RIS323792 Bijlage 1 Armoedemonitor 2025
Tekst van het document
Armoedemonitor
Onderzoek naar Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen en het gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep
Datum
Opdrachtnaam
Status
Najaar 2025
Armoedemonitor
definitief
Versie
Opdrachtgever
1.2
Dienst SZW / afdeling Beleid, onderzoek & projecten
Auteur
Team onderzoek, uitvoering onderzoek door CBS
Opdrachtnummer
nvt
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
Inhoudsopgave
Samenvatting
3
1 Inleiding
5
2 Den Haag in vogelvlucht
7
2.1 2.2 2.3
Economische ontwikkelingen Ontwikkeling en verdeling van inkomen en vermogen Armoede in Den Haag
2.3.1 Inkomensarmoede 2.3.2 Ernst van armoede 2.3.3 Concentraties van armoede
3 Armoede onder Haagse inwoners in beeld
7 8 10 10 12 12
14
3.1
Haagse minimapopulatie als geheel
14
3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4 3.1.5 3.1.6
Huishoudsamenstelling Primaire bron van inkomsten Leeftijd en herkomst Opleidingsniveau Aanwezigheid van schulden Zorggebruik en gezondheid
14 15 17 18 18 19
3.2
Groepen minima nader belicht
21
3.2.1 Langdurig arme huishoudens 3.2.2 Kinderarmoede
4 Bereik van Haagse minimaregelingen
21 22
24
4.1 4.2
Verzamelbereik Bereik van de verschillende regelingen
24 24
4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.2.4 4.2.5 4.2.6 4.2.7 4.2.8
Ooievaarspas Leergeld Den Haag Individuele inkomenstoeslag Haagse zorgverzekering Energietoeslag Vergoeding langdurig zieken en gehandicapten Bijzondere bijstand Kwijtschelding gemeentelijke belastingen
24 25 26 28 29 30 30 31
4.3
Bereik door de jaren heen
32
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2
33 Tabellen Literatuur
34 45
2/46
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
Samenvatting Het CBS stelt sinds 2017 jaarlijks de Haagse Armoedemonitor op. De Armoedemonitor brengt de omvang en kenmerken van particuliere Haagse minimahuishoudens in kaart en geeft het bereik weer van gemeentelijke regelingen voor deze groep. Het CBS baseert zich bij het vaststellen van het inkomen en vermogen op gegevens van de Belastingdienst. De meest recente beschikbare gegevens gaan over 2023 en zijn voorlopig. In 2023 waren de meeste regelingen bedoeld voor huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen. Deze huishoudens staan in de samenvatting centraal. Per 2024 zijn de inkomensgrenzen voor diverse regelingen verruimd naar 150 procent van het sociaal minimum.
Lichte toename van armoede onder Haagse huishoudens in 2023 Den Haag telt in 2023 42.300 huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen. Dit komt neer op 1 op de 6 Haagse huishoudens. Het aantal en percentage minimahuishoudens namen in 2023 licht toe, waar in eerdere jaren nog een daling te zien was. Afgaande op voorlopige gegevens van het CBS over huishoudens met een laag inkomen in 2024 (ongeacht hun vermogen) lijkt de toename niet te zijn doorgezet in 2024. Zeven van de tien minimahuishoudens wonen in de stadsdelen Centrum, Escamp en Laak. De vijf wijken met de meeste minima zijn de Schildersbuurt, Moerwijk, Transvaalkwartier, Bouwlust en Vrederust en Morgenstond. In voorgaande jaren was dit ook zo. 1 op de 6 kinderen groeit op in een minimahuishouden In Den Haag groeien in 2023 16.000 kinderen van 0 tot 18 jaar op in een huishouden met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen. Dat komt neer op één op de zes kinderen in Den Haag en is vergelijkbaar met 2022. De in eerdere jaren ingezette daling stagneerde hiermee in 2023. Gemeentelijke regelingen voor kinderen zijn bedoeld voor de 12.600 kinderen van 4 tot 18 jaar. Het merendeel van hen groeit op in een langdurig arm gezin (langdurig dat wil zeggen drie jaar of langer).
Zij groeien verder vaker dan andere kinderen op in een eenoudergezin, in gezinnen met problematische schulden of met hoge zorgkosten. Ook zijn ze vaker bekend bij Jeugdzorg. Zowel de Kinderombudsman als eerder de Commissie Sociaal Minimum pleiten voor versterking van de positie van kinderen die opgroeien in armoede. Aanzienlijke groep huishoudens leeft met tekorten Vier van de tien minimahuishoudens leven van een inkomen onder of tot het bestaansminimum. Met de groep die daar net boven zit, vertegenwoordigen zij tweederde van de huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen. De huishoudens met de grootste tekorten hebben relatief vaak inkomsten uit een eigen onderneming of een pensioen. Meerderheid langdurig arm, aandeel wel afgenomen De meeste minima zijn langdurig arm, dus drie jaar of langer. Dat was in eerdere jaren ook zo. Wel daalde hun aandeel ten opzichte eerdere jaren. Het percentage huishoudens dat korter moet rondkomen van een laag inkomen en weinig vermogen steeg juist in 2023. Samenstelling grotendeels gelijk De samenstelling van de groep Haagse minimahuishoudens is grotendeels gelijk aan die van voorgaande jaren. De meerderheid is alleenstaand. Hoewel eenoudergezinnen oververtegenwoordigd zijn, daalde hun aandeel de afgelopen jaren.
Het armoederisico van eenoudergezinnen is nog steeds het hoogst van alle huishoudtypen, maar daalde navenant. Het risico op armoede is verder hoog bij huishoudens met een jongere hoofdkostwinner (tot 24 jaar) en bij huishoudens met een oudere hoofdkostwinner (65 jaar en ouder). Daarbij
3/46
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
geldt het aantal met jongeren beperkt is en het aantal met ouderen juist aanzienlijk. Het armoederisico van jongeren daalde wel de afgelopen jaren. Van alle huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen leeft een derde van een bijstandsuitkering en een vijfde van een andere uitkering. Ruim een vijfde ontvangt inkomsten uit loondienst of een eigen onderneming. Tot slot is voor ruim een kwart een pensioen de belangrijkste inkomstenbron. Huishoudens met bijstand hebben verreweg het hoogste armoederisico, gevolgd door huishoudens met een andere uitkering. Werkenden, met name werkenden in loondienst, hebben het laagste risico. Desondanks gaat het wel om een aanzienlijke groep van 8.800 Haagse huishoudens. Samenloop met schulden, zorggebruik en gezondheid Niet alleen hebben inwoners met een laag inkomen vaker moeite met rondkomen, ook komen problematische schulden vaker voor. Van de Haagse minima heeft een vijfde schulden bij het CAK en/of instanties als de Belastingdienst, het CJIB, de SVB, de gemeente, het UWV of DUO. Dat is waarschijnlijk een onderschatting omdat informele schulden en registraties bij het BKR hier niet meegenomen konden worden. Andere gegevens van het CBS inclusief gegevens van het BKR laten zien dat bijna een derde van de Haagse huishoudens met bijstand problematische schulden heeft.
Haagse minimahuishoudens maken vaker dan andere huishoudens gebruik van een geïndiceerde voorziening uit de Wet maatschappelijke ondersteuning. Ook hebben zij vaker (langdurig) hoge zorgkosten dan andere huishoudens, wijzend op vaker voorkomende gezondheidsproblemen. Verzamelbereik 77 procent, met energietoeslag 82 procent In 2023 maakte 77 procent van de huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen gebruik van één of meer gemeentelijke regelingen. Het gaat dan om de Ooievaarspas, de voorzieningen van Leergeld Den Haag, de individuele inkomenstoeslag, de vergoeding voor chronisch zieken en gehandicapten, de Haagse zorgverzekering, bijzondere bijstand en/of de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. Dit verzamelbereik is gelijk aan het bereik van 2022. Ten opzichte van eerdere jaren daalde het bereik licht. Het verzamelbereik stijgt (alleen) als meer rechthebbende huishoudens gebruikmaken van een regeling. Met de energietoeslag meegerekend, maakte in 2023 82 procent van de huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen gebruik van één of meer regelingen. Met de energietoeslag is dus een nieuwe groep huishoudens in beeld gekomen.
