RIS324448 Bijlage 2 BOPA tijdelijke invulling HagaZiekenhuis
Tekst van het document
omgevingsvergunning
BOPA tijdelijke invulling HagaZiekenhuis 'S-Gravenhage
DATUM IMRO IDN
21-3-2025 NL.IMRO.0518.dafa-0001
PROJECT PROJECTLEIDER
Den Haag, Sportlaan 600 - HagaZiekenhuis BOPA ir. R. Sips
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
Gemeente Den Haag 20241464
AUTEUR STATUS
vastgesteld
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1
Inleiding
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Ligging projectlocatie
6
1.3
Te doorlopen vergunningprocedure
7
1.4
Leeswijzer
8
Beschrijving van het project en zijn omgeving
9
2.1
Huidige situatie
9
2.2
Toekomstige (tijdelijke) situatie
11
2.3
Relevante regels omgevingsplan
14
2.4
Juridische activiteiten
15
2.5
Milieueffectrapportage
16
Hoofdstuk 3
Participatie
17
Hoofdstuk 4
Beleidskader
20
4.1
Rijk
20
4.2
Provincie
21
4.3
Gemeente
23
Beoordelingsregels
26
5.1
Inleiding
26
5.2
Waarborgen van de omgevingsveiligheid
26
5.3
Beschermen van de waterbelangen
30
5.4
Kwaliteit van de buitenlucht
33
5.5
Geluid door activiteiten
34
5.6
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
35
5.7
Geur
37
5.8
Bodemkwaliteit
37
5.9 erfgoed
Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel
5.10
Ladder voor duurzame verstedelijking
40
5.11
Mobiliteit en parkeren
42
5.12
Ecologie: soortenbescherming en gebiedsbescherming
47
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 5
3/54
39
5.13
Gezondheid
49
5.14
Ruimtelijke kwaliteit
50
5.15
Toekomstbestendig bouwen
51
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
52
Hoofdstuk 7
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
53
4/54
Toelichting
5/54
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Onlangs is alle bebouwing aan de Sportlaan 600 in Den Haag aangekocht door de gemeente. Slechts een deel van het gebouw is momenteel in gebruik als winteropvang voor daklozen, de overige bebouwing staat momenteel leeg. Voorheen was de bebouwing in gebruik door het HagaZiekenhuis. Het voornemen is om het pand tijdelijk (5 tot 7 jaar) te gaan gebruiken voor de huisvesting en opvang van diverse doelgroepen (asielzoekers, jongeren en jonge statushouders, maatschappelijke opvang van gezinnen en studenten, zorguitstromers en daklozen). Er is een grote maatschappelijke urgentie om dergelijke functies op korte termijn mogelijk te maken. Naast de huisvestings- en opvangplekken komen er nog ondergeschikte functies in het gebouw als een fietsenmaker, een bibliotheek en een restaurant. Er wordt dus een tijdelijke invulling van het voormalige ziekenhuiscomplex voorgestaan. In deze periode wordt bekeken welke functie/invulling het terrein en/of de gebouwen daarna krijgen. De tijdelijke invulling zal maximaal 7 jaar bedragen. De ontwikkeling is niet toegestaan op basis van het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Den Haag en daarom dient een vergunning aangevraagd te worden voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: BOPA).
Ten behoeve van deze aanvraag dient een onderbouwing opgesteld te worden waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de wettelijke vereisten, waaronder een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
1.2
Ligging projectlocatie
De projectlocatie is gelegen in het stadsdeel Segbroek aan de Sportlaan 600 in de gemeente Den Haag. Het betreft de volledige bebouwing van het voormalige HagaZiekenhuis. Aan de zuidzijde grenst de projectlocatie aan een ecologische verbindingszone die van noordoost naar zuidwest door de gemeente loopt. Rondom de locatie zijn de wijken Bomenbuurt, Bloemenbuurt en de Vogelwijk gelegen waarin de hoofdfunctie wonen betreft. Daarnaast is de locatie op circa 375 meter van Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal gelegen.
6/54
Figuur 1.1 - Ligging projectlocatie (bron: Streetsmart Cyclomedia)
1.3
Te doorlopen vergunningprocedure
Om de beoogde activiteiten mogelijk te maken is een omgevingsvergunning voor een BOPA benodigd. Een BOPA is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan en niet vergunningsvrij is. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning voor een BOPA verlenen als de activiteit voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) en de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met de instructieregels van het Rijk en de provincie. Reguliere of uitgebreide procedure Voor dit initiatief treden geen omstandigheden op waardoor de uitgebreide procedure automatisch van toepassing is. Initiatiefnemer en bevoegd gezag hebben vooraf verkend waarom al dan niet toch voor een uitgebreide procedure moet worden gekozen. Dit is in de regel het geval als het volgende aan de orde is: 1. het gaat om een activiteit die aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving, of 2. waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben. In deze onderbouwing wordt beschreven dat de beoogde activiteiten van tijdelijke duur zijn en dat de activiteiten tot evenveel en/of minder gevolgen leidt dan dat het ziekenhuis dat in het verleden deed. Zie hiervoor hoofdstuk 5 waarin wordt gegaan op de effecten van de nieuwe tijdelijke functie.
Daarnaast valt op voorhand te vermoeden dat er bedenkingen zullen zijn naar de tijdelijke invulling. In het afgelopen jaar is er echter veelvuldig met buurtbewoners, betrokken partijen en andere belanghebbende gesproken om bedenkingen te adresseren en zorgen over de beoogde tijdelijk invulling weg te nemen (zie hoofdstuk 3 en paragraaf 2.2). Er worden geen nieuwe inzichten en/of bezwaren verwacht. Hierom maar ook om de maatschappelijke urgentie is niet gekozen voor een uitgebreide procedure.
7/54
Reguliere procedure Voor de activiteiten die mogelijk gemaakt worden met voorliggende onderbouwing is de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. Het volgen van de reguliere procedure betekent dat op een ontvankelijke aanvraag omgevingsvergunning binnen 8 weken moet worden beslist door het college van burgemeester en wethouders. In het geval van advies met instemming van een ander bestuursorgaan wordt deze termijn met 4 weken verlengd (artikel 16.16 Omgevingswet). Een eenmalige verlenging van de termijn met 6 weken is mogelijk. Evenredige toedeling van functies aan locaties De beoordelingsregel van artikel 8.0a, lid 2, Bkl bepaalt dat de omgevingsvergunning alleen kan worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Verder verwijzen ook de beoordelingsregels in paragraaf 8.1.1.2, Bkl naar de instructieregels over het omgevingsplan die zijn gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. ETFAL draait om het zorgvuldig afstemmen van verschillende functies, zoals wonen, werken, recreëren, natuur en infrastructuur, binnen een specifiek gebied. Het houdt rekening met de onderlinge relaties tussen deze functies en hun impact op de omgeving. Het uiteindelijke doel van ETFAL is om een omgeving te creëren die niet alleen functioneel is, maar ook aantrekkelijk en duurzaam op termijn.
