RIS324513 Bijlage De behoeften van Haagse sportverenigingen bij het realiseren van een positieve sportcultuur Mulier
Tekst van het document
Het is uitgegroeid tot een groep sporters die nu wekelijks samenkomen (idem). Verenigingen kunnen bij dergelijke initiatieven soms wel tegen organisatorische problemen aanlopen. Op deze vereniging speelden vooral logistieke problemen (beperkte parkeerplaatsen voor de busjes die de sporters brengen naar de vereniging) en opslagproblemen (vanwege de extra atletiektoestellen die komen kijken bij het garanderen van een veilige sportomgeving voor sporters met een beperking). Zodra dit niet op orde is, bestaat het risico dat de energie uit een eigen initiatief van een sporter wegsijpelt. Voorgestelde oplossing De gemeente en WSDH kunnen deze verenigingen ondersteunen door dergelijke initiatieven te faciliteren, vooral door organisatorische barrières weg te nemen. In de eerder besproken casus hielp de gemeente de vereniging door een vergunning te verlenen voor het plaatsen van een container voor extra opslag (respondent 2). Bij verenigingen die zelf al met het organiseren en borgen van een positieve sportcultuur bezig zijn, moet de houding van de gemeente en WSDH vooral zijn hoe zij praktisch kunnen bijdragen aan het initiatief, zodat dit blijft bestaan en verder opbloeit op de sportclub.
Reden 3: ‘ik weet niet wat de gemeente en WSDH doen’ De derde reden waarom verenigingen geen gebruik maken van de ondersteuning is dat ze geen weet hebben van wat de gemeente en WSDH aan ondersteuning bieden op het gebied van positieve sportcultuur (respondenten 11, 12 en 13). Dit lijkt een communicatieprobleem te zijn, ondanks dat de gemeente en WSDH veel communicatiemiddelen inzetten om een zo groot mogelijk bereik te hebben (zie p. 10). Voorgestelde oplossing Het helpt als de gemeente en WSDH nadenken over wie ze (gezamenlijk) momenteel via hun communicatiekanalen bereiken en wie niet. De huidige wijze van communicatie reikt tot een bepaalde groep sportverenigingen, maar zeker niet tot alle sportverenigingen. Daarnaast gebruiken verenigingen socialemediakanalen vooral om informatie te ‘zenden’ in plaats van om geïnformeerd en geïnspireerd te raken door aanbod van andere partijen, in tegenstelling tot organisaties uit andere (publieke) sectoren. In de interviews kwam verder naar voren dat verenigingsbestuurders blij waren dat ze een-op-een konden reflecteren op wat een positieve sportcultuur inhoudt, wat de 22
Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut
verantwoordelijkheden van bestuurders zijn en hoe je onderwerpen als grensoverschrijdend gedrag op een effectieve wijze aanpakt (respondenten 9, 12 en 13). Een oplossing zou dus kunnen zijn dat de communicatiestrategie verder wordt uitgediept met andere, meer persoonsgerichte, manieren om verenigingen te benaderen (respondent 3). Reden 4: ‘door corona heb ik geen leden en vrijwilligers’ Ten vierde zijn er in Den Haag verenigingen die veel te voortduren hadden tijdens corona. Bij hen ligt vooral druk om bezig te zijn met het inlopen van allerlei operationele achterstanden die zijn ontstaan door corona. Daarnaast zijn er nog vele andere thema’s, naast positieve sportcultuur, waar verenigingen mee bezig zijn. Denk aan verduurzaming en professionalisering. De stappen die sportverenigingen voor corona maakten om een positieve sportcultuur te organiseren en borgen zijn tenietgedaan en soms is het momentum hiervoor weg. Nu is het zaak om ‘de basis’ eerst op orde te krijgen voordat de vereniging verder kan bouwen aan een positieve sportcultuur (zie pp. 10-11). Zo geeft respondent 13 aan: ‘momenteel, door corona, ben je in de waan van de dag druk bezig om de vereniging draaiende te houden, dan komen dit soort onderwerpen eigenlijk niet zo veel aan bod. Dat zou anders kunnen misschien, maar het is goed dat het wel af en toe aan bod komt.