Het bereik van de regelingen is hoog onder (potentieel) kwetsbare groepen als langdurige minima, eenoudergezinnen, huishoudens met (langdurig) hoge zorgkosten of een Wmoindicatie is. Het bereik onder huishoudens met schulden of een uitkering anders dan bijstand is (iets) lager dan onder de groep minima als geheel. Andere groepen worden veel minder goed bereikt. Denk daarbij aan huishoudens met inkomsten uit werk of een eigen onderneming en - hoewel in omvang een beperkte groep - jongeren tot 24 jaar. Het bereik onder deze groepen is wel stabiel of licht gestegen ten opzichte van 2022. Verder valt op dat door de energietoeslag een grotere groep werkenden in beeld is gekomen bij de gemeente.
4/46
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
1 Inleiding Het CBS stelt sinds 2017 vast wat de omvang en kenmerken zijn van de groep Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen en wat het bereik is van de gemeentelijke regelingen voor deze groep. Dit doet het CBS aan de hand van gegevens van de Belastingdienst. De meest recente beschikbare gegevens gaan over het kalenderjaar 2023. Achtergronden De gemeente Den Haag ondersteunt minimahuishoudens met verschillende regelingen gericht op het verbeteren van de inkomenspositie en het stimuleren van maatschappelijke participatie. De onderstaande tabel geeft per regeling de aanvraagcriteria weer van 2023. Naast de gestelde inkomensgrenzen geldt dat het vermogen niet hoger mag zijn dan grenzen hiervoor in de Participatiewet. Zie voor de normbedragen: Hoogte bijstand en vergoedingen Den Haag. Tabel 1: minimaregelingen in de gemeente Den Haag in 2023 Soort regeling In 2023 geldende inkomens- Omschrijving regeling en vermogensgrens* Ooievaarspas 130 procent van het sociaal Pas voor kinderen en volwassenen met korting op minimum activiteiten op het gebied van sport, cultuur en recreatie. Voor ouderen is er met de pas gratis openbaar en korting op voetverzorging. Ouderen en mensen met een beperking kunnen ook gebruik maken van goedkope warme maaltijden.
Kindpakket van 130 procent van het sociaal Leergeld Den Haag biedt regelingen voor kinderen van Leergeld Den Haag minimum en kind in 4 tot 18 jaar. Het gaat onder meer om de huishouden van 4 tot 18 schoolspullenpas, speelgoedbon, winterkledingpas, Squla-thuisabonnementen, computers, telefoons, fietsregelingen en HTM abonnementen. Haagse 110 tot 150 procent van het De Haagse zorgverzekering wordt aangeboden door zorgverzekering sociaal minimum VGZ. Er is een keuze tussen een compact en uitgebreid pakket met onder meer dekking van eigen risico. De gemeente draagt bij aan de premie (hoogst bij 110 procent sociaal minimum). Individuele >36 maanden 110 procent Aanvulling op het huishoudinkomen om grote inkomenstoeslag van het sociaal minimum en noodzakelijke uitgaven te doen. De toeslag verschilt per 21 jaar tot AOW-leeftijd huishoudtype en loopt uiteen van 300 tot 800 euro.. Vergoeding voor 150 procent van het sociaal Vergoeding van 125 euro per jaar voor langdurig langdurig zieken minimum zieken en mensen met een beperking. De en gehandicapten tegemoetkoming is bedoeld voor inwoners met een Wmo-beschikking, een indicatiebesluit van het CIZ, indicatie voor wijkverpleging, een invalide parkeerkaart en/of in geval van een WAO, WIA of Wajong uitkering.
Bijzondere Ontoereikend inkomen, Tegemoetkoming voor noodzakelijke en onverwachte bijstand inkomen boven de 100 kosten, die niet op een andere manier zijn te betalen. procent sociaal minimum Beoordeling per aanvraag. wordt als draagkracht gezien Kwijtschelding 100 procent van het sociaal Kwijtschelding van gemeentelijke belastingen, zoals gemeentelijke minimum afvalstoffenheffing en hondenbelasting. belastingen Bron: gemeente Den Haag * Vermogen tot de gestelde grens in de Participatiewet (strikter bij kwijtscheldingen). Vermogen dat gekoppeld is aan een koopwoning wordt niet meegenomen bij de toekenning van armoederegelingen (en niet in de Armoedemonitor).
5/46
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
Naast de regelingen in de tabel kon in 2022 en 2023 energietoeslag worden aangevraagd. In 2023 konden huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum (ongeacht vermogen) aanspraak maken op een energietoeslag van 800 euro. Huishoudens met een inkomen tot 150 procent van het sociaal minimum konden een bedrag van 400 euro aanvragen. Per 2024 is de inkomensgrens van diverse regelingen (Ooievaarspas, Leergeld Den Haag) verruimd tot 150 procent van het sociaal minimum. In het rapport bespreken we daarom de groep huishoudens met een inkomen tot 130 procent én tot 150 procent van het sociaal minimum (en weinig vermogen). Werkwijze en beperkingen Het CBS stelt vast hoeveel Haagse particuliere huishoudens een inkomen hebben onder en tot 105, 110, 130 en 150 procent van het sociaal minimum en een vermogen binnen de grenzen hiervoor in de Participatiewet. Het CBS baseert zich, zoals gezegd, op gegevens van de Belastingdienst over het kalenderjaar 2023. Deze gegevens zijn voorlopig. De onderzoekspopulatie bestaat uit alle particuliere huishoudens met een waargenomen jaarinkomen en kinderen in particuliere huishoudens, ingeschreven in de gemeente Den Haag op peilmoment 1 januari 2023. Sommige huishoudens vallen buiten de onderzoekspopulatie.
Het gaat dan om studentenhuishoudens, huishoudens die niet in de gemeente Den Haag woonden op het peilmoment en huishoudens die slechts een deel van het jaar een inkomen hadden. Ook institutionele huishoudens blijven buiten beschouwing omdat het CBS niet beschikt over betrouwbare inkomensgegevens van deze groep. In 2023 behoren 252.000 particuliere huishoudens tot de onderzoekspopulatie. Dat is 93 procent van alle Haagse particuliere huishoudens. Waar in het rapport percentages worden genoemd, zeggen die iets over de verhoudingen binnen de onderzoekspopulatie. Omwille van de leesbaarheid spreken we in dit rapport over Haagse huishoudens. Het CBS gaat na welke huishoudens binnen de onderzoekspopulatie een laag inkomen en weinig vermogen hebben. Het CBS stelt het bereik van de gemeentelijke regelingen vast door het gebruik van de regelingen door deze huishoudens af te zetten tegen het totaal aantal rechthebbende huishoudens. Gebruiksgegevens worden door de gemeente aan het CBS geleverd. Bij het vaststellen van het bereik is door het CBS zoveel mogelijk aangesloten bij de aanvraagcriteria van de regelingen. Het gaat dan om geldende inkomens- en vermogensgrenzen, leeftijdsgrenzen, de aanwezigheid en leeftijd van kinderen en bijvoorbeeld de duur van armoede. Op bepaalde punten is minder goed aan te sluiten.
