CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS324513 Bijlage De behoeften van Haagse sportverenigingen bij het realiseren van een positieve sportcultuur Mulier

Algemene Raadscommissie 9 april 2026, gemeente Den HaagBij agendapunt: Commissiebrief inzake Rapport ‘Positieve Sportcultuur en LHBTIQ+-acceptatie op Haagse sportverenigingen’ (Mulier Instituut)14.207 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Positieve sportcultuur Den Haag

De behoeften van Haagse sportverenigingen bij het realiseren van een positieve sportcultuur

Vidar Stevens Nathan Geurink

Positieve sportcultuur Den Haag De behoeften van Haagse sportverenigingen bij het realiseren van een positieve sportcultuur

In opdracht van de gemeente Den Haag en Stichting Werkgevers Sportclubs Den Haag (WSDH)

Vidar Stevens Nathan Geurink

© Mulier Instituut Utrecht, juni 2022

Mulier Instituut sportonderzoek voor beleid en samenleving Postbus 85445 | 3508 AK Utrecht Herculesplein 269 | 3584 AA Utrecht T +31 (0)30 721 02 20 | I www.mulierinstituut.nl E info@mulierinstituut.nl | T @mulierinstituut

Inhoudsopgave Samenvatting

4

1. 1.1 1.2 1.3 1.4

Inleiding Actieplan positieve sportcultuur Onderzoeksvragen Methoden Leeswijzer

5 5 5 6 6

2. 2.1 2.2 2.3 2.4

Uitgangspunten en doorwerking Actieplan Waarde en noodzaak van een Haagse positieve sportcultuur Haags Coalitieakkoord 2018-2022 Maatregelen uit het Actieplan Bereik van het Actieplan

7 7 7 8 9

3. 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7

Veranderkracht van sportverenigingen en het Actieplan Verschillen in het borgen van een positieve sportcultuur Een transitie voor een positieve sportcultuur Mate waarin het Actieplan sportverenigingen bij een transitie ondersteunt Doorwerking van succesvolle projecten uit het Actieplan Oordeel over de ondersteuning van de gemeente en WSDH Verdere behoeften van actieve sportverenigingen Tussenbeschouwing

11 11 11 13 16 17 18 20

4. 4.1 4.2

Lastig bereikbare verenigingen Waarom bereiken de gemeente en WSDH sommige verenigingen niet? Verplichten van minimale basisvoorwaarden voor een positieve sportcultuur

21 21 25

5.

Slotbeschouwing

29

Literatuurlijst

32

Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut

3

Samenvatting Uit dit onderzoek komt naar voren dat een positieve sportcultuur op een vereniging enkel kan ontstaan wanneer er geen naïef beleid van onachtzaamheid en ‘laat maar waaien’ aanwezig is. Het vergt een transitie binnen een vereniging om het beleid op papier te laten landen in de hoofden van alle betrokkenen op de club. Respondenten beschrijven het huidige Actieplan positieve sportcultuur als ideaal voor verenigingen die willen starten met een positieve sportcultuur of die met een acute hulpvraag zitten. Het is minder behulpzaam voor verenigingen die al verder staan in het veranderproces van het borgen van een positieve sportcultuur, maar worstelen om de ideeën breder te communiceren in de club. De actieve verenigingsondersteuning die Stichting Werkgevers Sportclubs Den Haag (WSDH) biedt, beschouwen diegenen die hier gebruik van maken als prettig en effectief. Toch is er nog steeds een grote groep sportverenigingen in de gemeente Den Haag die niet exact weet wat de gemeente of WSDH voor hen kan betekenen. Hier liggen verschillende oorzaken aan ten grondslag: deze verenigingen kennen bijvoorbeeld een vrijwilligerstekort, ontvangen reeds ondersteuning via de ‘sportbondenlijn’ of passen niet in het uitvoeringskader van het Actieplan.

De gesprekken leren ons dat een gerichte en gedoseerde aanpak die aansluit bij de behoeften van individuele sportverenigingen het meest effectief is. Niet alle problemen zijn namelijk hetzelfde op sportverenigingen. Een dergelijke aanpak is anders dan een streven naar een zerotolerance-beleid. De gedachte om ongewenste, onplezierige en grensoverschrijdende gedragingen op sportverenigingen bestraffend en met wortel en tak uit te roeien is voor de meeste Haagse clubs die we spraken niet wenselijk. Het onder meer verplichten van basisvoorwaarden voor een positieve sportcultuur beperkt de afwegingsruimte van verenigingsbestuurders en raakt niet de clubs die je daadwerkelijk wilt bereiken met beleid, namelijk verenigingen die hun zaken niet goed op orde hebben en een veiligheidsrisico vormen. Tegelijkertijd stelt een aantal verenigingsbestuurders dat bij financiële ondersteuning van sportverenigingen door de gemeente of WSDH zeker integriteitseisen gesteld mogen worden, als hierbij blijvende ondersteuning voor het realiseren van een positieve sportcultuur wordt geboden.

4

Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut

1.

Inleiding

1.1

Actieplan positieve sportcultuur In september 2020 stelde de gemeente Den Haag het Actieplan ‘Een positieve sportcultuur Den Haag 2020-2022’ (hierna: Actieplan) vast (Gemeente Den Haag, 2020). In lijn met het Nationaal Sportakkoord wil de gemeente verenigingen helpen bij het realiseren van een cultuur waarin iedereen met plezier, eerlijk, veilig en zorgeloos kan sporten. In het Actieplan is onder meer aandacht voor de thema’s pedagogisch sportklimaat, ouderbetrokkenheid, respect en inclusie, grensoverschrijdend gedrag en basisvoorwaarden voor een positieve sportcultuur. Verenigingsbestuurders staan voor een hele opgave, vaak met lastige keuzes, om een veilige, eerlijke en zorgeloze sportervaring voor de leden te garanderen. Verenigingen met een brede en deskundige vrijwilligersbasis zijn vaak beter in staat deze ‘extra’ bestuurstaken op te pakken, maar zelfs dan blijft het een uitdaging voor verenigingsbestuurders om een positieve sportcultuur te realiseren. Zo blijkt uit het Vitaliteitsonderzoek Sportverenigingen Den Haag 2018 en 2020 (Busstra, De Jong & Van Balveren, 2018; Macro, Van Wielink & Laros, 2020) dat niet alle Haagse sportverenigingen een vertrouwenscontactpersoon hebben aangesteld of vragen naar VOG’s voor trainers, coaches en bestuurders.

Tegelijkertijd zijn er Haagse projecten, zoals ‘Positiviteit Scoort’, die bijdragen aan een prettige wedstrijdervaring voor jonge sporters. De gemeente Den Haag en Stichting Werkgevers Sportclubs Den Haag (WSDH) willen graag weten hoe sportverenigingen hun ondersteuning ervaren. Sluit deze aan bij de wensen en behoeften van verenigingsbestuurders? Heeft deze bijgedragen aan het versterken van een positieve sportcultuur op de verenging? Of zijn er andere manieren waarop de ondersteuning beter tot haar recht komt? Daarnaast willen de gemeente en WSDH graag inzicht krijgen in waarom sommige sportverenigingen verder zijn met het realiseren van een positieve sportcultuur dan andere. Wat kunnen de gemeente en WSDH daarbij doen en hoe bereiken ze sportverenigingen die het lastiger hebben om het thema van positieve sportcultuur op te pakken? Het doel van dit onderzoek is de gemeente en WSDH inzicht te geven hoe de ondersteuning aan sportverengingen voor het realiseren van een positieve sportcultuur beter kan aansluiten bij de wensen en behoeften van Haagse verenigingsbestuurders.

1.2

Onderzoeksvragen Centraal in het onderzoek staat de volgende hoofdvraag: Op welke manieren kunnen de gemeente Den Haag en WSDH sportverenigingen verder ondersteunen bij het realiseren van een positieve sportcultuur? Om tot een antwoord te komen op deze hoofdvraag stellen we de volgende deelvragen: 1. Op welke wijze ondersteunen de gemeente Den Haag en WSDH sportverenigingen bij het realiseren van een positieve sportcultuur? 2. Hoe gaan sportverengingen zelf aan de slag met een positieve sportcultuur en hoe ervaren zij de ondersteuning vanuit de gemeente en WSDH? 3. Hoe komt het dat sommige verenigingen geen gebruik maken van de ondersteuning van de gemeente en WSDH of niet aan de slag gaan met het thema positieve sportcultuur? En hoe kunnen de gemeente en WSDH deze groep verenigingen beter bereiken?

Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut

5

4. Hoe kan de ondersteuning vanuit de gemeente en WSDH beter aansluiten bij de wensen en ervaringen van Haagse sportverenigingen?

1.3

Methoden Om de deelvragen te beantwoorden gebruikten we de volgende methoden:

1.4

▪

Bureaustudie en interviews over de uitgangpunten van het Actieplan Deelvraag 1 specificeert op welke wijze de gemeente Den Haag en WSDH ondersteuning bieden aan verenigingen om een positieve sportcultuur te realiseren en borgen. Deelvraag 1 schetst de uitgangssituatie en de wijze van uitvoering. We voerden hiervoor een bureaustudie uit op basis van beleidsnotities, uitvoeringsnota’s en andere relevante beleidsdocumenten. Daarnaast spraken we met de uitvoeringsverantwoordelijke van WSDH en de verantwoordelijk beleidsambtenaar van de gemeente Den Haag van de Dienst ‘Onderwijs, Cultuur en Welzijn’.

▪

Zeven interviews met ‘actieve’ verenigingen over positieve sportcultuur Met zeven Haagse sportverenigingen gingen we het gesprek aan over hoe zij aan de slag zijn gegaan met het thema positieve sportcultuur en hoe de ondersteuning van de gemeente en de WSDH bijdroeg aan het borgen van een positieve sportcultuur op de vereniging. Verenigingen kunnen vrijblijvend keuzes maken om deel te nemen aan bepaalde beleidslijnen en activiteiten van het Actieplan. Bij de selectie van respondenten hielden we daarom rekening met spreiding van verenigingsbestuurders over de verschillende beleidslijnen en activiteiten vanuit de gemeente en WSDH in het beleid gericht op positieve sportcultuur.

▪

Zeven interviews met lastig te bereiken verenigingen over positieve sportcultuur Een grote groep van ongeveer 300 sportverenigingen in Den Haag wordt niet makkelijk bereikt door de gemeente en WSDH en/of gaat niet aan de slag met het thema positieve sportcultuur. Voor de gemeente en WSDH is het belangrijk te begrijpen waar dit aan ligt en of een andere manier van ondersteuning voor deze verenigingen gewenst is. Met zeven sportverenigingen gingen we daarover in gesprek. Voor de selectie van verenigingen is rekening gehouden met een spreiding over diverse sporten.

Leeswijzer We bespreken in hoofdstuk 2 hoe het Actieplan eruitziet en wat met dit plan tot op heden is bereikt. Vervolgens bespreken we in hoofdstuk 3 hoe sportverenigingen een positieve sportcultuur niet alleen borgen op papier, maar ook daadwerkelijk in de hoofden van alle betrokkenen op de vereniging. We staan daarbij stil bij de verdere behoeften van deze verenigingen. In hoofdstuk 4 bespreken we waarom sommige sportverenigingen geen gebruik maken van de diensten van de gemeente en WSDH of waarom ze niet aan de slag gaan met het thema positieve sportcultuur. Ook bespreken we verschillende manieren waarop de gemeente en WSDH deze verenigingen het best kunnen benaderen (of verleiden) om toch te streven naar een positieve sportcultuur. Verder bespreken we hoe alle geïnterviewde sportverenigingen aankijken tegen verplichte basisvoorwaarden voor een positieve sportcultuur. We sluiten in hoofdstuk 5 af met een slotbeschouwing, waarin we een drietal lessen trekken uit de interviews met sportverenigingen in Den Haag.

6

Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut

2.

Uitgangspunten en doorwerking Actieplan

2.1

Waarde en noodzaak van een Haagse positieve sportcultuur Meer dan een half miljoen unieke Hagenaars leven samen in de stad. Dat gaat niet zonder bepaalde spelregels, waarden en normen. Soms vastgelegd en uitgesproken, soms informeel en vanzelfsprekend. Deze spelregels, waarden en normen stellen de Hagenaars in staat met respect een samenleving te vormen. De spelregels ontstaan niet vanzelf. Ze worden overgedragen van generatie op generatie, ze worden bijgeschaafd, ze worden bewaakt of verlegd. Van jongs af aan krijgen nieuwe Hagenaartjes met de paplepel ingegoten aan welke regels je je moet houden. Dat gebeurt bij de opvoeding, dat gebeurt in het onderwijs en dat gebeurt op de sportvereniging. Leden van sportverenigingen, en met name jeugd, krijgen op een positieve en sportieve manier de essentie van sport mee. Je maximaal inzetten voor je team en voor het resultaat, maar je neerleggen bij verlies en na afloop de tegenstander een hand geven. Je teamleden, maar ook tegenstanders zijn belangrijk, ongeacht afkomst, huidskleur of geaardheid. Met elkaar maak je de sport. Iedereen die gesport heeft of kinderen op sport heeft zitten zal dit herkennen. Dit zijn de levenslessen die je vanaf het begin door sport aangeleerd krijgt. Deze lessen zijn niet alleen voor wekelijkse sportactiviteit van belang. Je neemt ze mee naar buiten en ze bepalen ook je gedrag op straat.

Week in week uit zijn meer dan duizend Haagse vrijwilligers in de sport in de weer om een zorgeloze, eerlijke, veilige en plezierige sportervaring voor leden te realiseren. Het bewaken van een dergelijke positieve sportcultuur is hard werken, verantwoordelijkheid nemen en niet altijd even dankbaar. Helaas zijn er in Den Haag ook altijd nog excessen: ouders die langs de lijn de scheidsrechter beledigen, teams die uit de competitie worden gehaald omdat ze voor de zoveelste keer over de schreef zijn gegaan, beledigende spreekkoren vanaf de tribune, sportieve LHBTI+’ers die niet helemaal zichzelf kunnen zijn, of kinderen die tijdens de training toch niet zo veilig waren voor de jeugdtrainer. Er zijn nog meer voorbeelden te noemen. Het is daarom noodzakelijk, aldus de gemeente, om tot een Haagse aanpak voor een positieve sportcultuur te komen.

2.2

Haags Coalitieakkoord 2018-2022 In het Coalitieakkoord benadrukten de coalitiepartijen dat de aankomende jaren moest worden ingezet op het realiseren van een veilige, positieve sportcultuur waarin normen en waarden een belangrijke rol spelen (Revis et al., 2019). In samenspraak met Haagse sportpartners zijn in 2019 vervolgens de volgende ambities geformuleerd: De gemeente stelt in 2020 een toolkit Positieve sportcultuur samen en zorgt dat alle verenigingen in Den Haag deze kennen en met behulp van het verenigingsondersteuningsloket van de gemeente en de sportbonden kunnen implementeren. De focus van de ondersteuning ligt op verenigingen met jeugd, verenigingen die nog geen Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG’s) aanvragen voor hun vrijwilligers en verenigingen die nog geen vertrouwenscontactpersoon (VCP) hebben. Uiteindelijk is het Actieplan ‘Een positieve sportcultuur Den Haag 2020-2022’ (hierna: Actieplan) opgesteld. Het Actieplan schetst een aanpak om de sportverenigingen in Den Haag te ondersteunen bij het verkrijgen en behouden van een positieve sportcultuur.

Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut

7

2.3

Maatregelen uit het Actieplan Het Actieplan heeft veel componenten, die deels met elkaar samenhangen. Dit komt omdat ‘positieve sportcultuur’ een breed begrip is. Het omvat in het Actieplan een zevental dimensies: • pedagogisch sportklimaat; • ouderbetrokkenheid; • respect en inclusie; • seksueel grensoverschrijdend gedrag; • agressief seksueel gedrag; • discriminerend grensoverschrijdend gedrag; • basisvoorwaarden positieve sportcultuur. De afgelopen jaren is een breed aanbod beschikbaar gekomen aan instrumenten, workshops, stappenplannen, bewustwordingscampagnes en projecten die bijdragen aan het bevorderen van een positief sportklimaat op sportverengingen (zie tabel 2.1). Tabel 2.1 Middelen en acties uit het Actieplan positieve sportcultuur Onderwerp

Middel of actie

Bewustwording

Campagne Positieve Sportcultuur Universeel logo Filmpjes Stappenplannen Flyers Regenboogaanvoerdersbanden Regenboogvlaggen Blauwe kaarten

Basisvoorwaarden

Stappenplan basisvoorwaarden positieve sportcultuur

Pedagogisch sportklimaat

Ondersteuning bij hulpvragen positieve sportcultuur Ondersteuning bij pedagogisch beleid Cursussen positieve sportcultuur E-learning ‘een beetje opvoeder’ Alternatieve webinars en workshops Positieve sportcultuur Workshop 4 inzichten over trainerschap Trainersbegeleiding

Ouderbetrokkenheid

Project ‘Positiviteit Scoort’

Inclusie

Alliantie Gelijkspelen 4.0 Pilot John Blankenstein Foundation #AllTogetherChallenge (16 oktober) Workshop ‘Een open en veilige sport voor iedereen’ (LHBTI+) Workshop ‘Jezelf kunnen zijn’ Stimuleringsbudget inclusief sporten

Respect

Blauwe kaart Week van Respect Extra ondersteuningsmogelijkheden voor scheidsrechters/leiding

Bron: Actieplan ‘Een positieve sportcultuur’ Den Haag 2020-2022 (versie september 2021), gemeente Den Haag.

8

Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut

Vervolg tabel 2.1 Middelen en acties uit het actieplan positieve sportcultuur Onderwerp

Middel of actie

Seksueel

Gratis VOG aanvragen stimuleren

grensoverschrijdend gedrag

Expertisebijeenkomst (Meldplicht) Seksuele intimidatie Eén of twee VCP-cursussen per jaar Stappenplan Grensoverschrijdend Gedrag

Agressief

Project Haagse Norm

grensoverschrijdend gedrag

Project ‘weer spelen tegen’

Discriminerend

Maatregelen uit het plan ‘Ons Voetbal is Van Iedereen’ (OVIVI) van de KNVB

grensoverschrijdend gedrag

Kader anti-discriminatie voor verenigingen Project ‘Met andere ogen’

Bron: Actieplan ‘Een positieve sportcultuur’ Den Haag 2020-2022 (versie september 2021), gemeente Den Haag.

De gemeente heeft de regie over de ondersteuningsmiddelen en coördineert het aanbod voor de sport. Zij doet dit echter niet alleen. Naast de samenwerking met WSDH zijn nog andere partijen betrokken bij de stuurgroep ‘Positieve Sportcultuur’. Deze partners zijn actief in verschillende onderdelen van het Actieplan. Zo organiseert de John Blankenstein Foundation (JBF) een pilot om sportverenigingen meer inclusief te maken. De stuurgroep bestaat uit de volgende partners: • het Centrum Veilige Sport Nederland; • verschillende sportbonden; • Den Haag Topsport; • John Blankenstein Foundation; • ADO in de Maatschappij; • het Kenniscentrum Sport & Bewegen; • Movisie; • de G4; • Bureau Halt. Naast het onderwerpgerelateerde verenigingsaanbod (tabel 2.1) hebben de sportconsulenten, sportcoördinatoren en sportpedagogen regelmatig contact met de sportverenigingen om te zien of zij een hulpbehoefte hebben om nader begeleid te worden bij het realiseren van een positieve sportcultuur (respondent 15 en 16). Dit wordt ook wel de signaleringsfunctie genoemd in het Actieplan. Dit kan ertoe leiden dat een maatwerkgericht ondersteuningstraject wordt opgesteld voor de sportvereniging.

Zo zijn er sportpedagogen actief die zich bezighouden met directe hulpvragen van alle verenigingen of het ondersteunen van het bestuur bij het implementeren van een positieve sportcultuur en die cursussen geven of organiseren over alle onderdelen van het Actieplan (respondent 16). Deze actieve verenigingsondersteuning wordt aangeboden door WSDH. Communicatie over het aanbod van de gemeente en WSDH vindt plaats via de nieuwsbrief ‘Verenigingsondersteuning’, sociale media, fysiek flyermateriaal over ondersteuningsmiddelen, een overzichtsdocument op de gemeentelijke website en informatie op de website van WSDH.

2.4

Bereik van het Actieplan Verenigingen kunnen momenteel vrijblijvend keuzes maken om deel te nemen aan bepaalde acties en projecten. Omdat de gemeente het belangrijk vindt dat de veiligheid van sporters, kinderen en

Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut

9

anderen binnen Den Haag wordt gewaarborgd, kijkt ze naar de mogelijkheid om in de toekomst een aantal basisvoorwaarden verplicht te stellen voor elke vereniging. Deze basisvoorwaarden zijn: • gedragscode; • vertrouwenscontactpersoon; • VOG voor vrijwilligers en werknemers. Op de noodzaak om deze basisvoorwaarden verplicht te stellen komen we in paragraaf 4.2 terug. Het Actieplan heeft een bepaald bereik. Ondanks de impact van corona zijn in de afgelopen periode verschillende stappen gezet: • Er zijn 150 regenboogvlaggen verspreid. • Meer dan 1.000 regenboogaanvoerdersbanden zijn verdeeld over de sportverenigingen. • 60 sportverenigingen hebben deelgenomen aan de #AllTogetherChallenge. • 16-20 verenigingen hebben in 2021 gebruik gemaakt van clubkadercoaching of trainersbegeleiding. In 2022 start een nieuwe lichting met 30 sportverenigingen. • 33 sportverenigingen hebben deelgenomen aan de webinars ‘seksueel grensoverschrijdend gedrag’ en ‘meldplicht seksuele intimidatie’. • 5 sportverenigingen hebben deelgenomen aan het project ‘Positiviteit Scoort’. • 16 sportverenigingen hebben in 2019 deelgenomen aan het project ‘weer spelen tegen’. • 15 sportverenigingen hebben deelgenomen aan het project ‘met andere ogen’. • 40 verenigingen waren betrokken bij de bijeenkomsten over de Haagse Norm. De laatste vier bijeenkomsten waren dit steeds tussen de 7 en 15 verenigingen.

• De gemeente Den Haag heeft de kosten voor het veiligheidskeurmerk van de Vechtsportautoriteit betaald voor 20 vechtsportscholen. • WSDH heeft 30 verenigingen ondersteund op verschillende onderwerpen binnen het thema positieve sportcultuur. Uit het Vitaliteitsonderzoek Sportverenigingen 2020 bleek dat van alle 165 verenigingen die in 2020 deelnamen aan het onderzoek 54 procent een VCP had. Onder grote verenigingen (meer dan 300 leden) is dit percentage aanmerkelijk hoger (82%) dan onder kleine verenigingen (minder dan 300 leden, 35%). Hierin is een lichte stijging te zien ten opzichte van 2018. Toen had ongeveer 50 procent van de verenigingen een VCP. Van alle deelnemende verenigingen bleek 55 procent ten minste één VOG aangevraagd te hebben voor vrijwilligers. Onder grote verenigingen is dit percentage aanzienlijk hoger (82%) dan onder kleine verenigingen (37%). Ook hier is een lichte stijging te zien ten opzichte van 2018. Toen vroeg ongeveer 50 procent van de verenigingen ten minste één VOG aan voor vrijwilligers. Er zijn dus veel verenigingen waar een VCP of het aanvragen van VOG’s voor vrijwilligers nog niet de standaard is. Er zijn slagen te maken om op zoveel mogelijk Haagse sportverenigingen een veilige, eerlijke, zorgeloze en vooral positieve sportcultuur te garanderen.

In het volgende hoofdstuk bespreken we hoe Haagse verenigingen die actief bezig zijn met het realiseren van een positieve sportcultuur verder ondersteund kunnen worden door de gemeente en WSDH.

10

Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut

3.

Veranderkracht van sportverenigingen en het Actieplan

3.1

Verschillen in het borgen van een positieve sportcultuur Sport is een veelvormig fenomeen: naast beroeps- en topsport kennen we competitiesport, breedteof recreatieve sport en informele sport met vrienden, kennissen of alleen in de openbare ruimte. De sterk op publiek vermaak georiënteerde topsport verschilt nogal van de sport bij een doorsnee sportvereniging of van individuele sportbeoefening. In Den Haag zijn al deze vormen van sport aanwezig. In dit onderzoek hebben we voornamelijk gesproken met verenigingen uit de breedtesport, maar zelfs die vertoont grote verscheidenheid: de biljartclub of de bridgeclub van twintig liefhebbers verschilt sterk van de voetbalclub met 1.500 leden en elftallen op hoog amateurniveau. Elke tak van sport en elke vereniging kent zijn eigen regels, gewoontes en uitdagingen (respondent 3). De sportcultuur kan daarmee per club sterk afwijken en dat impliceert dat welke kwesties er spelen op een vereniging behoorlijk verschilt. Dit heeft consequenties voor welke onderwerpen uit het Actieplan individuele sportverenigingen oppakken. Zo geeft respondent 6 aan dat zijn vereniging wel iets doet aan sociale armoede, maar niets aan diversiteit: ‘Wij zitten in een erg witte wijk. We hebben ook weinig mensen van kleur op onze club. Oké, nou prima, dan hoef je aan dat element geen aandacht te geven.

