RIS324513 Bijlage Een onderzoek naar Haagse voetbalverenigingen Mulier 2024
Tekst van het document
Rutger de Kwaasteniet | Nathan Geurink
Mulier Instituut | 2024
In opdracht van de gemeente Den Haag Mulier Instituut Rutger de Kwaasteniet Nathan Geurink
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met het Mulier Instituut. © Mulier Instituut Utrecht, 16 september 2024 www.mulierinstituut.nl info@mulierinstituut.nl Disclaimer U mag delen uit deze publicatie overnemen op voorwaarde van bronvermelding: auteur(s), de titel van de publicatie en het jaar van uitgave. Er gelden gebruiksvoorwaarden voor de foto's in deze publicatie. Neem foto's daarom niet over zonder toestemming van het Mulier Instituut.
Het Mulier Instituut doet sportonderzoek voor
Ons doel is bijdragen aan goed onderbouwd beleid,
beleid en samenleving. Voor overheden,
gericht op de bevordering van sport, sportief
maatschappelijke organisaties,
bewegen en versterking van de sportsector. Dit doen
onderwijsinstellingen, sportorganisaties en
we op verschillende manieren:
bedrijven onderzoeken we allerlei thema’s op het gebied van sport en sportief bewegen: van de
We verzamelen data en monitoren de Nederlandse
sportdeelname van (groepen) Nederlanders tot de
sportsector en beleidsprogramma’s.
motorische vaardigheden van kinderen, en van diversiteit en inclusie in de sport tot de economische impact van sportevenementen.
We ontwikkelen kennis en onderzoeksmethoden via verkennende en verdiepende studies. We duiden onderzoeksuitkomsten en vertalen deze
Het Mulier Instituut is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk.
naar de beleidspraktijk. We onderbouwen beleidsbeslissingen met expertise en advies. We bieden gevraagd en ongevraagd duiding en reflectie in de rol van ‘kritische vriend’ van de sportsector. We zetten ons in voor de bevordering van de sportwetenschap.
Hoofdstuk 1
De gemeente Den Haag heeft het Mulier Instituut gevraagd onderzoek te doen naar een positieve sportcultuur bij voetbalverenigingen. In dit eerste hoofdstuk beschrijven we de aanleiding, doelstellingen en onderzoeksvragen van dit onderzoek.
De gemeente Den Haag en stichting Werken aan Sportstad Den Haag (WSDH) hechten belang aan een positieve sportcultuur binnen Haagse voetbalverenigingen. Zij stimuleren voetbalverenigingen om die positieve sportcultuur te realiseren. De gemeente doet dat vanuit haar ‘Actieplan Een Positieve Sportcultuur Den Haag 2023-2025.’ WSDH voert dit actieplan uit vanuit een subsidieregeling. Volgens de gemeente en WSDH besteden Haagse voetbalverengingen aandacht aan een positieve sportcultuur. Maar die aandacht is er volgens hen niet continu en niet binnen iedere vereniging in dezelfde mate. Daarom zoeken de gemeente en WSDH naar manieren om verenigingen te ondersteunen bij het nadrukkelijker en (nog) beter positioneren van een positieve sportcultuur. Daarmee willen zij de ‘sfeer’ op voetbalverenigingen verbeteren en incidenten voorkomen die in strijd zijn met een positieve sportcultuur.
De gemeente en WSDH hebben behoefte aan: inzichten in hoe hun beleid (nog) beter aan kan sluiten bij de (ondersteunings)behoeften van voetbalverenigingen voor het realiseren van een positieve sportcultuur; adviezen over hoe die betere aansluiting is te realiseren. Het doel van dit onderzoek is dan ook om die inzichten en adviezen te bieden.
De hoofdvraag van ons onderzoek luidt:
Wat kunnen de gemeente Den Haag en WSDH doen om hun beleid over het realiseren van een positieve sportcultuur binnen Haagse voetbalverenigingen (nog) beter aan te laten sluiten bij de (ondersteunings)behoeften van die verenigingen?
In dit rapport beantwoorden we de hoofdvraag op basis van zeven deelvragen: 1.
Wat is het beleid van de KNVB om een positieve sportcultuur binnen voetbalverenigingen te realiseren?
2.
Wat is het beleid van de gemeente Den Haag om een positieve sportcultuur binnen Haagse voetbalverenigingen te realiseren?
3.
Hoe voert WSDH dat beleid uit?
4.
Waarom en hoe besteden Haagse voetbalverenigingen aandacht aan het realiseren van een positieve sportcultuur?
5.
Welke (ondersteunings)behoeften hebben Haagse voetbalverenigingen bij het realiseren van een positieve sportcultuur?
6.
Hoe stimuleert Rotterdam Sportsupport dat Rotterdamse voetbalverenigingen een positieve sportcultuur realiseren, en in welke mate doen die verenigingen dat?
Net als de gemeente Den Haag en WSDH probeert de KNVB vanuit beleid een positieve sportcultuur binnen voetbalverenigingen te realiseren. Daarom is het relevant om vanuit deelvraag 1 na te gaan welke lessen de gemeente en WSDH kunnen trekken uit het beleid van de voetbalbond. Verder vermoeden de gemeente Den Haag en WSDH dat er binnen Rotterdamse voetbalverenigingen wel relatief veel aandacht is voor een positieve sportcultuur. Rotterdam Sportsupport stimuleert dat, net als de gemeente Den Haag en WSDH, vanuit hun beleid. Deelvraag 6 is bedoeld om na te gaan welke lessen zijn te trekken uit de gemeente Rotterdam.
Leeswijzer We beschrijven in hoofdstuk 2 hoe we verschillende methoden inzetten om de onderzoeksvragen te beantwoorden. Het thema ‘beleid’ staat centraal in hoofdstuk 3. We beantwoorden deelvraag 1 tot en met 3 door in te gaan op hoe de KNVB, de gemeente Den Haag en WSDH stimuleren dat (Haagse) voetbalverenigingen een positieve sportcultuur realiseren. Het thema ‘verenigingspraktijk’ staat centraal in hoofdstuk 4. We beantwoorden deelvraag 4 en 5 vanuit het perspectief van bestuurders van Haagse voetbalverenigingen. Aan de hand van deelvraag 6 gaan we in op hoe een positieve sportcultuur in Rotterdamse voetbalverenigingen wordt gestimuleerd en gerealiseerd. Tot slot beantwoorden we de hoofdvraag in hoofdstuk 5. We presenteren aanbevelingen die de gemeente Den Haag en WSDH kunnen opvolgen om hun beleid (nog) beter aan te laten sluiten bij de (ondersteunings)behoeften van voetbalverenigingen, met als doel dat die meer aandacht hebben voor het realiseren van een positieve sportcultuur.
Hoofdstuk 2
Dit hoofdstuk gaat over welke methoden we inzetten om de deelvragen te beantwoorden.
Inhoudsanalyses Deelvraag 1, 2 en 3 hebben betrekking op beleid. We beantwoorden die op basis van inhoudsanalyses en interviews. De inhoudsanalyses richten zich op de beleidsplannen van de KNVB, de gemeente Den Haag en WSDH. Beleidsmedewerkers van de drie organisaties hebben deze naar ons toegestuurd. We vulden de inhoudsanalyses in door drie stappen te zetten: 1.
relevante teksten uit de beleidsplannen markeren;
2.
beschrijven over welke onderwerpen de gemarkeerde teksten gaan;
3.
de genoteerde onderwerpen thematiseren, bijvoorbeeld als: beleidsdoelstellingen; beleidsstrategieën; beleidsmaatregelen; samenwerkingspartners tijdens beleidsuitvoering.
Deze en andere thema’s komen (terloops) terug in hoofdstuk 3. Interviews met beleidsmedewerkers Na het afronden van de inhoudsanalyses hebben we semigestructureerde interviews afgenomen. Daarin vroegen we beleidsmedewerkers van de KNVB, de gemeente en WSDH over hoe ze bepaalde beleidsdoelstellingen en -strategieën in de praktijk brengen. De interviews vonden online plaats via Microsoft Teams. Respondenten stemden ermee in dat we een geluidsopname maakten van de interviews. We transcribeerden de interviews niet, maar maakten er notities over en thematiseerden die.