Zo wordt in de praktijk bij het beoordelen van aanvragen gekeken het actuele inkomen. Dit kan afwijken van het jaarinkomen waar het CBS van uit gaat. Verder wijkt de vaststelling van het vermogen enigszins af. Zo telt het CBS het vermogen van alle huishoudleden mee, terwijl de gemeente alleen naar het vermogen van de aanvrager en een eventuele partner kijkt. Tot slot kunnen zich huishoudens met bijvoorbeeld een Ooievaarspas of andere regeling bevinden onder de huishoudens die buiten de onderzoekspopulatie vallen. Kort gezegd kan het voorkomen dat voor de gemeente rechthebbende huishoudens, al dan niet gebruikmakend van een regeling, buiten beschouwing blijven in deze Armoedemonitor Leeswijzer Dit rapport beschrijft de belangrijkste bevindingen van de tabellen van het CBS die zijn te raadplegen via Armoedemonitor gemeente Den Haag, 2023 | CBS. Daarnaast is een dashboard beschikbaar via Armoedescan (cbs.nl). Bij de opzet van deze en eerdere monitoren heeft de Amsterdamse Armoedemonitor gediend als waardevolle bron van inspiratie (zie o.a. Ahamiame et al 2019). In hoofdstuk 2 worden kort de economische situatie, de inkomensontwikkeling en de armoede in Den Haag beschreven. In hoofdstuk 3 brengen we de Haagse minimahuishoudens. Het bereik van de gemeentelijke regelingen wordt in hoofdstuk 4 besproken.
6/46
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
2 Den Haag in vogelvlucht Dit hoofdstuk beschrijft kort de economische ontwikkelingen in de regio Den Haag (paragraaf 2.1), de inkomens- en vermogensontwikkeling (paragraaf 2.2) en de armoede in Den Haag (paragraaf 2.3).
2.1
Economische ontwikkelingen
De economie in de regio Den Haag ontwikkelt zich positief. Waar de economische groei in de jaren voor de coronapandemie (2014-2019) in de regio Den Haag achterbleef ten opzichte van Nederland en andere grote steden, veranderde dat in de jaren na de uitbraak van het coronavirus. In de periode 2022-2024 groeide de economie in de regio Den Haag sneller dan in Nederland (3,3 tegenover 2 procent) de regio Groot-Rijnmond (1,6 procent) en de regio Utrecht (2,2 procent) (Manshanden et al. 2025). Kijken we naar de afzonderlijke jaren, dan liet vooral 2022 een goed herstel zien van de coronaperiode. Dat beeld kantelde wel aan het eind van dat jaar als gevolg van de oorlog in Oekraïne en de daaruit voortvloeiende energiecrisis met sterk stijgende energieprijzen. De inflatie liep op en snelle renteverhogingen van centrale banken hadden grote gevolgen voor huishoudens en bedrijven. De economie kwam in 2023 landelijk tot stilstand, waar de regio Den Haag nog een bescheiden groei liet zien. Die groei zette zich, sterker dan landelijk, in 2024 voort (Manshanden et al. 2025, CBS 2025a). Het Centraal Planbureau verwacht in 2025 en 2026 een gematigde groei ondanks geopolitieke spanningen en importheffingen vanuit de Verenigde Staten (CPB 2025a, 2025b). De prognoses voor Den Haag zijn ook positief (Manshanden et al. 2025).
Koopkracht door de jaren heen De verwachte economische groei in 2025 en 2026 komt voort uit stijgende koopkracht, door consumptie van huishoudens en overheidsbestedingen (CPB 2025a, 2025b). In 2024 steeg de koopkracht van huishoudens met 3,6 procent: de grootste stijging in ruim twintig jaar tijd. Huishoudens met werkenden gingen er het meest op vooruit als gevolg van loonstijgingen en de gestegen arbeidskorting. Bijstandsgerechtigden zagen hun koopkracht in 2024 nauwelijks stijgen. Dit komt door het wegvallen van de energietoeslag (CBS 2025b). Dat het wegvallen van deze toeslag niet resulteerde in een koopkrachtdaling komt door de stijging van het minimumloon met hieraan gekoppeld de bijstandsuitkeringen, de verruiming van huurtoeslag en van het kindgebonden budget. De energietoeslag verhoogde in eerdere jaren de koopkracht onder bijstandsontvangers en andere huishoudens met weinig inkomen waar een doorsnee Nederlands huishouden te maken had met een koopkrachtverlies. De korting op de energierekening dempte dat verlies (CBS 2023a, 2024a). Welvaart Al met al herstelde de economie zich in de regio Den Haag goed na de coronapandemie en is er onderaan de streep meer welvaart gecreëerd. Den Haag blijkt een aantrekkelijke stad om te wonen, werken en recreëren.
Er zijn relatief veel startende bedrijven, de werkloosheid was in 2023 en 2024 bescheiden en niet veel hoger dan in de andere steden. Er zijn ook zorgpunten. Ondanks een groeiende vraag naar arbeid de laatste jaren verloopt de matching van vraag en aanbod in Den Haag niet naar behoren. Een grote groep mensen staat (blijvend) langs de kant. Hoewel alle stedelijke economieën hiermee te maken hebben, lijkt de mismatch in Den Haag structureler van karakter dan elders. Zo blijft de arbeidsparticipatie in Den Haag achter bij de Amsterdam, Utrecht en Rotterdam (Manshanden et al 2025, CBS2025h). De hoge economische groei vertaalt zich bovendien niet automatisch in een hogere welvaart voor iedereen. Dit is onder meer terug te zien in de verdeling van inkomen en vermogen in Den Haag, waarover meer in de paragraaf 2.2.
7/46
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
2.2
Ontwikkeling en verdeling van inkomen en vermogen
Hoewel de inkomensontwikkeling van de afgelopen jaren in Den Haag positief is, kent de stad, net als andere steden, een relatief grote ongelijkheid in de verdeling ervan. Dit geld ook voor de verdeling van vermogen1. In 2023 bedroeg het gemiddelde besteedbare inkomen van Haagse huishoudens 51,9 duizend euro. Dat is hoger dan in Rotterdam maar lager dan landelijk en in de steden Utrecht en Amsterdam (zie figuur 1, links). Huishoudens verschillen in omvang en samenstelling. Het gestandaardiseerde gemiddelde inkomen - herleid naar het niveau van een eenpersoonshuishouden - bedroeg 37,4 duizend euro. Inkomens zijn niet gelijk verdeeld over huishoudens. Het mediane (oftewel middelste) besteedbare inkomen lag in 2023 een stuk lager dan het gemiddelde inkomen. In 2023 was het mediane inkomen 39,7 duizend euro en herleid naar een eenpersoonshuishouden 32,1 duizend euro (CBS 2025c). Kijken we naar de inkomensontwikkeling in de steden afgezet tegen Nederland, dan valt op dat de groei in Den Haag en Rotterdam achterblijft bij die van Amsterdam en Utrecht (zie figuur 1, rechts). Figuur 1: gemiddeld besteedbaar inkomen in euro’s Nederland en de G4 in 2011-2023 (links) en ontwikkeling gestandaardiseerd gemiddeld inkomen in euro’s in de G4 in 2011-2023 ten opzichte van Nederland (rechts).