Dat klinkt misschien een beetje gek, maar op dat gebied speelt er gewoon niks. Dus oké, dan hoeven we ons daar niet op te richten, maar misschien wel op de verschillen in welstand van de leden in onze club. Nou, daar denken we ook serieus over na, daar hebben we ook als bestuur letterlijk ook een oor voor, om mensen die het financieel wat minder hebben om die te ondersteunen om bijvoorbeeld wel mee te kunnen op een clubkamp.’ Uit geen enkel gesprek bleek dat verenigingen actief aan de slag gaan met alle onderwerpen uit het Actieplan. Wel werd duidelijk dat sommige verenigingen verder zijn met bepaalde onderwerpen dan andere. Een positieve sportcultuur op een sportvereniging goed vormgeven en borgen is geen sinecure (respondent 1). Eén cursus maakt, zo geeft respondent 1 aan, een vereniging niet gelijk toleranter of toegankelijker voor LHBTI+’ers. Uit de gesprekken met sportverenigingen die actief aan de slag zijn met het organiseren en borgen van een positieve sportcultuur bleek dat zij vaak een heel verandertraject opzetten om ervoor te zorgen dat zowel de actievelingen binnen een sportvereniging als andere betrokkenen meegaan in de veranderingen die de nieuwe cultuur van de vereniging bepalen (respondent 5).

Alleen door een dergelijke transitie verandert beleid op papier in gepaste handelingen van alle (kader)leden, bestuurders, vrijwilligers, ouders en andere betrokkenen op de club (idem).

3.2

Een transitie voor een positieve sportcultuur Maar hoe ziet zo’n transitie eruit? Op de vereniging van respondent 2 is bewust een transitietraject en veranderagenda opgezet om een veiliger en pedagogisch sportklimaat te realiseren. Dit transitietraject bestond uit verschillende stappen. Het bestuur ging eerst in gesprek met de leden over hoe zij aankeken tegen pedagogische waarden die centraal moesten staan in de trainingen. Op basis van deze gesprekken besloot het bestuur, als richtinggevend orgaan, om in te zetten op nieuwe gedragsregels, handelingsprotocollen en eisen aan het handelen van trainers. Op deze manier stelde het bestuur nieuwe normen vast over wat gepast en ongepast gedrag van trainers jegens sporters was op de vereniging.

Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut

11

Verenigingsbestuurders worden vaak gezien als dé beleidsbepalers van sportverenigingen. Sportverenigingen zijn echter vrijwilligersorganisaties met een ledendemocratie (Van Bottenburg, 2013, p. 8). Dat betekent feitelijk dat de leden gezamenlijk het beleid van een sportvereniging bepalen. Verenigingsbestuurders hebben ‘slechts’ het mandaat gekregen om de vereniging te besturen. Het bestuur legt uiteindelijk verantwoording af aan de leden tijdens de jaarlijkse ledenvergadering (Kuperus, 2007). Daarom ging respondent 2 eerst het gesprek aan over de wensen van de leden. De ‘ledendemocratie’ zit niet alleen in de formele structuur, maar raakt ook de informele manier van interactie die voor binding zorgt tussen leden en verenigingsbestuurders en voorziet in draagvlak voor besluiten van verenigingsbestuurders (respondent 2). Respondent 1 beaamt dat het betrekken van de leden vaak een balanceeroefening is voor verenigingsbestuurders: ‘Er zitten heel veel grote verschillen in wat en welk gedrag mensen acceptabel vinden. Wat ik hier net zeg, sommige zijn echt een [nadenken], dus, zeg maar als ik heel erg streng als bestuur zou zijn en niks, zeg maar, van mijn lontje is heel kort en niks is acceptabel, dan krijg ik ook niks voor mekaar.

Dus je moet, hoe moet ik dat nou zeggen, je moet als bestuur je moet een beetje geven en nemen en in het proces van wanneer gaan we naar gedrag wat wij als vereniging oké vinden, hoe kom je daar?’ Een vereniging bestaat in haar kern uit een groep zeer actieve vrijwilligers die de vereniging voor het grootste gedeelte draaiende houdt. Daarnaast is er een grotere groep mensen die direct of indirect een belang hebben bij de vereniging, maar zich over het algemeen weinig bemoeien met het reilen en zeilen (en er qua inspanningen slechts een bescheiden bijdrage aan leveren). Hun afstand tot het bestuur geldt in elk geval zolang er geen situaties voorkomen of beslissingen worden genomen die hun belangen, denkbeelden of normen en waarden (dreigen te) schaden. Het succesvol doorvoeren van veranderingen op een sportvereniging vereist, volgens respondent 5, met name medewerking, draagvlak en commitment van de actievelingen op een sportvereniging. Deze groep kan ervoor zorgen dat de ingezette veranderingen zich als een olievlek verspreiden op de vereniging en dat mensen elkaar gaan wijzen op wat gepast of ongepast gedrag is op de club: ‘Ik heb meteen mensen gezocht die binnen de club allemaal al een taak hadden. Dat klinkt gek, want je kan zeggen ja maar die hebben het allemaal al zo druk, maar vaak hebben drukke mensen tijd, op een of andere manier.

Dus die gaan dan toch meer doen, dit heb ik zelf meegemaakt. En ik weet dat van mezelf. Dus dat helpt, want waar bijvoorbeeld mensen - iemand uit de familiecommissie, iemand uit de jeugdcommissie, iemand uit de scheidsrechterscommissie, iemand van de tuchtcommissie... dat was een beetje toeval en een beetje uitgezocht. En iemand van die senioren... en zo ging dat door. Je hebt natuurlijk altijd in de loop van de tijd - dat merk ik nu ook, in coronatijd - dan vallen er weer mensen af en komen er weer mensen bij. Maar dan gaat het groeien. Doordat je mensen hebt die contacten hebben binnen de vereniging met weer een groepje vrijwilligers, kunnen die als ambassadeurs optreden voor alles wat jij aan het doen bent. Dus dat helpt om je plannetjes, om je ideeën verder te brengen’ (respondent 4). Dit was de reden dat op de vereniging van respondent 2 actief werd ingezet op het betrekken van actieve kaderleden om veilig omstandersgedrag en nieuwe normen op het gebied van gewenst en ongewenst gedrag te stimuleren. De actieve kaderleden werden de dragers van de nieuwe pedagogische clubcultuur. Respondent 1 doorliep een soortgelijk getrapt proces van dialoog met bestuur, actieve kaderleden en andere betrokkenen op de sportvereniging voor het stimuleren van sportief wedstrijdgedrag

12

Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut

tijdens wedstrijden. Zij beschrijft dat het op gang brengen van een beweging in de vereniging niet van de ene op de andere dag gerealiseerd is. Het vraagt om een langdurige commitment van het bestuur en een continue dialoog met (kader)leden in de vereniging: ‘Kijk, als je het als vereniging wil oppakken en je hebt het, even schetsend, je hebt het altijd laten verslonzen, dan kun je niet ineens van oké we gaan van hier naar hier, zeg maar, van alles wat we acceptabel vonden en allerlei grensoverschrijdend gedrag daar zeiden we nooit wat van, en dan ineens een streep trekken en dat er niks meer mag, dat gaat niet werken. Dus je moet mensen meenemen en vooral die positiviteit. Dus wij zeggen tegen ouders je mag alleen maar positieve dingen zeggen, je moet je niet met het coachen bemoeien met kinderen, maar je mag alleen maar zeggen van nou, goed gedaan, mooie pass, mooie goal, dus alleen maar positieve dingen zeggen. Dat proberen we bij de coaches ook neer te leggen, benader het nou vanuit positiviteit want het plezier in de sport is wat wij het belangrijkste vinden. Het neemt niet weg en dat is het moeilijkste heb ik ervaren en zeker in het voetbal, het aanspreken op iemands gedrag dat is het moeilijkste wat er is. En dat moet je kunnen, daar moet je een soort van gevoel bij hebben.’

