RIS324028 Bijlage Bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4
Tekst van het document
Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. Gemeentelijk beleid De Nota externe veiligheid Den Haag is op 27 juni 2013 door de gemeenteraad vastgesteld (raadsvoorstel, RIS259485 en besluitenlijst, RIS260481, onder E.1). De belangrijkste uitgangspunten zijn hieronder vermeld: 1. De gemeente richt zich op het vasthouden en bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor de bestaande bedrijvigheid en het ontwikkelen van nieuwe bedrijvigheid. 2. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op vier gebiedstypen: woongebieden, buitengebieden, gemengde gebieden, risicoarme bedrijventerreinen (inclusief buitengebieden) en bedrijventerreinen met risicovolle bedrijven/inrichtingen. 3. Bij nieuwe ontwikkelingen in woongebieden staat de veiligheid voorop. In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen van betekenis, zoals LPG-tankstations, toegelaten. 4. Op de bedrijventerreinen hanteert de gemeente een minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting (lichtere vorm van risicovolle bedrijven) onder voorwaarden mogelijk. 5. Bij externe veiligheidsknelpunten, besteedt de gemeente eerst aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen. Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde.
In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen worden in de nota 3 niveaus onderscheiden met elk hun eigen ambitieniveau: -
Structuurvisieniveau
-
Bestemmingsplanniveau
-
Bouwplanniveau:
-> Veiligheidsgeïntegreerd ontwikkelen -> Veiligheidsgeïntegreerd ordenen -> Veiligheidsgeïntegreerd ontwerpen.
Wanneer beoogde ruimtelijke ontwikkelingen een overschrijding van het groepsrisico tot gevolg kunnen hebben, wordt het gemeentebestuur in een vroeg stadium actief bij het proces betrokken. Er is een expliciet collegebesluit ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico waarbij de kosteneffectiviteit van maatregelen in beschouwing wordt genomen.
95
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (vastgesteld)
5.3.1
Onderzoek
5.3.1.1 Nabijgelegen risicobronnen In opdracht van Vorm ontwikkeling B.V. heeft Anteagroup onderzoek naar het aspect externe veiligheid uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage bij deze toelichting opgenomen, zie Bijlage 5. In deze paragraaf wordt een samenvatting van het onderzoek gegeven. De planlocatie wordt niet overlapt door invloedsgebieden van incidenten met gevaarlijke stoffen, zie afbeelding 5.2.1.
Afbeelding 5.2.1: risicocontouren in de nabijheid van het plangebied (bron: Anteagroup) Naast het plangebied ligt een tankstation. Hier wordt geen lpg verkocht, zie ook afbeelding 5.2.2.
96
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (vastgesteld)
Afbeelding 5.2.2: tankstation naast plangebied. Het brandstofvulpunt is rood omcirkeld (bron: Anteagroup) 5.3.2
Conclusie
Nu de te ontwikkelen locatie niet overlapt wordt door invloedsgebieden van mogelijke incidenten met gevaarlijke stoffen bestaat er geen noodzaak voor het uitvoeren van berekeningen van het plaatsgebonden- en het groepsrisico. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.4
Luchtkwaliteit
Op 15 november 2007 is de Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). De luchtkwaliteit in een bepaald gebied wordt bepaald door de achtergrondconcentratie van fijn stof (PM10, deeltjes <10 µm) en stikstofdioxide (NO2) plus de bijdragen van lokale bronnen die bij de achtergrondconcentratie opgeteld worden. Bij de besluitvorming over bouw- en bestemmingsplannen dient te worden onderzocht of een project 'in betekenende' mate van invloed is op de luchtkwaliteit: in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is aangeven dat een bestuursorgaan bevoegdheden kan uitoefenen of wettelijke voorschriften kan toepassen indien aannemelijk kan worden gemaakt dat de uitoefening of toepassing niet 'in betekenende mate' bijdraagt aan de concentraties in de buitenlucht. De definitie van 'in betekenende mate' is vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur. Projecten die de concentratie NO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. In concentraties uitgedrukt betekent dit een verslechtering van 1,2 µg/m3 voor beide stoffen. De 3%-grens geldt sinds 1 augustus 2009, de datum waarop het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht werd.
De 3%-grens is voor een aantal categorieën van projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen. Zo gaat het bij woningbouw om de toevoeging van 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg, of 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 maakt de ontwikkeling mogelijk van ca. 1200 woningen en voorzieningen, zoals retail, detailhandel en kantoorruimte. In opdracht van Vorm ontwikkeling B.V. heeft Anteagroup luchtkwaliteitonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als Bijlage 9 bij deze toelichting bijgesloten. Hieronder wordt een samenvatting
97
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (vastgesteld)
van de onderzoeksresultaten gegeven. Het beoogde plan maakt de ontwikkeling van woningen, kantoren, winkels en andere voorzieningen mogelijk. Deze ontwikkeling leidt, ten opzichte van de oorspronkelijk bestemde situatie tot een toename van de verkeersintensiteiten op de wegen in de directe nabijheid van het plangebied. Met de NIBM tool is bepaald of een specifiek luchtkwaliteitsonderzoek moet plaatsvinden of dat aannemelijk is gemaakt dat een overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit niet aan de orde is. In de huidige situatie (56.000 m2 kantoor) is de verkeersgeneratie 1.176 motorvoertuigen/ etmaal o.b.v. weekdaggemiddelde. In het toekomstige scenario (1.200 woningen en 30.000 m2 stedelijke functies) is de verkeersgeneratie 2.370 motorvoertuigen/etmaal o.b.v. weekdaggemiddelde. In het toekomstige scenario is er sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen van (2.370 – 1.176=) 1.194 motorvoertuigen/etmaal. Voor de berekening met de NIBM-tool wordt het rekenjaar 2024 als jaar van planrealisatie genomen en is een aandeel vrachtverkeer van 1% aangehouden. Met behulp van de NIBM-tool is een worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit gedaan. In onderstaande figuur is de berekening met de NIBM-tool opgenomen voor het extra verkeer als gevolg van de SoZa ontwikkeling.
Uit de berekening blijkt dat de bijdrage van het extra verkeer onder de norm blijft en daarmee ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen.
5.5
Bodem
5.5.1
Wettelijk kader
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (hierna: Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging en de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft.
98