Maar door de drukte van alledag sneuvelt dat wel eens.’ Respondent 9 beaamt dit: ‘En waar we ook echt last van hebben is dat, in feite heeft het clubleven, en dat zal je zelf ook wel herkennen denk ik, heeft bijna 2 jaar stilgelegen. En dan mocht je weer iets, dan mochten de kinderen wel weer trainen en toen moest het weer stoppen. Toen mochten we onderling wedstrijdjes spelen, toen moest dat weer stoppen. Dus door die corona heeft het verenigingsleven, het clubleven, echt wel een deuk opgelopen. […] En daar heeft denk ik elke sportclub, nou ja misschien wel in de wereld, maar iedereen heeft daar gewoon last van. Wij zijn daar niet uniek in. Maar pak dan maar weer eens de drive op van dit soort thema's, he. Sportklimaat, hoe gaan we dat nou inkleden? Hoe gaan we ons beleid weer oppakken? Hoe gaan we onze core business, het sporten, weer enthousiasmeren? De competitie is natuurlijk helemaal, in feite is dat in duigen gevallen. Dus weet je, de energie lekt dan ook wel een klein beetje weg bij iedereen. Dus daar worstelen we best wel mee. Ik kan het mooier maken dan dat het is, maar dat is wel de realiteit.’ Voorgestelde oplossing Tijd is momenteel het juiste medicijn (respondent 5). Verenigingen moeten zich kunnen herstructureren en een actief leden- en vrijwilligersbestand opbouwen om hun bestaanszekerheid te garanderen.
Het helpt verder als de gemeente een stuk verenigingsmanagement financiert. Respondent 2 schetst duidelijk de meerwaarde hiervan: ‘Ik denk dat het goed zou zijn als de gemeente toch zou zoeken naar structurele financiering van een heel klein stukje van verenigingsmanagement. Dus we hebben behalve die vrijwilligerstraining met die onkostenvergoeding, en die vier zzp'ers ook nog een soort kantine, de inkoop en schoonmaak doen. En we hebben dan die jongen van de gemeente van WSDH Je ziet dat er forsere verenigingen al zo'n verenigingsmanager hebben, zo professioneel. Onze conciërge gaat ook met pensioen, staan we ook met de vraag hoe we die dan gaan invullen. Ik denk dat vrijwilligers echt geholpen zijn wanneer er toch iets meer FTE beschikbaar zou worden gesteld om alle zaken te doen die ze willen. En dat hoeft niet per se op positieve sportcultuur of op dit of dat gericht te zijn, maar vooral verenigingsondersteuning. En dan per vereniging kijken afhankelijk van hun behoeftes’.
Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut
23
Reden 5: ‘ik wil helemaal niks met dit thema doen’ De vijfde redenen waarom verenigingen geen gebruik maken van het huidige ondersteuningsaanbod is dat ze niet actief aan de slag willen met een positieve sportcultuur of de noodzaak ervan ontkennen (‘dit speelt niet bij onze club dus we hoeven er niets mee’). Deze groep is het lastigst te benaderen voor de gemeente en WSDH. In de interviews voor dit onderzoek hebben we geen verenigingen gesproken die aangeven dat dit de reden is dat ze geen gebruik maken van het huidige ondersteuningsaanbod. Deze verenigingen zullen logischerwijs ook geen behoefte hebben zich te laten interviewen over dit thema. In de praktijk bestaan ze zeker wel. Dat bleek ook uit het interview met respondent 4. Deze respondent gaf aan dat zij regelmatig probeert andere verenigingen mee te krijgen bij initiatieven voor een positieve sportcultuur, maar dat ze regelmatig de opmerking krijgt dat dit op hun vereniging niet nodig is. Stevens (2021) heeft dit eerder de ‘zinloosheid’ genoemd die verenigingsbestuurders voelen om aan de slag te gaan op thema’s van positieve sportcultuur. Zijn onderzoek richtte zich op de zinloosheid die verenigingsbestuurders voelen jegens beleid voor criminele inmenging.
