RIS324255 Bijlage 3 Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost
Tekst van het document
Laakkwartier-Oost te Den Haag
IbDH: 7006564-2025019
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost te Den Haag IbDH:
7006564-2025019
naam
datum
Opsteller 1
J. van der Drift
21 juli 2025
Opsteller 2
L. de Bruijn
21 juli 2025
INHOUDSOPGAVE 1
2 3
4 5
pagina
Samenvatting en conclusie 1 1.1 Extreme neerslag..................................................................................................... 1 1.2 Droogte / Grondwateroverlast ................................................................................. 1 1.3 Hitte ......................................................................................................................... 1 Inleiding 2 Analyse van de lokale situatie 3 3.1 Algemeen ................................................................................................................. 3 3.2 Extreme neerslag..................................................................................................... 8 3.3 Grondwateroverlast ............................................................................................... 12 3.4 Droogte .................................................................................................................. 15 3.5 Hitte ....................................................................................................................... 18 Haagse ambities en eisen 27 Keuze oplossingsprincipes en maatregelen 28 5.1 Groen tenzij ...........................................................................................................
28 5.2 Extreme neerslag................................................................................................... 29 5.2.1 Doelmatigheid ............................................................................................. 29 5.2.2 Type maatregelen ....................................................................................... 29 5.3 Droogte / grondwateroverlast ................................................................................ 32 5.3.1 Vasthouden / infiltreren ............................................................................... 32 5.3.2 Hergebruiken van water .............................................................................. 33 5.3.3 Adapteren / aanpassen beplanting ............................................................. 33 5.4 Hitte ....................................................................................................................... 34 5.4.1 Weren: Maak bereikbare, schaduwrijke plekken ........................................ 34 5.4.2 Afvoeren: Voorkom warmteaccumulatie ..................................................... 34 5.4.3 Verdampen: Verkoeling door water / verdamping ...................................... 34
1 1.1
Samenvatting en conclusie Extreme neerslag De Rijswijkseweg wordt in de Glossy klimaatadaptatie aangemerkt als route met een prioritering voor de aanpak van wateroverlast. Deze wateroverlast wordt modelmatig vooral aan de onderdoorgang toegeschreven. Ook de onderdoorgang Calandstraat – Vaillantlaan is volgens het model kwetsbaar voor extreme neerslag. In de rest van Laakhavens bestaan in de huidige situatie bij extreme neerslag locaties met matige verkeershinder en enkel panden met een risico op schade. In de toekomstige situatie wordt de wateroverlast en waterhinder over het algemeen verlaagd, met uitzondering van de locatie bij de Rijswijkseweg waar een kleine verslechtering lijkt te ontstaan ter plaatse van de Rijswijkseweg 60. Op deze locatie en in het algemeen zijn het toepassen van blauwgroene daken waarschijnlijk de sleutelmaatregel om de kwetsbaarheid voor extreme neerslag verder te doen afnemen. Andere maatregelen die qua natuurlijke randvoorwaarden kansrijk worden geacht in Laakhavens zijn: - Oevermaatregelen; - Groene infiltratie in combinatie met drainage; - Vertragend groen; - Halfverharding in combinatie met drainage; - Water bergen in bovengrondse constructies; - Water bergen in ondergrondse constructies; - Tactisch bergen van water op straat.
1.2
Droogte / Grondwateroverlast In Laakhaven is grondwateroverlast een groter risico dan droogte. Bovendien stijgen de grondwaterstanden in deze omgeving in de periode 2020 tot 2050 door het stopzetten van de DSM-onttrekking. Daarnaast vergroten aanpassingen in het grondwatersysteem in Laakhavens het toch al hoge risico op grondwateroverlast ter plaatse van de Hoefkade. Aangeraden wordt: - Om het infiltreren van water te beperken en zeker niet rond bebouwing van vóór 1992; - Om bij het planten van bomen rekening te houden met de reeds slechte ontwateringstoestand die verder zal verslechteren.
1.3
Hitte In de toekomstige situatie is de hitteproblematiek in Laakhavens op te delen in twee delen: - Het nieuw aan te leggen park: hier moet rekening worden gehouden met de eventuele windhinder veroorzaakt door de hoge bebouwing. De mate van schaduw die door de bomen wordt toegevoegd moet beperkt blijven, omdat er al veel van de bebouwing schaduw aanwezig is. Gelaagde beplanting in de schaduw kan het microklimaat waarschijnlijk positief beïnvloeden door wind te verminderen en de warmtegeleiding te veranderen door wind te reduceren. De maatregelen die hierbij passen zijn maatregelen die schaduw en windreductie combineren. - De relatief smalle straten met bebouwing hoger dan 35 m rondom het nieuw aan te leggen park. Er bestaat een risico op warmteaccumulatie door een combinatie van een beperkte sky-view-factor en beperkte ventilatie. Hierdoor kan het hitte-eiland effect lokaal versterkt worden als de gevels gedeeltelijk door de zon opgewarmd worden. Het maaiveld zelf ontvangt weinig zonuren, derhalve zijn vooral maatregelen aan de gevels effectief.
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
1
2
Inleiding Bij de gebiedsontwikkeling van Laakhavens wordt rekening gehouden met de uitdagingen die het veranderende klimaat met zich meebrengt. Het doel van deze Klimaatkansenscan is het in kaart brengen van kwetsbaarheden binnen het onderzoeksgebied en het afwegen van mogelijke maatregelen. In deze Klimaatkansenscan wordt gekeken naar het effect van een zware bui (70 mm in één uur), het risico op stedelijke hittestress en het effect van langdurige droogte. Voor het onderzoek naar de kwetsbaarheden wordt gebruikgemaakt van de klimaatmonitor van Den Haag 1, de landelijke klimaateffectenatlas 2 en de Glossy klimaatadaptatie Den Haag (Gemeente Den Haag en Tauw, 2023). Voor de toetsing van de analyseresultaten aan de Haagse normen en voor het aandragen van maatregelen wordt gebruikgemaakt van de Handreiking duurzame leefomgeving (Gemeente Den Haag, 2023) 3. De opzet van deze rapportage volgt het stappenplan uit de Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig 4 (Gemeente Den Haag, RIS308745, 2022). Het stappenplan: 1. Analyseer de lokale situatie (hoofdstuk 3); 2. Gebruik Haagse ambities en eisen (hoofdstuk 4); 3. Kies oplossingsprincipes en maatregelen (hoofdstuk 5); 4. Toon Haagse ambities en eisen aan (geen onderdeel van deze rapportage).
https://denhaag.klimaatmonitor.net/ https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/ 3 Sharepoint Kennisteam Klimaatadaptatie: Handreiking duurzame leefomgeving (2023) 4 Sharepoint Kennisteam Klimaatadaptatie: Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig (2022) 1 2
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
2
3 3.1
Analyse van de lokale situatie Algemeen Wijktype De onderzoekslocatie ligt in het stadsdeel Laakkwartier en in de wijk Laakkwartier-Oost. De wijk bestaat uit hoogbouw, vernieuwde bebouwing en bedrijventerreinen 5. Dit betekent in het algemeen dat de wijk is gebouwd in de periode na 1960. Er is veel variatie in de hoogte van bebouwing. Er is ca. 13% tot 32% groen aanwezig in dit type wijk. De kans op hittestress en wateroverlast is laag tot gemiddeld vergeleken met andere wijktypen. Bij de herontwikkeling wordt een deel van het bedrijventerrein vervangen door hoogbouw. In algemene zin gaat dit gepaard met kansen voor vergroening, maar heeft dit geen significant effect op de kans op hittestress en wateroverlast. Glossy klimaatadaptatie Uit de glossy klimaatadaptatie Den Haag (2023) blijkt dat het onderzoeksgebied grenst aan één van de meest kwetsbare buurten voor wateroverlast (Huygenspark) en wordt doorkruist door één van de meest kwetsbare hoofdwegen voor wateroverlast (Rijswijkseweg). Bij de analyse van de lokale situatie moet extra rekening worden gehouden met deze twee kwetsbare locaties.
Figuur 3.1. Prioritaire locaties voor wateroverlast en hitte (Glossy Klimaatadaptatie in Den Haag).
