RIS324247 Bijlage Concept Besluit veilige jaarwisseling
Tekst van het document
Besluit van [datum] tot wijziging van het Vuurwerkbesluit en het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen in verband met de Wet veilige jaarwisseling (Besluit veilige jaarwisseling) [KetenID WGK028133]
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van, nr. IenW/BSK-, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de artikelen 9.2.2.1, eerste en tweede lid, 9.2.2.1a, vijfde en zevende lid, van de Wet milieubeheer en artikel 3, onderdeel b, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen; De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van, nr. ); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van, nr. IenW/BSK-, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan:
ARTIKEL I Het Vuurwerkbesluit wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 1.1.1 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd: ontheffinghouder: de houder van een geldige ontheffing als bedoeld in artikel 9.2.2.1a, vierde lid, van de Wet milieubeheer; 2. In het tweede lid vervalt “2.3.2, 2.3.3”. 3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende: 5. Voor de toepassing van de artikelen 2.3.2 en 2.3.3 wordt verstaan onder: a. afsteekplaats: gedeelte van het afsteekterrein waar het vuurwerk tot ontbranding wordt gebracht; b. afsteekterrein: terrein bestaande uit de afsteekplaats en het gebied rondom de afsteekplaats met een minimumafstand van PM meter vanaf de buitenrand van de afsteekplaats tot de buitenrand van het afsteekterrein en waar het vuurwerk wordt bewaard tot het tot ontbranding wordt gebracht; c. grondvuurwerk: vuurwerk waarbij de effectlading meteen tot ontbranding komt vanuit het vuurwerk; d. luchtvuurwerk: vuurwerk waarbij de effectlading eerst wordt uitgestoten vanuit het vuurwerk en daarna tot ontbranding komt; e. ontbranders: door de ontheffinghouder aangewezen personen die vuurwerk tot ontbranding mogen brengen en onder leiding van een supervisor staan;
f. supervisor: door de ontheffinghouder aangewezen persoon die ter plaatse verantwoordelijk is voor een goede gang van zaken; g. veiligheidsafstand: minimumafstand tussen afsteekplaats en publiek; h. veiligheidszone: gebied rondom de afsteekplaats met een straal die ten minste gelijk is aan de veiligheidsafstand die ingevolge onderdeel g bij het tot ontbranding brengen van het betreffende vuurwerk in acht moet worden genomen.
B Artikel 1.2.4 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het tweede lid wordt onder verlettering van de onderdelen c tot en met e tot b tot en met d een onderdeel ingevoegd, luidende: a. indien tijdens de periode van 31 december 12.00 uur tot 1 januari 12.00 uur van het daaropvolgende jaar een ontheffinghouder niet meer dan 200 kg verpakt bij ministeriële regeling aangewezen vuurwerk van categorie F2 voorhanden heeft op een plaats die niet voor het publiek toegankelijk is; 2. In het vierde lid wordt na “indien” ingevoegd “het vuurwerk of de”. C Artikel 1.2.5 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt “onder c” vervangen door “onder b”. 2. In het tweede lid, aanhef, vervalt “anders dan voor eigen gebruik, in een hoeveelheid van meer dan 25 kg per vervoermiddel”. 3. Aan het tweede lid wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende: d. die houder is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9.2.2.1a, vierde lid, van de Wet milieubeheer. D In artikel 2.1.3, eerste lid, wordt “Vuurwerk van consumentenvuurwerk,” vervangen door “Consumentenvuurwerk”.
E Na artikel 2.3.1 worden vier artikelen ingevoegd, luidende: Artikel 2.3.2 Ontheffing, als bedoeld in artikel 9.2.2.1a, vierde lid, van de Wet milieubeheer kan door de burgemeester uitsluitend worden verleend als ten minste aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de aanvrager is een vereniging of stichting die staat ingeschreven in het handelsregister op een adres in de desbetreffende gemeente; b. de aanvraag gaat vergezeld van een naar het oordeel van de burgemeester afdoende veiligheidsplan met situatietekening en een overzicht van het af te steken vuurwerk waarin wordt beschreven hoe de ingevolge artikel 2.3.2a, eerste lid, aan de ontheffing te verbinden voorschriften zullen worden nageleefd; c. het afsteekterrein waarop de aanvraag ziet, is niet de binnenruimte van een gebouw, is goed bereikbaar voor de hulpdiensten, is zodanig gelegen dat voldoende ruimte 2
bestaat voor de voorgeschreven veiligheidszone waarin zich geen zeer kwetsbare gebouwen en locaties, bedrijfsmatig gehouden dieren, brandbare objecten of voer- of vaartuigen bevinden en is, naar het oordeel van de burgemeester, geschikt voor het op veilige wijze tot ontbranding brengen en het daaraan voorafgaand bewaren van vuurwerk zoals aangevraagd; d. de aanvraag heeft betrekking op maximaal 200 kg verpakt bij ministeriële regeling aangewezen vuurwerk van categorie F2; e. de aanvrager wijst een of twee supervisors aan die ter plaatse verantwoordelijk zijn voor een goede gang van zaken alsmede ten hoogste acht ontbranders die vuurwerk tot ontbranding mogen brengen. Artikel 2.3.2a 1. Aan de ontheffing worden in ieder geval de volgende, op het afsteekterrein en de veiligheidszone betrekking hebbende voorschriften verbonden: a. het afsteekterrein en de veiligheidszone worden ingericht overeenkomstig het veiligheidsplan en zijn goed bereikbaar voor de hulpdiensten; b. de veiligheidsafstand bedraagt PM meter; c. voordat het vuurwerk op het afsteekterrein wordt neergelegd, wordt het afsteekterrein afgesloten voor het publiek; d. op het afsteekterrein wordt niet meer dan 200 kg verpakt vuurwerk van categorie F2 op veilige wijze en op ten minste PM meter van de buitenrand van de veiligheidszone neergelegd en onder permanent toezicht geplaatst door de ontheffinghouder; e.
op het afsteekterrein zijn aanwezig: een afschrift van de ontheffing met de daaraan verbonden voorschriften en een afschrift van de factuur waarop het aanwezige vuurwerk staat vermeld; f. binnen de veiligheidszone is geen open vuur aanwezig en wordt niet gerookt; g. op het afsteekterrein zijn voldoende handblusapparaten aanwezig; h. tijdens het tot ontbranding brengen van vuurwerk mag de veiligheidszone niet worden betreden door anderen dan de supervisor, de ontbranders en de toezichthouder; j. het afsteekterrein wordt direct na afloop van het tot ontbranding brengen van het vuurwerk opgeruimd en schoon opgeleverd. 2. Aan de ontheffing worden voorts in ieder geval de volgende, op de supervisor en de ontbranders betrekking hebbende voorschriften verbonden: a. het vuurwerk mag tot ontbranding worden gebracht door maximaal acht in de aanvraag genoemde ontbranders die ten minste 16 jaar oud zijn; b. de ontbranders staan onder leiding van ten minste één in de aanvraag genoemde supervisor die ten minste 18 jaar oud is; c. de supervisor houdt tijdens de ontbranding zicht op het vuurwerk, de afsteekplaats, de veiligheidszone en de ontbranders; d. de supervisor beschikt over communicatiemiddelen waarmee contact kan worden opgenomen met hulpdiensten en toezichthouders; e. de supervisor en de ontbranders hebben kennis over het veilig afsteken van vuurwerk; f.
