CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS323792 Bijlage 2 Minima-effectrapportage gemeente Den Haag 2025 Geredigeerd

Commissie Samenleving 27 november 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Rekenkamerrapport inzake Armoede19.778 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Minima-effectrapportage gemeente Den Haag 2025 De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens ,

31 juli 2025

Minima-effectrapportage gemeente Den Haag 2025

De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens

Auteurs

Nibud, 31 juli 2025 In opdracht van de gemeente Den Haag

Voorwoord Het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk. Ons doel is het voorkomen van geldproblemen. Naast het verzamelen, berekenen en bijhouden van basiscijfers, doet of initieert het Nibud ook onderzoek naar andere aspecten over omgaan met geld. Daarbij spelen gedragsaspecten een belangrijke rol. Daarmee kunnen we snel inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen. Het Nibud is gespecialiseerd in het maken van de vertaalslag van verzamelde data en kennis over de huishoudfinanciën in methodes, materialen en tools. Daarbij wordt voortdurend voeling gehouden met de actualiteit en de praktijk van alledag. We gaan uit van drie niveaus van voorlichting en financiële educatie: direct voor het publiek (via onze websites, (sociale) media, interactieve tools, voorlichtingsmaterialen, hulpmiddelen en de helpdesk), via onderwijs/educatie door derden en door deskundigheidsbevordering van professionals. Als kenniscentrum vervult het Nibud ook een adviesrol naar derden. Bij dit alles gaat het Nibud uit van een standaardmethode van begroten. Dit resulteert in een reeks voorbeeldbegrotingen met referentiecijfers die zijn gebaseerd op empirisch wetenschappelijk onderzoek. Het Nibud stelt de keuzevrijheid en de eigen verantwoordelijkheid van de huishoudens voorop.

Het Nibud geeft gemeenten meer inzicht in het effect van hun minimabeleid. Door middel van een minima-effectrapportage (MER) helpt het Nibud gemeenten het geld bestemd voor minimabeleid, optimaal te besteden. Deze rapportage is uitgevoerd door het Nibud, in opdracht van de gemeente Den Haag. Met dit onderzoek wil de gemeente Den Haag inzicht krijgen in de effecten van haar minimabeleid. Utrecht, juli 2025

Inhoud 1 Inleiding 1.1 Centrale vraag 1.2 Kern minima-effectrapportage 1.2.1 Huishoudtypen 1.2.2 Inkomensniveaus 1.2.3 Armoedeval 1.2.4 Voorbeeldhuur 1.3 Leeswijzer 2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1 Inleiding 2.2 Inkomsten 2.3 Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie 2.4 Uitgavensoorten 2.5 Voorwaarden aan de begrotingen 2.6 De begrotingen 3 Minimabeleid 3.1 Landelijk beleid 3.2 Lokaal minimabeleid 3.2.1 Lokaal kwijtscheldingsbeleid 3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering 3.2.3 Individuele Inkomenstoeslag 3.2.4 De Ooievaarspas 3.2.5 Witgoedregeling 3.2.6 Particuliere fondsen 3.2.6 Bijzondere bijstand 3.2.7 Kinderopvang en peuterspeelzaal 3.3 Huishoudens met een zorgvraag 3.3.1 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 3.3.2 Belastingaftrek specifieke zorgkosten 3.3.3 Tegemoetkoming chronische zieken en gehandicapten 3.3.4 Meerkosten huishoudens met zorgvraag 4 Resultaten 4.1 Bestedingsruimte per huishoudtype 4.2 Armoedeval 4.2.1 Uitstroomval 4.2.2 Doorstroomval 4.3 Huishoudens met langdurig een laag inkomen 5 Resultaten zonder gemeentelijke tegemoetkomingen 6 Conclusies en aanbevelingen 6.1 Voorwaarden 6.2 Bestedingsruimte en armoedeval 6.3 Aanbevelingen Bijlage 1 | Verantwoording uitgaven Bijlage 2 | Begrotingen Bijlage 3 | Begrotingen zonder gemeentelijke regelingen

1 Inleiding 1.1

Centrale vraag

Iedere gemeente beschikt over mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens. Dat kan bijvoorbeeld door het kwijtschelden van gemeentelijke heffingen en/ of door bijzondere bijstand. Het is echter niet direct zichtbaar wat in de praktijk de effecten van die maatregelen zijn op het budget van verschillende groepen huishoudens. Een minima-effectrapportage brengt deze effecten in beeld. De centrale vraag van dit onderzoek luidt: Wat is het effect van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de gemeente Den Haag? Bekeken wordt welke groepen huishoudens in de gemeente vooral baat hebben bij de verschillende inkomensondersteunende maatregelen en welke groepen minder. Ook maakt deze rapportage een eventuele armoedeval inzichtelijk. Omdat deze situatie jaarlijks verandert door wijzigingen in landelijk en/ of gemeentelijk beleid, laat de gemeente Den Haag op regelmatige basis een minima-effectrapportage opstellen.

1.2

Kern minima-effectrapportage

Om tot een antwoord te komen op de centrale vraag, wordt voor een aantal huishoudtypen alle inkomsten geïnventariseerd. Hierbij wordt rekening gehouden met alle landelijke toeslagen. Dit inkomen wordt in een begroting afgezet tegen de minimale uitgaven waarmee huishoudens met een laag inkomen worden geconfronteerd. De minimale uitgaven zijn gebaseerd op de Nibud minimumvoorbeeldbegrotingen, aangevuld met lokale tarieven en tegemoetkomingen. 1.2.1 Huishoudtypen In deze minima-effectrapportage wordt voor een aantal huishoudtypen de bestedingsruimte inzichtelijk gemaakt. In overleg met de gemeente Den Haag is een keuze gemaakt voor de volgende voorbeeldsituaties: 1. Een alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd; 2. Een alleenstaande vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd); 3. Een eenoudergezin met twee jonge kinderen (5 en 3 jaar); 4. Een eenoudergezin met twee oudere kinderen (16 en 14 jaar); 5. Een paar zonder kinderen onder de AOW-gerechtigde leeftijd; 6. Een ouder paar vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd; 7. Een paar met twee jonge kinderen (5 en 3 jaar); 8. Een paar met twee oudere kinderen (16 en 14 jaar); 9. Een alleenstaande onder de AOW-leeftijd met een licht verstandelijke beperking; 10. Een alleenstaande vanaf de AOW-leeftijd met een motorische beperking.

De zorgprofielen van de huishoudens met een zorgvraag (huishoudens 9 en 10), wijken af van de profielen zoals deze in eerdere rapportages werden gebruikt.

Het Nibud heeft na de zomer van 2024 een landelijk onderzoek gedaan naar de meerkosten waarmee huishoudens die te maken hebben met een zorgvraag worden geconfronteerd.1 In dat onderzoek zijn verschillende zorgprofielen gedefinieerd. In overleg met de gemeente Den Haag zijn twee van deze zorgprofielen in dit onderzoek doorgerekend. Bij deze huishoudens worden in de begroting extra kosten meegenomen die gemiddeld gezien vaak voorkomen bij personen met de genoemde beperking. Tegelijkertijd houden we ook rekening met de vergoedingen die de gemeente Den Haag voor deze huishoudens kent. 1.2.2 Inkomensniveaus De rapportage laat zien welke effecten de landelijke en gemeentelijke maatregelen hebben op de financiële positie van de huishoudtypen bij verschillende inkomensniveaus. In overleg met de gemeente Den Haag is in dit rapport gekozen om begrotingen op te stellen met de volgende inkomensniveaus: bijstands-/AOW-niveau en voor 110, 130, 150 en 160 procent van de bijstandsnorm. Het inkomensniveau van 160 procent is dit jaar toegevoegd om inzichtelijk te maken wat het wegvallen van het recht op diverse minimaregelingen (die doorlopen tot 150 procent) betekent voor de bestedingsruimte van huishoudens met een inkomen vlak daarboven.