Maaiveldhoogte Het maaiveld van de onderzoekslocatie varieert over het algemeen tussen +0,4 tot +1,0 mNAP met een aantal uitschieters naar boven rondom de bruggen en uitschieters naar beneden bij de onderdoorgangen (Figuur 3.1). Voor deze buurt betekent dit dat het water tijdens een bui over het algemeen richting de onderdoorgangen afstroomt, waar het in lokaal laagste punten ophoopt. De onderdoorgangen zijn uitgerust met rioolgemalen die het water afvoeren. In de buurt is voornamelijk een gescheidenstelsel aanwezig (zie §3.2). In Figuur 3.1 is de waterscheiding tussen het gescheiden stelsel en ongescheiden stelsel weergegeven. Er zijn twee locaties waar er sprake is van een ongescheidenstelsel. Hier wordt het water afgevoerd naar het gemengde riool en is er een verhoogde kans op ophoping van water op straat.
5
https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/wijktypologie
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
3
Figuur 3.2. Hoogtekaart maaiveld (bron: AHN).
Geologie en grondwaterstanden Op basis van de geologische kaart van Den Haag blijkt dat er in het ontwikkelgebied van Laakhavens van nature een veenlaag in de ondiepe ondergrond aanwezig is die plaatselijke afwezig is (zie figuur 3.2). Deze veenlaag is naar alle waarschijnlijkheid veelvuldig vergraven bij werkzaamheden in de ondergrond. Daarnaast is er sprake van een ophooglaag ter plaatse van de bebouwing en bestrating. Dit resulteert in een hogere infiltratiepotentie van het bodemmateriaal dan dat van nature aanwezig was.
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
4
Figuur 3.3. Uitsnede geologische kaart
In tabel 3.1 zijn de waarnemingen m.b.t. de grondwaterstanden vermeld. De drooglegging varieert tussen 0,7 en 2,15 m-mv. Hierdoor zijn binnen de onderzoekslocatie zowel locaties aanwezig met een zeer goede ontwatering en gebieden waarin er risico bestaat op grondwateroverlast. Het diepe grondwater (eerste watervoerende pakket) staat relatief laag vergeleken het freatische grondwater. Hierdoor is er in de huidige toestand sprake van infiltratie van het freatische grondwater naar het diepe grondwater in het eerste watervoerende pakket. Deze infiltratie vindt relatief traag plaats.
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
5
Tabel 3.1. Waarnemingen grondwaterstanden modelgegevens¹) (m t.o.v. NAP) natte periode droge periode Ondiep wvp -0,55 -0,85 1e wvp
meetgegevens²) (m t.o.v. NAP) peilbuis hoog gem. CP0533 -0,3 -0,6 CP0567 -0,7 -1,0 CP0536 -0,1 -0,3
laag -1,0 -1,15 -0,7
-1,25
Hydrostatische toestand
Infiltratie
w.v.p. = watervoerend pakket 1) Modelgegevens Aveco de Bondt RHG2020 en RLG 2020 2) Grondwatergegevens Grote Kring, gem. Den Haag.
Rioleringen Ter plaatse van de ontwikkellocatie in Laakhavens is grotendeels een gescheiden hemelwaterafvoer (HWA) beschikbaar (figuur 3.3). Er zijn twee locaties zonder HWA-stelsel. Deze locaties bevinden zich rondom de Rijswijkseweg en het Zuidelijke gedeelte van het Calandplein. De diepte van de binnenkant onderkant buis van het aanwezige gemengde riool is aangegeven in figuur 3.3. De binnenkant onderkant buis van het HWA-stelsel ligt in alle gevallen dieper dan het waterpeil van het aangesloten boezemwater. Hierdoor is het HWA-stelsel (deels) verdronken. Dit betekent dat het stelsel ten alle tijden (deels) gevuld is met water. Een verdronken HWA-stelsel voert piekbuien minder snel af dan een droog gelegen stelsel, omdat de aanwezigheid van initiële berging beperkt wordt door het reeds aanwezige water. In de Waldorpstraat is zowel een ondiep als diep gelegen HWA-stelsel aanwezig. In de meeste straten bevindt het HWA-stelsel zich ook onder de laagste grondwaterstand (dieper dan -1,15 mNAP). Hierdoor is het HWA-stelsel relatief geschikt als overstort van infiltratie- of drainagevoorzieningen, echter moet er rekening worden gehouden dat oppervlaktewater via het HWA-stelsel de infiltratie- of drainagevoorziening in kan stromen als de onderkant van de infiltratieen drainagevoorziening zich dieper dan -0,43 mNAP bevindt.
Er zijn ook twee Drainage Infiltratie rioolstelsels aanwezig ter plaatse van de Waterloop en het Johanna Westerdijkplein. Deze systemen liggen dieper dan het waterpeil van het aangesloten boezemwater (-0,43 mNAP). Hierdoor kan dit stelsel in droge periode water infiltreren naar de bodem en in natte periode overtollig grondwater afvoeren. Dit heeft een afzwakkend effect van de extreme in de grondwaterstanden.
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
6
Figuur 3.4. Rioolstelsel in Laakhavens
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
7
3.2
Extreme neerslag Waterhinder / -overlast Uit de klimaatmonitor van Den Haag blijkt dat hoge waterstanden tot maximaal 85 cm bij een bui van 70 mm in één uur ter plaatse van de onderdoorgangen bij de Calandstraat (de Put) en de Rijswijkseweg (Figuur 3.5). Deze modelresultaten worden waarschijnlijk veroorzaakt doordat de tunnelpompen van de onderdoorgang niet zijn meegenomen. De uitkomsten moeten derhalve met enige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Op basis van het AHN wordt de hoeveelheid water ter plaatse van de onderdoorgangen bij een piekbui van 70 mm in één uur geschat op 2350 m³ bij de Calandstraat en 2793 m³ bij de Rijswijkseweg. Dit betekent dat een typisch rioolgemaal bij dit soort onderdoorgangen met een geschat debiet tot 250 m³/uur tot 11 uur nodig hebben om de onderdoorgangen droog te pompen. Uit de modelresultaten komen 5 andere locaties naar voren waar water op straat kan komen te staan bij een piekbui van 70 mm in één uur: • Het westelijke deel van de Waldorpstraat (ca. 2172 m³); • Het oostelijke deel van de Waldorpstraat (ca. 708 m³); • De Van der Kunstraat e.o. (ca. 2684 m³); • Het Leeghwaterplein (ca. 1521 m³); • De Swammerdamstraat (ca. 209 m³). De inschattingen van de hoeveelheid water op straat zijn indicatief en moeten bij het dimensioneren van een maatregel opnieuw berekend worden.
Het water op straat veroorzaakt maximaal een middelgroot risico (10 tot 25 cm waterdiepte tegen de gevel) op instroom van regenwater en schade bij panden in onderzoeksgebied. Panden waarvan bekend is dat het vloerpeil meer dan 15 cm hoger ligt dan het maaiveld hebben een kleiner risico op het instromen van regenwater dan modelmatig is bepaald. Op basis van straatfoto’s lijkt dit niet of nauwelijks het geval bij de kwetsbare panden in het onderzoeksgebied. De toegankelijkheid van de onderdoorgangen ter plaatse van de Calandstraat en de Rijswijkseweg is tijdens en na de piekbui slecht. De bereikbaarheid van de wegen na de klimaatbui is in het onderzoeksgebied matig (waterhoogte op straat tussen de 10 en 30 cm) tot goed (waterhoogte op straat <10 cm). Een matige bereikbaarheid betekent dat de wegen begaanbaar zijn voor calamiteitenverkeer. Dit houdt in dat de weg niet meer begaanbaar is voor gewoon verkeer. Mits stapvoets gereden wordt en er geen boeggolf wordt gecreëerd kan calamiteitenverkeer gebruik maken van de weg. De slechte bereikbaarheid van de onderdoorgangen betekent dat zelfs hulpdiensten mogelijk moeite hebben om deze wegen te gebruiken. Op stadsniveau zijn er meer onderdoorgangen met een slechte bereikbaarheid tijdens de klimaatbui waardoor de bereikbaarheid van Laakkwartier in het gedrang komt.