de supervisor en de ontbranders dragen een vuurwerkbril en de ontbranders gebruiken een aansteeklont bij het tot ontbranding te brengen van het vuurwerk; g. de supervisor en de ontbranders zijn niet onder invloed van alcohol of andere verdovende middelen. 3. Aan de ontheffing worden voorts in ieder geval de volgende, op de wijze en het moment van tot ontbranding brengen van vuurwerk betrekking hebbende voorschriften verbonden: 3
a. het vuurwerk wordt uitsluitend tot ontbranding gebracht tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daaropvolgende jaar; b. het vuurwerk wordt afgestoken zoals vastgelegd in het veiligheidsplan dat bij de aanvraag is ingediend en aldus onderdeel uitmaakt van de verleende ontheffing; c. het vuurwerk wordt niet bewerkt en wordt uitsluitend handmatig afgestoken; d. het tot ontbranding brengen vindt plaats volgens de gebruiksaanwijzing of het veiligheidsinformatieblad behorend bij het vuurwerkartikel, voor zover niet anders is bepaald; e. het vuurwerk is stabiel en op de grond opgesteld, loodrecht op het grondoppervlak; f. de ondergrond die wordt gebruikt voor het opstellen van het vuurwerk is niet brandbaar; g. alvorens het vuurwerk tot ontbranding te brengen wordt gecontroleerd of de minimale veiligheidsafstanden in acht worden genomen; h. indien nabij de veiligheidszone vuurwerk anders dan fop- en schertsvuurwerk wordt afgestoken of derden de veiligheidszone betreden, wordt het tot ontbranding brengen van vuurwerk onmiddellijk gestaakt; i. indien weers- of andere omstandigheden het veilig tot ontbranding brengen van vuurwerk bemoeilijken of belemmeren, wordt het tot ontbranding brengen van vuurwerk onmiddellijk gestaakt; j. niet ontbrand vuurwerk wordt uiterlijk 1 januari 12.00 uur direct volgend op de jaarwisseling geretourneerd aan de verkoper.
Artikel 2.3.2b 1. De burgemeester trekt een verleende ontheffing onverwijld geheel of gedeeltelijk in indien: a. de weers- of andere omstandigheden ten tijde van de periode als bedoeld in artikel 2.3.3, tweede lid, ter plaatse van de locatie waarvoor ontheffing is verleend naar verwachting van dien aard zijn dat het veilig tot ontbranding brengen van vuurwerk niet gewaarborgd is; b. blijkt dat bij de aanvraag onjuiste gegevens zijn verstrekt terwijl verstrekking van de juiste gegevens zou hebben geleid tot weigering van de ontheffing; c. sedert de aanvraag wijzigingen zijn opgetreden ten opzichte van de bij de aanvraag verstrekte gegevens die, als zij waren ten tijde van de aanvraag bekend waren geweest, zouden hebben geleid tot weigering van de ontheffing. 2. De burgemeester kan een verleende ontheffing intrekken indien: a. de ontheffinghouder één of meer van de aan de ontheffing verbonden voorschriften niet naleeft; b. blijkt dat bij de aanvraag onjuiste gegevens zijn verstrekt terwijl verstrekking van de juiste gegevens mogelijk zou hebben geleid tot weigering van de ontheffing; c. sedert de aanvraag wijzigingen zijn opgetreden ten opzichte van de bij de aanvraag verstrekte gegevens die, als zij waren ten tijde van de aanvraag bekend waren geweest, mogelijk zouden hebben geleid tot weigering van de ontheffing. Artikel 2.3.3 1.
Het is verboden consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen aan een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis. 2. Dit verbod geldt niet op 31 december tussen 12.00 en 18.00 uur indien maximaal 200 kg verpakt vuurwerk van categorie F2 dat bij ministeriële regeling is aangewezen ter beschikking wordt gesteld aan een ontheffinghouder. 4
3. Alvorens tot terbeschikkingstelling over te gaan, controleert de verkoper de ontheffing en bewaart een kopie ervan in zijn administratie. 4. Op 1 januari wordt niet ontbrand vuurwerk kosteloos teruggenomen. F Artikel 2.3.4 wordt als volgt gewijzigd: 1. Voor de tekst wordt de aanduiding “1.” geplaatst. 2. Na “particulier” wordt “of ontheffinghouder” ingevoegd. 3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende: 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het vuurwerk ter plaatse van het afsteekterrein wordt bezorgd door of in opdracht van de verkoper. G Na artikel 2.3.5 wordt een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 2.3.6 Het is verboden consumentenvuurwerk te verkopen of anderszins ter beschikking te stellen aan een ontheffinghouder zonder een veiligheidsbril en een aansteeklont te verstrekken voor iedere 25 kg vuurwerk die ter beschikking wordt gesteld en instructies te geven over het veilig tot ontbranding brengen van dit vuurwerk. H Artikel 2.3.7 komt te luiden: Artikel 2.3.7 De artikelen 1.2.4, 1.2.5, 2.3.3 en 2.3.6 gelden niet ten aanzien van fop- en schertsvuurwerk. ARTIKEL II In artikel 4, eerste lid, onderdeel h, van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen wordt “vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik” vervangen door “fop- en schertsvuurwerk”.
ARTIKEL III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. ARTIKEL IV Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit veilige jaarwisseling.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,
5
A.A. Aartsen
6
Nota van toelichting Algemeen 1. Inleiding De Wet veilige jaarwisseling – een initiatiefwet van de leden Klaver (GroenLinks-PvdA) en Ouwehand (Partij voor de Dieren) – regelt een vuurwerkverbod voor consumenten in de Wet milieubeheer (hierna: de wet). Het afsteken van F1-vuurwerk (fop- en schertsvuurwerk) blijft gedurende het hele jaar toegestaan. Ook professionele vuurwerkontbrandingen blijven mogelijk. In de wet is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen voor het afsteken van aangewezen F2-vuurwerk tijdens de jaarwisseling. Uitwerking daarvan dient plaats te vinden bij algemene maatregel van bestuur. Ook dient als gevolg van de nieuwe wet een aantal bepalingen in het Vuurwerkbesluit te worden aangepast. Hiertoe wordt het Vuurwerkbesluit gewijzigd. 2. Hoofdlijnen van het voorstel 2.1 Algemeen In onderhavige wijziging van het Vuurwerkbesluit (hierna: wijzigingsbesluit) zijn – zoals bepaald in het met de Wet veilige jaarwisseling aan de wet toegevoegde artikel 9.2.2.1a van de Wet milieubeheer – de voorwaarden waaronder de burgemeester ontheffing kan verlenen uitgewerkt, alsmede de voorschriften die aan de ontheffing kunnen worden verbonden. Ook is het F2-vuurwerk waarvoor een ontheffing kan worden verleend krachtens dit wijzigingsbesluit aangewezen, en zijn regels gesteld over de verkoop van het aangewezen F2-vuurwerk.
Met de bepaling in de wet die de burgemeester bevoegd maakt om een ontheffing te verlenen van het vuurwerkverbod en de uitwerking daarvan in onderhavig wijzigingsbesluit, is getracht het voor georganiseerde groepen burgers, zoals dorps- of buurtverenigingen, mogelijk te maken om tijdens de jaarwisseling op een verantwoorde en veilige manier vuurwerk af te steken op een daartoe aangewezen, geschikte plek. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) is verantwoordelijk voor de vuurwerkregelgeving en ziet het als haar rol om bij de uitwerking van vuurwerkregelgeving in de eerste plaats de veiligheid van de opslag, het vervoer, de verkoop en het afsteken van vuurwerk te waarborgen. Met het oog daarop is bij de uitwerking van de ontheffingsmogelijkheid waar dat kan aangesloten bij bestaande veiligheidseisen in de regelgeving. In dat kader is ervoor gekozen om zo veel mogelijk aan te sluiten bij de regels die voor professionele toepassers gelden bij het afsteken van consumentenvuurwerk 1, en is geregeld dat per ontheffing het voor een (informele) vereniging of stichting mogelijk is om maximaal 200 kilo consumentenvuurwerk af te steken. Er bestaat een breed gedragen wens om waar dat kan zoveel mogelijk vereisten, zoals veiligheidsvereisten, nationaal vast te leggen.
