RIS323021 Monument ter herdenking van het Indisch Oceanische koloniaal en slavernijverleden Bijlage 2 en 3
Tekst van het document
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 39
40 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Layla Dortalina “Tambú is voor mij een instrument, ritme en gevoel.” “Deze tambú heb ik gekocht bij Pincho, dé man op Curaçao die ze nog maakt en er in lesgeeft. Voor mij is het een instrument, maar ook een ritme en gevoel. De oorsprong van tambú gaat terug naar de tijd van slavernij. Hiermee werd gecommuniceerd en het was een manier om te ontspannen. Ik vind het belangrijk die geschiedenis te kennen, maar mijn blik richten op de toekomst vind ik net zo belangrijk.”
Tambú Tambú is een trom, maar ook zang, muziek en dans. Deze mix is ontstaan uit verschillende Afrikaanse ritmes, klanken en bewegingen die door tot slaafgemaakte mensen zijn meegenomen naar het Caribisch gebied. In de tambú-liederen werden ooit de misstanden op de plantages en emoties bezongen, in de 20ste eeuw ook politieke en alledaagse gebeurtenissen. Tegenwoordig kan het over allerlei thema’s gaan. Tussen 1863 en 1952 werd tambú door het koloniale bestuur en de kerk verboden, maar bleef het in het geheim bestaan. Inmiddels is tambú ook bijgeschreven in de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland. Deze traditie afkomstig van de voormalige Nederlandse Antillen wordt ook in Nederland in stand gehouden.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 41
42 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Orlando P. Kromopawiro “Ik heb beloofd dit instrument door te geven.” Als Orlando jaren geleden Javaans-Surinaamse immigranten in Sint-Michielsgestel gamelan hoort spelen, gaat hij in de leer. Hij blijkt talent te hebben. Inmiddels geeft hij zelf les. Orlando heeft het gamelaninstrumentarium van deze oudere generatie Surinaamse Javanen mogen overnemen op voorwaarde deze kennis over te dragen aan jongere generaties. “Terwijl ik speel, denk ik aan onze voorouders, die als contractarbeiders in Indonesië werden geronseld voor werk in Suriname. Gamelan stelde hen in staat om vormen van kunst, amusement en vermaak uit Indonesië ook in Suriname te beoefenen. Het was een manier om heimwee naar Indonesië tegen te gaan. Nu doen we eigenlijk hetzelfde. Terwijl we in Nederland spelen, denken we aan Suriname.”
Gamelan Sinds 2021 is de Surinaamse variant van de Javaanse gamelantraditie bijgeschreven in de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland. De gamelan is een verzameling van percussie-instrumenten, die bespeeld worden met de hand of ‘klopper’. Het is ‘gedeeld’ erfgoed, dat zijn oorsprong vindt in Indonesië. De slaginstrumenten van het Indonesische eiland Java, waren van brons en dus te zwaar en kostbaar om mee te nemen naar Suriname. De slaginstrumenten in Suriname zijn daarom gemaakt van ijzer of messing. Dit verschil in materiaal vertelt daarmee ook het migratieverhaal.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 43
44 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Raden Mas Bambang Sujarwanto “Geschiedenis kan mensen helpen.” Bambang gelooft dat geschiedenis mensen kan helpen. “Door het verhaal van prinses Noeroel door te vertellen wil ik het van betekenis laten zijn voor de huidige generatie. Niet alleen in Surakarta, maar ook in Den Haag. We delen die geschiedenis. Prinses Noeroel trad als 16-jarige op in paleis Noordeinde te Den Haag. Op de vooravond van het huwelijk van prinses Juliana en prins Bernhard in 1937 danste ze Serimpi, een traditionele Javaanse hofdans. De klanken waarop ze danste, kwamen rechtstreeks van een gamelanorkest dat in het paleis van Surakarta op Java speelde. Elektronica-bedrijf Philips maakte daarvoor een rechtstreekse radioverbinding met het paleis.” Noeroels vader is de vorst Mangkoenegoro VII, de jongere broer van Bambangs betovergrootvader.