Mogelijk moeten hulpdiensten via een andere gemeente rijden om op de locatie te komen. De bovenstaande gegevens geven een hoog risico op wateroverlast (water in panden) en waterhinder (water op straat en onderdoorgangen). De kans op waterhinder is aanzienlijk door de kwetsbaarheid van de onderdoorgangen. De kans op wateroverlast blijft waarschijnlijk beperkt tot enkel panden. De wateroverlast op de Rijswijkseweg is in 2016 en 2017 bij piekbuien waargenomen. Op dat moment was de weg onbegaanbaar voor hulpdiensten (Glossy klimaatadaptatie, 2023). De daadwerkelijke overlast moet altijd worden geverifieerd bij de Dienst Stedelijkbeheer. Wanneer de modelgegevens overeenkomen met feitelijke meldingen is het doelmatig om extra te investeren in adaptatie van het onderzoeksgebied.
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
8
Figuur 3.5. Waterhoogte in de openbare ruimte bij een 70 mm bui (Klimaatmonitor Den Haag, 2022)
Huidige waterbalans Bij een piekbui van 70 mm in één uur vangt het onderzoeksgebied in Laakhavens in totaal ca. 38.608 m³ water op. De mate waarin deze neerslag wordt vastgehouden en de wijze van afvoer zijn afhankelijk van de locatie waar de regen valt. Om hiervan een inschatting te maken is er een gedetailleerde klimatopenkaart gemaakt voor het onderzoeksgebied (bijlage 1). Op basis van deze kaart zijn de oppervlakten van verschillende stedelijke componenten berekend (tabel 3.2). Hierbij is rekening gehouden met het effect van boomkronen, die door interceptie een deel van het regenwater opnemen, maar niet met het vasthouden van water op daken omdat de bijbehorende parameters nog niet bekend zijn. Deze stedelijke componenten zijn gekoppeld aan hun capaciteit om neerslag vast te houden en aan de afvoerroutes voor overtollig water. Tabel 3.2. Berekende oppervlakten (in m²) en percentages van de klimatopen. Klimatoop Oppervlak Oppervlak overlappende [m²] % van geheel bomenkroon [m²] 36,0% Daken 198.802 0,0 Groenvak 38.951,0 7,1% 9.583,3 1,1% Tuinen 6.330,0 0,0 Water 86.515,9 15,7% 0,0 40,1% Verhard 220.944,0 15.308,0 100% Totaal 551.542,9 0,0
% van geheel 0,0% 1,7% 0,0% 0,0% 2,8% 4,5%
Op basis van de berekende oppervlakten is er een inschatting gemaakt van de waterbalans van het onderzoeksgebied tijdens de klimaatbui (Figuur 3.6). De waterbalans is per onderdeel uitgelegd in de volgende alinea’s.
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
9
Figuur 3.6. Inschatting waterbalans de Laakhavens als stroomschema. OW = oppervlaktewater, HWA = hemelwaterafvoer, DWA = droogweerafvoer / gemengde riool.
Bomen (1742 m³): De bomen uit het bomenbestand van de gemeente zijn opgenomen voor het berekenen van de waterbalans (figuur 3.6). Op basis van luchtfoto's is een relatie gelegd tussen de stamdiameter en de boomkroon om het oppervlak van de boomkroon in te schatten. De bomenkroon kan een gedeelte van de neerslag opvangen en verdampen (interceptie). Het resterende regenwater bereikt het maaiveld. Afhankelijk van het type maaiveld komt het regenwater tot afvoer, daardoor zijn bomen altijd gecombineerd met een andere klimatoop. De interceptiecapaciteit van de bomenkronen is 2 tot 4 mm (Kuehler et al, 2016) 6. Hierdoor wordt ongeveer 74 m³ regenwater opgevangen en verdampt van totaal 1845 m³ regenwater die op het bladerdek valt. Van de resterende 1668 m³ valt ongeveer 38% op publieke groenvakken of op private tuinen, ongeveer 62% op de straten en trottoirs. Daken (13916 m³): Neerslag die op daken valt wordt afgevoerd naar het riool. In het onderzoeksgebied is ca. 198802 m² dakoppervlak aanwezig. Bij een hevige bui van 70 mm valt ongeveer 13916 m³ regenwater op de daken. Bij bebouwing van na 1970 wordt het regenwater gescheiden afgevoerd waardoor dit water op een hemelwaterriool kan worden geloosd. Bij bebouwing van voor 1970 wordt het regenwater van de woning (dak en tuin) met het huishoudelijke afvalwater op het vuilwaterriool of de gemengde riolering geloosd.
De bebouwing in het onderzoeksgebied dateert grotendeels van na 1970. Door combinatie van relatief jonge bebouwing met de aanwezigheid van een HWA-stelsel wordt geschat dat het grootste deel (ca. 93%) van het water op het HWA-stelsel wordt geloosd en een klein deel (7%) op het gemengde riool of vuilwaterriool. Er wordt in deze berekening geen rekening gehouden met het vasthouden van water op daken. Indien water op daken wordt vastgehouden kan dit zowel van de toe- als afvoer post afgehaald worden en wordt het HWA-stelsel en het riool evenredig minder belast. Groenvlakken (2056 m³ + 642 m³): Van de neerslag die op de groenvakken terecht komt, valt 2056 m³ rechtstreeks op de groenvakken en 642 m³ via de boomkronen. De groenvakken bestaan uit gras en plantvakken waardoor interceptie kan plaatsvinden. Daarnaast is de grond bij groenvakken onverhard waardoor infiltratie kan plaatsvinden. Overtollig water dat niet verdampt bij interceptie of infiltreert zal afstromen. Dit water stroomt naar de straat of lokaal aanwezige kolken, vanwaar het water in het hemelwaterriool of gemengde riool terechtkomt. De interceptiecapaciteit voor groenvakken wordt geschat op 3,0 mm. De onverharde bodem in het onderzoeksgebied kan Kuehler E., Hathaway, J. Tirpak, A., 2016. Quantifying the benefits of urban forest systems as a component of the green infrastructure stormwater treatment network.
Ecohydrology. 2017;10e1813. https://doi.org/10.1002/eco.1813
6
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
10
in het eerste uur ca. 15 tot 27 mm infiltreren en in een dag ongeveer 44 mm tot 92 mm (figuur 3.8). Dit betekent dat direct na de klimaatbui 1169 m³ water kan worden afgevangen en geïnfiltreerd door de groenvakken in het onderzoeksgebied. Het water dat niet wordt afgevangen en geïnfiltreerd door de groenvakken komt tot afstroming. Van het afgestroomde water, ongeveer 1529 m³, komt 89% terecht in het HWA-stelsel en deels 11% gemengde riool.
Figuur 3.7. Infiltratievermogen bodem t.p.v. Laakhavens. Bij de berekening wordt uitgegaan van het gemiddelde van twee infiltratiesnelheden.
Tuinen (443 m³): De tuinen worden gekenmerkt door een verscheidenheid aan beplanting en verharding en bestaan in het onderzoeksgebied voornamelijk uit binnentuinen en niet openbare plantsoenen. Op basis van luchtfoto’s is uitgegaan van deels verharde tuinen in het onderzoeksgebied. Aangenomen wordt dat ongeveer 16 mm water in deze tuinen wordt opgevangen en verdampt of geïnfiltreerd door de bodem. Het is onzeker of dit in werkelijkheid ook gebeurt. Watervlakken (6056 m³): Ter plaatse van het onderzoeksgebied valt circa 6056 m³ direct of via woonboten op het oppervlaktewater. Dit water komt direct tot afvoer. Verhard (14395 m³ + 1026 m³): Van de neerslag die op de verharding terecht komt valt 14395 m³ direct op de verharding en 1026 m³ via overhangende boomkronen. Neerslag die op verharding valt zonder tussenkomst van bomen zal ophopen tussen de trottoirbanden en bij voldoende afvoercapaciteit van het riool worden afgevoerd. De berging tussen de trottoirbanden wordt als niet schadelijke berging beschouwd tijdens een piekbui. Op de bestrating komt in totaal ca. 15421 m³ terecht (rekening houdend met de interceptie van bomen). Ongeveer 2 mm (443 m³) van de neerslag die op bestrating valt zal verdampen voordat het water het riool bereikt (ASCE, 1992) 7. De resterende 14978 m³ wordt afgevoerd naar het gemengde riool.