Een goede belangenafweging speelt daarbij een belangrijke rol.
1.4
Leeswijzer
Nadat het project in hoofdstuk 1 is ingeleid, wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 beschrijft hoe vooroverleg en participatie hebben plaatsgevonden en hoe dit heeft bijgedragen aan het ontwerp van het project op de locatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 het project getoetst aan relevant beleidskader. In hoofdstuk 5 wordt het project getoetst aan de relevante beoordelingsregels. Hoofdstuk 6 bevat de financiële aspecten van het project. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
8/54
Hoofdstuk 2 2.1
Beschrijving van het project en zijn omgeving
Huidige situatie
De projectlocatie bevindt zich in een stedelijke omgeving van de gemeente Den Haag. Binnen de projectlocatie is het voormalige HagaZiekenhuis aanwezig en bebouwing in de vorm van containers. Rondom de bebouwing zijn er parkeer- en groenvoorzieningen aanwezig en is er een platform voor helikopters om te landen. Dit platform is sinds het vertrek van het ziekenhuis uit de bebouwing niet meer als zodanig in gebruik. De hoofdingang van het gebouw bevindt zich aan de parkeerplaats in de noordzijde van de projectlocatie. Leegstand en tijdelijke invulling De gemeente Den Haag heeft eind 2023 deze locatie aangekocht met als doel op termijn nieuwe appartementen te bouwen. In de tussengelegen tijd wordt het gebouw in gebruik gemaakt voor tijdelijke huisvesting. Voorheen was het HagaZiekenhuis op deze locatie gevestigd. In de afgelopen jaren is het HagaZiekenhuis gefaseerd vertrokken uit het gebouw. Sindsdien hebben enkele tijdelijke functies in het gebouw gezeten, waaronder de GGD. Het grootste gedeelte van de bebouwing staat momenteel leeg. Langdurige leegstand kan leiden tot verloedering en verval, onveiligheid en vandalisme, of aantasting van de leefbaarheid. Een tijdelijke invulling kan de periode overbruggen totdat de definitieve gebiedsontwikkeling in gang gezet gaat worden.
In een gedeelte van de bebouwing is momenteel een permanente winteropvang voor daklozen aanwezig, waar in de periode van 1 november tot (uiterlijk) 1 mei 2025 80 daklozen kunnen verblijven. Omgeving projectlocatie Rondom de projectlocatie zijn voornamelijk woonwijken aanwezig. Binnen deze woonwijken zijn enkele andere functies aanwezig, maar hoofdzakelijk de functie wonen. Aan de zuidzijde grenst de projectlocatie aan de ecologische zone die door Den Haag loopt. Bereikbaarheid Gelet op de voormalige functie van de projectlocatie als ziekenhuis is de bereikbaarheid van de locatie goed. Aan de Sportlaan bevindt zich de bushalte Eksterlaan, Den Haag waar circa om de 10 minuten bus 24 halteert in de richting van Station DH Mariahoeve of in de richting van Den Haag Kijkduin.
9/54
Figuur 2.1 - Bovenaanzicht projectlocatie (bron: Streetsmart Cyclomedia)
Figuur 2.2 - Aanzicht ingang (bron: Streetsmart Cyclomedia)
10/54
Figuur 2.3 - Aanzicht containerbouw (bron: Streetsmart Cyclomedia)
2.2
Toekomstige (tijdelijke) situatie
De gemeente is voornemens het oude HagaZiekenhuis aan de Sportlaan te verbouwen om tijdelijke opvangplekken en woonruimte voor verschillende doelgroepen te realiseren. Naast de opvangplekken en woonruimte wordt ook een gedeelte van het gebouw geschikt gemaakt voor ondergeschikte functies zoals een buurtrestaurant, een theater, een expositieruimte, een fietsenwerkplaats, een huisartsenpost, onderwijsruimten en een bibliotheek. Een belangrijk deel van deze functies zijn tijdens het participatietraject door de buurt voorgesteld. Tijdelijk Het gebouw wordt 5 tot 7 jaar als tijdelijke opvang- en woonruimte gebruikt. Deze periode start op de dag dat de eerste asielzoekers in het gebouw hun intrek nemen. Na 5 jaar is de bedoeling om te beginnen met de bouw van de permanente woningen. Als dat dan nog niet kan, dan kunnen de tijdelijke gebruikers van de locatie langer blijven. Na uiterlijk 7 jaar moet de tijdelijke opvang permanent stoppen, ook als de bouw van de permanente woningen nog niet kan beginnen. Programma In totaal komen er 751 opvangplekken op deze locatie, verdeeld over verschillende groepen. De verdeling is als volgt: 440 asielzoekers: mensen die een asielaanvraag hebben gedaan in Nederland. Ze wachten op het besluit of ze langer in Nederland mogen blijven. Dit betreft een groep met verschillende achtergronden.
80 daklozen: de blijvende winteropvang zit al aan de Sportlaan en blijft daar. Er kunnen maximaal 80 dak- en thuisloze mensen terecht. 41 'jonge' statushouders: mensen die asiel hebben gekregen en een woning nodig hebben. Er is plek voor 30 tot 45 jonge statushouders van 18 tot ongeveer 30 jaar.
11/54
66 personen uit dakloze gezinnen: gezinnen die dakloos zijn geworden. Locatie Sportlaan biedt die gezinnen een veilige en tijdelijke plek om een nieuwe woning te vinden. 28 zorguitstromers: Haagse jongeren tussen de 18 en 27 jaar uit een maatschappelijke opvang of een beschermd-wonen-situatie. 96 jongeren/starters (bijvoorbeeld studenten): jonge mensen die op zoek zijn naar een eerste eigen woning. Bijvoorbeeld studenten. Verbouwing Om de locatie geschikt te maken voor de tijdelijke invulling worden beperkte bouwwerkzaamheden uitgevoerd. De werkzaamheden betreffen voornamelijk interne verbouwingswerkzaamheden om het gebouw geschikt te maken voor de woonruimte en opvangplekken. Aan de buitenzijde van het gebouw wordt enkel de ingang verplaatst. De nieuwe plek van de ingang is weergegeven in figuur 2.4. Om de entree bereikbaar te maken worden de aanwezige containers op de locatie verwijderd (zie figuur 2.5). Met de verplaatsing van de entree van de Sportlaan naar de Fahrenheitstraat wordt de confrontatie van Sportlaangebruikers met de PWO verplaatst. Het terrein aan de Sportlaan dat vrijkomt door deze verplaatsing wordt in de toekomst ingezet voor vergroening van de Sportlaan.
