CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS323774 Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing Duinhil - Kijkduin

Commissie Ruimte 26 november 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken16.284 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In dat geval kan het project worden uitgevoerd zonder verdere vervolgstappen met betrekking tot Natura 2000-gebieden. Voor ontwikkelingen waarbij de depositie >0,00 mol/ha/jaar is, zijn significant negatieve effecten niet op voorhand uitgesloten en zijn vervolgstappen zoals saldering, een nadere ecologische beoordeling in de vorm van een passende beoordeling en een omgevingsvergunning nodig. Naast de omgevingsvergunning voor bouwen en planologisch gebruik, is voor de ontwikkeling van Duinhil tevens een natuurvergunning nodig. Een Natura 2000-toestemming is reeds verleend en is onherroepelijk (ODH-2018-00146335, d.d. 18 maart 2019) maar is gebaseerd op het eerdere plan voor de ontwikkeling van de locatie van het huidige Atlantic Hotel. Daarom is een nieuw onderzoek uitgevoerd door EcoReest (bijlage 62) waaruit volgt dat het project zowel in de realisatie- als de gebruiksfase leidt tot stikstofdepositie boven 0,00 mol/ha/jr op verscheidene Natura 2000-gebieden. Met de huidige of vergunde situatie als referentiesituatie, is geen sprake van een toename in stikstofdepositie in de toekomstige gebruiksfase. In de realisatiefase is ook met de referentiesituatie sprake van een toename in stikstofdepositie. Negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden kunnen zodoende op voorhand niet worden uitgesloten.

Het project is zodoende voor het stikstofaspect vergunningplichtig in het kader van de Omgevingswet, onderdeel Natura 2000. Passende beoordeling Uit stikstofberekeningen is naar voren gekomen dat als gevolg van de werkzaamheden stikstofdepositie plaatsvindt op Natura 2000-gebieden Westduinpark & Wapendal, Solleveld & Kapittelduinen, en Meijendel 2

De AERIUS-berekeningen zijn opgenomen als bijlage 6a t/m f.

10 november 2025

DUINHIL

BJ4582-RHD-XX-XX-RP-X-0001

25

Projectgerelateerd

& Berkheide, waardoor (significant) negatieve effecten op deze gebieden niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Voor het aanvragen van een vergunning in het kader van de Omgevingswet onderdeel Natura 2000 is als onderbouwing een passende beoordeling nodig waarin negatieve effecten op de natuur als gevolg van het voornemen worden beoordeeld. Door EcoReest is een passende beoordeling opgesteld (bijlage 17). Op de lange termijn wordt als gevolg van het plan de stikstofemissie en bijkomende depositie op omliggende Natura 2000-gebieden structureel verlaagd. Gedurende de realisatiefase is sprake van een tijdelijke toename op Westduinpark & Wapendal en Solleveld & Kapittelduinen. De permanente afname in stikstofdepositie in de toekomstige gebruiksfase heeft als gevolg dat binnen twee jaar na ingebruikname netto geen sprake meer is van een toename in stikstofdepositie over de gehele periode inclusief de realisatiefase. Hierdoor is, in combinatie met de instandhoudingsmaatregelen die in de gebieden genomen worden en zijn, geen sprake van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden als gevolg van het voornemen. Conclusie Uit onderzoek blijkt dat negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden op voorhand niet kunnen worden uitgesloten.

Het project is zodoende voor het stikstofaspect vergunningplichtig in het kader van de Omgevingswet, onderdeel Natura 2000. Er is een passende beoordeling opgesteld waaruit volgt dat geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden als gevolg van het project. Stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmeringen voor de aanvraag omgevingsvergunning bouwen. Er is een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit op grond van de Omgevingswet aangevraagd bij Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN. De beoogde ontwikkellocatie is niet gelegen op gronden die zijn aangewezen als Ecologische Hoofdstructuur (EHS)/ Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Er gaat geen oppervlakte aan EHS-gebied verloren en toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent de EHS is niet aan de orde. Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een omgevingsvergunning voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de beschikking dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen.

10 november 2025

DUINHIL

BJ4582-RHD-XX-XX-RP-X-0001

26

Projectgerelateerd

1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren.

Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en ✓ sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: ▪ de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of ▪ de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

In Den Haag is de provincie ZuidHolland het bevoegd gezag voor de Wnb.Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Flora- en faunaonderzoek In november 2023 heeft ABO Milieuconsult B.V. een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd (bijlage 7) met als doel te inventariseren of het project mogelijk in strijd is met de Wet natuurbescherming. Hiertoe worden de effecten van de activiteiten op beschermde soorten inzichtelijk gemaakt en wordt geadviseerd hoe te handelen in het kader van de natuurwetgeving.

10 november 2025

DUINHIL

BJ4582-RHD-XX-XX-RP-X-0001

27

Projectgerelateerd

De conclusies die kunnen worden getrokken zijn opgenomen in onderstaande tabel:

Vleermuisonderzoek Het nader onderzoek naar vleermuizen wordt momenteel uitgevoerd.Indien op basis hiervan wordt geconcludeerd dat aanvullende maatregelen benodigd zijn, dan worden deze getroffen voor aanvang van de bouwwerkzaamheden. Conclusie Uit de bevindingen van het veldbezoek kan geconcludeerd worden dat het plangebied geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen. Overige soorten zijn niet aanwezig. Het nader onderzoek naar vleermuizen wordt momenteel uitgevoerd. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing.

