CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS323101 Beantwoording technische vragen publiek integraal warmtebedrijf

Commissie Leefomgeving 16 oktober 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Tweede termijn inzake Voorstel van het college inzake Publiek integraal warmtebedrijf11.948 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Typ tekstTyp tekstTyp tekst

Arjen Kapteijns Wethouder van Energietransitie, Mobiliteit en Grondstoffen

dienst: dienstcode

Retouradres: Postbus 12600, 2500 DJ Den Haag

Ons kenmerk

Aan de voorzitter van de commissie Leefomgeving

DSO/10928950 RIS323101 Contactpersoon

Johan Noordhoek Dienst

Dienst Stedelijke Ontwikkeling Afdeling

DSO Energietransitie Telefoonnummer

14070 E-mailadres

Datum

johan.noordhoek@denhaag.nl

2 september 2025 Onderwerp

Beantwoording technische vragen publiek integraal warmtebedrijf.

Geachte voorzitter, Naar aanleiding van het raadsvoorstel inzake publiek integraal warmtebedrijf (RIS322480) heeft uw commissie technische vragen gesteld. Met deze brief worden de vragen beantwoord. Voorafgaand aan de beantwoording van de technische vragen is het goed om te melden dat de Tweede Kamer op 3 juli 2025 heeft ingestemd met het geamendeerde wetsvoorstel Wet collectieve warmte. Dit was na het voorstel dat het college aan de raad heeft gedaan en het brengt de noodzakelijke wetgeving voor het raadsvoorstel een stap dichterbij. Het voornemen is dat de Eerste Kamer het wetsvoorstel nog dit jaar behandelt. Hieronder beantwoordt het college de toegezonden technische vragen. Vragen van Hart voor Den Haag Vooraf Wat is precies de betekenis van “Integraal”? Antwoord Het wetsvoorstel Wet collectieve warmte (Hierna: het wetsvoorstel Wcw) definieert een warmtebedrijf als: ‘onderneming of warmtegemeenschap die zich bezighoudt of voornemens is zich bezig te houden met het transport en de levering van warmte en de productie of inkoop van warmte ten behoeve daarvan’. Een warmtebedrijf dat al deze taken uitvoert, is een integraal warmtebedrijf. Het college sluit aan bij deze definitie, waarbij het voorgestelde op te richten Haagse warmtebedrijf zich richt op het transport van warmte, de levering (verkoop) van warmte en de inkoop van warmte.

Daarmee voldoet het aan de betekenis van publiek “integraal” warmtebedrijf. Is het de bedoeling dat het PIW ook andere taken gaat uitoefenen in het kader van de warmtetransitie, het verstrekken namens de gemeente van subsidies, isolatie en exploitatie van zonneboilers en windenergie etc? Antwoord Nee, subsidies en ondersteuning van verduurzaming blijven een taak van de gemeente. Met het wetsvoorstel Wcw krijgt een publiek integraal warmtebedrijf (hierna: PIW) een mandaat om warmtebedrijf te zijn en wordt het niet actief op de elektriciteitsmarkt als producent of leverancier.

Gemeente Den Haag

Spui 70 Den Haag

Postbus 12600 2500 DJ Den Haag

Telefoonummer 14070 www.denhaag.nl

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/10928950

Afronding onderzoeksfase 1. Is er een afsluitend document tussen de beoogde partijen beschikbaar en bevat dit document bindende afspraken? Kan de Raad dit inzien? Antwoord Nee, er is geen afsluitend document tussen de beoogde partijen. Er zijn tijdens de onderzoeksfase geen bindende afspraken gemaakt. Het beleidskader Verbonden Partijen (RIS 317313) omvat onder meer een stappenplan voor besluiten over nut en noodzaak van het toetreden tot een verbonden partij. Dit stappenplan beschrijft drie fasen om te komen tot oprichting van of deelname aan een verbonden partij: de onderzoeks-, de uitwerkings- en de uitvoeringsfase. De bevindingen van de onderzoeksfase zijn daarmee bevindingen van het college zelf Het raadsvoorstel vormt het afsluitende document van de onderzoeksfase en ligt aan u voor omdat het college de partnerkeuze eerst aan de raad wil voorleggen. Als het raadsvoorstel door u wordt aangenomen, gaat de uitwerkingsfase in, conform het beleidskader verbonden partijen (RIS317313). 2. Is er al geaccordeerd op de aandeelhoudersverdeling? Het voorliggende raadsvoorstel veronderstelt zulks. (Bijlage 2 “Voor beslissingen altijd 2 van de 3 aandeelhouders nodig”). Antwoord Nee, het PIW is nog niet opgericht. De bijlage refereert aan een (gewenste) toekomstige situatie na oprichting.

Afspraken over aandelenverhouding en zeggenschap zijn onderdeel van de uitwerkingsfase met als mogelijk gevolg een andere aandeelhoudersverdeling. 3. Hoe zijn de kosten verdeeld van de onderzoeksfase over de drie partijen? Antwoord De onderzoeksfase bestond uit een verkenning van de mogelijkheden voor een PIW. In de onderzoeksfase heeft elke partij haar eigen kosten gedragen. Voor de uitwerkingsfase worden hierover afspraken gemaakt in een intentie- of samenwerkingsovereenkomst. 4. a. Is het college geheel ongebonden en vrij om af te zien van een gezamenlijk bedrijf met 3 aandeelhouders? Antwoord Ja, het raadsvoorstel is een richtinggevende keuze, waarbij er nog geen verplichtingen zijn aangegaan. Tijdens de uitwerkingsfase is het mogelijk dat het college ervoor kiest om af te zien van de samenwerking met de gekozen partners. De inzet is erop gericht om gezamenlijk tot een haalbaar en betaalbaar plan te komen. Als dat niet lukt moet gekeken worden naar andere opties, en loopt de warmtetransitie van Den Haag verdere vertraging op. b. Kan ook een andere partners gekozen worden en welke zouden daarvoor in aanmerking komen? Antwoord Ja, dat zou kunnen. In eerste instantie waren er zes opties in beeld. Hierover is de gemeenteraad geïnformeerd met de brief ‘Verkenning van mogelijke rolnemingen voor de gemeente Den Haag in een publiek warmtebedrijf’ (RIS319397) van 9 juli 2024.

Van deze opties zijn er na een zorgvuldige afweging twee overgebleven die goed bij Den Haag passen en deze zijn verder verdiept. Een warmtebedrijf voor 100% in handen van de gemeente scoorde op alle criteria minder of even aantrekkelijk als de samenwerking met Netverder. Een andere onderzochte opties betrof publiekprivate samenwerking, waarbij Eneco de meest voor de hand liggende partner was. Eneco heeft aangegeven een rol als minderheidsaandeelhouder niet te zien zitten, en in meer algemene zin was de conclusie dat het de belangen van commerciële warmtebedrijven en het publieke belang op essentiële punten verschillen. De optie van aansluiten bij een nationaal, regionaal of provinciaal publiek warmtebedrijf viel af omdat plannen daarvoor niet concreet waren. Dit is sindsdien niet veranderd.

2/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/10928950

De optie om Netverder uit te nodigen in Den Haag actief te worden als zelfstandig warmtebedrijf werd als minder aantrekkelijk beoordeeld omdat dit minder sturingsmogelijkheden geeft voor de gemeente. Zie voor nadere toelichting de commissiebrief ‘Voortgang publieke rolneming warmtetransitie (RIS320421)’ van 12 november 2024. Als de in het raadvoorstel voorgestelde partners afvallen, zal het college opnieuw naar de op dat moment beschikbare opties moeten kijken. c. Zijn in dit verband b.v. De pensioenfondsen geen goede partners om de 49% in te vullen? Antwoord In november 2024 is de gemeenteraad geïnformeerd over het feit dat het college inzet op 100% publiek eigendom. Eén van de redenen om voor varianten met 100% publiek eigendom te kiezen is de uitvoerige bescherming die het wetsvoorstel Wcw biedt aan minderheidsaandeelhouders, waardoor zelfs met publiek meerderheidsbelang de private medeaandeelhouders kunnen bedingen dat statutaire of contractuele afspraken worden gemaakt waarmee zij een grote mate van zeggenschap behouden op essentiële onderwerpen zoals belangrijke investeringsbeslissingen. Anders dan pensioenfondsen hebben de nu gekozen publieke partners het aanbieden van betaalbare en duurzame warmte als primaire doelstelling. Hun doelen zijn daarmee volledig in lijn met de doelstelling van de gemeente voor een publiek warmtebedrijf. 5.