1.2.3 Armoedeval Het kan voorkomen dat een huishouden met een hoger inkomen minder overhoudt dan met een lager inkomen, nadat rekening is gehouden met alle noodzakelijke uitgaven. Bijvoorbeeld doordat er bij een hoger inkomen geen recht meer is op inkomensondersteunende regelingen. Als een dergelijke armoedeval zich voordoet binnen de gestelde kaders, dan blijkt dat uit de resultaten van dit onderzoek. Hierbij onderscheiden we twee soorten armoedevallen, namelijk een armoedeval bij uitstroom uit een bijstandsuitkering naar betaald werk (werkloosheidsval/uitstroomval) en een armoedeval bij het meer gaan verdienen (doorstroomval). Bij huishoudens boven de AOW-gerechtigde leeftijd wordt officieel niet gesproken van een armoedeval, omdat deze gewoonlijk geen inkomensstijging meemaken. Toch kan er bij hen ook sprake zijn van een geringere vrije bestedingsmogelijkheid bij een hoger inkomen. 1.2.4 Voorbeeldhuur Uit het Woononderzoek Nederland (WoON) van het CBS komt naar voren dat 96 procent van de huishoudens die de bijstandsuitkering als belangrijkste inkomstenbron hebben, in een huurwoning woont. Op basis hiervan gaan we er in deze rapportage van uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De huur vormt in de meeste huishoudens de hoogste uitgave op de begroting. De huurprijzen in dit onderzoek zijn vastgesteld in overleg met de gemeente.

Hierbij gaan we uit van vaak voorkomende huren voor inwoners van de gemeente Den Haag met een laag inkomen.

____________________

We zijn uitgegaan van de huren die we bij de MER Den Haag 2024 gebruikten. Deze huren zijn verhoogd met de gemiddelde huurverhoging van 4,9 procent, zoals het CBS die gemeten heeft voor sociale huurwoningen. Daarmee komen de voorbeeldhuren uit op € 543 per maand voor huishoudens zonder kinderen, € 607 voor alleenstaande ouders en € 675 voor de paren met kinderen. Bepaalde huishoudens hebben in 2024 een huurverlaging gekregen. Deze huur bedraagt nu € 605. In deze Minima-Effectrapportage zijn dit de paren met kinderen tot een inkomensgrens van 110 procent. De alleenstaande oudere met zorgkosten is aangewezen op een appartement met een lift. Deze appartementen zijn € 91 per maand duurder dan de voorbeeldhuur voor alleenstaanden.

1.3

Leeswijzer

Het rapport is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de onderzoeksmethode. Hoofdstuk 3 geeft een toelichting op de landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen. In hoofdstuk 4 worden de resultaten weergegeven: Wat is de bestedingsruimte van de onderzochte huishoudtypen? En wat zijn de effecten van het minimabeleid op de financiële positie van deze huishoudens? Hoofdstuk 5 geeft de resultaten weer zonder gemeentelijke voorzieningen. Ten slotte staan in hoofdstuk 6 de conclusies en aanbevelingen van het rapport. In de bijlagen wordt meer informatie gegeven over bronnen van de referentiecijfers en staan de begrotingen per huishoudtype naar inkomen.

2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1

Inleiding

Om het effect van inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens te berekenen, maakt het Nibud gebruik van begrotingen. Uit deze begrotingen zijn de inkomsten en uitgaven van de huishoudens af te lezen. De begrotingen in deze rapportage zijn gemaakt voor verschillende huishoudtypen op verschillende inkomensniveaus. Hierbij gaan we ervan uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De begrotingen zijn voor groepen van huishoudens. De bedragen in de begrotingen zijn gemiddelden; in werkelijkheid zal de financiële situatie van de individuele huishoudens er anders uitzien. De begroting laat dus niet zien in hoeverre een individueel huishouden een sluitende begroting heeft. Wel wordt duidelijk in hoeverre een groep huishoudens een sluitende begroting heeft.

2.2

Inkomsten

In deze rapportage worden op vijf inkomensniveaus begrotingen opgesteld voor de betreffende voorbeeldhuishoudens: het minimuminkomen (bijstands-/AOW-niveau), 110 procent, 130 procent, 150 procent en 160 procent van de geldende bijstandsnorm. Met bijstandsniveau wordt in deze rapportage bedoeld de norm op grond van de Participatiewet, artikel 5 sub c. Gemiddelde maandbegrotingen De begrotingen die gepresenteerd worden in dit rapport zijn gemiddelde maandbegrotingen. In die begrotingen wordt het totaal besteedbaar maandinkomen weergegeven. Dat inkomen bestaat uit alle inkomsten van het huishouden, zoals netto salarissen en uitkeringen inclusief vakantiegeld, belastingteruggaven, zorgtoeslag, huurtoeslag, kindgebonden budget, kinderopvangtoeslag en kinderbijslag. De vakantietoeslag wordt meestal niet maandelijks uitgekeerd en de kinderbijslag wordt een keer per kwartaal uitbetaald. In de begrotingen zijn die bedragen opgenomen als gemiddelde maandbedragen. De toeslagen die worden getoond in de begrotingen zijn afhankelijk van het verzamelinkomen. Bij elk inkomensniveau hebben we het verzamelinkomen berekend dat bij het netto inkomen hoort. Hierbij hebben we rekening gehouden met de heffingskortingen, waaronder de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Voor paren gaan we uit van een situatie waarin slechts een van beide partners werkt.

Deze eenverdienerssituatie is financieel de minst gunstige situatie. Als beide partners werken, dan hebben zij bij hetzelfde bruto inkomen een hoger netto inkomen dan eenverdieners. Dat komt doordat beide partners dan recht hebben op heffingskortingen. Dat betekent ook dat we in dit rapport voor paren met kinderen tot 12 jaar geen rekening hebben gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als beide ouders werken, dan hebben zij daar wel recht op en ziet de inkomenssituatie er iets beter uit dan in de begrotingen in dit rapport.

In de begrotingen is geen rekening gehouden met eigen vermogen of eventuele inkomsten daaruit. Ook is er geen rekening gehouden met inkomsten of betalingen vanwege alimentatie. Op welke manier de regelingen doorwerken in de begrotingen en wat de invloed is op het inkomen van de verschillende huishoudens is te zien in bijlage 2.

2.3

Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie

De noodzakelijke uitgaven vullen we in via een basispakket waarvan een pakket voor sociale participatie een onderdeel vormt. Het basispakket bestaat uit uitgaven die voor elk huishouden niet of moeilijk vermijdbaar zijn. In bijlage 1 staan de uitgangspunten en de samenstelling van de pakketten beschreven. Het basispakket inclusief het pakket voor sociale participatie zijn op bepaalde punten verschillend voor de diverse huishoudtypen. Een alleenstaande staat immers voor andere kosten dan bijvoorbeeld een gezin met kinderen. De pakketten bestaan uit relatief goedkope artikelen (niet de allergoedkoopste) die algemeen verkrijgbaar zijn. We houden geen rekening met tweedehands artikelen. De pakketten zijn vastgesteld in samenwerking met andere deskundigen. Zo bestaat het voedingspakket uit gezonde voeding zoals vastgesteld door het Voedingscentrum. Persoonlijk onvermijdbare uitgaven Naast de noodzakelijke uitgaven van de pakketten zijn er in individuele gevallen persoonlijk moeilijk of niet-vermijdbare uitgaven. Dit zijn uitgaven die voor een bepaald persoon onontkoombaar zijn. Bijvoorbeeld wanneer iemand een speciaal dieet moet volgen. Voor dit soort uitgaven is vaak een tegemoetkoming mogelijk via gemeentelijk beleid. Deze uitgaven worden in dit rapport niet meegenomen. In de begrotingen is ook geen rekening gehouden met kosten voor een huisdier of voor roken.

Deze uitgaven worden niet gezien als onvermijdbaar. Indien een huishouden hiervoor toch kosten heeft, wordt het saldo op de begroting lager dan in deze rapportage is weergegeven. Mensen die werken maken extra kosten ten opzichte van niet werkenden. Deze kosten zijn meegenomen in het basispakket als aparte post bij een inkomen vanaf 110 procent van het toepasselijk minimum. Bij het opstellen van de begrotingen wordt geen rekening gehouden met schulden. Schulden komen echter vaak voor onder huishoudens met lage inkomens. 2 In 2024 had 15,2 procent van de Haagse huishoudens schulden.