Hiermee wordt onwenselijke versnippering voorkomen, maar wordt de burgemeester wel de ruimte geboden om binnen die kaders met zijn expertise en de kennis van zijn gemeente in overleg met de lokale driehoek te beslissen of, en zo ja, voor welke locatie een ontheffing wordt verleend. Ook kan de burgemeester op basis van eigen beleid een maximumaantal ontheffingen in zijn gemeente vaststellen. In het Vuurwerkbesluit zijn voorwaarden en voorschriften opgenomen waarmee de veiligheid zo goed mogelijk kan worden gewaarborgd. Met het nationaal vastleggen van veiligheidsvereisten, worden de risico’s die met het afsteken van vuurwerk gepaard gaan zo klein mogelijk gemaakt. Het borgen van de veiligheid is van groot belang voor zowel de ontbrander als omstanders en omwonenden. Op basis van een gedegen landelijk uniform veiligheidspakket kunnen verzekeraars bovendien de risico’s inschatten en de (eventuele) verzekerbaarheid van het afsteken van vuurwerk in het kader van een ontheffing. 1
Zie de Regeling bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk.
7
2.2 Voorwaarden Artikel 9.2.2.1a van de Wet milieubeheer regelt dat bij algemene bestuur regels worden gesteld over de voorwaarden waaronder door de burgemeester een ontheffing kan worden verleend, en welke voorschriften aan die ontheffing kunnen worden verbonden. Van een aantal aspecten die in het Vuurwerkbesluit zijn opgenomen, is van belang geacht dat deze als voorwaarde zijn opgenomen waaronder de burgemeester een ontheffing kan verlenen. Het opnemen als voorwaarde borgt dat de burgemeester indringend toetst of aan de gestelde voorwaarden is voldaan, voordat hij een ontheffing verleent. In een aantal gevallen kunnen deze voorwaarden immers al vooraf worden getoetst, en is dat ook wenselijk. Het gaat dan bijvoorbeeld om de vereisten die aan de ontheffinghouder en de ontbrander worden gesteld, het veiligheidsplan, de vereisten die worden gesteld aan de hoeveelheid vuurwerk, en de locatie waar het vuurwerk wordt afgestoken. Omdat wordt vereist dat het veiligheidsplan rekening houdt met de voorschriften die ten minste aan de ontheffing worden verleend, kan de burgemeester ook deze aspecten toetsen wanneer hij beslist op een aanvraag voor een ontheffing. Door middel van toezicht en handhaving tijdens de ontheffingsperiode kan gecontroleerd worden of aan de voorschriften en het veiligheidsplan wordt voldaan. De voorwaarden worden hierna toegelicht.
2.2.1 Voorwaarden die aan de aanvrager worden gesteld Een ontheffing kan enkel worden verleend aan (informele) verenigingen en stichtingen. Met deze keuze is aangesloten bij de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet veilige jaarwisseling waarin sprake is van het verlenen van ontheffing aan georganiseerde groepen burgers, waarmee bijvoorbeeld wordt geduid op dorps- en buurtverenigingen. Een vereniging of stichting die voor een ontheffing in aanmerking wil komen, moet staan ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Met deze voorwaarde wordt geborgd dat een ontheffinghouder een rechtspersoon is die civielrechtelijk – en wanneer noodzakelijk strafrechtelijk – aansprakelijk kan worden gesteld voor schade of letsel veroorzaakt in het kader van de verleende ontheffing. Een ontheffing kan door de burgemeester enkel worden verleend aan verenigingen en stichtingen die staan ingeschreven op een adres in zijn of haar gemeente. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat er een bepaalde binding met en verantwoordelijkheid naar de gemeente is waar het vuurwerk wordt afgestoken. Ook wordt het saamhorigheids- en gemeenschapsgevoel binnen een dorp, stad of wijk wordt versterkt. Er worden geen eisen gesteld aan het type vereniging of stichting. Het kan daarom gaan om een wijk- of buurtvereniging, een sportvereniging, of een speciaal opgerichte vuurwerkvereniging.
Het is aan de vereniging of stichting zelf om te bepalen of het afsteken van vuurwerk past binnen de eigen doelstellingen. Er geldt geen verplichting voor het opstellen van een notariële akte bij het oprichten van een vereniging om in aanmerking te kunnen komen voor een ontheffing. Bij de aanvraag wijst de aanvrager één of twee supervisors aan en maximaal acht personen die het vuurwerk in het kader van de ontheffing zullen afsteken (ontbranders). De supervisor is een door de vereniging of stichting aangewezen persoon die tijdens de ontbranding ter plaatse verantwoordelijk is voor een goede gang van zaken. Ontbranders zijn door de vereniging of stichting aangewezen personen die vuurwerk tot ontbranding mogen brengen en onder leiding van een supervisor staan. 2.2.2 Voorwaarden met betrekking tot het terrein en het veiligheidsplan Bij de aanvraag dient een aanvrager een veiligheidsplan te overleggen. In dit veiligheidsplan worden de voorschriften die de burgemeester ten minste stelt aan de ontheffing, in acht genomen. Ook is het veiligheidsplan voorzien van een situatietekening. Op die situatietekening is ten minste aangegeven waar de afsteekplaats, het afsteekterrein en de veiligheidszone zich bevinden. Op die manier kan een burgemeester beoordelen of de locatie geschikt is. Verder dient het veiligheidsplan een overzicht van het af te steken vuurwerk te bevatten.
Dit laatste is nodig om de minimale veiligheidsafstanden, en daarmee de grootte van de veiligheidszone, te bepalen. 8
De locatie waarop de ontheffingsaanvraag betrekking heeft, dient naar het oordeel van de burgemeester geschikt te zijn om het vuurwerk veilig tot ontbranding te brengen en tijdelijk neder te leggen. De burgemeester toetst dit bij de beoordeling van de aanvraag. Hierbij wordt in ieder geval rekening gehouden met de vereiste minimale veiligheidsafstanden, maar bijvoorbeeld ook met de nabijheid van bedrijfsmatig gehouden dieren, brandbare objecten, voer- of vaartuigen, en (zeer) kwetsbare gebouwen of locaties. Ook is het van belang dat de locatie bereikbaar is voor hulpdiensten. De burgemeester kan zich bij het beoordelen of een locatie geschikt is voor het ontbranden van vuurwerk in het kader van een ontheffing, desgewenst laten adviseren door de lokale driehoek en de brandweer. Daarbij kan hij ook afwegen of hij het afsteken van het vuurwerk dichtbij andere gebouwen, vanaf een gebouw of vanaf water in het kader van de ontheffing wenst toe te staan. Het is in het kader van de ontheffing niet toegestaan om in een binnenruimte vuurwerk af te steken. Het vuurwerk dat in het kader van de ontheffing mag worden afgestoken (aangewezen F2-vuurwerk) is daarvoor niet geschikt. Ook zal dit veelal niet mogelijk zijn gelet op de vereiste veiligheidsafstanden tot het publiek. Dit wordt bij de aanvraag getoetst.
Vanwege de veiligheid en het feit dat de ontbranders geen personen zijn met gespecialiseerde kennis, wordt hiermee afgeweken van de regels die gelden voor professionele vuurwerkshows, waarbij dit onder voorwaarden wel mogelijk is. In onderhavig wijzigingsbesluit worden enkel voorwaarden en voorschriften gesteld die tot doel hebben de veiligheid van het tot ontbranding brengen van vuurwerk te waarborgen voor de ontbrander, het publiek en de omgeving. Het Vuurwerkbesluit stelt geen regels over waar het tot ontbranding brengen van het vuurwerk, met inachtneming van die voorwaarden en voorschriften, precies plaatsvindt. De burgemeester kan binnen de kaders en met zijn expertise en de kennis van zijn gemeente immers het beste beslissen of de locatie waar de ontheffingsaanvraag betrekking op heeft, geschikt is. Het kan wenselijk zijn dat een burgemeester voorafgaand aan het openstellen van de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor een ontheffing bepaalde locaties aanwijst waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. Wanneer een burgemeester dat wenselijk acht, dan dient hij dat op te nemen in eigen beleid. 2.2.3 Hoeveelheid vuurwerk Er kan voor maximaal 200 kilo (verpakt 2) F2-vuurwerk een ontheffing worden verleend. De grens van 200 kilo consumentenvuurwerk is in de regelgeving reeds relevant bij professionele vuurwerkshows.