Zijn er al concept-statuten van de onderneming beschikbaar en kunnen die vertrouwelijke beschikbaar komen voor de raad? Antwoord Nee, uitwerking van conceptstatuten is onderdeel van de uitwerkingsfase. 6. Zijn er ontbindende voorwaarden bijvoorbeeld bij het optreden van de risico’s zoals vermeld onder punt 9. (Bijlage 1 Toelichting ontwikkeling PIW)? Antwoord Er bestaat nog geen overeenkomst en derhalve zijn er nu nog geen ontbindende voorwaarden geformuleerd. In de uitwerkingsfase wordt de risicoanalyse verdiept en worden beheersmaatregelen in kaart gebracht. Een intentie- of samenwerkingsovereenkomst is onderdeel van de uitwerkingsfase en deze zal ontbindende voorwaarden bevatten. 7. Op basis van welke gegevens, - zeker na het laatste RvS-advies op de motie Grinwis/Bontebal aan de Minister KGG, - acht het college het risico klein dat de Wcw wordt vastgesteld? (Het betreft in het bijzonder de aansluitingen van VVE’s en de eigendomspositie. Motie Grinwis/Bontebal). Antwoord Bij de beantwoording van deze vraag is aangenomen dat de vraagsteller bedoelt of ‘het college het risico klein acht dat de Wcw niet wordt vastgesteld'. Dit heeft het college gebaseerd op signalen uit ambtelijk overleg met VNG, andere gemeenten en het ministerie van KGG. Ondertussen is het wetsvoorstel met verschillende amendementen aangenomen door de Tweede Kamer.

De Eerste Kamer heeft de behandeling voor het najaar van 2025 geagendeerd. 8. De verwachting dat er pas een energiewarmtewet in werking zal ligt dichter bij 1 januari 2028 liggen, heeft dat nu al consequenties voor de in de onderzoeksfase gebruikte cijfers? Antwoord Er zijn nu nog geen consequenties voor de gebruikte cijfers. Het wetsvoorstel Wcw is inmiddels aangenomen door de Tweede Kamer. De Eerste Kamer heeft de behandeling voor het najaar van 2025 geagendeerd. De wet zal daarna, mogelijk in delen, zo spoedig mogelijk in werking treden. De uitwerkingsfase van het PIW wordt naar verwachting eind 2026 of in het eerste kwartaal van 2027 afgerond.

3/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/10928950

Daarvoor is het onder meer van belang dat Energie Beheer Nederland (EBN) beschikt over het formele mandaat als Nationale Deelneming Warmte en dat Netverder beschikt over het wettelijke mandaat om leveringsovereenkomsten met klanten te sluiten. Dat lijkt met deze planning goed haalbaar. Aandelenverhoudingen, zeggenschap en interne organisatie 9. Het college stelt een semi-publiek bedrijf voor om een nutsvoorziening met een monopoliede karakter te exploiteren. Het model van Jette met een 51% deelname van publiek rechterlijke organisaties, sluit niet uit een 100% gemeentelijk nutsbedrijf.? Is de participatie van een volledige dochter van Stedin N.V zijnde Netverder, niet gewoon een commerciële partner? Antwoord Uit het wetsvoorstel Wcw volgt dat minimaal 50% van de aandelen plus één aandeel in publieke handen moet zijn. Dit sluit een groter aandeel, tot 100% in publieke handen, niet uit. Netverder is een publieke partij in termen van het wetsvoorstel Wcw. Het is als dochteronderneming van Stedin Holding N.V. voor 100% in handen van Stedin, dat op zijn beurt weer volledig in publieke handen is van gemeenten, provincies en de rijksoverheid. Het voorstel van het college is om een warmtebedrijf op te richten dat voor 100% in publieke handen is. In het voorstel is er geen sprake van een semipubliek bedrijf.

Het voorstel sluit aan bij de aangenomen motie ‘Gemeente aan het stuur bij warmtebedrijf’ (RIS 320965) van 18 december 2024. 10. Een commerciële partner heeft niet dezelfde economische doelstelling als een nutsbedrijf (in termen van winst en verlies, en het behartigen van het maatschappelijke nut) derhalve lijkt het niet passend om particuliere bedrijven te laten deelnemen. Antwoord In een eerder stadium is de mogelijke samenwerking met een commerciële partner onderzocht, als onderdeel van een zestal opties die zijn vergeleken aan de hand van verschillende criteria, zoals zeggenschap, de mate waarin geldstromen en assets in publieke handen blijven en de mate waarin de belangen van de aandeelhouders overeenkomen. Deze informatie is in meer detail te vinden in de commissiebrief ‘Voortgang publieke rolneming warmtetransitie’ (RIS 320421) waarnaar ook wordt gerefereerd in het antwoord op vraag 4b van Hart voor Den Haag. De optie met commerciële partijen kwam minder goed uit de vergelijking dan een samenwerking met Netverder en EBN of de optie met HVC, allen publieke organisaties. Vervolgens zijn twee opties waarin de aandelen voor 100% in publieke handen zijn verder verdiept in de onderzoeksfase. 11. Bij nutsdenken is een 100% Haags Publiek lokaal bedrijf de juiste oplossing.

Wil het college het nutsdenken eens toepassen op de thans voorliggende constructie? Antwoord Een nutsvoorziening is een voorziening waartoe iedereen toegang heeft. In dit geval gaat het om de warmtevoorziening. Het voorgestelde PIW dient het publieke belang van een duurzame, betaalbare en betrouwbare warmtevoorziening. Het wetsvoorstel Wcw maakt het mogelijk om voor collectieve warmte een integraal nutsbedrijf op te richten, waarbij levering aan de klant, de publieke infrastructuur en de productie of inkoop van de warmte in één hand komen. De twee opties die verder zijn verdiept betreffen in beide gevallen constructies waarin 100% van de aandelen in publieke handen zijn, met partners die dit publieke belang onderschrijven. Tevens onderschrijven de beoogde partners de gerichtheid op Den Haag. Bij nutsdenken past ook een samenwerking met een dochter van de publieke netbeheerder en de Nationale Deelneming Warmte (hierna: NDW) als partner, door EBN ingevuld.

4/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/10928950

12. EBN is een nationaal werkend bedrijf. 100% in handen van het Rijk. Het is geen nutsbedrijf maar een overheidsbedrijf. Dit bedrijf heeft tot doel het Rijksbeleid uit te voeren. Ziet het college hier geen potentieel bedreiging dat de doelstellingen van de gemeente en het instrumentele doel van EBN in conflict kunnen komen. Antwoord EBN zal uit hoofde van het wetsvoorstel Wcw met een specifiek mandaat en met specifiek daarvoor beschikbaar gesteld kapitaal optreden als NDW. De minister van KGG heeft EBN gevraagd zich voor te bereiden op haar rol als NDW met als doel om de (financiële) realisatiekracht van gemeenten en andere lagere overheden te versterken om betaalbare, duurzame warmte te leveren aan inwoners. 13. Stemrecht/ stemkracht van aandelen kunnen variëren. Er kan gecertificeerd worden, er kunnen aandelen met beperkte stemkracht zijn, A en B aandelen De verhouding ieder 1/3e kan dan in stand blijven maar de rechten zijn beperkt (zie b.v. De aandelen bij Stedin) Klan het college inzichtelijk maken welke aandelenparticipaties en in welke vorm zij hebben overwogen? Antwoord Binnen het kader van de Wcw is het inderdaad mogelijk om afwijkend van de verdeling van aandelen nadere afspraken te maken over zeggenschap, zodat de gemeente haar zeggenschap over belangrijke besluiten zo goed mogelijk kan borgen.