Hoe zinlozer verenigingsbestuurders beleid op een bepaald thema (zoals positieve sportcultuur) vinden, hoe lager hun bereidheid om medewerking te verlenen aan de uitvoering ervan. Zinloosheid spitst zich toe op twee niveaus: de sportsector als geheel en het verenigingsniveau. Zo gaf een respondent in het onderzoek van Stevens (2021) aan: ‘ik vind dit een zeer bijzonder onderzoek. Dit speelt bij onze sportsector totaal niet. Ik heb in mijn omgeving ook nog nooit iets gehoord over criminelen die een sportclub gebruiken.’ Verschillende verenigingsbestuurders droegen verder verschillende redenen aan waarom beleid tegen criminele inmenging op hun club zinloos is, zoals: ‘…als bestuur zijnde van onze vereniging hebben wij het idee dat dit niet gebeurt bij onze vereniging. Het komt ook doordat 90% van de vereniging hoogopgeleid is’ of ‘beleid op criminele inmenging is compleet zinloos vanwege het gesloten karakter van onze club, we hebben namen een strenge ballotage.’ De mate van zinloosheid is van grote invloed op de steun van verenigingsbestuurders voor lokaal beleid, zeker als een gevoel ontstaat dat ‘het onderwerp weer op het bordje van de vereniging wordt gedrukt’. Ook voor het bredere thema positieve sportcultuur kan zinloosheid worden gevoeld door verenigingsbestuurders.
Voorgestelde oplossing Percepties van sommige verenigingsbestuurders beïnvloeden de steun voor beleid van partijen als NOC*NSF, sportbonden, de Rijksoverheid of gemeenten. Daardoor omarmt deze groep verenigingsbestuurders rationele argumenten – bijvoorbeeld prevalentiecijfers – of praktische handelingsprotocollen niet altijd. Dit kan er in het ergste geval toe leiden dat verenigingen zich niet conformeren aan basiseisen van goed sportbestuur en geen veiligheidsborging willen realiseren. Het is dus belangrijk dat verenigingsbestuurders niet vervreemd raken van de aanpak van het borgen van een positieve sportcultuur. Bij het definiëren van beleid, en de uitvoering ervan, moeten verenigingsbestuurders benaderd worden op een wijze die aansluit bij hun individuele percepties van het thema. Deze perceptieverandering vraagt om een actieve verenigingsondersteuning (respondent 5). In sommige gevallen betekent dit dat verenigingsbestuurders enkel meer autonomie willen ervaren om een eigen aanpak te organiseren die losstaat van wat NOC*NSF, de sportbond of de gemeente voorschrijft. In andere situaties is het delen van negatieve of excessieve ervaringen op andere sportverenigingen van belang om soms naïeve denkbeelden van verenigingsbestuurders te doorbreken, zoals ‘dit kan bij ons niet gebeuren’. 24
Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut
Volgens respondent 5 begint een dergelijke aanpak gewoon met afstappen op verenigingen die je momenteel niet bereikt: ‘stap op een trainingsavond naar een trainingscomplex en begin het gesprek over hoe mooi het complex er uit ziet of hoe goed zij bepaalde zaken doen. Vandaaruit kan je verder bouwen en komen de gesprekken vanzelf. Maar houdt het contact kort.’ Reden 6: ‘mijn vereniging past niet in het Actieplan’ Er zijn verenigingen die qua organisatievorm niet passen in de ‘focus’ van het Actieplan. Topsportverenigingen zijn hier een voorbeeld van, maar deze vallen binnen de gemeentelijke organisatie onder een ander beleidsdomein (respondent 15). Sommige breedtesportverenigingen, zoals hengelsportverenigingen, passen met hun structuur ook niet altijd bij de wijze waarop het Actieplan wil dat sportverenigingen uitvoering geven aan maatregelen. Zo geeft respondent 8 aan, ‘ja. wij zijn natuurlijk een beetje een aparte vereniging. We hebben wel veel leden, maar het is heel anders dan bijvoorbeeld een zaalhandbal- of voetbalclub, dat ben je echt lid en je ziet elkaar en je doet met elkaar dingen, activiteiten. Bij ons is dat natuurlijk niet zo. Want men is eigenlijk lid om een vergunning te krijgen om te vissen, want wij geven die af.’ Veel beleid in het Actieplan richt zich op hoe in groepscontexten onder meer ongewenste vormen van gedrag of uitsluiting kunnen worden voorkomen.
Deze groepscontext ontbreekt bij 97 procent van het ledenbestand (ca. 20.000 leden) van vereniging 8, omdat zij veelal individueel of in klein groepsverband zonder toezicht hengelen langs de vele kilometers aan kanalen, water en sloten in de regio Haaglanden. Voorgestelde oplossing Respondent 8 wil graag nader in gesprek met de gemeente en WSDH over hoe zij op een goede wijze kan bijdragen aan een veilige omgeving en positieve cultuur voor haar leden. Dit zal wel om maatwerk vragen. De vraag is ook of andere beleidsafdelingen niet moeten aansluiten bij dit gesprek. Voorbeelden van onderwerpen die respondent 8 graag wil bespreken zijn waterveiligheid en de toegankelijkheid van visplaatsen voor sporters in een rolstoel of met een rollator. Deze discussies raken ook aan stedelijke-ontwikkelings- en ruimtelijke-ordeningsvraagstukken. De gemeente en WSDH moeten oog houden voor verenigingen die qua organisatievorm niet in de ‘vormenstoof’ van het Actieplan passen.