Figuur 2.4 - Gevel nieuwe ingang (bron: Streetsmart Cyclomedia)
12/54
Figuur 2.5 - Te verwijderen containerbouw (bron: Streetsmart Cyclomedia) Veiligheid Een belangrijk thema is veiligheid. Het hele complex zal in gebruik worden genomen als opvang- en woonvoorziening voor dak- en thuisloze mensen en gezinnen, een opvanglocatie voor asielzoekers, statushouders, studenten en jonge (18+) uitstromers uit Maatschappelijke Opvang- en Beschermd Wonen-voorzieningen. In totaal zal het gaan om 750 mensen met een zeer diverse achtergrond. Goed samenleven en de wijze waarop de veiligheid van respectievelijk bewoners(groepen), bezoekers, medewerkers, ondernemers en omwonenden wordt gewaarborgd draagt bij aan het succes van deze tijdelijke voorziening. Hiertoe is een veiligheidsplan opgesteld (zie Bijlage 1). De veiligheid wordt gewaarborgd door een specifiek veiligheidsprotocol, dat voldoet aan landelijke richtlijnen, afgestemd met de omwonenden en specifiek kenmerken van deze locatie benoemt en oppakt. Onderdeel hiervan is dat het gebouw 24/7 beveiliging en toezicht aanwezig is. De belangrijkste subdoelstelling van het veiligheidsplan zijn: Inzicht bieden aan alle belanghebbenden in de inrichting van de veiligheidsorganisatie in het complex en de omgeving van de locatie, gericht op het borgen van de veiligheid van bewoners, ondernemers, bezoekers, medewerkers, vrijwilligers en omwonenden.
13/54
Het geven van inzicht in de (mogelijke) risico’s en (op hoofdlijnen) te nemen maatregelen. Het benoemen van de betrokken organisaties en rollen. Het bevorderen van goede samenwerking tussen alle betrokken partijen: de gemeente, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), beheerders, hulpverleners, beveiligingsdiensten en andere externe partners, waaronder de Handhavingsorganisatie en Politie, bewonersorganisaties en de BIZ Fahrenheitstraat. Daarnaast zitten alle betrokken partijen maandelijks om tafel in het Operationeel Omgevingsoverleg om signalen en knelpunten die vanuit de omgeving zijn gemeld te bespreken en met elkaar te bezien of dit plan op onderdelen moet worden aangescherpt.
2.3
Relevante regels omgevingsplan
Het omgevingsplan gemeente Den Haag bevat regels in het tijdelijk deel. De regels voor de onderhavige locatie zijn opgenomen in de volgende onderdelen (artikel 22.1 Omgevingswet): a. De besluiten genoemd in artikel 4.6, eerste lid van de Invoeringswet Omgevingswet, waaronder een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening en tevens de volgende verordeningen: een regel als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet; een verordening als bedoeld in artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij; een verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeer en een besluit op grond van die verordening; b. De kaarten, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, en de besluiten, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, van die wet; c. De Bruidsschat. Hierna wordt kort ingegaan op deze onderdelen uit het omgevingsplan die van belang zijn voor het voorliggende initiatief. Bestemmingsplan Vogelwijk Op basis van de geldende planologische regeling, het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Den Haag waarvan het bestemmingsplan 'Vogelwijk' onderdeel uitmaakt, geldt ter plaatse van het projectgebied de bestemming Maatschappelijk - Gezondheidszorg. Binnen deze bestemming is uitsluitend een ziekenhuis toegestaan.
De bebouwing is in het bestemmingsplan bestemd waarbij de hoogte van de bestaande bebouwing als zodanig op de verbeelding is vastgelegd. Verder bevinden zich binnen de projectlocatie de gebiedsaanduiding 'overige zone - gemeentelijk beschermd stadsgezicht' (geldend voor het gehele plangebied van het bestemmingsplan Vogelwijk) en 'overige zone - ecologische verbindingszone'.
14/54
Figuur 2.6 - Projectlocatie aangeduid met onderlegger bestemmingsplan 'Vogelwijk' Verordening Er zijn geen specifieke regels uit verordeningen die deel uitmaken van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan van de gemeente Den Haag die relevant zijn voor de beoogde ontwikkeling. Bruidsschat Op grond van artikel 22.1 sub c van de Omgevingswet maken de regels als bedoeld in artikel 22.2 Omgevingswet ook onderdeel uit van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan. Het gaat hier om de zogenoemde Bruidsschat. Daarbij gaat het om een set regels die voorheen op rijksniveau werden gesteld. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet en gedurende de overgangsfase hebben gemeenten de tijd om deze regels op te nemen in het Omgevingsplan. In de Bruidsschat zijn verschillende regels opgenomen die relevant kunnen zijn voor een nieuwe ontwikkeling. De Bruidsschat bevat voorrangsbepalingen en overgangsrecht, regels over bouwwerken, open erven en terreinen, regels over milieubelastende activiteiten, regels over aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafond en regels over gemeentelijke omgevingsvergunningen.
2.4
Juridische activiteiten
Het project bestaat uit juridische activiteiten. De juridische activiteiten zijn onder te verdelen in drie categorieën: I. activiteiten die niet in strijd zijn met het omgevingsplan; II. activiteiten die in strijd zijn met het omgevingsplan, omgevingsplanactiviteiten waarvoor de aanvraag voor de bopa wordt ingediend; III. activiteiten die niet in het omgevingsplan worden geregeld en geen omgevingsplanactiviteit zijn.
15/54
Met de voorgenomen ontwikkeling is sprake van juridische activiteiten in de categorie II en III. Categorie II De omgevingsvergunning voor de BOPA wordt ingediend ten behoeve van het (tijdelijk) huisvesten van groepen mensen in een gebouw of op een terrein. Deze activiteit is niet toegestaan op basis van het omgevingsplan. Categorie III Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken zijn nog een aantal technische bouwactiviteiten nodig om de gebouwen gereed te maken voor de huisvesting van de verschillende doelgroepen. Dit betreft zowel interne als enkele externe bouwwerkzaamheden. Deze activiteiten worden niet gezien als omgevingsplanactiviteit, maar worden wel mede aangevraagd in dezelfde vergunningsaanvraag als de omgevingsplanactiviteit in categorie II.
2.5
Milieueffectrapportage
Algemeen In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een omgevingsvergunning voor een bopa project-merplichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt. Als hier het omgevingsplan wordt genoemd, wordt hieronder ook de omgevingsvergunning voor een BOPA verstaan (art. 11.8, lid 3 Omgevingsbesluit). Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning.
Toetsing en conclusie De herontwikkeling van het ziekenhuis naar tijdelijke woningbouw kan gezien worden als een project onder categorie J11 ‘Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen’ uit het omgevingsbesluit. Voor de beoogde ontwikkeling is een mer-beoordeling opgesteld, zie Bijlage 2. Op basis van de mer-beoordeling kan een mer-beoordelingsbesluit genomen worden. Conclusie Voor het project wordt een mer-beoordelingsbesluit genomen.