In de onderzoeksfase zijn hierover nog geen afspraken gemaakt met de beoogde partners. Het college heeft gekeken naar vormen van aandelenparticipaties en de mogelijke invloed daarvan op zeggenschap en stemverhoudingen. Dit wordt verder onderzocht tijdens de uitwerkingsfase. 14. Voor de regie, de betaalbaarheid van warmte voor alle Hagenaars en de zeggenschap van de gebruikers is het in Den Haag noodzakelijk om over de bestaande stadsverwarmingsnetten van Eneco te beschikken. Dat zal wel heftige financiële gevolgen hebben. Elke beschouwing hierover ontbreekt. Wat is de opvatting van het college hierover, zal het extra beslag leggen op de gemeentelijke middelen of zal de aankoop gedekt worden door de tariefstelling? Antwoord Dit raadsvoorstel gaat over de voorbereidingen voor een PIW dat nieuwe warmtenetten in de bestaande bouw kan aanleggen en exploiteren, los van de bestaande stadsverwarmingsnetten van Eneco. Daarvoor is het niet noodzakelijk om over de Eneconetten te beschikken. In het wetvoorstel Wcw zijn uitgangspunten opgesteld voor de bepaling van de periode waarin private partijen hun bestaande netten mogen blijven exploiteren. Dit varieert van 14 tot 30 jaar.

De minister van Klimaat en Groene Groei (hierna: KGG) stelde in november 2024 de heer Frans Rooijers aan als onafhankelijk verkenner om te adviseren hoe de toekomst van private warmtebedrijven eruit zou kunnen zien en heeft de heer Rooijers gevraagd te onderzoeken hoe om te gaan met bestaande commerciële warmtebedrijven. De heer Rooijers heeft geadviseerd dat de rijksoverheid deze warmtebedrijven koopt en vervolgens onderbrengt in de publieke warmtebedrijven. De minister van KGG heeft aangegeven dat het advies van de heer Rooijers aanknopingspunten biedt voor gesprekken met warmtebedrijven en andere stakeholders. De minister wil deze gesprekken de komende periode gaan voeren samen met EBN als beoogde NDW. 15. De storting in het aandelenkapitaal wordt gezien als een kapitaalstorting. Is dat niet een te eenvoudige manier om een belegging of investering te financieren? Heeft de afdeling financiën of de BNG geen andere voorstellen gedaan om het benodigde kapitaal ter beschikking te stellen? Antwoord Er zijn inderdaad meerdere manieren om een belegging of investering te financieren.

5/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/10928950

In het raadsvoorstel staat: ‘In de uitwerkingsfase worden het bedrag en de wijze waarop de gemeente middelen inbrengt nader gepreciseerd door diverse specialisten op dit gebied binnen de gemeente en in overleg met de potentiële partners.’ De BNG heeft hier nog geen voorstellen over gedaan. 16. Kan het college ultimatief bepalen dat de zeggenschap voor strategie, investeringen, bedrijfsvoering, benoeming voorzitter Raad van Bestuur (CEO), Raad van Commissarissen, tariefvaststelling en participatie van de gebruikers beslissend bij aandeelhouder gemeente komt? (Zie bijlage twee bij vraag 2). Antwoord Het wetsvoorstel Wcw laat ruimte aan de drie aandeelhouders om bij de oprichting van het PIW overeen te komen dat één van de aandeelhouders meer of volledige zeggenschap krijgt over bepaalde onderwerpen. In de uitwerkingsfase wordt dit verder vormgegeven. Of en in welke mate het college zeggenschap krijgt over de genoemde onderwerpen moet nog worden besproken en uitgewerkt. 17. De organisatiestructuur van het voorgenomen bedrijf hoe ziet die eruit? Antwoord De vormgeving van de organisatiestructuur is onderdeel van de uitwerkingsfase en op dit moment dus nog niet bekend. 18.

Kan de gemeenteraad in positie gebracht worden dat zij jaarlijks bij de begroting de tarieven vaststelt? Dat is in het gekozen construct namelijk niet zonder meer mogelijk, terwijl dat bij een echt 100% Haags nutsbedrijf vanzelfsprekend is. Antwoord Het wetsvoorstel Wcw vereist dat het warmtebedrijf vorm krijgt als zelfstandige rechtspersoon. De optie om de warmtevoorziening te organiseren in de vorm van een gemeentelijke dienst binnen de gemeentelijke organisatie is onderzocht, maar het wetsvoorstel Wcw sluit deze mogelijkheid uit. Alleen ondernemingen en warmtegemeenschappen kunnen een vergunning krijgen om warmte te leveren. Het bestuur bepaalt de tarieven. Het bestuur van het warmtebedrijf is wettelijk gebonden aan de verantwoordelijkheid van financieel verantwoord beleid, gericht op het voortbestaan van het bedrijf. Dit betekent dat het college en/of de raad niet zelfstandig tarieven kunnen vaststellen, omdat de gemeente, ook als ze 100% aandeelhouder zou zijn, niet kan treden in de wettelijke verantwoordelijkheid van het bestuur van de onderneming. De aandeelhouder(s) van het warmtebedrijf kunnen het bestuur van het warmtebedrijf in de missie en statuten wel in abstracte zin meegeven dat het bedrijf zich richt op zo laag mogelijke tarieven, binnen de kaders die de wet hiervoor schept. Voor het college staat daarbij het belang van betaalbare tarieven bovenaan.

De ruimte voor het vaststellen van de warmtetarieven wordt ook ingekaderd door de tariefregulering door de Autoriteit Consument en Markt (hierna ACM). De ACM krijgt in het wetsvoorstel Wcw een belangrijke rol in het beoordelen van warmtebedrijven en het vaststellen van tarieven. Zie voorts de beantwoording van vraag 1 van ChristenUnie/SGP en vraag 7 van het CDA. 19. Gelet op bovenstaande, wat zou dan nog de reden kunnen zijn om niet gewoon een 100% Haags Publiek Nutsbedrijf te maken of in ieder geval ten minste een 51% meerderheid en ENB de rest? Antwoord De optie van een warmtebedrijf dat voor 100% in handen van de gemeente is maakte deel uit van de vergelijking van zes opties waarover het college de raad heeft geïnformeerd in haar brief ‘voortgang publieke rolneming warmtetransitie’ (RIS320421) van 12 november 2024.

6/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/10928950

Op basis van het criterium realisatiekracht heeft het college ervoor gekozen om in plaats van een bedrijf dat voor 100% in handen van de gemeente zelf is, in te zetten op een 100% publiek bedrijf in partnerschap met partijen die benodigde kennis, expertise en aanvullende middelen kunnen inbrengen. Hierbij is ook overwogen dat het niet verstandig is om alle (financiële) risico’s op de schouder van alleen de gemeente te leggen. Binnen de optie met Netverder en EBN hadden de beoogde partners een voorkeur voor een gelijke aandelenverhouding. Uit de analyse bleek vervolgens dat ook bij deze verdeling de zeggenschap van de gemeente goed kan worden geborgd. In de uitwerkingsfase zullen hierover nadere afspraken met de beide partners worden gemaakt, die aan de raad zullen worden voorgelegd (alvorens tot formeel besluit tot oprichting over te gaan). Het nastreven van een 51% aandeel heeft als gevolg dat voor de inbreng van eigen vermogen van de gemeente rekening moet worden gehouden met een (evenredig) groter bedrag dan het nu voorgestelde bedrag van € 30 miljoen. 20.

Op welke wijze wordt gegarandeerd dat Stedin/Netverder die een eigen ondernemingsstrategie hebben en in sommige opzichten wellicht een tegenstrijdig belang hebben, niet zijn belang vooropstelt, mutatis mutandis voor EBN en wat kan de gemeente daar tegenoverstellen? Antwoord Bij de vergelijkende analyse van opties speelde een rol dat belangen en doelstellingen van deze partners bij het ontwikkelen van betaalbare collectieve warmtenetten in hoge mate overeenstemmen met die van de gemeente. Stedin (moederbedrijf van Netverder) heeft net als de gemeente bijvoorbeeld een groot belang bij het voorkomen van netcongestie door warmtenetten aan te leggen. Dat neemt niet weg dat het in de vraag benoemde risico onderdeel uitmaakt van het overzicht van belangrijkste risico's die in bijlage 1 bij het raadsvoorstel zijn genoemd. Tijdens de uitwerkingsfase zal dit worden besproken met de partners, en zullen passende beheersmaatregelen worden overeengekomen. 21. Ziet het college gelet op de 4 criteria; zeggenschap, competentie, lokaliteit financiën en rol voor het PIW om naast de exploitatie van warmtenetten, ruimte andere transitiedoelen te bevorderen? Antwoord Dit raadsvoorstel is gericht op warmtenetten omdat dit belangrijk is om de warmtetransitie vooruit te krijgen. Het college wil bij de uitwerking de focus daarop houden, gegeven het belang en urgentie van de warmtetransitie.