De totale hoeveelheid water die op basis van het klimaatmonitor op straat staat wordt geschat op ca. 12437 m³. Dit zou betekenen dat een groot deel van de klimaatbui die op de verharding valt daar in de eerste instantie ook blijft liggen. Dit zou veroorzaakt kunnen worden doordat het HWA-stelsel en het riool tegelijkertijd het water van de daken moet verwerken. Op grote schaal is er geen indicatie voor het terugstromen van water uit het HWA-stelsel of het riool naar de openbare ruimte. Sponswerking (1787 m³): Deze post in de berekening is de optelsom van alle neerslag die tijdens de klimaatbui verdampt of infiltreert m.u.v. het water dat op daken wordt vastgehouden. Deze post geeft daarmee een inschatting van het water dat in de huidige situatie wordt vastgehouden. Het water dat niet wordt vastgehouden zal worden afgevoerd via het HWA-stelsel of het gemengde riool. Water dat in het HWA-systeem terecht komt stroomt naar het oppervlaktewater en wordt via het oppervlaktewater afgevoerd. In het geval van Laakhavens komt het water terecht op het boezemwater dat dient om regionaal water af te voeren naar zee. Overtollig water dat in het gemengde riool terecht komt moet door de rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI) worden verwerkt. Door de RWZI te belasten met dit relatief schone water blijft er minder capaciteit voor het verwerken van water elders uit de omgeving.
Daarom is het wenselijk om de mate van natuurlijke opname te vergroten, zonder dat dit tot overlast in het onderzoeksgebied leidt. 7
ASCE, 1992, Design & Construction of Urban Stormwater Management Systems, New York, NY.
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
11
Waterbalans in toekomstige situatie Op basis van het voorlopige ontwerp zijn de stedelijke componenten nogmaals bepaald. Hierbij is oude bebouwing vervangen door nieuwbouw en is er een park toegevoegd ter plaatse van de Van der Kunstraat. Een deel van het park is opgenomen als tuinen omdat naar verwachting een significant gedeelte van deze ruimte uit (half)verharde paden zal bestaan in combinatie met groen. In de toekomstige situatie laat de water balans een kleine afname zien in de hoeveelheid water die op de daken en straten terechtkomt. Dit komt vooral door een toename aan de stedelijke componenten groen en tuinen. Dit werkt door naar de sponswerking die bijna 800 m³ groter is (zonder de toename aan blauwgroene daken mee te rekenen). De hoeveelheid water op straat is ook afgenomen met 848 m³. Dit is berekend onder de aanname dat de afvoer van neerslag via het gemengde riool, het HWA-stelsel en het oppervlaktewater gelijk is met de huidige situatie en het overtollige water op straat terecht komt. Opvallend hierbij is dat het water op straat ter plaatse van het gemengde riool juist een klein beetje hoger uitkomt. Aangezien de enige wijzigingen in de stedelijke componenten binnen de waterscheiding van het gemengde stelsel ter plaatse van de Rijswijkseweg valt, is dit een extra aandachtspunt.
De toename wordt waarschijnlijk veroorzaakt door een toename aan bebouwing ter plaatse van de Rijswijksestraat 60. Indien deze bebouwing wordt voorzien van een blauw/groen dak dat meer dan 24 m³ kan bergen dan kan de bebouwing deze toename aan water op straat volledig teniet doen.
Figuur 3.8. Inschatting waterbalans de Laakhavens in de toekomstige situatie als stroomschema. OW = oppervlaktewater, HWA = hemelwaterafvoer, DWA = droogweerafvoer / gemengde riool.
3.3
Grondwateroverlast Op de infiltratiepotentie kaart met handelingskader valt het onderzoeksgebied volledig in het oranje gebied met stippen (Figuur 3.9). Dit betekent dat grondwateraanvulling door infiltratie alleen mogelijk is met aanvullende maatregelen of mogelijk risico op grondwateroverlast (grondwaterstanden op minder dan 0,7 m-mv). De ontwateringstoestand bevestigt dat er rondom en ten oosten van de Rijswijkseweg inderdaad sprake is van hoge grondwaterstanden en risico op grondwateroverlast in de nabije omgeving aan de Loosduinseweg (Figuur 3.10). Of dit risico daadwerkelijk tot overlast leidt is o.a. afhankelijk van de ouderdom van de panden. Bebouwing van voor het bouwbesluit van 1992 is kwetsbaar voor schade en gezondheidsproblematiek (schimmelvorming) bij water in de kruipruimtes. De bebouwing ten oosten van de Rijswijkseweg dateert van voor 1992. Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
12
Voor de beplanting geldt dat hoge grondwaterstanden tot in de effectieve wortelzone tot ongunstige groeisituaties kan leiden. Bij het beplantingsplan en de keuze van boomtypen moet in dit geval specifiek naar de beperkte ontwateringstoestand gekeken worden bij de hoge grondwaterstanden. Het is waarschijnlijk dat de beperkte ontwateringstoestand rondom en ten oosten van de Rijswijkseweg slechts bomen van een beperkte grootte mogelijk maakt. In het overige gebied is de ontwateringstoestand voldoende tot goed voor de groei van bomen van verschillende formaten. Op basis van de grondwatermodellen met de prognose voor 2050 met zeespiegelstijging en het afbouwen van de DSM-onttrekking zal de reguliere hoge grondwaterstand ten westen van het Johanna Westerdijkplein stijgen met ca. 14 cm ten opzichte van 2020. Hierdoor zal in het gebied rondom en ten westen van de Leeghwaterstraat ook een risico op grondwateroverlast ontstaan. Ten oosten van de Johanna Westerdijkplein stijgen de grondwaterstanden naar verwachting met slechts 10 cm, waardoor het bestaande risico op grondwateroverlast vergroot wordt. Verder is Laakhaven één van de wateren waarop het grondwater in het Huygenspark kan lozen bij hoge grondwaterstanden. Wanneer er grootschalig wordt geïnfiltreerd kan dit tot verergering van de grondwateroverlast in het Huygenspark leiden.
Op de kaart met de ontwateringstoestand zijn tevens de bekende grondwaterverontreinigingen aangegeven. Bij het grootschalig infiltratie of draineren van water in het projectgebied dient de invloed op deze grondwaterverontreinigingen onderzocht te worden. Er wordt om de bovenstaande redenen afgeraden om op deze locatie op grote schaal water te infiltreren.
Figuur 3.9. Infiltratiepotentiekaart met handelingskader (Aveco de Bondt, 2023).
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
13
Figuur 3.10. Ontwateringstoestand bij reguliere hoge grondwaterstanden (2020).
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
14
3.4
Droogte Uit de klimaatmonitor van Den Haag blijkt dat de grootste uitzakking van het grondwater bij twee opeenvolgende droge jaren plaatsvindt ten noorden van de Waldorpstraat. Op deze locatie kunnen extra dalingen van maximaal 0,35 meter optreden ten opzichte van de reguliere lage grondwaterstand van -0,85 mNAP. Dit betekent dat er een drooglegging van 1,2 meter ontstaat, uitgaande van een maaiveld op 0,4 m NAP. Op basis van de grondwatermodellen met de prognose voor 2050 met zeespiegelstijging en het afbouwen van de DSM-onttrekking zal de reguliere lage grondwaterstand ten opzichte van 2020 tot 13 cm stijgen.
Figuur 3.11. Uitzakking grondwater na twee droge jaren
Beplanting Om droogteschade aan beplanting te voorkomen tijdens perioden van weinig tot geen regenval, is voldoende capillaire aanvoer van water noodzakelijk. Dit houdt in dat de afstand tussen de grondwaterstand en de effectieve wortelzone van de beplanting voldoende moet worden overbrugd door de capillaire werking van de bodem. Hierbij wordt gekeken naar de kritische z-waarde, die de hoogte boven de grondwaterstand aangeeft waarop een specifiek bodemtype 2 mm/dag aan bodemvocht kan leveren. Dit is de minimale vochtbehoefte voor veel gangbare plantensoorten. In Figuur 3.12 is de grondwaterstand, samen met de kritische z-waarde, weergegeven in een dwarsprofiel.