16/54
Hoofdstuk 3
Participatie
Algemeen Voor het project Tijdelijke Invulling Locatie Sportlaan is betrokkenheid van omwonenden en ondernemers cruciaal. Dit sluit aan bij de visie van de gemeente Den Haag op huisvestings- en opvangvraagstukken. Hoewel de voorgeschiedenis uitdagingen bracht, is dankzij een verbeterde participatiestrategie, werkgroepen en gesprekken met belanghebbenden veel vooruitgang geboekt. Dit plan biedt een duidelijke basis voor verdere participatie tot de ingebruikname in 2025. Uitgangspunten van de communicatie- en participatiestrategie zijn: Het geamendeerde collegevoorstel (RIS318976) vormt de basis voor de participatie-inspanningen. Het traject dient ook te voldoen aan de participatie-eisen die zijn verbonden aan de aanvraag voor de Omgevingsvergunning. Voor elk reces wordt een voortgangsrapportage (Stand van Zaken Sportlaan) naar de raad gezonden. Deze rapportages bepalen de frequentie van de nieuwsbrief die naar de omwonenden wordt verstuurd. De gemeente onderhoudt regelmatig contact met omwonenden en belanghebbenden via verschillende werkgroepen en periodieke overleggen Om aan deze uitgangspunten te voldoen zijn diverse participatiestrategieën ingezet de twee verschillende werkgroepen, het Operationeel omgevingsoverleg en de Open dagen.
Ook worden belanghebbenden regelmatig geïnformeerd middels een openbare raadsmededeling die voor elk reces wordt verstuurd en een nieuwsbrief die in de omliggende wijken wordt verspreid, Hiervoor zijn de volgende stakeholders aangeschreven: Omwonenden uit de Vogelwijk, Bomen- en Bloemenbuurt Bewonersorganisaties: Ondernemers: BIZ Fahrenheit Andere belanghebbenden zoals: raadsleden, etc. Werkgroepen Het doel van de werkgroepen is het ophalen van kennis en ideeën van omwonenden en andere belanghebbenden op de thema's Leefbaarheid en Veiligheid en voor het invullen van de vrije ruimte en de Gezamenlijke activiteiten. Deelnemers van de werkgroepen zijn op de hoogte dat de input uit deze werkgroepen wordt meegenomen met de vergunningsaanvraag. De gemeente organiseert en begeleidt de bijeenkomsten, die plaatsvinden op de locatie Sportlaan 600. Van elke bijeenkomst wordt een verslag gemaakt (zie bijlagen x). Verslagen worden per mail toegestuurd aan iedereen die zich heeft ingeschreven voor de werkgroep. Verslagen worden tevens gedeeld met de raad conform eerdere toezegging. De mailinglijsten tellen beiden ongeveer 100 mensen, waarvan 30-40 regelmatig deelnemen aan de bijeenkomsten.
Werkgroep Invulling Vrije Ruimte en gezamenlijke Activiteiten In maandelijkse bijeenkomsten wordt van een brede selectie ideeën toegewerkt naar een kleine selectie kansrijke plannen, gekoppeld aan beschikbare ruimtes in het gebouw. Het doel is om functies te ontwikkelen die bijdragen aan verbinding tussen omwonenden en de toekomstige bewoners. Na het vaststellen van de kaders
17/54
voor de vrije ruimtes richt de werkgroep zich op gezamenlijke activiteiten. Tijdens deze bijeenkomsten zijn de volgende materialen gedeeld: Schetsen van de buitenruimte Schetsen van de algemene voorzieningen in het gebouw Werkgroep Leefbaarheid en Veiligheid In deze werkgroepen wordt gewerkt aan een goed en passend veiligheidsplan, inclusief omgevingsmanagement en een goed passend overkoepelend sociaal beheer. Tijdens deze bijeenkomsten wordt relevante kennis en informatie door de projectorganisatie en diverse experts gedeeld, volgt er een terugkoppeling van de vorige werkgroepen en worden ervaringen, perspectieven en concrete uitvoerings-ideeën van omwonenden en stakeholders gedeeld. Tijdens deze bijeenkomsten zijn de volgende materialen gedeeld: Veiligheidsplan Operationeel Omgevingsoverleg (OOO) Het OO bestaat tijdens de “looptijd” van het project. Terwijl de werkgroepen gericht zijn op het ophalen en delen van kennis, zal het gesprek in het OOO meer focussen op het behartigen van de belangen van de wijkbewoners en ondernemers, het delen van signalen en het eventueel bijsturen op te nemen maatregelen. Het OOO bestaat uit de volgende deelnemers: vertegenwoordigers van bewoners en ondernemers, de BIZ Fahrenheitstraat, Projectleider Sportlaan, de politie, de handhavingsorganisatie, Leger des Heils, Kwartiermaker/sociaal beheerder en de stadsdeeldirecteur.
Het OOO vindt maandelijks plaats en de verslagen zijn terug te vinden in bijlage xx. Deze verslagen worden gedeeld met de deelnemers van dit overleg. De Open Dagen Het doel van de open dagen is om een brede groep belangstellenden te informeren over het project, aanvullende zienswijzen op te halen en nieuwe deelnemers te werven voor de werkgroepen. Voor de Open Dag worden omwonenden uit de Vogelwijk en de Bomen- en Bloemenbuurt uitgenodigd via een huis-aan-huis verspreide ansichtkaart. Indien mogelijk wordt de Open Dag ook aangekondigd in de nieuwsbrief Sportlaan. Inschrijven verloopt via de We-Invite website. Samenvatting participatietools Participatiemiddel Frequentie Werkgroep Leefbaarheid en maandelijks Veiligheid Werkgroep invulling Vrije maandelijks ruimtes Operationeel maandelijks Omgevingsoverleg
18/54
Doelgroep Verslagen Omwonenden en Bijlagen toevoegen belanghebbenden Omwonenden en belanghebbenden bewonersorganisaties Vogelwijk, Bomen- en Bloemenbuurt, BIZ Fahrenheit ondernemers (mede namens de BIZ Fahrenheit vastgoedeigenaren) en de politie plaats, stadsdeeldirecteur, politie, handhaving, projectmanager Sportlaan, Leger des Heils
Open dagen Raadsmedeling/Nieuwbrief
Belanghebbenden Voor elk reces – Belanghebbenden en raadsleden 5 jaarlijks
Resultaten In 2024 en 2025 vonden minimaal 2 bijeenkomsten van de werkgroep Leefbaarheid & Veiligheid plaats. De vierde bijeenkomst, verplaatst naar januari 2025, stond in het teken van het concept veiligheidsplan. In de bijeenkomsten werden ideeën uitgewisseld die hun weerslag vonden in het veiligheidsplan voor de PWO en het veiligheidsplan voor de gehele tijdelijke invulling van de Sportlaan. Tijdens de laatste bijeenkomst op 14 januari werd het conceptveiligheidsplan besproken na een presentatie door de projectmanager. Het gesprek was positief en kritisch, met ideeën en kanttekeningen die worden verwerkt in een nieuwe versie van het plan. In 2024 en 2025 vonden meerdere bijeenkomsten van de werkgroep Invulling Vrije Ruimte plaats. De werkgroep leverde input voor de vrije ruimten en buitenruimte, en de conceptinvulling werd goedgekeurd voor de omgevingsvergunning. Op 4 december 2024 presenteerde een landschapsarchitect een schetsontwerp gebaseerd op eerdere wensen. Dit ontwerp wordt verder uitgewerkt in overleg met de stadsecoloog, buurtbewoners, ondernemers en vrijwilligers. Ideeën omvatten een buurtrestaurant en een ruimte voor culturele activiteiten en ontmoeting. Tijdens de bijeenkomst op 11 december is het veiligheidsplan voor de PWO besproken. In de bijeenkomst van 8 januari is het veiligheidsplan voor het gehele complex besproken, evenals de voortgang van het project.