Warmtenetten zijn voor de samenleving als geheel de goedkoopste oplossing, blijkt uit diverse onderzoeken, bijvoorbeeld het onderzoek “De keuze voor warmtenetten of andere warmteoplossingen” dat door bureau Berenschot in opdracht van de Nederlandse Vereniging voor Duurzame Energie is uitgevoerd (https://www.nvde.nl/wp-content/uploads/2024/05/Finalerapportage_Warmtenetten-in-vergelijking-met-andere-warmteoplossingen_24042024.pdf). 22. De marktbenadering voor de PIW, die gegeven wordt in de toelichting spreekt van verschillende perspectieven. Op 20 jaar basis (2045) wordt verwacht 64.000 aansluitingen. Na 2032 zouden er dat per jaar 4.000 moeten zijn? Een verdeling tussen bestaand en nieuwbouw ontbreekt. De Wcw geeft aan dat de bestaande gebruikers van gas, 8 jaar de tijd krijgen om van het gas af te gaan, (de bouwambitie van Den Haag op 4.000 wordt nimmer gehaald. Ambitie van het gas af in het kader van het klimaatakkoord wordt ook grootselijk niet gehaald). De landelijke trend is dat er steeds minder belangstelling is voor warmtenetten en dus minder aansluitingen. Wcw is pas in 2028 actief. De aansluitplicht is afgeschaft.

7/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/10928950

Antwoord De ambitie van 4.000 aansluitingen per jaar is gebaseerd op de aanname dat deze warmtenetten worden ontwikkeld voor bestaande bouw, in overeenstemming met de door de raad vastgestelde transitievisie warmte. Aansluiten van nieuwbouw is niet voorzien in dit voorstel en telt dus niet mee in de 4.000 aansluitingen per jaar. In de uitwerkingsfase of in een later stadium, kunnen het aanbieden van lage temperatuurnetten en het aansluiten van nieuwbouw mogelijk wel activiteiten van het PIW worden. Voorwaarde voor het halen van de ambitie van 4.000 aansluitingen per jaar is dat het PIW in staat is om inwoners en gebouweigenaren een betaalbaar aanbod te doen t.o.v. verwarmen d.m.v. gas of een warmtepomp. In de huidige private marktordening is er geen of maar in beperkte mate sprake van een dergelijk aanbod. De genoemde termijn van 8 jaar betreft een bevoegdheid die het college via de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) heeft gekregen om de levering van aardgas onder bepaalde wettelijke voorwaarden in een gebied te laten stoppen. 23. Kan het college wat meer informatie verschaffen over de gevolgen en wijze waarop het om wil gaan als een of meerdere risico’s (zie ook de toelichting) zich materialiseren? Antwoord In de onderzoeksfase is een verkenning van risico’s uitgevoerd.

Na akkoord van de raad zal in de uitwerkingsfase samen met de partners de risicoanalyse worden verdiept, inclusief mitigerende maatregelen. Dit zal dan als onderdeel van de resultaten van de uitwerkingsfase aan de raad worden voorgelegd. 24. Bij voortzetten na de eerste fase van 10 jaar kan een besluit genomen worden om al dan niet verder te investeren. Dat kan wel zo zijn voor een gewoon bedrijf maar toch niet voor de inwoners en bedrijven van Den Haag die komen zo in de lucht te hangen. Stel, na 10 jaar ziet Stedin/Netverder en/of het Rijk het niet meer zitten en zeggen “doei, zoek het maar uit.” Wat dan? Antwoord Het is de bedoeling dat het PIW voor tientallen jaren Den Haag van betaalbare en duurzame warmte zal voorzien. Om financiële risico’s te reduceren, heeft het college gekozen voor eerst een periode van 10 jaar en daar de voorgestelde financiële reservering op te baseren. Mocht onverhoopt na 10 jaar niet verder in het PIW worden geïnvesteerd, zal een andere governance nodig zijn voor de verduurzaming van de warmtevoorziening van woningen die dan nog niet zijn aangesloten op een warmtenet en waarvoor dat nog altijd de preferente oplossing is. Uitgangspunt is dat voor de huishoudens en bedrijven die zijn aangesloten er in elk geval een blijvend levensvatbaar warmtebedrijf ontstaat dat warmtelevering kan garanderen (ook na die 10 jaar).

Er worden afspraken over gemaakt in een samenwerkingsovereenkomst, en het wetsvoorstel Wcw eist ook continuïteit van de levering. Het warmtebedrijf moet o.a. elk jaar rapporteren hoe zij leveringszekerheid de komende 3 jaar en op lange termijn borgt zonder aanvullende kapitaalinjecties door de gemeente. Gemeente Den Haag, Netverder en EBN kunnen dus niet lichtzinnig uit het PIW stappen. Diverse andere vragen 25. Op bladzijde 11 van de toelichting “tijdens de uitwerkingsfase preciseren we de wijze waarop het eigen vermogen wordt ingebracht en het financieel risico wordt afgedekt”. Is het dan niet raar dat nu al een beslag op het Enecofonds bij de aanstaande begrotingsbehandeling wordt gelegd. Hiermee wordt de vraag opportuun of met het vastleggen van deze gelden voor een belegging, het fonds bedoeld is? En de vraag welke andere bestedingen uit het Enecofonds worden dan onhaalbaar i.v.m. gebrek aan gelden?

8/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/10928950

Antwoord Het raadsvoorstel omvat het bestemmen van €30 miljoen binnen de Enecoreserve Duurzaamheid en Energietransitie ten behoeve van deelname in het PIW. Het gaat dus om het bestemmen van middelen die al onderdeel uitmaken van de Enecoreserve en die daar ook onderdeel vanuit blijven maken. Voor de daadwerkelijke investering van deze middelen in het warmtebedrijf volgt een afzonderlijk raadsvoorstel. Er wordt aanvullende financiering aangetrokken door het PIW zelf. Daarvoor heeft de rijksoverheid een waarborgfonds in oprichting dat garant zal staan voor de leningen. De oprichting van een PIW past binnen de programmalijnen die indertijd zijn vastgesteld (RIS306372). Deze bestemming van middelen binnen de Enecoreserve gaat niet ten koste van reeds verplichte of geprogrammeerde uitgaven tot en met 2028. Het vraagt wel om actualisering van verdeling van de nog niet geprogrammeerde en voor specifieke projecten bestemde middelen over de verschillende programmalijnen voor 2026 en verder. Zoals is aangegeven in het raadsvoorstel, zal de aangepaste verdeling worden opgenomen in de Programmabegroting 2026 – 2029. 26. Heeft het college bepaald of is ergens vastgelegd dat het hoofdkantoor van het Haagse publieksbedrijf komt in Den Haag? Antwoord De keuze van de locatie van het hoofdkantoor van het PIW is onderdeel van de uitwerkingsfase.

Het ligt voor de hand om het hoofdkantoor in Den Haag te vestigen. 27. Is het zo dat het belang van Netverder aanleggen van netten is en dat dit Rotterdamse bedrijf dat vanuit zijn organisatie voor de Haagse PIW zal doen? Dit betekent net als toentertijd bij Eneco dat het PIW nauwelijks een bijdrage levert aan de Haagse lokale economie en werkgelegenheid is het college zich hiervan bewust? Zo ja wil het er dan een randvoorwaarde van maken? Antwoord Het PIW zal gespecialiseerde bedrijven inhuren voor de aanleg van netten. Het college wil in de uitwerkingsfase specifiek aandacht geven aan kansen voor de Haagse lokale economie en werkgelegenheid. 28. De exitregeling, op welke elementen in de onderzoeksfase en uitwerkingsfase ziet dat toe. En als een van der randvoorwaarden van de Minister (bladzijde 12 van de toelichting onderaan) zich voordoet wat betekent dat dan? Geen PIW, zo ja wat is plan B of stoppen we met een publiek Lokaal Haags Warmtebedrijf? Antwoord Als uw raad akkoord gaat met het raadsvoorstel inzake het publiek integraal warmtebedrijf markeert dit het einde van de onderzoeksfase, waarmee nog geen onomkeerbare besluiten worden genomen. Het resultaat van de volgende fase biedt de basis om het daadwerkelijke besluit tot oprichting uit te werken.