Interviews met verenigingsbestuurders De praktijk van Haagse voetbalverenigingen staat centraal in deelvraag 4, 5 en 6. In de gemeente Den Haag zijn er in totaal 37 voetbalverenigingen. We hebben de bestuurders van negen van die verenigingen geïnterviewd om onderzoeksvraag 4 en 5 te beantwoorden:
vier bestuurders van voetbalverenigingen die volgens de gemeente Den Haag en WSDH nadrukkelijk bezig zijn met het realiseren van een positieve sportcultuur; drie bestuurders van voetbalverenigingen die een positieve sportcultuur willen realiseren, maar waarbinnen dat volgens de gemeente en WSDH nauwelijks lukt; twee bestuurders van voetbalverenigingen die volgens de gemeente en WSDH weinig aandacht hebben voor het realiseren van een positieve sportcultuur. De interviews met bestuurders waren semigestructureerd van aard. De thema’s en vragen aan de hand waarvan we met hen in gesprek gingen, leidden we ‘logisch’ af van onderzoeksvraag 4 en 5. Dat wil zeggen dat we vroegen naar: wat verenigingen zien als een positieve sportcultuur; waarom en hoe ze daar aandacht aan besteden; welke (ondersteunings)behoeften ze hebben om in het vervolg (wel of nadrukkelijker) een positieve sportcultuur te realiseren. Queer-inclusie zien de gemeente Den Haag en WSDH als een integraal onderdeel van een positieve sportcultuur bij voetbalclubs. Hierbij gaat het hoofdzakelijk om de acceptatie van leden met een lhbtiq+-achtergrond. In de interviews met bestuurders vroegen we hoe en waarom voetbalverenigingen aandacht besteden aan queer-inclusie. De interviews met de verenigingsbestuurders vonden plaats via Microsoft Teams. Zij gaven ons toestemming de gesprekken op te nemen.
We transcribeerden de interviewdata niet, maar maakten aantekeningen van hoofdzaken uit de gesprekken en thematiseerden die (vgl. paragraaf 2.1). In hoofdstuk 4 rapporteren we over de verschillende thema’s. Interview met Rotterdam Sportsupport Deelvraag 6 gaat over hoe Rotterdamse voetbalverenigingen een positieve sportcultuur realiseren. Rotterdam Sportsupport stimuleert dat vanuit hun beleid. We hebben de projectleider ‘Veilige sportverenigingen’ van deze organisatie geïnterviewd via Microsoft Teams. Ook dit interview analyseerden we door relevante zaken per onderwerp aan te tekenen en die onderwerpen te thematiseren.
Het antwoord op de hoofdvraag bestaat uit aanbevelingen over hoe het beleid van de gemeente Den Haag en WSDH (nog) beter aan kan sluiten op de (ondersteunings)behoeften van Haagse voetbalclubs. De antwoorden op deelvraag 1 tot en met 6 combineren we om te beschrijven welke acties de gemeente Den Haag en WSDH kunnen uitvoeren om meer en nadrukkelijker een positieve sportcultuur te realiseren binnen Haagse voetbalclubs.
Hoofdstuk 3
We beantwoorden deelvraag 1, 2 en 3 in dit hoofdstuk. Dat betekent dat we beschrijven hoe de KNVB (in paragraaf 3.1), de gemeente Den Haag (3.2) en WSDH (3.3) voetbalverenigingen via beleid stimuleren om een positieve sportcultuur te realiseren.
Geen specifiek beleidsprogramma De KNVB hanteert geen specifieke definitie van een positieve sportcultuur. De bond heeft daarom geen beleidsplan dat in zijn totaliteit gaat over een positieve sportcultuur binnen voetbalverenigingen. Positieve sportcultuur is binnen de KNVB onderdeel van het beleid gericht op sportiviteit en respect. In het kader staan de thema’s waaraan de KNVB werkt met betrekking tot sportiviteit en respect. ‘Urgentie om te professionaliseren De KNVB probeert mensen bewust te maken van hun eigen invloed en stimuleert hen om het beste uit zichzelf te halen: professionaliseren van gewenste gedrag. Het morgen net iets beter willen doen dan vandaag, dat is de mentaliteit. Centraal staat bewustwording van gedrag en het belonen van positief gedrag. Spelvormen, regels en reglementen Het spel, de spelregels of procedures zo aanpassen dat dit het gedrag van mensen positief beïnvloedt. Een aantal voorbeelden die de KNVB reeds heeft doorgevoerd zijn: het fair-play-concept (spelen zonder scheidsrechter), de tienminutenstraf, de visuele spelerspascontrole en het spelregelbewijs voor B-junioren. Aanpak risicoverenigingen De KNVB ondersteunt en helpt verenigingen om binnen de club een sfeer te creëren waar mensen zich veilig voelen en zich ‘normaal’ gedragen.
Om deze aantrekkelijke voetbalcultuur te realiseren, vragen verenigingen van de KNVB om die elementen aan te pakken die haaks staan op dit principe. Hiertoe is de aanpak risicoverenigingen ontwikkeld. Trainingen en cursussen Trainingen en cursussen voor individuele trainers en scheidsrechters dragen positief bij aan sportief en respectvol gedrag. Naast reguliere cursussen worden er specifieke trainingen gegeven, bijvoorbeeld voor het leren omgaan met moeilijke kinderen. Voor scheidsrechters zijn er onder meer weerbaarheidstrainingen.
Tucht en straffen Mensen die over de schreef gaan worden gestraft. De KNVB bewaakt grenzen van het toelaatbare en treedt op als deze grens wordt overschreden. Daar waar mogelijk doet de bond dit met een straf met pedagogische inslag, waardoor nadruk ligt op verbeterd gedrag in de toekomst. Een voorbeeld hiervan is de HALT-straf. Kijk hieronder voor meer informatie daarover.’ (KNVB, z.d.)
Hierna beschrijven we verschillende activiteiten die onderdeel zijn van het beleid van de KNVB over sportiviteit en respect. In ons interview met de programmamanager sportiviteit en respect van de voetbalbond kwam de term positieve sportcultuur daarbij soms ter sprake. Normen en waarden centraal Normen en waarden staan volgens de programmamanager centraal in het beleid van de KNVB over sportiviteit en respect. Dat zijn de geschreven en ongeschreven regels waar clubs zich wat de KNVB betreft aan moeten conformeren. De bond wil geen normen en waarden over een positieve sportcultuur ‘opleggen’ aan voetbalclubs. De KNVB wil vooral dat ‘het landschap’ van voetbalverenigingen die zelf uitdraagt. Positieve sportcultuur is een integraal onderdeel van de thema’s waaraan de KNVB werkt (zie kader). Ondersteuning via opleidingen Verder kwam in het interview met de KNVB naar voren dat een ‘organisatorisch sterke vereniging’ volgens de bond een belangrijke voorwaarde is om een positieve sportcultuur te realiseren. Binnen zo’n vereniging: is er voldoende en sterk kader en beleid gericht op het werven en behouden van kader; zijn er voldoende overige vrijwilligers en is er een vrijwilligersbeleid; draagt het bestuur de clubcultuur (en dus ook de kernwaarden van een positieve sportcultuur als onderdeel daarvan) uit; zijn leden betrokken.
Gezien het belang van voldoende en sterk kader, ondersteunt de KNVB verenigingen onder andere door opleidingen aan te bieden voor bestuurders, trainers, coaches en scheidsrechters. Ook de coördinerende laag in clubs, bestaande uit bijvoorbeeld een vrijwilligerscoördinator en een hoofd jeugdopleiding, wordt volgens de programmamanager sportiviteit en respect steeds belangrijker. Deze laag is belangrijk voor een sterk kader van onder meer trainers, leiders en scheidsrechters, die met goede ondersteuning en opleiding beter bij kan dragen aan een positieve sportcultuur.
De opleidingen vanuit de KNVB voor trainers lijken nog wel vooral gericht op de voetbalmethodische ontwikkeling, en iets minder op de pedagogische ontwikkeling. Informatievoorziening De KNVB-verenigingsadviseurs spelen een belangrijke rol bij het ophalen en verspreiden van informatie bij voetbalverenigingen. De adviseurs zijn per regio actief en praten daar met bestuurders om de lokale behoeften in kaart te brengen. Daarnaast heeft de KNVB informatie over wedstrijdstaking, gele en rode kaarten, schorsingen en de beoordeelde sportiviteit van teams door hun tegenstander. De verenigingsadviseurs kunnen zelf ondersteunen op thema’s, zoals positieve sportcultuur, of doorverwijzen naar specifiekere ondersteuning op andere thema’s. Deze manier van informatievoorziening is volgens de programmamanager sportiviteit en respect zeer belangrijk, omdat verenigingen worden overspoeld door informatie via bijvoorbeeld de mail. Direct contact is daarom van belang om een thema als positieve sportcultuur onder de aandacht te brengen bij verenigingen. Aanpak vanuit de voetbalwereld De KNVB is zelf bezig met het meer naar buiten uitstralen van de normen en waarden in het voetbal, maar binnen de voetbalwereld zijn er ook al voorlopers. Diverse regio’s hebben volgens de programmamanager sportiviteit en respect al convenanten over normen en waarden of zijn daarmee bezig.