Tot 200 kilo consumentenvuurwerk kan in dat kader worden volstaan met een ontbrandingsmelding bij het bevoegde gezag (de provincie); daarboven is een ontbrandingstoestemming vereist. Ook valt deze maximumhoeveelheid binnen de geldende vrijstellingen in het kader van het vervoer van gevaarlijke stoffen. 3 Omdat F1-vuurwerk het gehele jaar door mag worden gekocht en afgestoken en op grond van Europese regelgeving niet mag worden beperkt, blijft het daarnaast mogelijk om F1-vuurwerk af te steken. 2.3 Voorschriften Aan de ontheffing wordt door de burgemeester een pakket aan voorschriften verbonden. Welke voorschriften dit ten minste zijn, is vastgelegd in het Vuurwerkbesluit. Deze voorschriften sluiten waar dat kan en waar dat opportuun is geacht, aan bij de regels die gelden voor professionele toepassers bij het afsteken van consumentenvuurwerk. Het Vuurwerkbesluit regelt het pakket aan voorschriften dat ten minste door de
2 Verpakt vuurwerk is in artikel 1.1.1, derde lid, onderdeel a, van het Vuurwerkbesluit gedefinieerd als ‘vuurwerk inclusief het omhulsel en eventuele verpakking, detailhandelsverpakking of assortimentverpakking en inclusief de transportverpakking als bedoeld in de ADR’. 3 Op grond van de ADR-regelgeving (Accord Européen relatif au transport international des marchandises Dangereuses par Route) mag consumentenvuurwerk van klasse 1.4G tot 333 kilo 9 netto explosieve massa ontplofbare stof toestemmingsvrij worden vervoerd.
burgemeester aan de ontheffing worden verbonden. Een burgemeester mag aanvullende voorschriften aan de ontheffing verbinden, indien hij dat wenselijk acht. Het pakket aan voorschriften is onderverdeeld in een aantal thema’s: voorschriften met betrekking tot de locatie, voorschriften met betrekking tot de supervisor en de ontbranders, en voorschriften met betrekking tot de wijze en het moment van ontbranden. 2.3.1 Voorschriften met betrekking tot de locatie In het pakket aan voorschriften zijn onder andere voorschriften opgenomen die zien op de locatie waar de ontheffing betrekking op heeft. Daarbij wordt uitgegaan van een afsteekplaats, een afsteekterrein en een veiligheidszone. De afsteekplaats is het gedeelte van het afsteekterrein waar het vuurwerk tot ontbranding wordt gebracht. Het afsteekterrein is het terrein bestaande uit een afsteekplaats en het gebied rondom de afsteekplaats met een minimumafstand van PM meter vanaf de buitenrand van de afsteekplaats tot de buitenrand van het afsteekterrein, waar het vuurwerk wordt bewaard tot het tot ontbranding wordt gebracht. De veiligheidszone is het gebied rondom de afsteekplaats met een straal die ten minste gelijk is aan het aantal meter dat als veiligheidsafstand bij het tot ontbranding brengen in acht moet worden genomen.
Aan de ontheffing worden ten minste de volgende voorschriften verbonden: Vuurwerk wordt uitsluitend tot ontbranding gebracht op het in de ontheffing aangegeven terrein. Dit terrein dient te voldoen aan het veiligheidsplan en de bij de aanvraag ingediende situatietekening. Deze vereisten zijn als voorwaarde opgenomen opdat de burgemeester deze toetst bij de beoordeling van de aanvraag. Deze vereisten dienen tevens als voorschrift te worden opgenomen, om te borgen dat het F2-vuurwerk waarvoor een ontheffing is verleend, ook in de praktijk niet buiten de toegestane locatie wordt afgestoken en voldoet aan het veiligheidsplan. De veiligheidszone heeft een zodanige grootte dat rekening wordt gehouden met de minimale veiligheidsafstanden die bij het tot ontbranding brengen in acht moeten worden genomen. Voordat het vuurwerk op het afsteekterrein wordt neergelegd, wordt het afsteekterrein afgesloten voor publiek. Tijdens de ontbranding is niet meer dan 200 kilo F2-vuurwerk aanwezig op het afsteekterrein. Op het afsteekterrein dient het vuurwerk op een veilige wijze en op ten minste acht meter van de buitenrand van de veiligheidszone 4 te worden bewaard (nedergelegd) en er dient permanent toezicht te worden gehouden door de vereniging of stichting.
Op de afsteekplaats is een aantal documenten verplicht aanwezig, namelijk een afschrift van de door de burgemeester verleende ontheffing en de daarbij behorende voorschriften en een afschrift van de factuur waarop de aanwezige vuurwerkartikelen staan vermeld. Aan de hand hiervan kan door toezichthouders en handhavers gecontroleerd worden of er een ontheffing is verleend voor het afsteken van F2vuurwerk, en welk vuurwerk aanwezig is op de locatie. Deze documenten mogen door een ontheffinghouder zowel op papier als digitaal worden getoond. Om te voorkomen dat er vuur aanwezig is op de locatie waar de ontheffing betrekking op heeft is als voorschrift opgenomen dat binnen de veiligheidszone geen open vuur aanwezig is, niet wordt gerookt, en er op het afsteekterrein tijdens de ontbranding voldoende handblusapparaten aanwezig zijn om een beginnende brand zo snel mogelijk te kunnen bestrijden. Tijdens het tot ontbranding brengen van vuurwerk mag de veiligheidszone enkel worden betreden door de supervisor(s), de ontbranders en de toezichthouder.
4 In veel gevallen zal door de te hanteren veiligheidsafstanden van de afsteekplaats tot de buitenrand van de veiligheidszone meer dan PM meter afstand bestaan tussen de buitenrand van het afsteekterrein (waar het vuurwerk mag worden nedergelegd) en de veiligheidszone. In sommige gevallen (bijvoorbeeld als er sprake is van grondvuurwerk) is dat niet altijd het geval. In dat geval is geregeld dat er altijd PM meter afstand dient te bestaan tussen het vuurwerk dat er ligt 10 en de buitenrand van de veiligheidszone.
-
Het afsteekterrein wordt direct na afloop van het vuurwerkevenement opgeruimd en schoon opgeleverd.
2.3.2 Voorschriften met betrekking tot de supervisor en de ontbranders Het pakket aan voorschriften bevat verder een aantal voorschriften die zien op het veilig afsteken van het vuurwerk. Het gaat meer specifiek om vereisten die aan de ontbranders worden gesteld: Het vuurwerk mag tot ontbranding worden gebracht door een beperkt aantal personen. Het maximumaantal ontbranders per ontheffing is acht personen. 5 Deze personen zijn reeds in de aanvraag aangewezen door de aanvrager van de ontheffing (de vereniging of stichting). In het kader van de ontheffing worden ook maximaal één of twee zogenoemde supervisors vanuit de vereniging of stichting aangewezen. Deze supervisor houdt tijdens de ontbranding zicht op het vuurwerk, de afsteekplaats, de veiligheidszone en de ontbranders. Het ligt in de rede dat bij een grote veiligheidszone gebruik wordt gemaakt van twee supervisors. Ook heeft de supervisor de beschikking over communicatiemiddelen waarmee contact kan worden opgenomen met hulpverleningsdiensten en de gemeente wanneer de situatie daarom vraagt. De supervisor brengt zelf geen vuurwerk tot ontbranding. De supervisor dient te allen tijde zicht te hebben op het vuurwerk en de afsteeklocatie.
Zo kan hij tijdig opmerken wanneer er voorvallen zich voordoen op de afsteeklocatie, bijvoorbeeld wanneer er onverhoopt brand ontstaat, onbevoegden het terrein betreden, of het vuurwerk ongewoon gedrag vertoont (zoals omvallen). In het laatste geval ligt het met het oog op de veiligheid van de ontbrander en het publiek in de rede dat vergelijkbare artikelen niet meer worden afgestoken. De supervisor dient ten minste 18 jaar oud te zijn. Voor de ontbranders zijn de bestaande leeftijdseisen van toepassing die gelden voor het afsteken van F2vuurwerk, te weten 16 jaar of ouder. Van de ontbranders en de supervisors wordt verwacht dat hij of zij kennis heeft van het veilig afsteken van vuurwerk. Hiertoe wordt namens het Rijk een e-learning of voorlichtingspakket opgesteld. De supervisor en de ontbranders dragen een vuurwerkbril. De ontbranders gebruiken aansteeklonten om het vuurwerk tot ontbranding te brengen. De supervisor en de ontbranders zijn niet onder invloed van alcohol of andere verdovende middelen. 2.3.3 Voorschriften met betrekking tot de wijze en moment van ontbranden Het pakket aan voorschriften bevat tot slot een aantal voorschriften die zien op de wijze van het afsteken van het vuurwerk. Het gaat om de volgende voorschriften: Het vuurwerk wordt uitsluitend tot ontbranding gebracht tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daaropvolgende jaar.