Bron: CBS 2025c (ex-studentenhuishoudens; gegevens over 2023 zijn voorlopig). Figuur 2 laat de verdeling zien van het gemiddelde gestandaardiseerde inkomen in Den Haag ten opzichte van Nederland. In de figuur is het inkomen van huishoudens in Nederland gerangschikt in tien decielen, oplopend van laag naar hoog. Afgezet tegen het landelijke beeld, kent Den Haag relatief veel huishoudens met lagere inkomens. Zo behoort in Den Haag 16 procent tot het laagste deciel en 12 procent tot het tweede deciel. Er zijn iets meer huishoudens met een zeer hoog inkomen maar de verschillen met het landelijke beeld zijn kleiner: 11 procent behoort in Den Haag tot het deciel met de hoogste huishoudinkomens (zie figuur 2, links). Vergeleken met 2013 zijn er verhoudingsgewijs wat minder huishoudens die behoren tot de laagste decielen en wat meer die behoren tot de middelste decielen. Andere steden hebben eveneens relatief veel huishoudens behorend tot de lagere inkomensgroepen (zie onderstaande figuur, rechts). In Amsterdam (15 procent) en Utrecht (14 procent) wonen verhoudingsgewijs meer huishoudens behorend tot het hoogste inkomensdeciel, in Rotterdam juist minder (8 procent). De Gini-coëfficiënt bevestigt de relatief grotere ongelijkheid in Den Haag vergeleken met Nederland. De Gini-coëfficiënt is een maat voor ongelijkheid en loopt van 0 (gelijke verdeling) tot 1 (ongelijke verdeling).
De meest recente beschikbare regionale gegevens gaan over 2022. Landelijk was de Gini-inkomenscoëfficiënt toen 0,288 en in Den Haag 0,33. De 1 Paragraaf /figuren geïnspireerd ‘De Staat van de Stad Amsterdam XIII (H9)
8/46
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
inkomensongelijkheid was in 2022 lager dan in voorgaande jaren als gevolg van de energietoeslag. Landelijk steeg de Gini-inkomen coëfficiënt in 2024 naar 0,308. De ongelijkheid in vermogen is aanzienlijk groter. De Gini-coëfficiënt voor vermogen was in 2022 in Den Haag (0,79) hoger dan landelijk (0,719). In de andere steden zijn de coëfficiënten eveneens hoger dan landelijk (CBS 2024d, 2025d)2. Figuur 2: verdeling van gemiddeld gestandaardiseerd inkomen in euro’s in Den Haag in 2023, 2018 en 2013 afgezet tegen een verdeling van alle Nederlandse huishoudens in tien gelijke decielen (rechts) en de verdeling in de G4 (links) in 2023 in euro’s.
CBS 2025c (ex-studentenhuishoudens; gegevens over 2023 zijn voorlopig). Een ongelijke verdeling van inkomen en vermogen is terug te zien op wijkniveau. Figuur 3 geeft links het gemiddelde gestandaardiseerde inkomen weer op wijkniveau. Figuur 3 rechts geeft de verdeling weer van het doorsnee vermogen over de verschillende Haagse wijken. Figuur 3: gemiddeld gestandaardiseerd inkomen (links) en mediaan/doorsnee vermogen (rechts) op wijkniveau in 2023 (in euro’s).
Bron: CBS 2025c (links, inclusief studentenhuishoudens) 2 Landelijke gegevens over 2022 zijn definitief. Regionale gegevens over 2022 zijn voorlopig en nog niet definitief
gemaakt door het CBS. Voorlopige gegevens kunnen licht afwijken van eenmaal definitief gemaakte gegevens.
9/46
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
Waar het gestandaardiseerde gemiddelde inkomen in Den Haag op 37,4 duizend euro ligt, loopt dit uiteen van 26,6 duizend euro (Schilderswijk) tot 59,4 duizend euro (Benoordenhout) (CBS 2025c) 3. Het doorsnee vermogen in Den Haag is 23 duizend euro en loopt uiteen van 928 duizend euro in Zorgvliet en 868 duizend euro in de Vogelwijk tot 0,6 duizend euro in de Stationsbuurt (CBS 2025c). In de wijken met meer huishoudens met een lager inkomen en minder vermogen heeft eveneens een groter percentage inwoners moeite met rondkomen. Het percentage inwoners dat moeite heeft met rondkomen daalde wel de afgelopen jaren. Waar in 2022 nog ging om 28 procent, daalde dat aandeel in 2024 tot 20 procent tegenover 13 procent landelijk (VZinfo 2025, GGD Haaglanden 2024).
2.3
Armoede in Den Haag
In deze paragraaf wordt ingegaan op de omvang van armoede in Den Haag (paragraaf 2.3.1). Hierbij wordt aangesloten bij de inkomens- en vermogensgrenzen die de gemeente hanteert bij het toekennen van gemeentelijke regelingen. In paragraaf 2.3.2 schetsen we een beeld van de ernst van armoede, waar in paragraaf 2.3.3 de concentraties van armoede in Den Haag aan de orde komen. 2.3.1
Inkomensarmoede
Den Haag telt in 2023 42.300 huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen, oplopend tot 50.100 uitgaande van 150 procent van het sociaal minimum (zie figuur 4). Dat komt neer op 16,8 tot 19,9 procent van alle Haagse huishoudens. Het aantal minimahuishoudens groeide licht in 2023. Eerdere jaren lieten juist een (lichte) daling zien. Een aanzienlijk deel van de minimahuishoudens leeft bovendien met grote tekorten. Armoede blijft hiermee een omvangrijk probleem in Den Haag. Figuur 4: Huishoudens met een inkomen tot 105, 100, 130 en 150 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen in 2017-2023 (percentages)
Bron: CBS 2020, 2021, 2022, 2023b, 2024b, 20255 (gegevens zijn voorlopig)
3 NB: gegevens op wijkniveau alleen beschikbaar inclusief studentenhuishoudens. Het gemiddelde gestandaardiseerde
inkomen inclusief studentenhuishoudens ligt in Den Haag op 36,4 duizend euro.
10/46
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
Afname in 2024? Het CBS publiceerde recent gegevens over het aantal Haagse particuliere huishoudens met een laag inkomen in 2024, ongeacht het vermogen. Dit is dus een bredere groep dan de minimahuishoudens die naast een laag inkomen tevens weinig vermogen hebben. Het CBS zag ook in 2023 een lichte toename van deze bredere groep ten opzichte van 2022. Die toename zette niet door in 2024. Het aantal en percentage huishoudens met een inkomen tot 130 of 150 procent van het sociaal minimum (dus ongeacht vermogen) daalde in 2024 licht tot rond het niveau van 2022. Afgaande op deze gegevens, verwachten we in 2024 eveneens een daling van het aantal huishoudens met een laag inkomen én weinig vermogen in Den Haag (CBS 2025i). Kader – verschillende benaderingen van armoede In 2024 introduceerden het CBS, het SCP en het Nibud een nieuwe methode om armoede te meten. Voor verschillende huishoudtypen is bepaald welke bedragen nodig zijn om mee te kunnen doen in de samenleving. Naast geld voor wonen, energie, verzekeringen, kleding en de dagelijkse boodschappen, gaat het om kosten voor bijvoorbeeld een telefoon, toegang tot het internet en sociale activiteiten. Als er na het betalen van de vaste lasten te weinig geld overblijft voor andere basisbehoeften, dan is een huishouden arm. Met een vermogen hoger dan de armoedegrens op jaarbasis, is er volgens deze benadering geen sprake van armoede.
Voor een alleenstaande lag de grens in 2023 op 18.145 euro, voor een stel met twee jonge kinderen lag de grens op 30.405 euro. In het verleden ging het Rijk uit van de ‘niet-veel-maar-toereikend’ grens van het SCP en hanteerde het CBS de lage-inkomensgrens bij het vaststellen van armoede. Het vermogen werd in beide methoden buiten beschouwing gelaten (Van den Brakel et al 2024). In de drie verschillende methoden om armoede vast te stellen, wordt gerapporteerd op het niveau van personen. Volgens de nieuwe methode om armoede vast te stellen, is landelijk in 2023 3,1 procent van de bevolking arm (zie tabel 2). In Den Haag gaat het om 6.1 procent van alle inwoners (SCP 2024, CBS 2024). Deze percentages zijn in lijn met de percentages arme inwoners volgens de lage-inkomensgrens van het CBS (3,6 procent landelijk en 6,8 procent in Den Haag in 2023). De percentages liggen verder af van de percentages volgens de ‘niet-veel-maar toereikend’ grens (4,8 procent in Nederland, voor Den Haag niet bekend).