4.2
Verplichten van minimale basisvoorwaarden voor een positieve sportcultuur Het borgen van een veilige sportomgeving en integriteit is een onmisbaar fundament voor het realiseren van optimale sportomstandigheden voor iedere Hagenaar. Zoveel wordt duidelijk uit de gesprekken met de sportverenigingen. Het bevorderen en bewaken van een veilige sportomgeving en integriteit is een gezamenlijke taak voor NOC*NSF, sportbonden, de gemeente en sportverenigingen zelf. Recent werd deze taak opnieuw bekrachtigd op de Algemene Vergadering van NOC*NSF van 17 mei 2021 met de Visie ‘Sport en Integriteit 2024’ (NOC*NSF, 2021a). Ook is in het Nationaal Sportakkoord afgesproken dat gemeenten in principe aan zet zijn, in overleg met de verenigingen in hun gebied, om een minimale ondergrens van veiligheidsbeleid op sportverenigingen te garanderen (Van Erp, 2016, p. 17). De gemeente Amsterdam (z.d.-a) doet dit door basisvoorwaarden voor een positieve sportcultuur te verplichten, die zij sociale basiseisen noemt. Deze sociale basiseisen zijn zoals ‘sociale hygiëneregels’ (respondent 1). Ze zorgen ervoor dat op een sportvereniging een basis ligt om de
Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut
25
veiligheid van de sporter en bereikbare meldingskanalen te garanderen. In de gemeente Amsterdam valt onder de basiseisen: • Alle trainers en begeleiders die met jeugd tot en met 17 jaar of andere kwetsbare groepen werken, hebben een VOG. • Alle trainers en begeleiders ondertekenen de gedragscode sociale veiligheid. • Iedere vereniging of club heeft een VCP aangesteld en maakt deze bekend onder haar leden. Als deze zaken niet op orde zijn op een sportvereniging, is het vanaf 2022 mogelijk dat de gemeente Amsterdam (z.d.-b) een (financiële) samenwerking met de sportvereniging beëindigt. Het gaat hierbij om de volgende vijf (financiële) samenwerkingen: 1. gebruik maken van de armoederegelingen via Stadspas en Jeugdfonds Sport; 2. gebruik maken van diverse gemeentelijke subsidieregelingen; 3. worden ingekocht door gemeente voor sportstimuleringsactiviteiten; 4. ondersteuning krijgen van de gemeente bij ontwikkelings- en vitaliseringsvraagstukken; 5. een huurovereenkomst hebben met de gemeente Amsterdam (Sport & Bos) voor het gebruik van sportvelden. Sportverenigingen in de gemeente Den Haag worden (tot op heden) niet voor deze keuze gesteld. Onderdeel van het onderzoek was wel in welke mate Haagse sportverenigingen hiervoor openstaan. De vraag over het verplichten van basisvoorwaarden voor een positieve sportcultuur is voorgelegd aan alle veertien respondenten.
De antwoorden hierop waren verschillend van aard. ‘Als dat soort regels worden opgelegd dan denk ik gelijk van “nou dat gaat allemaal wel heel ver”, gelijk allemaal regels voordat je iets mag. Dus ja, dat betekent dan een drempel voor sommige organisaties of wat dan ook, want ik denk ja je legt eerst hele hoge drempels op, je kan beter eerst in gesprek raken om te kijken kan ik iets bewerkstelligen. Dus als je die regels aan de voorkant, even vanuit het Amsterdamse model wat je zegt, ja daar zou ik zwaar op tegen zijn.’ (respondent 10) ‘Het verplichtende karakter hou ik niet zo van. Aan de andere kant, al die 3 losse elementen zijn wel dingen die gewoon belangrijk zijn om het goed geregeld te hebben. Dus voor ons is dat geen probleem.’ (respondent 6) ‘Ik denk wel dat het goed is. […] Dat zijn wel dingen die je vanuit je club moet faciliteren denk ik. Dus die verplichtingen vind ik oké, ja.’ (respondent 9) ‘Die basis kan ik begrijpen. We hebben twee van de drie dingen zouden we dan op orde hebben. Het verplicht stellen, weet ik niet of dat zo goed werkt, ik denk dat je wel kan helpen om het voor elkaar te krijgen. Maar niet dwang... stel dat dat zo zou zijn, want die situatie ken ik niet zo goed, stel ik wil een accommodatie huren, ik voldoe niet aan die drie regels, kan ik niet huren. Dat vind ik dan, pff. Vind ik dan net iets te ver.