4.8

Windonderzoek

Wettelijk kader Ondanks dat er geen formele, landelijk vastgestelde eis voor windhinder en windgevaar bestaat, zijn er met name in de grote gemeenten wel richtlijnen op dat gebied. Sinds 2006 wordt voor de beoordeling veelal gebruik gemaakt van de NEN 8100. Aan de hand van de NEN 8100 ‘Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving’ kan het windklimaat bepaald worden. Dit wordt uitgedrukt in overschrijdingskansen per jaar (in procenten) dat de windsnelheid boven een bepaalde waarde zal liggen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen windhinder en windgevaar. De Commissie Stedelijke Ontwikkeling en Ruimtelijke ordening van de gemeente Den Haag heeft op 9 februari 2010 een actualisering van de normen ten aanzien van bezonning en windhinder doorgevoerd voor de gemeente Den Haag in het document (van de gemeente Den Haag) met kenmerk RIS 170509. Hierin is verwoord dat voor een windonderzoek rond een nieuwbouwproject de NEN 8100 wordt aangewezen als toetsinstrument. Voorheen gebeurde dit aan de hand van de Haagse Richtlijn voor bezonning en windhinder voor nieuwbouw in de bebouwde omgeving. Onderzoek DGMR heeft een windhinderonderzoek uitgevoerd. Het doel van het onderzoek is om het windklimaat in kaart te brengen rond de nieuwbouw op maaiveld. Binnen het windklimaatonderzoek is getoetst aan de criteria van de NEN 8100 ‘Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving’.

Hierin zijn twee criteria belangrijk: windhinder en windgevaar. De laatste is het meest kritisch omdat een omgevingsvergunningaanvraag op de aanwezigheid van windgevaar kan worden afgewezen. Windhinder heeft betrekking op de invloed van de wind op het comfort voor personen in een leef-, woon- en werkomgeving. Het windhinderonderzoek is in bijlage 8 bijgevoegd. Voor het onderzoek is een 3D-model ontwikkeld van het gebied en de nabije omgeving om het windklimaat te toetsen aan de gestelde eisen. Dit model is met Computational Fluid Dynamics (CFD) gesimuleerd. CFD

10 november 2025

DUINHIL

BJ4582-RHD-XX-XX-RP-X-0001

28

Projectgerelateerd

is een methode om complexe luchtstromingen in en rond gebouwen te bepalen. Aan de hand van klimaatgegevens zijn windstromingen verwerkt tot windklimaat rondom het beoogde gebouw. Criteria windklimaat bestemmingsplan ‘Kijkduin-Ockenburgh’ In december 2014 is door de gemeente Den Haag het bestemmingsplan ‘Kijkduin-Ockenburgh’ vastgesteld. Paragraaf 4.11 van de toelichting op het bestemmingsplan gaat in op windhinder. Mede naar aanleiding van een windklimaatonderzoek van de bestemmingen Gemengd-1 en Gemengd-2 wordt in de genoemde paragraaf het volgende met betrekking tot windhinder op deze bestemmingen geregeld: • NEN 8100 moet worden toegepast; • Minimaal na te streven kwalificatie van het windklimaat is ‘matig’ voor de betreffende activiteiten, volgens NEN 8100; • De kwalificatie ‘slecht’ wordt bij hoge uitzondering en onder nadere voorwaarden toegestaan; • De kwalificatie ‘gevaarlijk’ voor windgevaar wordt in beginsel voorkomen; • Het Deltaplein en de boulevard gelden als slentergebied. Omdat in deze gebieden al in de huidige situatie een lokaal zeer slecht windklimaat heerst, is voor deze gebieden sprake van de voornoemde uitzondering dat bij hoge uitzondering de kwalificatie ‘slecht’ is toegestaan; Windgevaar De resultaten voor windgevaar zijn weergegeven in afbeelding 4.4.

Deze maakt duidelijk dat het hard waait aan de kust en dat zodoende het realiseren van een goed windklimaat volgens NEN 8100 een enorme uitdaging is en wellicht onmogelijk. Met betrekking tot de ontwikkeling van Duinhil, zijn er een aantal aandachtspunten: 1. Deltaplein: windklasse D en E overheersen op het Deltaplein. Het windklimaat verslechtert ten opzichte van de huidige situatie, omdat de wind versnelt tussen de bouwblokken van de hogere nieuwbouw van het Atlantic Hotel. Er is sprake van windgevaar en windhinder; 2. Boulevard: de resultaten zijn beter dan de bestaande situatie. Er heerst geen windklasse E meer. 3. Terras: het windklimaat op het terras is slecht aangezien er windklasse C en D heersen. 4. Kiosk: een goed windklimaat is lokaal te zien voor de kiosk. 5. Zandverstuiving: er is sprake van een windklasse D, een matig windklimaat voor doorlopen, en een klein gebied met windklasse E, een slecht windklimaat. 6. Zandverstuiving: er is sprake van een windklasse E, een slecht windklimaat voor doorlopen. 7. Pieter Pauluspad: er is vooral sprake van windklasse C en D, een verslechtering ten opzichte van de huidige situatie. Entrees: alle ingangen worden beschermd door de effectieve luifels waardoor er geen windgevaar ontstaat.

10 november 2025

DUINHIL

BJ4582-RHD-XX-XX-RP-X-0001

29

Projectgerelateerd

Afbeelding 4.4: kans op windgevaar voor de nieuwe situatie op maaiveld. Bron: DGMR

Windhinder Een overzicht van de kwaliteitsklassen op maaiveldniveau is weergegeven in afbeelding 4.5. De belangrijke gebieden met betrekking tot het windklimaat worden hieronder toegelicht: 1. Deltaplein: windklasse D en E overheersen op het Deltaplein. Het windklimaat verslechtert ten opzichte van de huidige situatie, omdat de wind versnelt tussen de bouwblokken van de hogere nieuwbouw van het Atlantic Hotel. Er is sprake van windgevaar en windhinder; 2. Boulevard: de resultaten zijn beter dan de bestaande situatie. Er heerst geen windklasse E meer. 3. Terras: het windklimaat op het terras is slecht aangezien er windklasse C en D heersen. 4. Kiosk: een goed windklimaat is lokaal te zien voor de kiosk. 5. Zandverstuiving: er is sprake van een windklasse D, een matig windklimaat voor doorlopen, en een klein gebied met windklasse E, een slecht windklimaat. 6. Zandverstuiving: er is sprake van een windklasse E, een slecht windklimaat voor doorlopen. 7. Pieter Pauluspad: er is vooral sprake van windklasse C en D, een verslechtering ten opzichte van de huidige situatie. Entrees: over het algemeen hebben de entrees een goed windklimaat (windklasse A). Alle ingangen worden beschermd door de effectieve luifels. Er zijn hier geen aanvullende maatregelen nodig.