3.3

Mate waarin het Actieplan sportverenigingen bij een transitie ondersteunt Een transitietraject op een sportvereniging voor het borgen van een element van een positieve sportcultuur is een hele opgave. Binnen de sportsector is het Veranderkrachtmodel van TEN HAVE Change Management een toegepast conceptueel kader om inzichtelijk te maken op welke elementen een sportvereniging moet inzetten om de club en haar leden klaar te maken voor een beoogde verandering (zie figuur 3.1). Dit model kent vijf elementen: rationale, effect, focus, energie en verbinding. Figuur 3.1 Veranderkrachtmodel

Bron: Speet et al., 2014. •

De ‘rationale’ gaat over de beweegreden om te veranderen, het ‘grote’ verhaal achter een verandering; het waarom. Veranderen is immers geen doel op zich. De rationale moet door het bestuur, of de personen die verantwoordelijk zijn voor de verandering, duidelijk gecommuniceerd en gedefinieerd worden. Alleen dan zullen andere betrokkenen op de club meegaan in de verandering.

Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut

13

•

Het ‘effect’ gaat juist over het ‘kleine’ verhaal, over de concrete, gewenste en ongewenste gevolgen van de verandering. Daarbij gaat het zeker niet alleen over de vereniging als geheel, maar ook over de – bedoelde en onbedoelde – effecten van de verandering voor individuele (of groepen) leden, kaderleden of vrijwilligers. Ieder persoon moet zich bewust zijn wat de verandering voor hem of haar betekent.

•

De ‘focus’ gaat over de vraag in welke mate de inrichting van de vereniging bijdraagt aan het realiseren van de verandering. Het gaat over de geschapen kaders: in hoeverre dragen die bij aan het succesvol kunnen doorvoeren van de verandering? Voorbeelden van kaders zijn (aangepaste) strategische keuzes, (nieuwe) structuren, systemen, processen, prioriteiten, taken en voorbeeldgedrag.

•

De ‘energie’ weerspiegelt het vermogen van de vereniging om te veranderen. Dit omvat de bereidheid (het willen) van leden, maar ook of zij toegerust zijn voor de verandering (het kunnen). Heeft de vereniging de attitude, het leiderschap, het draagvlak en de middelen om de verandering haalbaar te maken?

•

De ‘verbinding’ brengt de kwaliteit van het veranderproces als zodanig in kaart. Het is de ‘katalysator’ van de verandering in termen van veranderdoelen en veranderstrategie en de sturing hierop. Verbinding creëert de samenhang tussen de vier andere gebieden. Bij een optimale verbinding en optimaal leiderschap wordt het veranderproces constant afgestemd op de (on)mogelijkheden van de vereniging.

De beleidsmaatregelen uit het Actieplan helpen sportverenigingen om een verandering of transitie in gang te zetten voor een pedagogisch sportklimaat, ouderbetrokkenheid, respect en inclusie, grensoverschrijdend gedrag en/of discriminatie. In tabel 3.1 is te zien hoe de maatregelen uit het Actieplan aansluiten bij de elementen uit het Veranderkrachtmodel van TEN HAVE Change Management. Hieruit wordt duidelijk dat de meeste beleidsmaatregelen uit het Actieplan zich vooral richten op de rationale, het effect en de focus van een verandering of transitie op een vereniging. Minder maatregelen zijn gericht op de elementen ‘energie’ en ‘verbinding’. Het Actieplan helpt dus vooral verenigingsbestuurders bij het communiceren van het grote verhaal en wat dit betekent voor ieder individu binnen de club. Het biedt minder houvast voor het breder op gang brengen van een beweging in de sportvereniging. Respondent 1, 3 en 5 komen tot eenzelfde constatering. Zij stellen dat het Actieplan zich vooral richt op verenigingen die aan de slag willen met een positieve sportcultuur of die met een acute hulpvraag zitten.

Zo geeft respondent 1 aan dat het Actieplan minder van waarde is voor verenigingen die ‘verder staan in het veranderproces’ (met uitzondering van de actieve verenigingsondersteuning die WSDH biedt voor hulpvragen en pedagogisch klimaat, de trainersbegeleiding, de blauwe kaart, de Haagse Norm en het stappenplan Grensoverschrijdend Gedrag).

14

Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut

Tabel 3.1 Maatregelen uit het Actieplan in het Veranderkrachtmodel Beleidsmaatregel

Rationale

Campagne Positieve Sportcultuur

Effect

Focus

Energie Verbinding

X

Stappenplan basisvoorwaarden positieve

X

sportcultuur Ondersteuning bij hulpvragen positieve

X

X

X

X

X

X

X

X

sportcultuur Ondersteuning bij pedagogisch beleid Cursussen positieve sportcultuur

X

E-learning ‘een beetje opvoeder’

X

Alternatieve webinars en workshops Positieve

X

sportcultuur Workshop 4 inzichten over trainerschap

X

Trainersbegeleiding

X X

X

Project ‘Positiviteit Scoort’

X

X

X

Alliantie Gelijkspelen 4.0

X

X

X

Pilot John Blankenstein Foundation

X

X

#AllTogetherChallenge (16 oktober)

X

Workshop ‘Een open en veilige sport voor

X

X X X

X

iedereen’ (LHBTI+) Workshop ‘Jezelf kunnen zijn’

X

Stimuleringsbudget inclusief sporten

X

Blauwe kaart

X

Week van Respect

X

Extra ondersteuningsmogelijkheden voor

X

X

X

X

X

scheidsrechters/leiding Gratis VOG aanvragen stimuleren

X

Expertisebijeenkomst (Meldplicht) Seksuele

X

X

intimidatie Eén of twee VCP-cursussen per jaar

X

X

Stappenplan Grensoverschrijdend Gedrag

X

X

X

X

X

Project Haagse Norm

X

X

X

X

X

Project ‘weer spelen tegen’

X

X

X

Maatregelen uit het plan ‘Ons Voetbal is Van

X

X

X

X

X

Iedereen’ (OVIVI) van de KNVB Kader anti-discriminatie voor verenigingen Project ‘Met andere ogen’

X

X

Bron: Actieplan ‘Een positieve sportcultuur’ Den Haag 2020-2022 (versie september 2021), gemeente Den Haag. Analyse en bewerking: Mulier Instituut.

Respondent 1 en 4 maken een onderscheid in drie fasen van hoe ver een vereniging is met het oppakken van thema’s die raken aan een positieve sportcultuur: 1. De basis op orde hebben: ‘Je hebt een soort van pyramide, dus alle basis moet eerst in orde zijn, ze moeten voldoende leden hebben, ze moeten hun kader op orde hebben, ze moeten hun financiën goed op orde [en bepaalde basiseisen, zoals VOG’s] hebben, dan kunnen ze pas denk ik gaan beginnen met zoiets als een positieve sportcultuur.’

Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut

15

2. Koers zetten: ‘Ja dus dat moet eerst op orde zijn en dan kun je daar pas mee aan de gang. En als je zo ver bent dan begint het van, oké wat houdt het voor onze vereniging dan in, wat vinden wij belangrijk en hoe gaan we iets aan handen en voeten geven.’ 3. Uitbouwen en borgen: ‘Vervolgens zet je het om in documenten en laat je het doorwerken in de gedachten en gedragingen van leden, dat mensen elkaar aanspreken bij misstanden of ongewenst gedrag, dat je op de tribune zit en zegt dat vinden wij niet normaal, en als die andere reageert met – wie zegt dat – dat je kan zeggen op basis van documenten en gedragsregels – dat hebben we bepaald met z’n allen, op de ledenvergadering, dat wij ons bijvoorbeeld niet bemoeien met de coaching van je dochter, of zo. Het [uitbouwen] zorgt voor een stok achter de deur en als je eens een rechtszaak krijgt of gedoe erover, dat je kan zeggen, ja dat is wat wij hebben afgesproken, je houd je er niet aan, er zitten consequenties op, je kind wordt uitgeschreven uit de club.’ Het zou helpen als verenigingen die verder in het veranderproces zijn hulp krijgen bij de gesprekken met (kader)leden over hoe op de lange termijn zaken geborgd worden (respondent 1). Zeker als een ‘trekker’ van een verandering op de vereniging uiteindelijk vertrekt of zich met andere taken gaat bezighouden.