Het veiligheidsplan is positief ontvangen door de aanwezigen en de suggesties zullen, na bespreking in de werkgroep Leefbaarheid en veiligheid, worden verwerkt in een nieuwe versie. Tijdens de Open Dag kregen deelnemers een rondleiding door toegankelijke delen van het complex of bouwterrein en ontvangen zij informatie over het project en mogelijkheden om deel te nemen aan werkgroepen of initiatieven. Per Open Dag is er plaats voor 180 buurtbewoners, verdeeld in groepen die worden begeleid door een deskundige en een ondersteuner. Raadsleden en andere belangstellenden kunnen deelnemen als toehoorders, mits er voldoende plek is.
19/54
Hoofdstuk 4 4.1
Beleidskader
Rijk
4.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI) Met de NOVI wordt richting gegeven aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende 30 jaar ingrijpend zullen veranderen. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio's; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2.
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Toetsing De NOVI is van een dusdanig schaal- en abstractieniveau, dat er geen specifieke uitspraken uit volgen die voor deze aanvraag relevant zijn. Gelet op de strekking, de omvang en de tijdelijke aard van de beoogde activiteit, staat deze de ambities uit de NOVI niet in de weg.
20/54
4.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is één van de vier AMvB’s die invulling geven aan de Omgevingswet. Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat instructieregels en is één van de beoordelingskaders waaraan de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de BOPA wordt getoetst. Met behulp van de digitale voorziening 'Regels op de kaart' (Omgevingsloket) is voor het projectgebied bepaald of er gebiedsgerichte instructieregels uit het Bkl voor dit project relevant zijn. Voor dit project zijn er geen relevante gebiedsgerichte instructieregels. Voor zover thematische instructieregels uit het Bkl van belang zijn voor dit project, vindt een afweging van deze instructieregels plaats in hoofdstuk 4 van deze motivering. De overige instructieregels uit het Bkl zijn niet relevant voor dit project, omdat deze ofwel het schaalniveau overstijgen ofwel op een voor dit project onbelangrijk thema betrekking hebben. 4.1.3 Spreidingswet Op 1 februari 2024 is de Spreidingswet ingegaan. Deze wet moet op termijn zorgen voor meer structurele opvangplekken en een betere verdeling van asielzoekers over Nederland. De grootste verandering met de Spreidingswet is dat gemeenten een wettelijke taak hebben in het opvangen van asielzoekers. Voorheen hing het realiseren van opvanglocaties af van de bereidwilligheid van gemeenten.
Voorlopig is noodopvang nog nodig, maar we willen toe naar locaties die voor een langere periode in een gemeente blijven. Toetsing Deze locatie voor opvang van asielzoekers zorgt voor een tijdelijke voorziening en draagt bij aan de wettelijke taak voor het opvangen van asielzoekers.
4.2
Provincie
Omgevingsvisie Zuid-Holland Het provinciale omgevingsbeleid voor de fysieke leefomgeving bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De Omgevingsvisie is beleid waarvan de juridische vertaling plaatsvindt in de Omgevingsverordening. Het laatstgenoemde document is bindend voor gemeenten. De provincie zet in haar Omgevingsvisie in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in nationale wet- en regelgeving. Toepassing is van provinciaal belang, daarom is in de verordening een verwijzing opgenomen naar de Rijksladder. Uitgangspunt van de Ladder is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Het doel is een zorgvuldig gebruik van de ruimte. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Toekomstige beleidsvernieuwing biedt kansen voor verbeteringen in Zuid-Holland.
De volgende beleidskeuzes zijn voor de ontwikkeling relevant:
21/54
Ruimtelijke kwaliteit De provincie stuurt op behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, als onderdeel van de kwaliteit van de leefomgeving. Ruimtelijke kwaliteit is het evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning op een positieve manier bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. Ruimtelijke kwaliteit begint met het kiezen van de juiste plek voor nieuwe ontwikkelingen. Wonen De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningcorporaties, in voldoende en passende woningen op de juiste plekken voor de verschillende doelgroepen, waaronder bijzondere doelgroepen en de doelgroepen van woningcorporaties. De opvang/wooneenheden voor verschillende doelgroepen worden in het kader van het provinciale beleid gezien als flexwoningen. Flexwonen is specifiek benoemd in de Omgevingsvisie Zuid-Holland. In Zuid-Holland is een enorme druk op de woningmarkt. Flexwonen kan als flexibele schil om de bestaande woningvoorraad deze druk verminderen en kan fungeren als 'ventiel' voor de druk op een gespannen woningmarkt. Flexwonen kan bijdragen aan een snelle verlichting voor de woonvraag.
Dat is nodig omdat de provincie Zuid-Holland ziet dat de huidige woningmarkt te weinig woonruimte voor spoedzoekers biedt. Spoedzoekers zijn mensen die met spoed een woonruimte zoeken. Spoedzoekers betreft een brede groep mensen, zoals vergunninghouders, (buitenlandse) studenten, starters op de woningmarkt, gescheiden mensen, mensen die uit hun woning zijn gezet, mensen afkomstig uit een (woonzorg)instelling, arbeidsmigranten en mantelzorgers. De provincie hoopt met Flexwonen ook een aantal minder gewenste huisvestingsoplossingen die spoedzoekers nu door gebrek aan alternatieven gebruiken, te verminderen. Voorraadontwikkeling en voorraadbeheer naar behoefte De provincie hecht waarde aan de vestigingswens van haar (toekomstige) inwoners en hanteert het uitgangspunt dat woningen daar worden gerealiseerd waar de behoefte zich manifesteert: de juiste woning op de juiste plek (en op het juiste moment). Dat gaat allereerst over voorraadontwikkeling en voorraadbeheer naar behoefte. De toevoeging en onttrekking van woningen moet bijdragen aan een adequate en gedifferentieerde woningvoorraad, de (sub)regionale schaal van de woningmarkt en de lange termijn in ogenschouw nemend.