Wel dat je het vooraf kan aangeven van, 'we zouden graag zien dat jullie gedragsregels en VOG en dan binnen dit en dit' dat je zo'n vereniging eigenlijk helpt in zo'n traject, of zo. Dan kan het misschien wel. Maar echt dwang, weet ik niet of dat zo goed werkt.’ (respondent 13) Respondenten 3, 10 en 13 zien niks in dit voorstel. Zij stellen dat de gemeente ondersteunend moet zijn aan de wensen en vragen van sportverenigingen en niets voor sociale veiligheid moet opleggen of verplichten. Zeven sportverenigingen vinden dat er eisen kunnen worden gesteld aan het integriteits- en sociale-veiligheidsbeleid op sportverenigingen, zeker als het gaat om een minimale 26
Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut
veiligheidsborging. Dit zijn met name grote verenigingen, met een sterk kader, die al de ‘basisvoorwaarden voor een positieve sportcultuur’ op orde hebben. Respondenten 6 en 2 stellen dat verplichten zeker kan vanwege de financiële ondersteuning die sportverenigingen hebben gekregen in coronatijd: ‘Ja, regeltjes opleggen als je geld komt halen, dat vind ik heel normaal dat je daar bepaalde condities aan doet en dit zijn condities die geen geld hoeven te kosten, die alleen vragen om serieuze aandacht te geven aan die onderwerpen. Dus ik zou daar zelf geen enkel probleem mee hebben, ik vind het ook volledig logisch. Als je kijkt wat de gemeente Den Haag in de coronaperiode gedaan heeft ten aanzien van het kwijtschelden van huur van de sportzalen, dat is echt hartstikke mooi.’ (respondent 6) Respondenten 1, 11 en 12 geven wel aan dat het opleggen niet moet gebeuren zonder dat de sportverenigingen geholpen worden met de borging van basisvoorwaarden voor een positieve sportcultuur, met name als trekkers van het veiligheidsbeleid op sportverenigingen na een aantal jaar vertrekken: ‘je wilt voorkomen dat met het vertrekken van een aanjager binnen de club, ook de focus op het veiligheidsbeleid vermindert. Anders hebben de sociale basiseisen enkel een realiteit op papier en niet in de “hoofden” van betrokkenen op sportverenigingen’ (respondent 1).
Sportverenigingen worden ook door andere ‘krachten’ gestimuleerd om de minimale veiligheidsborging op orde te krijgen. Sommige sportbonden stellen dit zelf verplicht aan hun verenigingen (zie onder meer paragraaf 4.1). Hierbij wordt in een enkel geval gewezen op de nieuwe Visie ‘Sport en Integriteit 2024’ die in 2021 is vastgesteld door de sportbonden en de verplichting voor sportbonden die is vastgelegd in de MKE (‘Minimale Kwaliteitseisen’) van NOC*NSF (2021b). Een andere ‘kracht’ volgt uit de groei aan keurmerken in de sportsector. Uit het onderzoek komen vier keurmerken naar voren die actief zijn in Den Haag: Keurmerk Vechtsportautoriteit, Fight Right Keurmerk, Label Veilig en Verantwoord Vechtsporten en het keurmerk van Judo Bond Nederland (JBN). Kiwa (z.d.) heeft recent ook een veiligheidslabel voor de sportsector ontwikkeld. Het is niet bekend of dit ook gebruikt wordt in het Haagse. Aan de ene kant is deze toename in aandacht voor een veilige sportomgeving een mooie beweging. Aan de andere kant zorgen de monitoring van en controle op een veilig sportklimaat wel voor een lastig vraagstuk.