Boek over Gusti Raden Ayu Siti Noeroel Kamaril Ngasarati Kusumawardhani.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 45
46 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Imro Arjun “De vijzel is onderdeel van een vergeten keuken.” Voor Imro is deze authentieke vijzel onderdeel van wat hij “een vergeten keuken” noemt. “Als ik een moderne vijzel zou gebruiken, zouden de kruiden- en specerijen- mengsels anders smaken.” Deze vijzel is in 1873 meegenomen vanuit India naar Suriname. Imro kreeg de vijzel van een vriend en gebruikt het nog dagelijks. Het liefst voor kruiden die zijn zus meeneemt uit Suriname. “Ik vind het belangrijk om het belang van geschiedenis te laten zien. Zo heb ik ooit voor de klas van mijn kinderen Surinaams gekookt en verteld over de cultuur. Ik vind het belangrijk dat iedereen zijn eigen vooroudergeschiedenis kan leren kennen. Daardoor leer je over jezelf. Voor mij staat de driehoek India, Suriname en Nederland voor een rijk leven: verschillende geschiedenissen en culturen komen samen.”
Vijzel.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 47
48 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Bea Martis “Van eenvoudig materiaal kun je alles maken.” “Als mensen verhuizen dan nemen ze in hun nieuwe huis als eerste maaltijd bonchi kòrá (kidney bonen). Deze maaltijd staat voor overvloed aan eten in het nieuwe huis. Ik kan me herinneren dat mijn oma Gran op Curaçao deze maaltijd voor familieleden die gingen verhuizen klaarmaakte en dat ik haar dan hielp om bonchi kòrá met de palu di lele te malen. De palu di lele is gemaakt van hout en dient als een garde (met drie uitstekende tanden). Eenvoudig materiaal, waarvan je alles kunt maken. Deze voorwerpen worden nog steeds gebruikt. Bij deze maaltijd werd funchi, een maisgerecht, gegeten waarbij we dan bij de bereiding de palu di funchi (rond aan de ene kant, plat aan de andere) gebruikten om de funchi te draaien. Om de klonten weg te werken. De funchi werd langzaamaan steviger en egaler tijdens het draaien. Dit zorgde voor sterke armspieren!”
Palu di funchi en palu di lele.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 49
50 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Rob van Olphen “Deze Indische saucijs wordt nog steeds verkocht.” “Mijn vader, Henk van Olphen, is als slager begonnen in 1926 op de Loosduinseweg. In de jaren ‘50 kwamen mensen uit Nederlands-Indië met een heel ander eetpatroon. Een aardige Indische klant heeft mijn vader geleerd om de echte Indische saucijzen te maken. Hij gebruikte daarvoor een worststoppertje zoals deze. Uiteindelijk ging de reclame voor deze worst van mond tot mond. Het was een enorm succes. Indische gezinnen kwamen uit heel Nederland om ze bij ons te kopen. Dit is uitgegroeid tot meer dan vijftig verkoopadressen in heel Nederland.” De Indische saucijzen van Van Olphen worden nog steeds volgens het originele recept gemaakt.
Worstvulpijp.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 51
Halsdoek meegenomen tijdens de onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië. De letters TNI staan voor Tentara Nasional Indonesia (Indonesisch Nationaal Leger) en SLW staat voor Divisi Siliwangi, een elite divisie van het Indonesisch Leger. De tijgerkop is hun embleem.
52 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
R. Vrij “Wat daar in Indië gebeurde, waar hij aan mee deed: dat deugde niet.” Sommige familiegeschiedenissen zijn lastiger te vertellen, zo ook het verhaal van deze doek. ‘Als kleine kinderen vonden wij een schoenendoos in de slaapkamer van mijn ouders. Ver weg gestopt. Er zaten foto’s en documenten in, maar ook deze doek. We wisten zonder dat we begrepen waarom, dat we iets gevonden hadden dat misschien beter geheim kon blijven’. Na lang aandringen vertelt hun vader eenmalig het verhaal van de doek. ‘Op een nacht was mijn vader op patrouille als soldaat in Nederlands-Indië. In de jungle zagen zij geen hand voor ogen, maar ze wisten dat het gevaar van de vijand overal was. En opeens stond hij daar, de jongen die de vijand was, met een geweer in zijn handen. In een fractie van de seconde wist mijn vader: het is hij of ik. En de jongen was eerst, hij haalde de trekker over, mijn vader hoorde het en er gebeurde niets, het geweer weigerde. En toen schoot hijzelf.’ In een impuls neemt hij de halsdoek die om de nek van de jongen zat mee. Deze halsdoek heeft hij de rest van zijn soldatenleven meegedragen. Om hem te herinneren aan die nacht en de daad die hij had begaan. ‘Hij vertelde aan ons dat hij toen besefte dat wat daar in Indië gebeurde, waar hij aan mee deed: dat deugde niet. De herinneringen aan Indië hebben hem zijn hele leven opgejaagd.