10 november 2025

DUINHIL

BJ4582-RHD-XX-XX-RP-X-0001

30

Projectgerelateerd

Afbeelding 4.5: kans op windhinder voor de nieuwe situatie op maaiveld. Bron: DGMR

Maatregelen Op onderstaande afbeedling zijn op drie locaties windschermen aangegeven. Uit de berekeningen blijkt dat als deze schermen met een hoogte van 2 meter worden geplaatst, het windklimaat langs het Paulus Pieterpad verbeterd kan worden. Door het scherm te laten meebuigen naar de nieuwbouw toe, neemt de effectiviteit van het scherm toe. Een andere optie is het plaatsen van bomen aan de westkant van het pad, hoger dan de nu aanwezige beplanting ter hoogte. Dergelijke maatregelen zijn echter vanuit stedenbouwkundig oogpunt onwenselijk. Bovendien bevinden de locaties zich in beschermd Natura 2000 gebied. Het treffen van deze maatregelen is dan ook niet gewenst.

10 november 2025

DUINHIL

BJ4582-RHD-XX-XX-RP-X-0001

31

Projectgerelateerd

Afbeelding 4.6:Mogelijke maatregelen windhinder

Conclusie Het windklimaat is in de beoogde situatie niet gunstig. Dit is het gevolg van de ligging aan zee in combinatie met de hoogte van de duinenrij waarop de bebouwing is gesitueerd en dit is dan ook inherent aan de bouwlocatie. Nieuwbouwsituatie • Zoals verwacht is het windklimaat ook in de nieuwe situatie slecht. Dit is het gevolg van de ligging aan zee in combinatie met de hoogte van de duinenrij waarop de bebouwing is gesitueerd en dit is dan ook inherent aan de bouwlocatie. • In vergelijking met de huidige situatie is er meer gebied met windgevaar op het Deltaplein, maar de situatie verbetert op de boulevard. • Op het Pieter Pauluspad ontstaan kleine gebieden met risico op windgevaar. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is het plaatsen van windschermen ongewenst, te meer nu deze geplaatst zouden moeten worden in Natura 2000-gebied. Voor het windklimaat geldt: • In de geplande bouwsituatie is het windklimaat langs het Deltaplein minder gunstig. Er is sprake van windgevaar en windhinder. • Door de afremmende werking van de geplande nieuwbouw wordt in de nieuwbouwsituatie op de boulevard een verbetering van het windklimaat verwacht. • Over het algemeen hebben de entrees een goed windklimaat (windklasse A). Alle ingangen worden beschermd door de effectieve luifels. • Het windklimaat op het terras blijft hetzelfde. • Voor de kiosk is sprake van een goed windklimaat.

10 november 2025

DUINHIL

BJ4582-RHD-XX-XX-RP-X-0001

32

Projectgerelateerd

4.9

Overige belemmeringen

Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het projectgebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming, zoals straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke. Overige belemmeringen zijn in voorliggend geval niet aan de orde.

4.10 Duurzaamheid De op grond van het beleid van de gemeente Den Haag geldende duurzaamheidseisen zijn verwerkt in het ontwerp. Het gaat om de volgende beleidsstukken: a. RIS308744 klimaatbestendig bouwen - toepassing wadi en rententiedaken. Daarnaast wordt het gebouw voorzien van een WKO centrale met koeling voor de appartementen. b. RIS 306620 integraal gemeentelijk rioolstelsel - het hemelwater wordt opgevangen in de wadi alsmede door retentiekratten op de groendaken. c. RIS 305824 nota stadsnatuur – samenhang met natuurinclusief bouwen, toepassing daktuinen. d. RIS31059, natuurinclusief bouwen. Vanuit Gemeente Den Haag bestaat de verplichting om te voldoen aan het ‘Puntensysteem Groen- en Natuurinclusief bouwen Den Haag’ (RIS313059). Het voornemen valt onder categorie G (Grootschalig project, footprint > 2.000 m 2 en/of hoogte > 25 m). Hiervoor geldt dat minimaal 6 punten voor gevel-/dakvoorzieningen, 4 punten voor verblijfplaatsen en 6 punten voor omgevingsmaatregelen behaald dienen te worden. In onderstaande tabel zijn de maatregelen benoemd die specifiek voor onderhavig project toegepast worden. Het voornemen voldoet aan de minimumeis van 16 punten. De rapportage natuurinclusief bouwen is opgenomen als bijlage 9 van deze ruimtelijke onderbouwing.

10 november 2025

DUINHIL

BJ4582-RHD-XX-XX-RP-X-0001

33

Projectgerelateerd

5 Water 5.1

Beleidskader

Wettelijk kader In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Waterwet De Waterwet is in 2009 van kracht geworden en regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Alle regelgeving op het gebied van water is verankerd in de Waterwet. Voor alle activiteiten op, in of met invloed op het oppervlakte- en grondwater en de waterkeringen dient een Watervergunning in het kader van de Waterwet te worden aangevraagd. KRW De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden).

Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater. Nationaal Water Programma Het Nationaal Water Programma bestaat uit het landelijke en regionale waterbeleid. In het plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en -beheer beschreven voor de periode 2022-2027. Het programma richt zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Het programma geeft invulling aan de Europese richtlijnen waaronder de KRW, Richtlijn overstromingsrisico’s, de Kaderrichtlijn Mariene Strategie en de EU-richtlijn Marine Spatial Planning. Het programma geldt als structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten. Wateragenda Den Haag 2021-2025 De gemeente Den Haag en het Hoogheemraadschap van Delfland willen een duurzaam, schoon, gezond en veilig Haags watersysteem en vitale en aantrekkelijke leefomgeving. In de Wateragenda hebben de gemeente Den Haag en het Hoogheemraadschap van Delfland afspraken vastgelegd en stemmen activiteiten op elkaar af. Ook worden de ambities voor de komende jaren geformuleerd.

De vier beleidsdoelen voor het watersysteem zijn het hebben van klimaatbestendig en veerkrachtig water; duurzaam schoon en gezond water; aantrekkelijk water; bewust van Haags water. Hoogheemraadschap van Delfland Delfland investeert de komende jaren in het vergroten van de veiligheid, het verbeteren van de waterkwaliteit, het tegengaan van wateroverlast en het optimaliseren van de zuivering van afvalwater. De ontwikkelingen in de waterwereld volgen elkaar in hoog tempo op en vragen om het maken van keuzes. Klimaatverandering, zeespiegelstijging verzilting en nieuwe wetten en regels gaan het waterbeheer de komende decennia ingrijpend veranderen. Bovendien dwingen de complexiteit van het gebied en de 10 november 2025

DUINHIL

BJ4582-RHD-XX-XX-RP-X-0001

34

Projectgerelateerd

omvang van de noodzakelijke investeringen tot het stellen van prioriteiten. Delfland spreidt daarom de maatregelen in de tijd, zodat het tempo aansluit bij de mogelijkheden van de organisatie en het gebied. Het hoogheemraadschap hanteert in nieuw te ontwikkelen stedelijke gebieden het standstill-beginsel, waarbij getoetst wordt aan de provinciale normen voor wateroverlast. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Delfland is als waterschap verplicht elke zes jaar een Waterbeerprogramma op te stellen. Voorheen heette dit een waterbeheerplan en lag de wettelijke plicht in de Waterwet. Deze gaat op in de Omgevingswet, die 1 januari 2024 van kracht wordt en dan heet het een waterbeheerprogramma. Het waterbeheerprogramma bevat de strategische beleidskaders voor de jaren 2022 t/m 2027. Hierin zijn de waterbeheertaken voor het hoogheemraadschap. In Waterbeheerprogramma 2022-2027 is ook het maatregelprogramma voor de Europese kaderrichtlijn water (KRW) opgenomen. Hierin staan de doelen en maatregelen die zijn opgesteld ten behoeve van de KRW en die worden opgenomen in het derde Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta. In 2016 de nieuwe Handreiking Watertoets vastgesteld. De nieuwe handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau.

De handreiking bestaat uit een procesdeel en een inhoudelijk deel. In het procesdeel wordt ingegaan op het watertoetsproces voor ruimtelijke planvorming. Het inhoudelijk deel bevat de vertaling van het actuele beleid van Delfland in ruimtelijke zin.

5.2

Waterveiligheid

De voorziene parkeerkelder wordt ingepast door het verlagen van de bodem tot het laagste niveau (NAP +7.25 m) waarop zand wordt ontgraven op de locatie van het project. De parkeerkelder zal door de duinwaterkering heen snijden en er zal extra zand aangebracht moeten worden om voldoende grensprofiel (minimale afmeting duinwaterkering) te creëren. Er is door Royal HaskoningDHV (2024) een studie uitgevoerd om de impact van het project op de waterveiligheid te minimaliseren en voldoende waterveiligheid te garanderen. In bijlage 10 is deze studie bijgevoegd. Uit de duinveiligheidsanalyse volgt dat de waterveiligheid gegarandeerd is door de inpassing van het grensprofiel, zeewaarts van het project. Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven. De JarKus-raai 105.92 ligt op de projectlocatie en deze metingen zijn als basis gebruikt voor het gehanteerde profiel in de duinveiligheidsanalyse. Het JarKusprofiel moet worden aangepast aan de hand van de veranderingen als gevolg van het project en de veranderingen in de locatie van de kustlijn. Het is gewenst om het vrijkomende zand terug te brengen in de zeewering en zo dicht mogelijk van de oorspronkelijke JarKus-raai. De hoeveelheid vrijgekomen zand is geschat op 15.325 m 2. Het vrijgekomen zand kan deels direct rondom het nieuwe gebouw worden verwerkt, zie de verdeling in tabel 3.1.

Tabel 3.1: Hoeveelheden vrijkomend zand en de verdeling over de verschillende locaties.

Op basis van het hoogtebestand Nederland (AHN4), de kadastrale grenzen, de zeeweringgrenzen en de Natura2000 gebieden is er een gebied afgebakend wat het meest geschikt lijkt voor de inpassing van het resterende zand, zie afbeelding 3.6.

10 november 2025

DUINHIL

BJ4582-RHD-XX-XX-RP-X-0001

35

Projectgerelateerd

Afbeelding 3.6: Inpassingen vrijgekomen zand van ontwikkelingen omgeving Kijkduin en onderzochte locatie voor de additionele vrijkomende hoeveelheid zand.

De hoogtekaart en de mate van begroeiing is voornamelijk bepalend geweest om de lagergelegen gebieden te gebruiken voor de inpassing van het zand. Het oppervlak van dit zoekgebied beslaat ruwweg 15.000 m 2. De hoeveelheid in te passen zand is ca. 6.500 m2 wat leidt tot gemiddelde ophoging van net onder 0.5 m. Het gebied beslaat twee soorten Natura2000 habitatten: geen habitattype en Witte duinen. De witte duinen worden gekenmerkt door duingebieden met beperkte begroeiing (helm). Deze gebieden ontvangen op een natuurlijke wijze veel zand vanaf het strand en bevatten weinig biodiversiteit wat het een geschikte locatie maakt een artificiële invoer van zand. De aanliggende habitatten gedijen bij een lichte overstuiving voor de instandhouding van het verruigde grasland, daardoor het wenselijk is om stuifkuilen aan te brengen in het gebied om zo een positief effect uit te oefenen op de achterliggende gebieden. Een bureaustudie en biotooptoets heeft aangetoond dat het niet aannemelijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van beschermde soorten. Hiermee kan geconcludeerd worden dat nadelige effect op beschermde flora en fauna uitgesloten zijn en nader onderzoek niet noodzakelijk is. De specifieke zorgplicht blijft altijd van toepassing bij de uitvoering van de werkzaamheden.