Hiermee wordt aangesloten bij de afsteektijden die thans gelden voor het afsteken van vuurwerk door consumenten tijdens de jaarwisseling. Het vuurwerk wordt afgestoken zoals neergelegd in het veiligheidsplan dat bij de aanvraag is ingediend en bij de verleende ontheffing behoort. Het vuurwerk mag niet worden bewerkt en wordt in de originele staat tot ontbranding gebracht. Het vuurwerk mag uitsluitend handmatig – dat wil zeggen niet elektronisch – worden afgestoken. Voor het bevestigen van een elektronisch ontstekingsmechanisme is het in veel gevallen nodig dat het vuurwerk vooraf wordt bewerkt. Dit is in het kader van professionele vuurwerkevenementen gebruikelijk. Het wordt niet wenselijk geacht dat personen die niet over de vereiste specifieke specialistische kennis beschikken, vuurwerk voorafgaand aan het afsteekmoment bewerken. Het elektronisch afsteken van vuurwerk is daarom in het kader van een ontheffing niet toegestaan. Het afsteken moet plaatsvinden volgens de gebruiksaanwijzing of het veiligheidsinformatieblad behorend bij het vuurwerkartikel, voor zover niet anders is bepaald. 5
Hierbij is aangesloten bij de huidige toegestane 25 kilo consumentenvuurwerk per persoon.
11
-
-
-
-
Vuurwerk dient stabiel en op de grond te worden opgesteld, loodrecht op het grondoppervlak. Het is niet toegestaan om vuurwerk op bijvoorbeeld stellages te plaatsen of op bewegende objecten. Hiermee wordt voorkomen dat vuurwerk om kan vallen. De ondergrond die wordt gebruikt voor het opstellen van vuurwerk dient niet brandbaar te zijn. Ook zijn handelingen nabij het vuurwerk die kunnen leiden tot statische elektriciteit, brand, brandgevaar of onbedoelde ontsteking verboden. Bij het afsteken moeten minimale veiligheidsafstanden in acht worden genomen. Deze dienen ter bescherming van omstanders en het publiek. Afhankelijk van het type vuurwerk worden veiligheidsafstanden van minimaal PM meter in acht genomen. Deze veiligheidsafstanden dienen ook in acht te worden genomen bij het bepalen of een locatie geschikt is in het kader van een ontheffing. Indien publiek of omstanders nabij de veiligheidszone ander vuurwerk afsteken (niet zijnde fop- en schertsvuurwerk), dan dient het afsteken van vuurwerk door de ontheffinghouder onmiddellijk gestaakt te worden. Zo ook wanneer publiek de veiligheidszone betreedt. Indien weers- of andere omstandigheden het veilig tot ontbranding brengen van vuurwerk bemoeilijken of belemmeren, dient het tot ontbranding brengen van vuurwerk onmiddellijk te worden gestaakt.
Dat is bijvoorbeeld geval bij onverwachte harde wind (windkracht 5 of hoger), extreme droogte, of dichte mist waardoor er onvoldoende zicht mogelijk is. De burgemeester dient een ontheffing onverwijld in te trekken wanneer naar verwachting sprake zal zijn van dergelijke weersomstandigheden. In de situatie dat voorafgaand aan de ontbranding hier nog geen sprake van was, maar tijdens de ontbranding de weersomstandigheden het veilig afsteken desalniettemin belemmeren, is als voorschrift opgenomen dat het afsteken van het vuurwerk dan alsnog dient te worden gestaakt.
2.4 Intrekking of weigering van een ontheffingsaanvraag Een ontheffing wordt geheel dan wel gedeeltelijk ingetrokken indien sprake is van weersof andere omstandigheden ter plaatse van de locatie waarvoor ontheffing is verleend naar verwachting van dien aard zijn dat het veilig tot ontbranding brengen van vuurwerk niet gewaarborgd is. Dit is bijvoorbeeld geval bij extreme droogte, harde wind, of dichte mist zodanig dat de veiligheidszone niet in zijn geheel is te overzien dan wel het zicht minder bedraagt dan 200 meter. Verder trekt een burgemeester de ontheffing in als blijkt dat bij de aanvraag onjuiste gegevens zijn verstrekt terwijl verstrekking van de juiste gegevens zou hebben geleid tot weigering van de ontheffing, of als er wijzigingen zijn opgetreden ten opzichte van de bij de aanvraag verstrekte gegevens die, als zij ten tijde van de aanvraag bekend waren geweest, zouden hebben geleid tot weigering van de ontheffing. Het ligt in de rede dat een dergelijke beslissing, wanneer dat mogelijk is, uiterlijk op 30 december wordt genomen, zodat het vuurwerk nog niet ter beschikking is gesteld aan de ontheffinghouder. Wanneer het noodzakelijk is dat een dergelijke beslissing wordt genomen als het vuurwerk reeds ter beschikking is gesteld aan de ontheffinghouder, dan heeft de burgemeester de mogelijkheid om de ontheffing gedeeltelijk in te trekken.
Hiermee kan worden voorkomen dat een vereniging of stichting direct strafbaar is voor het voorhanden hebben van consumentenvuurwerk, zodra de ontheffing wordt ingetrokken. Ook is in het Vuurwerkbesluit een aantal situaties opgenomen waarin een burgemeester kan beslissen om een verleende ontheffing in te trekken. Dat is het geval wanneer een ontheffinghouder één of meer voorschriften niet naleeft, wanneer blijkt dat bij de aanvraag onjuiste gegevens zijn verstrekt terwijl verstrekking van de juiste gegevens mogelijk had geleid tot weigering van de ontheffing, en wanneer blijkt dat er wijzigingen zijn opgetreden die als zij ten tijde van de aanvraag bekend waren geweest, mogelijk zouden hebben geleid tot weigering van de ontheffing. 2.5 Type vuurwerk
12
Het type vuurwerk dat in het kader van een ontheffing mag worden afgestoken is aangewezen in de Regeling aanwijzing consumentenvuurwerk, zoals dat ook het geval was voordat de Wet veilige jaarwisseling in werking trad. Het is dus niet toegestaan om in het kader van de ontheffing F2-vuurwerk af te steken dat voordien ook niet was toegestaan. 2.6 Verkoop en terbeschikkingstelling Op grond van artikel 9.2.2.1a, tweede lid, van de Wet milieubeheer is de verkoop van vuurwerk van de categorieën F2 en F3 aan anderen dan personen met gespecialiseerde kennis verboden. Om verenigingen en stichtingen te kunnen voorzien in vuurwerk dat zij in het kader van een ontheffing kunnen afsteken, is het nodig dat in Nederland vuurwerk kan worden verkocht. Om die reden is in het zesde lid van dat artikel opgenomen dat dit verbod niet geldt op 29, 30 en 31 december indien de koper in het bezit is van een ontheffing. De regels over de verkoop van het vuurwerk zijn door middel van onderhavig wijzigingsbesluit opgenomen in het Vuurwerkbesluit. Daarin is geregeld dat per ontheffing maximaal het aantal kilo vuurwerk mag worden verkocht waarvoor ontheffing is verleend, met een maximum van 200 kilo. Ook is geregeld dat verkopers verplicht zijn te controleren of een koper een ontheffing heeft.