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
15
Figuur 3.12. Dwarsprofiel met het grondwater en de kritische z-waarde voor de normale situatie en de droge situatie.
De meest kwetsbare beplanting in het onderzoeksgebied bestaat uit bomen in boomvakken. Bomen in boomvakken hebben een effectieve bewortelingsdiepte van 1,0 m. De capillaire nalevering van water reikt in een reguliere zomer tot 0,65 m-mv en tijdens droogte tot 0,95 m-mv. In alle gevallen waarbij het maaiveld zich op +0,4 mNAP bevindt is de capillaire werking voldoende om bomen in boomvakken van vocht te voorzien. De modelresultaten voor het grondwater in 2050 tonen aan dat de ontwateringstoestand van de reguliere lage grondwaterstanden maximaal met 13 cm zal stijgen. Hierdoor wordt de omgeving nog vochtiger. In het beplatingsplan dient derhalve vooral rekening gehouden te worden met te vochtige omstandigheden. Funderingen De oudste bebouwing in het onderzoeksgebied dateert uit 1914 (Figuur 3.13) en bevindt zich aan de Goudriaankade. Op basis van de ouderdom van de panden en de geologie wordt verwacht dat de panden zijn gefundeerd op houtenpalen. Houtenpaalfunderingen zijn gevoelig voor houtrot wanneer er langdurige droogstand plaatsvindt. Op basis van de criteria voor aandachtsgebieden voor droogte ontstaat er een risico wanneer de grondwaterstand onder 1,5 m-mv zakt in droge periode. Op basis van de stresstest zakt het grondwater na twee droge jaren niet onder deze grens (Figuur 3.11) bij de uitzakking van meer dan 30 cm.
Derhalve leidt het droogtescenario met twee droge jaren waarschijnlijk niet tot paalrot in het onderzoeksgebied.
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
16
Figuur 3.13. Bouwjaar panden in het onderzoeksgebied.
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
17
3.5
Hitte De volgende gegevens uit de Klimaateffectenatlas 8 zijn gebaseerd op hete weersomstandigheden die ongeveer eens in de 5,5 jaar voorkomen. Uit de klimaateffectenatlas blijkt dat de gevoelstemperatuur in Laakhaven - Oost varieert van 35 graden in de schaduw tot extreme hitte die oploopt tot boven de 50 ⁰C in de zon (figuur 3.14). De meest voorkomende temperatuur in Laakhaven – Oost ligt tussen de 46⁰C en de 50⁰C. In het gebied tussen de Calandstraat en het Leeghwaterplein (A) komt er volgens figuur 3.14 meer warmte voor dan in het gebied tussen het Leeghwaterplein en de Rijswijkseweg (B). In gebied B is er momenteel een grotere hoeveelheid groen aanwezig rond de gebouwen en is er meer schaduw tussen de gebouwen. Dit resulteert in een frequentere aanwezigheid van temperaturen tussen de 35°C en 43°C in de straten van dit gebied. In de volgende paragrafen worden de oorzaken van de hittestress (of relatieve koelte) nader bekeken.
A
B
Figuur 3.14: Gevoelstemperatuur (PET) in het onderzoeksgebied (bron klimaateffectenatlas)
Straling en schaduw Straling is het belangrijkste component van de gevoelstemperatuur (PET). De straling wordt onderverdeeld in kortgolvige straling afkomstig van de zon en langgolvige straling afkomstig van opgewarmde objecten. Overdag warmt de kortgolvige straling (zonnestraling) de omgeving op en ’s nachts wordt de omgeving warm gehouden door de langgolvige straling (warmtestraling) afkomstig van overdag opgewarmde materie zoals de grond en bebouwing. Om een beeld te krijgen van de hoeveelheid kortgolvige straling die de omgeving ontvangt is de hoeveelheid schaduw op de onderzoekslocatie bepaald op de langste dag (worstcasescenario). Zoals te zien in afbeelding 3.15 valt de schaduw vrijwel uitsluitend in de directe nabijheid van de 8
https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/gevoelstemperatuur
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
18
gebouwen. Deze schaduwplekken zijn van groot belang voor verkoeling en comfort, maar hun beperkte omvang en verspreiding betekent dat er relatief weinig effectieve schuilplekken zijn voor voetgangers of kwetsbare groepen. Schaduw door bomen en andere vegetatie is minimaal. De Haagse ambitie is om bij verblijfsplekken een zon/schaduwverhouding van 50%-50% te hanteren bij de hoogste stand van de zon op de langste dag van het jaar (21 juni om 14:00u). Uit de berekeningen is de zon/schaduwverhouding van het gehele onderzoeksgebied, exclusief dakoppervlak, is 83,9% / 16,1%. Dit betekent dat Laakhaven – Oost niet voldoet aan de ambitie voor de zon/schaduwverhouding.
Figuur 3.15: Schaduw in de openbare ruimte op 21 juni om 14:00 (bron: shademap.app).
Zonuren Het merendeel van de openbare ruimte ligt op dit moment in direct zonlicht zoals aangegeven in afbeelding 3.15. In de termen van hittestress betekent dit dat veel plekken in het gebied blootgesteld zijn aan langdurige opwarming, wat het risico op oververhitting vergroot, vooral op plekken met veel verharding en weinig groen. Afbeelding 3.16 geeft de hoeveelheid uren kortgolvige straling weer. Het maximale aantal zonuren in het onderzoeksgebied is 16 uur en 40 minuten op 21 juni 14:00u. Het gemiddelde aantal zonuren is ongeveer 8 uur en 54 minuten. Grote delen van het onderzoeksgebied, met name rondom de buitenste randen van de onderzoekslocatie, ontvangen meer dan 12 uur zonlicht, met uitschieters van meer dan 16 uur zoals bij de Goudriaankade. Deze langdurige blootstelling vergroot het risico op hitte in het gebied. Alleen in de directe nabijheid van hoge gebouwen is er sprake van lagere zonbelasting (0-6 uur). Deze plekken zijn daarentegen schaars en versnipperd over het gebied.
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
19
Figuur 3.16: Aantal zonuren (Bron: Shademap.app).
Warmteaccumulatie Langgolvige straling wordt een probleem wanneer de (kortgolvige en langgolvige) straling tussen bebouwing blijft hangen. De sky-view-factor is derhalve bepalend of langgolvige straling naar de lucht kan uitstralen of blijft hangen. Vooral in de straten met veel zonuren en een lage sky-viewfactor kan warmteaccumulatie optreden. In deze straten kan het overdag snel opwarmen en ’s nachts relatief langzaam weer kan afkoelen. De sky-view-factor wordt voor de Van der Kunstraat geschat op 0,68 (62°). Daarmee warmt de straat overdag mogelijk redelijk snel op en kan de straat de warmte ’s nachts matig tot voldoende weer kwijt. Ventilatie Ventilatie is de belangrijkste factor voor de afvoer van hete lucht. Als duimregel geldt dat de wind in bebouwd gebied in 3 categorieën (Figuur 3.17) valt afhankelijk van de verhouding tussen de hoogte van de bebouwing 9 en de wegbreedte (H/W) en de typisch voorkomende windrichting in Den Haag tijdens warme dagen (ENE; Figuur 3.). De 3 categorieën zijn: - skimming flow (H/W > 0,7) en de ventilatie is beperkt; - wake interference flow (H/W is tussen 0,3 en 0,7) en de ventilatie is goed; - Isolated roughness flow (H/W < 0,3) en er bestaat potentie tot windhinder.
9
Lenzholzer, 201. Weather in the City. ISBN: 978-94-6208-198-7.
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
20
Figuur 3.17. De verdeling van ventilatie in de bebouwde omgeving in 3 categorieën.
Figuur 3.17. Windroos voor de Gemeente Den Haag (Meteoblue).
Tabel 3.3. Gebouwhoogten behorende bij typische ventilatie typen en straatbreedten.
