RIS323021 Monument ter herdenking van het Indisch Oceanische koloniaal en slavernijverleden Bijlage 2 en 3
Tekst van het document
Koloniaal Den Haag Een onvoltooid verleden
Voorwoord In 2023 wordt in ons land het Nederlandse slavernijverleden en de Hindostaanse immigratie herdacht. In dit herdenkingsjaar wordt in heel Nederland stil gestaan bij het koloniale verleden. Zo ook in het Haags Historisch Museum, waar vanaf 25 maart 2023 een tentoonstelling over dit verleden gepresenteerd wordt. De rol van Den Haag in het koloniale systeem is lange tijd onderbelicht gebleven. Bij Nederlands kolonialisme wordt meestal gedacht aan handelssteden als Amsterdam, Rotterdam en Vlissingen. Hun koloniale verleden en hun betrokkenheid bij de handel in tot slaaf gemaakten, is de laatste tien à twintig jaar diverse malen onderwerp van onderzoek geweest. De stad Den Haag kreeg hierbij veel minder aandacht. Maar hoewel Den Haag geen handelsstad was, speelde het als regeringsstad wel degelijk een zeer bepalende rol in het koloniale systeem. Een eerste studie naar dit verleden verscheen afgelopen november met de publicatie van Het koloniale en slavernijverleden van Hofstad Den Haag ¹.
Het boek werd in de Koninklijke Schouwburg aangeboden aan burgemeester Van Zanen, die daarna in een indrukwekkende toespraak zijn excuses aanbood ‘voor de wijze waarop voorgangers van ons, het systeem van kolonialisme en slavernij hebben ondersteund en ervan hebben geprofiteerd.’ Deze excuses werden door de volle zaal met een groot applaus en bij sommigen ook met een traan in ontvangst genomen. Deze reacties maken zichtbaar dat ons koloniale verleden ook een onvoltooid verleden is. Een verleden waar niet altijd op een volledige en een eerlijke manier naar is gekeken, met respect en nieuwsgierigheid voor de geschiedenis van álle betrokkenen. Bestuurders in Den Haag namen eeuwenlang tal van belangrijke besluiten die diep en vaak rampzalig ingrepen in de levens van de inwoners van de toenmalige koloniën. Om deze besluiten invoelbaar te maken kiezen we in de tentoonstelling voor een meerstemmig perspectief. Zo spiegelen we in de eerste zalen elf koloniale bestuurders aan mensen die destijds blootgesteld werden aan het beleid dat in Den Haag werd uitgedacht en ingevoerd, daar slachtoffer van werden en/of zich daar juist tegen verzetten. De sporen van het koloniale verleden vind je overal terug in Den Haag. Fysiek, zoals in straatnamen, gebouwen, monumenten en talloze restaurants, maar ook in verhalen bij huidige inwoners van de stad.
In de tentoonstelling reserveren we daarom één zaal voor de oral history van deze Hagenaren en Hagenezen. Aan de hand van twintig persoonlijke voorwerpen vertellen zij hun verhaal. Over hun band met het koloniale verleden, over de doorwerking daarvan in hun leven en over wat dit betekent voor de stad van vandaag. Op onze oproep aan stadsgenoten om hun verhaal met een bijpassend voorwerp met ons te delen, gaven ruim honderd mensen gehoor. Zij deelden hun inspirerende en soms aangrijpende verhalen via de email, telefoon of in zg. ‘verhalensalons’. Daar zijn wij hen heel
2
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
dankbaar voor. De groepsgesprekken organiseerden we samen met de Dutch Caribbean Book Club, Stichting Eekta, Stichting Afimo, Tong Tong Fair en Museum Sophiahof. Ook bij de woongemeenschappen Bangun Trisno en Wisma Tunggal Karsa zijn verhalen gedeeld. Het was een uitdaging om uit al die verhalen en objecten er twintig te selecteren die op zaal getoond zouden gaan worden. Hiertoe hebben wij een adviespanel van vijf personen samengesteld, met kennis over de verschillende gemeenschappen van Den Haag. Wij hebben hen gevraagd deze moeilijke keuze samen met ons te maken. Ook hebben zij ons geadviseerd bij andere aspecten van de tentoonstelling, zoals bij het ontwerp, de vormgeving en de teksten. De expertise van de panelleden heeft ons bij de samenstelling van deze tentoonstelling ontzettend geholpen, waarvoor veel dank. De komende maanden zullen de objecten en de verhalen uit deze tentoonstelling het koloniaal verleden van Den Haag en de doorwerking daarvan in de huidige stad een gezicht geven. Ik hoop dat dit leidt tot mooie ontmoetingen, leerzame gesprekken en inspiratie voor de toekomst van Den Haag. Dit boekje, dat ook wordt gebruikt bij de voorbereiding van lessen in het onderwijs, kan bij een bezoek aan de tentoonstelling als schriftelijke gids dienen, of als naslag om thuis nog eens door te lezen.