Tabel 2: armoede onder personen in Nederland en Den Haag in 2022 en 2023 volgens verschillende benaderingen (percentages) Nederland Den Haag 2022 2023 2022 2023 nieuwe benadering armoede 3,4 3,1 6,8 6,1 niet-veel-maar-toereikend grens (SCP) 4,8 4,6 lage-inkomensgrens (CBS) 3,6 3,3 6,8 5,8 Bron: CBS 2025f, 2025g, CPB 2024 De gemeente Den Haag gaat uit van een inkomensgrens afgeleid van het sociaal minimum. In 2023 lag die op 130 procent van het sociaal minimum (voor de meeste regelingen). Daarnaast geld een vermogensgrens. De grens lag in 2023 voor alleenstaanden op 7.605 euro en voor gehuwden, samenwonenden en alleenstaande ouders op 15.210 euro. In de Armoedemonitor rapporteren we over huishoudens en niet over personen in deze huishoudens. In 2023 had 16,8 procent van de Haagse huishoudens een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen. Hoewel we geen zicht hebben op het aantal personen in deze huishoudens, is het duidelijk dat de gemeentelijke benadering ruimere grenzen hanteert dan de nieuwe methode bij het vaststellen van armoede. Door de striktere vermogensgrens van de gemeente, zal de gemeente een deel van de personen die volgens de nieuwe methode arm zijn, niet als zodanig beschouwen (zie ook Hoedemaker at al 2024). Volgens de nieuwe methode om armoede vast te stellen, daalde de armoede in Nederland in 2023 ten opzichte van 2022.
Vergeleken met 2018 is er zelfs sprake van een halvering. In Den Haag is, uitgaande van de nieuwe methode ook een daling te zien in 2023. Uitgaande van inkomensgrenzen ten opzichte van het sociaal minimum zien we die daling niet ten opzichte van 2022. En hoewel het aandeel huishoudens in armoede volgens de gemeentelijke definitie in 2023 daalde ten opzichte van 2018, is van aan halvering zeker geen sprake (zie ook figuur 4 op pagina 10).
11/46
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
2.3.2
Ernst van armoede
Een aanzienlijk deel van de minimahuishoudens heeft, afgezet tegen de gemeentelijke inkomensgrens van 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen, grote tekorten. Zo leeft 41 procent van deze groep van een inkomen onder of op het bestaansminimum. In aantallen gaat het dan om 11.900 huishoudens. Nog eens 11.400 huishoudens (28 procent) moeten rondkomen van een inkomen tot 105 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen (zie figuur 5). Tezamen vormen zij ruim tweederde van de groep huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen. Figuur 5: verdeling van de groep huishoudens met een inkomen tot 130 procent en weinig vermogen over verschillende categorieën (percentages)
Bron: CBS 2025e (gegevens zijn voorlopig) De hoofdkostwinners van huishoudens met een inkomen tot het bestaansminimum zijn vergeleken met huishoudens met een inkomen vanaf het bestaansminimum tot 130 procent daarvan - vaker alleenstaand, vaker ouder (65+) en vaker van een niet-Nederlandse herkomst. Onder de groep met een inkomen tot 75 procent van het bestaansminimum bevinden zich relatief veel huishoudens met inkomsten uit werk, met name uit een eigen bedrijf. Deze bevindingen zijn in lijn met de bevindingen van het CPB over de intensiteit van armoede. Mensen met een uitkering hebben volgens het CPB vaak een relatief lage armoedeintensiteit omdat ze, vaker dan werkenden, beschikbare toeslagen aanvragen. De intensiteit van armoede onder werkenden heeft verder te maken met een laag uurloon van zelfstandigen, of een beperkt aantal uren werk per week (CPB 2025c). In de groep Haagse huishoudens met een inkomen vanaf 75 procent tot aan het bestaansminimum valt juist een relatief grote groep huishoudens met een pensioen op. 2.3.3
Concentraties van armoede
Bijna 70 procent van de huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen woont in de stadsdelen Escamp, Centrum en Laak (zie tabel 2). De vijf wijken met de hoogste percentages minimahuishoudens zijn de Schilderbuurt,
12/46
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
Moerwijk, Transvaalkwartier, Bouwlust en Vrederust en Morgenstond (zie figuur 6). Dat was in voorgaande jaren ook zo. Tabel 2: Verdeling van huishoudens met een inkomen tot 130 en 150 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen en van huishoudens met een hoger inkomen over de stadsdelen in 2023 (percentages) 130% wsm 150% wsm > 150% wsm Escamp Centrum Laak Segbroek Loosduinen Scheveningen Haagse Hout Leidschenveen-Ypenburg Totaal Zuidwest Bron: CBS 2025e (gegevens zijn voorlopig)
29 30 6 10 4 8 6 7 100 24
28 30 6 10 4 8 6 7 100 23
17 21 11 8 8 11 12 13 100 11
Figuur 6: aandeel van huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen per wijk in 2023 (percentages)
Bron: CBS 2025e (gegevens zijn voorlopig)
13/46
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
3 Armoede onder Haagse inwoners in beeld Dit hoofdstuk beschrijft de kenmerken van de Haagse minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent en tot 150 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen. De bevindingen zijn afgezet tegen de groep huishoudens met een hoger inkomen.4 Paragraaf 3.1 gaat in op de samenstelling van de groep minima als geheel. Paragraaf 3.2 bespreekt de groep langdurige minima en gaat in op kinderen die opgroeien in minimahuishoudens.
3.1 3.1.1
Haagse minimapopulatie als geheel Huishoudsamenstelling
Eenpersoonshuishoudens vormen de grootste groep in de minimapopulatie. Ten opzichte van Haagse huishoudens met een hoger inkomen zijn eenpersoonshuishoudens en eenoudergezinnen oververtegenwoordigd en paren met en zonder kinderen ondervertegenwoordigd (zie figuur 7). Dat was in voorgaande jaren ook zo. De verhoudingen binnen de groep minimahuishoudens zijn eveneens onveranderd. Wel daalde het percentage eenoudergezinnen door de jaren terwijl het aandeel van eenpersoonshuishoudens juist groeide. Figuur 7: Samenstelling van huishoudens met een inkomen tot 130 en 150 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen, en huishoudens met een hoger inkomen in 2023 (percentages)
Bron: CBS 2025e (gegevens zijn voorlopig)
4 De aantallen huishoudens in de figuren kunnen niet bij elkaar opgeteld worden, omdat er overlap zit in de
groepen huishoudens met een inkomen tot 130 en tot 150 procent van het sociaal minimum. De huishoudens met een inkomen tot 150 procent van het sociaal minimum en een inkomen boven deze grens tellen op tot het totaal aantal particuliere Haagse huishoudens in de doelpopulatie.
14/46
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
Armoederisico Van de verschillende huishoudtypen hebben eenoudergezinnen het grootste risico op armoede. Van alle Haagse eenoudergezinnen behoort een kwart tot de groep huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen (zie figuur 8). Bij eenoudergezinnen met kinderen onder de 18 ligt dat percentage nog aanzienlijk hoger met 39 procent. Het armoederisico van eenoudergezinnen daalde de afgelopen jaren wel, en ook het sterkst van alle huishoudtypen. Figuur 8: Armoederisico voor alle inwoners en voor verschillende huishoudtypen in 2017-2023 uitgaande van een inkomensgrens van 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen (percentages)
Bron: CBS 2020, 2021, 2022, 2023b, 2024b, 2025e (gegevens zijn voorlopig)
3.1.2
Primaire bron van inkomsten
Het merendeel van de minimahuishoudens ontvangt een inkomen uit een bijstands- of andere uitkering en ruim een kwart leeft van een pensioen. Ongeveer een vijfde ontvangt inkomsten uit werk, oplopend naar een kwart uitgaande van 150 procent van het sociaal minimum (en weinig vermogen). De verhoudingen waren de afgelopen jaren gelijk. Wel nam het percentage huishoudens met bijstand door de jaren heen licht af, terwijl het aandeel van huishoudens met een andere uitkering juist enigszins toenam. Dat geldt ook voor de huishoudens met inkomsten uit een eigen onderneming en met een pensioen. Bij huishoudens met een inkomen boven de 150 procent van het sociaal minimum zijn de verhoudingen anders en heeft het merendeel, ongeveer driekwart, inkomsten uit werk (zie figuur 9).