Verder is in het Vuurwerkbesluit geregeld dat de terbeschikkingstelling van het vuurwerk aan de houder van een ontheffing enkel op 31 december tussen 12.00 en 18.00 uur mag plaatsvinden. Dit betekent dat enkel op de laatste dag van het jaar het vuurwerk daadwerkelijk in bezit mag komen van een ontheffinghouder. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat het vuurwerk zo kort mogelijk op of in de nabijheid van de locatie van de ontheffing aanwezig is, voorafgaand aan het moment van ontbranding. Voordat een verkoper tot terbeschikkingstelling overgaat, controleert hij of de koper een ontheffing heeft en bewaart een kopie daarvan in zijn administratie. Bij het ter beschikking stellen dient een verkoper een veiligheidsbril en aansteeklont te verstrekken voor iedere 25 kilo aan vuurwerk die ter beschikking wordt gesteld. Het niet verstrekken van dergelijke veiligheidsmiddelen is verboden. Het verstrekken van vuurwerkbrillen en aansteeklonten was reeds verplicht vóór inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling, en is daarom geen nieuw vereiste.
Hoewel de verkoop van F1-vuurwerk (fop- en schertsvuurwerk) mogelijk blijft, professionele toepassers consumentenvuurwerk kunnen blijven afsteken, en er in het kader van de ontheffing vraag zal blijven bestaan naar F2-vuurwerk, is de verwachting dat als gevolg van het landelijk vuurwerkverbod voor consumenten, de verkoop van consumentenvuurwerk zal afnemen. Daarmee is het ook aannemelijk dat het aantal verkooppunten zal afnemen. Hoeveel verkooppunten dat zijn en waar de verkooppunten zich bevinden, wordt aan de markt overgelaten. Hierover zijn in het Vuurwerkbesluit geen regels gesteld. Artikel 9.2.2.1a van de Wet milieubeheer regelt dat de verkoop van F2- en F3-vuurwerk is verboden, behalve op 29, 30 en 31 december indien de koper in bezit is van een ontheffing. In de praktijk vinden bestellingen van vuurwerk vaak al eerder plaats. Dit blijft op grond van de wet mogelijk, mits de koopovereenkomst een opschortende voorwaarde bevat die bepaalt dat de koopovereenkomst niet eerder dan op 29 december van het betreffende jaar in werking treedt. Ook dient een voorbehoud te gelden voor het geval de betreffende vereniging of stichting geen ontheffing krijgt van de gemeente. 2.7 Vervoer Op grond van artikel 1.1.3.6 van het ADR is het vervoer van bepaalde hoeveelheden gevaarlijke goederen vrijgesteld van een aantal verplichtingen uit het ADR.
Omdat is gekozen voor een maximumhoeveelheid van 200 kilogram F2-vuurwerk valt het vervoer hiervan binnen de genoemde gedeeltelijke vrijstelling. Dit betekent dat het vervoer van het genoemde vuurwerk is toegestaan. Het vervoer is niet vrijgesteld van alle verplichtingen uit het ADR. Zo dient het vuurwerk bijvoorbeeld voorzien te zijn van juiste 13 etikettering en kenmerking, dient de vervoerder de beschikking te hebben over een
vervoerdocument, en dient er een brandblusser van tenminste 2 kilo poeder voor de brandbaarheidsklassen A, B en C aanwezig te zijn. Ook geldt er een rookverbod en gelden er voorschriften met betrekking tot het laden en lossen. De precieze voorschriften volgen uit de ADR-regelgeving; hierover worden in het Vuurwerkbesluit geen nadere eisen gesteld. Op grond van het Vuurwerkbesluit geldt voor het vervoer van meer dan 25 kilo consumentenvuurwerk, dat de vervoerder met een vrachtbrief als bedoeld in artikel 2.13 van de Wet wegvervoer goederen of een cognossement in de zin van boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, aan moet kunnen tonen dat de artikelen bestemd zijn voor een natuurlijk persoon of rechtspersoon. Op grond van het Vuurwerkbesluit was het voor de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling verboden consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter beschikking te stellen op een andere plaats dan een ruimte voor verkoop aan particulieren. Deze bepaling zorgde ervoor dat het vuurwerk enkel in winkels ter beschikking kon worden gesteld aan particulieren, en niet op andere locaties. In het wijzigingsbesluit wordt deze bepaling behouden, in die zin dat deze bepaling ook geldt voor het ter beschikking stellen van vuurwerk aan ontheffinghouders.
Het kan echter voorkomen dat het wenselijk is dat een verkooppunt het vuurwerk op 31 december op het afsteekterrein bezorgt of dat hij daartoe een vervoerder inschakelt. Dit kan wenselijk zijn voor een ontheffinghouder met het oog op de vereisten die uit de ADR-regelgeving volgen. Ook kan het zijn dat verkooppunten deze service willen verlenen, en er een markt ontstaat om deze dienstverlening aan te bieden aan verenigingen en stichtingen. Om dit mogelijk te maken is in het Vuurwerkbesluit geregeld dat het verbod om consumentenvuurwerk op een andere locatie dan het verkooppunt ter beschikking te stellen, niet van toepassing is wanneer het vuurwerk ter plaatse van het afsteekterrein wordt bezorgd door of in opdracht van de verkoper. 2.8 Tijdelijke opslag (nederlegging) Op grond van artikel 1.2.4 van het Vuurwerkbesluit mag het vuurwerk enkel voorhanden zijn op een plaats die niet voor het publiek toegankelijk is. Omdat het vuurwerk waar de ontheffing betrekking op heeft enkel op 31 december ter beschikking kan worden gesteld aan de ontheffinghouder, wordt ervoor gezorgd dat het vuurwerk zo kort mogelijk aanwezig is (nedergelegd) op het afsteekterrein. De ontheffinghouder (de vereniging of stichting) is op grond van de voorschriften die aan de ontheffing worden verbonden verantwoordelijk voor het veilig bewaren (nederlegging) van het vuurwerk.
Daarbij wordt door een ontheffinghouder bijvoorbeeld rekening gehouden met de weersomstandigheden (zoals sneeuw of regen). Ook is de ontheffinghouder verantwoordelijk voor de veiligheid van de locatie waar het vuurwerk wordt bewaard. De ontheffinghouder dient er bijvoorbeeld voor te zorgen dat het vuurwerk niet voor publiek toegankelijk is. Om dit te borgen is in de voorschriften onder andere opgenomen dat voordat het vuurwerk op het afsteekterrein wordt neergelegd, het afsteekterrein wordt afgesloten voor publiek. Op het afsteekterrein dient bovendien permanent toezicht te worden gehouden door de vereniging of stichting. Verder is geregeld in de voorschriften dat open vuur niet is toegestaan binnen de veiligheidszone (inclusief het afsteekterrein), roken is verboden, en het verplicht is dat op het afsteekterrein voldoende handblusapparaten aanwezig zijn. Deze voorschriften zijn voor een belangrijk deel vergelijkbaar met de vereisten die gelden voor professionele ontbranders, ook wanneer zij consumentenvuurwerk afsteken. 2.9 Teruglevering Een situatie kan zich voordoen waarin het vuurwerk dat in het kader van de ontheffing is gekocht en ter beschikking is gesteld aan de ontheffinghouder, niet wordt afgestoken. Bijvoorbeeld wanneer weersomstandigheden het afsteken van vuurwerk niet toelaten.