Tjeerd Vrij Directeur Stichting Haags Historisch Museum
¹ Onder redactie van Esther Captain, Gert Oostindie en Valika Smeulders en waar onze medewerker K. Sukul ook een hoofdstuk voor aanleverde: ‘Vijftien jaar ervaring in het omgaan met koloniaal erfgoed in de stad’.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
3
Tijdlijn
1596 Eerste Hollandse schepen in Indische archipel
1602 Oprichting Verenigde OostIndische Compagnie (VOC)
1613 Nederlandse handelspost op plaats waar nu Paramaribo ligt (Suriname)
1616 Nederlandse kolonie Essequebo (Guiana)
1619
1621
1652
Oprichting West-Indische Compagnie (WIC) • Genocide op Banda om monopolie op nootmuskaat veilig te stellen (Indonesië)
Nederlands fort op Kaap de Goede Hoop (Zuid-Afrika)
1624
Vrede van Breda: Nederland houdt Suriname, Britten krijgen Nieuw-Amsterdam (NoordAmerika)
Stichting Nieuw-Nederland (Noord-Amerika)
1627 Stichting Nederlandse kolonie Berbice (Guiana)
1633 Verovering Sint Maarten, gevolgd door Bonaire, Aruba, Curaçao, Sint Eustatius en Saba
1637 Verovering fort Elmina, gevolgd door andere handelsposten (Ghana)
Verwoesting Jayakarta en bouw fort Batavia onder leiding van J.P. Coen (Indonesië)
4
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
1667 1674 Faillissement eerste WIC, oprichting tweede WIC
1683 Oprichting Sociëteit van Suriname
1746 Nederlandse kolonie Demerary gesticht (Guiana)
1760 Vredesverdrag Ndyuka Marrons (Suriname)
1762
1799
1830
Vredesverdrag Saamaka Marrons (Suriname)
Opheffing VOC
Invoering Cultuurstelsel (Nederlands-Indië)
1763 Opstand tot slaaf gemaakten onder leiding van Kofi (Berbice)
1765
1814 Verdrag van Londen: NederlandsIndië en Suriname terug in Nederlands bezit; Berbice, Demerary, Essequibo, Ceylon en Kaapkolonie naar de Britten • Nederland schaft slavenhandel af
Verzet Marrons onder leiding van Boni (Suriname)
1815
1769 Vredesverdrag Matawai Marrons (Suriname)
Oprichting Koninkrijk der Nederlanden, inclusief beheer over koloniën NederlandsIndië, Suriname, de Antillen en handelsposten aan de Goudkust (Ghana)
1791
1817
Faillissement tweede WIC
Opstand Molukkers onder leiding van Kapitan Pattimura (Molukken)
1795 Opstand tot slaaf gemaakten onder leiding van Tula (Curaçao) • Opheffing Sociëteit van Suriname
1825 Java-oorlog (Nederlands-Indië), tot 1830
1853 Contractarbeid vanuit China start (Suriname)
1859 Multatuli schrijft ‘Max Havelaar’
1860 Nederland schaft slavernij af in Nederlands-Indië
1863 Nederland schaft slavernij af in Suriname en Antillen, start Staatstoezicht
1870 Afschaffing Cultuurstelsel (Nederlands-Indië)
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
5
1872
1934
1948
Fort Elmina en overige handelsposten verkocht aan de Britten (Ghana)
Anton de Kom schrijft ‘Wij slaven van Suriname’
Akkoord van Renville, politiek akkoord tussen VN, Indonesië en Nederland • Tweede ‘politionele’ actie: operatie Kraai
1873 Eerste contractarbeiders uit India komen aan met schip ‘Lalla Rookh’ (Suriname) • Atjeh-oorlog (Nederlands-Indië), tot 1942
1890 Contractarbeid vanuit Java start (Suriname)
1901 Ethische politiek van start (Nederlands-Indië)
1922 Oprichting Indonesische Vereniging door Mohammad Hatta
1927
1942 Japan bezet Nederlands-Indië
1945 Capitulatie Japan (Indonesië) • Sukarno roept onafhankelijkheid uit (Indonesië) • Start onafhankelijkheidsoorlog Indonesië • Geweld en chaos breekt uit in Nederlands-Indië: de Bersiap (Berdaulat) • Eerste migratiegolf uit Indonesië
1946 Akkoord van Linggadjati, politiek akkoord tussen Indonesië en Nederland
1947 Eerste ‘politionele’ actie: operatie Product
Oprichting Partai Nasional Indonesia (PNI) door Sukarno
6
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
1949 Nederland erkent Republiek Indonesië • Migratie naar Nederland vanuit Indonesië neemt toe
1951 Molukse KNIL-militairen naar Nederland
1954 Statuut: koloniën gelijkwaardige landen
1955 Bandung Conferentie
1961 Oprichting Nieuw-Guinea Raad, hijsen van Morgenster vlag (Papoea)
1963
2020
Papoea ingelijfd bij Indonesië • 500 Papoea’s komen met gezinnen naar Nederland
Koning Willem-Alexander biedt in Indonesië excuses aan voor Nederlands geweld
1969 Trinta di Mei staking op Curaçao
1975 Suriname onafhankelijk
1986 Aruba verwerft Status Aparte: zelfstandig land binnen het koninkrijk
2022 Minister-president Mark Rutte biedt excuses aan voor: • Structureel geweld tijdens Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog • Nederlands slavernijverleden
2023 Herdenkingsjaar afschaffing slavernij en start Hindostaanse immigratie
2010 Nederlandse Antillen opgeheven: Aruba, Curaçao en Sint Maarten zijn aparte landen binnen het Koninkrijk; Bonaire, Saba en Sint Eustatius zijn bijzondere gemeenten
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
7
Een onvoltooid verleden Ons koloniale verleden werkt tot op de dag van vandaag door, in voormalige koloniën zoals Indonesië en Suriname, in de zes Caribische eilanden die nog tot het Koninkrijk der Nederlanden behoren, én in Nederland. Kolonialisme betekent dat landen voor eigen gewin ergens anders in de wereld land bezetten en mensen onderwerpen. Het Europese kolonialisme ging eind 15de eeuw van start en duurde tot ver in de 20ste eeuw. Nederland behoort vanaf de 17de eeuw tot die kolonisatoren. Bij Nederlands kolonialisme wordt meestal gedacht aan handelssteden als Amsterdam en Rotterdam. Den Haag is geen handelsstad maar speelt, als regeringsstad, wel een bepalende rol in het koloniale systeem. In Den Haag worden eeuwenlang belangrijke besluiten genomen. Met ingrijpende gevolgen voor de toenmalige koloniën en Nederland. Die besluiten hebben vaak rampzalige gevolgen, voor veel mensen. Wie door de stad loopt, komt overal sporen van dit verleden tegen. Denk maar aan gebouwen als het voormalige ministerie van Koloniën, of aan de vele Indische en Surinaamse restaurants en de straatnamen in het Bezuidenhout en de Archipelbuurt. Ook de samenstelling van de Haagse bevolking maakt dit verleden zichtbaar. Samen met de stad staat het Haags Historisch Museum stil bij de rol van Den Haag in het koloniale verleden.