De KNVB vindt het sterker als dit van onderop komt en draagt daarom ook zorg voor korte lijntjes, zodat iedereen op de hoogte is van ontwikkelingen. De KNVB kan positieve voorbeelden dan eventueel uitlichten in de externe communicatie naar meer verenigingen en regio’s. Op 31 juli 2024 maakte de KNVB bekend dat vanaf het seizoen 2024/2025 alleen aanvoerders belangrijke beslissingen met de scheidsrechter mogen bespreken, in zowel het prof- als het amateurvoetbal. Een van de belangrijkste redenen voor deze beslissing is dat de KNVB respectloos gedrag wil voorkomen en sportiviteit wil stimuleren. Meer samenwerking tussen scheidsrechters en aanvoerders kan hier volgens de KNVB bij helpen. Ons Voetbal Is Van Iedereen De KNVB is actief bezig met de inclusie van lhbtiq+-personen binnen de voetbalwereld. Daarvoor hebben ze onder meer het beleidsprogramma ‘Ons Voetbal Is Van Iedereen’ (OVIVI) uitgerold. OVIVI valt uiteen in drie beleidslijnen: voorkomen, signaleren en sanctioneren. Met dit programma wil de KNVB de kracht van diversiteit benadrukken. Maar in de praktijk is dit weerbarstiger dan de KNVB graag zou zien. Dat heeft volgens de programmamanager sportiviteit en respect ook te maken met de verruwing en individualisering in de maatschappij.
Samenwerking met gemeenten De KNVB werkt op dit moment veel samen met gemeenten bij de aanpak van verenigingen met incidenten. Die incidenten komen voort uit een negatieve/ onveilige sportcultuur. Zeker als een vereniging meerdere overtredingen heeft begaan, kan het zijn dat deze uitgesloten wordt van deelname aan de competitie. In zulke gevallen is de gemeente nadrukkelijk betrokken, omdat er dan samen gekeken wordt naar het belang van een club volgens en in een gemeente. De gemeente kan het met de KNVB eens zijn dat een club gestopt moet worden, maar kan ook juist belang hechten aan het behoud van een club. Bijvoorbeeld omdat er veel kwetsbare inwoners voetballen. Aan de andere kant is er soms ook juist samenwerking met de gemeente om dergelijke clubs aan ondersteuningsmogelijkheden te helpen. Bijvoorbeeld vanuit het lokale sportakkoord. De KNVB beschikt over diverse indicatoren waarmee ze in kaart brengen in hoeverre een club een risicovereniging is. Bijvoorbeeld het aantal kaarten en incidenten, maar ook de gerapporteerde sportiviteit vanuit de tegenstander. Met deze indicatoren kan de KNVB ook trends waarnemen bij clubs. Mogelijk kunnen ze deze informatie delen met gemeenten of uitvoeringsorganisaties van gemeenten, zodat zij meer maatwerk kunnen bieden met hun verenigingsondersteuning.
Meer nadruk op preventie Een groot deel van de personele inzet van de KNVB lijkt momenteel op de aanpak van incidenten te zitten. Maar de programmamanager sportiviteit en respect benadrukt dat de KNVB ook veel meer op de preventieve kant ‘wil gaan acteren’. Het meenemen van clubs in de dominante voetbalcultuur is daarbij één van de belangrijkste aandachtspunten, zodat clubs zelf meer aandacht besteden aan het voorkomen van onsportief gedrag op voetbalvelden. De programmamanager ziet daarom mogelijkheden in het belonen van clubs die het goed doen, bijvoorbeeld door hen een podium te bieden of gratis opleidingen aan te bieden. In de externe communicatie kan de KNVB voetbal volgens hem ‘nog sterker positioneren als de prachtige en diverse sport die het is’.
We zoomen in deze paragraaf in op het beleid van de gemeente Den Haag om een positieve sportcultuur te realiseren. Dat is beschreven in het ‘Actieplan een positieve sportcultuur Den Haag 2023-2025.’ Dit plan heeft ook betrekking op voetbalverenigingen. Daarin staan verschillende ondersteuningsmiddelen en actiepunten centraal.
Definitie en beleid gemeente Den Haag Voordat we de middelen en punten beschrijven, is het relevant om de definitie van een positieve sportcultuur van de gemeente Den Haag in beeld te brengen. Het beleid dat de gemeente voert ligt namelijk in het verlengde van die definitie. De gemeente ziet een positieve sportcultuur als:
‘een cultuur waarin iedereen met plezier, eerlijk, veilig en zorgeloos kan sporten. Waarin men niet buitengesloten of gediscrimineerd wordt, maar waar respect voor elkaar en de scheidsrechter hoog in het vaandel staat, en waarin de grenzen van de ander gerespecteerd worden. Een (positieve sportcultuur is een, red.) inclusieve, open en vriendelijke sportcultuur’ Gemeente Den Haag, 2023
We interviewden een beleidsmedewerker sport van de gemeente Den Haag. Volgens hem zijn veiligheid en plezier uiteindelijk de centrale concepten in het beleid van de gemeente. Verenigingen kunnen doorlopende ondersteuning gebruiken. Daar wil de gemeente naar eigen zeggen ‘duurzaam’ op inzetten. Dat wil zeggen: het is van belang om die doorlopende ondersteuning aan te blijven bieden. In het actieplan staat hoe dat gebeurt. De gemeente heeft haar ondersteuningsmiddelen en actiepunten samengevoegd onder de noemer van vijf thema’s: informatievoorziening, bewustwording en basisvoorwaarden; pedagogisch sportklimaat; ouderbetrokkenheid; respect en inclusie; grensoverschrijdend gedrag. Informatievoorziening, bewustwording en basisvoorwaarden Informatievoorziening betekent dat de gemeente, naar eigen zeggen, continu bezig is met het promoten van en communiceren over een positieve sportcultuur. Via doorlopende informatievoorziening veronderstelt de gemeente bij te dragen aan het realiseren en borgen van een positieve sportcultuur binnen verenigingen (Gemeente Den Haag, 2023). Volgens de gemeente is het daarbij vooral van belang om de behoeften van verenigingen continu mee te nemen.
Dat gebeurt onder andere door: vragen over een positieve sportcultuur mee te nemen in vitaliteitsonderzoek dat de gemeente Den Haag elke twee jaar uitvoert onder Haagse sportverenigingen; sportconsulenten in dienst van de gemeente Den Haag en sportcoördinatoren en sportpedagogen in dienst van WSDH, die signalen over behoeften van verenigingen oppakken en doorspelen. Bewustwording vergroten over het belang van een positieve sportcultuur is een andere belangrijke beleidsdoelstelling. De gemeente promoot het thema continu en communiceert er steeds over met haar partners. Dat gebeurt onder andere door:
een universeel logo over positieve sportcultuur op relevante plekken te uiten; een website over positieve sportcultuur up-to-date te houden (belegd bij WSDH); filmpjes te ontwikkelen en verspreiden over een positieve sportcultuur; verenigingen altijd de mogelijkheid te bieden om regenboogaanvoerdersbanden en -vlaggen af te nemen. Dat geldt ook voor blauwe kaarten (zie hoofdstuk 4). Tot slot moeten Haagse sportverenigingen sinds 1 januari 2024 voldoen aan drie basisvoorwaarden: het instellen van een vertrouwenscontactpersoon; het hebben van een gedragscode; Verklaringen Omtrent het Gedrag (VOG’s) voor vrijwilligers (waaronder bestuurders) en werknemers. Verenigingen kunnen ondersteuning aanvragen bij het voldoen aan de drie basisvoorwaarden. Bijvoorbeeld hulp bij het opstellen van normen, waarden en een gedragscode. Pedagogisch sportklimaat ‘Het verbeteren van de pedagogische vaardigheden van trainers en coaches op het gebied van groepsdruk, pesten, individuele zorgen en dergelijke, is in de huidige maatschappij een must’, aldus de gemeente Den Haag (2023) in haar actieplan. Daarom ondersteunt en stimuleert de gemeente verenigingen om de ontwikkeling en het plezier van kinderen centraal te stellen in het klimaat dat trainers en coaches creëren, in plaats van winnen. WSDH geeft drie (online) workshops over een pedagogisch sportklimaat.