Daarnaast gaat het over de ruimtelijke ordeningskant van het wonen: het wonen zo situeren dat het - in samenhang met (investeringen in) infrastructuur, werklocaties en een aantrekkelijke groenblauwe leefomgeving - bijdraagt aan de maatschappelijke opgaven en transities waar de provincie voor staat. Het toevoegen van woningen als de enige of primaire oplossing voor behoud van de sociaaleconomische vitaliteit in steden en dorpen is in de ogen van de provincie geen duurzame langetermijnstrategie. Groenblauwe stedelijke structuur De groenblauwe stedelijke structuur is een samenhangend stelsel van verschillende groenblauwe ruimtes en routes in en rondom het stedelijk gebied. Van een fijnmazig netwerk van groenblauwe plekken binnen het bebouwd gebied, via meer grofmazige robuuste groenblauwe routes die steden en stad en land met elkaar verbinden, tot aan de grote groenblauwe gebieden buiten het bebouwd gebied. De provincie zet in op een groenblauwe stedelijke structuur waarin voldoende groen en water aanwezig zijn om de leefbaarheid,
22/54
gezondheid en natuurwaarden te behouden en versterken, ook in tijden van extreme wateroverlast en extreme droogte en hitte. Er ligt een opgave om deze integrale structuur te behouden en waar nodig te versterken. In het verlengde hiervan wil de provincie de biodiversiteit in het stedelijk gebied duurzaam te behouden en te versterken. Toetsing De ontwikkeling voorziet in tijdelijke huisvesting voor diverse doelgroepen. Deze ontwikkeling sluit aan bij de ambitie van de provincie in het voorzien van voorraadontwikkeling en voorraadbeheer naar behoefte. Het projectgebied is in de omgevingsvisie aangewezen als groenblauwe stedelijke structuur. Voor de gebieden die als zodanig zijn aangewezen geldt dat de daar aanwezige groenblauwe structuur behouden dient te blijven. Omdat de beoogde gebruiksactiviteit voorzien is in de bestaande bebouwing van het voormalig HagaZiekenhuis, blijft de bestaande groenblauwe stedelijke structuur behouden.
4.3
Gemeente
4.3.1 Omgevingsvisie Den Haag 2050 De omgevingsvisie is een langetermijnvisie waarin de gemeente aangeeft wat de kwaliteiten zijn van de fysieke leefomgeving en op welke wijze deze kwaliteiten ontwikkeld of beschermd moeten worden in het licht van trends en ontwikkelingen die op de stad afkomen. De omgevingsvisie van de gemeente Den Haag is nog in ontwikkeling. Als eerste stap is een ambitiedocument opgesteld dat in oktober 2021 door het college vastgesteld is waarmee de basis gelegd is voor de inhoud. In het ambitiedocument zijn zes integrale ambities voor de toekomst benoemd. Deze ambities geven richting aan de verdere inhoudelijke uitwerking van de omgevingsvisie: Sociaal Den Haag Iedereen kan wonen in Den Haag Klimaatbestendig Den haag Bruisend Den Haag Gezond en Veilig Den Haag Duurzaam bereikbaar Den Haag Toetsing De omgevingsvisie vormt nog geen formeel toetsingskader voor ontwikkelingen in Den Haag. Echter kan wel beschreven worden hoe de voorgenomen ontwikkeling bijdraagt aan de ambities die voor de omgevingsvisie gesteld zijn. De voorgenomen ontwikkeling draagt het meest bij aan de gestelde ambitie op het gebied van een betaalbare, toegankelijke woningvoorraad. Dit initiatief draagt bij aan de ambitie om voldoende toegankelijke huisvesting voor verschillende doelgroepen te realiseren.
23/54
4.3.2 Woonvisie 2040 De gemeenteraad heeft in december 2024 de Woonvisie 2040 vastgesteld. Den Haag groeit. Steeds meer mensen wonen én werken in de stad. Maar voor veel inwoners is een huur- of koopwoning te duur. Denk hierbij aan mensen met een gemiddeld of laag inkomen, studenten, starters, gezinnen en senioren. Er is een groot tekort aan woningen. In de Woonvisie 2040 staan de 7 uitdagingen op de woningmarkt: Den Haag groeit met zo’n 5.000 inwoners per jaar. Er is bijna geen ruimte om woningen bij te bouwen. Kan het wel, dan is het vaak lastig en ingewikkeld. Woningen zijn vaak te duur. Mensen wonen hierdoor in slechte woningen waar het bijvoorbeeld tocht, vochtig is of schimmel op de muur zit. Vraag en aanbod sluiten niet op elkaar aan. Mensen die willen kunnen daardoor niet of heel moeilijk verhuizen naar een passende woning. Mensen met hoge en lage inkomens wonen in verschillende wijken. Want betaalbare en dure woningen zijn nu niet goed verspreid over de stad. Deze scheiding is in Den Haag groter dan in andere Nederlandse steden. Hierdoor komen wijken waar mensen het minder goed hebben, onder druk te staan. De groep kwetsbare mensen groeit. Denk aan eenzame ouderen, mensen die zorg nodig hebben, en dakloze mensen. Veel huizen zijn slecht onderhouden en slecht geïsoleerd waardoor veel bewoners een hoge energierekening hebben.
Steeds meer inwoners verliezen werk en inkomen als de economische groei tegenzit. Bijvoorbeeld mensen met tijdelijke contracten. De gemeente wil de gevolgen hiervan beperken. De Woonvisie vormt een stevige basis voor verschillende acties en maatregelen om de woningnood verder aan te pakken en bestaande huizen te verbeteren. Een belangrijk doel van de Woonvisie is om weer beweging te brengen in de woningmarkt. Het moet voor iedereen in de stad makkelijker worden om een fijne, betaalbare woning te vinden. Bijvoorbeeld voor studenten, starters, alleenstaanden, gezinnen en ouderen. De Woonvisie 2040 heeft 4 belangrijke onderwerpen: Betaalbaar (ver)bouwen in alle delen van de stad Huisvesting voor mensen die zorg nodig hebben Woningen verbeteren en energiezuinig maken Voorzieningen en veiligheid in de wijk verbeteren De gemeente streeft ernaar voldoende woningen te bouwen om de bevolkingsgroei bij te houden. Tot 2030 wil de gemeente jaarlijks 4.000 woningen toevoegen, via nieuwbouw in en buiten de drie grootschalige gebiedsontwikkelingen en vanuit de bestaande woningvoorraad en ander vastgoed (door transformeren, flexwonen, optoppen, bouwkundig splitsen en omzetting). Om dit mogelijk te maken, moet de plancapaciteit worden vergroot om op de lange termijn een continue bouwstroom te verzekeren.