15/46
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
Figuur 9: voornaamste inkomensbron van huishoudens met een inkomen tot 130 en 150 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen, en huishoudens met een hoger inkomen in 2023 (percentages)
Bron: CBS 2025e (gegevens zijn voorlopig) Armoederisico Figuur 10 laat het armoederisico zien voor huishoudens met verschillende bronnen van inkomsten, uitgaande van een inkomensgrens van 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen. Vrijwel alle huishoudens met bijstand als primaire inkomstenbron leven van een inkomen tot deze grens. Deze huishoudens zijn daarom niet opgenomen in de figuur. Figuur 10: Armoederisico voor alle huishoudens en per inkomenscategorie in 2017-2023 uitgaande van een inkomensgrens van 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen (percentages)
Bron: CBS 2020, 2021, 2022, 2023b, 2024b, 2025e (gegevens zijn voorlopig)
16/46
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
Huishoudens met een uitkering anders dan bijstand hebben (na de huishoudens met bijstand) het hoogste risico op armoede, gevolgd door huishoudens met een pensioen. Van alle Haagse huishoudens met een pensioen is 21 procent arm. Het armoederisico van huishoudens met werk ligt veel lager. Van de Haagse huishoudens met inkomen uit loondienst is 4 procent arm. Bij ondernemers is het risico op armoede met 12 procent aanzienlijk groter maar nog steeds lager dan voor de huishoudens met een uitkering of pensioen. Het armoederisico van werkenden is vergelijkbaar met 2022 maar hoger dan in de coronajaren 2020 en 2021. Ondanks hun relatief lage armoederisico gaat het wel om een aanzienlijke groep van 8.800 huishoudens, oplopend naar 13.100 huishoudens uitgaande van een inkomensgrens van 150 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen. 3.1.3
Leeftijd en herkomst
De meerderheid van de hoofdkostwinners van de minimahuishoudens is 25 jaar of ouder, net als bij de huishoudens met een hoger inkomen. Hoofdkostwinners in de leeftijdscategorie 25 tot 45 zijn enigszins oververtegenwoordigd. De groep ouderen (65 jaar of ouder) is juist oververtegenwoordigd onder minimahuishoudens (zie figuur 11). Het aandeel van de huishoudens met een oudere hoofdkostwinner neemt toe. Ten opzichte van 2017 steeg hun aandeel in 2023 met 5 procentpunt. Waar de verdeling naar Nederlandse en niet-Nederlandse herkomst gelijk is onder inwoners van huishoudens met hoger inkomen, bestaat de groep minima voor circa driekwart uit inwoners van niet-Nederlandse herkomst. In de groep minimahuishoudens zijn zij duidelijk oververtegenwoordigd5. Figuur 11: Leeftijd en herkomst van huishoudens met een inkomen tot 130 en 150 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen, en huishoudens met een hoger inkomen in 2023 (percentages)
Bron: CBS 2025e (gegevens zijn voorlopig)
5 De herkomst van personen die in het buitenland zijn geboren wordt bepaald door hun eigen geboorteland. Bij
personen die in Nederland geboren zijn, wordt de herkomst bepaald door het geboorteland van de ouders. Als beide ouders in het buitenland zijn geboren, is het geboorteland van de moeder leidend in het bepalen van de herkomst. De geboortegegevens van de moeder zijn vaker bekend dan die van de vader. Wanneer de moeder in Nederland is geboren of het geboorteland van de moeder onbekend is, dan wordt het geboorteland van de vader gebruikt. In dit onderzoek zijn de categorieën herkomstland Nederland en herkomstland buiten Nederland onderscheiden (CBS 2025e)
17/46
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
Armoederisico Ondanks dat het aantal huishoudens met een hoofdkostwinner tot 24 jaar onder minima beperkt is, hebben jongeren een relatief groot risico op armoede. Dat risico daalde wel de afgelopen jaren en ligt nu op het niveau van huishoudens met een hoofdkostwinner van 65 jaar of ouder. Hun armoederisico bleef gelijk de afgelopen jaren. Verder valt op dat het armoederisico van inwoners van niet-Nederlandse herkomst twee keer zo groot is als dat van inwoners van Nederlandse herkomst (zie figuur 12). Figuur 12: Armoederisico voor alle huishoudens en per leeftijdscategorie en naar herkomstland in 2017-2023 uitgaande van een inkomensgrens van 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen (percentages)
Bron: CBS 2020, 2021, 2022, 2023b, 2024b, 2025e (gegevens zijn voorlopig)
3.1.4
Opleidingsniveau
Een meerderheid van de hoofdkostwinners uit minimahuishoudens is laag of praktisch geschoold, namelijk 64 of 61 procent (130 tot 150 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen). Ruim een kwart is middelbaar geschoold, terwijl ruim een tiende hoger opgeleid is. De verhoudingen waren de afgelopen jaren gelijk, maar het aandeel van lager geschoolden steeg licht de afgelopen jaren (CBS 2023b, 2024b, 2025e). 3.1.5
Aanwezigheid van schulden
In 2023 heeft 21 procent van de minimahuishoudens problematische schulden, uitgaande van een registratie als wanbetaler bij het CAK en op basis van gegevens van instanties als de Belastingdienst, het CJIB, de SVB, de gemeente, het UWV of DUO. Bij Haagse huishoudens met een hoger inkomen (> 150 procent van het sociaal minimum) is dat 11 procent (CBS 2025e). Het werkelijke percentage huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen met problematische schulden zal groter zijn als we ook informele schulden en registraties bij het BKR meenemen. Het CBS kan in ander onderzoek wel beschikken over gegevens van het BKR. Uit dit onderzoek blijkt dat bijna een derde van de Haagse huishoudens met bijstand in 2024 problematische schulden heeft (30,3 procent). Dat is twee keer zoveel als onder alle Haagse huishoudens (15,2 procent) (CBS 2025h). Het aantal Haagse huishoudens met problematische schulden neemt sinds 2021 weer (licht) toe. Dit is gelijk aan het landelijke
18/46
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
beeld. Net als in voorgaande jaren ervaart een veel grotere groep inwoners financiële beperkingen. Zo had in 2023 75 procent van de huishoudens met een laag inkomen6 onvoldoende geld voor een of meer specifieke uitgaven, variërend van om de dag een warme maaltijd met vlees, kip of vis, het vervangen van versleten meubels, het goed verwarmen van het huis, het te eten vragen van familie of kennissen of het doen van onverwachte noodzakelijke uitgaven. Dat percentage is evenwel lager dan in de voorgaande jaren. Van de huishoudens met een hoger inkomen had 31 procent moeite met het doen van een of meer specifieke uitgaven. Dat aandeel steeg juist licht ten opzichte van eerdere jaren (CBS 2024c).
3.1.6
Zorggebruik en gezondheid
Van de minimahuishoudens heeft bijna een derde een geïndiceerde Wmo-voorziening. Onder huishoudens met een hoger inkomen is dat 8 procent (zie figuur 13). Ook hebben huishoudens met een laag inkomen vaker hoge of langdurig hoge zorgkosten. Deze percentages daalden licht ten opzichte van 2022.7 Figuur 13: Gebruik Wmo (geïndiceerde voorziening) in 2023 en (langdurig) hoge zorgkosten onder huishoudens met een inkomen tot 130 en 150 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen en huishoudens met een hoger inkomen (percentages).