Die zijn bedoeld voor trainers en coaches en gaan over: positief coachen, met onderwerpen als houding en (voorbeeld)gedrag, stemgebruik en het centraal zetten van ontwikkeling en plezier in de sport (Gemeente Den Haag, 2023); teamprocessen; omgaan met opvallend gedrag. Naast de workshops kunnen verenigingen voor een bepaalde periode ondersteuning van een sportpedagoog aanvragen. Die kijkt mee met trainingen en/of wedstrijden en geeft adviezen. Verder kunnen verenigingen via de gemeente de e-learning ‘een beetje opvoeder’ van NOC*NSF aanvragen, en de workshop ‘4 inzichten over trainerschap’ (Gemeente Den Haag, 2023). Tot slot zet de gemeente via WSDH sportcoördinatoren in als clubkadercoach. Op verenigingen leiden zij trainers pedagogisch op, en begeleiden ze hen (idem). Ouderbetrokkenheid Ouders hebben, net als andere familieleden, vrienden en kennissen, invloed op het gedrag van kinderen. Volgens de gemeente is het daarom van belang dat zij ‘goed
worden meegenomen in de visie op een positieve sportcultuur’ (Gemeente Den Haag, 2023). Dat betekent concreet dat de gemeente ernaar streeft dat ouders de normen en waarden van sportverenigingen kennen én uitdragen. De ondersteuning van de gemeente aan sportverenigingen is dan ook daarop gericht (idem). Dat krijgt concreet vorm doordat sportpedagogen van WSDH workshops over ouderbetrokkenheid organiseren. De ene heet ‘Ouders langs de zijlijn’, de andere ‘Ouderbetrokkenheid creëren.’ Die laatste workshop is bedoeld voor trainers, coaches, vrijwilligers en bestuurders (Gemeente Den Haag, 2023). Tot slot vindt het project ‘Positiviteit Scoort’ plaats sinds 2020. Vanuit een positieve insteek worden ouders en betrokkenen bewust gemaakt van hun gedrag op sportverenigingen. Het project bestaat onder meer uit: een filmpje waarin kinderen vertellen wat ze graag van ouders/coaches willen zien en horen op en om het veld/zaal (positief); de insteek ‘Welkom tot en met vertrek’: iedereen ontmoet elkaar bij het binnenkomen van de vereniging en ook het afscheid is warm, vanuit een positieve benadering; de blauwe kaart, die teams elkaar kunnen geven als compliment over sportief en respectvol gedrag. Respect en inclusie De gemeente beschrijft in haar actieplan dat ‘anders zijn’ op steeds meer verenigingen als ‘normaler’ wordt gezien, maar zeker nog niet overal.
'Iedereen is welkom bij de sportverenigingen van Den Haag en respect is er voor iedereen!' (Gemeente Den Haag, 2023). Dit is het adagium waar de gemeente naar streeft. Uitsluiting op basis van afkomst, huidskleur en geaardheid worden niet getolereerd. De focus ligt daarop in de ondersteuning die de gemeente aan verenigingen biedt. Op het gebied van respect zet de gemeente onder andere in op de blauwe kaart, deelnemen aan de ‘Week van Respect’ die de Respect Foundation sinds 2006 jaarlijks organiseert, en ondersteuning aan verenigingen om leden respectvol om te laten gaan met scheidsrechters. Op het gebied van inclusie is de gemeente onder andere aangesloten bij de Alliantie Gelijkspelen om de acceptatie van lhbtiq+-personen in sport te bevorderen. Daarnaast zet de gemeente in op het project ‘Met andere ogen.’ Via virtual reality kunnen leden van verenigingen zich verplaatsen in de leefwereld en ervaringen van mensen die ze (nog) niet kennen. Daarmee worden ze geconfronteerd met hun dagelijkse dilemma’s (Gemeente Den Haag, 2023). Grensoverschrijdend gedrag De gemeente Den Haag ziet grensoverschrijdend gedrag als al het gedrag dat binnen verenigingen niet wordt geaccepteerd. Daarbij kan het gaan om fysiek, emotioneel en seksueel grensoverschrijdend gedrag (Gemeente Den Haag, 2023).
Op het gebied van fysiek en emotioneel grensoverschrijdend gedrag werkt de gemeente bijvoorbeeld samen met ‘Den Haag Meldt’, om discriminatie tegen te gaan. Ook werkt ze samen met politie en veiligheid op het gebied van incidenten op sportvelden (idem). Op het gebied van seksueel grensoverschrijdend gedrag organiseert ze bijvoorbeeld webinars en biedt ze het ‘High 5 Stappenplan Seksueel Grensoverschrijdend Gedrag’ van het Centrum Veilige Sport Nederland digitaal aan. Ook ontwikkelt ze een podcast om seksueel grensoverschrijdend gedrag bespreekbaar te maken (idem).
De uitvoering van het beleid van de gemeente Den Haag – dat wil zeggen: het actieplan positieve sportcultuur 2023-2025 – ligt momenteel in handen van WSDH. De inzet van WSDH wordt gefinancierd vanuit de subsidieregeling combinatiefunctionarissen sport Den Haag 2022. Bij WSDH werken in 2024 twee sportcoördinatoren en één coördinator positieve sportcultuur beleidsmatig aan het thema. Vanuit zeven projecten ondersteunt de organisatie sportverenigingen om een positieve sportcultuur te realiseren. Verenigingsondersteuning op maat WSDH wil in 2024 minimaal tien verenigingen actief ondersteunen bij het (door)ontwikkelen van een positieve sportcultuur. De ondersteuning kan bestaan uit ‘het observeren tijdens trainingen of wedstrijden, het verzorgen van (online) workshops, het verstrekken van informatie en het adviseren van besturen en commissies’ (WSDH, 2024). We interviewden de teamleider verenigingsondersteuning en de coördinator positieve sportcultuur van WSDH. Daarin kwam naar voren dat WSDH de precieze ondersteuning met verenigingen afstemt via zogeheten kennismakingsgesprekken. In die zin betreft het verenigingsondersteuning op maat. De kennismakingsgesprekken komen tot stand op twee manieren: Verenigingen kloppen bij WSDH aan voor een gesprek. WSDH legt contact met verenigingen voor een gesprek. Met sommige verenigingen werkt WSDH relatief veel samen.
Zij zijn ‘usual suspects', kwam in het interview naar voren. Met andere verenigingen werkt WSDH zelden of niet samen. Om hen toch te bereiken en wellicht ondersteuning te bieden, organiseren ze ieder jaar zogeheten ‘belrondes’. Ook hebben ze netwerkbijeenkomsten waarvoor ze alle verenigingen uitnodigen. Accounthouderschap positieve sportcultuur De genoemde kennismakingsgesprekken vallen onder de noemer ‘Accounthouderschap positieve sportcultuur.’ In 2024 wil WSDH met minimaal vijftien sportverenigingen een kennismakingsgesprek voeren over een positieve
sportcultuur (WSDH, 2024). De hamvraag in de gesprekken is hoe het ondersteuningsaanbod van WSDH aan kan sluiten bij de behoeften van verenigingen. Daarbij proberen ze zoveel mogelijk ‘maatwerk’ te leveren, passend bij de specifieke uitdagingen van verenigingen. Onderdeel van het accounthouderschap is verder dat de sportcoördinator positieve sportcultuur die in dienst is bij WSDH, langsgaat bij verenigingen (idem). Pedagoog op de club 39 verenigingen klopten in 2024 vooralsnog bij WSDH aan voor pedagogische/ didactische ondersteuning op het thema (ondersteuning van het) kader (WSDH, 2014). Bij verenigingen die kaderondersteuning ontvangen, organiseert WSDH een workshop positieve sportcultuur (idem). Die richt zich vooral op trainers, bleek uit ons interview met WSDH (vgl. paragraaf 3.1). Zij zijn de belangrijkste actoren als het gaat om het beïnvloeden van het gedrag van kinderen vanuit normen en waarden. Basisvoorwaarden positieve sportcultuur Haagse sportverenigingen zijn verplicht om te voldoen aan de basisvoorwaarden positieve sportcultuur. Daarbij gaat het om het instellen van gedragsregels, een vertrouwenscontactpersoon en VOG’s (zie paragraaf 3.2). WSDH ondersteunt verenigingen om dat voor elkaar te krijgen. Dat betekent bijvoorbeeld concreet dat WSDH helpt bij het opstellen van gedragsregels via een workshop en vertrouwenscontactpersonen opleidt.