2.4

Uitgavensoorten

In alle begrotingen onderscheidt het Nibud vier soorten uitgaven: • Vaste lasten. Dit zijn periodiek terugkerende uitgaven, waarbij het bedrag veelal elke periode hetzelfde is. Vaak is er een contract afgesloten voor deze uitgaven. Bijvoorbeeld de huur, energie of verzekeringen. • Reserveringsuitgaven. Dit zijn uitgaven die niet iedere maand terugkomen. De bedragen voor de verschillende reserveringsuitgaven zou een huishouden in principe maandelijks opzij moeten zetten om deze onregelmatige uitgaven direct te kunnen betalen. Het gaat bijvoorbeeld om witgoed, kleding of de reservering voor het eigen risico. ____________________

• Huishoudelijke uitgaven. Dit zijn regelmatig terugkerende uitgaven, waarvan het bedrag per keer (per aankoopbeurt) verschilt. Bijvoorbeeld de dagelijkse boodschappen. • Sociale Participatie. Dit zijn uitgaven die een huishouden wat vrijer kan invullen. Als voorbeeld heeft het Nibud een pakket aan uitgaven voor sociale participatie opgesteld. Dit pakket is opgesteld in samenwerking met het Sociaal Cultureel Planbureau. Het gaat om uitgaven aan contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer. Lokale tarieven In deze rapportage wordt gerekend met minimale bedragen die huishoudens nodig hebben om deze uitgaven te kunnen betalen. Voor de uitgaven is waar mogelijk uitgegaan van lokale tarieven. Voorbeelden hiervan zijn de tarieven voor heffingen, de premie van de collectieve zorgverzekering en de kosten van de peuterspeelzaal. Minimabeleid Als er inkomensondersteunende maatregelen zijn die een vergoeding vormen voor bepaalde uitgavenposten, dan is hier rekening mee gehouden in de begrotingen. De regelingen staan beschreven in het volgende hoofdstuk.

2.5

Voorwaarden aan de begrotingen

In de begrotingen wordt gerekend met minimale bedragen. Naast de cijfermatige kant moet daarom rekening worden gehouden met drie belangrijke voorwaarden. 1. Zeer goed met geld kunnen omgaan Een goed overzicht van alle inkomsten en uitgaven is noodzakelijk. Alleen dan kan er voldoende geld opzij worden gezet om onregelmatige uitgaven te kunnen doen. Een gebrek aan goed overzicht kan vaak confronterend zijn en moeilijk te doorbreken. 2. Alle inkomensondersteuning aanvragen Toeslagen en tegemoetkomingen beslaan vaak een groot deel van het totale inkomstenplaatje. Het is daarom voor huishoudens belangrijk om te weten op welke inkomensondersteuning men recht heeft en hoe en waar deze moet worden aangevraagd. Tegelijkertijd zien we dat huishoudens soms bewust afzien van het gebruik van inkomensondersteuning, omdat zij angst hebben dat zij het gekregen geld weer terug moeten betalen, zeker sinds het toeslagenschandaal. Ook hier moet aandacht voor zijn. 3. Geen grote persoonlijk onvermijdbare uitgaven hebben Hoge persoonlijk onvermijdbare uitgaven zoals afbetalingen, zorgkosten of een hoge huur, kunnen het moeilijk of onmogelijk maken om een sluitende begroting op te stellen. Als de uitgaven niet omlaag gebracht kunnen worden, dan resteert er niks anders dan om te bezuinigen op overige uitgaven.

In het geval van de begrotingen met minimale uitgaven, zoals ze in dit rapport zijn opgesteld, ontstaat het gevaar dat er ook bezuinigd wordt op noodzakelijke uitgaven. Dit kan er toe leiden dat er totaal geen reserves meer zijn om tegenslagen op te kunnen vangen, dat rekeningen niet meer betaald worden waardoor schulden ontstaan of dat gezondheidsbedreigende omstandigheden ontstaan.

Bovengenoemde voorwaarden zijn voor een deel te vangen in competenties voor goed financieel beheer. Het gaat hierbij niet alleen om vaardigheden, maar ook om gedragsaspecten. Daarom is inkomensondersteuning alleen niet voldoende. Het is ook belangrijk om ondersteuning op het gebied van het aanleren van vaardigheden te bieden, aangevuld met ondersteuning die rekening houdt met min of meer individuele gedragsaspecten.

2.6

De begrotingen

Volgens de methodiek die hierboven staat beschreven, worden de begrotingen opgesteld. De volledige begrotingen staan in bijlage 2.

3 Minimabeleid In dit hoofdstuk worden diverse landelijke en gemeentelijke regelingen voor inkomensondersteuning van minima beschreven. Alleen de regelingen die in de berekeningen zijn meegenomen komen in dit hoofdstuk aan bod. Paragraaf 3.1 beschrijft de landelijke regelingen; in paragraaf 3.2 komen de lokale inkomensondersteunende regelingen aan bod.

3.1

Landelijk beleid

Bij het opstellen van de begrotingen worden de landelijke uitkeringen, de landelijke heffingskortingen, de landelijke toeslagen en de kinderbijslag in de berekeningen opgenomen. In 2025 is er op dit terrein een aantal onderdelen aangepast die van invloed zijn op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen. Het minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen zijn met ruim 5 procent verhoogd naar aanleiding van de hoge inflatie van de afgelopen jaren. Ook de toeslagen zijn aangepast: • Het kindgebondenbudget is iets omhoog gegaan, het maximale bedrag per kind gaat € 6 per maand omhoog voor ieder kind. Het extra bedrag voor alleenstaande ouders gaat € 7 per maand omlaag; • De huurtoeslag verandert zodat alle meerpersoonshuishoudens ook een deel van de huur boven de aftoppingsgrens vergoed krijgen (40 procent) net als al voor alleenstaanden en ouderen het geval is; • De maximale zorgtoeslag stijgt met ongeveer € 8 per maand per persoon. Daar staat tegenover dat de premie basiszorgverzekering gemiddeld met € 10 per maand zal stijgen. Landelijke heffingskortingen Heffingskortingen zijn kortingen op de belasting. Hiermee wil de overheid bepaalde groepen ondersteunen. Denk aan ouders, ouderen en gehandicapten. Door de heffingskorting betalen zij minder belasting.

Er zijn verschillende heffingskortingen: • Algemene heffingskorting: voor iedereen vanaf 18 jaar die inkomstenbelasting betaalt, ook als men niet werkt. • Arbeidskorting: voor iedereen die betaald werk doet, ook als men daarnaast nog gedeeltelijk een uitkering ontvangt. • Inkomensafhankelijke combinatiekorting: voor werkende ouders met kinderen jonger dan 12 jaar. Deze wordt toegekend aan de alleenstaande ouders of aan de minstverdienende fiscale partner. • Ouderenkorting en alleenstaande ouderenkorting: voor AOW-gerechtigden. Tabel 1: Landelijke heffingskortingen in bedragen per jaar 2025

2024

Landelijke toeslagen Toeslagen zijn bijdragen van de overheid om tegemoet te komen in de kosten voor de zorgverzekering, huur of kind(eren). Of een huishouden recht heeft op bepaalde toeslagen, is afhankelijk van een aantal factoren, bijvoorbeeld inkomen of vermogen. Bij het inkomen wordt verwezen naar het toetsingsinkomen, ook wel verzamelinkomen genoemd. Dit bestaat uit: inkomen uit werk en woning (box 1), inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) en inkomen uit sparen en beleggen (box 3). De volgende toeslagen (2025) zijn van belang voor de voorbeeldhuishoudens: Zorgtoeslag Zorgtoeslag is een bijdrage van de overheid voor de kosten van de zorgverzekering. Iemand kan aanspraak maken op zorgtoeslag vanaf 18 jaar. Dit geldt voor zowel alleenstaanden als stellen. Naast de inkomensgrens is er ook een vermogensgrens voor de zorgtoeslag. Hoe lager het toetsingsinkomen, hoe meer toeslag iemand ontvangt. Tabel 2: Zorgtoeslag bedragen

Huurtoeslag Huurtoeslag is een bijdrage van de overheid in de huurkosten. Huurders van een zelfstandige huurwoning kunnen in aanmerking komen voor huurtoeslag. De hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van het toetsingsinkomen, het vermogen, de huishoudsamenstelling en de huur. Vanaf 1 januari 2020 kent de huurtoeslag geen inkomensgrenzen meer, maar wordt de huurtoeslag inkomensafhankelijk afgebouwd. De vermogensgrens voor de huurtoeslag is per persoon. Huishoudens krijgen boven de minimale basishuur3 volledige huurtoeslag tot aan de kwaliteitskortingsgrens. Vanaf deze huur wordt 65 procent vergoed, tot aan de aftoppingsgrens. Daarboven ontvangen huishoudens nog 40 procent huurtoeslag tot aan de maximale huurgrens. Tabel 3: Huurtoeslag bedragen