In artikel 9.2.2.1a van de Wet milieubeheer is geregeld dat de ontheffing van de in het eerste lid gestelde verboden, enkel kan worden verleend ten behoeve van het tijdens de jaarwisseling tot ontbranding brengen van vuurwerk. Ook het bezit van consumentenvuurwerk na de jaarwisseling is op grond van het Vuurwerkbesluit niet toegestaan. Gelet hierop, en met het oog op de veiligheid, is het nodig dat het vuurwerk 14 dat niet is afgestoken, veilig wordt teruggeleverd aan het verkooppunt waar het
vuurwerk is gekocht. In het Vuurwerkbesluit is dan ook als voorschrift opgenomen voor ontheffinghouders dat niet ontbrand vuurwerk uiterlijk 1 januari 12.00 uur wordt geretourneerd. 6 Ook is geregeld dat verkopers op 1 januari kosteloos niet ontbrand vuurwerk terug dienen te nemen. 2.10 Evenementenvergunning In veel gevallen zal naast een ontheffing voor het afsteken van vuurwerk bij de burgemeester, een evenementenvergunning moeten worden aangevraagd. Bijvoorbeeld omdat het vuurwerk op een openbare plek wordt afgestoken, of omdat er (veel) publiek op afkomt. Of een evenementenvergunning vereist is, is afhankelijk van de regels die daarover zijn gesteld door de gemeente waarbinnen het vuurwerk zal worden afgestoken. Deze regels zijn veelal in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) opgenomen. 2.11 Civielrechtelijke aansprakelijkheid Vuurwerk is een product dat jaarlijks zorgt voor schade en letsel. 7 Wanneer er sprake is van schade of letsel is het van belang dat het slachtoffer iemand aansprakelijk kan stellen voor de geleden schade. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan het slachtoffer het schadeveroorzakende individu, maar ook de ontheffinghouder aansprakelijk stellen. Doordat in het wijzigigingsbesluit is geregeld dat een ontheffing kan worden aangevraagd door een vereniging of stichting, is er sprake van een rechtspersoon die aangesproken kan worden.
In de regel geldt voor een organisator een zorgplicht om het risico op schade en letsel te voorkomen. In sommige gevallen, bijvoorbeeld bij onzorgvuldig handelen, kan de burgemeester aansprakelijk gesteld worden. Bij het beoordelen in hoeverre een (rechts)persoon civielrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden is ook van belang of het slachtoffer zelf (ook) schuld treft. Om te bepalen wie voor de schade aansprakelijk is, is het algemene recht en de bestaande jurisprudentie van toepassing; onderhavig wijzigingsbesluit stelt geen nadere regels hierover. Het kan nuttig zijn voor een ontheffinghouder om een aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten. Het is aan de burgemeester om te bepalen of hij dit ook adviseert aan de ontheffinghouder, zodat een persoon die schade lijdt dit ook effectief kan verhalen. Deze afweging wordt aan de burgemeester gelaten, hij heeft het beste zicht op de aanvraag en kan daarom goed inschatten of dit in de rede ligt. 3. Verhouding tot hoger recht Pyrotechnische artikelen zijn in belangrijke mate gereguleerd via de Europese Pyrorichtlijn. 8 Artikel 5 van deze richtlijn bepaalt dat lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat pyrotechnische artikelen uitsluitend op de markt worden aangeboden indien zij aan de eisen van deze richtlijn voldoen.
Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Pyrorichtlijn, kan een lidstaat maatregelen nemen om bepaalde pyrotechnische artikelen te verbieden of te beperken. Zodoende is in Nederland bijvoorbeeld nu al het op de markt aanbieden van pyrotechnische artikelen van categorie T1, vuurwerk van categorie F3 en bepaalde artikelen van categorie F2 aan anderen dan personen met gespecialiseerde kennis verboden. Als gevolg van de Wet veilige jaarwisseling wordt het bezit en gebruik van de gehele categorie F2-vuurwerk verboden voor consumenten. Ook de verkoop aan consumenten wordt verboden. Dit verbod geldt niet als er sprake is van een ontheffing door de burgemeester. PM notificatie Europese Commissie 4. Verhouding tot nationale regelgeving
6 Het is daarbij van belang dat het vuurwerk aan de eisen voldoet van de verkoper, bijvoorbeeld dat het vuurwerk ingepakt is in de oorspronkelijke verpakking. 7 De letselcijfers worden jaarlijks gerapporteerd door VeiligheidNL. 8 Richtlijn 2013/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van 15 pyrotechnische artikelen.
Pyrotechnische artikelen zijn in het Nederlandse recht hoofdzakelijk gereguleerd via het Vuurwerkbesluit. Artikel 9.2.2.1, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer vormt de voornaamste grondslag voor het Vuurwerkbesluit. Met de Wet veilige jaarwisseling is een artikel 9.2.2.1a toegevoegd aan de Wet milieubeheer. In dat artikel is geregeld dat het bezit en het gebruik van vuurwerk van de categorieën F2 en F3 is verboden voor anderen dan personen met gespecialiseerde kennis. 9 Ook is geregeld dat de verkoop van vuurwerk van deze categorieën aan anderen dan personen met gespecialiseerde kennis is verboden. In het vierde lid van artikel 9.2.2.1a is een uitzondering gemaakt op dit generieke vuurwerkverbod voor consumenten. In dat artikellid is geregeld dat de burgemeester ontheffing kan verlenen ten behoeve van het tijdens de jaarwisseling tot ontbranding brengen van vuurwerk van categorie F2 dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangewezen. In het zesde lid van artikel 9.2.2.1a is geregeld dat het verbod op de verkoop niet geldt op 29, 30 en 31 december indien de koper in het bezit is van een ontheffing.
In artikel 9.2.2.1a, vijfde lid, is geregeld dat bij amvb regels worden gesteld over de voorwaarden waaronder door de burgemeester op aanvraag ontheffing kan worden verleend voor het tijdens de jaarwisseling tot ontbranding brengen van aangewezen F2vuurwerk en de voorschriften die aan de ontheffing kunnen worden verbonden. Op grond van artikel 9.2.2.1a, vierde en zevende lid, wordt het F2-vuurwerk waarvoor ontheffing kan worden verleend bij amvb aangewezen en worden bij amvb regels gesteld over de verkoop van vuurwerk van het aangewezen F2-vuurwerk aan de koper die in het bezit is van een ontheffing. 5. Gevolgen (m.u.v. financiële gevolgen) 5.1 Gevolgen voor burgers Vóór de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling mochten consumenten van 31 december 18.00 uur tot 1 januari 02.00 uur vuurwerk afsteken dat is aangewezen als consumentenvuurwerk in de Regeling aanwijzing consumentenvuurwerk (Rac). Het gaat dan meer specifiek om F1-vuurwerk (dat het gehele jaar is toegestaan) en bepaalde typen F2-vuurwerk (zoals cakeboxen). Het toegestane F2-vuurwerk mocht worden verkocht op de laatste drie dagen van het jaar. Met de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling wordt al het F2-vuurwerk voor consumenten verboden. Dit heeft directe gevolgen voor burgers. Zij mogen immers geen F2-vuurwerk meer bezitten en afsteken.
Ook mag dit type vuurwerk niet meer aan consumenten worden verkocht. Deze gevolgen zijn meegenomen in de memorie van toelichting bij de Wet veilige jaarwisseling. In het nieuwe artikel 9.2.2.1a van de Wet milieubeheer is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen voor de burgemeester. Deze ontheffingsmogelijkheid wordt met onderhavig wijzigingsbesluit nader uitgewerkt. Dit betekent dat – wanneer een ontheffing is verleend – verenigingen en stichtingen onder voorwaarden nog wel vuurwerk mogen bezitten en afsteken tijdens de jaarwisseling. Het is lastig om precies te voorspellen in welke mate van een dergelijke ontheffingsmogelijkheid gebruik zal worden gemaakt, en hoeveel aanvragen er zullen worden ingediend. Dat is voor een deel ook afhankelijk van het lokale beleid. In algemene zin volgt uit diverse gesprekken die het ministerie van IenW heeft gevoerd dat het veelal afhankelijk is van de stad of het dorp of een ontheffing vaak zal worden aangevraagd dan wel verleend. Zo zijn er in Nederland gemeenten die in meer of mindere mate vuurwerkgezind zijn. In diverse regio’s in Nederland heeft men veel ervaring met het binnen verenigingsverband organiseren van kleine evenementen om het gemeenschapsgevoel en de saamhorigheid te versterken. Dergelijke initiatieven komen daarbij vanuit de gemeenschap zelf, en worden gefaciliteerd door de gemeente.
