RIS323677 Bijlage 1 Nota van beantwoording zienswijzen concept NRD.docx
Tekst van het document
5.4 Referentiesituatie Opmerking algemeen Een gedegen toets op de veronderstelde referentie situatie is nodig: 1. Warmtevraag afname tussen 2012 en 2030 lijkt in lijn met wat wij tussen 2022 en 2030 verwachten. Ik vraag me af of dit ook juist is voor de jaren 2012 – 2022. Hier ontstaat mogelijk een vertekend beeld. 2. De verdeling LT, MT en HT-warmte herkent Eneco niet zonder harde toelichting op aT & rT. Wat wordt precies met deze temperatuur categorieën bedoeld? Als HTwarmte voor warm tap water (WTW)-bereiding is hier een veel groter aandeel van nodig. 3. Aquathermie bij het CR-plein (TEO, vergunning is verleend) en geothermiebron bij Ypenburg (SDE++ is verleend) zijn nog verre van zeker op techniek, betaalbaarheid en realisatie planning. 4. Er een kans bestaat dat, ten gevolge van klimaatverandering, de warmtevraag afneemt en de koelvraag toeneemt. Dit zit al ingebakken in het uitgangspunt voor de verwachte warmtevraag 5. In het rapport mist een duidelijke referentie voor de CO2-besparing. Ook missen uitgangspunten voor het vaststellen van de CO2-emissie. Daarvoor lijkt aansluiten bij de huidige methode warmtewet het meest logisch. Autonome ontwikkelingen zijn de ontwikkelingen die de komende 10 tot 20 à 25 jaar plaatsvinden, waar al een besluit over is genomen, zonder dat de voorgenomen activiteit (dus het warmteprogramma) wordt uitgevoerd.
Opmerking Autonoom gaat er dus vanuit dat het warmteprogramma wordt uitgevoerd en niet van de huidige situatie. Is de autonome ontwikkeling hiermee eenduidig vastgelegd? Vinden we dit een redelijk kader of zit er in de autonome ontwikkeling opportunistisch denken? Zoals al meenemen TEO en GEO Ypenburg. Een toets op de haalbaarheid in tijd, techniek en geld is nodig om dit vast te kunnen stellen. Na 2030 is de samenstelling van de warmtevraag naar verwachting als volgt: ongeveer 40% LT-warmte, ongeveer 45% MT-warmte en ongeveer 15% HTwarmte.
Opmerking Eneco herkent deze ontwikkeling niet. Ter illustratie de situatie in Rotterdam: Vanaf heden alle nieuwe aansluiting op MT (70-40). Vanaf 2035 tot 2050 is een overgangsperiode voor de bestaande aansluitingen van HT naar MT pas vanaf 2050 zal dit op 100% MT opereren. Hierdoor klinken de gebruikte uitgangspunten in Den Haag niet als realistisch. Gebouwclusters vanaf 250 WEQ en gebieden moet transitie gereed zijn om per cluster over te gaan naar MT temperatuur. Advies is om eerst een onderzoek te doen naar de haalbaarheid hiervan op decentraal niveau geografisch als op doelgroep. Als voorbeeld kan de Wat en Wanneerkaart van de gemeente Rotterdam worden gebruikt Rotterdam aardgasvrij - De Rotterdamse Transitievisie In de plan-MER worden de Warmte Blz. 16 en 22 milieueffecten per thema kwalitatief beoordeeld. Er is geen De projecten voor het realiseren van nieuwe warmtebronnen waar eerste stappen zijn sprake van een kwantitatieve gezet worden uitgevoerd, namelijk de aanleg van warmtetransportleiding weging tussen de thema’s. WarmtelinQ, aquathermie bij het CR-plein (TEO, vergunning is verleend) en De uitkomsten per thema worden geothermiebron bij Ypenburg (SDE++ is verleend).