____________________ 3

Kinderopvangtoeslag Kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De kinderopvangtoeslag is geregeld in de Wet Kinderopvang. De wet geldt voor dagopvang voor kinderen van 0 tot 4 jaar en buitenschoolse opvang voor basisschoolkinderen. Maar ook voor opvang door ouderparticipatiecrèches of gastouders via een gastouderbureau en voor de peuterspeelzaal. Informele opvang door familie of kennissen valt hier niet onder. Om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen moet de instelling zijn aangemeld bij het Landelijk Register Kinderopvang. Ook moeten, in het geval van paren, beide ouders werken, tenzij er een re-integratietraject wordt gevolgd. Tabel 4: Kinderopvangtoeslag bedragen per uur

Kindgebonden budget Huishoudens met kinderen jonger dan 18 jaar kunnen in aanmerking komen voor het kindgebonden budget. Dit is een maandelijkse, inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderen. Voorwaarde is dat iemand zijn of haar kind ‘in belangrijke mate onderhoudt’. Er geldt een inkomensgrens (waarbij gekeken wordt naar het toetsingsinkomen). Na de inkomensgrens wordt de hoogte van het bedrag geleidelijk afgebouwd. Het maximale bedrag per kind bedraagt € 209,25 per maand. Huishoudens met kinderen van 12 jaar of ouder, krijgen een extra bedrag per jaar. De maximale bedragen zijn: • tussen de 12 en 16 jaar: maximaal € 58,58 extra per kind per maand; • tussen de 16 en 17 jaar: maximaal € 78,00 extra per kind per maand. Alleenstaande ouders krijgen nog een extra bedrag: maximaal € 282,42 per maand per huishouden. Tabel 5: Kindgebonden budget

Kinderbijslag Een ouder heeft recht op kinderbijslag voor eigen kinderen en stiefkinderen tot 18 jaar en soms voor pleegkinderen tot 16 jaar. Kinderbijslag wordt eenmaal per kwartaal uitgekeerd. De bedragen worden in het geval van meerdere kinderen bij elkaar opgeteld. De bedragen voor kinderbijslag zijn afhankelijk van de leeftijd van het kind en onafhankelijk van het inkomen. Tabel 6: Kinderbijslag per kwartaal

3.2

Lokaal minimabeleid

Naast de landelijke inkomensondersteunende maatregelen heeft de gemeente Den Haag voor huishoudens met een laag inkomen ook een lokaal minimabeleid. Deze regelingen komen in de volgende paragrafen aan bod. Ook wordt aangegeven hoe het lokale minimabeleid is verwerkt in de begrotingen. 3.2.1 Lokaal kwijtscheldingsbeleid In de gemeente Den Haag kan voor alle lokale lasten die voor huurders gelden, kwijtschelding worden aangevraagd. De gemeente toetst bij het vaststellen van de kwijtschelding aan 100 procent van de norm op grond van de Participatiewet. Dat wil zeggen dat afhankelijk van het vermogen, huishoudens met een inkomen op bijstandsniveau in principe geen gemeentelijke heffingen hoeven te betalen. Bij een inkomen hierboven wordt de betalingscapaciteit berekend door het inkomen te verminderen met het norminkomen. Er vindt een correctie plaats voor eigen uitgaven aan huur en voor nominale ziektekostenpremies. Tabel 7: Gemeentelijke en waterschapsheffingen (tarieven 2025)

De beleidsvrijheid ten aanzien van het kwijtscheldingsbeleid wordt bepaald door landelijke regelgeving. Hierbij wordt aan gemeenten de mogelijkheid geboden om rekening te houden met de kosten voor kinderopvang en om voor AOW’ers uit te gaan van de netto AOW in plaats van de bijstandsbedragen. De gemeente Den Haag maakt gebruik van de mogelijkheid om uit te gaan van de verhoogde norm voor AOW’ers en houdt rekening met de kosten voor kinderopvang bij de bepaling van de betalingscapaciteit. Bij het waterschap is kwijtschelding mogelijk voor de zuiveringsheffing en de watersysteemheffing ingezetenen. Bij de berekening van de kwijtschelding hanteert het waterschap, net zoals de gemeente, een norm van 100 procent van de toepasselijke bijstands/AOW-norm. De betalingscapaciteit (en daarmee de kwijtschelding) van de gemeentelijke heffingen en het waterschap wordt apart berekend; de afvalstoffenheffing en rioolheffing vallen onder de gemeente, de heffingen van het waterschap worden geïnd door de Regionale Belastinggroep. 3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering Het verzekeren tegen ziektekosten is voor iedereen wettelijk verplicht. Voor inwoners met een laag inkomen biedt de gemeente Den Haag een collectieve zorgverzekering aan bij zorgverzekeraar VGZ.

Inwoners kunnen kiezen uit twee pakketten: het VGZ Den Haag pakket (met een gemeentelijke bijdrage) en het VGZ Den Haag compact pakket (zonder gemeentelijke bijdrage). Bij het VGZ Den Haag pakket is het eigen risico meeverzekerd. Het voordeel hiervan is vooral dat mensen niet voor hoge (onverwachte) rekeningen komen te staan. Veruit het grootste gedeelte van de verzekerden heeft het VGZ Den Haag pakket (dus met gemeentelijke bijdrage), daarom rekenen we in de begrotingen met de premies van dit pakket. Tabel 8: Premie en gemeentelijke bijdrage VGZ Den Haag Pakket, 21 jaar tot en met AOW-leeftijd Inkomen tot Gemeentelijke bijdrage Maandelijkse premie

Tabel 9: Premie en gemeentelijke bijdrage VGZ Den Haag Pakket, AOW-leeftijd of ouder Inkomen tot Gemeentelijke bijdrage Maandelijkse premie

Om voor de gemeentepolis in aanmerking te komen, hanteert de gemeente Den Haag een inkomensgrens van 150 procent van de geldende bijstandsnorm. Bij een inkomensniveau van 160 procent rekenen we in de begrotingen met de premie van een gemiddelde basisverzekering plus aanvullende verzekering. De kosten van de premie zijn in de begrotingen opgenomen onder de uitgavenpost “zorgverzekering”. De zorgtoeslag die huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten. Voor deelnemers aan het VGZ Den Haag pakket is het eigen risico meeverzekerd. Huishoudens die geen gebruik kunnen maken van de gemeentepolis (met een inkomen boven 150 procent van de norm) zullen het totale bedrag van € 385 per jaar moeten reserveren. Dit is opgenomen bij de reserveringsuitgaven onder de post “eigen risico”. 3.2.3 Individuele Inkomenstoeslag De individuele inkomenstoeslag (IIT) in de gemeente Den Haag is bedoeld voor inwoners vanaf 21 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd van wie het inkomen in de afgelopen 36 maanden niet hoger was dan de 110 procent van de geldende bijstandsnorm en die geen zicht hebben op en inkomensverbetering in de toekomst. De IIT bedraagt per twaalf maanden: • Alleenstaanden • Alleenstaande ouders met minderjarige kinderen • Paren • Paren met minderjarige kinderen

€ 360 € 470 € 600 € 800

Bij de resultaten van deze rapportage worden de saldi van huishoudens die in aanmerking komen voor de individuele inkomenstoeslag apart gepresenteerd.

3.2.4 De Ooievaarspas Huishoudens met een inkomen tot 150 procent kunnen een Ooievaarspas aanvragen. De Ooievaarspas is gratis. De Ooievaarspas biedt korting op allerlei activiteiten op het gebied van sport, cultuur, contributie, lidmaatschap en entree. Via de Ooievaarspas (de regeling Kinderen Doen Mee) kunnen kinderen gratis lid worden van een culturele- of een sportvereniging. Voor een tweede lidmaatschap van dezelfde soort geldt een korting van 50 procent tot een maximale eigen bijdrage van € 165. Volwassenen krijgen alleen deze korting van 50 procent tot een maximale eigen bijdrage van € 165. In de begrotingen zijn deze regelingen verwerkt bij de post “sociale participatie”, waarbij we uitgaan van één lidmaatschap per gezinslid. AOW-gerechtigden met een Ooievaarspas kunnen gratis met de HTM reizen. In de begroting hebben we kosten van het openbaar vervoer voor de dagelijkse reizen op nul gezet. Onder de post “vervoer” vallen nog wel de kosten voor de aanschaf en het onderhoud van een fiets. De openbaar-vervoerreizen die vallen onder sociale participatie betreffen meestal reizen buiten de eigen woonplaats, zoals met de trein. Deze zijn niet verlaagd. Houders van de Ooievaarspas kunnen gratis of met korting uitstapjes maken naar bijvoorbeeld de film, het zwembad, en musea in Den Haag. Ook kunnen met korting workshops, cursussen of proeflessen worden gevolgd.