In sommige steden of wijken in Nederland ontmoedigen gemeenten of wijkverenigingen het afsteken van vuurwerk al geruime tijd om incidenten tijdens de jaarwisseling te voorkomen. Het ligt niet voor de hand dat in dergelijke wijken een ontheffing zal worden Voor de categorieën F4, T1 en T2 is in het Vuurwerkbesluit geregeld dat deze artikelen enkel door 16 personen met gespecialiseerde kennis mogen worden afgestoken. 9
aangevraagd. Ook sportverenigingen ontmoedigen in de regel het gebruik van vuurwerk binnen hun vereniging, bijvoorbeeld vanwege de schade die kan ontstaan aan sportvelden. Op dit moment wordt daarom niet verwacht dat ontheffingen door sportverenigingen zullen worden aangevraagd. Het is uiteindelijk echter aan verenigingen zelf om al dan niet te besluiten tot het aanvragen van een ontheffing. Het is aan de burgemeester om daar al dan niet beleid op te voeren. 5.2 Gevolgen voor de inrichting en werking decentrale overheden De bevoegdheid die met de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling voor het verlenen van ontheffingen voor het afsteken van aangewezen F2-vuurwerk tijdens de jaarwisseling is gecreëerd, is neergelegd bij de burgemeester. Dit is een nieuwe bevoegdheid voor de burgemeester. Dit betekent dat gemeenten ingericht dienen te worden voor het in ontvangst nemen van aanvragen, het beoordelen van aanvragen, en het houden van het toezicht op de naleving van de voorschriften die aan de ontheffing worden verbonden. 5.3 Gevolgen voor de vuurwerkbranche Met de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling wordt al het F2-vuurwerk voor consumenten verboden. Dit heeft directe gevolgen voor vuurwerkimporteurs en detailhandelaren (vuurwerkverkooppunten).
Dit type vuurwerk mag immers niet meer aan consumenten worden verkocht, tenzij aan de koper door de burgemeester een ontheffing is verleend. In een separaat traject wordt gewerkt aan een nadeelcompensatieregeling voor deze doelgroep. De ontheffingsmogelijkheid biedt – hoewel in beperktere mate – nog steeds de mogelijkheid om vuurwerk te verkopen, namelijk aan verenigingen en stichtingen die een ontheffing hebben gekregen en de professionele toepasser. De ontheffing heeft gevolgen voor vuurwerkbedrijven die vuurwerk verkopen aan ontheffinghouders. Deze gevolgen zijn geïnventariseerd aan de hand van een bedrijfseffectentoets, Een vuurwerkbedrijf dient alvorens tot terbeschikkingstelling van vuurwerk over te gaan te controleren of de aspirant-koper in het bezit is van een ontheffing. De verkoper dient een kopie van de ontheffing in zijn administratie te bewaren opdat door de toezichthouder kan worden nagegaan dat geen consumentenvuurwerk aan anderen dan ontheffinghouders (of personen met gespecialiseerde kennis) wordt verkocht en dat niet te veel consumentenvuurwerk aan ontheffinghouders wordt verkocht. Professionele toepassers kunnen tijdens het bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk tijdens professionele vuurwerkshows gebruik maken van professioneel vuurwerk, pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, en ook consumentenvuurwerk.
Het consumentenvuurwerk dat binnen een ontheffing mag worden afgestoken wordt, zoals dat voorheen ook het geval was, aangewezen in de Rac. Daarmee blijven deze typen F2-vuurwerk consumentenvuurwerk zolang zij zijn aangewezen in de Rac en gelden voor professionals de regels zoals die nu ook gelden voor het afsteken van consumentenvuurwerk bij professionele ontbrandingen. 5.4 Gevolgen voor de regeldruk Met de Wet veilige jaarwisseling is een landelijk vuurwerkverbod voor consumenten geïntroduceerd, met een bevoegdheid van de burgemeester om een ontheffing te verlenen voor het afsteken van aangewezen F2-vuurwerk tijdens de jaarwisseling. Met onderhavig wijzigingsbesluit zijn de voorwaarden en voorschriften nader uitgewerkt. De aanvraag van een ontheffing brengt regeldruklasten met zich mee voor verenigingen en stichtingen die een ontheffing willen aanvragen. Bij de aanvraag dient een vereniging of stichting te voldoen aan de gestelde voorwaarden, en dient men de voorschriften die een burgemeester ten minste aan de ontheffing verbindt, in acht te nemen. Het kost bovendien tijd voor aanvragers om zich in te lezen in de geldende voorwaarden en voorschriften. In onderstaande tabel zijn de geschatte regeldrukkosten voor verenigingen en stichtingen opgenomen per handeling. Het is daarbij relevant dat het 17
lastig te voorspellen is hoeveel verenigingen en stichtingen een ontheffing zullen gaan aanvragen. Ook zijn de precieze regeldrukkosten per handeling afhankelijk van de wijze waarop de burgemeester de aanvraagprocedure heeft ingericht. Er kan dus enkel een schatting worden gemaakt van de regeldrukkosten die naar schatting volgen uit onderhavig wijzigingsbesluit. De gevolgen voor de gemeente zijn opgenomen in paragraaf 5.2 van deze toelichting. P (kosten per handeling) Handeling
Tijdsbesteding
Uurtarief
Kennisnemen van verplichtingen Opstellen veiligheidsplan en situatietekening Indienen aanvraag 10 Kennis opdoen van vuurwerk (e-learning of informatiepakket) Archiveren ontheffing en factuur Eventueel: indienen van andere informatie aan autoriteiten in antwoord op vragen Totaal
5 uur
17 euro
Q (aantal handelingen per jaar) Geschat aantal Frequentie verenigingen / stichtingen (bandbreedte) 500-1500 1
Totaal (PxQ)
3 uur 3 uur 2 uur 1 uur 2 uur 136.000408.000 euro 16
17
500-1500
1
Ook zijn er regeldrukgevolgen voor vuurwerkbedrijven die vuurwerk verkopen aan ontheffinghouders, nu zij dienen te controleren of de aspirant-koper in het bezit is van een ontheffing. Deze gevolgen zijn weergegeven in onderstaande tabel. P (kosten per handeling) Handeling Tijdsbesteding in minuten
Kennisnemen van verplichtingen
15 (eenmalig per detailhandelaar)
Inrichting digitale administratie
90 (eenmalig per detailhandelaar) 1
Controleren van ontheffing Kopiëren en archiveren ontheffing indienen van andere informatie aan autoriteiten in antwoord op vragen Totaal
10
Totaal (PxQ)
47
Q (aantal handelingen per jaar) Geschat aantal Aantal verenigingen/ detailhandelaren stichtingen waarvan ontheffing wordt gecontroleerd (bandbreedte) 500-1500 850
47
500-1500
€ 73.045 - € 79.312
Uurtarief in euro’s
2 5
5+8
850
De precieze regeldrukkosten zijn afhankelijk van de aanvraagprocedure bij de burgemeester.
18
5.5 Gevolgen voor de BES De Wet milieubeheer en het daarop gebaseerde Vuurwerkbesluit zijn niet van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES). De invoering van de Wet veilige jaarwisseling die de Wet milieubeheer wijzigt en de daarop gebaseerde wijziging van het Vuurwerkbesluit hebben dan ook geen gevolgen voor de BES. Het stellen van regels met betrekking tot de verkoop, het bezit en het gebruik van vuurwerk ontlenen de BES aan hun autonome verordeningsbevoegdheid. De in de Wet veilige jaarwisseling opgenomen juridische constructie van een verbod in combinatie met een ontheffingsbevoegdheid is mogelijk en komt voor in de verordeningen van de BES. Er is dan ook geen aanleiding en geen bevoegdheid om de met de onderhavige wijziging van het Vuurwerkbesluit bewerkstelligde wijziging van de Europees-Nederlandse vuurwerkregelgeving overeenkomstig toe te passen op de BES. 5.6 Gevolgen voor de rechtsbescherming Een aanvraag voor een ontheffing kan worden ingediend bij de burgemeester. Een beslissing op een ontheffingsaanvraag is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en daarom vatbaar voor bezwaar en beroep. 5.7 Gevolgen voor de privacy Onderhavig wijzigingsbesluit heeft beperkte gevolgen voor de privacy.