gebruikt als input voor de bredere besluitvorming binnen het Opmerking warmteprogramma, waarin ook hier moet duidelijk zijn over de te verwachten haalbaarheid op planning (go live datum) andere afwegingscriteria zoals betaalbaarheid, techniek en inpasbaarheid, want voor met name de TEO en Geo is dit uitvoerbaarheid en betaalbaarheid nog onzeker en risicovol (zie eerdere opmerkingen). Dit om te voorkomen dat men zich worden meegenomen. rijk rekent met bronnen die niet haalbaar zijn voor een bepaalde periode. De uitbreiding van bestaande warmtenetten, bijvoorbeeld in de wijk Escamp rond het geothermiecentrale aan de Leyweg, wordt doorgezet. Opmerking Niet rond de geothermie centrale maar breder in de gehele wijk. dus rond het bestaande warmtenet en niet rond de centrale. Geografisch is dit een betere benadering De toename van het aantal aansluitingen op het warmtenet is in lijn met de groei van het aantal warmtenetaansluitingen in de bestaande bouw in de afgelopen jaren (ongeveer 400-600 nieuwe aansluitingen per jaar).
Opmerking Vanwege de WCW wordt / is dit aantal lager. Eerder richting de 200 nieuwe aansluiting. Er is veel investeringsonzekerheid ontstaan op nieuwe projecten. Ieder jaar installeren meerdere bewoners een (hybride) warmtepomp in hun woning. Opmerking Het is onduidelijk hoeveel dit er zijn volgens de gemeente. Deze autonome groei kan veel impact hebben een gedegen onderbouwing is belangrijk als dit meegenomen wordt als referentiesituatie. M.a.w. een misrekening hier heeft impact op andere ontwikkelingen. Te adviseren is boven op het advies rondom MT-HT dit uit te breiden met scenario’s van warmtepomp adaptatie. Er een kans bestaat dat, ten gevolge van klimaatverandering, de warmtevraag afneemt en de koelvraag toeneemt In de gemeente worden jaarlijks nieuwe woningen gebouwd (aardgasvrij) en wordt sloop-nieuwbouw gepleegd volgens de gemeentelijke plannen Opmerking Bij beide referenties mist concreetheid en het uitgangspunt. Een getoetste onderbouwing is noodzakelijk om iets als referentiesituatie op te kunnen nemen. 5.5 Beoordelingsmethodiek Opmerking is er ook sprake van een weging van de factoren? Belanghebbende 10 – Haag Wonen
Haag Wonen investeert in de kwaliteit en verduurzaming van haar woningen. Dit heeft bij ons een hoge prioriteit. Voor de warmtetransitie zijn wij graag een volwaardig partner in de stad en staan voor de betaalbaarheid en leveringszekerheid van warmte voor onze huurders en onze bedrijfsvoering. Daarvoor dient een aantal randvoorwaarden op orde te zijn. Wij ondersteunen daarom de ambitie van de gemeente Den Haag om de warmtetransitie op een rechtvaardige, haalbare en betaalbare manier vorm te geven. Wij waarderen de inzet van de gemeente om dit via een publiek warmtebedrijf uit te rollen en het warmteprogramma, als vervolg op de Transitievisie warmte (TVW) uit 2023.
Dank voor uw zienswijze. We herkennen uw oproep tot een actieve regierol van de gemeente en nemen deze rol nadrukkelijk op ons, met gebiedsgerichte aansturing per wijk. Daarbij beschouwen we woningcorporaties als volwaardige
U geeft aan dat u met de zienswijzen de planMER en het warmteprogramma aanscherpt. U vraagt partijen te reageren op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD, referentie BK5248MI-RP-250411-1123), als startpunt voor het opstellen van het planMER. Uw centrale vraag is: Wat moet in het planMER worden onderzocht? U vraagt hierbij welke onderzoeksthema’s er worden gemist en welke overige kansen worden gezien voor planMER. Wij maken graag van deze gelegenheid gebruik. Een planMER is gericht op de milieueffecten, kosten en haalbaarheid; de technische kant van de warmtetransitie. Omdat wij graag zien dat we ook tot sociaal gedragen warmtetransitie komen, is onze zienswijze breder ingestoken en meer gericht op het aandragen van kansen en randvoorwaarden zodat wij een volwaardig partner in de stad kunnen zijn. Regie en samenwerking in gebiedsgerichte aanpak Wij willen een volwaardig partner zijn in de stad. In deze samenwerking hechten wij aan wederkerigheid: als wij inspanningen leveren en investeren in de warmtetransitie dan verwachten wij dat de gemeente de juiste randvoorwaarden faciliteert en organiseert. Als woningcorporatie zijn wij geen brug tussen gemeente en bewoners, maar een volwaardige samenwerkingspartner in de stad. De gemeente heeft de regie.
In uw warmteprogramma gaat u in op in welke wijken en buurten u de komende tien jaar aan de slag gaat met het aardgasvrij maken en met welke warmteoplossingen (duurzame alternatieven voor aardgas). Wij werken graag samen met de gemeente aan de uitwerking van het warmteprogramma, inclusief de wijkselectie, fasering en technische keuzes en zorgvuldige communicatie: de gebiedsgerichte aanpakken. De basis hiervoor ligt in de routekaart die de corporaties recent hebben opgesteld. Deze brengen we graag in het proces in. Wij verzoeken de gemeente om: • De regierol actief op zich te nemen, met duidelijke aansturing per wijk. • Haag Wonen als volwaardige samenwerkingspartner in de stad te beschouwen.
samenwerkingspartners. Uw routekaart en position paper worden betrokken bij de fasering van het warmteprogramma, zodat we kunnen afstemmen waar corporaties slagkracht hebben en waar aanvullende isolatieaanpak nodig is. Uw opmerkingen over regie, samenwerking en wederkerigheid worden als waardevolle input beschouwd voor het verdere proces richting het warmteprogramma. De gebiedsgerichte aanpak en samenwerking met corporaties worden verder uitgewerkt in het warmteprogramma en de uitvoeringsplannen. Daarbij wordt aangesloten op bestaande routekaarten en investeringsstrategieën van corporaties, zodat afstemming mogelijk is over fasering, isolatieaanpak en gezamenlijke uitvoering. Betaalbaarheid is een cruciale randvoorwaarde. In het warmteprogramma hanteren we het uitgangspunt van de laagste
Samen met corporaties de mogelijkheden te verkennen van een gezamenlijke nationale kosten (volgens PBL), aangevuld met gebied specifieke gebiedsgerichte aanpak, afgestemd op onze investeringssnelheid. afwegingen. De financiële haalbaarheid en businesscase Investeringssnelheid en betaalbaarheid voor huurders centraal Wij investeren fors in het verbeteren van de kwaliteit van onze woningen zodat de worden verder uitgewerkt in de woningen transitiegereed zijn voor de overstap op een duurzame warmtebron. Ons uitvoeringsfase, in afstemming aansluitvolume is zeer interessant voor de betaalbaarheid van het systeem voor met landelijke en gemeentelijke iedereen, om risico’s te beheersen en van start te kunnen in de wijken. Hiervoor zijn instrumenten. We zetten ons in onze investeringsmogelijkheden en -snelheid cruciaal. Dit vraagt om zekerheid en de om de betaalbaarheid voor juiste financiële randvoorwoorden vanuit de gemeente en andere partijen zoals het huurders en corporaties te borgen en lobbyen bij het Rijk voor Rijk en Stedin. We zien dat betaalbaarheid niet wordt uitgewerkt in de planMER, maar wel onderdeel aanvullende wetgeving en is van de haalbaarheidsanalyse (technisch, sociaal en financieel) om de prijsgaranties. warmtetechnieken per buurt te beoordelen. Wij vinden betaalbaarheid voor onze huurders en onze bedrijfsvoering cruciaal.
De keuze voor warmteoplossingen per buurt wordt mede bepaald op basis van de laagste nationale kosten. Wij willen benadrukken dat dit niet automatisch betekent dat de oplossing ook betaalbaar is voor onze huurders en financieel haalbaar voor corporaties. De methode voor het bepalen van de laagste kosten voor de gebruiker is bovendien nog niet vastgesteld, wat onzekerheid geeft. Tevens is het voor ons belangrijk om flexibiliteit in onze investeringssnelheid te houden. We moeten ruimte hebben om in te kunnen spelen op externe factoren We herkennen uw visie dat de zoals het instellen van een huurbevriezing, opgelegd door de rijksoverheid. Dit soort warmtetransitie ook een sociale factoren hebben direct invloed op onze opgave is. Daarom investeren we investeringsmogelijkheden. in wijkgerichte communicatie en Wij verzoeken de gemeente om: • De betaalbaarheid voor huurders en corporaties nadrukkelijk mee te nemen participatie, met aandacht voor alle bewoners, inclusief huurders. in de afwegingen die de gemeente maakt; • De fasering van de wijken af te stemmen op de investeringssnelheid van de We zetten in op samenwerking corporaties, zodat de warmtetransitie binnen onze financiële mogelijkheden met lokale partijen en huurdersorganisaties om past. draagvlak te organiseren. •
•
•
Te zorgen dat vaste en variabele warmtekosten voor huurders niet hoger zijn dan in de huidige gassituatie zodat er een zeer aantrekkelijk aanbod gedaan wordt; Een eerlijke en transparante kostenopbouw van de businesscases van de wamtenetten te geven.