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
21
Locatie
Calandplein (f) Calandstraat 155 (e) Calandstraat 215 (g) Leeghwaterplein 27 (h) Leeghwaterplein 68 (d) Waldorpstraat 272 (a) Waldorpstraat 41 (c) Waldorpstraat 6 (b) Waldorpstraat 80 (i)
Typische Straatbreedte (W)
Maximale Hoogte (H) ter preventie van Skimming flow (H/W = 0,7)
Minimale Hoogte (H) ter preventie van Isolated roughness flow
53 m 26 m
37,1 m 18,2 m
20 m
14 m
6m
100 m
70 m
30 m
50 m
35 m
15 m
23 m
16 m
7m
25 m
17,5 m
7,5 m
44 m
30,8 m
13,2 m
36 m
25,2 m
10,8 m
(H/W = 0,3)
15,9 m 7,8 m
De gebouwhoogte binnen Laakhaven - Oost zijn weergegeven in figuur 3.18. Verschillende straatbreedte in het projectgebied waarbij kans is op windhinder zijn opgenomen in tabel 3.3. Bij hoge bebouwing bestaat potentiële windhinder. Bij windhinder kunnen mensen moeite met lopen of fietsen ondervinden. Dit komt in de regel voor bij bebouwing hoger dan 35 m t.o.v. maaiveld of bij bebouwing die 15 m boven de andere bebouwing uitsteekt. Tabel 3.3 bevat de grenswaarden voor gebouwhoogte in het onderzoeksgebied, die aangeven of er sprake kan zijn van 'isolated roughness flow’. De verhouding hoogte en straatbreedte in het onderzoeksgebied kan ervoor zorgen dat er sterke wind kan voorkomen. De meest voorkomende wind gedurende het jaar is een zuidwestenwind. Het gebied Laakhaven – Oost is uitgestrekt en heeft een variëteit aan gebouwen en straten met verschillende oriëntaties. Vooral langs de Waldorpstraat en op het water bij de Neherkade kan de zuidwestenwind zorgen voor voldoende ventilatie. Deze windrichting veroorzaakt echter voor windhinder langs de hogere gebouwen aan de Waldorpstraat. Ook in de hoofdzijstraten is er sprake van windhinder door de zuidwestenwind. Vanwege de huidige oriëntatie van de bebouwing, kan de zuidwestenwind niet ver het gebied doordringen.
In de zomer, wanneer er sprake is van een warme oost- noordoostenwind, zal deze slechts in beperkte mate bijdragen aan ventilatie of windhinder, vanwege de lage sterkte van de wind. In tegenstelling tot de zuidwestenwind, kan de oost-noordoostenwind door de huidige oriëntatie van de gebouwen en straten verder gebied doordringen, wat betekent dat er op verschillende plaatsen een lichte bries kan optreden.
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
22
i
b
c a
d h
g e f
Figuur 3.18 Gebouwhoogten op basis van de klassen uit tabel 3.3 en ventilatiestromen op basis van de dominante windrichtingen (normaal gesproken zuid tot zuidwest en tijdens hittegolven vaak oostnoordoost).
Verdamping Verdamping heeft een relatief klein effect op de gevoelstemperatuur (PET). Verder dient de verdamping plaats te vinden nabij het maaiveld om invloed te hebben op personen in de omgeving. Bij verdamping boven maaiveld heeft de verdamping vooral effect op de bovenliggende luchtlagen, waarin de afkoeling erg klein is door de grote dikte van de menglaag in de troposfeer op een warme dag en het mixen van de lucht. Antropogene warmtebronnen Antropogene warmtebronnen zoals auto’s en airco’s kunnen een (relatief kleine) bijdrage leveren aan de hitte in de stad. Vanwege de smalle structuur en de hoge gebouwen binnen het projectgebied zal het effect van antropogene warmte optreden. De aanwezigheid van auto’s en airco's in het gebied, is het gevolg van de grotere doorgangsautowegen die door de onderzoekslocatie lopen, evenals de gebouwen die een industriële of educatieve functie vervullen. Hitte in de toekomstige situatie. In de onderstaande paragrafen wordt de toekomstige situatie van Laakhaven-Oost beschreven. Hierin is de bebouwing gedeeltelijk vervangen en is er een park toegevoegd ter plaatse van de Van der Kunstraat. Zon/schaduwverhouding in de toekomstige situatie: Uit afbeelding 3.18 blijkt dat er meer schaduw aanwezig is op de onderzoekslocatie op 21 juni om 14:00.
De zon/schaduwverhouding verandert in de toekomstige situatie naar een 70%/30% verhouding exclusief de bebouwing. Volgens de Haagse ambitie (50% zon /50% schaduw) voldoet de situatie nog niet, maar komt zeker dichter in de buurt van de ambitie. Zoals in de huidige situatie, zorgen de gebouwen in de toekomstige situatie ook voor de meeste verkoeling. Schaduw door bomen en andere vegetatie is minimaal.
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
23
Figuur 3.3.19: Toekomstige hoeveelheid schaduw in de openbare ruimte op 21 juni om 14:00 (bron: shademap.app).
Zonuren in de toekomstige situatie: De toekomstige situatie zorgt niet voor een grote verandering in maximale aantal zonuren: 16 uur en 30 minuten. Dit hoge aantal zonuren komt op dezelfde locatie voor als in de huidige situatie, bij de Goudriaankade. Het heeft een verlaging van 10 minuten. Het gemiddelde aantal zonuren in het gebied verlaagt zich echter met 2 uur en 31 minuten. Het nieuwe directe aantal zonuren komt uit op 7 uur en 23 minuten. De plekken met schaduw in de directe nabijheid van hoge gebouwen is in de toekomstige situatie vergroot. Zoals op de Waldorpstraat in het westen, waar eerst 12-14u zon voorkwam, is dit nu gedaald naar 0-4 uur.
Figuur Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
24
3.20: Toekomstige aantal zonuren (Bron: Shademap.app).
Warmteaccumulatie in de toekomstige situatie Langgolvige straling wordt een probleem wanneer de (kortgolvige en langgolvige) straling tussen bebouwing blijft hangen. De sky-view-factor is een indicatie voor de mate waarin langgolvige straling naar de lucht kan uitstralen of blijft hangen. De breedte van het nieuw aan te leggen park is voldoende om langgolvige straling op de zuidgevels te vangen. Om te bepalen of deze warmte ook weer kan ontsnappen wordt gekeken naar de sky-view-factor. De 2D sky-view-factor voor het nieuw aan te leggen kan worden bepaald aan de hand van de hoek waarin de lucht zichtbaar is vanaf het midden van het plein ( Figuur 3.14: Gevoelstemperatuur (PET) in het onderzoeksgebied (bron klimaateffectenatlas)). Dit is slechts een indicatieve waarde omdat de bebouwing wordt versimpeld en overhangende boomkronen niet worden meegenomen. De uitkomst van deze berekening is samengevat in tabel 3.4. Een sky-view-factor van 0,70 en 0,82 worden allebei geassocieerd met sterke opwarming overdag. Hierbij is de noord-zuid georiënteerde waarde belangrijker omdat de zon op dit moment het hoogst staat. Doordat de sky-view-factor in allebei de richtingen relatief hoog is kan het park ’s nachts ook relatief snel weer afkoelen. Er is in het park dus geen overmatig risico op warmteaccumulatie tussen de bebouwing.
In de straten rondom het park wordt afhankelijk van de straat en de richting een Sky-view-factor gevonden tussen de 0,2 en 0,6. Deze waarden worden geassocieerd met een situatie waarin warmte in de vorm van langgolvige straling ’s nachts in de straten kan blijven hangen en lokaal een versterkt hitte eiland effect kan veroorzaken. Vanwege het laag aantal zonuren op maaiveld in deze straten zal de opwarming van het maaiveld in eerste instantie beperkt blijven. De gevels boven het maaiveld warmen overdag echter wel gedeeltelijk op en stralen deze warmte ook uit naar het maaiveld. Tabel 3.4. Sky-view-factor ter plaatste van het nieuw aan te leggen park in Laakhavens Oriëntatie noord-zuid oost-west Breedte
115 m
300 m
Gebouwhoogte links
55 m
35 m
Gebouwhoogte rechts
150 m
90 m
SVF
0,82 of 74°
0,70 of 125°
Figuur 3.21. Verklaring van de 2D sky-view-factor
Ventilatie in de toekomstige situatie: In het nieuw aan te leggen park (B in Figuur 3.22), zoals weergegeven in afbeelding 3.21, wordt nieuwe bebouwing gerealiseerd. Hier verandert de ventilatie het meeste. De hoogte van de nieuwe gebouwen neemt toe t.o.v. van de huidige situatie. Binnen dit gebied leidt de toename in bouwhoogte ertoe dat windhinder frequenter optreedt langs de zijden van de gebouwen. Tussen de bebouwing wordt de zuidwestenwind in belangrijke mate effectief buiten het gebied B gehouden vanwege de oriëntatie en de hoogte. De mate van hinder varieert sterk, afhankelijk van de windsterkte binnen het gebied. Tussen de bebouwing is het door de hoogte daardoor juist ook mogelijk dat er een gebrek aan ventilatie ontstaat waardoor opgebouwde warmte de straten moeilijk kan verlaten. Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
25
A
B
Figuur 3.22. De toekomstige gebouwhoogten en de ventilatiestromen op basis van de dominante windrichtingen (normaal gesproken zuid tot zuidwest en tijdens hittegolven vaak oostnoordoost).