Tot aan zijn dood leefde hij met grote gevoelens van schuld’. De doek wordt nu door zijn kinderen bewaard, om niet te vergeten wat zich daar heeft afgespeeld en wat de prijs hiervan is geweest.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 53
54 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Fergus Koeiman “Oma Gran is mijn fundament.” Fergus schrijft in 2015 het gedicht Het Huis van Oma Gran naar aanleiding van de maatschappelijke discussie over racisme. Ermania Mathilda Girigori, zoals zijn overgrootmoeder voluit heet, is de mater familias. Dat was ze niet alleen voor de familie; haar deur stond altijd open voor iedereen uit de buurt. Oma Grans huis in Willemstad (Curaçao) is een metafoor voor Fergus’ plek op de wereld: “Oma Gran is mijn fundament. Door haar weet ik wie ik ben en waar ik vandaan kom. Het gedicht is een eerbetoon. Tegelijkertijd ben ik opgegroeid met het idee dat bepaalde dingen niet altijd voor mij zijn weggelegd. Met dit gedicht wil ik juist laten zien dat ik mijn talent kan én mag uitdragen. Ik hoop daarmee anderen te inspireren.”
Het huis van Oma Gran Vier generaties zitten er, tussen mij en mijn oma Gran. Oma Gran is 99 jaar oud geworden. Acht jaar was ik, toen ik haar voor het eerst zag. Oma Gran, haar ouders, zijn slaven geweest. Oma Gran is de moeder van mijn oma. Oma Gran was een hele wijze vrouw. Tot in de lengte van dagen zal ik mij verbonden voelen met oma Gran, want ik heb haar gezien. Ik kan de geuren van haar huis herinneren. Ik zie haar nog zitten op haar houten stoel, in haar houten huis. Oma Gran had een gele jurk aan, met een wit doekje op haar hoofd. Een zwarte vrouw met blauwgrijze ogen... die niet meer konden zien. Oma Gran was blind. Ooit was er een tijd dat zij wel kon zien. Ze heeft de wereld gezien en ze heeft de wereld begrepen. Ze begreep alle mensen en alle kinderen. Ik weet zeker dat ze God ook begreep. Ik schrijf dit op, omdat ik nu weet dat ik spreken moet. Zwijgen is niet wat toekomt aan oma Gran, haar ouders en haar grootouders. De stem en adem van generaties, werden onwillekeurig verstild, ontnomen. Wie ben ik dan, om keer op keer, in angst te blijven leven? Onzichtbaar, verborgen; er niet toe durven doen. Het is juist nu dat ik moet weten, Dat ik de wereld óók kan zien, en kan begrijpen. Het is mijn verantwoordelijkheid om te vliegen. En om te blijven zweven, zodat anderen kunnen zien dat ik vlieg. Opdat zij ook durven te vliegen.
Ik schrijf omdat ik nu kan schrijven, het luik van mijn ziel staat open. Ik ben een nazaat van oma Gran, ik zal spreken omdat ik het kan. Leven zal ik, vrij van lichaam. Vrij van geest, in het huis van Oma Gran.
Gedicht Het Huis van Oma Gran.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 55
56 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Joan Elbers Tjok-A-Sang “Anders had ik niet bestaan.” Joans vader gebruikte dit boek om Hakka te leren. Joans opa behoorde tot de HakkaChinezen in Suriname. “Het boek betekent veel voor mij. Zowel mijn opa als vader moeten het in handen hebben gehad. Mijn opa wilde dat mijn vader een Chinese opvoeding kreeg. Er is mij verteld dat hij mijn vader tot twee keer toe vanuit Suriname mee wilde nemen naar China. De eerste keer stak mijn moeder daar een stokje voor. De tweede keer wilde mijn opa alleen een enkele reis kopen. Mijn vader wilde wel terug kunnen naar Suriname, dus de reis ging niet door. Gelukkig maar, want als hij weg was gegaan, dan had ik misschien niet bestaan.”