Investeer in de sociale transitie De warmtetransitie is niet alleen een technische opgave, maar vooral ook een sociale opgave. De ervaring uit gebiedsaanpakken, zoals voor het warmtenet in Rotterdam, leert dat het bouwen aan een sociale structuur cruciaal is voor het welslagen van de realisatie van warmtenetten. Met de inzet van energiecoaches via het project Behaaglijk Wonen is er het afgelopen jaar een mooie stap gezet. De kracht van dit project was de inzet van lokale partijen, echte aandacht, actiegerichtheid met doorverwijzen naar de juiste loketten bij gemeente en corporaties en het treffen van kleine maatregelen, gericht op het reduceren van energieverbruik en -kosten. Wij verzoeken de gemeente om: • Langdurig te investeren in het bouwen van sociale relaties in de wijken en te zorgen dat alle bewoners mee kunnen komen met de warmtetransitie. • Communicatie en participatie van de gemeente te richten aan alle bewoners, inclusief huurders van corporaties. • Creatieve participatievormen zoals workshops, energie coaching en wijkbijeenkomsten te benutten. • Te werken met lokale partijen die de taal en cultuur van bewoners machtig zijn. • Samen te werken met corporaties en huurdersorganisaties aan het organiseren van draagvlak van de huurders.
Isolatie- eigen en woonlasten Wij streven naar het isoleren van onze woningvoorraad naar de temperatuur van de warmtebron in relatie tot comfort en beheersbare woonlasten voor onze huurders. In 75% van onze portefeuille betreft dit een middentemperatuur warmtenet. We zien dit als een pragmatische aanpak waarbij we isoleren naar een niveau dat nodig is en technisch en financieel haalbaar is.
Uw pragmatische aanpak om te isoleren naar het benodigde niveau per warmtebron sluit aan bij onze werkwijze. In het warmteprogramma koppelen we het isolatieniveau aan de isolatiescore van woningen (1 t/m 5), gebaseerd op theoretische warmtevraag. Via een adreschecker kunnen bewoners de (gemiddelde) score raadplegen en krijgen zij handelingsperspectief voor verdere isolatiestappen.
Uw opmerking over de aanwijsbevoegdheid uit de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) wordt meegenomen in het kader van het warmteprogramma.
Wij zijn positief over de ruimte die de gemeente aan gebouweigenaren laat om zelf te bepalen in hoeverre zij hun woningen isoleren en de koppeling van de gemeente tussen de verschillende warmtebronnen met het gewenste isolatieniveau. In de NRD wordt benadrukt dat de techniekkeuze per buurt mede afhankelijk is van het isolatieniveau van de woningen. De keuze die een gebouweigenaar maakt, heeft dus gevolgen voor de woonlasten en haalbaarheid van de gekozen techniek in een wijk. Wij constateren dat deze afhankelijkheden ook kwetsbaar kunnen zijn. Wij verzoeken de gemeente: • Het gewenste isolatieniveau te bezien in relatie tot comfort en betaalbaarheid voor onze huurders en onze bedrijfsvoering. • Het gewenste isolatieniveau samen met de corporaties verder uit te werken zodat we efficiënt en effectief investeren.
Netcongestie heeft invloed op keuzes in het warmteprogramma; we werken hierin samen met Stedin en andere partijen. Het valt buiten de scope van de NRD.