De verhalen van de koloniale bestuurders – en de mensen die destijds de gevolgen van deze besluiten voelden – maken duidelijk hoe verreikend de besluiten waren die hier in Den Haag werden genomen. De verhalen van stadsgenoten over het koloniale verleden laten zien hoe dit verleden ook vandaag de dag nog de levens van mensen beïnvloedt.
8
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Bestuurders en besluiten In Den Haag zetelt de landelijke regering én de stedelijke gemeenteraad. Het bestuur bestaat heel lang, op beide niveaus, uit een kleine groep mannen met veel geld. Deze mannen beslissen ook over het koloniale beleid: over het veroveren van nieuwe gebieden, over slavenhandel en de behandeling van tot slaaf gemaakte mensen, over oorlogsvoering en het neerslaan van verzet, over contractarbeid en nog veel meer. Hun macht reikt ver. In de 17de en 18de eeuw is Nederland een republiek. Het koloniale beleid wordt in die tijd overgelaten aan ondernemingen zoals de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en de West-Indische Compagnie (WIC). De macht in de koloniën zelf ligt bij gouverneurs. Omdat de afstand tussen de koloniën en Nederland groot is, is snel overleg over besluiten niet mogelijk. De gouverneur of (in Indië) gouverneur-generaal neemt daarom veel belangrijke besluiten zelf en is daarmee erg bepalend voor het koloniale beleid. In 1813 wordt Nederland een Koninkrijk en bepalen koning Willem I en later koning Willem II zelf het koloniale beleid. In 1848 neemt het parlement die verantwoordelijkheid over. Het beleid wordt sindsdien uitgestippeld op het ministerie van Koloniën. Veel landelijke bestuurders en stadsbestuurders hebben directe of indirecte belangen bij de koloniën.
Denk hierbij aan aandelen in de compagnieën en handelsondernemingen of het bezit van plantages. De bestuurlijke elite beschermt deze koloniale activiteiten: er moet namelijk zoveel mogelijk geld worden verdiend in de koloniën, voor het land en voor henzelf. Eeuwenlang nemen Haagse bestuurders besluiten over mensen. Mensen die duizenden kilometers ver weg van Den Haag leven. Van bestuurders tot leiders in het verzet. Van danser tot dominee. Hun verhalen tonen de gevolgen van het koloniale beleid.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
9
Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck – Tonay, Arybare, Sowana, Priyari en Kaikusi
Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck, maker onbekend, ca. 1680, Rijksmuseum Amsterdam.
Van deze personen is geen afbeelding bekend.
Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck (Den Haag, 1637 – Paramaribo, Suriname, 1688). Gouverneur-generaal van Suriname en mede-eigenaar van de Sociëteit van Suriname (1683 – 1688).
Tonay, Arybare, Sowana, Priyari en Kaikusi (Para gebied, Saramacca gebied en Coppenamegebied, Suriname, eind 17de eeuw). Belangrijkste inheemse leiders die samen het Rode Leger vormen.