In 2024 wil de uitvoeringsorganisatie minimaal tien sportverenigingen ondersteunen om aan de basisvoorwaarden te voldoen (WSDH, 2024). In het interview kwam naar voren dat ondersteuning op de basisvoorwaarden voor WSDH misschien een ‘ingang’ is om voetbalverenigingen te bereiken waarmee ze nog niet samenwerken. Mogelijk kunnen ze die vanuit gesprekken die dan ontstaan verder ondersteunen. Opleiden vertrouwenscontactpersonen Dit jaar wil WSDH minimaal 25 vertrouwenscontactpersonen opleiden (WSDH, 2024). Daarvoor organiseert NOC*NSF eens per kwartaal scholing. Verder vindt er in 2024 twee keer een intervisiebijeenkomst voor vertrouwenscontactpersonen plaats, die in het teken staat van het delen van kennis en ervaring (idem). Kwaliteit ondersteuningsaanbod WSDH hecht waarde aan een toegankelijk en laagdrempelig ondersteuningsaanbod. Oftewel: aan aanbod van een zekere kwaliteit. Die kwaliteit op peil houden ziet WSDH als één van hun projecten in het kader van een positieve sportcultuur. WSDH biedt verenigingen ondersteuning op maat via vier stappen: 1.
kennismakingsgesprek organiseren (zie onze eerdere beschrijving);
2.
observeren binnen verenigingen;
3.
workshops organiseren en adviezen en ondersteuning verstrekken voor een trainer of team, in lijn met de doelstellingen die zijn bepaald in het kennismakingsgesprek en naar aanleiding van observaties;
4.
evalueren of de doelstellingen zijn behaald. De evaluatie staat in het teken van nagaan wat er verbeterd kan worden aan het ondersteuningsaanbod van WSDH.
Overstijgende projecten Tot slot richt WSDH zich in 2024 op projecten die de organisatie als ‘overstijgend’ beschrijft. Het gaat om: Sport-specifieke ondersteuning: WSDH wil zijn ondersteuning beter aan laten sluiten op de praktijk van sportverenigingen. Zo ook op die van voetbalverenigingen. Eind 2024 moet er een nieuwe ‘aanpak Haags voetbal’ zijn, die ze in samenspraak met de verenigingen hebben ontwikkeld. Dit onderzoeksrapport levert daar ook input voor. In 2025 kijken ze of er ook specifieke ondersteuning in andere sporten nodig is (WSDH, 2024). Sport-overstijgende workshops: de eerste actie is dat er workshops worden ontwikkeld voor trainers, coaches, bestuurders en/of ouders van alle Haagse sportverenigingen. De tweede actie is dat WSDH verenigingen onderling wil stimuleren om elkaar uit te nodigen voor workshops. Daarmee wordt de ondersteuning van WSDH uiteindelijk toegankelijker (WSDH, 2024). Week van Respect: deze week is gericht op jongeren en werd vooralsnog vaak georganiseerd in op ‘playgrounds’ in de openbare ruimte. WSDH benut 2024 om te onderzoeken of ze deze week op meerdere locaties (zoals die van verenigingen) of tijdens meerdere activiteiten (zoals evenementen) kan organiseren. Ook kijkt WSDH welke activiteiten ze aan de week kunnen toevoegen, zoals workshops over respect en inclusie (WSDH, 2024).
Tot slot is het relevant om te vermelden dat positieve sportcultuur slechts één van de thema’s is waarop WSDH sportverenigingen ondersteunt. Andere thema’s zijn bijvoorbeeld vrijwilligersbeleid, open club en ledenwerving. Hierop biedt WSDH specifieke ondersteuning aan, die losstaat van en dus niet geïntegreerd is in de ondersteuning op het gebied van positieve sportcultuur.
Hoofdstuk 4
We beantwoorden deelvraag 4, 5 en 6 in dit hoofdstuk. Deze vragen hebben betrekking op de praktijk binnen voetbalverenigingen. Paragraaf 4.1 gaat over de motieven van Haagse voetbalverenigingen om aandacht te besteden aan een positieve sportcultuur. In paragraaf 4.2 zoomen we in op hoe die aandacht tot uiting komt. Paragraaf 4.3 gaat over de (ondersteunings)behoeften van Haagse voetbalverenigingen om een positieve sportcultuur te realiseren. Tot slot belichten we in paragraaf 4.4 hoe Rotterdam Sportsupport een positieve sportcultuur bij Rotterdamse voetbalverenigingen stimuleert. En in welke mate die verenigingen dat doen.
Dit onderzoek heeft betrekking op negen Haagse voetbalverenigingen. Uit de interviews die we afnamen met bestuurders van deze negen verenigingen, komen vier gemene delers naar voren als het gaat om hun motieven om een positieve sportcultuur te realiseren: plezier; veilige verenigingen; inclusieve verenigingen; multiculturele verenigingen. Plezier Plezier is één van de centrale facetten in de definitie van de gemeente Den Haag van een positieve sportcultuur. De gemeente vindt het van belang dat iedereen met plezier kan sporten (zie paragraaf 3.2). Het belang van plezier kwam ook nadrukkelijk terug in de interviews die we onder bestuurders afnamen. Volgens hen staat plezier voorop bij het beoefenen van verenigingsvoetbal. Mensen worden en blijven lid van voetbalverenigingen omdat zij het leuk vinden om daar samen met anderen te voetballen. Althans, dat is hoe de bestuurders die we interviewden het voor zich zien. Volgens de bestuurders draagt een positieve sportcultuur eraan bij dat leden op voetbalverenigingen plezier (blijven) ervaren. Daarom wegen de bestuurders bij alle activiteiten die ze ontplooien op het gebied van een positieve sportcultuur (zie paragraaf 4.2), af of ze bijdragen aan plezier. Veilige verenigingen Veiligheid is een ander belangrijk facet van hoe de gemeente Den Haag een positieve sportcultuur voor zich ziet.
Volgens de gemeente kan verenigingsvoetbal alleen als plezierig worden ervaren als het daarbinnen veilig is. Kortom: veiligheid is een belangrijke randvoorwaarde voor plezier.
De bestuurders van verenigingen gaven in de interviews te kennen dat zij er ook zo tegenaan kijken. Onveiligheid zien zij bij uitstek als iets negatiefs en dus niet passend in een positieve sportcultuur. Bestuurders zijn er daarom alert op dat onveilige situaties in verenigingen niet voor kunnen komen. Zij doen dit bijvoorbeeld vanuit de basisvoorwaarden: door VOG’s voor vrijwilligers verplicht te stellen en vertrouwenscontactpersonen aan te stellen binnen (zie paragraaf 3.2, 3.3 en 4.2). Als er binnen verenigingen onverhoopt toch onveilige situaties plaatsvinden, is er bestuurders er alles aan gelegen om die zo snel mogelijk ‘op te pakken. De specifieke acties die zij dan uitvoeren, zijn afhankelijk van de aard van de onveilige situaties. Een voorbeeld is dat bestuurders een gesprek aanknopen met leden die betrokken waren bij de onveilige situaties. Én met (kader)leden die eraan bij kunnen dragen dat die situaties in het vervolg niet meer voorkomen. Inclusieve verenigingen Hoe inclusiever verenigingen zijn, hoe plezieriger en veiliger leden die verenigingen ervaren. Althans, dat is wat verenigingsbestuurders veronderstelden in de interviews. In een inclusieve vereniging is volgens hen iedereen welkom en vindt er geen achterstelling en uitsluiting van groepen mensen plaats.