Hoewel het Publiek Integraal Warmtebedrijf (PIW) niet expliciet is opgenomen in de NRD, vormt het een essentieel onderdeel van de uitvoeringsstructuur. In de verdere uitwerking van het warmteprogramma zal hier naar Juridische instrumenten en investeringszekerheid Wij roepen de gemeente op om de aanwijsbevoegdheid uit de Wet gemeentelijke verwezen worden. instrumenten warmtetransitie (Wgiw), wanneer deze in werking is getreden, zorgvuldig in te zetten. Dit biedt investeringszekerheid voor corporaties en vermindert risico’s voor het warmtebedrijf. Aanpak netcongestie Onze investeringsbereidheid hangt nauw samen met leveringszekerheid en aanvoer van duurzame warmte (uit een duurzame warmtebron). Netcongestie is een cruciale randvoorwaarde voor de uitvoerbaarheid van de warmtetransitie en moet daarom prioriteit krijgen in de planvorming. Wij verzoeken de gemeente om zich actief in te zetten voor het oplossen van netcongestie, in samenwerking met Stedin en andere overheden. Wij zien graag een structureel overleg op bestuurlijk en directieniveau met Stedin, zodat knelpunten worden gesignaleerd en aangepakt. PIW in relatie met het warmteprogramma en de NRD Wij ondersteunen de keuze van de gemeente Den Haag om een PIW op te richten. Deze keuze biedt de mogelijkheid om maatschappelijke waarden zoals betaalbaarheid, transparantie en betrouwbaarheid beter te borgen. Voor corporaties
en hun huurders is grip op de betaalbaarheid essentieel om deelname aan de warmtetransitie mogelijk te maken. Hoewel de ontwikkeling van het PIW (Publiek Integraal Warmtebedrijf) in de NRD niet expliciet is genoemd, vormt het in de praktijk een cruciale uitvoeringsstructuur voor de realisatie van de warmtenetten. Wij verzoeken de gemeente om: • In de verdere uitwerking van het warmteprogramma en het planMER te verwijzen naar het PIW als uitvoeringsstructuur. • Corporaties tijdig en nauw te betrekken bij de verdere uitwerking van het PIW.
Belanghebbende 11 – bewoners Statenkwartier
Wij zien uit naar de verdere samenwerking met de gemeente Den Haag in de uitwerking van het warmteprogramma en de gebiedsgerichte uitvoeringsplannen. Wij hopen dat onze zienswijze wordt meegenomen in de verdere planvorming van het warmteprogramma en de opstelling van het milieueffectrapport (planMER). 3. Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau – waterstof geen duurzaam alternatief? De concept NRD stelt dat waterstof op korte termijn geen rol in het Warmteprogramma vervult; dat waterstof, die beschikbaar is, eerst zal worden gebruikt om industriële processen te verduurzamen. Omdat industriële processen geen onderdeel zijn van het Warmteprogramma is er door de gemeente voor gekozen om waterstof niet toe te voegen aan de duurzame alternatieven voor aardgas. Daardoor valt te verwachten dat waterstof niet in het Warmteprogramma, niet in het Uitvoeringsplan en niet in de wijziging van het Omgevingsplan als duurzaam alternatief wordt meegenomen. Heeft de gemeente een voorkeur voor een warmtenet voor alle wijken? 4. Onderzoek naar betaalbare warmte – voorkeur voor warmtenet! Eind mei heeft de gemeente in het kader van een onderzoek naar betaalbare warmte bewoners een vragenlijst voorgelegd. Over de vragenlijst valt het volgende op te merken:
Dank voor uw zienswijze. De gemeente heeft geen generieke voorkeur voor één warmteoplossing voor alle wijken. In het warmteprogramma wordt per buurt gekeken welke techniek het beste aansluit bij de lokale situatie, waaronder het woningtype, isolatieniveau, ruimtelijke inpasbaarheid en maatschappelijke kosten. Warmtenetten kunnen in sommige gebieden een passende oplossing zijn, maar in andere buurten kunnen all-electric systemen of hybride varianten beter aansluiten