Want wie is uiteindelijk verantwoordelijk voor de minimale veiligheidsborging op een sportvereniging en hoe gaan we om met het feit dat keurmerken verschillende eisen stellen en op verschillende wijze de controle uitvoeren? Sommige keurmerken controleren enkel steekproefsgewijs, terwijl bij andere daadwerkelijk een ‘keurmeester’ op de vereniging langskomt. Ook verschilt hoe lang de keurmerken geldig zijn (twee of drie jaar) en de vereiste om afstemming te zoeken met de gemeente. Daarnaast gaan de vereisten waar een sportvereniging aan moet voldoen bij het keurmerk van JBN verder dan bij andere keurmerken en de vereisten vanuit gemeente Amsterdam. Zo heeft het keurmerk van JBN ook aandacht voor een veilige sportaccommodatie, een protocol over pesten en grensoverschrijdend gedrag, en een reglement rondom seksuele intimidatie. Momenteel loopt een pilot ‘Sociale Basiseisen’ van Vereniging Sport en Gemeenten (VSG) en NOC*NSF. Gemeenten Amsterdam, Eindhoven, Utrecht en Haarlem zijn onderdeel van deze pilot. Daarnaast wordt in Tilburg geëxperimenteerd met de sociale basiseisen en heeft de gemeente Meierijstad al langer beleid om de vrijblijvendheid van de sociale basiseisen tegen te gaan. Ervaringen uit deze gemeenten kunnen de gemeente Den Haag helpen om te besluiten of zij de Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut
27
minimale sociale basiseisen (door de gemeente Den Haag basisvoorwaarden voor een positieve sportcultuur genoemd) verplicht gaan stellen. We raden de gemeente en WSDH aan gesprekken met vertegenwoordigers van sportverenigingen te voeren over de voor- en nadelen van de minimale basisvoorwaarden voor een positieve sportcultuur en manieren waarop de implementatie hiervan het best vormgegeven kan worden.
28
Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut
5.
Slotbeschouwing Sport is een verschijnsel dat veel moois in zich bergt. Toch kent het ook excessen en misstanden. Hoe daartegen aan wordt gekeken en hoe deze aspecten van sport zich voordoen, hangt samen met de plaats en rol die we sport in de samenleving geven. Het is lang gebruikelijk geweest om de sport te beschouwen als een eigen wereldje; een eiland in de samenleving met eigen regels en normen. Een speelse wereld gekenmerkt door vrijheid, passie, eer en eerlijkheid. Sport enthousiasmeert, daagt uit en verbindt. Het zijn belangrijke waarden die er mede toe hebben geleid de sport te idealiseren, te zien als een maatschappelijke sector die als voorbeeld kan dienen voor andere levensgebieden: sport als inspiratiebron voor de samenleving. De gesprekken met Haagse sportverenigingen en de uitgangspunten van het Actieplan maken tegelijkertijd duidelijk dat de sport in veel opzichten niet beter of slechter is dan andere maatschappelijke domeinen, maar net zo blijkt te worstelen met onder meer grensoverschrijdend gedrag, racisme, discriminatie, misbruik en criminele inmenging. Daaraan draagt zeker bij dat de sport tegenwoordig een ruimere maatschappelijke rol wordt toebedeeld en in dat licht moreel wordt getoetst.
Hoewel de sport nog steeds een eigen tuchtrecht kent, wordt ze in verenigingsverband steeds nadrukkelijker getoetst aan algemene maatschappelijke maatstaven, regels en wetten, of het nu gaat om gewelddadige handelingen, seksuele intimidatie, financiële integriteit (o.a. WBTR) of arbeidsrecht (zoals de nieuwe klokkenluidersregeling). Daarnaast veranderen maatschappelijke normen door de tijd. Wat een aantal generaties terug niet ongebruikelijk was, wordt tegenwoordig soms anders beoordeeld en daarom bestreden. Wanneer we het over de evolutie van de morele aanpak bij sportverenigingen hebben, spelen die veranderende maatschappelijke rol van de sport en de verschuivende beoordelingskaders duidelijk mee. In dat licht moet de gemeente Den Haag goed nadenken over een geschikte aanpak van misstanden en excessen op sportverenigingen. Ervaringen uit het verleden leren ons dat een gerichte en gedoseerde aanpak die aansluit bij de behoefte van individuele sportverenigingen het effectiefst is, omdat niet alle problemen hetzelfde zijn op sportverenigingen. Deze roep hoorden we terug in de gesprekken met verenigingsbestuurders. Een dergelijke aanpak is anders dan een streven naar een zerotolerance-beleid.