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
26
4
Haagse ambities en eisen In de onderstaande tabel zijn de Haagse ambities en eisen weergegeven met hun risicoprofiel op basis van de bovenstaande informatie. Op basis van het risicoprofiel kan bepaald worden in welke mate klimaatadaptatie van belang zou moeten zijn in het gemeentelijke ambitieweb. Tabel 4.1. Toetsing van het ontwikkelgebied t.p.v. Laakhavens in de huidige situatie aan de Haagse eisen en ambities. Eisen / ambities Risicoprofiel Onderbouwing Extreme neerslag Schade aan gebouwen vanuit openbare ruimte Functioneren vitale infrastructuur en nutsvoorzieningen Beschikbaarheid routes en locaties hulplocaties
Hoog Hoog
Plaatselijk meer dan 25 cm tegen de gevel Meer dan 30 cm water op straat
Hoog
Onderdoorgangen Calandstraat en Rijswijkseweg mogelijk onbereikbaar voor een aantal uur na de piekbui en beperkte alternatieve routes Geldt bij ontwikkeling en herinrichting van privaatterrein. Geldt bij ontwikkeling en herinrichting van privaatterrein. Knelpunt Rijswijkseweg ligt in het onderzoeksgebied; Knelpunt Huygenspark grenst aan het onderzoeksgebied
Water vasthouden op privaat terrein Waterrobuust ontwerp bebouwing Aanpak bekende knelpunten openbare ruimte
N.v.t. N.v.t. Hoog
Grondwateroverlast Advies infiltratiepotentie handelingskader Grondwateroverlast aanwezig
Oranje Hoog
Gevoelige bebouwing
Hoog
Gevoelige beplanting
Middel
Droogte Beplanting Funderingen
Klein Klein
De situatie is eerder te nat dan te droog Gebouwen van voor 1960 en meer dan 1,5 m ontwateringsdiepte bij stresstest met twee droge jaren.
Hitte Mix schaduw en zon
Middel
30% zon t.o.v. 70% schaduw voor het projectgebied in de toekomstige situatie
Gezondheidsimpact op kwetsbare groepen Functioneren vitale infrastructuur en nutsvoorzieningen Nota Haagse Hoogbouw (RIS 298448)
N.v.t. Klein
Hitte-robuust ontwerp bebouwing
N.v.t.
40% van de buitenruimte is ingericht met groen, warmtewerende en/of materialen een zon / schaduwverhouding van 50%-50% t.p.v. verblijfsplekken op 21 juni om 14 uur.
Hoog
Nader te bepalen De bestaande bruggen kunnen hittestress ervaren, dit is niet bepaald in dit onderzoek. Geldt bij ontwikkeling en herinrichting van privaat terrein. Geldt bij ontwikkeling en herinrichting van privaat terrein. Vooral veel steen aanwezig
N.v.t.
Klein
Alleen met maatwerk / afgeraden Reeds grondwateroverlast aanwezig in het onderzoeksgebied en een verslechtering van de situatie in 2025 Zeer plaatselijk oude panden (1914) met mogelijk hinder, schade en gezondheidsproblematiek tot gevolg Beplanting aanpassen aan hoge grondwaterstanden
65% zon t.o.v. 35% schaduw in het aan te leggen park, exclusief bomen
Legenda risicoprofiel: Klein De locatie voldoet grotendeels al aan de Haagse ambitie of eis; Middel De locatie voldoet niet aan de Haagse ambitie of eis maar de potentiële schade is beperkt; Hoog De locatie voldoet niet aan de Haagse ambitie of eis en de potentiële schade is reëel.
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
27
5 5.1
Keuze oplossingsprincipes en maatregelen Groen tenzij Vergroening draagt op meerdere manieren bij aan de adaptatie aan klimaatverandering: het helpt wateroverlast, hitte en droogte te verminderen. Uit kaart met stedelijke componenten blijkt dat ongeveer 8,2% van het oppervlak van het onderzoeksgebied bestaat uit groen (zoals tuinen en groenvakken). Daarnaast beslaat de boomkroon van openbare bomen 4,5% van het onderzoeksgebied. Op basis van de Klimaateffectenatlas kan worden geconcludeerd dat dit percentage groen laag is voor dit type wijk (zie §3.1). In de toekomstige situatie Op basis van de toekomstige stedelijke componenten neemt het groene oppervlak toe tot 15,2% van het totaal en het aantal boomkronen tot 4,8%. Als deze vergroening wordt verwezenlijkt kan dit een significant effect hebben op de sponswerking (een toename van bijna 800 m³). Daarnaast heeft groen een effect op de zon/schaduwverhouding en de hitte die wordt vastgehouden. Als verblijfsplaats heeft deze groenvoorziening een buurtfunctie om schaduw te bieden tijdens hittegolven. In figuur 5.1 is de kansenkaart voor vergroening van de gemeente Den Haag weergegeven. Op deze kaart zijn vergroeningskansen bij de herontwikkeling van Laakhavens niet meegenomen. De kaart toont vooral een aantal kleinere locaties waar additionele vergroening mogelijk is. Deze locaties zijn: A. Terrein t.p.v. de Haagse Hogeschool; B.
Kruising Waldorpstraat en Leeghwaterplein; C. Langs de Waldorpstraat t.h.v. het station; D. Langs de Rijswijkseweg; E. Buurt ten oosten van Rijswijkseweg; F. Kaap Goudriaankade en Bontekoekade.
C
B
D
E
F
A
Figuur 5.1. De kansenkaart voor vergroening van de gemeente Den Haag.
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
28
5.2
Extreme neerslag
5.2.1 Doelmatigheid De Rijswijkseweg komt in de Glossy klimaatadaptatie naar voren als één van de prioritaire routes voor de aanpak van wateroverlast. Uit het verleden blijkt dat er ter plaatse van de onderdoorgangen van de Rijswijkseweg en de Calandstraat-Vaillantlaan inderdaad wateroverlast plaatsvindt bij hevige neerslag. Daarnaast is het naastgelegen Huygenspark een prioritaire locatie voor wateroverlast met een groot risico op grondwateroverlast. De ontwikkelingen in laakhavens kunnen invloed hebben op de onderdoorgangen via belasting van het HWA-systeem en oppervlakkige afvoer naar de Calandstraat. Daarnaast hebben de ontwikkelingen in Laakhavens invloed op het grondwatersysteem van de Huygenspark omdat het grondwater ter plaatse van het Huygenspark afvoert naar het oppervlaktewater in Laakhavens. Daarnaast is er binnen het huidige Laakhaven ook sprake van een modelmatige kwetsbaarheid van water dat panden in stroomt. Daarom is de doelmatigheid om maatregelen te nemen groot. 5.2.2 Type maatregelen De onderstaande maatregelen zijn opgenomen van meest wenselijk tot minst wenselijk op basis van de richtlijnen van het Hoogheemraadschap van Delfland (Richtlijn compensatie verharding, Delfland 2025). Deze richtlijnen zijn opgesteld op basis van de betrouwbaarheid van de maatregelen en eventuele dubbelfuncties in gedachten.