Leerboek.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 57
58 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Marisol Kemmel “We staan op de schouders van onze voorouders.” Voor Marisol staan deze armband en stoel symbool voor de voorouders op wier schouders ze staat. “De stoel is van de tante van mijn opa die nog in slavernij is geboren. Ze heeft het mogelijk geërfd. De armband is van mijn overgrootmoeder die in 1913 ontvoerd is op Java en naar Suriname is verscheept om daar als contractarbeider te werken. Ze kwam aan in Suriname met deze armband en de sarong die zij droeg. De Surinaamse samenleving bestaat uit groepen die oorspronkelijk merendeels door Nederland daarnaartoe zijn verscheept. Mijn familiegeschiedenis kent zowel slavernij als contractarbeid. Zij hebben de weg voor ons bereid. Dankzij hen kunnen we onze rol pakken in de maatschappij.”
Armband en dyarusu sturu (stoel).
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 59
60 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Ruud Chander “Wat drijft je om huis en haard te verlaten?” Toen Ruuds moeder stierf, is deze enkelband van haar enkel gehaald. “Ze was eigenlijk niet mijn biologische moeder, maar wel heel belangrijk voor mij. Ik noemde haar daarom ‘Grote Moeder’ of ‘Barki Mai’. Ze kwam op haar 24ste in haar eentje uit India naar Suriname. Ze hoopte op een beter perspectief. Daar werd ze tewerkgesteld als contractarbeider. Ik vraag mij vaak af: ‘Hoe heeft ze dat gedurfd? Wat dreef haar om huis en haard te verlaten?’ Omdat ik zelf weinig van de familiegeschiedenis heb meegekregen, ben ik onderzoek gaan doen en heb ik er een boek over geschreven.” Ruud werkt nu aan een vervolg op dit boek.
Enkelband.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 61
62 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Raki Ap “Nederland heeft een ‘gedeelde’ geschiedenis met West-Papua.” “Op deze kaart zie je de Nederlandse benamingen van West-Papua, dat ooit deel uitmaakte van het Koninkrijk der Nederlanden en Nederlands Nieuw-Guinea heette”, vertelt Raki. “De soevereiniteit werd in 1962 niet aan de Papoea’s, maar door Nederland aan Indonesië overgedragen.” Raki is woordvoerder van de Free West Papua Campaign, dat strijdt tegen de schending van mensenrechten van de Papoea’s en opkomt voor zelfbeschikking. “Vanuit Den Haag werden ooit de koloniale gebieden vormgegeven. Landkaarten als deze werden gebruikt voor aardrijkskundelessen. Veel mensen kennen die geschiedenis niet meer, terwijl het tot op de dag van vandaag gevolgen heeft voor de Papoea’s. Daarom doe ik wat ik doe: vertellen, onderwijzen en bewustwording creëren.”
Landkaart.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 63
64 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Raya Nunez-Mahdi “Met deze pannen leeft hij voort.” Raya’s oudtante Olga Maria Stephan bewaarde deze pannen haar leven lang. De pannen waren van Olga’s echtgenoot Ludwig Cassimir Kissing, geboren op Sumatra. Ludwig werd tijdens de Tweede Wereldoorlog als KNIL-militair door Japanners geïnterneerd in krijgsgevangenkampen en gedwongen te werken aan de Birma-Siam spoorlijn. Met deze pannen kookte hij. “Ik zag Olga als mijn oma. Net als haar man overleefde ze de Japanse kampen, maar ze verloor hem een jaar na de bevrijding. Ondanks alles wat ze heeft meegemaakt, zat ze niet stil. Ze was haar tijd ver vooruit: ze werkte, hield van reizen en verzamelde design. Met het bewaren van deze pannen leeft haar geliefde voort. Ook voor mij. Daarom wil ik met deze pannen hun oorlogsverhaal doorvertellen.”