In de begrotingen is onder de post “sociale participatie” een bedrag opgenomen voor uitgaan en vakanties (zie bijlage 1). Het voordeel van de Ooievaarspas verrekenen we door de helft van dit bedrag (wat neerkomt op € 10,75 per persoon, per maand) in mindering te brengen. De Ooievaarspas kan ook andere kosten met zich meebrengen, bijvoorbeeld voor vervoer naar de activiteit of voor iets te eten of drinken ter plaatse. We gaan ervan uit dat deze kosten uit het budget voor sociale participatie worden voldaan. Inwoners met een Ooievaarspas kunnen tot € 300 tegemoetkoming te krijgen bij de dierenarts voor preventieve zorg en medisch noodzakelijk kosten. Omdat huisdieren geen onderdeel zijn van de minimumvoorbeeldbegrotingen, is deze bijdrage van de gemeente niet doorgerekend. 3.2.5 Witgoedregeling Naast de Individuele Bijzondere Bijstand kent de gemeente ook een witgoedregeling voor duurzaam witgoed. Inwoners met een Ooievaarspas kunnen een cadeaukaart aanvragen waarmee korting wordt verkregen op energiezuinige elektrische apparaten. Er kan korting worden verkregen op een koelkast of koel-vriescombinatie, een tafelmodel vrieskist, een wasmachine, een vaatwasser, een stofzuiger en een (combi)magnetron. Het gaat hierbij om geselecteerde type producten die duurzaam zijn, bedoeld om het verschil tussen normaal en duurzaam witgoed te overbruggen.

In de begrotingen gaan we uit van de reserveringen die samenhangen met normaal witgoed. Via deze regeling kan voor hetzelfde bedrag een duurzame variant worden aangeschaft. Door de duurzame variant zal de elektriciteitsrekening lager liggen.

We schatten in, dat dit bij een gemiddeld verbruik in totaal ongeveer 160 kWh per jaar scheelt. Bij de huidige tarieven gaat het dan om ongeveer € 46 per jaar. We nemen dit bedrag mee via een lager bedrag voor energie. 3.2.6 Particuliere fondsen Binnen de gemeente Den Haag is een aantal particuliere fondsen actief die zich richten op inwoners met een laag inkomen. In onderstaande tabel wordt hier een overzicht van gegeven. Tabel 10: Overzicht particuliere fondsen Regeling Doelgroep

Vergoeding

Inkomensgrens

Het Jeugdeducatiefonds en de Sociale Fondsen leveren maatwerk. Dit is sterk afhankelijk van de persoonlijke situatie en is daarom niet in de begrotingen doorberekend. SintvoorIeder1 is in de begrotingen van de huishoudens met kinderen verwerkt. Hierbij gaan we uit van een bedrag van € 25 per jaar per kind. Dit is verrekend in de post “diversen”. De Stichting Leergeld in Den Haag helpt kinderen van 4 tot 18 jaar van ouders met een laag inkomen. De inkomensgrens bedraagt 150 procent van de norm. Bij de stichting kunnen voor kinderen met een Ooievaarspas de volgende zaken worden aangevraagd: Schoolspullenpas: o Voor een kind in het basisonderwijs is het bedrag: € 50,- per jaar o Voor een kind in het voortgezet onderwijs: € 150,- per jaar Dit is in de begrotingen verrekend met de post “onderwijs”. Winterkledingpas: o Voor kinderen tussen de 4 en 11 jaar is het bedrag € 145 per jaar o Voor kinderen tussen de 12 en 18 jaar is het bedrag € 165 per jaar In de begrotingen is dit verrekend met de post “kleding”. • Mobiele telefoon en abonnement: kinderen in de brugklas komen in aanmerking voor een Samsung Galaxy A36 en een abonnement voor onbeperkt bellen en 20 GB. Het abonnement kan jaarlijks worden verlengd tot en met 17 jaar. Er geldt een eigen bijdrage van € 50 (voor een mobiele telefoon plus abonnement) en van € 25 per jaar voor alleen een abonnement.

In de begrotingen zijn de telefoon plus het abonnement verrekend met de post “telecom”, waarbij we uitgaan van een levensduur van 5 jaar voor de mobiele telefoon. • Kinderen van 4 tot en met 17 jaar kunnen een waardebon ontvangen van maximaal € 150 per jaar voor materialen om te sporten, kunstlessen te volgen of om een muziekinstrument te leren spelen. In de begrotingen is dit verrekend met de post “sociale participatie”.

Speelgoedbon van € 25 per jaar voor kinderen van 4 tot 12 jaar. Dit is verrekend in de post “diversen”. Squla voor kinderen in de leeftijd van 4 tot 12 jaar. Dit is niet in de begrotingen verrekend, omdat niet elk kind hiervoor zal kiezen. Gratis reizen in weekenden en vakanties met de HTM voor kinderen tussen de 12 en 18 jaar. Dit is verrekend met de post “vervoer”, waarbij we de totale kosten voor het openbaar vervoer hebben verlaagd met 75 procent. Fietsen voor kinderen tussen de 8 en 18 jaar. Er is een eigen bijdrage van € 7,50 voor kinderen tot 12 jaar. Voor de leeftijden daarboven is de eigen bijdrage € 25. Bij de huishoudens met twee oudere kinderen zijn de aanschafkosten van twee fietsen (aanschafbedrag gedeeld door de levensduur) uit de begroting gehaald en vervangen door de eigen bijdragen. Dit is verrekend met de post “vervoer”. 3.2.6 Bijzondere bijstand De gemeente Den Haag verstrekt voor bijzondere en noodzakelijke kosten individuele bijzondere bijstand. Uitgangspunt hierbij is dat er geen draagkracht is bij een inkomen tot 110 procent van de geldende bijstandsnorm. Tussen 110 procent en 120 procent bedraagt de draagkracht € 25 per maand, tussen 120 en 130 procent € 50 per maand. Boven de 130 procent wordt het meerinkomen volledig als draagkracht gezien. Dus naast de € 50 wordt elke extra euro boven de 130 procent als draagkracht gezien.

De individuele bijzondere bijstand wordt in dit onderzoek niet meegenomen omdat deze sterk afhankelijk is van de persoonlijke situatie. Uitzondering zijn de huishoudens met een zorgvraag. Bij deze huishoudtypen gaan we uit van een aantal veronderstellingen die worden beschreven in paragraaf 3.3.3. Indien voor een of meer van deze voorzieningen individuele bijzondere bijstand kan worden aangevraagd, wordt dit meegenomen in de begroting. 3.2.7 Kinderopvang en peuterspeelzaal Op grond van de Wet kinderopvang kunnen ouders van kinderen tot 12 jaar een tegemoetkoming toegekend krijgen voor de kosten van kinderopvang, de kinderopvangtoeslag. Vervolgens resteert een eigen bijdrage voor deze kosten. Ouders die een uitkering van de gemeente ontvangen en deelnemen aan een re-integratietraject kunnen een (gedeeltelijke) vergoeding van de eigen bijdrage krijgen. In deze rapportage gaan we niet uit van een van bovengenoemde situatie. Kinderopvang Alleenstaande ouders met een inkomen boven bijstandsniveau zullen enkele dagen per week werken en gebruik maken van de kinderopvang voor het kind van 3 jaar. Bij 110 procent van het minimuminkomen wordt gerekend met 20 uur kinderopvang per week, op 130 procent wordt uitgegaan van 30 uur kinderopvang en bij een hoger inkomen van 40 uur per week. We gaan uit van 45 weken kinderopvang per jaar.