3.4

Doorwerking van succesvolle projecten uit het Actieplan Van de projecten uit het Actieplan roemen de respondenten vooral een viertal projecten: de Haagse Norm, de Expertisebijeenkomst (meldpunt) seksuele intimidatie, de Blauwe Kaart en de #AllTogetherChallenge. Deze vier projecten werkten op een ideale wijze door op de dynamiek in de sportvereniging. De projecten boden verenigingsbestuurders houvast of brachten het gesprek over bijvoorbeeld seksuele intimidatie of LHBTI+ een stap verder. We bespreken de doorwerking van deze vier projecten op sportverenigingen. 1) De Haagse Norm: ‘Die Haagse norm heeft daar natuurlijk een enorm belangrijke bijdrage aan geleverd, die heeft daar een snok aan gegeven, om het zomaar te zeggen. Die zit meer in bewustwording maar ook, en dat vind ik het mooie daarvan en daar zou ik de gemeente ook wel op adviseren daar moet je wel waarde aan blijven hechten, is dat bestuurders of trainers van verenigingen mekaar blijven ontmoeten, want ik krijg dan heel vaak mailtjes van god er daar is een wedstrijd geweest en er is daar iets niet goed gegaan, dan krijg ik een mailtje van 'maar jullie zijn toch van de Haagse norm en dit en dit en dit', waardoor je dus een haakje hebt om het gesprek te gaan starten of voeren.

En daarmee heb je het niet opgelost want, weet je, ik ben meestal niet bij het incident geweest maar het geeft bij mij dan wel aanleiding om een trainers aan te spreken van 'joh wat is daar dan gebeurd'. En als er dan iets is gebeurd wat niet oké is, kan je zeggen van ja weet je 'dat wil ik nooit meer zien', en dat heb ik ook wel eens gedaan of wat is er dan gebeurd en hoe kunnen we het dan anders doen zodat het voor jou wel beter is. Want [nadenken]. En het is geen, het is niet iets magisch hoor, maar waar het voor zorgt is dat het bespreekbaar wordt en dat is heel erg belangrijk.’ (respondent 1). 2) Workshop grensoverschrijdend gedrag o.l.v. WSDH (volgend uit de Expertisebijeenkomst meldpunt seksuele intimidatie): ‘Renald Majoor heeft daar zijn verhaal gedaan. Dus ja als je toch even apart zit met elkaar en nou ja, dat heeft toch echt wel een impact en dan ga je toch wel denken 'goh, hebben we dat nou goed geregeld? Hoe doen we dat? Durven we elkaar wel aan te spreken? Zien we wel eens dingen?' Dus dat was een heel waardevolle bijeenkomst. We vonden het eigenlijk wel een beetje spannend om te organiseren zo, voor al die assistenten, zitten die daar, die jonge mensen, zitten die daarop te wachten? Maar 16

Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut

uiteindelijk, de evaluatie was toch wel dat dat toch wel zinvol was om daar even weer heel bewust bij stil te staan hoe we het doen en nou ja, als het dan toch fout gaat, wat voor impact dat ook heeft.’ (respondent 6). 3) Blauwe kaart: ‘De blauwe kaart is het compliment dat je geeft aan de tegenstander en dat doe je als team. En het gaat niet om prestatie, maar het gaat om: 'hoe aardig was die ander? Wat deed die ander op het veld dat je aardig vond?' En natuurlijk vinden de kinderen dat lastig in het begin van, niet zozeer om complimenten te geven - dat blijken ze héél erg leuk te vinden - maar hoe je bepaalt dat iemand aardig was. Dus heel vaak komen er ook onder andere dingen op die kaart te staan zoals 'wat konden jullie goed passen', maar er komen ook dingen in staan zoals 'wat bleven jullie als team aardig voor elkaar' of 'wat bleven jullie goed doorgaan terwijl jullie aan het verliezen waren'. Kijk, dat zijn ook allemaal hele sportieve elementen van een team en dat weten kinderen al heel jong op waarde te schatten. Dus dat vind ik echt geweldig. Dat je op die manier de blik van kinderen eigenlijk zet op 'de ander'. Dan moet je echt boven jezelf uitstijgen, dan moet je uitstijgen boven...

misschien teleurstelling over een wedstrijd die minder goed gegaan is of over dat je zelf een pass hebt gemist of wat dan ook - ja, lekker belangrijk, maar het kan kinderen natuurlijk bezighouden.’ (respondent 5). 4) #AllTogetherChallenge: ‘Er was ergens in oktober geloof ik, een regenboogactie op een zaterdag, dat iedereen met een regenboogaanvoerdersband dus wij hadden dat ook. Dus teams met een regenboog en toen ging ik uiteindelijk in discussie in het clubgebouw van 'joh, waarom is het eigenlijk nodig, want het is toch bij [deze sportvereniging] helemaal geen probleem' en toen zei ik van 'hoe weet je dat nou?' Ja zeggen ze dan, 'iedereen kan toch zijn wie ze willen zijn', zeg maar 'ken jij een homofiel hier op de club?' zei ik, zeggen ze 'nee', zeg ik 'nou dat is statistisch heel raar', dus ik weet niet. Ik weet niet hoe dat komt, maar ik zeg maar, laten we het nu dan eventjes omdraaien want ik ben een vrouw op deze club en dat is dan een hele masculiene omgeving, ik zeg 'realiseren jullie wel wat ik allemaal over mij heen krijg?', 'nee, nee'. Ik zeg 'nou dan ben ik niet heel kwetsbaar en kan ik een heleboel hebben', ik zeg 'maar ik ben echt wel aangelopen tegen grensoverschrijdend gedrag'. En dat ben ik dus nu bespreekbaar aan het maken waardoor ze denken van 'jeetje [naam], eigenlijk heb je wel gelijk, dat kan niet.’ (respondent 1).

3.5

Oordeel over de ondersteuning van de gemeente en WSDH Over de gehele linie zijn de respondenten die samenwerken met de gemeente en WSDH tevreden over de ondersteuning die zij krijgen. We kregen geen verhalen te horen over negatieve ervaringen. Een respondent wees enkel op de snelheid van de gemeente bij het regelen van een veilige plek om te sporten voor zijn leden tijdens corona: ‘dus heb ik contact opgenomen met de gemeente, ze zijn komen kijken, maar ja niks. Je weet hoe de gemeente werkt, de ene keer vertellen ze wat... Ze kunnen natuurlijk ook niet iets heel snel toveren zeg maar’ (respondent 7). Twee respondenten waren uitgesproken positief: ‘Als ik kijk als sportvereniging naar positieve sportcultuur dan kan ik beter terecht bij de gemeente en WSDH dan bij de [sportbond]. Waar ligt dat aan? [nadenken]. Omdat de gemeente en WSDH het wel praktischer en tastbaarder maakt. Dat heeft dus te maken, met die inzet wat ik net zei, dat er gewoon mensen op je vereniging komen om je ermee te helpen. Bij de [sportbond] kun je een webinar volgen of je kunt weet je eindeloze cursusje, Webinars, avondjes weet ik veel, dat diept in mijn beleving niet op. Wel als je aan de basis staat, dan ik weet nergens wat van en je denkt van 'god daar wil ik mij over laten informeren', dan kan een Webinar heel zinvol zijn, maar de begeleiding vanuit de

Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut

17

[sportbond] die traject daar, dat vind ik niet heel sterk.’ (respondent 1). ‘Hoe ik de ondersteuning ervaar? Heel erg positief, om eerlijk te zijn, op dit moment zou ik niet zonder kunnen. [Zij wijzen mij echt op het feit dat ik leden] altijd positief moet benaderen, wat er ook gebeurt toch positief blijven en dan heel voorzichtig dan, ga je dan even duidelijk maken hoe onze waarden en normen zijn, want het is toch een opvoedkundige sport zeg ik maar.’ (respondent 5).