Onderdeel hiervan is de beoordeling in welke mate kan worden voldaan aan de in het raadsvoorstel en de toelichting daarop genoemde randvoorwaarden. Indien niet aan de randvoorwaarden wordt voldaan en er geen mogelijkheid is om de investering in een PIW terug te verdienen en tegelijkertijd aantrekkelijke warmtetarieven te bieden, heeft een PIW geen meerwaarde. Er is geen plan B in uitwerking. 29. Wat zijn de gevolgen indien de gemeente geen PIW opricht? Antwoord Indien de gemeente geen PIW opricht, wordt de uitrol van warmtenetten verder vertraagd en afhankelijk van andere partijen die bereid moeten worden gevonden om in Den Haag warmtenetten aan te leggen. In de bijlagen bij de brief RIS320421 ‘Voortgang publieke rolneming warmtetransitie’ van 12 november 2024 zijn de verschillende opties toegelicht en vergeleken.

9/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/10928950

Dan zou bijvoorbeeld optie 1A uit die brief in beeld komen, waarin Netverder in Den Haag als publiek warmtebedrijf aan de slag gaat, zonder deelname van de gemeente. De gemeente heeft dan veel minder zeggenschap dan bij een mogelijk PIW dat zich volledig op Den Haag richt. Vragen van ChristenUnie/SGP: 1. In het voorstel wordt verwezen naar Rijksinstrumentarium om de betaalbaarheid van warmtenetten te garanderen. Er staat “het college vertrouwt erop dat de noodzakelijke financiële middelen en aanvullende instrumenten beschikbaar zullen worden gesteld”. Welke concrete aanwijzingen/garanties heeft het college hiervoor gekregen vanuit het Rijk? Antwoord De minister van KGG heeft op 17 april 2025 een brief aan de Tweede Kamer gestuurd met als titel ‘actualisatie randvoorwaarden collectieve warmte’ (kamerstuk 30196-845). In deze brief doet de minister een aantal toezeggingen over de wijze waarop ze financiële middelen en aanvullende instrumenten zal ontwikkelen om betaalbaarheid van collectieve warmtevoorzieningen te borgen. De Tweede Kamer heeft op 3 juli 2025 het geamendeerde wetsvoorstel Wcw aangenomen. Het wetsvoorstel schrijft een gefaseerde overgang van de tariefstructuur voor. In de toekomst (fase 2 in het wetsvoorstel) worden de tarieven gebaseerd op daadwerkelijk gemaakte kosten.

Met het aangenomen amendement 33 is in het wetsvoorstel opgenomen dat de minister de betaalbaarheid garandeert zodra fase 2 van de tariefsystematiek ingaat. Ook is een evaluatie van betaalbaarheid in het wetsvoorstel opgenomen voorafgaand aan de ingang van fase 2. In fase 3 wordt de tariefsystematiek specifieker toegepast per kavel. De verwachting is dat fase 2 in 2028 ingaat en fase 3 in 2034. 2. In hoeverre heeft de val van Kabinet Schoof I gevolgen voor de behandeling van de Wcw in de Tweede en Eerste Kamer? Antwoord De gevolgen van de val van het kabinet lijken voor dit onderwerp beperkt te zijn. De behandeling in de Tweede Kamer heeft intussen plaatsgevonden. Het wetsvoorstel Wcw is op 3 juli 2025 door de Tweede Kamer aangenomen. Behandeling in de Eerste Kamer staat gepland voor het najaar van 2025. 3. In het voorstel is te lezen dat 30 miljoen euro wordt gealloceerd voor de oprichting van het warmtebedrijf uit de reserve duurzaamheid en energietransitie. Waar waren deze middelen eerst voor gereserveerd? Lees: wat kan er nu niet of minder omdat we deze middelen voor de oprichting van het warmtebedrijf zouden gaan inzetten? Antwoord Deze middelen waren al onderdeel van de Enecoreserve Duurzaamheid en Energietransitie (‘Enecomiddelen’). Ze worden nu voor een periode van 10 jaar bestemd voor een PIW.

Deze bestemming laat alle verplichtingen die financieel gedekt worden uit deze reserve tot en met 2028 ongemoeid. Het college voorziet wel een actualisering van de verdeling van de resterende vrije ruimte over de verschillende programmalijnen binnen de Enecoreserve. De geactualiseerde verdeling wordt opgenomen in de Programmabegroting 2026 – 2029. 4. Wordt er gesproken met omliggende gemeenten om ook deel te nemen aan het publiek warmtebedrijf? Antwoord Het huidige voorstel is om een Haags lokaal PIW op te richten. Natuurlijk wordt er wel samengewerkt met buurgemeenten en zijn fysieke koppelingen met warmtenetten van naburige gemeenten mogelijk. Wanneer omliggende gemeenten zich op termijn willen aansluiten bij het uit te werken PIW, dan is dat mogelijk.

10/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/10928950

Voor de korte termijn is onze inzet om een warmtebedrijf op te zetten gericht op de warmtetransitie in de stad Den Haag. In de voorbereiding op dit voorstel is gesproken met omliggende gemeenten. De meeste omliggende gemeenten hebben trajecten lopen om een eigen PIW op te zetten, of aan te sluiten bij een PIW. In een later stadium kan worden bezien of het verstandig is dat buurgemeenten toetreden tot een Haags PIW. 5. Hoe draagt de oprichting van een Haags warmtebedrijf bij aan de betaalbaarheid van de energievoorziening? Antwoord Warmtenetten zijn in een groot aantal delen van Den Haag de voor de samenleving als geheel de goedkoopste oplossing. Met de oprichting van een Haags warmtebedrijf kan de aanleg van warmtenetten worden versneld. Er zijn ook voordelen van een PIW ten opzichte van commerciële partijen die ten goede komen aan de betaalbaarheid voor inwoners. Deze voordelen zijn onder andere: - lagere financieringslasten (o.a. dankzij het voornemen van de rijksoverheid om een waarborgfonds in te richten dat financieel risico voor een groot deel kan afdekken); - geen winstdoelstelling; - een geheel publiek warmtebedrijf wekt, volgens recent onderzoek door het Planbureau voor de leefomgeving, meer vertrouwen dan geheel commerciële warmtebedrijven, waardoor mogelijk meer huishoudens zich willen laten aansluiten.

Transparantie over tarieven, communicatie en klantgerichtheid moeten dan wel goed geregeld zijn. Inspraak van Haagse (potentiële) klanten wordt in de uitwerkingsfase ingericht en zal hieraan bijdragen. 6. In het voorstel staat: “op strategisch niveau kan de gemeente in haar rol als aandeelhouder tot op zekere hoogte meesturen op strategie en beleid, waaronder parameters die van invloed zijn op tarieven en risico”. Hoeveel invloed verwacht de gemeente te kunnen hebben op de tarieven, met het oog op het kader van de Wcw, waarin wordt gesteld dat functionele kosten mogen worden doorberekend aan de consument? Antwoord Het college wil direct invloed hebben op de strategie van het PIW, waaronder de strategische focus op zo laag mogelijke tarieven voor klanten. Naast het beleidskader voor tariefstelling kan er ook worden gestuurd op aspecten als fasering, het benutten van schaalvoordelen, beloningsbeleid en het na te streven operationeel rendement. Deze zijn weer van invloed op tariefstelling binnen de door de ACM te stellen kaders. Het PIW zal zich ook moeten houden aan de wettelijke eisen ten aanzien van financiële duurzaamheid van het bedrijf. 7. “Uitgangspunt voor de eerste fase van tien jaar is dat deze een voldoende grote omvang heeft om financiële duurzaamheid van het warmtebedrijf met daaraan gekoppelde bronnen te waarborgen”.