De gedachte om ongewenste, onplezierige en grensoverschrijdende gedragingen op sportverenigingen bestraffend en met wortel en tak uit te roeien is voor de meeste Haagse clubs die we spraken niet wenselijk. Basisvoorwaarden voor een positieve sportcultuur zonder meer verplichten beperkt de afwegingsruimte van verenigingsbestuurders en raakt niet de clubs die je daadwerkelijk wilt bereiken met beleid, namelijk verenigingen die hun zaken niet goed op orde hebben en een veiligheidsrisico vormen. Tegelijkertijd stelt een deel van de verenigingsbestuurders dat bij financiële ondersteuning vanuit de gemeente of WSDH aan sportverenigingen, zeker integriteitseisen gesteld mogen worden, als hierbij een blijvende ondersteuning voor het realiseren van een positieve sportcultuur wordt geboden. De geïnterviewde verenigingsbestuurders maakten ons duidelijk dat een positieve sportcultuur op een vereniging kan ontstaan wanneer er geen naïef beleid van onachtzaamheid en ‘laat maar waaien’ aanwezig is. Zoals we in hoofdstuk 3 zagen vergt het een gehele transitie binnen een vereniging om het beleid op papier te laten landen in de hoofden van alle betrokkenen op de club. Respondenten beschrijven het huidige Actieplan als ideaal voor verenigingen die willen starten met een positieve sportcultuur of die met een acute hulpvraag zitten. Het is minder behulpzaam voor
Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut
29
verenigingen die al verder zijn in het veranderproces van het borgen van een sportcultuur, maar worstelen om de ideeën breder te communiceren in de club. De actieve verenigingsondersteuning die WSDH biedt beschouwen verenigingen die hier gebruik van maken als prettig en effectief. Toch is er nog steeds een grote groep sportverenigingen in de gemeente Den Haag die niet exact weet wat de gemeente of WSDH voor hen kan betekenen. In hoofdstuk 3 bespraken we een tiental punten van aandacht waar sportverenigingen mee worstelen en waar zij graag vanuit de lokale overheid meer aandacht voor zien. In hoofdstuk 4 beschreven we oplossingen om verenigingen die nog weinig contact hebben met de gemeente of WSDH te stimuleren om aan de slag te gaan met een positieve sportcultuur. Ter afsluiting wijzen we de gemeente nog graag op een drietal observaties die ons opvielen tijdens de interviews. Allereerst viel ons op dat het voor sportverenigingen vaak onduidelijk is welke organisaties in het werkveld allemaal kunnen helpen bij het realiseren van een positieve sportcultuur, met name vanwege de hoeveelheid partijen die diensten of activiteiten aanbieden.
Natuurlijk is het prettig dat er zoveel verenigingen, stichtingen en bedrijven zijn die iets kunnen betekenen voor sportverenigingen, maar voor een verenigingsbestuurder helpt het als de gemeente overzichtelijk in kaart kan brengen voor welke hulpvragen een vereniging het best waar terecht kan. Een lijst met ‘preferred suppliers’ kan verder van waarde zijn om controle te houden op de kwaliteit die wordt geleverd in de cursussen en de ondersteuning die deze partijen bieden. Ten tweede was de algemene reactie op het einde van de interviews met sportverenigingen vaak dat ze de gesprekken zeer prettig vonden en dat deze hen aan het denken zetten over het borgen van een positieve sportcultuur op de vereniging. Een-op-een-contact tussen vereniging en partijen van de gemeente is belangrijk om het bewustzijn verder te brengen dan inzichten uit een beleidstekst of pedagogische en veiligheidseisen op papier. We realiseren ons dat dit een grote capaciteitsinzet vraagt vanuit de gemeente en WSDH, maar juist het gesprek op de vereniging over de dynamieken die daar spelen, is de meerwaarde (volgens de respondenten) van de gemeente ten opzichte van de sportbond of NOC*NSF. Ten derde blijft de vraag over monitoring en opvolging boven de markt hangen.
Uit de interviews blijkt dat beleid en activiteiten gericht op positieve sportcultuur op Haagse sportverenigingen regelmatig geen continue aandacht krijgen, maar eerder ‘kort-cyclische’ of zelfs vluchtige, waardoor er geen borging is van wat in gang is gezet. Het ritme van de vereniging is daarmee van invloed op de manier waarop gesprekken op de verenigingen tussen bestuur, kader en leden over positieve sportcultuur op de sportvereniging vorm krijgen. In plaats van grote, radicale veranderingen te verwachten op sportverenigingen liggen kleine stapjes meer voor de hand, waardoor verenigingsbestuurders in korte periodes met de leden toewerken naar borging van de verschillende facetten van een positieve sportcultuur op de verenging. Een dergelijke incrementele benadering heeft invloed op hoe de gemeente of WSDH overzicht houdt over de stand van zaken bij individuele verenigingen en welke specifieke hulp zij nodig hebben bij het uitbouwen van een positieve sportcultuur op de vereniging. Tot op heden bestaat geen volledig overzicht van de status van verenigingen in Den Haag. Soms wordt wel met keurmerken gewerkt, maar zoals we in hoofdstuk 4 lieten zien verschillen deze sterk in de mate en wijze van monitoring en evaluatie van het beleid op sportverenigingen.