Pannenset.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 65
66 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Diana Vlet “Zo geef ik de inheemse cultuur door.” Diana zet zich in voor het verhaal en de rechten van inheemse Surinamers. “Het verhaal van de tot slaaf gemaakte inheemsen wordt vaak vergeten als het gaat om het slavernijverleden. Ook vandaag de dag worden de rechten van de inheemse bevolking in Suriname geschonden. Daarom vind ik het belangrijk om deze traditionele ketting en klederdracht te dragen. Dat doe ik bijvoorbeeld tijdens herdenkingen. Op deze manier wil ik de inheemse cultuur uitdragen en doorgeven.”
Ketting en kleding.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 67
68 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Krofaya Kromanti “Het herinnert mij aan de geschiedenis die ik heb meegekregen.” Voor Krofaya herinneren deze preskammen (haarkammen) aan haar jeugd en de strijkbouten aan de geschiedenis die ze van haar ouders en grootouders heeft meegekregen. Ze gebruikte deze preskammen vroeger als ze met vriendinnen bijeenkwam. “In elk gezin waren deze kammen aanwezig. We maakten er een competitie van: wie kan het beste ‘pressen’, haren glad maken. Voor mij hebben deze preskammen met mode te maken. De strijkbouten met onderdrukking. Zo is mijn overgrootmoeder na de afschaffing van slavernij wasvrouw geworden. En hoewel slavernij was afgeschaft, betekende dat niet minder hard werken.”
Preskammen en strijkbouten.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 69
70 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Frank Kanhai “Door wandelingen komt de geschiedenis tot leven.” Dit is het paspoort waarmee Frank na de onafhankelijkheid van Suriname naar Nederland kwam. Zijn moeder verkocht al haar sieraden om de reis voor zichzelf en haar kinderen te bekostigen. Ze wilde hen een nieuwe toekomst geven in Nederland, dat ze zag als haar land. “Mensen verlaten hun thuis niet zomaar. Ik kijk het liefst naar de mens achter een situatie, zoals waarom mensen vluchten. Daarom vind ik het belangrijk over de koloniale en slavernijgeschiedenis te vertellen tijdens stadswandelingen die ik organiseer in Den Haag. Door deze verhalen te delen, geloof ik dat je elkaar ook beter leert kennen.”
Paspoort.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 71
72 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Constance Doorson “De natuur helpt je om te overleven.” Voor Constance laten deze voorwerpen zien dat je uit de natuur kunt halen wat je nodig hebt. “Met gebruik van de natuur konden tot slaafgemaakte mensen overleven. In de Winticultuur worden de krabasi gebruikt voor rituele wassingen (gietingen) of om te bidden. De voorwerpen, zoals de sek’seki zijn gemaakt van Crescentia-boom. Van deze boom wordt alles gebruikt: de schil en het vruchtvlees. Voor gebruiksvoorwerpen, medicijnen en zelfs als middel tegen vlooien. Veel Surinamers zullen de boom herkennen. Deze voorwerpen in het museum laten zien, is voor mij een vorm van erkenning.”
Krabasi (kommetje) en sek’seki (muziekinstrument).
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 73
74 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Magda Lacroes-Felesita “De Caribische eilanden zijn onderdeel van Nederland. Dus ook de taal.” Papiaments is Magda’s moedertaal. Dit koestert zij. Deze zeldzame boeken staan voor haar persoonlijke geschiedenis. In deze boeken staan onder meer vertalingen naar het Nederlands, Engels en Spaans van gezegden en spreekwoorden in het Papiaments. “Ik vind het belangrijk dat er aandacht is voor het feit dat de Caribische eilanden vandaag de dag nog steeds onderdeel zijn van het Koninkrijk der Nederlanden. Taal is daar een heel belangrijk onderdeel van.”