Wordt er hierbij ook rekening mee gehouden dat de functionele kosten kunnen stijgen en dat inwoners zich ook weer kunnen laten afkoppelen van het warmtenet? Antwoord De omvang van 24.000 aansluitingen gaat uit van voldoende schaal voor ontwikkeling van en het aansluiten op een warmtebron. Uitgangspunt is dat de rijksoverheid het mogelijk maakt om aansluiting op het warmtenet op langere termijn betaalbaar te laten zijn ten opzichte van een gasgestookte CV-ketel of een warmtepomp. Met andere woorden: het risico dat mensen zich zouden willen laten afkoppelen is dan klein. In de business case die in de uitwerkingsfase wordt verfijnd is ook aandacht voor het percentage aansluitingen dat wordt afgekoppeld. De gemeenteraad kan deze analyse betrekken bij haar finale besluit over de oprichting van een PIW aan het eind van de uitwerkingsfase.

11/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/10928950

8. Een warmtebedrijf kan ook failliet gaan. In welk scenario lopen wij als gemeente meer financieel risico: bij faillissement van het warmtebedrijf van HVC of in een samenwerking met Netverder en EBN? Kan worden toegelicht om welke risico’s het dan gaat? Antwoord Bij faillissement van een Haags warmtebedrijf met Netverder en EBN is het risico beperkt tot het risicodragende aandeel in het eigen vermogen. Dit aandeel wordt betaald uit de middelen die met dit voorstel voor het PIW wordt bestemd. Gedurende de komende tien jaar wordt een steeds groter deel van die middelen geïnvesteerd. Bij HVC vormt de af te geven garantie de omvang van het maximale financieel risico bij faillissement. De conclusie van de vergelijkende analyse op het financiële aspect was dat beide opties in hun aard onvergelijkbaar zijn. Bij HVC worden de risico’s gedeeld met alle zestig aandeelhouders, en deelt de gemeente ook in risico’s die buiten de eigen gemeente liggen. Bij Netverder-EBN zijn de risico’s beperkt tot de investeringsopgave in Den Haag. De impact van deze risico’s zijn directer, maar de gemeente heeft hier als een van drie aandeelhouders ook meer grip op. De uitkomst van de vergelijkende analyse was dan ook dat vanuit oogpunt van financieel risico en de beheersing daarvan de voorkeur uitgaat naar de optie van Netverder-EBN. 9.

Kan worden toegelicht hoe groot de geïdentificeerde risico’s zijn die worden genoemd in de risicoinventarisatie? Antwoord Bij het raadsvoorstel is een opsomming gedaan van de belangrijkste risico’s die in de onderzoeksfase zijn geïdentificeerd. Kwantificering van deze risico's (inschatten van de kans dat het risico zich voordoet samen met de impact wanneer het zich voordoet) en het identificeren van beheersmaatregelen zijn onderdeel van de uitwerkingsfase. Het is noodzakelijk om dit samen met de beoogde partners te doen. Zij moeten deze risico’s mede dragen en ook bijdragen aan de beheersing ervan. Daarom wordt de raad nu gevraagd in te stemmen met deze uitwerking van de beoogde partners. 10. Kan worden gereflecteerd op de geïdentificeerde risico’s? Hoe kijkt de gemeente hier tegenaan? Antwoord Bij het raadsvoorstel is een opsomming gedaan van de belangrijkste risico’s die in de onderzoeksfase zijn geïdentificeerd. Een meer diepgaande risicoanalyse en bijbehorende beheersmaatregelen volgen in de uitwerkingsfase, omdat het belangrijk is om dit samen met de beoogde partners te doen. De criteria om tot partnerkeuze te komen zijn nauw gelieerd aan de geïdentificeerde risico’s. Op basis daarvan achten we, op basis van de huidige inzichten, de risico’s met deze partners beheersbaar. Vragen van VVD: 1.

Flankerend beleid van het Rijk is zeer belangrijk voor de uitrol van warmtenetten en de betaalbaarheid ervan. Indien het Rijk, om wat voor reden dan ook, onvoldoende financiële zekerheid kan geven, wat zijn de gevolgen voor het opzetten van een PIW en de financiële risico’s voor de gemeente? Antwoord Zonder flankerend beleid van de rijksoverheid zal het in Nederland niet lukken om aansluitingen op een warmtenet betaalbaar te maken. Dat zou maatschappelijk niet rationeel of verstandig zijn omdat een warmtenet voor de samenleving als geheel de goedkoopste oplossing is. Dus zonder flankerend beleid zal het niet lukken om een financieel gezond PIW op te richten. Daarom vermeldt het raadsvoorstel het flankerende beleid van het rijk als noodzakelijke randvoorwaarde voor het investeren in het PIW.

12/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/10928950

2. Hoe wordt gezorgd dat het beleid van het PIW integraal wordt gevoerd met de rest van ons bodem beleid, denk aan koude (naast warmte), het energiesysteem, bestaande gasleidingen, drinkwaterleidingen, etc.? Antwoord Hierin moet het PIW nauw samenwerken met de gemeente, en heeft de gemeente een belangrijke rol als regisseur van de energietransitie in de stad. Het beleid daarvoor is vastgelegd in de transitievisie warmte en dat krijgt een update met het Warmteprogramma, zoals is vastgelegd in de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw). De gemeente heeft regie op de ondergrond. Deze is vastgelegd in de APV. Een PIW kan alleen succesvol zijn als het hele proces van aanleggen van warmtenetten efficiënt verloopt. Het vereiste instrumentarium is inmiddels ingericht. Daarnaast is intensieve samenwerking met de gemeentelijke organisatie nodig. 3. Op basis waarvan stelt bijlage 1 dat ‘het draagvlak voor warmtenetten wordt vergroot wanneer publieke belangen optimaal geborgd zijn’? Hoe verhoudt dit zich tegenover draagvlak door bijvoorbeeld betaalbaarheid van warmte? Antwoord Betaalbaarheid van warmte is juist één van de publieke belangen. Samen met transparantie en eerlijke verdeling van de kosten en natuurlijk de betrouwbaarheid van de warmtelevering is dit bepalend voor het draagvlak.

Dit baseert het college op een recent onderzoek van het Planbureau voor de leefomgeving, getiteld ‘Aardgasvrij: een goed idee, maar ...’ van 27 augustus 2024 (https://www.pbl.nl/publicaties/aardgasvrij-een-goed-idee-maar). Dit onderzoek laat zien dat betaalbaarheid en eerlijke kostenverdeling bepalend zijn voor het draagvlak. In de gemeente Den Haag is recent een stadsbrede raadpleging ten behoeve van het warmteprogramma uitgevoerd. Zie de commissiebrief: ‘Onderzoeksresultaten raadpleging warmteprogramma’(RIS321588) van 18 maart 2025. Daarin staan twee belangrijke conclusies: • De meerderheid van de inwoners geeft prioriteit aan lage kosten voor de samenleving en voor extra hulp voor mensen met weinig geld; • Zo laag mogelijke maatschappelijke kosten wordt belangrijker gevonden dan keuzevrijheid. Andere publieke belangen die meespelen zijn het belang van duurzaamheid met het oog op klimaatverandering en energieonafhankelijkheid. 4. De opschaling naar een regionaal warmtebedrijf wordt in de uitwerkingsfase onderzocht; wat is nu al te zeggen over het Haagse aandeelhouderschap en de sturingsmogelijkheden die Den Haag zal hebben in regionaal verband? Antwoord Het Haagse PIW richt zich op betaalbare en duurzame warmte in Den Haag. Daarom is onze inzet er niet op gericht om van meet af aan buurgemeenten erbij te betrekken.

Overigens is het op basis van de analyse niet waarschijnlijk dat omliggende gemeenten van het begin af aan willen deelnemen aan de ontwikkeling en opstart van het PIW in Den Haag. Voor nu is onze inzet om een warmtebedrijf op te zetten gericht op de warmtetransitie van de stad Den Haag. In de voorbereiding op dit voorstel is gesproken met omliggende gemeenten. De meeste omliggende gemeenten hebben trajecten lopen om een eigen PIW op te zetten, of aan te sluiten bij een PIW. In een later stadium kan worden bezien of het verstandig is dat buurgemeenten toetreden tot een Haags PIW.