Ons advies aan de gemeente Den Haag is na te denken over een monitorings- en ondersteuningssysteem dat aansluit bij de stapsgewijze aanpak voor het realiseren van een positieve sportcultuur op Haagse sportverenigingen.
30
Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut
Uiteindelijk streven veel partijen in de gemeente Den Haag naar het realiseren van een positieve sportervaring voor alle sporters. Deze energie was merkbaar in gesprekken met alle respondenten. In dit onderzoek hebben we uitgebreid met veertien sportverenigingen gesproken over de uitdagingen die komen kijken bij het realiseren en borgen van een positieve sportcultuur. Dit heeft ons een beeld gegeven van de stand van zaken in Den Haag en de behoeften die nog spelen bij clubs. Deze informatie draagt bij aan het verder vormgeven van het beleid van de gemeente over Positieve Sportcultuur en de ondersteuning van WSDH.
Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut
31
Literatuurlijst Busstra, F., De Jong, L., Van Balveren, T. (2018). Vitaliteitsonderzoek sportverenigingen 2018. Gemeente Den Haag. https://denhaag.raadsinformatie.nl/modules/13/overige_bestuurlijke_stukken/506379?parent_even t=781042 Gemeente Amsterdam (z.d.-a). De basiseisen. Geraadpleegd op 21 maart 2022 van https://www.amsterdam.nl/sociaaldomein/sport/basiseisen/ Gemeente Amsterdam (z.d.-b). Samenwerking sportaanbieder en gemeente. Geraadpleegd op 21 maart 2022 van https://www.amsterdam.nl/sociaaldomein/sport/basiseisen/samenwerkingsportaanbieder-gemeente/ Gemeente Den Haag (2020). Actieplan ‘Een positieve sportcultuur’ Den Haag 2020-2022. https://denhaag.raadsinformatie.nl/modules/13/overige_bestuurlijke_stukken/614609?parent_even t=650675 Kiwa (z.d.). Label Veilig Sportklimaat. Geraadpleegd op 4 april 2022 van https://www.kiwa.com/nl/nl/service/label-veilig-sportklimaat/ Macro, D., Van Wielink, H., Laros, J. (2020). Vitaliteitsonderzoek sportverenigingen 2020. Gemeente Den Haag. https://denhaag.raadsinformatie.nl/modules/13/overige_bestuurlijke_stukken/634454?parent_even t=759338 NOC*NSF (2021a). Visie Sport & Integriteit 2024. https://nocnsf.nl/media/4308/07-visie-sport-enintegriteit-2024.pdf NOC*NSF (2021b). Bijlage bij AV 15 november 2021 Agendapunt 4.a. Vaststellen Minimale Kwaliteitseisen.
https://nocnsf.nl/media/4938/04a2-mke-2022-en-eisen-2024.pdf Revis, B., De Graaf, F., Van Asten, R., Van der Werf, H., Kapteijns, A., Wenink, E., Koster, D., Partiman, K., Balster, M., & Holman, J. (2019). Samen voor de stad. Coalitieakkoord 2019-2022. https://denhaag.raadsinformatie.nl/modules/13/Overige%20bestuurlijke%20stukken/551885 Speet, T., Smit, S., Van Rossum, L., Schutte, R., & Van der Eng, N. (2014). De veranderkracht van de sport. TEN HAVE Change Management. https://veranderkracht.com/wpcontent/uploads/2018/10/Onderzoeksrapport-Veranderkracht-van-de-Sport1.pdf Stevens, V. (2021). Beleidsvervreemding bij criminele inmenging in de amateursport [Factsheet 2021/19]. Mulier Instituut. Van Erp, J. (2016). Samen werken aan sportveiligheid. Stichting Halt. https://www.knvb.nl/downloads/bestand/3967/halt-samen-werken-aan-sportveiligheid
32
Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut
Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut
33