- Het onderzoek richtte zich op woningen gebouwd ná 2000, tussen 1984 en 2000 en vóór 1984. In Statenkwartier, zoals ook in andere wijken, zijn veel woningen gebouwd vóór 1920, wat de vraag oproept of het onderzoek betrekking kon hebben op deze wijken. - Het onderzoek bleek te gaan over betaalbare duurzame warmte, maar “betaalbare warmte” werd niet gedefinieerd, omdat betaalbaar van persoon tot persoon verschilt, en “duurzame warmte” werd niet gegarandeerd. - Bewoners werd gevraagd zes keer te kiezen tussen twee aanpakken voor verwarming, warm water en koken aan de hand van vijf criteria: (1) eenmalige kosten tussen nu en 2040 variërend tussen € 1.000 en € 30.000; (2) vergeleken met nu minder of meer betalen per maand variërend tussen € 100 minder en € 75 meer; (3) energiebedrijf van de overheid of door inwoners gekozen; (4) vergeleken met nu prettiger wonen of hetzelfde; (5) CO2-besparing variërend tussen 0% en 100%. De per aanpak aan de criteria toegekende waarden werden niet toegelicht. Bovendien bleek dat de eerder door bewoners gegeven verdeling van 35 punten over 7 doelen bepalend was voor zes keer twee aanpakken, waar bewoners tussen dienden te kiezen. Eén en ander kwam de duidelijkheid en transparantie van het onderzoek niet ten goede. Was het onderzoek erop gericht bewoners – al dan niet bewust – te laten kiezen voor een warmtenet?
Waterstof is in de NRD niet opgenomen als warmtebron, vanwege onzekerheden in beschikbaarheid, betaalbaarheid en toepasbaarheid voor de gebouwde omgeving op korte en middellange termijn. De focus ligt op warmteopties die technisch haalbaar en tijdig inzetbaar zijn.
Het onderzoek is uitgevoerd onder een brede doelgroep en op basis van verschillende woningtypen. Respondenten konden op basis van hun eigen voorkeuren en prioriteiten kiezen tussen meerdere scenario’s. Er is geen voorkeursrichting gestuurd; het doel was om inzicht te krijgen in de afwegingen die bewoners maken bij verduurzaming van warmte. De resultaten van dit onderzoek worden meegenomen in de 5. Duurzaam alternatief – warmte of waterstof? verdere uitwerking van het Op dit moment zijn nog niet alle warmtebronnen, waarmee het water in een warmteprogramma en de warmtenet wordt verwarmd, duurzaam. De komende 20 jaar worden de bronnen uitvoeringsplannen. steeds duurzamer. Uw opmerkingen over waterstof De verwachting is dat waterstof tot 2030 nog geen significante rol kan spelen bij de herkennen we. verduurzaming van de gebouwde omgeving. Door te leren van pilots en demonstratieprojecten wordt de optie opengehouden om na 2030 waterstof alsnog Waterstof wordt op dit moment grootschaliger in te zetten als dat tegen die tijd nodig én mogelijk is. niet als grootschalige warmtebron Ter illustratie twee foto’s. De éne foto geeft een beeld van de werkzaamheden die meegenomen in het nodig zijn voor de transitie naar warmte als duurzaam alternatief voor aardgas. De warmteprogramma, vanwege
andere foto illustreert dat zulke diepgravende werkzaamheden niet nodig zijn voor de onzekerheden in beschikbaarheid, transitie naar waterstof als duurzaam alternatief met gebruikmaking van de betaalbaarheid en toepasbaarheid voor de gebouwde omgeving op bestaande gasleidingen. korte en middellange termijn. De focus ligt op technieken die binnen 6. Conclusie Waterstof kan na 2030, dus binnen de scope van het Warmteprogramma, een de looptijd van het programma duurzaam alternatief voor aardgas zijn. Daarom zou de gemeente er goed aan doen realistisch inzetbaar zijn. Hierbij om aan de concept NRD waterstof als duurzaam alternatief voor de gebouwde volgt de gemeente de analyse van omgeving toe te voegen en in het eind 2026 vast te stellen Warmteprogramma mee te het Planbureau voor de nemen, zodat bewoners van de wijken, waar dan nog niet aan de slag wordt gegaan, Leefomgeving (actualisatie een eerlijke blik wordt gegund op de duurzame warmteoplossingen voor hun wijken. Startanalyse 2025).