Een inclusieve vereniging heeft volgens de bestuurders die we interviewden een ‘open karakter.’ Dat betekent dat alle leden zich er welkom en thuis voelen. Leden hebben respect voor elkaar en elkaars grenzen, zoals ook in de definitie van een positieve sportcultuur van de gemeente Den Haag naar voren komt. Het is volgens bestuurders om twee redenen van belang om inclusief te zijn: Ten eerste is inclusiviteit een belangrijke maatschappelijke waarde. Dat wil zeggen dat er in de hedendaagse maatschappij veel nadruk wordt gelegd op inclusiviteit. Haagse voetbalverenigingen zijn een afspiegeling van de maatschappij en willen dat blijven. Daarbij past het dus om inclusief te zijn. De tweede reden hangt samen met de eerste en houdt in dat leden van verenigingen verwachten dat zij een inclusieve organisatie zijn. Juist omdat dit een belangrijke maatschappelijke waarde is. Enkele verenigingen uit ons onderzoek liggen in Haagse wijken waar het merendeel van de inwoners tot lagere sociaaleconomische groepen behoort. Dit is ook terug te zien in de sociale problematiek die een deel van de leden van die verenigingen ondervindt. Zij komen bijvoorbeeld uit gezinnen waar er armoede is, als gevolg van werkloosheid. De bestuurders van verenigingen in sociaaleconomisch kwetsbare wijken gaven aan het in het bijzonder van belang te vinden dat zij inclusief zijn.
Juist omdat de verenigingen een plek kunnen zijn voor leden om, al is het maar tijdelijk, ‘los te komen’ van sociale problematiek.
Multiculturele verenigingen De gemeente Den Haag is multicultureel. Inwoners hebben diverse sociale achtergrondkenmerken. Mensen met dezelfde kenmerken wonen vaak in dezelfde wijken en verbinden zich doorgaans in voetbalverenigingen. Op die manier zijn er in Den Haag duidelijke verschillen op te tekenen tussen de signatuur van verenigingen. Het is volgens bestuurders onderdeel van een inclusieve vereniging om multicultureel te zijn. Zij vinden dat een positieve sportcultuur daaraan bij moet dragen, vooral doordat er binnen verenigingen respect is voor verschillen tussen leden. Verschillen tussen geselecteerde verenigingen Voor dit onderzoek selecteerden we vier verenigingen die volgens de gemeente Den Haag en WSDH nadrukkelijk bezig zijn met het realiseren van een positieve sportcultuur, twee die daar volgens de gemeente en WSDH weinig mee bezig zijn en drie die dat volgens de gemeente en WSDH wel willen, maar er niet in slagen. Uit de interviews komt naar voren dat er ondanks deze drie typen verenigingen geen verschillen zijn als het gaat om hun motieven om een positieve sportcultuur te realiseren. Ze besteden daar allemaal aandacht aan omdat ze plezier en veiligheid vooropstellen en zo inclusief en multicultureel mogelijk willen zijn.
In de interviews schetsten de meeste bestuurders (uit alle drie de typen verenigingen die we selecteerden) wel het beeld dat er bij de verenigingen waar de leden overwegend tot lagere sociaaleconomische-statusgroepen behoren, vaker negatieve gedragingen aan de orde zijn geweest in het verleden. Die druisen in tegen een positieve sportcultuur. Het gaat daarbij vooral om onmin tussen teams uit die verenigingen en teams uit andere verenigingen. Dat kunnen teams zijn van verenigingen uit alle drie de categorieën die in dit onderzoek centraal staan (zie paragraaf 2.2). Volgens de bestuurders die we interviewden is deze onmin niet los te zien van de achtergrond van de leden. Doordat zij tot lagere sociaaleconomische-statusgroepen behoren, ondervinden zij geregeld problemen in hun privéleven, zoals armoede, achterstanden op scholen en moeite met het vinden van huisvesting en/of werk. Irritaties of frustraties over die problemen kunnen zich volgens bestuurders manifesteren in negatief gedrag op en rond voetbalvelden. Daarom is er binnen de verenigingen waarvan de gemeente en WSDH op voorhand veronderstelden dat ze weinig aandacht hebben voor een positieve sportcultuur, meer aanleiding om daar wel aandacht voor te hebben. Maar dat verandert niets aan de motieven van de bestuurders van deze verenigingen om het thema binnen clubs naar voren te brengen.
Voor de verenigingen waarvan de gemeente en WSDH veronderstelden dat zij nadrukkelijke aandacht hebben voor een positieve sportcultuur, geldt het
tegenovergestelde. In de interviews met de bestuurders van die verenigingen kwam naar voren dat hun leden overwegend uit hogere sociaaleconomischestatusgroepen afkomstig zijn. Zij ondervinden volgens de bestuurders weinig problemen in hun privéleven. Dat weerspiegelt zich volgens de bestuurders van de clubs in ‘beschaafd’ gedrag, waarbij positiviteit, respect, ontplooiing en inclusiviteit voorop staan. Bovendien spreken de leden van deze verenigingen elkaar erop aan als dit beschaafde gedrag in het geding is. In die zin zijn de clubs volgens bestuurders zelf-regulatief. Het is van belang om op te merken dat we ons in dit onderzoek baseren op de percepties van bestuurders. In werkelijkheid zijn de clubs misschien minder inclusief, beschaafd en zelf-regulatief dan zij veronderstellen. De bestuurders kunnen namelijk onwetend zijn of ‘blinde vlekken’ hebben als het gaat om hoe leden de cultuur op verenigingen ervaren. In ons onderzoek nemen we de gedragingen en percepties van verenigingsleden niet onder de loep.
Deze paragraaf gaat over hoe Haagse voetbalverenigingen een positieve sportcultuur tot uiting brengen. Communiceren over normen en waarden Normen en waarden zijn belangrijke facetten van een verenigingscultuur. Bestuurders zien normen als de (ongeschreven) regels over hoe er wordt verwacht dat leden zich binnen verenigingen gedragen. Normen zijn volgens verenigingsbestuurders op achterliggende waarden gebaseerd, die vooral gaan over waarom bepaalde gedragingen ‘waardevol’ zijn. Voorbeelden van waarden die bestuurders in de interviews als belangrijk bestempelden, zijn respect en inclusie (iedereen voelt zich welkom en thuis binnen clubs). Communiceren over de centrale normen en waarden is volgens bestuurders een belangrijke manier om bij te dragen aan een positieve sportcultuur. Dit gebeurt dan ook op verschillende manieren. Zo wordt dit uitgedragen door bestuursleden en zijn er op verenigingsaccommodaties bijvoorbeeld affiches en banners zichtbaar van gedragsregels. Soms worden die regels samengevoegd in een gedragscode. Via de gedragsregels en gedragscodes wordt actief gecommuniceerd over de manier waarop van mensen wordt verwacht dat zij met elkaar omgaan op de vereniging. Eén vereniging heeft in haar voetbalvisie staan dat ze niet alleen goede sporters wil opleiden, maar mensen ook wil opleiden voor de samenleving.
Binnen andere verenigingen vinden aan het begin van ieder seizoen bijeenkomsten plaats waarbij de trainers en de coördinatoren van een bepaalde categorie (zoals de jeugd onder 13 jaar of senioren) met spelers (en eventueel hun ouders) bespreken hoe er van hen wordt verwacht dat zij zich gedragen. Bij één van de verenigingen
wordt houding en gedrag ook nadrukkelijk meegenomen als een van de criteria waarop wordt gekeken of iemand past binnen een team. Sommige verenigingen organiseren daarnaast zogeheten intakegesprekken met individuele nieuwe leden. In die gesprekken worden zij welkom geheten en wordt benadrukt wat de identiteit en daarbij horende normen binnen de club zijn. Alle negen verenigingen die deelnamen aan dit onderzoek zouden intakegesprekken willen voeren met nieuwe leden. Dat geldt ook voor ‘exitgesprekken’, die kunnen gaan over waarom leden uitstromen bij een vereniging. Maar het merendeel kan niet voldoende vrijwilligers vinden die de intake- en exitgesprekken voor hun rekening willen nemen. Bij een aantal verenigingen stromen jaarlijks tientallen leden in en uit, wat het voeren van de gesprekken een intensieve taak maakt. Verder kregen we in interviews te horen dat verenigingen via websites en socialemediakanalen communiceren over hun normen en waarden. Vooral omdat potentiële en bestaande leden die ‘kanalen’ vaak raadplegen voor informatie over de vereniging. Tot slot kwam in de interviews naar voren dat er binnen meerdere verenigingen een normen- en waardencommissie of een commissie sportiviteit en respect is opgericht. Die commissie houdt zich nadrukkelijk bezig met het opstellen van normen en waarden en het communiceren daarover naar de leden.