Conclusie De studie houdt rekening met hydraulische belastingen, het kustprofiel en de inpassingen in de omgeving van het projectlocatie en concludeert dat: • Het nieuwe beoordelingsinstrumentarium leidt tot vermindering in erosie en dus toenemende waterveiligheid t.o.v. de vorige studie (Arcadis 20183); • De morfologische veranderingen in de omgeving hebben een positief effect op de waterveiligheid van de project locatie; • De waterveiligheid kan gegarandeerd worden volgens de inpassing van het grensprofiel op basis van het inpassingsplan van de vorige studie; • De impact van het project kan gereduceerd worden door inpassing van het zand in de eerste duinenrij nabij de projectlocatie. Door het Hoogheemraadschap is ingestemd met de in de studie voorgestelde locatie.

3

Het eerdere plan (herontwikkeling Atlantic Hotel) ging uit van verdieping van een deel van de bestaande parkeerkelder van het hotel. In 2018 is op dit plan een analyse van de duinveiligheid uitgevoerd, gerapporteerd in ‘Waterveiligheid parkeergarage Atlantic Hotel’ [Arcadis 2018].

10 november 2025

DUINHIL

BJ4582-RHD-XX-XX-RP-X-0001

36

Projectgerelateerd

5.3

Watertoets

Activiteiten en maatregelen in het kader van de voorgenomen ontwikkeling kunnen van invloed zijn op het waterstaatkundig systeem. Voor dempen en graven van watergangen en werkzaamheden aan of langs watergangen en voor werken in de zeewering, de boezem- en de polderkaden is een vergunning op basis van de Keur vereist. Voor lozingen op het oppervlaktewater is een vergunning vereist op grond van de Waterwet. De watertoets en de vergunningverlening blijven wel twee afzonderlijk procedures. Dit betekent dat het Hoogheemraadschap bij het verlenen van een vergunning altijd aanvullende voorwaarden kan stellen. Waterkwantiteit Bij nieuwe ontwikkelingen die van invloed zijn op de waterhuishouding dient aan het beleid van het Hoogheemraadschap van Delfland te worden voldaan. Het Hoogheemraadschap van Delfland gaat uit van het standstill-principe, waarbij een eventuele verslechtering van de waterhuishouding gecompenseerd moet worden. In voorliggend plan is sprake van nieuwbouw, binnen de bestaande bebouwingscontouren. Er vindt verder geen wijziging plaats in het watersysteem en er is geen sprake van verandering in het wateroppervlak. Watercompensatie is niet benodigd. Daarnaast wordt in totaal 508 m2 bestaande verharding vervangen door een groene inrichting. Door het vervangen van verharding door duin of daktuin stijgt het waterbergend vermogen in het gebied.

Zodoende kan het water beter worden vastgehouden en geleidelijk worden vrijgegeven aan de grond. Concreet zijn twee waterbergende ingrepen voorzien. Op de plek waar zich nu een verzonken parkeervoorziening bevindt, aan het Deltaplein, komt een ondergrondse parkeergarage waarvan het dak gedeeltelijk uit groen bestaat. Er wordt gedacht aan inheemse beplanting zoals helmgras, dat ook voorkomt op het duinterrein. Aan de noordzijde van het plangebied is een parkeervoorziening aanwezig, gebouwd in de jaren ’80. De parkeervoorziening wordt vervangen door een nieuwe parkeergarage die van een sedum dakbedekking is voorzien. Inheemse duinbeplanting is op dit dakpakket niet mogelijk. Daarom worden sedumdaken toegepast. De verharde en onverharde oppervlaktes zijn inzichtelijk gemaakt in onderstaande tabel en afbeelding 5.1.

Verhard Onverhard waarvan mossedum-daken Saldo verharding

Bestaand 6.410 m2 890 m2 0 m2

Nieuw 5.159 m2 2.141 m2 1.398 m2 - 508 m2

Tabel 5.1: Cijfermatig overzicht verhard en onverhard oppervlak ter plaatse van het projectgebied

10 november 2025

DUINHIL

BJ4582-RHD-XX-XX-RP-X-0001

37

Projectgerelateerd

Afbeelding 5.1: Verhard en onverhard oppervlak ter plaatse van het projectgebied in de nieuwe situatie

Gezuiverd afvalwater De afvoer van afval- en hemelwater van de ontwikkeling Duinhil blijven ongewijzigd. Het plangebied ligt in de zeewering en kan voor lozing van afvalwater worden aangesloten op het gemengde rioolstelsel. Er is voldoende capaciteit in het rioolstelsel voor deze nieuwe ontwikkeling. De ontwikkeling van Duinhil zal niet leiden tot extra overstortingen vanuit de riolering op het oppervlaktewater. Het (schone) hemelwater wordt niet afgevoerd via het rioolstelsel maar geïnfiltreerd in de bodem in de directe omgeving van het plangebied en zo afgevoerd richting zee. Er vindt geen afwatering richting polder of boezem plaats. Grondwater De aangevraagde werken zullen op zand worden gefundeerd. Bij de uitvoering zal niet lager worden gegraven dan de onderkant van de fundering op NAP +7.25 m (het peil van de parkeergarage op verdieping -2 bedraagt 7,7m +NAP). Er is geen aanleiding te verwachten dat de grondwaterstand gedurende de geplande werkzaamheden boven de NAP +5 m komt, ook niet bij hevige regenval. De werken hebben geen invloed op de grondwaterstand en/of bodem. Watersysteemkwaliteit Het tegengaan van riooloverstorten door de afkoppeling van hemelwater komt de waterkwaliteit ten goede. Het ontstaan van (nieuwe) vervuilingsbronnen dient zoveel mogelijk te worden voorkomen om vervuiling van grond- en oppervlaktewater te beletten.

Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, 10 november 2025

DUINHIL

BJ4582-RHD-XX-XX-RP-X-0001

38

Projectgerelateerd

goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Klimaatadapatatie De gemeente Den Haag is mede ondertekenaar van het convenant KlimaatAdaptief Bouwen. Aandacht voor klimaatadaptatie speelt een steeds prominentere rol bij stedelijke ontwikkelingen. Bij de herinrichting van Kijkduin Bad wordt de buitenruimte met aandacht voor klimaatadaptatie ingericht. Daarbij wordt gekeken naar de inpassing van groen en bomen en het toepassen van minimale verharding. In de toekomstige situatie wordt retentiecapaciteit toegevoegd door middel van begroeiing met toepassing van sedumdaken en groene daken met inheemse beplanting. Deze worden op de parkeervoorzieningen geplaatst. Daarmee wordt in totaal 508 m2 verharding vervangen door groen en stijgt het waterbergend vermogen in het gebied. Conclusie De waterparagraaf wordt voor advies voorgelegd aan het Hoogheemraadschap van Delfland.

10 november 2025

DUINHIL

BJ4582-RHD-XX-XX-RP-X-0001

39

Projectgerelateerd

6 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Op grond van de Erfgoedwet (2016) is het verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op basis van de Archeologische Waarden- en Beleidskaart van de gemeente Den Haag ligt het projectgebied op gronden waarop een archeologische verwachting rust. Ter plaatse van de planlocatie rust een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ (bestemmingsplan ‘Kuikduin – Ockenburgh’; vastgesteld 18 december 2014). Voor het uitvoeren van werken geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden op of in de voor 'Waarde - Archeologie 2' bestemde gronden die een diepte van 50 cm en een totaal oppervlak van meer dan 50 m2 overschrijden, dient een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te worden aangevraagd. Dit geldt voor de volgende werken en werkzaamheden: het wijzigen van het maaiveldniveau door middel van het verlagen, afgraven of egaliseren van grond waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist. Omdat de voorgenomen plannen de vrijstellingsgrenzen overschrijden, dient de initiatiefnemer een rapport te overleggen waarin naar oordeel van de bevoegde overheid de archeologische waarde van het plangebied voldoende is vastgesteld.

In dat kader heeft ADC ArcheoProjecten in januari 2024 een bureauonderzoek uitgevoerd naar de kans op de aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied. Het rapport is in bijlage 11 bijgevoegd. Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde verwachting opgesteld. Hieruit blijkt dat het plangebied deel uitmaakt van een duinengebied die rond 1500 voor Christus zijn ontstaan. In de Bronstijd, IJzertijd, de Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen bood het duinengebied een geschikte vestigingsplaats door de nabije aanwezigheid van voedsel en de relatief hoge ligging. Na enige tijd van bewoning en akkerbouw vonden weer nieuwe verstuivingen plaats. Een archeologische vindplaats in de vorm van een agrarische nederzetting uit deze periode zal zich daarom manifesteren als een archeologische laag in het duinzand. In het gebied ten zuiden van het plangebied zijn dergelijke vegetatieniveaus en mogelijke archeologische lagen aangetroffen op 2,5 tot 3,5 m boven het NAP. In de duinen is sprake van een grillig hoogteverloop dus een dergelijke laag zou in het plangebied op een hoger niveau aanwezig kunnen zijn. In de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd vonden in de duinen relatief veel verstuivingen plaats en werd het gebied niet meer als woonplaats gebruikt. Kijkduin als badplaats is ontstaan aan het einde van de 19e eeuw.

In het plangebied kunnen nog sporen uit deze periode bewaard gebleven zijn zoals resten van het Wilhelmina-hotel of de halteplaats van de stoomtram in het zuiden van het plangebied. Hoewel deze periode vaak als niet-archeologisch-relevant wordt beschouwd zouden eventuele archeologische resten uit deze periode veel inzicht kunnen geven in de geschiedenis van deze badplaats en badplaatsen in Nederland in het algemeen. In het centrale deel van het plangebied kunnen nog resten van bunkers uit de Tweede Wereldoorlog bewaard zijn gebleven. Een (mechanisch) verkennend booronderzoek kan inzicht geven in de mate van intactheid en de diepteligging van eventuele mogelijke archeologische lagen in het duinzand. Gezien de diepteligging van de archeologische relevante lagen, werd geadviseerd om het booronderzoek machinaal uit te voeren. In dat kader heeft ADC ArcheoProjecten in juni 2024 een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het rapport is in bijlage 12 bijgevoegd. Uit het verkennend booronderzoek is gebleken dat binnen de geplande verstoringsdiepte het plangebied een lage archeologische verwachting heeft. ADC ArcheoProjecten adviseert daarom om het plangebied vrij

10 november 2025

DUINHIL

BJ4582-RHD-XX-XX-RP-X-0001

40

Projectgerelateerd

te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht deze zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. De melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente Den Haag. Vanaf 770 cm onder maaiveld kunnen mogelijk nog wel archeologische resten en of sporen uit de periode vanaf de Bronstijd tot en met de Vroege Middeleeuwen aanwezig zijn. Indien in de toekomst wel (grootschalige) bodemingrepen tot deze diepte worden uitgevoerd, wordt hiervoor wel aanvullend archeologisch onderzoek (waarschijnlijk in eerste instantie in de vorm van een karterend booronderzoek) noodzakelijk geacht. Het bovenstaande advies is onderschreven door de bevoegde overheid. Het advies is in bijlage 13 bijgevoegd. Cultuurhistorie Op grond van de Erfgoedwet is het verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Hiervoor is onderzocht of het plan binnen de kaders van de Erfgoedwet, de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur of het gemeentelijk beleid past.