Peuterspeelzaal Een alleenstaande ouder met een bijstandsuitkering (die geen arbeidsmarktgericht traject volgt) hoeft geen gebruik van de kinderopvang te maken; daarom zijn in de begrotingen op 100 procent geen kosten voor kinderopvang opgenomen. Wel wordt ervan uitgegaan dat er twee dagdelen per week gebruik wordt gemaakt van de peuteropvang.

Ook paren zonder werk (met een bijstandsuitkering) of paren waarvan één van beide partners werkt (met een inkomen boven bijstandsniveau), zullen geen gebruik maken van de kinderopvang maar van de peuteropvang, omdat de niet-werkende partner op de kinderen kan passen. Ouders zonder werk komen niet in aanmerking voor kinderopvangtoeslag. De gemeente Den Haag kent voor deze ouders de Subsidieregeling tegemoetkoming peuteropvang. Het doel dat met de verstrekte subsidie wordt nagestreefd, is dat ieder kind een passende plek in de peuteropvang krijgt. De hoogte van de subsidie is gelijk aan de maximum uurprijs zoals vastgesteld door de Belastingdienst, verminderd met de eigen bijdrage. Voor ouders die in het bezit zijn van een Ooievaarspas is de subsidie gelijk aan de maximum uurprijs. De kosten voor kinderopvang en de peuterspeelzaal zijn in de begrotingen opgenomen onder de post “kinderopvang”. De kinderopvangtoeslag die de betreffende huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten.

3.3

Huishoudens met een zorgvraag

In dit onderzoek worden de begrotingen van twee huishoudens met extra zorgkosten opgesteld: Een alleenstaande met een licht verstandelijke beperking; Een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd) met een motorische beperking. De zorgprofielen van deze huishoudens zijn gebaseerd op nieuw onderzoek van het Nibud 4 en wijken af van de zorgprofielen uit voorgaande rapportages. Hieronder wordt eerst dieper ingegaan op de voorzieningen van de gemeente Den Haag voor huishoudens met een zorgvraag. Daarna worden de profielen van deze huishoudtypen nader omschreven en wordt bekeken wat het effect van de regelingen is op de maandbegroting van de huishoudens met een zorgvraag. 3.3.1 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zorgt ervoor dat mensen met een handicap, chronisch zieken en ouderen een zo normaal mogelijk dagelijks leven kunnen leiden. De gemeente bekijkt of hulp nodig is en waarmee iemand het beste is geholpen. Iedere gemeente regelt dit op zijn eigen manier.

Naast algemene taken, zoals het vergroten van de leefbaarheid in de gemeente, heeft de gemeente op basis van de Wmo de volgende taken: ondersteuning van mensen met een lichamelijke, psychische of verstandelijke beperking zodat zij mee kunnen doen aan de samenleving, bijvoorbeeld door begeleiding, zinvolle daginvulling, huishoudelijke verzorging, woningaanpassing, vervoer of een rolstoel; ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers, bijvoorbeeld door trainingen, of ondersteuning in het geval dat de mantelzorger ziek is.

____________________

3.3.2 Belastingaftrek specifieke zorgkosten Bepaalde specifieke zorgkosten zijn aftrekbaar van de inkomstenbelasting. Voor de huishoudens die we hebben doorgerekend gaat het om vervoerskosten, medicijnen en extra kosten voor kleding en beddengoed. Voor de aftrek geldt een drempel. Niet in alle gevallen wordt de drempel gehaald. 3.3.3 Tegemoetkoming chronische zieken en gehandicapten Voor inwoners met een beperking of chronische ziekte, kent de gemeente Den Haag de Tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten. Het gaat om een bijdrage van € 125 per jaar, voor specifieke zorgkosten die voor eigen rekening blijven. Het is een tegemoetkoming om zorgkosten te compenseren en geen declaratiesysteem waar specifieke bedragen zijn gekoppeld aan bepaalde kostenposten. De tegemoetkoming is bedoeld voor huishoudens met een inkomen dat niet hoger is dan 150 procent van de geldende bijstandsnorm. We gaan ervan uit dat de huishoudens met een zorgvraag in aanmerking komen voor de bijdrage van € 125 per jaar. In de begrotingen is deze vergoeding opgenomen bij de inkomsten. 3.3.4 Meerkosten huishoudens met zorgvraag Om de begrotingen voor huishoudens met een zorgvraag op te maken, zijn zogenoemde zorgprofielen opgesteld. Vervolgens wordt bepaald welke extra kosten deze huishoudens hebben en welke vergoedingen daar tegenover staan.

Alleenstaande met een licht verstandelijke beperking In deze situatie bespreken we een alleenstaande met een licht verstandelijke beperking. De persoon woont zelfstandig in een woongroep en heeft dagbesteding. De meerkosten bestaan voornamelijk uit een hogere premie voor een uitgebreidere zorgverzekering en bijdragen voor verschillende vormen van begeleiding: ambulante begeleiding, budgetbeheer en begeleiding voor activiteiten buitenshuis. Daarnaast zijn er beperkte meerkosten voor onder andere ziekenhuisbezoek en dieetadvies. De totale meerkosten zijn weergegeven in tabel 11. Tabel 11: Meerkosten alleenstaande met een licht verstandelijke beperking Meerkosten

Alleenstaande oudere met een motorische beperking Het profiel voor de AOW-gerechtigde met een motorische beperking ziet er als volgt uit: Het gaat om een alleenstaand persoon met een minimuminkomen die vanwege een motorische beperking rolstoelgebonden is. De beperking is niet ontstaan door een andere chronische aandoening. Deze persoon woont in een flatwoning met lift. Voor mobiliteit buitenshuis maakt hij/zij gebruik van een scootmobiel. Het opladen hiervan heeft een hogere energierekening tot gevolg. Voor ziekenhuisbezoek (gemiddeld één keer per maand) en verder weg gelegen bestemmingen wordt gebruik gemaakt van de regiotaxi en Valys. Overige meerkosten betreffen een uitgebreidere zorgverzekering, lidmaatschap van twee patiëntenverenigingen, begeleiding bij het sporten, kledingslijtage en extra waskosten, eigen bijdrage Wmo voor woningaanpassingen, eigen betalingen van medicijnen in verband met chronische ontstekingen en bloedsomloopproblemen, en vakantie in een aangepaste recreatiewoning (zie tabel 12). Tabel 12: Meerkosten alleenstaande oudere met een motorische beperking Meerkosten

Aanpassingen in de begroting voor beide huishoudens met een zorgvraag Gezien het bovenstaande, zal de begroting van de huishoudens met een zorgvraag op diverse punten afwijken van de standaardbegrotingen. De extra kosten van beide huishoudens met een zorgvraag zijn in de begrotingen als volgt verrekend: Hogere huur in verband met aanwezigheid lift De oudere woont in een flatwoning met een lift. Dit geeft een hogere huur van gemiddeld € 67 per maand. Dit wordt voor een deel (65 procent) gecompenseerd door een hogere huurtoeslag. Daarnaast zijn er servicekosten voor de lift van € 24 per maand. Ook deze kosten kunnen gedeeltelijk vanuit de huurtoeslag worden vergoed. De rest komt voor rekening van de oudere zelf.

Hogere energierekening Vanwege het gebruik van hulpmiddelen waaronder een scootmobiel, die thuis opgeladen moet worden, heeft de oudere met een zorgvraag een hogere energierekening. Daarnaast heeft deze persoon hogere stookkosten omdat zij vaak thuis is en veel stilzit. Dit scheelt € 52 per maand en wordt verrekend met de post “energie”. Voor deze kosten kan gebruik worden gemaakt van de Tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten. De tegemoetkoming is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten. De extra kosten voor gas en elektriciteit zijn opgenomen onder de post “energie”. Collectief vraagafhankelijk vervoer Beide huishoudens met een zorgvraag maken voor ziekenhuisbezoek (gemiddeld één keer per maand) en andere bestemmingen gebruik van de AV070 en Valys in plaats van het reguliere openbaar vervoer. Hiervoor geldt een eigen bijdrage van € 28 per jaar. Voor huishoudens met een inkomen onder de 130 procent is er geen eigen bijdrage. Daarnaast veronderstellen we dat de personen met een zorgvraag geen gebruik maken van de fiets; de kosten daarvan zijn daarom uit de begroting gehaald. De vervoerskosten die uiteindelijk resteren zijn opgenomen onder de post ”vervoer”. Een uitgebreidere zorgverzekering De huishoudens met een zorgvraag hebben een uitgebreide aanvullende zorgverzekering nodig.