Ouderbetrokkenheid organiseren In hoofdstuk 3 kwam naar voren dat ouders invloed hebben op het gedrag van kinderen. Én dat de gemeente Den Haag en WSDH het juist daarom van belang vinden om hen mee te nemen in de visie van de gemeente op een positieve sportcultuur. Deze ontwikkeling vindt ook plaats in Haagse voetbalverenigingen zelf, bleek uit onze interviews. In het kader van een positieve sportcultuur streven verenigingen ernaar dat ouders de normen en waarden die centraal staan binnen een club, kennen én uitdragen. Zij geven dat vooral op twee manieren vorm. Ten eerste communiceren ze met de ouders bij een nieuw lidmaatschap van een kind. Dat gebeurt via tekst op het inschrijfformulier, of door een intakegesprek met leden en hun ouders aan te knopen. Ten tweede proberen verenigingen ouders van kinderen zoveel mogelijk te werven voor vrijwilligerswerk, zoals een trainers- of bestuursfunctie. De ervaring leert volgens bestuurders dat ze vanuit zo’n functie vaak ook nadrukkelijker bij gaan dragen aan het communiceren over normen en waarden richting andere verenigingsleden. Basisvoorwaarden In de gemeente Den Haag zijn verenigingen sinds 1 januari 2024 verplicht om zogeheten basisvoorwaarden in te stellen (zie hoofdstuk 3). Het gaat dan om een
vertrouwenscontactpersoon, een gedragscode en VOG’s. WSDH ondersteunt verenigingen om die voorwaarden in te stellen (idem). Uit onze interviewgesprekken kwam naar voren dat verenigingen de basisvoorwaarden als belangrijke facetten van een positieve sportcultuur zien. Het is één van de manieren waarop zij die cultuur realiseren. Eén van de clubs benadrukte regelmatig contact te hebben met de vertrouwenscontactpersoon, ook zonder dat incidenten hiertoe aanleiding geven. Workshops WSDH WSDH organiseert verschillende workshops die verenigingen ter ondersteuning af kunnen nemen om een positieve sportcultuur te realiseren (zie hoofdstuk 3). Bijvoorbeeld workshops gericht op trainers en coaches, om hun didactische en pedagogische vaardigheden uit te breiden. WSDH onderzoekt of ze meer workshops kunnen geven, zoals over respect en inclusie. In de interviews kwam naar voren dat de meeste verenigingen bekend zijn met het ondersteuningsaanbod van WSDH en dat zij geregeld workshops af hebben genomen. Zij zien vooral de workshops over pedagogische en didactische vaardigheden van trainers als meerwaarde. Dat is in het bijzonder zo omdat trainers, naast ouders, volgens verenigingen de belangrijkste ‘cultuurdragers’ zijn. Hiermee bedoelen ze dat zij de normen en waarden waar in een vereniging aan wordt gehecht, overdragen op verenigingsleden. Dit is vooral van belang binnen de jeugd.
Sommige verenigingen benoemen dat het niet altijd lukt om trainers te motiveren voor deelname aan dergelijke workshops. Blauwe kaart Een concreet beleidsinstrument dat in menig vereniging wordt ingezet voor een positieve sportcultuur, is de zogeheten ‘blauwe kaart.’ Die heeft als doel om sportiviteit en respect op verenigingen te bevorderen. Via die kaart kan een team na een voetbalwedstrijd een compliment geven aan de tegenstander, voor sportief en respectvol gedrag (Gemeente Den Haag, 2023). De kaart is een Haags initiatief, ontwikkeld door Hockeyclub HDM. De gemeente Den Haag promoot de inzet van de kaart bij Haagse sportverenigingen (idem). De kaart is altijd door voetbalverenigingen aan te vragen door de gemeente. Nauwelijks lhbtiq+-aandacht Net als de blauwe kaart kunnen voetbalverenigingen ook altijd regenboogaanvoerdersbanden en -vlaggen aanvragen bij de gemeente. De gemeente deelt deze eens per jaar uit aan voetbalverenigingen tijdens de zogeheten #AllTogetherChallenge. Uit onze interviews komt naar voren dat sommige verenigingen de aanvoerdersband en vlag tonen. Eén vereniging heeft zelfs een regenboogveld.
Andere verenigingen maken geen gebruik van dit soort uitingen. Dat is niet los te zien van dat er binnen Haagse verenigingen niet of nauwelijks aandacht is voor het thema lhbtiq+. Toen we in de interviews vroegen waarom die aandacht er niet of nauwelijks is, kregen we twee antwoorden te horen. Er zijn binnen voetbalverenigingen volgens bestuurders geen of nauwelijks leden met een lhbtiq+-achtergrond. Daarom is aandacht voor dit thema volgens hen niet nodig. Er zijn binnen verenigingen allicht wel leden met een lhbtiq+-achtergrond. Dan kunnen zij volgens verenigingsbestuurders net zo goed een belangrijk onderdeel van de club zijn en ervaren zij volgens de verenigingsbestuurders geen achterstelling of uitsluiting. Binnen verenigingen komen geen signalen binnen (via vertrouwenscontactpersonen) dat achterstelling en uitsluiting aan de orde van de dag zijn. Omdat er volgens bestuurders niet of nauwelijks lhbtiq+-leden zijn die zich achtergesteld en uitgesloten voelen, is er volgens verenigingen geen reden om expliciet beleidsmatig aandacht te schenken aan lhbtiq+-acceptatie in het kader van een positieve sportcultuur. Behalve via de regenboogacties dan. Haagse verenigingen streven ernaar om inclusief te zijn. Positieve sportcultuur speelt daar een belangrijke rol bij (zie paragraaf 4.1).
Dat betekent dus ook een cultuur waarin mensen met een lhbtiq+-achtergrond plezierig en veilig kunnen voetballen (idem). Verschillen tussen clubs Tussen de drie typen verenigingen die we selecteerden, doen zich weinig verschillen voor in hoe zij een positieve sportcultuur tot uiting brengen. Ze zetten vrijwel allemaal in op de beschreven activiteiten. We selecteerden vier verenigingen die volgens de gemeente en WSDH nadrukkelijk bezig zijn met het realiseren van een positieve sportcultuur. Uit de interviews komt naar voren dat de clubs dat niet zo nadrukkelijk doen als op voorhand verwacht. Hierop geldt één club als uitzondering. Die heeft regelmatig contact met vertrouwenscontactpersonen buiten incidenten om, heeft in haar visie staan mensen ook te willen opleiden voor de samenleving, baseert teamindelingen nadrukkelijk op het gedrag en de houding van leden, en heeft een regenboogveld. De overige clubs in deze categorie ondernemen overwegend dezelfde beleidsactiviteiten als de verenigingen waarvan we verwachtten dat ze geen aandacht hebben voor een positieve sportcultuur en de verenigingen waarvan we verwachtten dat die daar wel aandacht aan willen besteden, maar waar dat niet lukt. Wel komt uit de interviews naar voren dat deze verenigingen voor vrijwel al hun teams opgeleide trainers hebben.
We constateren uit de interviews dat de vier verenigingen waarvan de verwachting was dat zij nadrukkelijk bezig zijn met een positieve sportcultuur, het meest vitaal 1 zijn. Zij hebben voldoende kaderleden en andere vrijwilligers tot hun beschikking. Daarnaast hebben ze een gezonde financiële uitgangspositie. Doordat de clubs relatief vitaal zijn, hebben ze de voldoende mogelijkheden om de beschreven beleidsactiviteiten in de praktijk te brengen. De verenigingen waarvan we verwachtten dat zij weinig aandacht hebben voor een positieve sportcultuur, zijn overwegend minder vitaal. Althans, in de ogen van de bestuurders van deze clubs. Binnen de minder vitale verenigingen is het, vooral vanwege een tekort aan vrijwilligers, lastiger om de in deze paragraaf beschreven beleidsactiviteiten uit te voeren. Een vereniging met minder vrijwilligers kan bijvoorbeeld minder vaak kiezen tussen of eisen stellen aan vrijwilligers. Als een vereniging dan een minder goed functionerende trainer heeft, kan het bestuur deze minder makkelijk ondersteunen of vervangen. Verder zeiden bestuurders in de interviews dat clubs geen expliciete beleidsplannen hebben voor een positieve sportcultuur. De activiteiten die we in deze paragraaf beschreven, zijn onderdeel van de algemene beleidsplannen van verenigingen. Vaak zijn ze daarin beschreven in paragrafen die gaan over veiligheid en inclusiviteit.