Hieruit blijkt dat het plangebied niet in cultuurhistorisch waardevol gebied ligt en het niet binnen een beschermd stadsgezicht ligt. Het aspect Cultuurhistorie hoeft daarom niet nader te worden onderzocht. Het vormt daarmee geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling. Conclusie Een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek is uitgevoerd waarmee de mate van intactheid en de diepteligging van eventuele mogelijke archeologische lagen in het duinzand is vastgesteld. Vanaf 770 cm onder maaiveld kunnen mogelijk nog wel archeologische resten en of sporen uit de periode vanaf de Bronstijd tot en met de Vroege Middeleeuwen aanwezig zijn. Indien in de toekomst wel (grootschalige) bodemingrepen tot deze diepte worden uitgevoerd, wordt hiervoor wel aanvullend archeologisch onderzoek (waarschijnlijk in eerste instantie in de vorm van een karterend booronderzoek) noodzakelijk geacht. Het plangebied ligt niet in cultuurhistorisch waardevol gebied of een beschermd stadsgezicht. Vanuit archeologie en cultuurhistorie geldt geen belemmering voor het plan.

10 november 2025

DUINHIL

BJ4582-RHD-XX-XX-RP-X-0001

41

Projectgerelateerd

7 Opsporing ontplofbare oorlogsresten (OOO) Wettelijk kader In Nederland zijn in de (Eerste en) Tweede Wereldoorlog (WOII) veel munitie en explosieven achtergebleven in de (water)bodem, die niet tot ontploffing zijn gekomen: conventionele explosieven. Op het moment dat in de nabijheid van deze niet-gesprongen explosieven trillingen worden veroorzaakt of grondwerkzaamheden in de bodem worden uitgevoerd, kunnen deze alsnog afgaan. Denk bijvoorbeeld aan werkzaamheden als graven, boren, heien en grondverzet. Dit levert gevaar op voor de veiligheid en gezondheid van werknemers, uitvoerders en andere personen in de omgeving van de werkzaamheden. Om de risico's van ongewenst afgaan van OOO zo veel mogelijk te beperken, is voldoende en goed vooronderzoek (en indien nodig vervolgstappen opsporing) door een deskundige belangrijk. De verantwoordelijkheid voor het onderzoek naar (en de ruiming van) eventuele explosieven ligt in eerste instantie bij de gemeente, als opdrachtgever/initiatiefnemer van de graaf- en grondwerkzaamheden. Het opsporen van OOO die als gevolg van WOII in de (water)bodem zijn achtergebleven, mag op grond van het Arbobesluit alleen plaatsvinden door bedrijven die hiervoor gecertificeerd zijn. Onderzoek IDDS 4 heeft in 2014 een vooronderzoek uitgevoerd naar conventionele explosieven ter plaatse van de planlocatie.

In afbeelding 7.1 is het plangebied weergegeven dat onderzocht is op ontplofbare oorlogsresten.

Afbeelding 7.1: Ontwikkeling Duinhil binnen deelgebied 1 (rood) en het onderzoeksgebied (geel)

4 Vooronderzoek conventionele explosieven Hotel Atlantic Kijkduin, IDDS, 06 oktober 2014

10 november 2025

DUINHIL

BJ4582-RHD-XX-XX-RP-X-0001

42

Projectgerelateerd

Uit de geraadpleegde archief- en literatuurgegevens, alsmede luchtfotoanalyse zijn verschillende aanwijzingen voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten binnen het onderzoeks- en werkgebied naar voren gekomen.

Afbeelding 7.2: Inventarisatiekaart Ontplofbare Oorlogsresten onderzoeksgebied (geel)

Het plangebied is gelegen aan de Nederlandse kust, waarlangs tijdens de Tweede Wereldoorlog door Duitse militairen op grote schaal verdedigingswerken als bunkers, loopgraven, mijnenvelden, etc., als onderdeel van de zogenaamde Atlantikwall zijn aangelegd. Binnen het plangebied zijn loopgraven waargenomen. Uit kaartmateriaal kan worden opgemaakt dat de maaiveldhoogten ten tijde van de Tweede Wereldoorlog varieerden van 15 (duinen) tot 4 meter +NAP. Omdat de verschillende soorten ontplofbare oorlogsresten slechts in achtergelaten toestand worden verwacht, is uitgegaan van een maximale ‘penetratiediepte’ van 2,5 meter (bodem loopgraaf) ter plaatse van de loopgraven, stellingen en bunkers. Dit betekent dat ontplofbare oorlogsresten kunnen worden aangetroffen op een diepte van 11,5m +NAP tot maximaal 1,5m +NAP. Het peil van de parkeergarage op verdieping -2 bedraagt 7,7m +NAP. Ter plaatse van de verschillende loopgraven is uitgegaan van een verdacht gebied van 2,5 meter aan weerszijden. Conclusie Binnen het plangebied zijn loopgraven waargenomen. Ontplofbare oorlogsresten rondom de loopgraven kunnen worden aangetroffen op een diepte van 11,5m +NAP tot maximaal 1,5m +NAP. Het peil van de parkeergarage op verdieping -2 bedraagt 7,7m +NAP.