Papiaments ‘Papiaments’ is een Creoolse taal die wordt gesproken op de ABC-eilanden: Aruba, Bonaire en Curaçao. Op Aruba wordt de etymologische spelling van het Papiaments gebruikt; op Bonaire en Curaçao gebruikt men daarentegen de fonetische spelling van het Papiaments. Op de eilanden is naast Nederlands ook Papiaments een officiële taal. Papiaments betekent letterlijk ‘gepraat’. Veel woorden in het Papiaments komen uit het Gueni of Guene, ook wel Géni of Gené. Gueni (afgeleid van Guinea) is een uitgestorven taal, die door West-Afrikaanse tot slaafgemaakte mensen naar Curaçao werd gebracht en onderling gesproken.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 75
76 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Hariëtte Mingoen “Zo leeft de Javaanse taal voort.” Deze bijbel uit 1896 is vermoedelijk met de voorouders van Hariëtte naar Suriname gekomen. “Mijn vader is vanaf zijn tiende grootgebracht door zijn oom, die in Suriname zendeling is geworden en deze bijbel in bezit had. Mijn vader heeft de bijbel op zijn beurt gekoesterd en zijn naam er twee keer in geschreven: met potlood én pen. Alsof hij wilde verzekeren dat zijn naam niet uitgewist kon worden. Op de bootreis naar Suriname werden bijbels uitgedeeld aan contractarbeiders om ze te bekeren tot het christelijk geloof. De allereerste Javaanse zendeling vertelde ooit dat contractarbeiders deze bijbels weggooiden, omdat zij ze niet konden lezen. Ook gebruikten ze de bladen als vloeipapier voor een sigaret.” Het gezangenboek, ook uit Indonesië, wordt nog steeds gebruikt als bron voor liedteksten in het Surinaams-Javaans. De liedteksten worden in de kerken van de Evangelische Broedergemeente (EBG) in Suriname en in Nederland gezongen. Zo leeft de Javaanse taal voort.
Bijbel en gezangenboek.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 77
78 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Aroen Ramdas “De Hindostaanse taal van toen verdwijnt.” Deze bandrecorder is door Aroens vader gekocht toen zij als gezin net in Nederland waren. Zo onderhielden ze tussen 1970 en 1975 contact met familie in Nickerie, Suriname. Zijn oom in Suriname ging met eenzelfde recorder naar het huis van Aroens oma, die 25 kilometer verderop woonde. Daar spraken familieleden de geluidsbanden in die naar Nederland werden gestuurd. “Persoonlijk betekent dit voor mij nostalgie. Ik kan de ooms en tantes herkennen aan hun klankkleur. En ik kan ze voor mij zien, door wat ze inspreken, zingen en er doorheen roepen. Wat mij bijzonder opvalt, is de taal. Hoe die zich vanaf de jaren ‘70 verder heeft ontwikkeld. De Hindostaanse taal van toen verdwijnt. Ik wil de tapes daarom digitaliseren en op YouTube zetten.”
Bandrecorder
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 79
Verantwoording De tentoonstelling KOLONIAAL DEN HAAG, EEN ONVOLTOOID VERLEDEN en deze publicatie zijn gerealiseerd door het Haags Historisch Museum. Publicatie ontwerp door Spinner & Langkous Gedrukt door Booxs Fotografie door Anoesjka Minnaard Fotografie, Jassir Jonis – Goedkroon, Gerrit Vermeulen – Lightside Met dank aan Aroen S. Ramdas Bea Martis Bijzondere collecties Leiden KITLV Constance Doorson Diana Vlet Familie Hardey Familie Kemmel-Kartowikromo Familie Mahdi Familie Mingoen Fergus Koeiman Frank Kanhai Imro Arjun Joan Elbers Tjok-A-Sang Krofaya Kromanti Layla Dortalina Magda Lacroes-Felesita Marisol Kemmel-Inderson R. Vrij Multatuli Museum Museum Boijmans van Beuningen
Museum Rotterdam Nationaal Archief Den Haag Nationaal Museum van Wereldculturen Orlando P. Kromopawiro Raden Mas Bambang Sujarwanto Raki Ap Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Rijksmuseum Amsterdam Rob van Olphen Ruud Chander Stichting Afimo Stichting Comité Herdenking Javaanse Immigratie (STICHJI) Stichting Dutch Caribbean Book Club Stichting Eekta Stichting Pelita Stichting Rukun Budi Utama Stichting Sarnámihuis Stichting Tong Tong Fair Stichting Ya Ya Dande
De tentoonstelling is mede mogelijk gemaakt door
Het Haags Historisch Museum heeft ernaar gestreefd alle beeldrechten na te gaan. Belanghebbende worden verzocht contact op te nemen met het museum.
80 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag