CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS324448 Bijlage 2 BOPA tijdelijke invulling HagaZiekenhuis

Commissie Samenleving 5 februari 2026, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken16.677 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Met de functie verandering van een ziekenhuis naar tijdelijke woningen zal geen sprake van een toename in afvalwater. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op de waterhuishoudkundige situatie. Conclusie Het project maakt geen verandering van de waterhuishoudkundige situatie mogelijk. Voor de beoogde

32/54

ontwikkeling is geen watervergunning noodzakelijk. Het project is niet in strijd met instructieregels en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.

5.4

Kwaliteit van de buitenlucht

Instructieregels Op grond van artikel 5.50 moet bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit de omgevingswaarden voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen als met de omgevingsvergunning de aanleg of wijziging van een autoweg, autosnelweg of wegtunnelbuis van meer dan 100 meter wordt toegestaan en deze invloed kan hebben op de luchtkwaliteit. Op grond van artikel 5.51 moet bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit de omgevingswaarden voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen als met de omgevingsvergunning de aanleg of wijziging van wegen, vaarwegen of spoorwegen mogelijk wordt gemaakt, activiteiten worden toegestaan die tot een verhoging van de intensiteit kunnen leiden of waarvoor in het Bal luchtregels zijn gesteld. Als deze activiteiten worden toegestaan in aangewezen aandachtsgebieden, dan moet bij het verlenen van de omgevingsvergunning de omgevingswaarden voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. Op grond van artikel 5.53 geldt de voorgaande verplichting niet als de toegelaten activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In de Provinciale Omgevingsverordening zijn geen instructieregels voor de luchtkwaliteit opgenomen. Toetsing De gemeente Den Haag is onderdeel van het aandachtsgebied Den Haag/Leiden.

Onderzoek zal moeten bepalen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden. De geplande ontwikkeling bestaat uit 691 woningen. De beoogde ontwikkeling valt daarmee onder de standaardactiviteit (NIBM): toelaten van gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1°. één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of 2°. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen. Naast de woningbouw kent het project een aantal ondergeschikte functies. Daarom is de NIBM-tool ingevuld, zie figuur hieronder. Uit de resultaten blijkt dat het project 'niet in betekenende mate' bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de omgevingswaarden is om die reden niet noodzakelijk.

33/54

Figuur 5.4.1. Uitsnede NIBM-tool project berekening Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In artikel 2.4 en 2.5 van het Bkl staan de ten hoogste toelaatbare omgevingswaarden benoemd. Gemeente Den Haag heeft geen afwijkende omgevingswaarden vastgesteld, waardoor aan de wettelijke normen moet worden getoetst. De wegen rond het projectgebied waarlangs wordt gemonitord zijn de Sportlaan en de Segbroeklaan. Uit de gegevens van het CIMLK blijkt dat in 2023 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze wegen ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Conclusie Het project levert niet in betekenende mate een bijdrage aan de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit in de omgeving is bovendien aanvaardbaar voor de nieuwe functies. Het project is niet in strijd met instructieregels voor luchtkwaliteit en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.

5.5

Geluid door activiteiten

Instructieregels In paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl zijn instructieregels opgenomen over het geluid door milieubelastende activiteiten ter hoogte van geluidgevoelige gebouwen. Onder een geluidgevoelig gebouw wordt onder meer verstaan een gebouw waarin een woonactiviteit is toegestaan, met uitzondering van gevallen waarin deze activiteit voor de duur van minder dan 10 jaar is toegestaan (artikel 5.55, lid 2 onder c). Daarnaast is de instructieregel op grond van artikel 5.55, lid 1 onder a van toepassing op het toestaan van milieubelastende activiteiten die geluid veroorzaken op geluidgevoelige gebouwen. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn reeds grenswaarden voor de geluidbelasting ter hoogte van geluidgevoelige gebouwen opgenomen. In de POV zijn geen instructieregels over geluid opgenomen. Toetsing De activiteiten die met de aangevraagde omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt zijn tijdelijke opvanglocatie van 5-7 jaar. De tijdelijke woonactiviteiten vallen onder de uitzondering van woonactiviteiten

34/54

voor de duur van minder dan 10 jaar (artikel 5.55, lid 2 onder c). Hiermee hoeft niet getoetst te worden aan de standaardwaarden voor geluid. Met de beoogde ontwikkeling worden een aantal milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt die een zekere geluidbelasting ter hoogte van in de omgeving aanwezige geluidgevoelige gebouwen mogelijk maken. Gelet op de aard en omvang van deze milieubelastende activiteiten en de afstand tot deze omliggende geluidgevoelige gebouwen is het aannemelijk dat de geluidgrenswaarden uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Den Haag niet zullen worden overschreden. Naast het projectgebied is het helikopterplatform van het ziekenhuis aanwezig. Het helikopterplatform heeft de bestemming luchtverkeer en is "luchtvaart" (lv) bestemd voor ‘het landen en opstijgen van helikopters ten behoeve van personen die in het ziekenhuis behandeld moeten worden of dat zijn en voor het vervoeren van medische teams’. Omdat het gebruik van het helikopterplatform onlosmakelijk verbonden is met de voormalige aanwezigheid van het ziekenhuis, dit ziekenhuis buiten gebruik is en in de omgeving geen ziekenhuis aanwezig is, is aannemelijk dat het helikopterplatform niet meer zal worden gebruikt. Niettemin staat het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Den Haag dit gebruik toe.

Hoewel het tijdelijk gebruik van het gebouw dat op grond van de omgevingsvergunning mogelijk wordt gemaakt niet geluidgevoelig is, zou de geluidbelasting door het gebruik van het helikopterplatform voor de tijdelijke bewoners als ontoelaatbaar kunnen worden aangemerkt. Het terrein van het helikopterplatform is daarom onderdeel van het projectgebied zodat in de omgevingsvergunning een voorschrift opgenomen kan worden dat het gebruik van dit helikopterplatform verbiedt. Middels het voorschrift kan ter plaatse van de tijdelijke opvanglocatie een aanvaardbaar akoestisch klimaat worden gegarandeerd. Conclusie Door de ligging van het helicopterplatform ten opzichte van de nieuwe tijdelijke opvanglocaties kan vanwege de aanvaardbaarheid van het geluid het helicopterplatform niet in gebruik genomen worden. Het project is niet in strijd met de instructieregels voor geluid door activiteiten. Wel is een voorschrift opgenomen dat het gebruik van het helicopterplatform verbiedt tijden het gebruik van de tijdelijke woonfuncties.

5.6

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Instructieregels In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en voorziet erin dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden volgens navolgende tabel. Een overschrijding is mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt en er wordt voldaan aan de grenswaarden volgens navolgende tabel. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Verder wordt rekening gehouden met het belang van een geluidluwe gevel.

35/54

In een aantal gevallen kan een waarde hoger dan de grenswaarde aanvaardbaar worden geacht: bij vervangende nieuwbouw maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde en het aantal geluidgevoelige gebouwen met meer geluid dan de grenswaarde mag niet wezenlijk toenemen; bij functiewijziging maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde (transformatie); bij zeehavengebonden activiteiten maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde; bij een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen; bij een niet-geluidgevoelige gevel. Bij het overschrijden van de standaard- of grenswaarden wordt het gecumuleerde geluid beoordeeld en het gezamenlijk geluid bepaald en vastgelegd in het omgevingsplan (bij een bopa mag dit in een later stadium). In de POV zijn geen instructieregels over geluid door wegen, spoorwegen of industrieterreinen opgenomen. Toetsing Volgens 'Geluidregister op de kaart' ligt het projectgebied niet binnen een aandachtsgebied of geluidproductieplafond van een spoorweg, rijksweg, provinciale weg of industrieterrein. Bovendien maakt de aangevraagde omgevingsvergunning geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen mogelijk. De tijdelijke woonactiviteiten vallen onder de uitzondering van woonactiviteiten voor de duur van minder dan 10 jaar (artikel 5.78 lid 2 Bkl ).

Bovendien blijkt uit het verkeersonderzoek dat de aangevraagde activiteiten tot een afname van de verkeersgeneratie leidt ten opzichte van de verkeersgeneratie die samenhangt met de activiteiten die het tijdelijke deel van het omgevingsplan mogelijk maakte. Er zal dus ook geen sprake zijn van ontoelaatbare indirecte effecten van veranderend verkeer zoals bedoeld in artikel 5.1.4.2a.5 van het Bkl. Conclusie Het project maakt geen nieuwe geluidsbron mogelijk. De akoestische situatie vanwege (gemeente)wegen in de omgeving is bovendien aanvaardbaar voor de nieuwe functies. Het project is niet in strijd met instructieregels voor geluid van (spoor)wegen en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.

36/54

5.7

Geur

Instructieregels Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen, industrie, horeca en (andere) milieubelastende activiteiten. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. In de POV zijn geen instructieregels over geur opgenomen. Toetsing In de omgeving van het projectgebied zijn geen geurbronnen aanwezig die tot geurhinder leiden. Met de beoogde ontwikkeling wordt een buurtrestaurant mogelijk gemaakt. Gezien de aard en omvang van de buurtrestaurant kan geurhinder in de omgeving uitgesloten worden. Ter plaatse van de tijdelijke woningen kan een aanvaardbaar geurklimaat worden gegarandeerd als wordt voldaan aan artikel 22.198 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Den Haag.

Het buurtrestaurant zal de bestaande keuken van het ziekenhuis. Deze beschikt over een luchtbehandelingsinstallatie. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een buurtrestaurant. Gezien de aard en omvang van het restaurant kan geurhinder uitgesloten worden. De geursituatie ter plaatse van het projectgebied is aanvaardbaar voor de nieuwe functies. Het project is niet in strijd met instructieregels voor geur en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.

5.8

Bodemkwaliteit

Instructieregels Op grond van paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl moet bij het wijzigen van het omgevingsplan grenswaarden worden vastgesteld voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem als voorwaarde voor het mogen bouwen van een bodemgevoelig gebouw. Op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Den Haag gelden hiervoor de interventiewaarden die zijn opgenomen in bijlage IIa bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Daarnaast moet op grond van de instructieregels de bodemfunctieklasse met het omgevingsplan worden vastgesteld. Op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Den Haag geldt op deze locatie de bodemfunctieklasse Wonen, dat aansluit bij het aangevraagde gebruik. In de Omgevingsverordening zijn instructieregels opgenomen op gebied van grondwaterkwaliteit. Zo moet onderzoek worden gedaan als bouwactiviteiten plaatsvinden op een grondwatergevoelige locatie (paragraaf 7.3.5.1) en moeten mitigerende maatregelen worden getroffen als activiteiten op locaties met historische

37/54

verontreinigingen worden toegelaten. Toetsing Het aangevraagde gebruik is niet aan te merken als het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie zoals bedoeld in paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl of een grondwatergevoelige locatie zoals bedoeld in paragraaf 7.3.5.1 van de omgevingsverordening Zuid-Holland. In de bestaande situatie was immers al sprake van een bodemgevoelig gebouw. Dit gebouw blijft in de aangevraagde situatie in stand en wordt met name inpandig verbouwd. Er geldt dan ook geen verplichting tot het toetsen van de kwaliteit van de grond aan de interventiewaarden. Daarnaast sluit de geldende bodemfunctieklasse Wonen aan bij het aangevraagde gebruik. Verkennend onderzoek bodem Vanwege de aanwezigheid van een bovengrondse brandstoftank behorende bij de voormalige noodstroomgenerator en een verdachte locatie ter plaatste van voormalige ondergrondse tank is bodemonderzoek uitgevoerd door Tauw (juli, 2023), zie Bijlage 3. Ook is onderzoek gedaan naar asbest en de bodemkwaliteit van het gehele projectgebied. Hieruit volgt dat ter plaatse van de voormalige ondergrondse tank een sterk verhoogde gehalte PCB is aangetoond, de omvang van de verontreiniging is niet bekend. Ook is een sterk verhoogd gehalte PAK aangetoond in het zuidwesten van de projectlocatie, de exacte omvang van de verontreinig is niet bekend.

Het onderzoek geeft de volgende aanbeveling: Het wordt aanbevolen om de verontreiniging met PCB ter plaatse van ondergrondse tank te bevestigen. Als dit het geval is dan kan de verontreiniging verder in kaar worden gebracht door middel van een nader onderzoek. Het wordt aanbevolen om de verontreiniging met PAK ten zuidwesten van de onderzoekslocatie te bevestigen. Als dit het geval is, dan de verontreiniging verder in beeld brengen door middel van een nader onderzoek. Aanbevolen wordt om in combinatie met de voornoemde onderzoeken, eveneens aanvullend onderzoek te doen naar de exacte ligging van de tankgracht. Dit aangezien huidig onderzoek hier geen definitief uitsluitsel over heeft gegeven. Indien de ligging bekend is, wordt aanbevolen het dempingsmateriaal nog aanvullend te onderzoeken Het wordt aanbevolen de onderhavige rapportage voor te leggen bij een eventuele transactie van de locatie. Oplegnotitie Bodem In de oplegnotitie Bodem heeft TAUW beschreven hoe in het kader van de beoogde ontwikkeling omgegaan kan worden met de verontreinigingen en de bodemkwaliteit binnen het project gebied. Uit de notitie blijkt: Het bodemonderzoek te gebruiken is voor de aanvraag van de omgevingsvergunning. Op basis van het bodemonderzoek is nader onderzoek naar verontreinig met PCB, PAK en de locatie van de tankgracht aanbevolen.

Voor de werkzaamheden bij gebouw B is nog een verkennend bodemonderzoek nodig. Dit zal worden aangeleverd bij de bouwvergunning. Bij het gebruik van de locatie door (spelende) kinderen in het bijzonder aandacht moet zijn voor: a. Het voorkomen van hand/mond contact met (verontreinigde) grond; b. de milieuhygiënische kwaliteit van het nabijgelegen open water; c. het nabijgelegen open water, dat een mogelijke risico op verdrinking vormt of op basis van de bodem onderzoeken saneringsmaatregelen noodzakelijk zijn.

38/54

Conclusie Het project maakt geen nieuwe functie of activiteiten mogelijk die schadelijk kunnen zijn voor de bodem- of grondwaterkwaliteit. De werkzaamheden bij gebouw B (entree) is een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Voor de bouwvergunning dient een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd te worden. Uit bodemonderzoek is gebleken dat plaatselijk sprake is van sterke verontreiniging. Voor kinderen dient bijzonder aandacht te zijn voor (hand/mond) contact met de verontreinigde grond en de waterkwaliteit.

5.9 Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed Instructieregels Cultureel erfgoed omvat archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap en dergelijke. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van een rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Ow opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart.

Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Toetsing Binnen het projectgebied zijn geen gemeentelijke of rijksmonumenten aanwezig en ook geen beschermd cultureel of werelderfgoed aangewezen in de Zuid-Hollandse omgevingsverordening. Het gebouw ligt binnen de begrenzing van het in het tijdelijke deel van het omgevingsplan aangewezen gemeentelijk beschermd stadsgezicht (Sportlaan en Vogelwijk). Eventuele bouwactiviteiten moeten plaatsvinden met inachtneming van de cultuurhistorische waarden. Op het gebied van archeologie kent het project gebied op basis van het bestemmingsplan Vogelwijk en de Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart Den Haag 2021 geen verwachte archeologische waarden. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Daarnaast voorziet de beoogde ontwikkeling niet in grondwerkzaamheden waarmee een effect op de archeologische waarden in de grond uitgesloten kunnen worden.

39/54

Conclusie Het project is niet in strijd met instructieregels voor cultureel erfgoed. Het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.

5.10 Ladder voor duurzame verstedelijking In Artikel 5.129g Bkl is voorgeschreven dat overheden die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk willen maken, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening moeten houden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Uit jurisprudentie blijkt dat een ontwikkeling groter dan 500 m² of het toevoegen van 12 woningen of meer in beginsel wordt gezien als een stedelijke ontwikkeling. De geldende planologische mogelijkheden zijn vertrekpunt bij de beoordeling of iets een nieuwe stedelijke ontwikkeling is. Als die ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, moet ook worden gemotiveerd waarom er niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Omgevingsverordening Zuid-Holland Artikel 7.44 (afgestemde regionale behoefte) Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor wonen, bedrijventerreinen of kantoren mogelijk maakt, houdt rekening met de op de behoefteramingen van gedeputeerde staten gebaseerde regionale afgestemde behoefte aan deze ontwikkeling.

De regionaal afgestemde behoefte kan blijken uit een geheel of gedeeltelijke instemming met regionale bestuurlijke afspraken door gedeputeerde staten of uit een door gedeputeerde staten openbaar gemaakt document. Artikel 7.45 (ladder voor duurzame verstedelijking) 1. Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt gaat in de motivering in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 2. Als over de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd of die door gedeputeerde staten zijn vastgesteld, dan kan de motivering van de behoefte, bedoeld in artikel 5.129g, tweede lid, onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken. Toetsing Er is gelet op de tijdelijkheid geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Toch is uit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties hierna de behoefte beschreven. Het voornemen is om het bestaande pand hoofdzakelijk te gaan gebruiken voor de huisvesting en opvang van diverse groepen (asielzoekers, jongeren en jonge statushouders, maatschappelijke opvang van gezinnen en studenten, zorguitstromers en daklozen).

De beoogde ontwikkeling voorziet in het mogelijk maken van maximaal 700 opvangplekken voor de duur van maximaal 7 jaar. De ladder is van toepassing als de ontwikkeling voldoende substantieel is. Tijdelijke functiewijzigingen werden onder de Wro niet gezien als nieuw stedelijke

40/54

ontwikkelingen. Tijdelijk is op basis van jurisprudentie onder de Wro maximaal 10 jaar. Nieuwe jurisprudentie op dit punt ontbreekt nog onder de Omgevingswet. In dit geval is de ontwikkeling van tijdelijke aard. Het gaat om een tijdelijke functieverbreding met wonen, en enkele ondersteunende functies binnen bestaande bebouwing. Naast de huisvestings- en opvangplekken komt er nog een algemeen deel in het gebouw met ondersteunende en ondergeschikte functies zoals een buurtrestaurant, een theater, een expositieruimte, een fietsenwerkplaats, een huisartsenpost, onderwijsruimten en een bibliotheek. De effecten op de leefomgeving worden opgeheven na beëindiging van het tijdelijke gebruik. Gelet op de tijdelijkheid en de huidige planologische mogelijkheden wordt er van uitgegaan dat dit geen nieuwe stedelijke ontwikkeling is. Gezien de omvang van de ontwikkeling is hierna volledigheidshalve toch de behoefte beschreven uit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Beschrijving behoefte Algemene woningbehoefte Uit de Woningbehoefteraming 2023 blijkt dat in de regio Haaglanden in de periode 2023 tot en met 2032 nog 82.600 woningen nodig zijn. De provincie heeft in haar omgevingsverordening verder aangegeven dat er bij nieuwe woningbouwprojecten sprake moet zijn van voldoende sociale huurwoningen. In regionaal verband zijn woningmarktafspraken gemaakt.

Hierin is betaalbaarheid een belangrijk onderwerp en er wordt ook gestreefd naar een betere balans in de sociale woningvoorraad. Behoefte flexwonen De provincie constateert in het Programma Flexwonen Zuid-Holland (2021) een tekort aan woningen in het algemeen, voor spoedzoekers in het bijzonder, en ziet in flexwonen een (deel)oplossing. Daarbij gaat het om zowel tijdelijke huurcontracten in bestaande woningen (of vastgoed) als tijdelijke (nieuwe) woningen en/of locaties. De doelgroep spoedzoekers wordt breed opgevat: inwoners die buiten de reguliere 'urgentie'-mogelijkheden van gemeenten vallen, met spoed een woning nodig hebben en niet kunnen wachten tot er voldoende inschrijftijd is opgebouwd: (door)starters en studenten; (dreigend) zwerfjongeren/daklozen; arbeidsmigranten (expats in mindere mate); statushouders (inclusief AZC); uitstroom maatschappelijke opvang/Beschermd Wonen/GGZ en/of andere zorginstellingen; echtscheidingen/gescheiden ouders (met kinderen) en andere gebroken relaties; huisuitzettingen/gedwongen verkoop; ex-gedetineerden; tijdelijke herhuisvesting (bijvoorbeeld bij renovatie); zorgbehoevende ouderen 'tussen thuis en verpleeghuis'. Flexwonen is specifiek benoemd in de Omgevingsvisie Zuid-Holland. In Zuid-Holland is een enorme druk op de woningmarkt.

Flexwonen kan als flexibele schil om de bestaande woningvoorraad deze druk verminderen en kan fungeren als 'ventiel' voor de druk op een gespannen woningmarkt. Flexwonen kan bijdragen aan een snelle verlichting voor de woonvraag. Dat is nodig omdat de provincie Zuid-Holland ziet dat de huidige woningmarkt te weinig woonruimte voor spoedzoekers biedt. Spoedzoekers zijn mensen die met spoed een woonruimte zoeken. Spoedzoekers betreft een brede groep mensen, zoals vergunninghouders, (buitenlandse) studenten,

41/54

starters op de woningmarkt, gescheiden mensen, mensen die uit hun woning zijn gezet, mensen afkomstig uit een (woonzorg)instelling, arbeidsmigranten en mantelzorgers. De provincie hoopt met Flexwonen ook een aantal minder gewenste huisvestingsoplossingen die spoedzoekers nu door gebrek aan alternatieven gebruiken, te verminderen. Het transformeren van leegstaand vastgoed naar tijdelijk verhuurde woonruimte is een vorm van flexwonen. Gebouwen voor Flexwonen moeten in beginsel in bestaand stads- en dorpsgebied worden gerealiseerd. Tijdelijk en permanent gebruik van ruimte bij leegstaand vastgoed wordt gestimuleerd, o.a. voor het huisvesten van aandachtgroepen en andere tijdelijke functies (stadmaken). In dit geval is sprake van binnenstedelijke bebouwing die tijdelijk anders kan worden benut. Behoefte ondersteunende functies In de ontwikkeling is plek voor een buurtrestaurant, een theater- en expositieruimte, een fietsenwerkplaats, een huisartsenpost, onderwijsruimten en bibliotheek. Dergelijke functies zijn belangrijk voor de levendigheid en leefbaarheid. Het bevordert ontmoeting. Flexwonen ten behoeve van aandachtsgroepen in combinatie met maatschappelijke en culturele voorzieningen is ook een speerpunt in het woonbeleid van de gemeente (zie paragraaf 4.3.2). Het moet voor iedereen in de stad makkelijker worden om een fijne, betaalbare woning te vinden.

Bijvoorbeeld voor studenten, starters, alleenstaanden, gezinnen en ouderen. Conclusie De ontwikkeling is in overeenstemming met instructieregels voor duurzame ontwikkeling, omdat er op een binnenstedelijke locatie invulling wordt gegeven aan de behoefte aan (tijdelijke) huisvesting, gericht op de brede doelgroep spoedzoekers. Er is een grote behoefte aan woningen voor mensen die in een dringende situatie zitten. Met oplossingen als flexwonen kan deze groep mensen sneller een dak boven hun hoofd aangeboden worden als opstap. In de tussentijd werkt de gemeente aan het mogelijk maken van permanente woningen. Omdat dit proces vaak langer duurt, wil de gemeente ook graag tijdelijke oplossingen bieden. Met het benutten van bestaand leegstaand vastgoed is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Gelet op het voorgaande is het project niet in strijd met de instructieregels inzake de ladder voor duurzame verstedelijking.

5.11 Mobiliteit en parkeren beoogde ontwikkeling De gemeente is voornemens het oude HagaZiekenhuis aan de Sportlaan in Den Haag te verbouwen om tijdelijke opvangplekken en woonruimte voor verschillende doelgroepen te realiseren. Het gebouw wordt 5 tot 7 jaar als tijdelijke opvang- en woonruimte gebruikt. Na uiterlijk 7 jaar moet de tijdelijke opvang permanent stoppen. Naast de opvangplekken en woonruimte wordt ook een gedeelte van het gebouw geschikt gemaakt voor ondergeschikte functies zoals een buurtrestaurant, een theater, een expositieruimte, een fietsenwerkplaats, een huisartsenpost, onderwijsruimten en een bibliotheek.

42/54

Afbeelding 1: Ligging projectlocatie (bron: Streetsmart Cyclomedia) Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt te worden onderbouwd dat voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit houdt onder meer in dat voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn voor het opvangen van de parkeerbehoefte en dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet. Ontsluiting Langzaam verkeer Aan de Sportlaan bevinden zich aan beide kant van de weg voetpaden. De Sportlaan kan veilig worden overgestoken door gebruik te maken van het aanwezige zebrapad. Rondom het hele terrein bevinden zich voetpaden. Hierdoor is de locatie vanuit alle richting veilig te bereiken voor voetgangers. Fietsverkeer De locatie is per fiets bereikbaar via de Sportlaan. Op de Sportlaan geldt een maximumsnelheid van 50 km/uur. Fietsers delen de rijbaan met gemotoriseerd verkeer; er zijn geen aparte fietsvoorzieningen aanwezig. Ten oosten van de locatie bevindt zich de Fahrenheitstraat, die de Sportlaan verbindt met de Segbroeklaan. Ook hier geldt een maximumsnelheid van 50 km/uur.

Aan beide zijden van de Fahrenheitstraat bevinden zich fietssuggestiestroken, welke in verbinding staan met het fietsverkeernetwerk aan de Segbroeklaan. Langs deze weg zijn de fietspaden aan weerszijden van de weg gescheiden van het gemotoriseerde verkeer. De locatie is zodoende met de fiets goed bereikbaar.

43/54

Openbaar vervoer Aan de Sportlaan bevindt zich weerzijden van de weg een bushalte (Eksterlaan) waar circa om de 15 minuten bus 24 halteert. Deze bus verbindt Station Den Haag Mariehoeve, via het Centrum en het Centraal Station, met Den Haag Kijkduin. De locatie is met de bus goed bereikbaar. Gemotoriseerd verkeer De locatie bevindt zich aan de Sportlaan. Ten zuiden van de locatie bevindt zich de Segbroeklaan. Op beide wegen geldt een maximumsnelheid van 50 km/uur. De Sportlaan en de Segbroeklaan worden in de Haagse Nota Mobiliteit aangeduid als Noordwestelijke Hoofdroute, hoewel het deel van de Sportlaan ter hoogte van de projectlocatie geen onderdeel uitmaakt van deze hoofdroute. De Noordwestelijke Hoofdroute wordt beschouwd als een stedelijke hoofdweg vanwege haar functie voor bundeling van stedelijk verkeer en regionaal bestemmingsverkeer. Deze weg is niet bedoeld voor doorgaand verkeer zonder bestemming in de stad. De locatie is een voormalig ziekenhuis gelegen aan de Noordwestelijke Hoofdroute en is goed bereikbaar voor gemotoriseerd verkeer vanuit zowel oostelijke als westelijke richting. Verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid In Bijlage 5 is de verkeersgeneratie berekend. In de bestaande/referentie situatie is sprake van een ziekenhuis van 41.990 m² bvo. Dit levert een verkeersgeneratie op van circa 2.900 mvt/etmaal.

In de beoogde situatie is sprake van een mix van woon en niet-woonfuncties met een totale verkeersgeneratie van circa 800 mvt/etmaal. Per saldo is dus sprake van een afname van verkeer. De verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid op de wegen in de omgeving zullen als gevolg van de afname van verkeer dan ook niet verslechteren. Parkeren De locatie is gelegen in het gebied 'vooroorlogse wijken' en kent een stedelijkheidsgraad 'zeer sterk stedelijk'. De parkeernorm voor een ziekenhuis uit de Nota Parkeernormen 2021 van de gemeente Den Haag bedraagt 3,45 parkeerplaatsen per 100 m² bvo. Uitgaande van een oppervlakte van 41.990 m² ziekenhuis komt de parkeerbehoefte in de bestaande/referentie situatie uit op 1.449 parkeerplaatsen. In de beoogde situatie is sprake van een mix van woon en niet-woonfuncties. Woonfuncties Er komen verschillende doelgroepen te wonen. Dat zijn asielzoekers, jonge statushouder, daklozen, personen uit daklozen gezinnen, zorguitstromers en jongeren/starters. Deze doelgroepen, uitgezonderd de jongeren/starters hebben met elkaar gemeen dat ze nog maar beperkt aan het maatschappelijke verkeer deelnemen. Hun mobiliteitsbehoefte is daarmee dan ook relatief laag. Ook is hun financiële positie van dien aard dat het eigen autobezit ook relatief laag zal zijn.

Om vast te stellen dat de doelgroepen, behalve de jongere/starters, inderdaad een laag autobezit hebben, is onderzoek gedaan naar de parkeerbehoefte van woningen voor mensen die voorheen geen dak boven hun hoofd hadden of andere kwetsbaren die weer zelfstandig willen gaan wonen, maar niet in aanmerking komen voor een normale woning. Daarvoor zijn parkeertellingen uitgevoerd op een aantal locaties waar deze doelgroep woont. Het betreft woningen van de stichting De Tussenvoorziening in Utrecht. Er is geteld op 3 locaties waarbij

44/54

de parkeerbehoefte van de woningen is geteld. Autobezit In het onderzoek in Utrecht ging het in totaal om 83 woningen met een totaal autobezit van 8 auto's. Het gemiddelde autobezit voor de onderzochte doelgroep is daarmee te berekenen en komt uit op afgerond 0,1 auto per woning (83/8). Bezoekers Het CROW (publicatie 744, tabel 11) heeft kencijfers voor het bepalen van de parkeerbehoefte voor bezoekers van woningen. Dit kencijfer varieert afhankelijk van de stedelijkheidsgraad en ligging van het plangebied. Het beoogde plan ligt in het gebied 'schil' en heeft een 'zeer sterke' stedelijkheidsgraad. Conform de CROW tabel 11 van publicatie 744 hoort daar een aandeel bezoekers bij van 0,1 per woning. Dit cijfer komt ook overeen met het aandeel bezoek uit de Nota Parkeernormen 2021 van de gemeente Den Haag. In totaal komt de parkeerbehoefte van de onderzochte doelgroep (bewoners + bezoekers) daarmee uit op 0,2 (0,1 + 0,1) per woning. Deze normen kunnen dan ook van toepassing worden verklaard op de toekomstige bewoners van de beoogde ontwikkeling. Alleen voor de jongeren/starters is deze afwijkende parkeernorm niet van toepassing. Jongeren/starters De jongeren/starters wijken in tegenstelling tot de andere doelgroepen qua inkomen en deelname aan het maatschappelijk verkeer niet af. De jongeren/starters beginnen op de woningmarkt en doen vol op mee aan het maatschappelijk verkeer.

Voor deze groep geldt dan ook dat wel aangesloten kan worden bij de normen uit de Nota Parkeernormen. Parkeerbehoefte woonprogramma In de beoogde situatie komen in totaal 751 bewoners te wonen. Om de parkeerbehoefte te bepalen van deze woonfuncties zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Per bewoner, uitgezonderd de jongeren/starters, is de berekende parkeernorm voor bewoners 0,1 parkeerplaats en voor bezoekers 0,1 parkeerplaats; Voor asielzoekers is het uitgangspunt dat zij er geen parkeerbehoefte is voor bezoek omdat uitgaan wordt dat het bezoek dat ze krijgen niet met de auto komt; Voor de jongeren/starters is aangesloten bij de norm voor appartementen huur tussen de 70 en 100m2 uit de Nota Parkeernormen 2021 van de gemeente Den Haag; Uitgangspunt is dat elke starterswoning bewoont wordt door twee jongeren/ starters. Tabel 1 De normatieve autoparkeerbehoefte van de woonfuncties aantal doelgroep p-norm/maatwerknorm functie bewoners bezoekers 440 asielzoekers maat0,1 0,0 werk 80 daklozen maat0,1 0,1 werk

45/54

p-behoefte bewoners 44,0

bezoekers 0

totaal 44,0

8,0

8

16,0

41 66 28 96

jonge statusmaathouders werk personen uit maatdakloze gezinnen werk zorguitmaatstromers werk jongeren/ huur starters appartement 70-100 m²

0,1

0,1

4,1

4,1

8,2

0,1

0,1

2,2

2,2

4,4

0,1

0,1

2,8

2,8

5,6

0,5

0,1

24,0

4,8

28,8

85,1

21,9

107,0

De totale normatieve parkeerbehoefte van de woonfuncties komt hiermee uit op 107 parkeerplaatsen. Niet-woonfuncties Om de parkeerbehoefte voor de niet-woonfuncties te bepalen zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Normen uit de Nota Parkeernormen 2021 van de gemeente Den Haag zijn leidend; Gebied 'vooroorlogse wijken' en stedelijkheidsgraad 'zeer sterk stedelijk'; Buurtrestaurant sluit aan bij de norm oor restaurant Voor de onderwijsfunctie is uitgegaan van avondonderwijs omdat dit een relatief hoge parkeerbehoefte geeft; Voor onderwijs geldt dat per 100 m² 16,5 leerlingen aanwezig zijn (CROW publicatie 317); Per 200 m² avondonderwijs gaat het dus om 33 (16,5 x 2) leerlingen; Tabel 2 De normatieve autoparkeerbehoefte van de niet-woonfuncties m² buurtrestaurant fietsenwerkplaats bibliotheek theater incl foyer onderwijsfunctie huisartsenpost expositieruimte

670 285 25 285 200 245 135

p-norm uit Nota Parkeernormen 2021 functie norm Restaurant 3,5 Bedrijf 0,7 bibliotheek 0,4 Bioscoop/theater/ schouwburg/congres 2,2 Avondonderwijs 0,5 Arts/maatschap 2,85 Bioscoop/theater/ schouwburg/congres 2,2

p-behoefte eenheid per 100 m² per 100 m² per 100 m²

23,5 2,0 0,1

per 100 m² per 10 studenten per 100 m²

6,3

per 100 m²

3,0 43,4

1,7 7,0

Totale parkeerbehoefte wonen en niet-wonen De totale normatieve parkeerbehoefte komt daarmee uit op 107 + 43,4 = 150,4 parkeerplaatsen Hierbij is nog geen rekening gehouden met dubbelgebruik van parkeerplaatsen. Als dit wel gebeurd zal de parkeerbehoefte

46/54

nog lager zijn. Ook is voor de berekening van de parkeerbehoefte uitgegaan van een aantal worst-case aannames. Zo wordt er vanuit gegaan dat de asielzoekers en statushouders een parkeerbehoefte hebben. De vraag is of ze dat in die mate hebben zoals nu berekend. Kortom de berekende parkeerbehoefte van de beoogde situatie moet gezien worden als worst case. Conclusie parkeren In de bestaande/referentie situatie ligt de normatieve parkeerbehoefte op 1.449 parkeerplaatsen. In de beooegde situatie komt deze uit op circa 150. Dat is vele malen lager dan in de bestaande situatie. De parkeersituatie als gevolg van het plan zal dus niet leiden tot knelpunten. Er lijkt eerder sprake van een verlichting Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft een beduidend lagere impact op de aspecten verkeer en parkeren ten opzichte van de bestaande / referentiesituatie. Gesteld kan worden dat verkeer en parkeren de ontwikkeling verder niet in de weg staan.

5.12 Ecologie: soortenbescherming en gebiedsbescherming 5.12.1 Soortenbescherming Voor de ontwikkeling geldt dat sprake zal zijn van een aantal bouwactiviteiten. Dit kan effect hebben op beschermde soorten zoals vleermuizen in het gebied. Daarom is een quickscan ecologie uitgevoerd door Van der Goes en Groot (november, 2024), zie Bijlage 6. Ecoresult (januari, 2025) heeft daarop een oplegnotitie geschreven waarin gespecificeerde effectenbeoordeling op basis van de beoogde werkzaamheden is uitgevoerd, zie Bijlage 7. Uit de quickscan (Van der Goes en Groot, november, 2024) blijkt dat negatieve effecten op beschermde soorten als gevolg van de beoogde ontwikkeling mogelijk zijn. resultaten van de onderzoeken blijkt dat in en rond het plangebied de volgende beschermde soorten aanwezig kunnen zijn. Het gaat om Boomvalk, Sperwer, Ransuil, Slechtvalk, Boommarter, Steenmarter, Eekhoorn en Vleermuizen (met name de gebouwbewonende soorten Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger en Meervleermuis). Uit de oplegnotitie blijkt dat met het nemen van mitigerende maatregelen negatieve effecten uitgesloten kunnen worden behalve voor effecten op Wilde ridderspoor en Glad biggenkruid. Deze soorten komen mogelijk voor in de tuin tussen de gebouwen en de Segbroeklaan. Wanneer hier werkzaamheden of bodemverstorende werkzaamheden plaatsvinden zal nader onderzoek uitgevoerd worden.

Wanneer er een groeiplaats van deze soorten aanwezig is en deze door de werkzaamheden niet kunnen worden ontzien, zal een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd worden. De mitigerende en compenserende maatregelen die volgen uit de eventuele vergunningaanvraag zullen worden genomen. Hiermee is het project niet evident onuitvoerbaar. Voor andere beschermde soorten geldt dat met mitigerende maatregelen negatieve effecten uitgesloten kunnen worden. Wel dienen deze mitigerende maatregelen geborgd te worden in een ecologisch werkprotocol. Op basis van de mitigerende maatregelen is voor deze soorten een omgevingsvergunning flora en fauna niet

47/54

noodzakelijk. De mitigerende maatregelen bestaan uit het volgende: De sloopwerkzaamheden voor het verwijderen van de prefab unit zal uitgevoerd worden tussen 15 augustus en 15 februari hiermee kan een verstoring van de Ransuil en Sperwer uitgesloten worden. Mitigerende maatregelen uit te voeren om schadelijke effecten op gebouwbewonende vleermuizen te voorkomen. Voor de werkzaamheden een ecologisch werkprotocol op te stellen waarin deze maatregelen worden benoemd en geborgd. In dit ecologisch werkprotocol moeten ook geveltekeningen worden opgenomen waar dilatatievoegen en open stootvoegen aanwezig zijn, zodat de maatregelen gespecificeerd kunnen worden per geveldeel. Vos is in het projectgebied aanwezig. Het wordt aanbevolen om de toegangen voor vos tot de kruipruimtes dusdanig af te sluiten dat dieren niet in de kruipruimte kunnen komen. Aanbevolen wordt om de gehele kruipruimte te inspecteren en alle openingen naar buiten te markeren en af te sluiten zodat de kruipruimte niet meer toegankelijk is voor vos en eventuele andere zoogdieren.

Deze werkzaamheden moeten worden uitgevoerd op basis van een voor dit projectgebied opgesteld ecologisch werkprotocol waarin deze maatregelen worden benoemd en geborgd Met het opstellen en uitvoeren van het ecologisch werkprotocol is het project niet evident onuitvoerbaar waarmee het onderdeel soortenbescherming het vaststellen van de BOPA niet in de weg staat.

5.12.2 Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op ongeveer 350 meter afstand. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Westduinpark & Wapendal, op een afstand van 350 meter. Het projectgebied bevindt zich niet in beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen daarom worden uitgesloten. Tussen het projectgebied en het natuurgebied ligt een woonwijk. Gezien de ligging in stedelijk gebied, de aard van de ontwikkeling en de afstand tot het natuurgebied, kunnen verstoringseffecten en effecten op de waterhuishouding worden uitgesloten. Eventuele effecten op Natura 2000 op het gebied van stikstof moeten echter wel worden getoetst. In Bijlage 8 is het onderzoek stikstofdepositie opgenomen, de berekeningen staan in Bijlage 9 (gebruiksfase) en Bijlage 10 (realisatiefase). Uit de berekening blijkt dat met intern salderen geen sprake is van een toename aan stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Een belangrijk negatief effect op Natura 2000-gebieden kan daarmee uitgesloten worden. Het project is daarmee niet evident onuitvoerbaar in het kader van de omgevingswet. Doordat gebruik gemaakt wordt van intern salderen zal voor de beoogde ontwikkeling een omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit aangevraagd worden en een passende beoordeling worden opgesteld.

De gemeente Den Haag heeft enkele ecologische verbindingszones aangewezen, zie onderstaande figuur. Ten zuiden van het projectgebied ligt de ecologische verbindingszone “Haagse Beekzone”. De beoogde ontwikkeling brengt geen wijzigingen aan in de verbindingszone. Er zullen geen veranderingen plaatsvinden aan de kant van de ecologische verbindingszone. De verbindingszone zal de uitvoering niet hinderen.

48/54

Figuur 5.11.1 natuurgebieden rond het projectgebied (bron: Quickscan ecologie, Van der Goes en Groot, 2024) Conclusie Om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen zal een ecologisch werkprotocol opgesteld worden waarin de mitigerende maatregelen (en eventuele compenserende maatregelen voor Wilde ridderspoor en Glad biggenkruid) beschreven en geborgd worden.

5.13 Gezondheid Toetsingskader Een doel van de Omgevingswet is het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 van dit artikel wordt benadrukt dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Daarbij gaat het volgens paragraaf 5.1.4 van het Bkl in ieder geval om Kwaliteit buitenlucht Geluid door activiteiten Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Trillingen Slagschaduw van windturbines Bodem Geur In dit hoofdstuk zijn de relevante thema's voor dit project behandeld. De thema's trillingen en slagschaduw van winturbines zijn gezien de locatie van het project niet relevant. In de omgeving zijn geen winturbines of relevante trilling veroorzakende activiteiten aanwezig. Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen.

49/54

zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid /toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. Hiervoor zijn in het Bkl geen instructieregels opgenomen. Wel kan het zijn dat de provincie, regio en/of gemeente hiervoor beleid heeft. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt in de belangenafweging betrokken. Toetsing Gezondheidsbescherming Een aantal van de omgevingsaspecten in dit hoofdstuk hebben een gezondheidscomponent, daarbij gaat het om de aspecten geluid, luchtkwaliteit, geur, omgevingsveiligheid en bodem. Hieruit blijkt dat met het project geen sprake is van significante (negatieve) milieueffecten voor de gezondheid richting de omgeving. Uit de verschillende aspecten blijkt ook dat ter plaatse van het projectgebied sprake is van een gezonde fysieke leefomgeving. Wel blijkt uit het bodemonderzoek dat plaatselijk sprake is van sterke verontreiniging. Voor kinderen dient bijzonder aandacht te zijn voor (hand/mond) contact met de verontreinigde grond en de waterkwaliteit zodat een negatief effect op de gezondheid voorkomen kan worden. Gezondheidsbevordering Met het oog op dit doel heeft gemeente Den Haag in haar omgevingsvisie ten aanzien van gezondheid een aantal ambities vastgesteld gericht op gezondheid (Gezond en veilig Den Haag).

Naast minder geluidhinder en schonere lucht in de stad op het gebied van gezondheidsbescherming worden ook een aantal gezondheidsbevordering ambities benoemd. Minder auto's in de woonwijken, brede stoepen meer groen en water in de stad en faciliteiten in de buurt zoals winkels, scholen en de sportschool. Met het project wordt naast tijdelijke opvangplaatsen ook faciliteiten gerealiseerd zoals een buurtrestaurant, een fietsenwerkplaats en een bibliotheek. Deze functies nodigen uit tot ontmoeting en bevorderen daarmee de sociale cohesie. Daarnaast is het projectgebied gelegen in de buurt van de Haagse Beekzone. Het groen en water in de omgeving draagt bij aan stressvermindering en nodigt uit tot bewegen. Conclusie Met dit project wordt rekening gehouden met het aspect gezondheid, zowel voor wat betreft bescherming als bevordering.

5.14 Ruimtelijke kwaliteit Omgevingsverordening Zuid-Holland Artikel 7.43a (borgen ruimtelijke kwaliteit) 1. Een omgevingsplan laat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toe als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2. In een omgevingsplan wordt voor het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit rekening gehouden met: a. de beschermingscategorie en het gebiedstype; b. het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren; c. de relevante richtpunten genoemd in bijlage IX, onder A. 3. Voor de gebiedstypen, bedoeld in artikel 7.42, vierde, vijfde en zesde lid zijn de artikelen 7.43h, 7.43i, 7.43j,

50/54

7.43k, 7.43l, 7.43m en 7.43n van toepassing tenzij een zwaarwegend algemeen belang aan de toepassing van die artikelen, uitgezonderd artikel 7.43l, in de weg staat. Toetsing artikel 7.43a De projectlocatie valt niet in een gebied dat in de provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland is aangemerkt als een bijzondere beschermingscategorie. De locatie valt binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Gezien het beoogde tijdelijke gebruik en de huidige planologische mogelijkheden, wordt de ontwikkeling beschouwd als 'inpassen'.

5.15 Toekomstbestendig bouwen Omgevingsverordening Zuid-Holland Het toetsingskader voor toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen volgt uit de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. Hieronder worden de artikelen waaraan voor dit onderwerp getoetst dient te worden opgesomd: Artikel 7.41a (risico's van klimaatverandering) 1. In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de risico's van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte; alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling. 2. Voor zover risico's aan de orde zijn wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico's. Toetsing artikel 7.41a In dit geval gaat het om een tijdelijke functieverbreding met wonen, een fietsenmaker, een bibliotheek en een restaurant binnen bestaande bebouwing. De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op het aspect klimaatverandering.

51/54

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch niet evident onuitvoerbaar is. Dit houdt in dat: 3. de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar mag zijn; en 4. als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, het kostenverhaal verzekerd moet zijn. Financiële uitvoerbaarheid De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op het (tijdelijk) mogelijk van opvangplekken en woonruimten voor verschillende doelgroepen. De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door de gemeente Den Haag. De gemeente is de initiatiefnemer en realiseert deze tijdelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De gemeente heeft middelen beschikbaar vanuit de begroting om de ontwikkeling te realiseren. Daarmee is aan de eerste vereiste voldaan. Kostenverhaal De gemeente is zelf volledig eigenaar van de gronden waarop de beoogde ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, daarom is kostenverhaal niet aan de orde. De kosten worden met de opbrengsten uit de grondexploitatie verevend en daarmee is ook aan de tweede vereiste voldaan.

52/54

Hoofdstuk 7

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Het bevoegd gezag mag alleen een omgevingsvergunning voor een BOPA verlenen als aan de beoordelingsregels uit afdeling 8.1 van het Bkl wordt voldaan. Zo wordt de vergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Afweging Het voormalige Haga-ziekenhuis aan de Sportlaan 600 is strategisch aangekocht door de gemeente Den Haag. De locatie wordt herontwikkeld met onder andere woningbouw in combinatie met voorzieningen om zodoende een bijdrage te leveren aan een goed woon- en vestigingsklimaat in onze stad. Participatie met de buurt maakt belangrijk onderdeel van uit van deze herontwikkeling. Vooruitlopend op een definitieve invulling heeft de gemeente het voornemen om het voormalige HagaZiekenhuis tijdelijk en voor een periode van maximaal 7 jaar in te zetten. De tijdelijkheid is afgestemd op de daadwerkelijke uitgifte van de grond aan een ontwikkelaar en de realisatie van nieuwe woningen. Door het Haga tijdelijk in te zetten als opvang- en huisvestingslocatie wordt aan een aantal grote en zeer urgente opgaven in Den Haag voldaan. Naast het inzetten voor de opvang van diverse doelgroepen zal het complex ruimte bieden aan voorzieningen en initiatieven voor de buurt. De locatie is zeer passend voor de inzet van deze tijdelijke functie gezien de goede bereikbaarheid en de nabijheid van diverse voorzieningen.

De tijdelijkheid schept geen precedent voor een permanente opvang- en huisvesting van diverse groepen in het bestaande pand want er wordt expliciet voorgesorteerd op een andere toekomst van de locatie. Om ervoor te zorgen dat de opvang goed verloopt (schoon, heel en veilig), en om overlast te voorkomen voor omwonenden en ondernemers en om de tijdelijke voorzieningen voor de buurt goed samen te laten gaan met de tijdelijke bewoning zetten we fors in op (sociaal) beheer en omgevingsmanagement op en rond de locatie. In deze motivering is getoetst aan het relevant Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Hieruit volgt dat het project past binnen de relevante beleidskaders en dat wordt voldaan aan instructieregels. In hoofdstuk 5 is er per milieuthema gemotiveerd of het project voldoet aan de geldende instructieregels en indien van toepassing vigerend beleid en/of verordeningen. Vanuit deze analyses komen geen knelpunten naar voren die het project onuitvoerbaar maken. Het belangrijkste aandachtspunt uit de sectorale analyse is stikstofdepositie. Uit de analyses blijkt dat de beoogde tijdelijke functie vergelijkbare of minderbelastende gevolgen heeft voor de omgeving. Conclusie De onderbouwing toont aan dat er een zeer zorgvuldige afweging is gemaakt voor de tijdelijke invulling van het voormalige HagaZiekenhuis.

De tijdelijke invulling draagt bij aan een urgent maatschappelijke opgave van Den Haag en voorkomt leegstand van een groot gebouw. Er is intensief contact en afstemming geweest met diverse belanghebbenden. De tijdelijke invulling draagt bij aan en staat zeker niet in de weg bij het zorgvuldig ontwikkelen van een duurzame en definitieve invulling van de locatie.

53/54

54/54

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16538620/1