13/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/10928950

5. Is het mogelijk om nu al een regionaal warmtebedrijf uit te werken, en zo ja, waarom is dat niet het uitgangspunt als dat wel het beoogde doel is? Antwoord Een regionaal warmtebedrijf is nu niet het beoogde doel van het college. Er wordt nu ingezet op een lokaal Haags warmtebedrijf. De rijksoverheid heeft aangegeven wel een voorkeur voor regionale warmtebedrijven te hebben, om kleinere gemeenten niet buiten de boot te laten vallen. Doorontwikkeling naar een regionaal warmtebedrijf is dus een mogelijk toekomstscenario. Omliggende gemeenten hebben nu geen plannen om zich aan te sluiten bij het Haagse initiatief. 6. Een deel van de kosten voor de gemeentelijke organisatie worden gedekt uit leges. Op het moment dat een warmtekavel wordt aangewezen, zijn de bewoners dan (in beginsel) verplicht om op een warmtenet aan te sluiten en daarmee verplicht om leges (en aansluitkosten) te betalen? Antwoord Nee, er is geen verplichting om op het warmtenet aan te sluiten. De beslissing ligt bij de woning- of gebouweigenaar, eventueel in samenspraak met huurders. Leges worden gerekend voor vergunningen en dergelijke. Die worden betaald door het PIW en maken dan deel uit van de integrale kosten, die na aftrek van subsidies de basis vormen voor de uiteindelijke tarieven.

Het is zeer waarschijnlijk dat aansluitkosten in rekening gebracht zullen worden aan de woningeigenaren die worden aangesloten. 7. Hoe gaat het PIW erop sturen dat warmtekavels op termijn aan elkaar gekoppeld worden en wat is die termijn? Antwoord Het college heeft de bevoegdheid om één of meer warmtekavels vast te stellen en later, onder voorwaarden, te wijzigen of samen te voegen. De keuze om voor het PIW één of meerdere kavels aan te wijzen moet nog worden gemaakt. In het scenario dat er in eerste instantie meerdere kavels zullen zijn is het mogelijk dat die op termijn samengevoegd worden tot één warmtekavel. 8. Op 9 april heeft het college de raad geïnformeerd over het de facto uitsluiten van HVC als afvalverwerker. In hoeverre was de optie met HVC vanaf dat moment nog een mogelijkheid, en in hoeverre is deze optie sindsdien nog onderzocht en getoetst op de vier criteria? Antwoord De optie HVC is volwaardig meegewogen. Een groot deel van de gesprekken en beoordeling hadden op dat moment, 9 april 2025, al plaatsgevonden. Er is zorg besteed aan het onafhankelijk houden van de besluitvorming over afvalverwerking en de vergelijking van de twee opties voor het PIW. De optie HVC is na 9 april 2025 ook nog onderzocht, waarbij rekening is gehouden met het feit dat deze optie voorlopig niet kan worden ingezet en daardoor de warmtetransitie vertraagt. 9.

Snelheid lijkt een belangrijk onderdeel van ‘competentie’, terwijl het twee verschillende dingen zijn. Welke definitie van korte en lange termijn is gebruikt gezien de opgave tot 2050 duurt? Is onderzocht of de competentie/ervaring van de HVC de relatief korte periode van vier jaar kan goedmaken doordat met efficiënter is en in een hoger tempo meer warmtenetten kan bouwen? Welke berekening zit daarachter (zie tabel 2 van bijlage 3)? Antwoord Het is belangrijk dat een bedrijf zo snel mogelijk aansluitingen kan realiseren. HVC heeft capaciteit, kennis en kunde om warmtenetten aan te leggen, maar zal die niet inzetten zonder zekerheid dat het afvalverwerkingscontract aan HVC wordt gegund. Het nieuwe afvalcontract wordt pas over vier jaar van kracht.

14/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/10928950

Over de mogelijkheden voor Netverder om competentie op te bouwen staat in bijlage 1: ‘Toelichting ontwikkeling Publiek Integraal Warmtebedrijf‘ bij het raadsvoorstel: ‘De startpositie als onderdeel van Stedin, waar veel uitvoeringskracht aanwezig is, en het voornemen om een uitvoeringsorganisatie in te richten, hebben in de gesprekken met Netverder ons het vertrouwen gegeven dat Netverder zal opschalen naar een organisatie die net zo goed in staat is de Haagse ambitie voor warmtenetten te realiseren.’ Of HVC een hoger tempo dan 4.000 zou kunnen halen, en daarmee een latere start zou kunnen inlopen is speculatief. De ambitie om 4.000 huizen per jaar binnen de bestaande bouw aan te sluiten is ontleend aan de inschatting dat het voor elke partij een ambitieuze doelstelling is om te halen. Op basis van voorbeelden uit de praktijk, en ervaring met infrastructurele projecten in de stad, gaan we bij die inschatting uit van de aanleg van vier netten tegelijkertijd, in verschillende wijken / buurten in de stad. En een aanvullende inschatting is dat elk project 1.000 aansluitingen per jaar realiseert. Bij die inschatting gaat het niet alleen om de capaciteit van het warmtebedrijf en de (ingehuurde) uitvoerders, maar ook om de vraag welke omvang van wegafsluitingen en werken in de ondergrond haalbaar zijn in combinatie met alle andere bouw- en infrastructurele werkzaamheden in de stad.

Welk tempo in onze dichtbebouwde stad mogelijk is en de opschaling naar dat tempo werken we uit in de uitwerkingsfase. Er zit geen kwantitatieve berekening achter de tabel in bijlage 2 (vergelijking opties partnerkeuze). De tabel is gebaseerd op een inschatting van een realistisch pad naar de gestelde ambitie van 4.000 aansluitingen per jaar. 10. Wat betekent het voor de kosten en de financieringsopgave als het uitgangspunt van 4.000 aansluitingen per jaar niet wordt gehaald? Leidt dit tot lagere of hogere kosten in totaal en per aangesloten huishouden (inclusief leges en aansluitkosten) en hoeveel subsidie van de Rijksoverheid kost het? Antwoord Dit wordt in de uitwerkingsfase verder uitgewerkt als onderdeel van de business case. Een gevoeligheidsanalyse t.a.v. de financiële impact van een hoger of lager tempo van aansluiten zal daarvan onderdeel uitmaken. Het is tevens een relevant aspect voor de verdiepende risicoanalyse. 11. Uit Rotterdamse ervaring is gebleken dat projecten met warmtebedrijven financieel enorm uit de hand kunnen lopen.

Is deze casus (met andere cases) meegenomen in deze fase en wat is ervan geleerd over de organisatiestructuur en anderszins? Hoe wordt voorkomen dat de kosten volledig uit de hand lopen, de raad zoveel mogelijk vrijheid houdt om te sturen in zo’n situatie en is een exitstrategie überhaupt mogelijk na de uitwerkingsfase, ook gegeven de Wcw? Antwoord Ja, er is gekeken naar de ervaringen in Rotterdam en elders. In het bijzonder is aandacht gegeven aan de rekenkamerrapporten over deze casus en een aantal andere casussen om de risico’s te identificeren. Conform het beleidskader Verbonden Partijen vormt een exitstrategie een onderdeel van de uitwerkingsfase. Wat daarbij wel en niet verplichtingen zijn voor de gemeente onder het wetsvoorstel Wcw zal daar nadrukkelijk bij worden betrokken. 12. In hoofdstuk 6 wordt de link gelegd tussen het warmtebedrijf en de daaraan gekoppelde bronnen. Wordt hiermee bedoeld dat in deze optie het warmtebedrijf ook de warmtebronnen gaat exploiteren? Antwoord Nee, de in hoofdstuk 6 (van bijlage 1) geraamde investeringskosten beslaan enkel de kosten voor distributienetten, voor de aansluiting op bronnen en inkoop van warmte. Het betreft niet de investering in en de exploitatie van bronnen. Het is niet uitgesloten dat in de uitwerkingsfase, in overleg met de partners, exploitatie van bronnen ook onderwerp van gesprek wordt.

15/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/10928950

13. Graag een schematische weergave van de warmteketen met een toelichting over voor welke delen de PIW verantwoordelijk zal worden en welke ruimte er is voor publiek private samenwerking bij de uitwerking van optie 1. Antwoord Het wetsvoorstel Wcw definieert de activiteiten van een integraal warmtebedrijf als: ‘onderneming of warmtegemeenschap die zich bezighoudt of voornemens is zich bezig te houden met het transport en de levering van warmte en de productie of inkoop van warmte ten behoeve daarvan’. Indien een warmtebedrijf slechts een deel van deze taken uitvoert, is het niet integraal. Een PIW kan meer dan deze activiteiten verrichten, maar niet minder. Figuur 1. geeft de hele warmteketen weer, van bron tot afnemer.