In deze rapportage rekenen we met het VGZ Den Haag pakket, dat al uitgebreider is dan een gemiddelde zorgverzekering. Voor de huishoudens met een inkomen boven 150 procent van de norm rekenen we met een uitgebreider aanvullend pakket dan voor de huishoudens zonder zorgvraag. Overige verzekeringen Voor de oudere met een zorgvraag rekenen met een uitgebreidere inboedelverzekering, wat € 2 per maand kost. Deze kosten zijn verrekend met de post “overige verzekeringen”. Lidmaatschap patiëntenvereniging De oudere met een zorgvraag is lid van twee patiëntenverenigingen. Hiervoor rekenen we € 3 per maand. Dit is meegenomen bij de post “contributies en abonnementen”. Begeleiding bij het sporten De kosten van een sportabonnement zijn opgenomen bij de post “sociale participatie”. Voor inwoners met een inkomen tot 150 procent van de norm kan dit voor 50 procent vergoed worden vanuit de Ooievaarspas. De alleenstaanden met een zorgvraag zullen echter ook een begeleider nodig hebben. We gaan uit van een bezoek aan het zwembad, waarbij de begeleider niet in het bezit is van een Ooievaarspas. De extra kosten van € 25 per maand zijn opgeteld bij de post “sociale participatie”. Kledingslijtage en extra waskosten De oudere met een zorgvraag maakt extra kosten in verband met kledingslijtage en extra waskosten.

Voor de extra waskosten gaan we uit van twee keer per week extra wassen, wat neerkomt op € 6 per maand. De slijtage van kleding die daar het gevolg van is geeft extra kosten van € 31 per maand. De extra waskosten en de extra kosten vanwege kledingslijtage zijn in de begrotingen opgenomen onder de post “was- en schoonmaakartikelen” en “kleding”.

Eigen bijdrage Wmo Beide huishoudens met een zorgvraag betalen de eigen bijdrage Wmo. Deze eigen bijdrage bedraagt € 21 per maand maar wordt volledig vergoed vanuit de Haagse Zorgverzekering. Medicijnen Voor de eigen betalingen voor medicijnen van de oudere met een zorgvraag rekenen we € 21 per maand. Ook deze eigen bijdrage wordt volledig vergoed vanuit de Haagse Zorgverzekering. Eigen betaling dieetadvies De alleenstaande met een verstandelijke beperking maakt extra kosten vanwege een dieetadvies, wat ook vanuit de Haagse Zorgverzekering vergoed wordt. Vakantie in een aangepaste recreatiewoning Omdat de oudere rolstoelgebonden is, zal daar bij de vakantiewoning rekening mee gehouden moeten worden. Dit leidt tot extra kosten, die neerkomen op € 7 per maand. Dit is verrekend met de post “sociale participatie”. Attentiekosten Huishoudens met een zorgvraag krijgen ook vaak hulp van buren, vrienden, etc. Als dank voor deze hulp zullen zij graag iets terugdoen. De gemeente Den Haag verstrekt hiervoor cadeaukaarten aan mantelzorgers en vrijwilligers.

4 Resultaten Dit hoofdstuk bevat de resultaten van de berekeningen naar het effect van landelijke en lokale inkomensondersteuning op de begroting van huishoudens. De begrotingen zijn gepresenteerd in bijlage 2. Hierbij zijn de inkomsten afgezet tegen de uitgaven. Het saldo van deze begroting (inkomsten minus uitgaven) geeft het beeld weer wat het huishouden overhoudt of te kort komt als alle uitgaven zijn gedaan. Deze resultaten zijn in onderstaande tabel gepresenteerd en kunnen positieve of negatieve waarden opleveren: het huishouden houdt geld over of komt geld te kort. Als het huishouden te maken heeft met een tekort op de maandbegroting dan is dit in rood weergegeven. Dat is in de gemeente Den Haag bij geen van de onderzochte huishoudtypen het geval. Wanneer het huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op het voorliggende, lagere inkomensniveau, dan is dit zichtbaar gemaakt via een oranje kleur. Dit geeft een armoedeval weer. Uit de tabel valt af te lezen dat er voor een alleenstaande met een bijstandsuitkering € 186 per maand resteert nadat alle uitgaven zijn gedaan. Dit loopt op naar € 747 bij 160 procent. Hierbij is rekening gehouden met alle landelijke en lokale inkomensondersteunende maatregelen. Tabel 13: Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand, exclusief IIT

4.1

Huishoudtype

100

110

130

150

160

01. alleenstaande tot AOW-leeftijd

186

202

466

664

747

02. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd

470

476

696

845

893

03. paar tot AOW-leeftijd zonder kinderen

209

261

476

583

664

04. paar vanaf AOW-leeftijd zonder kinderen

554

545

787

973 1.063

05. eenoudergezin met 2 jonge kinderen

661

641

849 1.092 1.161

06. eenoudergezin met 2 oudere kinderen

462

452

716

957

921

07. paar met 2 jonge kinderen

469

517

732

808

758

08. paar met 2 oudere kinderen

298

346

561

614

473

09. alleenstaande tot AOW-leeftijd met zorgvraag

180

196

458

654

667

10. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd met zorg

339

347

564

711

691

Bestedingsruimte per huishoudtype

1. Alleenstaande In de gemeente Den Haag heeft een alleenstaande met een inkomen op bijstandsniveau een positief saldo van € 186 nadat alle noodzakelijke uitgaven (inclusief sociale participatie) zijn voldaan. Bij 110 procent van de norm resteert € 202. Dit loopt op naar € 747 op 160 procent. 2. Alleenstaande oudere Ook een alleenstaande oudere heeft, nadat alle uitgaven zijn gedaan, geen tekorten op de maandbegroting.

Met alleen een AOW-uitkering zonder aanvullend pensioen is er een bestedingsruimte van € 470 per maand. Bij een inkomen van 110 procent is de bestedingsruimte iets hoger met € 476 per maand. Daarna stijgt de bestedingsruimte harder naar € 696 op 130 procent oplopend naar € 893 op 160 procent. Het maandelijkse AOW-bedrag voor een alleenstaande is ruim € 250 hoger dan de bijstandsnorm, wat de hogere bestedingsruimte van de alleenstaande oudere verklaart. 3. Paar zonder kinderen Het paar zonder kinderen heeft op bijstandsniveau een positief saldo van € 209 per maand. Dit loopt op naar € 664 op 160 procent. 4 Ouder paar Een ouder paar met alleen een AOW-uitkering zonder aanvullend pensioen heeft een bestedingsruimte van € 554 per maand. Bij 110 procent daalt het saldo naar € 545; op 130 procent zien we een stijging naar € 787 per maand. Bij 160 procent komt het saldo uit op € 1.063 per maand. In de volgende paragraaf gaan we dieper in op de oorzaak achter de lagere bestedingsruimte op 110 procent ten opzichte van de bijstandsnorm. 5. Eenoudergezin met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar) Ook het eenoudergezin met twee jonge kinderen heeft voldoende inkomsten om de uitgaven uit het basispakket inclusief die aan sociale participatie te kunnen bekostigen. Op bijstandsniveau houdt dit gezin € 661 vrij te besteden over.

Op 110 procent is de bestedingsruimte € 20 lager met € 641; bij de inkomensniveaus boven 110 procent loopt de bestedingsruimte op tot € 1.161 op 160 procent. 6. Eenoudergezin met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar) Het eenoudergezin met twee oudere kinderen houdt minder over dan het eenoudergezin met jonge kinderen: € 462 op bijstandsniveau. Op 110 procent daalt de bestedingsruimte iets naar € 452. Vervolgens loopt dit bedrag loopt tot € 957 op 150 procent en daalt het weer naar € 921 op 160 procent. In de volgende paragraaf komen deze dalingen van de bestedingsruimte bij een hoger inkomensniveau uitgebreider aan bod. De bestedingsruimte van het eenoudergezin met oudere kinderen is lager dan bij het eenoudergezin met jongere kinderen. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de hogere kosten voor onderwijs, voeding en vervoer. De hogere uitgaven van oudere kinderen worden enigszins gecompenseerd door iets hogere landelijke toeslagen (kinderbijslag en kindgebonden budget) en de hogere tegemoetkoming voor oudere kinderen vanuit de Stichting Leergeld. 7. Paar met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar) Het paar met twee jonge kinderen heeft op bijstandsniveau een saldo van € 469 per maand. Dit loopt op naar € 808 bij 150 procent, om vervolgens bij 160 procent lager uit te komen op € 758 (zie paragraaf 4.2).