10 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Het bewoonde land Als Nederlanders in de 17de eeuw in Suriname gaan koloniseren, is hun uitgangspunt dat dit gebied geen erkende staat is en dat zij vrij zijn er plantages aan te leggen. In werkelijkheid leven op deze grond al eeuwenlang mensen. Dit zorgt voor conflicten tussen de kolonisator en inheemse bevolking. Nederland drijft handel met de verschillende inheemse groepen maar zet de groepen ook tegen elkaar op als dat beter uitkomt, vaak met geweld. De oplopende spanning escaleert in 1675: inheemse leiders hebben er genoeg van. Ze vallen van verschillende kanten aan. Aangevoerd door Tonay, Arybare, Sowana, Priyari en Kaikusi weet dit Rode Leger de Nederlandse kolonisator bijna van de kaart te vegen. Uiteindelijk sluiten Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck en het Rode Leger na 11 jaar oorlog vrede op 10 januari 1686. In deze vrede wordt ook bepaald dat de inheemse bevolking niet langer tot slaaf gemaakt mag worden. Vanaf dat moment krijgen de kolonisten meer mogelijkheden om plantages te vestigen, waar zij tot slaaf gemaakte Afrikanen gaan inzetten. Alles voor een zo hoog mogelijke winst.
Kaart van Suriname (reproductie), Alexander de Lavaux, 1737, Rijksmuseum Amsterdam.
Deze kaart is in opdracht van de Sociëteit van Suriname gemaakt. Op de kaart staan de ongeveer vierhonderd plantages die op dat moment in Suriname gevestigd zijn. De Sociëteit van Suriname bestuurt Suriname van 1863 tot 1795 en ontwikkelt Suriname tot een plantagekolonie. Bij de oprichting van de Sociëteit zijn er in Suriname al zo’n vijftig plantages, deels aangelegd door Engelse kolonisten die zich al eerder in het land gevestigd hadden. Het groeiende aantal plantages gaat ten koste van het leefgebied van de Caraïben, Arowakken en andere inheemse bevolking. Voor het werk op de plantages zetten de eigenaren tot slaaf gemaakte mensen in. De WIC, en later particuliere handelaren, voeren deze mensen aan uit Afrika, via de transAtlantische slavenhandel. In de rand van de kaart staan de namen en wapens van de directie van de Sociëteit. Eén van hen is François van Aerssen van Sommelsdijck, de zoon van Cornelis, die net als zijn vader een hoge functie krijgt in de Sociëteit.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 11
Wigbold Crommelin – Virginie Gameren
Van deze persoon is geen afbeelding bekend.
Van deze persoon is geen afbeelding bekend.
Wigbold Crommelin (Haarlem, 1712 – Grave, 1789). Gouverneur van Suriname van 1752-1754 en 1757-1770 en eigenaar van drie plantages: Rust en Werk, Lust tot Rust en Einde Rust.
Virginie Gameren (Curaçao, ca. 1820 – onbekend). Vrouw die succesvol strijd voor haar vrijheid.
Juridische strijd voor vrijheid De slavernij bestaat alleen in de koloniën; in Nederland is slavernij bij wet verboden. Soms reizen tot slaaf gemaakten mee met plantage-eigenaren naar Nederland. Bij een verblijf langer dan zes maanden moeten zij volgens de Nederlandse wet hun vrijheid krijgen. Wigbold Crommelin reist in 1770 met drie tot slaaf gemaakten
12 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
naar Nederland: Anna, Laloupe en Joost. Mogelijk met de bedoeling om hen zo hun vrijheid te geven. Anne en Laloupe krijgen inderdaad hun vrijheid, maar Joost niet. Hij is geen eigendom van Crommelin, maar van de Sociëteit van Suriname. Hij moet terug naar Suriname; nog steeds in slavernij.
Het verhaal van Virginie speelt zich later af en heeft een beter einde. Virginie (later Virginie Gameren) reist in 1847 als tot slaaf gemaakte mee naar Nederland met de dochter van haar eigenaar. Dat is baron van Raders, van 1836 tot 1845 gouverneur op Curaçao en vervolgens tot 1852 gouverneur van Suriname. Virginie is kennelijk goed op de hoogte van de juridische regels in Nederland: ze eist haar vrijheid. Van Raders probeert dit op alle manieren te voorkomen, maar Virginie zet haar juridisch proces door. Na jaren volhouden volgt in 1852 eindelijk het besluit. Het ministerie van Koloniën geeft haar gelijk: Virginie behoudt haar vrijheid.
het niet meer het ministerie van Koloniën genoemd. In 1959, na de dekolonisatie, houdt het op te bestaan als zelfstandig ministerie.