3.6

Verdere behoeften van actieve sportverenigingen Uit de gesprekken met de sportverenigingen die al actief aan de slag zijn met het borgen van een positieve sportcultuur kwam verder een tiental onderwerpen naar voren waar zij graag meer aandacht voor zien vanuit de lokale overheid: 1. Gedragstraining scheidsrechters. ‘Scheidsrechters kunnen een wedstrijd breken of maken’, aldus respondent 1. Door het gedrag van scheidsrechters, zo geven sommige respondenten aan, kan een wedstrijd volledig ontvlammen. De scheidsrechters worden veelal opgeleid door de sportbonden. In de huidige opleidingen is weinig aandacht voor de ‘gedragscomponent’ (respondent 1). Het is goed als de lokale overheid een grotere rol speelt bij hoe een scheidsrechter in zijn of haar gedrag en handelen beter kan aansluiten bij verschillende persoonlijkheden op het veld, in de zaal of in het zwembad. 2. Aandacht politie en gemeente bij risicowedstrijden in de breedtesport. Een aandachtspunt zijn risicowedstrijden, zeker als het een derby tussen ‘Haagse teams’ betreft (respondent 1). ‘Ik heb als verenigingsbestuurder weleens te maken met teams die niet naar een vereniging willen omdat ze vooraf al weten dat het uit de hand zal lopen’. De sportbond zegt enkel dat de wedstrijd gespeeld moet worden. De gemeente wil daar geen wijkagent of politieagent neerzetten, omdat er urgentere vraagstukken spelen in de stad.

‘Ik vind dat door alle betrokken partijen te makkelijk wordt omgesprongen met risicowedstrijden, met name in het voetbal. Vanuit de bond en de gemeente krijgen we vaak de opmerking dat ze het allemaal erg lastig en vervelend vinden, maar een echte aanpak blijft uit’ (respondent 1). De verenigingsbestuurder geeft aan dat zij de veiligheid van haar leden wil garanderen, maar ze heeft geen pasklare oplossing voor wedstrijden die volledig kunnen ontsporen. Hier zal vanuit de gemeente, in afstemming met de politie, meer aandacht voor moeten komen. 3. Gemeentelijke vertrouwenscontactpersoon voor kleine verenigingen. Kleine sportverenigingen hebben vaak moeite met het aanstellen van een VCP. Dit komt niet alleen door een leden- of vrijwilligerstekort (dat nog meer is toegenomen door corona), maar ook door de eisen die worden gesteld aan het volgen van een VCP-cursus. ‘Voor zo’n cursus moet je een Hbo-opleiding hebben. Dan zit ik in mijn vereniging te kijken en dan ben ik [de voorzitter] de enige die een Hbo-opleiding heeft, de rest niet. Dus ik heb mij tijdelijk aangewezen als VCP nadat ik de cursus heb gevolgd’ (respondent 2). Een oplossing kan zijn dat de gemeente voor meerdere kleine verenigingen één professioneel opgeleide VCP regelt.

Een andere mogelijkheid is dat een grotere sportclub een kleinere vereniging ‘adopteert’ en de kleine vereniging gebruik laat maken van hun VCP (respondent 15). 4. Controle op ongeregistreerde sportverenigingen. ‘In onze buurt zijn er een aantal ongeregistreerde [sportverenigingen], ik noem het maar even respectloos Jan Doedel, die sportles geeft, met zijn vechtpak en zwarte band, en die gaat gewoon leuk twee uur in een zaaltje van de gemeente sportles geven, zonder enige controle hoe veilig het bij die club is’

18

Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut

(respondent 2). Deze verenigingsbestuurder geeft aan dat hij vanuit de sportbond en gemeente wordt aangemoedigd om allerlei protocollen, veiligheidsmaatregelen en waarborging te hanteren. Dat kost hem veel tijd, geld en moeite. Soms is het ook lastig om leden mee te nemen in het traject. Een eind verderop in de straat kan iedere zzp’er een eigen ‘ongeregistreerde vechtschool’ beginnen, zonder enige controle op ‘…hoe hij omgaat met kinderen of wat hij doet aan valpreventie.’ Naast dat het voor oneerlijke concurrentie zorgt, tast dit ook de naam van de sport aan. De respondent geeft aan dat dit in Den Haag niet alleen speelt binnen de judo, maar ook bij taekwondo en boksen. Respondent 6 onderschrijft deze uitspraken. 5. Aandacht voor voeding en middelengebruik. Veel aandacht in het Actieplan richt zich op discriminerend, fysiek en seksueel grensoverschrijdend gedrag. ‘Er zijn ook nog andere vormen van [grensoverschrijdende] misstanden waar wij wél aandacht aan besteden’, aldus respondent 3. ‘We hebben speciale aandacht voor misstanden, zoals het niet-verantwoorde manieren van presteren, of het nou gaat om voeding, middelengebruik of prestatiedruk.

We hebben daar expliciete aandacht voor bij onze sporters en trainers.’ De respondent geeft aan dat het goed zou zijn als de gemeente hier in bredere zin ook aandacht voor heeft en er werk van maakt om sportverenigingen te ondersteunen op thema’s van voeding en middelengebruik. 6. Organisatorische uitdagingen bij het inpassen van sporters met een beperking op een reguliere vereniging. ‘Onze vereniging heeft sinds kort sporters met een beperking geïntegreerd [running blinds en blade runners] bij onze reguliere sporters. Zij doen mee aan dezelfde trainingen als sporters zonder beperking. Dit zorgt wel voor organisatorische uitdagingen’ (respondent 2). De uitdagingen spitsen zich toe op twee niveaus. Allereerst stigmatisering: ‘er zijn best veel reguliere sporters die stellen dat deze nieuwe groepen veel ruimte in beslag nemen, het niet samen kan gaan, zeker niet op drukke tijden’ (idem). De vereniging adviseert de gemeente om handvatten te ontwikkelen voor hoe deze stigmatisering jegens sporters met een beperking bespreekbaar kan worden gemaakt. Een tweede aandachtspunt is de materiaalopslag die komt kijken bij het aanbieden van sportlessen voor sporters met een beperking, de logistieke organisatie, en de toegankelijkheid van gebouwen. ‘We hebben dus een beperkte accommodatie als het gaat om de opslag van materiaal.

Er komt best veel materiaal kijken bij het veilig beoefenen van de sport voor frame runners of running blinds. Op een gegeven moment kon het niet meer, en hebben we na lang vragen eindelijk toestemming gekregen voor een container op ons terrein. Het was ook een uitdaging om alle busjes te regelen voor running blinds op zaterdagochtend. We stoppen daar veel geld in en je probeert dit natuurlijk budgettair neutraal te doen. Voor dit soort initiatieven bestaan er genoeg fondsen en is er wel geld te krijgen, maar je moet hier als vereniging veel voor doen’, aldus respondent 2. De gemeente kan hier meer een ondersteunende rol bij spelen, zodat zaken sneller en makkelijker geregeld worden en er genoeg mogelijkheden bestaan voor deze unieke doelgroep. 7. Aandacht voor criminele inmenging. ‘We kunnen wel basiseisen stellen voor een veilige sportomgeving, maar er is hier nog te weinig aandacht voor criminele netwerken’, aldus respondent 3. ‘De vraag is of je met dit soort generieke maatregelen inmenging op sportverenigingen voorkomt, zoals witwassen op clubhuizen of motorbendes’ (idem). De respondent geeft aan dat er geen concrete signalen bij hem bekend zijn, maar dat het wel in andere grote steden speelt, zoals Amsterdam. Het zou daarom ook zeker kunnen spelen in de gemeente Den Haag.

Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut

19

8. Het opzetten van wijktafels. ‘Ik ben een voorstander dat de gemeente het gesprek tussen verenigingen per stadsdeel gaat organiseren’ (respondent 3). De respondent geeft in het gesprek aan dat hij vaak merkt dat verenigingen in de buurt worstelen met dezelfde bestuurstaken en dat sommige (sociale) vraagstukken worden veroorzaakt door dynamieken in de wijk. ‘Ik vind het belangrijk dat er één of twee keer per jaar met verenigingen uit de wijk wordt gesproken, en stel daarbij specifieke thematiek aan de orde, zoals positieve sportcultuur, dan kunnen we van elkaar leren’ (idem). 9. Meer aandacht voor nieuwe wetgeving op het gebied van integriteit. Respondent 6 geeft aan dat nieuwe wet- en regelgeving omtrent integriteit voor verenigingsbestuurders vaak lastig is te interpreteren. Hierbij verwijst hij naar de Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen (WBTR) en de nieuwe klokkenluidersregeling die in de zomer van 2022 in werking treedt. Voor sportverenigingen is onduidelijk wat de WBTR eist van hun club qua financiële integriteit en of vrijwilligers worden gezien als ‘medewerkerscategorie’ in de nieuwe klokkenluidersregeling. 10. Andere sportbehoefte migrantengroepen en het gemeentelijke accommodatiebeleid. ‘We hebben hier in de Schilderwijk twee sportzalen. In de avond worden deze verhuurd.