Oevermaatregelen Op de locaties naast het oppervlaktewater zijn volgens de richtlijnen van Delfland vooral het graven of verbreden van het water, het aanleggen van natuurvriendelijke of verlaagde oevers de meest wenselijke manier van adaptatie op extreme neerslag. In dit geval heeft het toevoegen van bergingsruimte aan het watersysteem niet alleen lokaal, maar ook een regionale impact op de weerbaarheid tegen extreme neerslag. Qua oriëntatie zijn de zuidoevers van Laakhave zeer geschikt voor een natuurvriendelijke oever. Echter staat het huidige gebruik als aanmeerplek voor boten en het gebrek aan beschikbare ruimte deze maatregelen waarschijnlijk niet toe. Groene infiltratie in combinatie met drainage Een goed doorwortelde infiltratie voorziening, zoals een divers beplante wadi, functioneert op de lange termijn vaak beter van andere infiltratievoorzieningen en draagt naast voorkomen van wateroverlast onder meer bij aan grondwater aanvulling, omgevingskwaliteit en biodiversiteit (Richtlijn compensatie verharding, Delfland 2025). Infiltratie in of nabij gebieden met een risico op grondwateroverlast is niet zondermeer toegestaan. Laakhavens is één van deze gebieden doordat infiltratie het risico op grondwateroverlast in Huygenspark kan vergroten.
Ook is er ook een risico op grondwateroverlast in Laakhavens zelf en wordt dit risico in de periode tot 2050 alleen maar erger door zeespiegelstijging en het stopzetten van de DSM-onttrekking. Derhalve is grootschalige infiltratie zonder maatregelen niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat er bij infiltratievoorzieningen ook drainage moet worden aangelegd. Door de aanwezigheid van het HWA-riool is het mogelijk om drainage toe te passen, maar om effectief te zijn moet de drainage voorziening boven -0,43 mNAP liggen, omdat het anders water uit de Laakhaven kan infiltreren. De gronddekking is afhankelijk van de maatregel 0,25 tot 0,7 m wanneer een verkeersbelasting van VK 60 (Zwaar transport; 33,3 kN/m²) behaald moet worden. Op basis van deze inschatting is er onder het maaiveld verticaal minimaal 0,13 tot 0,73 m ruimte om de infiltratie én drainage voorziening te plaatsen. Hierdoor is er waarschijnlijk enkel ruimte voor infiltratie vanaf het maaiveld in combinatie met een drain. Door de grens van -0,43 mNAP kan de drainage alleen bij reguliere hoge grondwaterstanden en plaatselijk bij gemiddelde grondwaterstanden overtollig grondwater afvoeren. Bij de reguliere lage grondwaterstanden zal er alsnog grondwater aanvulling plaatsvinden waardoor het risico op grondwateroverlast in het Huygenspark verhoogd kan worden.
Het toepassen van een dergelijke voorziening moet derhalve worden afgestemd met de betrokken partijen (maatwerk).
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
29
Bij het ontwerpen van de voorziening moet met de volgende criteria rekening gehouden worden: • De bodem van de voorziening ligt boven de reguliere hoge grondwaterstand van ca. -0,1 tot -0,7 mNAP. • Er wordt een drainagevoorziening toegepast waarbij rekening wordt gehouden met de benodigde gronddekking. • Deze drainagevoorziening wordt op het gewenste grondwaterniveau geplaatst, maar niet dieper dan -0,43 mNAP. • Indien de voorziening volledig gevuld is, leegt hij minimaal in 1 en maximaal in 7 dagen. Dit kan eventueel worden bereikt door middel van bodemverbetering of drains boven de reguliere hoge grondwaterstand op een berekende afstand van de wadi. • Het leeglopen geschiedt op natuurlijke wijze via de ondergrond. Alleen bij extreme neerslagsituaties waarbij de aanvoer groter is dan het ontwerp volume mag, ter voorkoming van overlast vanuit de voorziening, via een slokop op het HWA-riool geloosd worden. Vertragend groen Op locatie waar het toepassen van drainage niet haalbaar is moet doormiddel van verhoogde randen rondom de groenvakken of verhoogde groenvakken voorkomen worden dat water van de straat en trottoirs afstroomt naar het groen. Het regenwater dat direct in de groenvakken terecht komt mag wél zonder maatregelen en speciale infiltratievoorzieningen infiltreren.
Dit betekent dat het groen op een dusdanige manier ontworpen moet worden dat het regenwater vast wordt gehouden of vertraagd afstroomt. Dit type maatregel valt afhankelijk van het precieze ontwerp onder de eerste of tweede keuze type maatregel van het Hoogheemraadschap van Delfland. Daarnaast kan het toepassen van vertragend groen in de vorm blauwgroene daken in deze omgeving de sleutelfactor zijn voor de weerbaarheid van de locatie tegen extreme neerslag. Specifiek bij de Rijswijkseweg 60 is een blauwgroendak dat 24 m³ de belangrijkste maatregel om het verergeren van de waterhinder te voorkomen. Halfverharding in combinatie met drainage Door de bestrating aan te passen kan een gedeelte van het water worden geïnfiltreerd. De waterinfiltrerende verharding kan bestaan uit waterpasserende verharding, open verharding of halfverharding en dient aangelegd te worden zoals aangegeven in het HOR. Aanvullend op de richtlijnen uit het HOR dient op deze locatie drainage toegepast te worden onder de halfverharding. Daarnaast dienen er in dit gebied altijd kolken aanwezig te zijn om overtollig water af te voeren en te grote pieken in infiltratie te voorkomen. Pas het juiste type waterinfiltrerende op de juiste locaties. Op basis van de onderstaande tabel zijn zowel waterpasserende verharding, openverharding als halfverharding geschikt voor specifieke locaties in Laakhavens.
De keuze van het type waterinfiltrerende verharding dient gekozen te worden in samenspraak met de beheerder van het betreffende stadsdeel. De HOR schrijft per type waterinfiltrerende verharding een profielopbouw voor en vraagt om een goedgekeurd beheersplan. Tabel 5.1. Toepassen van het juiste type waterinfiltrerende verharding. Locatie Water passerende Open verharding Halfverharding verharding Erftoegangsweg Ja, in parkeervakken en/of Ja, in parkeervakken in Nee rijbaan (lage intensiteit). buitenwijken en nieuwbouw met lage parkeerdruk Plein Ja, niet toepassen bij markt- en evenementenlocaties Groengebied Nee Ja, want ‘Groen tenzij’ Winkelgebied Ja Nee Bedrijventerrein Ja, beperkt toepassen in verband met zwaar verkeer en Nee verontreiniging vanaf wegen Parkeerterrein Ja Ja, alleen bij extensief gebruik
Bij het toepassen van waterinfiltrerende verharding moet met de volgende criteria rekening gehouden worden:
Klimaatkansenscan Laakkwartier-Oost (7006564-2025019) Ingenieursbureau Den Haag CIV / Milieu
30
• • • • • • •
Waterinfiltrerende verharding wordt afgeraden bij een verkeersklasse boven E 600 kN = max 20 zware en 500 lichte voertuigen per dag. Pas bij hergebruik van gebakken klinkers in de parkeervakken waterpasserende verharding in de rijbaan toe. Er is in dit geval geen sprake van parkeervakken. Neem waterinfiltrerende verharding in een voorontwerp mee in de Boom-Effect-Analyse (BEA) bij toepassing nabij (monumentale) bomen. Er is in dit geval geen sprake van monumentale bomen. Houd tussen waterinfiltrerende verharding en een groenstrook altijd een buffer van 50 cm aan in verband met blad(afval). Bomen en – vooral – struiken staan bij voorkeur op grotere afstand. Houd rekening met kabels en leidingen die in nabije toekomst moeten worden vervangen. Minimaliseer het afschot van het wegdek (>1%). Hoe flauwer het wegdek des te beter de infiltratie. Voor traditionele verharding geldt een minimaal afschot van 2%. Houd bij open verharding in parkeervakken rekening met eventuele uitstapstroken (>30 cm). Onder de halfverharding dient een drainagesysteem te worden aangelegd. De drain wordt op het gewenste grondwaterniveau geplaatst, maar niet dieper dan -0,43 mNAP om de infiltratie van oppervlaktewater te voorkomen. Bij de haalbaarheid dient rekening te worden gehouden met de benodigde gronddekking van het drainagesysteem.