Figuur 1 – activiteiten integraal warmtebedrijf De scope van het voorgestelde Haags warmtebedrijf beslaat de hele keten, zoals bedoeld in het wetsvoorstel Wcw. Het PIW richt zich in eerste instantie op inkoop en niet op productie van warmte en kan dus voor productie en transport van restwarmte naar de stad gebruik maken van andere partijen, bijvoorbeeld Haagse aardwarmte, Uniper en WarmtelinQ. 14. Waarom is het nu al nodig om 30 miljoen euro te reserveren vóór de uitwerkingsfase? Wat zijn de gevolgen als die reservering wordt gedaan na het uitwerken van de business case als er meer zicht is op het financiële plaatje en de risico’s? Antwoord a. Geen reservering van alle drie de partijen roept veel onzekerheden op in de uitwerkingsfase voor de beoogde ambitie en vereiste business case, strategie en commitment. Dit maakt de uitwerkingsfase ‘vleugellam’. b. Met de goedgekeurde reservering kan Den Haag de gewenste zeggenschap op de voor ons belangrijkste punten in het Haagse PIW bewerkstelligen. c. Voor netbeheerders Stedin en Tennet is de reservering en het perspectief dat dit biedt op de uitrol van warmtenetten ook van groot belang. Warmtenetten vormen een belangrijk onderdeel van de inzet op het voorkomen van verdere netcongestie in Den Haag. Er blijkt voortvarendheid uit van de gemeente in de warmtetransitie. 15.

Komt de gereserveerde 30 miljoen euro weer beschikbaar als de raad niet instemt met de uitgewerkte business case? Antwoord Ja, de middelen komen dan binnen de reserve Duurzaamheid en Energietransitie weer beschikbaar voor de vastgestelde programmalijnen. Voor de volledigheid: De daadwerkelijke inzet van deze middelen vraagt vooraf een afzonderlijk raadsbesluit. 16. Krijgt de raad na de uitwerkingsfase een geüpdatete schatting van de financiële opgave? Antwoord Ja, die zal aan de raad worden gezonden.

16/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/10928950

17. Wat zijn de gevolgen voor (de oprichting van) een PIW als de raad na tien jaar besluit niet verder te investeren, of als de raad besluit niet in te stemmen om meer geld beschikbaar te stellen als dat tussentijds nodig blijkt? Antwoord In het eerste geval bestaat er na tien jaar een PIW dat warmte levert aan 24.000 aansluitingen en dat kan blijven doen. Aangegane leningen (vreemd vermogen) kunnen worden afgelost uit de inkomsten van de levering van warmte. De groei van het aantal aansluitingen is dan beperkt tot de financieringscapaciteit die het PIW dan heeft op basis van haar eigen vermogen. Het tweede geval doelt op het risico dat er in de eerste fase meer inbreng eigen vermogen nodig blijkt dan vooraf is geraamd. Hoe om te gaan met dit en andere risico’s wordt in de uitwerkingsfase samen met de beoogde partners uitgewerkt. De uitwerking hangt ook af van de inrichting en voorwaarden van het waarborgfonds, dat een groot deel van de financiële risico’s zal afdekken. 18. Wie dragen het financiële risico bij warmtegemeenschappen? Antwoord Het financiële risico wordt in zijn algemeenheid gedragen door de bij de warmtegemeenschap betrokken financiers: leden van de warmtegemeenschap (inwoners), minderheidsaandeelhouders (als die er zijn), kredietverstrekkers en het waarborgfonds.

Meestal dragen de leden van de warmtegemeenschap echter zelf geen risicodragend kapitaal bij, maar betalen ze wel voor de aansluitkosten. Bij Stichting Energie Samen waarmee door de gemeente wordt samengewerkt is veel informatie over de verschillende financiële modellen voor bewonersinitiatieven beschikbaar en de beheersing van de daarbij horende financiële risico’s. 19. Op welke mogelijke onverenigbare belangen wordt gedoeld als het gaat om een publiek private samenwerking? Hier wordt in hoofdstuk 9 niet op ingegaan. Antwoord Het belangrijkste verschil in belangen is het wel of niet gericht zijn op winstmaximalisatie versus betaalbaarheid en duurzaamheid. 20. Het Beleidskader Verbonden Partijen 2024 stelt dat bij het aangaan van een verbonden partij de uitwerking van de business case onderdeel is van deze onderzoeksfase, niet van de uitwerkingsfase zoals wordt voorgesteld. Waarom wordt afgeweken van de afgesproken procedure? Antwoord Dit is het gevolg van de toezegging van het college om de partnerkeuze eerst voor te leggen aan de raad. Na akkoord van de gemeenteraad wil het college de business case samen met de partners uitwerken. 21.Wanneer in 2026 wordt het besluit over de oprichting van een PIW verwacht? Is dit in de nieuwe raadsperiode? Antwoord Het oprichtingsbesluit wordt tegen het einde van 2026 verwacht, na de gemeenteraadsverkiezingen.

Wet collectieve warmte (Wcw) 22. Op welke termijn verwacht het college warmtekavels aan te wijzen, wat is de planning hiervoor? Wat is de rol van de raad hierin? Antwoord De termijn waarop warmtekavels moeten en kunnen worden aangewezen is afhankelijk van de datum waarop de Wcw in werking treedt. Dat is op dit moment nog niet bekend.

17/24

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/10928950

De aanwijzing van een warmtekavel is een bevoegdheid van het college. De aanwijzing van een kavel moet passen binnen de kaders van het warmteprogramma. Het opstellen en vaststellen van het warmteprogramma is ook een bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders. Het college zal de gemeenteraad wel de gelegenheid bieden om kaders mee te geven waar het college rekening mee moet houden. Daarbij moet de raad rekening houden met bijvoorbeeld de milieueffectrapportage voor plannen (planMER). Vragen van CDA: 1. Zijn de technische uitgangspunten inzichtelijk op basis waarvan een Haags Publiek Integraal Warmtebedrijf samen met EBN en Netverder zou kunnen werken; Antwoord De Transitievisie Warmte (RIS313867, vastgesteld 19 januari 2023) en de bronnenstrategie (RIS318482, vastgesteld 2 april 2024) bevatten technische uitgangspunten voor de ontwikkeling van warmtenetten. De Transitievisie Warmte zal in 2026 worden geactualiseerd in het warmteprogramma. Daarin moet op basis van de recente actualisering van de startanalyse van PBL, isolatie gegevens van woningen in de stad en andere kenmerken van buurten (zoals ondergrond), worden gekeken naar welke techniek voor welke wijken en buurten de meest geschikte optie vormt.

Het raadsvoorstel voor het PIW concentreert zich (in eerste instantie) op de zogenoemde ‘groene wijken’ uit de transitievisie warmte waar midden-temperatuur warmtenetten worden voorzien. Het meest concrete uitgangspunt is een aanlevertemperatuur van 70°C of lager voor nieuwe aansluitingen, zodat geothermie als bron ook benut kan worden. a. Op welk temperatuur en op welk drukniveau denkt de gemeente warmte/koude te gaan aanbieden voor nu en de komende tien jaar? Antwoord Het college gaat er van uit dat voor de beoogde midden-temperatuur warmtenetten vooral warmte geleverd wordt op een temperatuur van ca. 70°C. Daarvoor kan zowel restwarmte of geothermie warmte worden benut. Een drukniveau is niet bekend. b. Is koude levering inbegrepen? Antwoord Voor wijken waar een midden-temperatuur warmtenet de voorkeur geniet, is koude levering vooralsnog niet voorzien. c. Hoe sluiten lokale hernieuwbare bronnen aan bij dat temperatuurniveau Antwoord Geothermie levert een temperatuur van 70° C of hoger, ofwel middentemperatuur. Aquathermie kan dit temperatuurniveau halen, mits opgewaardeerd met warmtepompen, maar levert bij lagere temperaturen efficiënter. Aquathermie is daarom primair een bron voor lage-temperatuur netten. d.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15916094/1