar voren van ‘aanspreken is gevaarlijk of zinloos’. In termen van SPT betekent dit dat een van de sociale mechanismen die een praktijk kunnen veranderen of stabiliseren niet meer functioneert. De betekenis van iemand aanspreken op ongewenste afvalpraktijken verschuift: het is niet meer ‘zorg dragen voor de buurt’, maar ‘je bemoeien met iemand’. Een bewoner vertelt: “Als ik iemand aanspreek, dan krijg ik een grote mond terug, dat doe ik nu niet meer.” Dit soort verschuivingen kunnen ervoor zorgen dat bewoners zich in bredere zin afkeren van de buurt. Ze gaan niet meer in gesprek, of wantrouwen zelfs de ander. Dit is zichtbaar in de manier waarop bewoners tijdens de workshops spraken over “bepaalde mensen in de buurt”. Die vervreemding werkt door in hoe men kijkt naar afval en afvalgedrag. In de gesprekken met bewoners kwam regelmatig de wens naar voren om meer te doen aan strenger aanspreken, handhaven en beboeten. Gezien de frustratie die afval op straat oproept en de sociale vervreemding die sommigen ervaren, is het begrijpelijk dat strenger optreden voor een deel van de bewoners als oplossing voelt. Uit zowel literatuur als praktijk blijkt echter dat formele sancties beperkt effectief zijn.

Overtredingen zijn moeilijk op heterdaad vast te stellen, handhaven vraagt veel capaciteit, en bewoners verwijderen soms adressen van afval om boetes te ontlopen. Dergelijke maatregelen pakken vooral de zichtbare overtreding aan, niet de onderliggende oorzaken. Onderzoek laat bovendien zien dat verbodsborden of sancties juist averechts kunnen werken wanneer ze niet worden gehandhaafd of niet aansluiten bij de normen en ervaringen in een buurt (Keizer et al., 2011). Literatuur over lokaal bestuur laat zien dat vertrouwen en controle elkaar niet hoeven uit te sluiten. Edelenbos en Eshuis (2011) beschrijven dat controle kan bijdragen aan vertrouwen wanneer afspraken vooraf helder zijn, proportioneel worden toegepast en uitgevoerd worden op een manier die transparant en legitiem is voor alle betrokkenen. Strenger optreden zonder gedeelde basis werkt juist ondermijnend. Voor het afvaldomein betekent dit dat handhaving alleen werkt wanneer ze voorspelbaar en uitlegbaar is, en aansluit bij bestaande relaties tussen bewoners en uitvoerders. De uiteenlopende opvattingen van bewoners sluiten hierbij aan. Sommige bewoners vinden handhaving nodig om gedrag te veranderen, anderen zien vooral meer in sociale samenhang en veiligheid in de buurt. Achter die verschillen ligt hetzelfde verlangen: een omgeving waar mensen zich prettig en veilig voelen.

Dat vraagt, naast handhaving, om investeren in vertrouwen en contact. Tijdens de co-designworkshop kwam dat naar voren in het verlangen naar meer ontmoetingen, zoals buurtfeesten of initiatieven als ‘Lief & Leed’-straten, waar bewoners elkaar leren kennen en elkaar op een positieve manier kunnen aanspreken. Uit andere delen van het onderzoek blijkt dat dit contact niet vanzelfsprekend is. Veel bewoners hebben vooral contact binnen hun eigen kring en vinden het lastig om anderen te benaderen. Ook in de dagboekstudie gaven bewoners aan dat buren elkaar weinig spreken, terwijl tijdens de workshop juist de wens naar meer verbinding naar voren kwam.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16699899/1