Met dit initiatief kan betaalbare huisvesting worden toegevoegd, waarmee de gemeente Den Haag kwetsbare doelgroepen, mensen die zorg nodig hebben en daklozen tegemoetkomt. Hiermee wordt invulling gegeven aan het woonbeleid.
24/54
25/54
Hoofdstuk 5 5.1
Beoordelingsregels
Inleiding
Voor het beoordelen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bopa gelden verschillende beoordelingsregels. In dit hoofdstuk worden (onder andere) de instructieregels van het Rijk en de provincie behandeld. De instructieregels van het Rijk staan in het Bkl. De instructieregels van de provincie staan in de omgevingsverordening. Deze verordening gaat over de fysieke leefomgeving en activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. De instructieregels in afdeling 7.3 Omgevingsplannen van deze verordening zijn bindend en werken door in ruimtelijke plannen. Indien in de paragrafen in dit hoofdstuk instructieregels uit de omgevingsverordening van toepassing zijn, worden deze aangehaald en wordt daaraan getoetst.
5.2
Waarborgen van de omgevingsveiligheid
Instructieregels Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in de artikelen 5.6 tot en met 5.11a Bkl. Deze zijn van toepassing als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7 lid 1 Bkl) worden in een BOPA of omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een BOPA of omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11 Bkl). Voor het PR gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Aandachtsgebieden In artikel 5.12 Bkl zijn er brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebieden voor het groepsrisico bepaald. Deze zijn niet van toepassing als het gaat om een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder C, waarvoor een locatie bij ministeriële regeling als brandvoorschriftengebied is aangewezen. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen
26/54
met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosie-voorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikelen 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Een berekening van het GR is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het GR te berekenen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. De provincie Zuid-Holland benoemt in haar Omgevingsverordening een aantal provinciale milieubelangen. Binnen deze verordening is de volgende instructieregel relevant: Artikel 7.18 (groepsrisicobenadering aandachtsgebieden met verhoogd groepsrisico) In aanvulling op artikel 5.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden voor een aandachtsgebied met verhoogd groepsrisico de overwegingen a t/m g uit artikel 7.18 betrokken in het omgevingsplan. Artikel 7.22 (aandachtsgebieden langs niet-Basisnet transportroutes in verband met groepsrisico) Langs de niet-Basisnet transportroutes, bedoeld in artikel 7.21, strekt het effectgebied voor incidenten met brand bij het vervoer van gevaarlijke stoffen zich uit tot een afstand van 30 meter, gemeten vanaf de kant van de weg en strekt het effectgebied voor incidenten met explosies zich uit tot een afstand van 200 meter gemeten vanaf de kant van de weg. In een omgevingsplan wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen de effectgebieden, bedoeld in het eerste lid, rekening gehouden met de effecten van mogelijke incidenten met het vervoer van gevaarlijk stoffen.
Toetsing De beoogde ontwikkeling maakt tijdelijke opvangplekken mogelijk met daaraan ondergeschikte functie, het gebouw is op grond van Bijlage VI van het Bkl, aangewezen als kwetsbaar gebouw (artikel 5.3, tweede en derde lid, Bkl). De beoogde ontwikkeling voorziet niet in activiteiten met externe veiligheidsrisico's. Aan de hand van kaarten en data van het Register Externe Veiligheidsrisico's is onderzocht of bij de projectlocatie externe veiligheid gerelateerde aandachtsgebieden of PR-contouren zijn geprojecteerd. Zie de uitsnede in onderstaande figuur.
27/54
Figuur 5.2.1 Uitsnede risicokaart van Register Externe Veiligheid (bron: Ministerie IenW, 2024) met projectgebied rood omcirkelt. Van deze kaart valt af te lezen dat er geen externe veiligheid gerelateerde PR-contouren in of nabij de projectlocatie zijn gelegen. Het projectgebied ligt wel in een gifwolkaandachtsgebied van Stena-line. De risicobron ligt op een afstand van circa 15 kilometer. Het gebied waar rekening moet worden gehouden met het groepsrisico als gevolg van een gifwolk is beleidsmatig afgekapt op 1,5 km (Bkl artikel 5.12, lid 4). In de verantwoording groepsrisico is voor de volledigheid wel nader ingegaan op de ligging in het gifwolkaandachtsgebied. Instructieregels vanuit de Provinciale Omgevingsverordening Beschermen van grote groepen mensen (artikel 7.18 omgevingsverordening). De voorgenomen ontwikkeling ligt in het gifwolk aandachtsgebied van Stena-line (Hoek van Holland). Het projectgebied ligt op een afstand van 15 kilometer van de risicobron. Het projectgebied ligt buiten de PR 10-8 contour en de 1% letaliteitscontour. Op basis van de "Handreiking externe veiligheid ter verduidelijking en als handvat bij artikel 7.18 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening" is de inschatting dat de ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een situatie met een verhoogd groepsrisico.
Hierdoor is een kwalitatieve verantwoording van het groepsrisico voldoende en is een groepsrisicoberekening niet vereist. In de verantwoording groepsrisico zal nader ingegaan worden op de ligging in het gifwolkaandachtsgebied. (Aanvullende) aandachtsgebieden langs niet-basisnet wegen De voorgenomen ontwikkeling ligt niet in een aandachtsgebied van de aangewezen wegen uit de provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland. Risico's anders dan gevaarlijke stoffen Op basis van artikel 5.2 van het Bkl wordt in een omgevingsplan voor risico's van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio's, rekening gehouden met het belang van: het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan;
28/54
de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en de geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van die wet. Deze instructieregel is 'vertaald' in de artikelen 22.13 tot en met 22.15 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege (de bruidsschat). Deze artikelen bevatten regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid die een toereikende bluswatervoorziening, de bereikbaarheid van bouwwerken voor hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen waarborgen. Daarnaast blijkt aan de hand van de kaarten en data van het Interprovinciaal Overleg (IPO) 2023, dat er in de projectlocatie geen kwetsbare (natuur)gebieden voor natuurbrand aanwezig zijn. Uit kaarten van Rijkswaterstaat (2022) blijkt dat er ter plaatse van het projectgebied en de directe omgeving sprake is van een zeer kleine kans tot overstroming: 1 op de 100.000 jaar. Gezien deze kleine kans is nader onderzoek niet benodigd en wordt het risico aanvaardbaar geacht. Verantwoording groepsrisico In het kader van het wettelijk vooroverleg zal voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd worden aan de veiligheidsregio. Dit advies zal verwerkt worden in deze paragraaf.
Door de ligging in het gifwolk aandachtsgebied wordt voor de beoogde ontwikkeling ingegaan op de bestrijdbaarheid van calamiteiten binnen de projectlocatie, de bereikbaarheid van de projectlocatie en de zelfredzaamheid van personen binnen het projectlocatie. Vanwege de afstand van circa 15 kilometer tot de risicobron wordt geen aandacht besteed aan de bestrijdbaarheid aan de risicobron zelf. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. De projectlocatie wordt ontsloten via de Sportlaan. Via deze weg kan het regionale wegennet snel bereikt worden. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zo kan een mogelijke brand via meerdere aanvalswegen worden geblust.