Bron: CBS 2025e (gegevens zijn voorlopig) Het armoederisico van huishoudens met een Wmo-indicatie of (langdurig) hoge zorgkosten is aanzienlijk. Van alle huishoudens met een Wmo-indicatie heeft 42 procent een huishoudinkomen tot 130 procent en weinig vermogen. Ook het armoederisico onder huishoudens met (langdurig) hoge zorgkosten is relatief hoog (zie figuur 14).
6 Uitgaande van de lage inkomensgrens van het CBS. Deze grens ligt onder de 1105 van het sociaal minimum. 7 Gekeken is of ten minste een persoon uit een Haags huishouden behoort tot het deciel met de landelijk hoogste
zorgkosten vanuit de basisverzekering, in peiljaar 2022. Langdurig hoge zorgkosten hebben betrekking op de jaren 2018-2022.
19/46
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
Figuur 14: Armoederisico voor alle huishoudens en voor huishoudens met een Wmo-indicatie of (langdurig) hoge zorgkosten in 2017-2023 uitgaande van een inkomensgrens van 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen (percentages)
Bron: CBS 2020, 2021, 2022, 2023b, 2024b, 2025e (gegevens zijn voorlopig) Ondanks het goede nieuws dat mensen in Nederland langer leven dan ooit, zijn sociaaleconomische gezondheidsverschillen tussen mensen hardnekkig groot. Dat geldt eveneens voor Den Haag, waar de gezonde levensverwachting tussen inwoners van aandachtswijken sterk achterblijft bij die van inwoners elders in de stad (zie figuur 15). Aandachtswijken zijn de Schildersbuurt, Moerwijk, Transvaalkwartier, Bouwlust en Vrederust, Morgenstond, Stationsbuurt, Groente- en Fruitmarkt, Laakkwartier en Spoorwijk. In deze wijken zien we de meeste minimahuishoudens terug. Het verschil in gezonde levensverwachting tussen inwoners van deze wijken en inwoners die elders wonen bedraagt zo’n dertien jaar (bij zowel mannen als vrouwen) (GGD Haaglanden 2025). Hagenaars die moeite hebben met rondkomen, ervaren minder vaak een (zeer) goede gezondheid (51,4 procent) dan Hagenaars die geen moeite hebben met rondkomen (76,5 procent). Verder hebben zij onder meer vaker chronische stress (47,8 tegenover 21,4 procent), een hoger risico op angstgevoelens en depressie (83,2 tegenover 49,7 procent) en voelen ze zich vaker sociaal uitgesloten dan Hagenaars zonder moeite met rondkomen (46,8 tegenover 5,8 procent) (GGD Haaglanden 2024).
De Sociaal Economische Raad (SER) noemt sociaaleconomische gezondheidsverschillen onrechtvaardig en nadelig voor de betrokken mensen, die gemiddeld minder lang (in goede gezondheid) leven. Hun kwaliteit van leven is lager dan potentieel mogelijk was. Dit is niet alleen nadelig voor de mensen zelf en hun kinderen. Gezondheidsproblemen hebben een direct effect op de mogelijkheden om te werken of op andere wijze deel te nemen aan de samenleving. De SER geeft aan dat sociaaleconomische verschillen in gezondheid hiermee de mogelijkheden beletten om te komen tot een meer gelijke kansenverdeling en tot brede welvaart, waar samenleving, economie en milieu in balans zijn, hier en nu, later en elders (SER 2024).
20/46
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
Figuur 15: gezonde levensverwachting van mannen (links) en vrouwen (rechts) in verschillende perioden in Den Haag naar wel / geen aandachtswijk (in jaren)
Bron: GGD Haaglanden 2025
3.2
Groepen minima nader belicht
3.2.1
Langdurig arme huishoudens
In 2023 telt Den Haag 28.400 tot 34.100 langdurige minimahuishoudens (130 tot 150 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen). Langdurig wil zeggen: drie kalenderjaren of langer (zie figuur 16). Figuur 16: Langdurige minimahuishoudens 2017-2023 Links: 130 procent en rechts 150 procent sociaal minimum en weinig vermogen (aantallen en percentages)
Bron: CBS 2020, 2021, 2022, 2023b, 2024b, 2025e (gegevens zijn voorlopig) Van alle Haagse huishoudens is 11,3 tot 13,5 procent langdurig arm (zie figuur 15). Binnen de groep minima is verreweg de grootste groep langdurig arm. In 2023 leeft ruim tweederde van alle minimahuishoudens drie jaar of langer van een laag inkomen. In andere jaren vormden zij ook een meerderheid. Hun aandeel daalde in 2023 wel ten opzichte van eerdere jaren. Vergeleken met 2022 met bijna 4 procentpunt (CBS 2024b). Het percentage huishoudens dat korter moet rondkomen van een laag inkomen en weinig vermogen steeg
21/46
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
juist in 2023. Langdurig arme minimahuishoudens leven vaker van een bijstandsuitkering of een pensioen en hebben minder vaak een inkomen uit arbeid of een eigen onderneming. Ze zijn vaker alleenstaand dan kortdurende minima en hebben vaker een oudere kostwinner. Verder valt op dat langdurig arme minimahuishoudens minder vaak problematische schulden hebben. Hun zorggebruik en/of zorgkosten ligt daarentegen hoger dan bij de kortdurende minimahuishoudens (CBS 2025e, zie tabel 1 in de bijlage). 3.2.2
Kinderarmoede
In Den Haag groeien in 2023 16.000 kinderen van 0 tot 18 jaar op in een huishouden met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen. Dat komt neer op 15,7 procent van alle kinderen oftewel 1 op de 6 kinderen. Onder de huishoudens met een inkomen tot 150 procent van het sociaal minimum gaat het om 19,5 procent, oftewel 1 op de 5 kinderen. De Ooievaarsregelingen zijn bedoeld voor kinderen van 4 tot 18 jaar (zie figuur 16). In deze leeftijdsgroep groeit 11,8 tot 16,9 procent van de kinderen op in een arm huishouden. Deze percentages zijn een fractie hoger dan in 2022, terwijl we in de eerdere jaren steeds een daling zagen (zie figuur 17). Figuur 17: kinderen van 4-18 jaar in minimahuishoudens in Den Haag in 2017-2023 Links: 130 en rechts 150 procent sociaal minimum en weinig vermogen (aantallen en percentages)
Bron: CBS 2020, 2021, 2022, 2023b, 2024b, 2025e (gegevens zijn voorlopig) Kinderen uit minimahuishoudens groeien veel vaker op in een eenoudergezin dan kinderen uit huishoudens met een hoger inkomen (zie tabel 2 in de bijlage). In de huishoudens waar de kinderen wonen, worden verder relatief vaak hoge zorgkosten gemaakt. Dit kan wijzen op gezondheidsproblemen in het gezin. Ook zijn er vaker problematische schulden in het gezin en zijn kinderen vaker bekend bij Jeugdzorg. Het beeld was hetzelfde in voorgaande jaren (CBS 2023b, 2024b, 2025e). Als ouders een te laag inkomen hebben, moeilijk rondkomen en daardoor bijvoorbeeld stress ondervinden, kunnen er problemen met de opvoeding ontstaan. Mede hierdoor lopen kinderen uit arme huishoudens vaak achterstanden op in het onderwijs, die in de loop der tijd toenemen. Kinderen gaan slechter presteren en hun talenten worden onvoldoende benut. De Commissie Sociaal Minimum wijst op de negatieve gevolgen van bestaansonzekerheid en armoede onder kinderen. Het gaat ten koste van de leerprestaties, fysieke en mentale
22/46
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
gezondheid en toekomstkansen (Camida en Goudswaard 2023, Commissie Sociaal Minimum 2023). Verder stelt de Commissie dat de positie van kinderen binnen het stelsel van het sociaal minimum kwetsbaar is. Niet alleen hebben deze kinderen minder te besteden, ook zijn ze afhankelijk van de positie van hun ouders voor hun (recht op) inkomen. De Commissie riep dan ook op tot versterking van de positie van kinderen. Recente woorden van de Kinderombudsman zijn van vergelijkbare strekking. De Kinderombudsman pleit voor een integraal kinderarmoedebeleid dat verder gaat dan het beschikbaar maken van geld of spullen voor ouders of kinderen (Kinderombudsman 2025).