Als je ziet wie hierin sporten is het inderdaad voor turnen en korfbal voor mensen uit Wassenaar. Als ik daar iets wil regelen voor mensen uit de wijk in de avond krijg ik als reactie, de zaal is al geboekt voor het hele jaar. De mensen in deze wijk willen niet korfballen of badmintonnen. Als je echt wilt werken aan sportparticipatie, ook in wijken zoals de Schilderswijk, moet je je accommodatiebeleid ook richten op de doelgroep uit de wijk en hun sportbehoeften’, aldus respondent 7. Hiermee geeft de respondent aan dat integratie niet alleen gaat over het bevorderen van diversiteit op sportverenigingen, maar dat de gemeente zelf ook diversiteit kan bevorderen door haar accommodatiebeleid aan te passen aan de wensen uit de wijk waar de sporthallen staan. Migrantengroepen vinden het lastiger om eigen sportaanbod te organiseren of zijn niet bekend met de processen binnen de gemeente. Verenigingen (uit ‘veelal witte wijken’) zijn hier meer gedreven in, omdat zij hier al decennia mee bekend zijn. De gemeente moet gericht in wijken met grote migrantengroepen aan de slag met sportparticipatie en moet de beschikbare sporthallen primair beschikbaar stellen voor deze doelgroepen. Er zijn genoeg personen uit de Schilderwijk die daarbij willen helpen, aldus de respondent: ‘Er was een aardige mevrouw die als verenigingsondersteuner actief was in de Schilderswijk.

Dan blijkt dat zij niet uit de wijk komt maar uit de andere kant van het land. Met de beste ambities wil zij bijdragen aan een leefbare wijk, maar er zijn genoeg jongeren uit de wijk die ook graag voor de gemeente werken. Het zou goed zijn als de gemeente dit realiseert en actief de samenwerking met partijen uit de buurt aangaat.’

3.7

Tussenbeschouwing Het vergt een hele transitie binnen een vereniging om het beleid op papier te laten landen in de hoofden van alle betrokkenen op de club. Respondenten beschrijven het huidige Actieplan als ideaal voor verenigingen die willen starten met een positieve sportcultuur of die met een acute hulpvraag zitten. Het is minder behulpzaam voor verenigingen die al verder zijn in het veranderproces van het borgen van een sportcultuur, maar worstelen om de ideeën breder te communiceren in de club. De actieve verenigingsondersteuning die WSDH biedt beschouwen degenen die hier gebruik van maken als prettig en effectief. Maar hoe komt het dat sportverenigingen nog geen gebruik maken van het aanbod van de gemeente en WSDH, en hoe kunnen zij het best worden benaderd? Dat bespreken we in het volgende hoofdstuk. 20

Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut

4.

Lastig bereikbare verenigingen Tot nu toe hebben we stilgestaan bij Haagse sportverenigingen die aan de slag zijn met een onderwerp binnen het thema Positieve Sportcultuur en daarbij op een of andere manier worden geholpen door de gemeente of WSDH. Er is echter ook een hele groep sportverenigingen die niet aan de slag gaat met een positieve sportcultuur of dit niet doet in samenwerking de gemeente of WSDH. Hoe groot deze groep verenigingen is, is op basis van dit onderzoek niet te bepalen. Een inschatting vanuit de gemeente is dat zij momenteel met 200 tot 225 sportverenigingen niet samenwerken aan het organiseren en borgen van een positieve sportcultuur. Voor deze studie hebben we nader gesproken met een zevental verenigingen over hoe zij het best benaderd kunnen worden om een positieve sportcultuur te borgen. In dit hoofdstuk bespreken we allereerst hoe het komt dat verenigingen geen gebruik maken van de ondersteuning van de gemeente en WSDH (of niet aan de slag gaan met het thema positieve sportcultuur) en hoe de gemeente en WSDH deze groep verenigingen beter kunnen bereiken. Daarna staan we stil bij de vraag hoe de geïnterviewde verenigingen aankijken tegen het verplichten van basisvoorwaarden voor een positieve sportcultuur in de gemeente Den Haag.

4.1

Waarom bereiken de gemeente en WSDH sommige verenigingen niet? Uit de gesprekken volgt dat er verschillende redenen zijn waarom sommige verenigingen geen gebruik maken van de ondersteuning van de gemeente en WSDH of niet aan de slag gaan met het thema positieve sportcultuur. We bespreken zes specifieke redenen. Een belangrijke observatie vooraf is dat dat sportverenigingen, die momenteel nog geen actieve ondersteuning vanuit de gemeente of WSDH krijgen, hulp nodig hebben van andere organisaties om een positieve sportcultuur te borgen en organiseren, voor zowel preventieve als repressieve maatregelen. Anders komt een goede borging weinig van de grond. Reden 1: ‘ik werk al samen met mijn sportbond’ Ten eerste zijn er verenigingen die actief aan de slag zijn met onderwerpen binnen het thema ‘Positieve Sportcultuur’ vanwege de grote inzet en aanmoedigingen vanuit de sportbond. Een van de sportbonden die actief aan de slag is met een positieve sportcultuur is de Judobond Nederland (JBN). JBN werkt met een kwaliteits- en veiligheidskeurmerk. Op deze manier wil de sportbond garanderen dat alle leden sporten in een veilige omgeving en dat bedrijven en overheidsinstellingen vooral zaken doen met clubs die erkend en gecertificeerd zijn door de landelijke sportbond.

De judobond vraagt om in aanmerking te komen voor het keurmerk onder meer om een uitgewerkt pestprotocol, een protocol tegen seksuele intimidatie en een VOG van alle leraren. Deze vereisten hebben doorwerking op de aangesloten verenigingen. Zo geeft respondent aan: ‘In principe zijn wij, wij zijn een keurmerk van de JBN en dan worden natuurlijk ook altijd een aantal documenten gevraagd. Dus we hadden al wat eerder nagedacht eigenlijk over het beleid, we hadden een vertrouwenspersoon, we hadden reglementen opgesteld’ (respondent 6). De sportvereniging acht het daarom minder noodzakelijk om actief samen te werken met de gemeente of WSDH. Voorgestelde oplossing Het helpt als de gemeente en WSDH in kaart brengen welke sportbonden actief werk maken van het borgen van een positieve sportcultuur en hoe deze activiteiten hun doorwerking hebben op de Haagse sportverenigingen. Op deze manier krijgen de lokale partners meer zicht op of sportbonden (onderling) (andere) eisen stellen aan hun sportverenigingen en op welke manier de gemeente of

Positieve sportcultuur Den Haag | Mulier Instituut

21

WSDH van toegevoegde waarde kan zijn voor Haagse verenigingen die al aan de slag zijn met een positieve sportcultuur via de ‘bondslijn’. Nadere afstemming tussen sportbonden en de gemeente kan verder leiden tot nieuwe synergiën, zoals: door samenwerking een betere implementatie van gelijksoortige doelen, kennisuitwisseling, of een gerichter ondersteuningsaanbod voor verenigingen. Reden 2: ‘ik doe het zelf al goed’ De tweede reden die verenigingen aandragen om geen gebruik maken van het huidige ondersteuningsaanbod is dat ze zelf al aan de slag zijn gegaan met het realiseren van een positieve sportcultuur op bepaalde thema’s. Een Haagse sportvereniging heeft bijvoorbeeld op eigen kracht aanbod gerealiseerd voor mensen met een visuele beperking. Dit ontstond door een lid wiens partner weinig tot geen gebruik kon maken van het reguliere sportaanbod op de vereniging. Ze zijn toen running blinds begonnen. Dit is een vorm van hardlopen (met tweetallen) waarbij lopers visuele beperkte sporters begeleiden bij het rennen op de baan: ‘dat was een initiatief van een man die zelf aan [sport] deed en wiens vrouw visueel beperkt was. En die is daar gewoon mee aan de slag gegaan, heeft dus maatjes geworven voor mensen met een visuele handicap’ (respondent 2). Uit dit eigen initiatief is vervolgens ook een groep ‘blade-runners’ ontstaan. De vereniging heeft dit initiatief gefaciliteerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16568146/1