Het wegennetwerk biedt daarnaast vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie blijft de huidige bebouwing bestaan dat een voormalig ziekenhuis is. In de beoogde situatie zal het gebouw gebruikt worden als tijdelijke huisvesting van verschillende doelgroepen en ondergeschikte functies. De aanwezige personen zullen over het algemeen zelfredzaam zijn. Aanwezige gehandicapten, kinderen en ouderen worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden.
29/54
Het maatgevende scenario is een incident met toxische stoffen. Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Bij dit scenario is zelfredzaamheid alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Mechanische ventilatie dienen dan ook conform artikel 4.124, lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) handmatig uitgeschakeld kunnen worden. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd door middel van het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media.
Conclusie Er wordt voldaan aan de instructieregels uit het Bkl en de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening omtrent omgevingsveiligheid. De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de ETFAL omdat het gebied geschikt is voor woningbouw op het gebied van omgevingsveiligheid. Naast de eisen uit het Bbl is het niet nodig om aanvullende (bouw)eisen te stellen vanwege een omgevingsveiligheidsrisico.
5.3
Beschermen van de waterbelangen
Instructieregels Bij verlening van een omgevingsvergunning voor een bopa wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Dit komt erop neer dat uit de bopa-onderbouwing moet blijken hoe het waterbelang wordt geborgd. Een van de manieren om dit te borgen, is door advies van de waterbeheerder in te winnen en te verwerken in de onderbouwing. Van dat advies mag ook worden afgeweken, mits dit in de onderbouwing deugdelijk wordt gemotiveerd. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Deze instructieregel is van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning voor een bopa via artikel 8.0b Bkl. Verder moeten de watergerelateerde instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening worden getoetst. Voor een aantal specifieke rijksbelangen (bescherming primaire waterkeringen, behoud waterveiligheid kust en grote rivieren, IJsselmeergebied) stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Verder moet rekening worden gehouden met waterschapsbelangen. Uit het waterschapsbeleid en de waterschapsverordening blijkt welke belangen er spelen. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer
30/54
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het hoogheemraadschap nader wordt behandeld. Europees: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: Nationaal Water Programma 2022-2027; Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Omgevingswet. Provinciaal: Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027; Omgevingsvisie Zuid-Holland; Zuid-Hollandse omgevingsverordening. Regionaal: Deelstroomgebiedsvisie Zuid-Holland Zuid. Waterschapsbeleid In het Waterbeheerprogramma van Delfland 2022-2027 (WBP6) heeft Delfland met een brede blik naar de watertaken (waterveiligheid, waterbeheer en waterzuivering) van Delfland gekeken vanuit het perspectief van de leefomgeving. Delfland zet in op integraal waterbeheer in het sterk verstedelijkt deel van Nederland. Samen met de gemeenten en andere partners werkt Delfland aan klimaatadaptatie. Een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem is vertaald naar zelfvoorzienendheid door het sluiten van kringlopen van water, energie en grondstoffen. Om doelen te bereiken werkt Delfland samen met gebiedspartners.
Delfland werkt ook aan het waterbewustzijn om de kosten van het waterbeheer waar mogelijk te verlagen en het draagvlak te vergroten voor het zelf nemen van maatregelen. In 2012 heeft het Hoogheemraadschap de Handreiking watertoets voor gemeenten vastgesteld en daarna regelmatig geactualiseerd. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de handreiking aangepast naar de Handreiking weging van het waterbelang voor gemeenten. De handreiking is specifiek geschreven voor plannen voor de fysieke leefomgeving op gemeentelijk niveau. Met deze handreiking wordt inzicht gegeven in de wijze waarop het Delfland procedureel en inhoudelijk omgaat met de weging van het waterbelang. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de landelijke en provinciale regelgeving. Met de weging van het waterbelang wordt gestreefd naar een goede inpassing van water in planvorming in de fysieke leefomgeving. Voorkomen moet worden, dat nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving
31/54
negatieve effecten hebben op het watersysteem. Waar mogelijk moeten kansen worden benut om het watersysteem te verbeteren. Standstill-beginsel (thema Voorkomen wateroverlast) Conform het standstill-beginsel mag de kans op wateroverlast niet toenemen als gevolg van het plan. De initiatiefnemer moet ervoor zorgen, dat de negatieve gevolgen van het plan worden gecompenseerd. Compensatie moet worden gerealiseerd door middel van bergen óf in het onderdeel van de trits vasthouden-bergen-afvoeren, waarin de verslechtering optreedt. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, of de vasthoudcapaciteit van een gebied op andere manieren wordt verkleind, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater, doordat water niet langer in de bodem kan infiltreren maar oppervlakkig of via (hemelwater)riolering wordt afgevoerd. Dit kan leiden tot wateroverlast, en past dus niet binnen het standstill-beginsel, tenzij ter compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd. Om te bepalen hoeveel waterberging nodig is om de ontwikkeling hydrologisch neutraal te kunnen uitvoeren kan gebruik worden gemaakt van de Watersleutel. Deze rekentool heeft Delfland ontwikkeld om voor eenvoudige plannen op basis van een aantal kenmerken van de ontwikkeling en het watersysteem snel inzicht te krijgen in de benodigde compensatie.
Toetsing Bij een BOPA dient de weging van het waterbelang (watertoets) plaats te vinden. Het projectgebied ligt in het beheergebied van het Hoogheemraadschap Delfland. Voor het project is op 5 maart advies uitgebracht door het Hoogheemraadschap Delfland en verwerkt in deze waterparagraaf. Het projectgebied ligt niet binnen een kern- of beschermingszone van een waterkering. Ten zuidwesten van het projectgebied ligt op basis van de Legger Delfland een primair oppervlaktewaterlichaam (de Beek). Het projectgebied valt buiten de beschermingszone van deze watergang. Voor de beoogde ontwikkeling geldt dat bestaande bebouwing gebruikt wordt een entree aangepast wordt en het containergebouw gesloopt zal worden. Hiermee zal geen sprake zijn van een toename aan verharding. Gezien de tijdelijkheid van het initiatief (maximaal 7 jaar) en de sloop van het containergebouw, is het in dit specifieke geval niet noodzakelijk om de watersleutel in te vullen. Dit omdat er geen verhardingstoename is en bij tijdelijke initiatieven het onderdeel 'Klimaat' uit de watersleutel niet meegenomen hoeft te worden. Daarnaast betreft het een inpandige functiewijziging/inpandige verbouwing. In de regionale samenwerkingsafspraken Haaglanden is afgesproken, dat bij een inpandige functiewijziging/inpandige verbouwing Delfland niet betrokken hoeft te worden.