Dat het paar met jonge kinderen meer ruimte heeft dan het paar zonder kinderen, komt doordat de landelijke toeslagen (kinderbijslag en het kindgebonden budget) plus de gemeentelijke ondersteuning de extra kosten van de twee jonge kinderen meer dan compenseren.

8. Paar met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar) Ook het paar met twee oudere kinderen heeft te maken met een armoedeval op 160 procent. Op bijstandsniveau is er een bestedingsruimte van € 298. Dit loopt op naar € 614 op 150 procent. Op 160 procent vallen er tegemoetkomingen vanuit het minimabeleid weg en daalt de bestedingsruimte naar € 473. Hier gaan we in paragraaf 4.2 dieper op in. Evenals bij alleenstaande ouders is bestedingsruimte van een paar met oudere kinderen op alle onderzochte inkomensniveaus lager dan van het paar met jonge kinderen. De hogere kinderbijslag en het hogere kindgebonden budget wegen niet op tegen de hogere uitgaven die oudere kinderen met zich meebrengen aan onder meer onderwijs, voeding en kleiding. Ook de vergoedingen voor kinderen uit het minimabeleid (die in zijn totaliteit voor oudere kinderen hoger liggen dan voor jonge kinderen) kunnen dit niet compenseren. Ook valt op dat paren een lagere bestedingsruimte hebben dan eenoudergezinnen. Een belangrijke oorzaak van deze lagere bestedingsruimte ligt in het feit dat een paar de kosten van twee volwassenen moet dragen, zoals de kosten van de zorgverzekering, kleding en voeding. Deze kosten worden niet gecompenseerd door de hogere bijstandsnorm voor een paar, ten opzichte van de norm voor een alleenstaande (ouder). 9.

Alleenstaande met een licht verstandelijke beperking De alleenstaande met een licht verstandelijke beperking heeft op bijstandsniveau een bestedingsruimte van € 180 per maand. Op 110 procent is dit iets hoger met een saldo van € 196. Vanaf 130 procent is er sprake van een ruimere bestedingsruimte: € 458 op 125 procent, oplopend naar € 667 op 150 procent. Het verschil in bestedingsruimte vergeleken met een alleenstaande zonder zorgvraag is tot en met een inkomensniveau van 150 procent niet erg hoog. Op 100 en 110 procent is het verschil € 6 per maand, op 130 procent is dit € 8 en op 150 procent € 10. De belastingaftrek specifieke zorgkosten en de Tegemoetkoming chronische zieken en gehandicapten kunnen de extra zorgkosten voor deze alleenstaande grotendeels compenseren. De belastingaftrek neemt langzaam iets af, vandaar het licht oplopende verschil tot en met 150 procent. Op 160 procent vervallen de lokale tegemoetkomingen en betaalt de alleenstaande de extra zorgkosten grotendeels zelf. 10. Alleenstaande oudere met een motorische beperking Ook de alleenstaande oudere met een zorgvraag heeft minder bestedingsruimte dan de oudere zonder zorgvraag, maar er zijn geen tekorten zichtbaar. Wel zien we dat de verschillen bij de oudere groter zijn dan bij de alleenstaande onder de AOW-leeftijd. Dit komt omdat de oudere hogere zorgkosten heeft.

De bestedingsruimte met alleen een AOW-uitkering zonder aanvullend pensioen is € 339 per maand. Dit loopt op naar € 711 per maand bij 150 procent en daalt vervolgens naar € 691 op 160 procent. Het verschil met de alleenstaande oudere zonder zorgkosten ligt tot en met een inkomensniveau van 150 procent rond de € 132. Dit zijn voornamelijk hogere kosten aan huur, energie, kleding en sociale participatie (het zwemkaartje voor de begeleiding). Op 160 procent komen daar kosten bij aan onder meer de eigen bijdrage Wmo, de eigen bijdrage medicijnen en vervoer. Bovendien vervalt de tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten.

4.2

Armoedeval

Voor elk huishoudtype zijn verschillende inkomensniveaus doorgerekend. Naast het minimuminkomen zijn inkomens op 110, 130, 150 en 160 procent van het netto minimuminkomen gespecificeerd. Soms leidt een hoger inkomen tot een beperktere bestedingsmogelijkheid. Dit komt doordat landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen, zoals huurtoeslag en kindregelingen, er niet op voorhand toe leiden dat een huishouden meer te besteden heeft bij een hoger inkomen. Een armoedeval kan ontstaan door een stijging van het salaris, bijvoorbeeld als iemand meer uren gaat werken. Deze armoedeval wordt ook wel doorstroomval genoemd. Een andere situatie ontstaat wanneer huishoudens vanuit een uitkering uitstromen naar betaald werk. Deze armoedeval wordt ook wel de uitstroomval genoemd. Op dat moment nemen de kosten door werk toe en komen rechten op diverse inkomensondersteunende regelingen (gedeeltelijk) te vervallen. In figuur 1 is in één oogopslag te zien welke huishoudtypen te maken hebben met een uitof doorstroomval. Idealiter zie je over de hele linie een stijgende lijn. Dat betekent dat een hoger netto inkomen ook leidt tot een hoger besteedbaar inkomen. Figuur 1: Ontwikkeling saldo naar inkomensniveau

4.2.1 Uitstroomval Een uitstroomval ontstaat als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op bijstandsniveau. In de gemeente Den Haag doet zich dit voor bij de onderzochte eenoudergezinnen: op 110 procent van de norm is de bestedingsruimte lager dan op bijstandsniveau. De uitstroomval bij het eenoudergezin met jonge kinderen wordt vooral veroorzaakt door de kosten voor kinderopvang en de werkgerelateerde kosten. De eigen betaling aan kinderopvang bedraagt bij een inkomen op 110 procent van de norm € 44 per maand en voor de werkgerelateerde kosten rekenen we een bedrag van € 67 per maand. Daarnaast is er geen recht meer op volledige kwijtschelding van lokale belastingen, wat bijdraagt aan de uitstroomval. Bij het eenoudergezin met oudere kinderen spelen dezelfde factoren, behalve de kosten voor kinderopvang. Anderzijds komt het eenoudergezin met jonge kinderen nog voor gedeeltelijke kwijtschelding van lokale lasten in aanmerking, omdat de gemeente Den Haag bij de berekening van de betalingscapaciteit rekening houdt met de kosten van kinderopvang. Al met al is de armoedeval bij het eenoudergezin met oudere kinderen kleiner dan bij het eenoudergezin met jonge kinderen: de bestedingsruimte op 110 procent is € 10 lager dan op bijstandsniveau, voor het eenoudergezin met jonge kinderen daalt de bestedingsruimte met € 20.

Ook het paar vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bij 110 procent een lagere bestedingsruimte dan bij een volledige AOW-uitkering. Dit kan grotendeels worden verklaard vanuit de systematiek van dit onderzoek: op 100 procent rekenen we met een volledige AOW-uitkering, bij 110 procent gaan we uit van een bijstandsuitkering voor een AOW-gerechtigde. Daarnaast speelt ook hier het wegvallen van het recht op kwijtschelding van lokale lasten een rol. Bij de andere onderzochte huishoudtypen zien we geen uitstroomval, maar de bestedingsruimte op 110 procent neemt niet evenredig toe met het netto inkomen. Ook hier zijn het wegvallen van het recht op kwijtschelding van lokale lasten en werkgerelateerde kosten de oorzaak. 4.2.2 Doorstroomval Van een doorstroomval is sprake als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op het voorliggende, lagere inkomensniveau. In de gemeente Den Haag is bij het eenoudergezin met oudere kinderen en bij de paren met kinderen en een doorstroomval zichtbaar bij een overgang van het inkomen van 150 naar 160 procent van het minimum. Deze doorstroomval wordt grotendeels veroorzaakt door het wegvallen van de tegemoetkomingen vanuit de Ooievaarspas en vanuit de Stichting Leergeld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16253801/1