RIS323316 Rekenkamerrapport Koers op groen
Tekst van het document
Koers op groen Onderzoek naar het beleid voor de ontwikkeling van het groen in de stad 30 september 2025
RIS323316
Voorwoord Groen in de stad is belangrijk voor een gezonde en prettige leefomgeving. Het verbetert onder andere de luchtkwaliteit, vermindert hittestress, bevordert biodiversiteit en heeft positieve effecten op de gezondheid van bewoners. Door de groei van de stad staat het groen echter onder druk. Doordat er in Den Haag meer inwoners zijn, moeten er meer voorzieningen komen, terwijl de ruimte in de stad beperkt is. Daarom worden er in de stad belangen afgewogen en moeten er lastige keuzes gemaakt worden. Moeten er bijvoorbeeld meer parkeerplaatsen komen of kunnen er bomen geplant worden? Als er meer huizen gebouwd worden, is er dan wel plek voor groen in de buurt voor de bewoners? Dit rapport beschrijft de uitkomsten van het onderzoek naar groen in de openbare ruimte van Den Haag. Uit ons onderzoek blijkt dat het groenoppervlak in de stad de afgelopen jaren is toegenomen, maar dat het niet duidelijk is of de gemeente op koers ligt om haar groendoelen te realiseren. Bovendien waarborgt het college onvoldoende dat de uitvoering gericht is op doelrealisatie. Het college geeft in zijn reactie op ons onderzoek aan, de aanbevelingen die wij doen over te nemen en hiermee aan de slag te gaan. Dat is een goed teken. Wij hopen dat dit onderzoek een positieve bijdrage zal leveren aan de vergroening van de stad.
We willen de medewerkers van de gemeente Den Haag danken voor hun medewerking aan ons onderzoek.
Robert-Jaap Voorn Lid Rekenkamer Den Haag
Inhoudsopgave Voorwoord ....................................................................................................................... 2 1.
2.
Inleiding op het onderzoek ........................................................................................ 6 1.1
Waarom doen we dit onderzoek? ..............................................................................6
1.2
Wat zijn onze hoofd- en deelvragen? .........................................................................6
1.3
Hoe vormen we een oordeel? ...................................................................................7
1.4
Waar hebben we naar gekeken? ...............................................................................7
1.5
Leeswijzer ............................................................................................................. 11
Hoofdconclusie: Het gemeentebestuur werkt onvoldoende doelgericht aan de
vergroening van de stad. ................................................................................................. 12 2.1
Deelconclusie 1: Het groen in de stad is de afgelopen jaren toegenomen. ................. 13
2.2
Deelconclusie 2: Het is niet duidelijk of de gemeente op koers ligt om de doelen voor
de groenontwikkeling te realiseren. .................................................................................... 13 2.3
Deelconclusie 3: Het college waarborgt onvoldoende dat de uitvoering van het
groenbeleid is gericht op het realiseren van de gestelde doelen. .......................................... 14 3.
Aanbevelingen ........................................................................................................ 16 Aanbeveling 1: Stel als raad een samenhangende visie vast voor de ontwikkeling van het groen in de stad, met daarin concrete doelen voor de ontwikkeling van het groen in Den Haag en vraag het college hier een voorstel voor op te stellen, waarin tenminste is vastgelegd: ........... 16 Aanbeveling 2: Draag het college op de door de raad vastgestelde visie en doelen voor groen te vertalen naar een planmatige aanpak met de daarvoor benodigde middelen en daarbij in ieder geval aan te geven: ............................................................................................................ 17 Aanbeveling 3: Draag het college op de realisatie van activiteiten en de voortgang op het bereiken van alle door de raad vastgestelde doelen bij te houden en daarbij in ieder geval vast te leggen wat per doel: ....................................................................................................... 17 Aanbeveling 4: Draag het college op de raad in samenhang en op eenduidige wijze, periodiek te voorzien van alle relevante voortgangsinformatie, waarbij die informatie ten minste: .............
18 Aanbeveling 5: Draag het college op binnen twee maanden nadat de raad een besluit heeft genomen over deze aanbevelingen een planning naar de raad te sturen voor de opvolging van de voorgaande aanbevelingen. ........................................................................................... 18
4.
Reactie college van burgemeester en wethouders .................................................... 19
5.
Nawoord ................................................................................................................. 23
3
Feitelijk deel .................................................................................................................. 28 6.
Resultaten van het groenbeleid ............................................................................... 29 Bevinding 1: De openbare ruimte in Den Haag is tussen 2020 en 2023 groener geworden. ..... 29 Bevinding 2: Het groen en het aantal stadsbomen binnen de Stedelijke Groene Hoofdstructuur namen tussen 2020 en 2023 licht toe. ................................................................................ 30 Bevinding 3: Het aantal ecologisch passende bomen is in de periode 2020 tot 2023 nagenoeg gelijk gebleven. ................................................................................................................. 33
7.
Sturing gemeenteraad en college op doelbereik ....................................................... 35 Bevinding 4: De gemeenteraad heeft voor de meeste doelen niet beschreven wat concreet bereikt moet worden. ........................................................................................................ 35 Bevinding 5: Het college houdt niet voor alle groendoelen gegevens over de ontwikkeling bij. 37 Bevinding 6: De gegevens die het college bijhoudt over de ontwikkeling van het groen, zijn voor een belangrijk deel niet geschikt om de voortgang op het bereiken van doelen inzichtelijk te maken. ............................................................................................................................. 39 Bevinding 7: Het college geeft in voortgangsrapportages niet altijd aan wat de beperkingen zijn van de gegevens over de ontwikkeling van het groen ............................................................ 46 Bevinding 8: Het college rapporteert niet over alle doelen en hoe de ondernomen activiteiten hieraan bijdragen .............................................................................................................. 49
8.
Uitvoering van het groenbeleid door het college ....................................................... 53 Bevinding 9: Het college maakt vrijwel niet duidelijk met welke aanpak het de doelen voor groen wil realiseren. .......................................................................................................... 53 Bevinding 10: Het college maakt niet altijd duidelijk hoe de door de gemeenteraad beschikbaar gestelde middelen voor groen worden ingezet om de beoogde doelen te realiseren. ............. 59 Bevinding 11: Het college zet onvoldoende middelen in om het groen in de stad op de vastgestelde kwaliteitsniveaus te brengen én te houden ...................................................... 65
Bijlage 1: Onderzoeksverantwoording ............................................................................. 68 Bijlage 2: Resultaten uit de analyse van de data ............................................................... 71 Bijlage 3: Memo SmitsRinsma met betrekking tot analyse beheerdata .............................. 75 Bijlage 4: Controle van de beheergegevens ...................................................................... 79 Bijlage 5: Memo SmitsRinsma met betrekking tot analyse BGT ......................................... 84 Bijlage 6: Toelichting SMART ........................................................................................... 90 Bijlage 7: Uitwerking SMART-analyse ............................................................................... 91 Bijlage 8: Selectie uitvoeringsplannen college ................................................................. 99
4
Bijlage 9: Bronnenlijst .................................................................................................... 103 Colofon......................................................................................................................... 113
5
1. Inleiding op het onderzoek De Rekenkamer Den Haag heeft onderzocht in hoeverre de gemeente op koers ligt met het behalen van haar doelen voor het groen in de stad. In onderstaand overzicht zijn de aanleiding, vraagstelling, aanpak van het onderzoek, beleidscontext en afbakening kort op een rij gezet.1
1.1 Waarom doen we dit onderzoek? Het gemeentebestuur vindt groen in de stad erg belangrijk, bijvoorbeeld omdat een groene stad prettig is om in te leven en omdat groen de gevolgen van klimaatverandering helpt verminderen.2 Daarom heeft de gemeente Den Haag als doel om het groen in de stad kwalitatief te ontwikkelen en de stad waar mogelijk nog meer te vergroenen.3 Wij hebben onderzocht in hoeverre die vergroening daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en of de gemeente koerst op het realiseren van haar (lange termijn) doelen.
1.2 Wat zijn onze hoofd- en deelvragen? We geven in dit onderzoek een oordeel over de doelen die de gemeente heeft opgesteld voor het groen in de stad en de wijze waarop zij deze realiseert. We houden daarbij de volgende hoofd- en deelvragen aan:
Hoofdvraag: In hoeverre ligt het gemeentebestuur op koers voor de realisatie van zijn doelen voor groen in de stad? Deelvraag 1: In hoeverre zijn de doelen uit het groenbeleid van de gemeente concreet geformuleerd? Deelvraag 2: In hoeverre komt de realisatie van groen in de stad in de periode tussen 20162024 overeen met de beoogde ontwikkeling van het groen? Deelvraag 3: In hoeverre draagt de uitvoering van het gemeentelijke groenbeleid bij aan de realisatie van de doelen?
1
Zie bijlage 1 voor de onderzoeksverantwoording.
2
RIS307827 Raadsbesluit bijlage 1, Nota Stadsbomen, gemeenteraad, 15 april 2021; RIS294705 Raadsbesluit, Agenda groen voor de stad 2016, College van Burgemeester en Wethouders, 2 november 2016, p. 1. 3
RIS294705 Raadsbesluit bijlage 3, Agenda Groen voor de stad, gemeenteraad, 15 december 2016.
6
1.3 Hoe vormen we een oordeel? Wij vormen een oordeel op basis van normen. Normen maken duidelijk wat het gemeentebestuur zou moeten doen voor het openbaar groen in de stad. De normen voor dit onderzoek zijn afgeleid van het groenbeleid van Den Haag en de Gemeentewet. In de onderzoeksverantwoording in bijlage 1 geven we een nadere toelichting op de onderzoeksvragen en de normen. De belangrijkste punten uit het normenkader zijn: •
De gemeente legt in zijn beleid de doelen ten aanzien van groen SMART vast.
•
Het college geeft opvolging aan de vastgestelde doelen en werkt toe naar de realisatie daarvan.
•
Het (openbaar) groen in de stad ontwikkelt zich in lijn met de doelen die door de gemeenteraad zijn vastgesteld.
•
Het college moet de voortgang en resultaten monitoren en de raad hierover volledig, juist en tijdig informeren.
1.4 Waar hebben we naar gekeken? Voor dit onderzoek hebben wij ons gericht op het beleid voor de ontwikkeling van het groen in Den Haag in de periode 2016 tot en met 2024. Wij hebben voor deze periode gekozen omdat in 2016 de Agenda Groen voor de stad (hierna: Agenda Groen) is vastgesteld door de gemeenteraad.4 De Agenda Groen dient als richtinggevend kader en overkoepelend document voor het groenbeleid tot en met 2026.5 Het document is een actualisatie van het beleidsplan Groen kleurt de stad, dat een soortgelijke functie had voor het groenbeleid tussen 2005 en 2015.6 In de Agenda Groen staat beschreven dat de gemeente als voornaamste doel heeft om het Haagse groen kwalitatief en waar mogelijke kwantitatief te ontwikkelen.7 Het beleid dat in de Agenda Groen is vastgelegd is sinds 2016 nader uitgewerkt in verschillende beleidsdocumenten. De belangrijkste zijn de Nota Stadsnatuur en de Nota Stadsbomen, die in respectievelijk 2020 en 2021 door de gemeenteraad zijn vastgesteld.8 Daarnaast hebben wij voor ons onderzoek ook beleidsdocumenten meegenomen die vóór de Agenda Groen zijn vastgesteld. Dit hebben we gedaan omdat ze ook na 2016 nog van kracht waren. Het gaat bijvoorbeeld om vergroening
4
RIS294705 Raadsbesluit, Agenda groen voor de stad 2016, College van Burgemeester en Wethouders, 2 november 2016.
5
RIS294705 Raadsbesluit, Agenda groen voor de stad 2016, College van Burgemeester en Wethouders, 2 november 2016, p. 10.
6
RIS129360 Raadsbesluit Bijlage 2, Groen kleurt de stad: Beleidsplan voor het Haagse groen, Gemeenteraad, 13 oktober 2005.
7
RIS294705 Raadsbesluit, Agenda groen voor de stad 2016, College van Burgemeester en Wethouders, 2 november 2016, p. 6.
8
RIS305824 Raadsbesluit Bijlage 1, Nota Stadsnatuur, Gemeenteraad, 16 december 2020; RIS307827 Raadsbesluit Bijlage 1, Nota stadsbomen. Leefkwaliteit voor de stad, Gemeenteraad, 15 april 2021.
7
in het kader van de pleinenaanpak, de Nota Haagse Bomen en de Nota Ecologische Verbindingszones.9 De gemeenteraad heeft zijn hoofddoel om het Haagse groen kwalitatief en waar mogelijke kwantitatief te ontwikkelen uitgewerkt in vier hoofddoelen en zes subdoelen.10 Deze zijn door de raad vastgesteld in verschillende beleidsdocumenten. In het tekstkader hieronder en in figuur 1 geven we een overzicht van deze tien vastgestelde doelen voor groen. De doelen voor groen De doelen die de gemeente tussen 2016 en 2024 heeft opgesteld zijn vastgelegd in verschillende beleidstukken. Wij beschouwen in dit onderzoek als ‘doelen’ dat wat de raad heeft vastgesteld. Het beleidsstuk Agenda Groen dient hierbij als een overkoepelend document waarin de hoofdzaken met betrekking tot het groen voor de periode 2016-2026 beschreven staan.11 In de Agenda Groen is ‘een kwalitatieve ontwikkeling van het Haagse groen’ als hoofddoel vastgelegd.12 Dit hoofddoel heeft dus betrekking op al het groen in Den Haag. Het hoofddoel is sinds 2016 verder uitgewerkt en valt uiteen in verschillende doelen die zich elk richten op een bepaald onderdeel van het groen in de stad:13 - Het vergroenen en ontstenen van de stad - Het vergroenen van versteende wijken - Het aanpakken van pleinen, door ze onder andere te vergroenen14 - Het stimuleren van particuliere vergroening15
9
RIS282210 Commissiebrief, Pleinenaanpak 2015-2017, College van Burgemeester en Wethouders, 29 april 2015; RIS158380 Raadsbesluit bijlage, Nota Haagse Bomen: Kiezen voor kwaliteit en diversiteit, Gemeenteraad, 18 december 2008; RIS159450 Raadsbesluit bijlage, Nota Ecologische Verbindingszones, gemeenteraad, 15 januari 2009. 10
RIS159450 Raadsbesluit Bijlage, Nota Ecologische Verbindingszones, gemeenteraad, 15 januari 2009; RIS158380 Raadsbesluit Bijlage, Nota Haagse Bomen: Kiezen voor kwaliteit en diversiteit, Gemeenteraad, 18 december 2008; RIS249315 Raadsbesluit, Voorstel van het college inzake Kadernota openbare ruimte 2012, Gemeenteraad, 22 november 2012; RIS294705 Raadsbesluit Bijlage, Agenda Groen voor de Stad, Gemeenteraad, 15 december 2016; RIS305824 Raadsbesluit Bijlage 1, Nota Stadsnatuur, Gemeenteraad, 16 december 2020; RIS307827 Raadsbesluit Bijlage 1, Nota stadsbomen. Leefkwaliteit voor de stad, Gemeenteraad, 15 april 2021; RIS310884 Raadsbesluit, Voorstel van het college inzake Kadernota Openbare Ruimte – Kwaliteit door samenhang – Openbare ruimtebeleid tot 2030, Gemeenteraad, 7 september 2023; Programmabegrotingen 2016 tot en met 2023. 11
RIS294705 Raadsbesluit Bijlage, Agenda Groen voor de Stad, Gemeenteraad, 15 december 2016, p. 9.
12
RIS294705 Raadsbesluit Bijlage, Agenda Groen voor de Stad, Gemeenteraad, 15 december 2016, p. 6.
13
Zie de onderzoeksverantwoording in bijlage 1 voor een toelichting op de bekeken doelen.
14
RIS282210 Commissiebrief, Pleinenaanpak 2015-2017, College van Burgemeester en Wethouders, 29 april 2015; RIS294705 Raadsbesluit Bijlage, Agenda Groen voor de Stad, Gemeenteraad, 15 december 2016, p. 36: ‘Ontstening of vergroening is […] niet eenvoudig, toch zal het verminderen van het aantal hitte-eilanden, door ontstening, bijvoorbeeld door omvorming van pleinen worden nagestreefd’. 15
Met dit doel streeft de raad naar het stimuleren van meer groen onder bewoners. Dit gebeurt door initiatieven zoals Operatie Steenbreek en het uitdelen van bomen aan burgers. Het groen kan hierbij terecht komen in de openbare en particuliere ruimte.
8
- Het realiseren van een toename van het aantal bomen of het kroonoppervlak16 - Het diversifiëren van het bomenbestand in de stad - Het meer ecologisch passend maken van de bomen in de stad17 - Het verbeteren van groeiplaatsen - Het in stand houden en waar mogelijk versterken van de Stedelijke Groene Hoofdstructuur (SGH) - Het op niveau houden/brengen van de kwaliteit van het groen op de gewenste kwaliteitsniveaus18 Deze doelen overlappen elkaar en vormen daarom geen elkaar uitsluitende categorieën.
Figuur 1
Overzicht van de doelen binnen het groenbeleid.19
16
Kroonoppervlak refereert naar het percentage oppervlak van de stad dat – van bovenaf gezien – bedekt wordt door het gebladerte van bomen, uit: De Baten van stadsbomen: Tussenrapportage Pilot 2 Gemeente Oss, Platform I-Tree Nederland, W. Batenburg et al, oktober 2018, p. 20. 17
Hoe meer een boomsoort hier van oorsprong voorkomt, hoe ecologisch passender de boom is. Zie RIS307827 Raadsbesluit Bijlage 1, Nota stadsbomen. Leefkwaliteit voor de stad, Gemeenteraad, 15 april 2021. 18
De gemeente Den Haag kent twee kwaliteitsniveaus: residentiekwaliteit en hofstadkwaliteit. De kwaliteitsniveaus hebben betrekking op het uiterlijk van de openbare ruimte en zijn vastgesteld in de kadernota Openbare Ruimte. Zie: RIS249315 Raadsbesluit, Voorstel van het college inzake Kadernota openbare ruimte 2012, Gemeenteraad, 22 november 2012, p. 15-17; RIS310884 Raadsbesluit, Voorstel van het college inzake Kadernota Openbare Ruimte – Kwaliteit door samenhang – Openbare ruimtebeleid tot 2030, Gemeenteraad, 7 september 2023, p. 10-11. 19
Afbeelding Rekenkamer Den Haag
9
Ons onderzoek is gericht op het groen binnen de gemeentegrenzen van Den Haag De gemeente streeft zoals aangegeven naar een kwalitatieve ontwikkeling van het Haagse groen. De term “het Haags groen” omvat al het groen in de stad.20 Bijvoorbeeld openbaar groen, maar ook groen in particuliere tuinen of in bezit van andere partijen. Openbaar groen is daarbij het groen dat in de openbare ruimte staat. Hieronder vallen zowel grote parken als ook groen in de straat. Het kan gaan om (stads)bomen, struiken, gras of andere vegetatie. Veel van het openbaar groen in de stad wordt beheerd door de gemeente Den Haag. Openbaar groen kan echter ook door anderen beheerd worden, zoals door woningbouwcorporaties of door andere overheden. Het Haagse bos is bijvoorbeeld in beheer bij Staatsbosbeheer. De gemeente onderscheidt binnen het openbaar groen de Stedelijke Groene Hoofdstructuur (SGH) en het wijk- en buurtgroen.21 De SGH verwijst naar groen dat door de gemeente is aangewezen als groen van stedelijk belang.
Dit beslaat ongeveer driekwart van het totaal aan groen dat in beheer is van de gemeente en bijna de helft van het aantal stadsbomen.22 Het gaat om groen dat van "bijzonder belang is voor de kwaliteit, identiteit en belevingswaarde van de stad.”23 De gemeente heeft zich met deze aanduiding ook verplicht tot de duurzame instandhouding van dat groen.24 Uitbreiding van de SGH gebeurt alleen bij raadsbesluit. De SGH is opgebouwd uit: •
De groengebieden en groenzones die behoren tot de landelijke, provinciale en regionale groenstructuren (zoals Natura 2000-gebieden).
•
De ecologische verbindingszones, de zones die de grote groengebieden in de stad met elkaar verbinden via een aaneenschakeling van natuur op land en in water.
•
De hoofdbomenstructuur, een structuur die is aangewezen met de vaststelling van de Agenda Groen en die bestaat uit delen van de stedelijke boomstructuur die een grote bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de stad.
•
Groengebieden die een bijzondere bijdrage leveren aan de kwaliteit, de identiteit en de belevingswaarde van de stad.
20
RIS294705 Raadsbesluit Bijlage, Agenda Groen voor de Stad, Gemeenteraad, 15 december 2016, p. 19-21.
21
RIS294705 Raadsbesluit Bijlage, Agenda Groen voor de Stad, Gemeenteraad, 15 december 2016, p. 5.
22
Situatie 2023. Bron: Intern document Data per vraag gebundeld nu met SGH 18-12-2024, 18 december 2024.
23
RIS129360 Raadsbesluit bijlage 2, Groen kleurt de stad: Beleidsplan voor het Haagse groen, gemeenteraad, 13 oktober 2005, p. 7. 24
RIS129360 Raadsbesluit bijlage 2, Groen kleurt de stad: Beleidsplan voor het Haagse groen, gemeenteraad, 13 oktober 2005, p. 15-8.
10
Figuur 2
De SGH zoals deze sinds 2021 is vastgesteld.25
Wijk- en buurtgroen is al het overige groen in de openbare ruimte. Het betreft voornamelijk kleinschalig groen in de directe woonomgeving en groen dat is aangelegd in directe relatie met de stedelijke ontwikkeling en bebouwing van de stad.26
1.5 Leeswijzer In Hoofdstuk 2 gaan we als eerste in op de resultaten van het groenbeleid tot nu toe. Daarna wordt in hoofdstuk 3 de sturing op het doelbereik beschreven en in hoofdstuk 4 de wijze waarop het college uitvoering geeft aan het groenbeleid. In de bijlagen bij dit rapport zijn de onder meer de onderzoeksverantwoording, toelichtingen op verschillende analyses die ten grondslag liggen aan het rapport en de bronnenlijst opgenomen.
25
Afbeelding: SmitsRinsma
26
RIS129360 Raadsbesluit, Beleidsplan voor het Haagse groen, 'Groen kleurt de stad' 2005 – 2015, gemeenteraad, 13 oktober 2005, p. 10.
11
2. Hoofdconclusie: Het gemeentebestuur werkt onvoldoende doelgericht aan de vergroening van de stad. De rekenkamer constateert dat de openbare ruimte van Den Haag de afgelopen jaren groener is geworden. Het groenareaal en het aantal stadsbomen in beheer van de gemeente zijn tussen 2020 en 2023 namelijk gestegen. Of het gemeentebestuur daarmee de Haagse doelen voor groen bereikt, is echter niet te zeggen. Dat komt onder meer doordat de doelen van de gemeenteraad betrekking hebben op al het groen in Den Haag, terwijl de aanpak en monitoring van resultaten door het college vooral gaan over het groen in beheer van de gemeente zelf. Het gemeentebestuur heeft sinds 2016 meer dan € 225 miljoen beschikbaar gesteld voor een ‘kwalitatieve ontwikkeling van het Haagse groen’.27 De raad heeft daarbij echter niet duidelijk aangegeven wat er bereikt moet worden. Het ontbreekt aan een actuele samenhangende visie op de ontwikkeling van het groen in de stad. De raad heeft daarnaast bij veel doelen voor groen niet vastgelegd wat het concrete resultaat moet zijn en wanneer dit gerealiseerd moet zijn. Ook concluderen we dat het college niet genoeg informatie heeft over de ontwikkeling van het groen in Den Haag. Het college kan daardoor zelf minder goed sturen op het bereiken van de doelen en ook de raad niet goed informeren over de voortgang van het groenbeleid.
Hierdoor kan de gemeenteraad niet controleren of de doelen voor groen worden bereikt. Aanvullend geldt dat het college niet volgens een helder plan werkt aan de realisatie van de doelen op het gebied van groen. Er is geen meerjarige en samenhangende aanpak. De plannen van het college zijn versnipperd, omdat plannen doorgaans slechts voor korte duur worden opgesteld en soms enkel gericht zijn op delen van de stad. Het college geeft daarnaast niet aan hoe het de beschikbare middelen inzet om de doelen te realiseren. Alleen voor beheer en onderhoud van groen geeft het college aan hoeveel geld daarvoor wordt uitgegeven. Daarvan is echter ook duidelijk dat dit niet genoeg is om het doel voor beheer en onderhoud te kunnen realiseren. Zowel de raad als het college hebben de laatste jaren stappen gezet om het beleid te verbeteren. De raad beschrijft steeds duidelijker wat hij wil bereiken en het college geeft betere informatie over de voortgang van de groendoelen. De raad heeft echter nog steeds niet alle doelen duidelijk beschreven en het college rapporteert ook nog niet over alle doelen. Ook ontbreekt het nog aan een planmatige aanpak van het college. Het is daarom niet duidelijk of de sinds 2016 vastgelegde doelen, waaronder de (meer) concrete doelen
27
De gemeenteraad heeft in 2016 in de Agenda Groen 2030 als ambitie een ‘kwalitatieve ontwikkeling van het Haagse groen’ vastgesteld. Het college maakt geen scheiding binnen het beschikbare budget voor openbaar groen en openlucht recreatie. Hierdoor hebben wij het beschikbare budget voor openbaar groen niet precies kunnen berekenen voor onze onderzoeksperiode. Zie bevinding 10.
12
gericht, tijdig worden gerealiseerd. De hoofdconclusie is gebaseerd op de volgende deelconclusies: Deelconclusie 1: Het groen in de stad is de afgelopen jaren toegenomen Deelconclusie 2: Het is niet duidelijk of de gemeente op koers ligt om de doelen voor de groenontwikkeling te realiseren Deelconclusie 3: Het college waarborgt onvoldoende dat de uitvoering van het groenbeleid is gericht op het realiseren van de gestelde doelen
2.1 Deelconclusie 1: Het groen in de stad is de afgelopen jaren toegenomen. De openbare ruimte in beheer van de gemeente Den Haag is in de periode 2020-2023 groener geworden. De rekenkamer schat in dat er in deze periode circa 48.000 m2 aan groen en tussen de 850 en 900 stadsbomen bij zijn gekomen (bevinding 1). Dat geldt ook voor het groen in de Stedelijke Groene Hoofdstructuur (SGH). Uit ons onderzoek komt naar voren dat daarbinnen een stijging zichtbaar is van de hoeveelheid groen en het aantal bomen. Een belangrijk deel van die toename is het gevolg van het door de gemeente in beheer nemen van al bestaand groen (bevinding 2). Het percentage ‘ecologisch passende bomen’ bleef in de periode 2020-2023 gelijk met 70% van het totaal aantal stadsbomen (bevinding 3).
2.2 Deelconclusie 2: Het is niet duidelijk of de gemeente op koers ligt om de doelen voor de groenontwikkeling te realiseren. Het is onduidelijk of de gemeente genoeg voortgang gemaakt heeft met het groenbeleid om haar doelen voor het groen te realiseren. Dit komt ten eerste doordat het merendeel van de doelen die de raad stelt, niet concreet genoeg is om te kunnen bepalen of de voortgang op schema ligt. Zo is voor het doel om versteende wijken te vergroenen niet duidelijk hoeveel er vergroend moet worden en is niet duidelijk wanneer de versteende wijken vergroend moeten zijn. Ook is één van de belangrijkste doelen binnen het groenbeleid, om tot de periode 2030 het groenoppervlak met 5% te doen toenemen, geformuleerd als een streven. Daarmee is onduidelijk welke resultaten de gemeenteraad gerealiseerd wil zien. Voor het doel van de gemeente om het groen in haar beheer op de beoogde kwaliteit te brengen én te onderhouden, is het onduidelijk hoeveel groen nog niet op niveau is en wanneer dit groen op niveau gebracht moet zijn (bevinding 4). Ten tweede constateert de rekenkamer dat het college tussen 2016 en 2024 voor een aantal doelen geen of nauwelijks gegevens heeft verzameld, waarmee de ontwikkeling van het groen kan worden bijgehouden. Voor de doelen gericht op het onderhoud van groen en het verbeteren van groeiplaatsen werden geen gegevens bijgehouden.
Het college geeft aan dat het vanaf 2024 wel de onderhoudskwaliteit van het groen monitort. Voor de aanpak van pleinen wordt intern wel een ‘stand van zaken’ van de uitvoering bijgehouden, maar houdt
13
de gemeente niet bij hoeveel pleinen en hoeveel vierkante meters zijn vergroend (bevinding 5). Ten derde geeft de informatie die het college aan de raad verstrekt een onvolledig en deels onjuist beeld over de realisatie van de doelen. Een groot deel van de gerapporteerde stijging van het groen ontstaat bijvoorbeeld door het overnemen van bestaand groen van andere partijen. Een voorbeeld hiervan is de aankoop van de Kostverlorendijk in Leidschenveen in 2021, goed voor 16% van de totale toename in 2021. Andersom was hier ook sprake van met het overdragen van het beheer van een veld in Forepark aan Rijkswaterstaat in 2021, wat goed was voor ongeveer de helft van de gerapporteerde daling van groen in 2021. De oorzaak van dit probleem ligt bij de gebruikte gegevens voor het volgen van de ontwikkeling van het groen. Omdat deze alleen het door de gemeente te beheren groen bijhouden zijn ze niet geschikt om de ontwikkeling van het groen in de hele stad te volgen. Bovendien houdt het college vooral gegevens bij over de kwantitatieve ontwikkeling van het groen, terwijl het hoofddoel van het groenbeleid is om te komen tot een kwalitatieve ontwikkeling. Daarnaast worden deze gegevens pas sinds 2020 systematisch bijgehouden, waardoor de ontwikkeling voor die tijd niet meer zichtbaar is (bevinding 6).
Ook biedt het college bij het gebruik van deze gegevens in rapportages niet altijd genoeg duiding. Dit wekt de suggestie dat de verstrekte cijfers een accuraat beeld geven van de veranderingen in het groen in de stad (bevinding 7). Om op basis van deze gegevens toch uitspraken zoals in deelconclusie 1 te kunnen doen heeft de rekenkamer correcties moeten doorvoeren en de toename van het groen mede op basis van een steekproef moeten inschatten. Ten vierde rapporteert het college voornamelijk over uitgevoerde activiteiten, zonder daarbij aan te geven in hoeverre daarmee is bijgedragen aan de gestelde doelen. Zo rapporteerde het college in de programmarekeningen van 2016 en 2017 over aantallen vierkante meters groen die zijn ‘verbeterd’, maar wordt niet aangegeven of daarmee het gewenste kwaliteitsniveau is behaald. Ook rapporteerde het college over het planten van nieuwe bomen in versteende wijken (2022 en 2023), maar gaf het niet aan hoeveel groener de wijken daarmee werden (bevinding 8).
2.3 Deelconclusie 3: Het college waarborgt onvoldoende dat de uitvoering van het groenbeleid is gericht op het realiseren van de gestelde doelen. Het college zorgt er bij de uitvoering van het groenbeleid onvoldoende voor dat deze gericht is op het realiseren van de door de raad gestelde doelen. In de meest recente plannen van het college zien we wel een verbetering. Het ontbreekt echter nog aan een planmatige aanpak voor alle doelen voor het Haagse groen, waarbij duidelijk wordt gemaakt met welke activiteiten de doelen gerealiseerd gaan worden en welke middelen daarvoor worden ingezet. Ten eerste maakt het college doorgaans niet duidelijk in welke mate de uitvoeringsplannen bijdragen aan de realisatie van de gemeentelijke doelen. Het college heeft bijvoorbeeld in 14
“meer blad voor de stad” en in vergroeningskansenstudies aangegeven, dat de beschreven activiteiten bijgedragen aan het toenemen van het kroonoppervlak, maar daarbij niet duidelijk gemaakt in hoeverre dat genoeg is om daadwerkelijk 5% meer kroonoppervlak te realiseren in 2030. De recente brief Natuurontwikkeling laat hier een verbetering in zien, omdat in het document een duidelijke koppeling wordt gemaakt tussen de beschreven activiteiten en het doel om de SGH te versterken. In deze brief wordt echter niet duidelijk gemaakt welke middelen voor de beschreven activiteiten worden ingezet (bevinding 9). Ten tweede heeft het college tussen 2016 en 2024 niet concreet gemaakt hoe de doelen gerealiseerd worden met het totaal aan beschikbare middelen. Dit komt doordat het college de middelen niet altijd op een duidelijke wijze heeft verdeeld over de activiteiten om de groendoelen te realiseren en onduidelijk is of de achterliggende doelen gerealiseerd kunnen worden met het beschikbare budget. Zo is er in beleidsdocumenten, zoals de Agenda Groen en de Nota Stadsnatuur, niet beschreven hoe de beschikbare middelen verdeeld moeten worden over activiteiten. Verder ontbreekt een meerjarenprogramma voor het onderhoud van het openbaar groen vanaf 2019. In recente plannen van het college zien we ook op dit punt een positieve ontwikkeling.
In het Actieprogramma klimaatadaptatie en vergroenen versteende wijken 2024 en de update hiervan uit 2025, wordt duidelijk gemaakt welke middelen gekoppeld zijn aan welke activiteiten en wat er concreet met deze activiteiten behaald moet worden. Nog onduidelijk is echter in hoeverre met deze activiteiten wordt bijgedragen aan de door de raad vastgestelde doelen, waaronder 5% meer kroonoppervlak, het streven naar 5% meer groenareaal en 75% ecologisch passende bomen in 2030 (bevinding 10). Ten slotte constateren wij dat voor het onderhoud structureel te weinig middelen ter beschikking worden gesteld, waardoor het beoogde onderhoudsniveau niet gerealiseerd kan worden. Daarnaast neemt bij uitbreidingen van het groenareaal het budget voor het onderhoud niet altijd in gelijke mate toe. Zo wordt in de dekkingsvoorstellen voor bouwprojecten, waarin nieuw groen wordt gecreëerd, niet altijd rekening gehouden met de dekking voor het beheer van dit groen (bevinding 11).
15
3. Aanbevelingen We hebben naar aanleiding van de conclusies uit dit onderzoek vijf aanbevelingen geformuleerd. Met deze aanbevelingen wil de rekenkamer de raad en het college ondersteunen bij het verbeteren van het groenbeleid en de uitvoering daarvan.
Aanbeveling 1: Stel als raad een samenhangende visie vast voor de ontwikkeling van het groen in de stad, met daarin concrete doelen voor de ontwikkeling van het groen in Den Haag en vraag het college hier een voorstel voor op te stellen, waarin tenminste is vastgelegd: a) wat er onder doel-gerelateerde termen als vergroening, ontstening en kwalitatieve ontwikkeling wordt verstaan; b) op welke soorten groen een doel is gericht en daarbij onderscheid te maken tussen de verschillende rollen die de gemeente vervult met betrekking tot groen in eigen beheer en groen in beheer van derden; c) bij welke waarde een doel bereikt is en hoe dat gemeten gaat worden; d) wat daarmee bereikt wordt ten opzichte van de huidige situatie; e) welke activiteiten nodig zijn om de doelen te bereiken; f) wanneer het gewenste eindresultaat bereikt moet zijn. Het doel van deze aanbeveling is het verduidelijken van de gemeentelijke kaders, waarbinnen het gemeentebestuur bepaalt wat het wil bereiken ten aanzien van het groen in de stad en daarbij duidelijker onderscheid te maken tussen wat de gemeente zelf kan doen en waar samenwerking met andere beheerders nodig is. Zo geeft de raad actiever sturing aan het groenbeleid en stelt de raad zich in een positie om een verantwoord oordeel te kunnen geven over het bereikte resultaat.
16
Aanbeveling 2: Draag het college op de door de raad vastgestelde visie en doelen voor groen te vertalen naar een planmatige aanpak met de daarvoor benodigde middelen en daarbij in ieder geval aan te geven: a) hoe de activiteiten bijdragen aan de vastgestelde doelen; b) hoe de beschikbare middelen gekoppeld zijn aan de uit te voeren activiteiten; c) voor de realisatie van de doelen de daarvoor benodigde middelen in het plan op te nemen, dan wel aan de raad een voorstel te doen om het ambitieniveau van de doelen aan te passen. Het doel van deze aanbeveling is te waarborgen dat het college structureel werkt aan het realiseren van de doelen voor het groen in de stad die door de gemeenteraad zijn vastgesteld en dit voor de raad inzichtelijk maakt. Dit om tegemoet te komen aan het punt dat het college voor het onderhoud van het groen nu onvoldoende budget beschikbaar stelt om het door de raad gewenste kwaliteitsniveau te kunnen realiseren en het college op dit moment niet op koers ligt om het doel van 75% ecologisch passende bomen tijdig te realiseren. Het college dient meerjarig invulling te geven aan de realisatie van alle doelen die de raad voor het groen heeft opgesteld. In het plan moeten doelen, activiteiten en middelen op duidelijke wijze aan elkaar gekoppeld zijn.
Aanbeveling 3: Draag het college op de realisatie van activiteiten en de voortgang op het bereiken van alle door de raad vastgestelde doelen bij te houden en daarbij in ieder geval vast te leggen wat per doel: a) jaarlijks is gerealiseerd; b) wat het resultaat is van de gerealiseerde activiteiten; c) in hoeverre daarmee bijgedragen is aan het bereiken van het betreffende doel. Het doel van deze aanbeveling is dat het college ten aanzien van de uitvoering weet wat de voortgang is op de doelen en hierop kan sturen. Het college dient daartoe bij te houden welke resultaten er met de planmatige aanpak zoals beschreven bij aanbeveling 2 behaald worden zodat inzichtelijk is of de gemeente op koers is met het bereiken van haar doelen. Hierbij dienen de benodigde gegevens verzameld te worden om het doelbereik van alle doelen te kunnen volgen. Het is daarbij van belang dat het uiteindelijke resultaat van de 17
ontwikkeling van groen na aftrek van vermindering van groen inzichtelijk wordt (het netto resultaat). Bovendien moet aangegeven worden in hoeverre de activiteiten hebben bijgedragen aan het realiseren van het beoogde doel.
Aanbeveling 4: Draag het college op de raad in samenhang en op eenduidige wijze, periodiek te voorzien van alle relevante voortgangsinformatie, waarbij die informatie ten minste: a) betrekking heeft op alle vastgestelde doelen b) inzicht biedt in de kwantitatieve én kwalitatieve ontwikkeling van het groen; c) onderscheid maakt tussen ontwikkeling van groen in de hele stad en groen in beheer van de gemeente; d) inzicht biedt in het doelbereik; e) van genoeg duiding is voorzien zodat duidelijk is wat wel en wat niet zichtbaar is met de beschikbare gegevens. Het doel van deze aanbeveling is dat het college de raad in positie brengt om de realisatie van doelen te controleren door de raad van de relevante informatie te voorzien. Om de realisatie van de doelen te controleren dient de raad te beschikken over informatie over alle doelen. De informatie dient volledig en accuraat te zijn, en van genoeg duiding te zijn voorzien dat duidelijk is wat wel en niet zichtbaar is met de informatie. Met betrekking tot de verzameling van gegevens over de ontwikkeling van het groenoppervlakte en de stadsbomen dient het college daarom af te wegen wat nodig én mogelijk is. Hierbij moet in acht genomen worden dat enkel het gebruik van beheergegevens, zoals gedaan is tussen 2016 en 2023, een onvolledig beeld geeft van het groen in de stad.
Aanbeveling 5: Draag het college op binnen twee maanden nadat de raad een besluit heeft genomen over deze aanbevelingen een planning naar de raad te sturen voor de opvolging van de voorgaande aanbevelingen.
18
4. Reactie college van burgemeester en wethouders
Retouradres: Postbus 12600, 2500 DJ Den Haag
Uw kenmerk
Rekenkamer - Rekenkamer
Ons kenmerk
DSB/10920523 Contactpersoon
Sanne van der Worm Dienst
Dienst Stadsbeheer Datum
10 juli 2025 Onderwerp
Bestuurlijke reactie rekenkameronderzoek groen
Afdeling
DSB BAS Telefoonnummer
+31703535633 E-mailadres
sanne.vanderworm@denhaag.nl
Het college heeft kennisgenomen van het rapport van de Rekenkamer Den Haag ‘Onderzoek groen in de buitenruimte’. Het college dankt de Rekenkamer voor dit onderzoek en begrijpt dat de Rekenkamer dit belangrijke thema uitgezocht heeft voor nader onderzoek. Het groen is zeer belangrijk voor onze stad en het college is blij met de aanbevelingen van de Rekenkamer. Het college wil daar graag met deze brief op reageren. Aanbeveling 1: Stel als raad een samenhangende visie vast voor de ontwikkeling van het groen in de stad met daarin concrete doelen voor de ontwikkeling van het groen in Den Haag. Een samenhangende visie waar het groen in de stad een prominente rol speelt is de Omgevingsvisie Den Haag 2050, ‘Thuis in een groene metropool aan zee’. Deze visie geeft richting aan de ontwikkeling van de stad, waar groen een belangrijke rol inneemt. Deze visie moet leiden tot integrale ruimtelijke keuzes op bijvoorbeeld natuur, verdichting of mobiliteit. Deze keuzes hebben directe invloed op de omvang en de kwaliteit van het groen in de stad. Wij onderschrijven het belang van duidelijkheid over het groen en willen daarom onze ambitie voor het groen op een stevige manier blijven verankeren. Binnen het kader van de Omgevingswet draagt het volgen van de beleidscyclus bij aan het vertalen van ambities naar concrete en uitvoerbare doelen.
Het college is van mening dat ambities idealiter opgenomen worden in een visie en dat uitwerking naar concrete doelen beter aansluiting vindt in bijvoorbeeld een thematisch omgevingsprogramma, uitvoeringsplan of agenda. Uiteindelijk zal de borging van de doelen met regels in het Omgevingsplan landen. Het college wil graag vasthouden aan deze methodiek om helderheid te geven in welke producten wat geborgd wordt. De ambitie op het groen en water wordt vanuit de omgevingsvisie verder uitgewerkt in de nota ‘Ruimte voor groen en water, de Haagse groenblauwe transitie’. Een nota die binnenkort verschijnt. Deze nota vormt de basis voor de nog op te stellen thematische omgevingsprogramma 'Groen en Water'. In dit programma wordt er concreter uitvoering gegeven aan de opgaven voor groen en water. Dit programma zal daarmee een koppeling leggen tussen ambities, maatregelen, uitvoering en monitoring. Het college onderschrijft de aanbeveling van de Rekenkamer en heeft ook al de eerste stappen gezet om tot concrete doelen te komen. Het Actieprogramma Klimaatadaptatie en Vergroenen Versteende Wijken (RIS318503) en de Haagse Groenmonitor (RIS320641) zijn voorbeelden daarvan. Hierbij moet echter ook gerealiseerd worden dat groen een kwantitatieve kant heeft, maar ook een kwalitatieve kant. Juist en concreet omschrijven van kwaliteit laat zich niet altijd van vatten in een
19
p*q benadering. Om de biodiversiteit te versterken om zo een gebied ecologisch waardevoller te maken of om de ecosysteemdiensten SMART te formuleren is niet altijd mogelijk. Het groen ontwikkelt zich organisch en externe factoren zoals ziektes of extreme weersomstandigheden zijn van invloed op het resultaat en bestuurlijke belangen kunnen resulteren in een compromis op het ambitieniveau van het groen. Het college wil wel, waar mogelijk aansluiting zoeken bij de brede welvaartindicatoren en bij gebiedsontwikkelingen in beeld brengen welke invloed dat heeft, zowel positief als negatief op de groenambities. Vraag het college hier een voorstel voor op te stellen, waarin tenminste is vastgelegd: a) wat er onder doel-gerelateerde termen als vergroening, ontstening en kwalitatieve ontwikkeling wordt verstaan; Het college neemt deze aanbeveling over en zal de genoemde doel-gerelateerde termen helder definiëren, waarbij de beperkingen die hiervoor zijn aangegeven in acht worden genomen. b) op welke soorten groen een doel is gericht en daarbij onderscheid te maken tussen de verschillende rollen die de gemeente vervult met betrekking tot groen in eigen beheer en groen in beheer van derden; Het college neemt deze aanbeveling over. Wanneer het gaat om stedelijk openbaar groen dat aangelegd en/of beheerd wordt door de gemeente, dan heeft de gemeente een duidelijke rol.
De gemeente is eigenaar en beheerder van dit groen. Over de concrete doelen voor dit groen zal de gemeente in de groenmonitor rapporteren. Wanneer het gaat om groen van derden, dan vervult de gemeente veelal een andere rol, die per situatie kan verschillen. Het college zal bij de planvorming dan aangeven welke rol de gemeente wel heeft en welke mogelijkheden/instrumenten de gemeente heeft om te kunnen sturen. Hierbij de kanttekening dat kwalitatieve doelen rond biodiversiteit en ecosysteemdiensten (waarden) zoals verkoeling, verdamping, biodiversiteit, verhoging WOZ-waarde en gezondheid moeilijk of niet (volledig) te kwantificeren en/of meten zijn. Voor deze aspecten zijn nog geen (landelijke) normen beschikbaar en/of is het SMART-meetbaar maken complex en kostbaar. Dagelijkse en lokale omstandigheden maken het objectief en reproduceerbaar maken van dergelijke metingen complex. Waar het wel mogelijk is wil het college, zoals aangegeven aansluit bij de brede welvaartindicatoren. c) bij welke waarde een doel bereikt is en hoe dat gemeten gaat worden; Het college neemt deze aanbeveling over wanneer een doel vooraf SMART geformuleerd kan worden en daarmee objectief meetbaar is. Wij onderschrijven het belang van meetbaarheid, maar zoals beschreven bij punt 1b zijn er beperkingen in het objectief en kwantitatief maken van groen.
d) wat daarmee bereikt wordt ten opzichte van de huidige situatie; Het expliciet maken van de gewenste verandering ten opzichte van de huidige situatie draagt bij aan heldere communicatie en sturing. Het college neemt deze aanbeveling over wanneer een doel vooraf SMART geformuleerd kan worden. e) welke activiteiten nodig zijn om de doelen te bereiken; Het college neemt deze aanbeveling over wanneer een doel vooraf SMART geformuleerd is. f) wanneer het gewenste eindresultaat bereikt moet zijn. Het college zou deze aanbeveling graag over willen nemen, maar bij het groen is er sprake van natuurmateriaal en dat laat zich niet altijd plannen of sturen. Zo kunnen stormen, droge of juist natte zomers en plant- en boomziekten het eindresultaat sterk beïnvloeden, waardoor doelen eerder, later of niet bereikt worden. Met deze randvoorwaarde wil het college waar mogelijk daar invulling aan geven. Aanbeveling 2: Draag het college op de door de raad vastgestelde visie en doelen voor groen te vertalen naar een planmatige aanpak met de daarvoor benodigde middelen. Het college kan doelen vertalen naar een planmatige aanpak of andersom: bij een planmatige aanpak aangeven welke doelen voor het groen daarin zijn opgenomen (bijvoorbeeld bij een mobiliteitsproject). Zo wordt er reeds gewerkt aan een planmatige aanpak in het thematisch omgevingsprogramma ' Groen en Water'.
In dit programma wordt er concreter uitvoering gegeven aan de opgaven voor groen en water. Dit programma zal daarmee een koppeling leggen tussen ambities, maatregelen, uitvoering en monitoring. Naast deze planmatige aanpak zijn er ook vaak kansen bij (onderhouds)werkzaamheden om groen toe te voegen vanuit de ‘werk-met-werk-
20
middelen’. Echter, door alleen de planmatige aanpak in beeld te brengen, zal niet het totale beeld en ook niet alle benodigde middelen direct zichtbaar zijn. Draag het college op om daarbij in ieder geval aan te geven: a) hoe de activiteiten bijdragen aan de vastgestelde doelen; Het college neemt deze aanbeveling over en wil deze graag koppelen aan ‘Ruimte voor groen en water, de Haagse groenblauwe transitie’ die binnenkort verschijnt. Deze nota is een eerste opmaat voor concretisering van beweging ‘Ruimte voor groen en water’ van de Omgevingsvisie Den Haag 2050, ‘Thuis in een groene metropool aan zee’. Dit document geeft de koers voor het thema groenblauw weer en heeft als doel om alle inspanningen op het gebied van groene en blauwe structuren te verbinden en te versterken, ook regionaal, om snel en doortastend te kunnen handelen bij initiatieven en nieuwe kansen. Dit document is hiermee een opmaat voor het Thematisch Omgevingsprogramma Groen & Water. Daarin zal waar dat mogelijk is (zie onze reactie op aanbeveling1) aangegeven worden hoe activiteiten bijdragen aan de in de nota ‘Ruimte voor groen en water, de Haagse groenblauwe transitie’ die binnenkort verschijnt en het daarbij behorende nog op te stellen thematische omgevingsprogramma 'Groen en Water' gestelde doelen.
b) hoe de beschikbare middelen gekoppeld zijn aan de uit te voeren activiteiten; Het college neemt deze aanbeveling over en wil deze waar mogelijk koppelen aan ‘Ruimte voor groen en water, de Haagse groenblauwe transitie’ die binnenkort verschijnt en de daaruit volgende nog op te stellen thematische omgevingsprogramma. Daarin zal worden aangegeven hoe de beschikbare middelen gekoppeld worden aan de uit te voeren activiteiten. c) voor de realisatie van de doelen de daarvoor benodigde middelen in het plan op te nemen, dan wel aan de raad een voorstel te doen om het ambitieniveau van de doelen aan te passen. Het college neemt deze aanbeveling over, maar merkt daarbij op dat bij nieuwe plannen de kosten van aanleg en het beheer van het groen bekend moeten zijn, waarbij duidelijk is hoe deze worden gedekt. Hierbij is het wenselijk dat lange termijn ambities geformuleerd zijn om deze, zodra zich een kans aandient, te kunnen omzetten in concrete plannen en uitvoering. Nieuwe plannen moeten altijd aansluiten bij het ambitieniveau, hofstad- of residentiekwaliteit, dat wordt genoemd in eerder vastgestelde beleidsdocumenten, zoals de nota Stadsnatuur (RIS305825) en de nota Stadsbomen (RIS307827). In de Staat van de Buitenruimte (RIS311727) en de actualisatie van de Staat van de Buitenruimte (RIS322275) is beschreven dat dit groen nog niet aan het gewenste ambitieniveau voldoet.
In de actualisatie van de Staat van de Buitenruimte (RIS322275) is aangegeven dat ‘Met het beschikbare groenbudget kan momenteel 85 tot 90% van het dagelijks beheer worden uitgevoerd, dat betekent een structureel tekort op het dagelijks beheer van ongeveer € 4,1 mln. Binnen het openbaar groen ligt er een werkvoorraad van ca € 17,8 mln.’ Aanbeveling 3: Draag het college op de realisatie van activiteiten en de voortgang op het bereiken van alle door de raad vastgestelde doelen bij te houden. Het college neemt deze aanbeveling over. Voor een deel is er voldoende data beschikbaar om de realisatie van activiteiten en de voortgang op het bereiken van alle door de raad vastgestelde doelen bij te houden, maar voor een deel moet dit nog in kaart worden gebracht. Het college wil dit laatste verder in beeld brengen, zodat ook duidelijk is welke capaciteit en welke financiële consequenties dit heeft. Voor het bijhouden van deze doelen zien wij de al bestaande Haags Groenmonitor als een geschikt instrument. Draag het college op daarbij in ieder geval vast te leggen wat per doel: a) jaarlijks is gerealiseerd; Het college neemt deze aanbeveling over afhankelijk van de mate van detaillering en beschikbaarheid van data en zal daarbij zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij de al bestaande groenmonitor.
b) wat het resultaat is van de gerealiseerde activiteiten; Het college begrijpt deze wens, echter is het hierover rapporteren niet altijd mogelijk. Zo is het binnen integrale plannen met meerdere en complex samengestelde doelstellingen vaak niet eenduidig te definiëren wat er is bereikt op het sectorale onderwerp ‘groen’. Waar mogelijk zal het college aan deze wens tegemoet komen, met inachtneming van het gestelde in de reactie bij aanbeveling 1. Het college zal daarbij zoveel mogelijk de aansluiting zoeken bij de Haagse groenmonitor.
21
c) in hoeverre daarmee bijgedragen is aan het bereiken van het betreffende doel. Het college begrijpt deze wens, maar hierover rapporteren zal niet altijd mogelijk zijn. Zo zal het niet altijd mogelijk zijn om bij integrale plannen met meerdere en complex samengestelde doelen aan te geven wat bereikt is op het sectorale onderwerp ‘groen’. Het college zal aan deze wens tegemoet komen, met inachtneming van het gestelde in de reactie bij aanbeveling 1. Het college zal daarbij zoveel mogelijk de aansluiting zoeken bij de Haagse groenmonitor. Aanbeveling 4: Draag het college op de raad in samenhang en op eenduidige wijze, periodiek te voorzien van alle relevante voortgangsinformatie Het college neemt deze aanbeveling over en ziet daarmee de samenhang met aanbeveling 3. Het college wil de voortgangsrapportage koppelen aan de eerdergenoemde Haagse groenmonitor. Zodra duidelijk is wat en hoe er zal worden gemeten op basis van gestelde doelen, kan de rapportagestructuur hierop worden aangepast. Wij streven naar transparantie en zullen in rapportages explicieter benoemen welke gegevens beschikbaar zijn en waar beperkingen liggen, zodat de raad beter inzicht krijgt in de voortgang en effectiviteit van het beleid. Draag het college op dat deze informatie ten minste: a.
betrekking heeft op alle vastgestelde doelen Het college neemt deze aanbeveling over, maar kan deze informatie alleen geven wanneer het doel vooraf SMART is geformuleerd (zie verder ook de reactie van het college op aanbeveling 3 b en c). b. inzicht biedt in de kwantitatieve én kwalitatieve ontwikkeling van het groen; Het college neemt deze aanbeveling over voor zover het betrekking heeft op het openbaar groen. De rapportage hierover zal plaatsvinden via de groenmonitor. Voor het groen dat in beheer is bij derden zal dit beperkt of vaak niet mogelijk zijn. c.
onderscheid maakt tussen ontwikkeling van groen in de hele stad en groen in beheer van de gemeente; Het college neemt deze aanbeveling over voor zover het college ook over deze informatie beschikt. Over het groen dat in beheer is bij de gemeente kan gerapporteerd worden, maar over het particulier groen beschikt de gemeente niet over de benodigde informatie. Het college zal dan alleen rapporteren over de informatie van het particulier groen die wel beschikbaar is. d. inzicht biedt in het doelbereik; Het college neemt deze aanbeveling over en wil de informatie over het doelbereik koppelen aan de nog op te stellen thematisch omgevingsprogramma Groen en Water’, zoals aangegeven bij aanbeveling 2a, met in achtneming van het gestelde bij aanbeveling 1. e.
van genoeg duiding is voorzien zodat duidelijk is wat wel en wat niet zichtbaar is met de beschikbare gegevens. Wij erkennen de noodzaak om transparant te zijn over databeperkingen. Het college neemt deze aanbeveling over en zal, zoals ook al is opgemerkt bij de eerdere aanbevelingen, aangeven wanneer en waarom er bepaalde informatie niet volledig inzichtelijk gemaakt kan worden. Aanbeveling 5: Draag het college op binnen twee maanden nadat de raad een besluit heeft genomen over deze aanbevelingen een planning naar de raad te sturen voor de opvolging van de voorgaande aanbevelingen. Het college neemt deze aanbeveling over en komt binnen twee maanden nadat de raad een besluit heeft genomen over deze aanbevelingen met een planning naar de raad voor de opvolging van de voorgaande aanbevelingen.
Het college van burgemeester en wethouders, de secretaris, de burgemeester, Ilma Merx
Jan van Zanen
22
5. Nawoord Op 10 juli 2025 heeft de Rekenkamer Den Haag de bestuurlijke reactie op de conclusies en aanbevelingen ontvangen van het College van Burgemeester en Wethouders (zie hoofdstuk 4). Wij constateren dat het college onze aanbevelingen op de meeste onderdelen overneemt. Op enkele punten geeft het college echter aan dat opvolging van onze aanbevelingen niet of slechts beperkt mogelijk is. Dit is aanleiding om hier in het nawoord verder op in te gaan. Hieronder geven we per aanbeveling een weergave van de reactie van het college en het nawoord van de rekenkamer.
Aanbeveling 1: Stel als raad een samenhangende visie vast voor de ontwikkeling van het groen in de stad met daarin concrete doelen voor de ontwikkeling van het groen in Den Haag en vraag het college hier een voorstel voor op te stellen, waarin tenminste is vastgelegd: a.
Wat er onder doel-gerelateerde termen als vergroening, ontstening en kwalitatieve ontwikkeling wordt verstaan;
b.
Op welke soorten groen een doel is gericht en daarbij onderscheid te maken tussen de verschillende rollen die de gemeente vervult met betrekking tot groen in eigen beheer en groen in beheer van derden;
c.
Bij welke waarde een doel bereikt is en hoe dat gemeten gaat worden;
d.
Wat daarmee bereikt wordt ten opzichte van de huidige situatie;
e.
Welke activiteiten nodig zijn om de doelen te bereiken;
f.
Wanneer het gewenste eindresultaat bereikt moet zijn.
Reactie college: Het college geeft aan deze aanbeveling op vrijwel alle punten over te nemen. Het college geeft hierbij aan dat het de onder onderdeel a genoemde termen zal verduidelijken. Het college noemt daarnaast wel twee kanttekeningen bij de opvolging van deze aanbeveling. Ten eerste merkt het college op dat groen een kwalitatieve kant kent en dat deze kant zich niet altijd leent voor SMART geformuleerde doelen. Ten tweede stelt het college dat externe factoren zoals ziektes of weersomstandigheden van invloed kunnen zijn op het resultaat en bestuurlijke belangen compromissen in het ambitieniveau kunnen vereisen.
Nawoord rekenkamer: Naar aanleiding van de reactie van het college dat het de bij het eerste punt genoemde doelgerelateerde termen zal verduidelijken, merken we op dat we in ons rapport geen uitputtende opsomming hebben opgenomen van termen die voor meerdere interpretaties vatbaar zijn. Voor elk doel zou het college er daarom voor moeten zorgen dat de gebruikte termen voldoende duidelijk zijn. Alleen met concrete doelen is het mogelijk om sturing te 23
geven aan de uitvoering en achteraf te beoordelen in hoeverre het beoogde resultaat bereikt is. Het is voor de kaderstellende en controlerende rol van de raad belangrijk om concrete doelen te stellen óf de meer algemene en kwalitatieve doelen uit te werken in onderliggende doelen die wel concreet en meetbaar zijn. Het kan daarbij inderdaad lastig zijn om voor de kwaliteit van het groen concrete doelen op te stellen. Niet alles is meetbaar te maken. Toch is er wel veel mogelijk. Zo geeft het college in de notitie ‘Meten is weten: Den Haag houdt vergroening bij in Groenmonitor’28 zelf aan, dat de ‘staat van de natuur’ vooral is af te lezen aan biodiversiteit, dus de variatie van verschillende soorten insecten, vogels en ander kleine dieren zoals egels, eekhoorns en vleermuizen. Het college geeft daarbij aan de ontwikkeling van insecten en andere dieren volop te monitoren en in de volgende Groenmonitor met de eerste resultaten te komen. De rekenkamer erkent ook dat externe factoren zoals ziekten en weersomstandigheden invloed kunnen hebben op het wel of niet bereiken van doelen. Juist in deze situatie is het wat ons betreft belangrijk dat het college en de raad de realisatie kunnen vergelijken met de gestelde doelen.
Gecombineerd met inzicht in welke factoren voor de gemeente beïnvloedbaar en niet beïnvloedbaar zijn, kan het gemeentebestuur voor het vervolg dan zo nodig de sturing of het ambitieniveau aanpassen.
Aanbeveling 2: Draag het college op de door de raad vastgestelde visie en doelen voor groen te vertalen naar een planmatige aanpak met de daarvoor benodigde middelen en daarbij in ieder geval aan te geven: a.
Hoe de activiteiten bijdragen aan de vastgestelde doelen;
b.
Hoe de beschikbare middelen gekoppeld zijn aan de uit te voeren activiteiten;
c.
Voor de realisatie van de doelen de daarvoor benodigde middelen in het plan op te nemen, dan wel aan de raad een voorstel te doen om het ambitieniveau van de doelen aan te passen.
Reactie college: Het college geeft aan deze aanbeveling over te nemen. Wel stelt het college dat het naast uitgewerkte programma’s ook gebruik maakt van ‘werk-met-werk middelen’ waardoor een planmatige aanpak niet het totale beeld en alle benodigde middelen zichtbaar maakt. Verder merkt het college op dat bij nieuwe plannen voor groen de kosten van aanleg en beheer bekend en gedekt moeten zijn. Het college constateert dat het beheerniveau bij deze plannen aan moet sluiten bij het ambitieniveau dat door de raad is vastgesteld. Het college
28
Meten is weten: Den Haag houdt vergroening bij in Groenmonitor, website gemeente Den Haag, 27 november 2024, https://www.hethaagsegroen.nl/groen+werk/2936515.aspx, geraadpleegd op: 24 september 2025.
24
erkent dat er onvoldoende middelen voor beheer en onderhoud zijn om dat niveau ook daadwerkelijk te realiseren.
Nawoord rekenkamer: Het doel van dit punt in onze aanbeveling is dat het college duidelijk maakt hoe het de doelen van de raad wil realiseren. Het college kan als onderdeel van de planmatige aanpak opnemen dat gebruikgemaakt wordt van verschillende middelen en instrumenten. Werk met werk maken is daarbij één van de mogelijke beleidsinstrumenten. In de reactie van het college is nog onduidelijk op welke wijze het college wil omgaan met het geconstateerde tekort aan middelen voor beheer en onderhoud. Het college onderkent in zijn reactie dat er te weinig middelen ingezet worden voor onderhoud en geeft aan dat er hierdoor een achterstand is in het onderhoud van groen. Wij benadrukken dat het inzetten van voldoende middelen, binnen het door de gemeenteraad in de begroting beschikbaar gestelde budget voor groen, de verantwoordelijkheid van het college is. Mocht het zo zijn dat het college binnen het beschikbaar gestelde budget geen ruimte ziet om het beheer en onderhoud op het gewenste niveau uit te voeren, dan zal het om meer budget moeten vragen ofwel het zal de raad moeten voorstellen het ambitieniveau (naar beneden) aan te passen.