23/46
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
4 Bereik van Haagse minimaregelingen Dit hoofdstuk beschrijft hoeveel Haagse minimahuishoudens gebruikmaken van gemeentelijke minimaregelingen in 2023. Paragraaf 4.1 gaat in op het verzamelbereik (het gebruik van minimaal één regeling, ongeacht welke) en paragraaf 4.2 geeft het bereik weer per regeling. Paragraaf 4.3 gaat in op het bereik door de jaren heen. Bij het berekenen van het bereik is aangesloten bij de in 2023 geldende inkomensgrenzen.
4.1
Verzamelbereik
In 2023 gebruikte 77 procent van de huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen een of meer gemeentelijke regelingen bedoeld voor minima. Als de energietoeslag wordt meegerekend, stijgt dit percentage – het zogenoemde verzamelbereik - naar 82 procent. Onder bepaalde groepen is het verzamelbereik verhoudingsgewijs hoog, zoals onder eenoudergezinnen en huishoudens met primair inkomsten uit bijstand. Het verzamelbereik blijft achter onder andere groepen zoals bij minima met een hoofdkostwinner tot 24 jaar, minima met inkomsten uit een andere uitkering dan bijstand en vooral minima met inkomsten uit werk of een eigen bedrijf. Met de energietoeslag is de groep werkende armen beter bereikt dan met de andere regelingen (CBS 2025e). Het verzamelbereik stijgt alleen als er nieuwe rechthebbende huishoudens gebruikmaken van een regeling. Als huishoudens méér regelingen gaan gebruiken waarvoor ze in aanmerking komen, dan is dat niet terug te zien in het verzamelbereik. Bovendien is het verzamelbereik een grove maat bij een inkomensgrens van 130 procent van het sociaal minimum (en weinig vermogen) omdat (in 2023) niet alle regelingen beschikbaar waren voor deze inkomensgrens (zoals bijzondere bijstand en de individuele inkomenstoeslag). Het is daarom belangrijk te kijken naar het gebruik van de afzonderlijke regelingen.
De komende paragrafen gaan in op het bereik per regeling.
4.2
Bereik van de verschillende regelingen
Deze paragraaf gaat in op het bereik van de verschillende regelingen, rekening houdend met de aanvraagcriteria van de regelingen in 2023. In de bijlage zijn tabellen opgenomen met het bereik in andere jaren. 4.2.1
Ooievaarspas
De Ooievaarspas was in 2023 bedoeld voor huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen. In 2023 had 68 procent van deze groep een Ooievaarspas (zie figuur 18). Het gaat hier om verstrekte passen (beschikkingen) en niet om daadwerkelijk gebruik. Onder huishoudens met een lager inkomen is het bereik hoger. Het bereik is eveneens hoog onder paren met kinderen, eenoudergezinnen en onder andere (potentieel) kwetsbare groepen zoals huishoudens met zeer laag inkomen, langdurige minima en minima met hoge zorgkosten. Het bereik is relatief laag onder huishoudens met inkomen uit werk of met een uitkering anders dan bijstand.
24/46
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
Figuur 18: Bereik Ooievaarspas onder huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen naar verschillende kenmerken (percentages, 2023)
Bron: CBS 2025e (gegevens zijn voorlopig)
4.2.2
Leergeld Den Haag
De voorzieningen van Leergeld Den Haag waren in 2023 bedoeld voor kinderen in de leeftijd van 4 tot 18 jaar uit huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen. In 2023 werd in 77 procent van de minimahuishoudens met kinderen van 4-18 gebruikgemaakt van het aanbod van Leergeld Den Haag (zie figuur 19). Het bereik is hoog onder eenoudergezinnen en onder huishoudens met bijstand. Ook andere (potentieel) kwetsbare groepen worden goed bereikt, zoals minimahuishoudens met hoge
25/46
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
zorgkosten en langdurige minima, al blijft het gebruik van minimahuishoudens met schulden achter. Het bereik onder werkenden blijft het meest achter, vooral als er inkomsten zijn van een eigen onderneming. Figuur 19: Bereik Leergeld Den Haag onder huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen en kinderen van 4-18 jaar, naar verschillende kenmerken (percentages, 2022)
Bron: CBS 2025e (gegevens zijn voorlopig) 4.2.3
Individuele inkomenstoeslag
In 2023 konden inwoners van 21 jaar en ouder tot aan AOW-leeftijd individuele inkomenstoeslag aanvragen als zij (teruggerekend vanaf het moment van aanvraag) drie jaar of langer leefden van een huishoudinkomen tot 110 procent van het sociaal minimum en
26/46
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
weinig vermogen. Figuur 19 beschrijft het bereik onder minimahuishoudens met een hoofdkostwinner in de genoemde leeftijdscategorie, met drie kalenderjaren een laag inkomen en weinig vermogen. Van deze groep wordt 68 procent bereikt (zie figuur 20). Figuur 20: Bereik inkomenstoeslag onder huishoudens (21 tot AOW leeftijd) met minimaal 3 kalenderjaren een inkomen tot 110 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen naar verschillende kenmerken (percentages, 2023)
Bron: CBS 2025e (gegevens zijn voorlopig) Het bereik is relatief hoog onder alleenstaande minima, onder minima met een kostwinner tussen de 45 en 65 jaar en onder minima met bijstand. Ook andere (potentieel) kwetsbare groepen worden goed bereikt, zoals huishoudens met hoge zorgkosten of een Wmo indicatie. Het bereik onder rechthebbende huishoudens met schulden is weer wat lager. Dat geldt ook
27/46
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
voor huishoudens met een pensioen. Dat komt omdat de toeslag wordt verstrekt tot de AOWleeftijd. Het bereik is ook laag onder minima met inkomen uit werk (zie figuur 20). 4.2.4
Haagse zorgverzekering
De Haagse zorgverzekering wordt aangeboden door VGZ. Er zijn in 2023 (net als in de andere jaren) verschillende pakketten, gericht op mensen met lage en hoge zorgkosten. Afhankelijk van de hoogte van het huishoudinkomen biedt de gemeente een bijdrage in de kosten voor de maandelijkse premie. De bijdrage is het hoogst voor minima met een inkomen tot 110 procent van het sociaal minimum. We laten het gebruik zien onder deze groep in figuur 21. Figuur 21: Bereik Haagse minimapolis onder minimahuishoudens met een inkomen tot 110 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen naar verschillende kenmerken (percentages, 2023)
Bron: CBS 2025e (gegevens zijn voorlopig)
28/46
Armoedemonitor Haagse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen & gebruik van gemeentelijke regelingen voor deze groep.
Van de huishoudens met een inkomen tot 110 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen maakt 49 procent gebruik van de Haagse zorgverzekering (tenminste één persoon). Het bereik is relatief hoog onder minima met een oudere hoofdkostwinner. Dat geldt ook voor de groep minima met (langdurig) hoge zorgkosten of een Wmo-indicatie en voor langdurige minimahuishoudens. De tabel biedt ook inzicht in het globale bereik onder huishoudens met een inkomen tot 150 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen. 4.2.5