Dit zijn juist facetten die volgens clubs centraal staan in een positieve sportcultuur (vgl. paragraaf 4.1).
Deze paragraaf staat in het teken van de (ondersteunings)behoeften voor het realiseren van een positieve sportcultuur. Bij de beschrijving van de behoeften gaan we in op verschillen tussen de verenigingen die deelnamen aan ons onderzoek. Vitale verenigingen hebben geen behoeften De verenigingen waarvan de gemeente Den Haag en WSDH veronderstelden dat zij nadrukkelijk bezig zijn met het realiseren van een positieve sportcultuur, hebben geen (ondersteunings)behoeften. Dat wil zeggen dat ze in de interviews lieten weten dat ze geen hulp nodig hebben bij het uitvoeren of opzetten van activiteiten en plannen om een positieve sportcultuur (nog beter) te realiseren. Het zijn vitale verenigingen, waarvan bestuurders aangeven dat ze ‘grip hebben op de cultuur binnen de club en negatieve gedragingen daarbinnen zelf op kunnen lossen’. Doordat ze voldoende kaderleden en vrijwilligers hebben om dat te doen, of doordat de leden elkaar onderling aanspreken op negatieve gedragingen. Eerder beschreven we al dat bestuurders van deze clubs aangeven dat leden zich daarbinnen beschaafd en positief gedragen. Daarmee zit een positieve sportcultuur volgens de bestuurders als vanzelf ‘opgesloten’ in de gedragingen van leden binnen 1
We hebben de vitaliteit van voetbalverenigingen in dit onderzoek niet geoperationaliseerd en gemeten.
deze clubs. Zij gaven in de interviews aan dat ze daarom op dit moment geen concrete behoeften hebben met betrekking tot een positieve sportcultuur. We benadrukken nogmaals de kanttekening dat we ons in dit onderzoek baseren op de percepties van bestuurders. In de praktijk kunnen gedragingen van leden binnen de clubs minder beschaafd en positief zijn of worden ervaren dan de bestuurders veronderstelden. In ons onderzoek namen we de gedragingen en percepties van verenigingsleden niet onder de loep. Vrijwilligers werven en behouden Tussen de verenigingen die we selecteerden vanwege de veronderstelling van de gemeente en WSDH dat ze geen aandacht besteden aan een positieve sportcultuur, doet zich één gemene deler voor: de clubs hebben moeite met het werven en behouden van vrijwilligers. Dat geldt dus ook voor vrijwilligers om het thema positieve sportcultuur van de grond te brengen (zowel beleidsmatig als operationeel). De kerntaak van voetbalverenigingen is het organiseren van trainingen en wedstrijden. De verenigingen die moeite hebben met het werven en behouden van vrijwilligers, richten zich vooral op het uitvoeren van die kerntaak. Het van de grond brengen en optimaliseren van een positieve sportcultuur vinden zij van belang, maar zien ze als een secundaire maatschappelijke taak. Dat verklaart deels waarom hier minder aandacht voor is binnen de clubs.
Dat deze verenigingen minder vitaal zijn, hangt volgens bestuurders ook samen met de sociaaleconomische status van de leden. Als zij een lagere status hebben en als gevolg daarvan problematiek in hun privéleven ondervinden, weerspiegelt dat zich ook binnen de club. Volgens bestuurders is het vooral problematisch dat leden met privéproblemen zich weinig betrokken en verbonden voelen met de club. Dat kan zich uiten in dat zij geen vrijwilligerswerk willen doen of dat zij daar op een zeker moment mee stoppen. Een positieve sportcultuur van de grond brengen is bij voetbalverenigingen juist versleuteld in personen en dus afhankelijk van vrijwilligers. Daarom hebben de verenigingen die geen aandacht hebben of kunnen creëren voor die cultuur, vooral behoefte aan het werven en behouden van vrijwillige mankracht. WSDH ziet dit terug in de ondersteuningsverzoeken die ze vanuit verenigingen krijgen. Veelal vragen clubs hulp bij het optuigen van een vrijwilligersbeleid. Ouderbetrokkenheid De bestuurders die we interviewden, gaven aan dat clubs er moeite mee hebben om ouders van kinderen te werven en behouden als vrijwilligers. In bredere zin merken zij dat de ouderbetrokkenheid voor verbetering vatbaar is. Ze ontvangen graag ondersteuning om te komen tot effectief beleid om ouders meer bij de vereniging te betrekken.
Daarbij is onder meer behoefte aan ouders die de normen en waarden in het kader van een positieve sportcultuur binnen de clubs ‘communiceren’. Een concreet voorbeeld hiervan is dat ouders als trainer of coach van een jeugdteam ‘erop hameren’ dat kinderen respectvol met elkaar omgaan en vanuit een positieve insteek met elkaar samenwerken. Voortzetten workshop pedagogische en didactische coaching Eerder kwam naar voren dat trainers/coaches naast ouders de belangrijkste intermediairs zijn als het gaat om het communiceren van normen en waarden naar kinderen. Juist die normen en waarden staan centraal in een positieve sportcultuur (zie paragraaf 4.1). De verenigingen hechten waarde aan de workshops die WSDH organiseert op het gebied van pedagogische en didactische coaching aan trainers, al is het soms lastig om hun trainers te motiveren om hieraan deel te nemen. Het is een behoefte van clubs om het aanbieden van deze ondersteuning van WSDH voort te zetten. Commissie De gemeente Den Haag en WSDH proberen vanuit beleid een positieve sportcultuur binnen Haagse voetbalverenigingen te realiseren (zie hoofdstuk 3). Om de kans te vergroten dat dit lukt, is het volgens de bestuurders van verenigingen van belang dat het beleid zo goed mogelijk aansluit op de behoeften die clubs in de praktijk hebben.
Het instellen van een commissie positieve sportcultuur helpt volgens bestuurders om beleid en verenigingspraktijk met elkaar te verbinden. In lijn met de behoeften van verenigingen bestaat die commissie uit bestuurders, die de aansluiting van beleid op praktijk kritisch overdenken. In onze interviews gaven bestuurders aan dat een commissie ook nadelen met zich meebrengt: Ten eerste kost het bestuurders mogelijk ‘extra tijd’ om deel uit te maken van een commissie. Die extra tijd kunnen ze niet in hun eigen vereniging steken. Ten tweede bestaat het risico dat de commissie vooral wordt gevormd door verenigingen die al stevig met positieve sportcultuur bezig zijn. Dat kan als gevolg hebben dat zij het realiseren van een positieve sportcultuur tot op zekere hoogte ‘op gaan leggen’ bij de verenigingen die hier minder mee bezig zijn.
Tot slot van dit hoofdstuk zoomen we in op hoe Rotterdam Sportsupport voetbalverenigingen stimuleert om een positieve sportcultuur te realiseren. Ook beschrijven we hoe dat beleid zich verhoudt tot de aandacht die Rotterdamse voetbalverenigingen besteden aan een positieve sportcultuur.
Stimulering door Rotterdam Sportsupport Rotterdam Sportsupport stimuleert een positieve sportcultuur binnen Rotterdamse sportverenigingen via beleid dat gericht is op een ‘Veilig Sportklimaat’. Dat beleid heeft ook betrekking op Rotterdamse voetbalverenigingen. In de ‘Rotterdamse aanpak veilig voetbal’ worden facetten uit het beleid op het gebied van veilig sportklimaat doorvertaald naar uitdagingen. Momenteel wordt dat voetbalspecifieke beleid herijkt. Dit kwam naar voren in ons interviewgesprek met de projectleider ‘Veilige sportverenigingen met sterke jeugdafdelingen’ van Rotterdam Sportsupport. De volgende activiteiten zijn in het beleid van Rotterdam Sportsupport het meest van belang, bleek uit ons interview: ondersteuning bij aannamebeleid voor nieuwe vrijwilligers: volgens Rotterdam Sportsupport is het voor verenigingen van belang om na te denken ‘wie je in huis haalt’ als vrijwilligers. Daarbij gaat het er vooral om dat clubs nagaan of het (justitiële) verleden van mensen geen bezwaar vormt om een bepaalde functie uit te oefenen (het opvragen van een VOG geeft hiervoor al een indicatie).