Op deze locaties kunnen ontplofbare oorlogsresten in de vorm van infanteriemunitie, zoals klein-kalibermunitie, handgranaten en draagbare antitankwapens zijn achtergebleven worden verwacht. Daar waar de verdachte gebieden het werkgebied overlappen, het zogenaamde opsporingsgebied, dient voorafgaande aan bodemroerende werkzaamheden detectie te worden uitgevoerd. 10 november 2025

DUINHIL

BJ4582-RHD-XX-XX-RP-X-0001

43

Projectgerelateerd

8 Mobiliteit Verkeer De locatie van Duinhil is aangesloten op het Deltaplein en de Kijkduinsestraat. De Kijkduinsestraat fungeert als regionale ontsluitingsweg en komt uit op de Machiel Vrijenhoeklaan. Met de ontwikkeling van Duinhil zal het aantal verkeersbewegingen toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Door Royal HaskoningDHV is de verkeersgeneratie van de voorgenomen ontwikkeling berekend (zie bijlage 14). De verkeersgeneratie voor de totale verkeersaantrekkende werking van de realisatie van het totaal aantal woningen (145 (woon)appartementen + 160 hotelkamers) bedraagt 1.280 motorvoertuigen voor een gemiddelde weekdag. Het programma zal voor een kleine toename van verkeer zorgen ten opzichte van de huidige situatie, maar gezien de capaciteit van het omliggende wegennet niet leiden tot problemen met de verkeersafwikkeling. Logistieke-U Kijkduin Een onderzoek door Goudappel wees uit dat het huidige ontwerp voor de logistieke-L van Kijkduin enkele aandachtspunten die voor verbetering/optimalisatie vatbaar zijn: de ongeschiktheid van lange vrachtwagens, de noodzaak van meer manoeuvreerruimte bij de opstelplaats, en een dode hoek bij de inrit vanaf de Kijkduinsestraat. Het rapport is in bijlage 15 bijgevoegd. Goudappel gebruikte het rijcurvesimulatiepakket CURSIM om realistische manoeuvres te ontwerpen.

Voor de inrit-constructie maakt een aanpassing van de aansluiting van het fietspad op de Kijkduinsestraat het kruisen van het verkeer veiliger. En een extra maatregel die de zichtbaarheid verbeterd is het plaatsen van een spiegel. Voor het opstellen bij het hotel heeft het vooral de voorkeur om expeditieverkeer te laten komen/vertrekken wanneer het niet druk is met fietsers en voetgangers. Kan drukte van fietsers en voetgangers niet worden vermeden dan wordt aanbevolen dat iemand buiten de vrachtwagen de opstelmanoeuvre begeleidt. Keuze voor is vooral afhankelijk van de noodzaak prioriteit te geven aan fietsverkeer. Deze maatregelen verbeteren de verkeersveiligheid en dienen bij uitvoering uitgevoerd te worden. Parkeren Het parkeerbeleid van de gemeente Den Haag (Nota parkeernormen Den Haag 2021) voor wonen gaat uit van drie zones, namelijk Centrummilieus, Vooroorlogse stadswijken en Naoorlogse buitenwijken. Voor deze zones gelden per functie verschillende parkeernormen. De voorliggende ontwikkeling ligt in zone Naoorlogse stadswijken in de gebiedsindeling parkeernomen Wonen. In bijlage 16 is de analyse van de parkeerbehoefte voor de voorgenomen ontwikkeling opgenomen. Voldaan wordt aan de Nota parkeernormen Den Haag 2021. Fietsparkeren Onderstaande afbeelding laat een berekening zien van het totaal aantal benodigde fietsparkeerplekken.

Er zijn ruim voldoende plekken beschikbaar.

10 november 2025

DUINHIL

BJ4582-RHD-XX-XX-RP-X-0001

44

Projectgerelateerd

Afbeelding 8.1: Berekening fietsparkeerplekken

10 november 2025

DUINHIL

BJ4582-RHD-XX-XX-RP-X-0001

45

Projectgerelateerd

9 Uitvoerbaarheid 9.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De voorliggende ontwikkeling Duinhil voorziet in nieuwbouwontwikkeling met een programma voor woningen en diverse (maatschappelijke) voorzieningen. De ontwikkeling zorgt voor een forse kwaliteitsverbetering aan de boulevard van Kijkduin. Naast het programma voor woningen, wordt een wellnesscentrum, restaurant, plaza en maatschappelijke voorzieningen gerealiseerd. Door de toevoeging van een divers programma wordt geïnvesteerd in het voorzieningenniveau. In het kader van de planvorming heeft overleg plaatsgevonden met stakeholders, ondernemers, omwonenden en belanghebbenden in het gebied. Met de commissie Loosduinen worden afspraken gemaakt om voordat de omgevingsvergunning wordt verleend, het plan nader toe te lichten. De commissie Loosduinen vertegenwoordigt vijf bewonersorganisaties en het bedrijfsleven in het stadsdeel Loosduinen. Tot slot hebben diverse overleggen plaatsgevonden met wethouders, NH Hotel Group, en de Dienst Stedelijke Ontwikkeling (DSO) van de gemeente Den Haag. Omdat de ontwikkeling past binnen het karakter van het aangrenzende gebied en er geen negatieve ruimtelijke gevolgen voor gevoelige functies als wonen aan het plan zijn verbonden, wordt aangenomen dat er geen gegronde bezwaren bestaan tegen deze ontwikkeling. Niettemin wordt in het kader van de uitgebreide Wabo-procedure de mogelijkheid geboden tot het indienen van zienswijzen.

De ontwerpomgevingsvergunning wordt gedurende zes weken voor eenieder ter inzage gelegd. Op 27 november 2024 heeft een informatieavond plaatsgevonden omtrent de ontwikkeling van Duinhil. De avond is goed bezocht door omwonenden en andere geïnteresseerden.

9.2

Financiële uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten.

9.3

Vooroverleg

Het bevoegd gezag dient bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit overleg te plegen met diverse betrokken instanties, waaronder het Hoogheemraadschap van Delfland, de provincie Zuid-Holland en Rijkswaterstaat. In dit kader wordt de ruimtelijke onderbouwing voorgelegd aan de vaste overlegpartners.

10 november 2025

DUINHIL

BJ4582-RHD-XX-XX-RP-X-0001

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16258326/1