Waarom is er een ministerie van Koloniën?
Besluit over de vrijheid van Virginie, ministerie van Koloniën, 26 juni 1860, Nationaal Archief.
Het ministerie van Koloniën maakt wetten en besluit over alles wat er in de koloniën gebeurt. Rond 1795 verandert er veel in Nederland. De VOC en WIC worden opgeheven. Uit onvrede met het bestuur van de Republiek, met zijn regenten en de stadhouders van Orange-Nassau, breekt de Bataafse Revolutie uit. De Bataafse Republiek komt steeds meer onder Franse invloed; in 1806 neemt Frankrijk de macht helemaal over. Er komt dan, naar Frans voorbeeld, een apart ministerie van Koloniën. Dat blijft zo wanneer Nederland in 1813 een Koninkrijk wordt. De koloniale gebieden vallen direct onder het bestuur van de regering in Den Haag. Het koloniaal gezag beschikt over een eigen krijgsmacht, vooral het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Vanaf 1945 verandert de naam van het ministerie meerdere malen en wordt
Na jaren van juridische strijd valt het besluit over de toekomst van Virginie. Vanaf 1852 mag zij zichzelf en haar kinderen vrij noemen. Dit is het ‘resolutieboek’ van het ministerie van Koloniën met alle besluiten. Nadat Virginie officieel haar vrijheid krijgt, besluit ze door te procederen voor een achternaam voor haar en haar kinderen. In 1860 krijgt ze inderdaad officieel de naam Gameren. Dat besluit staat vermeld op deze pagina van het boek.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 13
Tula – Albert Kikkert
Van deze persoon is geen afbeelding bekend.
Albert Kikkert (reproductie), Johan Anspach, ca. 1782-1819, Rijksmuseum Amsterdam.
Tula, ook wel Rigaud genoemd (Willemstad, Curaçao, onbekend – Willemstad, Curaçao, 1795). Leider van de grootste Curaçaose slavenopstand in 1795 en nationale held van Curaçao sinds 2010.
Albert Lambertsz Kikkert (Vlieland, 1761 – Curaçao, 1819). Eerste gouverneur van Curaçao, Bonaire en Aruba van het Koninkrijk der Nederlanden (van 18161819) en eigenaar van twee plantages op Curaçao: Jan Sofat en San Juan.
14 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Verzet voor vrijheid Tot slaaf gemaakten verzetten zich op veel manieren tegen slavernij. Soms met kleine sabotage, soms met grootschalig verzet. Op 17 augustus 1795 ontvangt de marineofficier en latere gouverneur Albert Kikkert een bericht: op de Curaçaose plantage Kenepa (Knip), in bezit van zijn zwager, weigeren tientallen tot slaaf gemaakte mannen aan het werk te gaan. Geïnspireerd door de revoluties in Europa en de slavenopstand in de FransCaribische kolonie Saint-Domingue (later Haïti) eisen zij hun vrijheid. Leider van de opstand is Tula, onder meer bijgestaan door Carpata, Mercier en Wacao. Carpata is huisslaaf van Kikkert. Mede daarom is Kikkert er extra op gebrand deze opstand neer te slaan. De aanhang van Tula groeit al snel tot zo’n tweeduizend mensen. Het koloniaal bestuur stuurt een paar onderhandelaars, maar wijst Tula’s eis van vrijheid af. Enkele weken van gewelddadige strijd volgen, tot de opstand bloedig wordt neergeslagen. Tula wordt op 18 september gevangen genomen. Hij wordt vreselijk gemarteld, tot de dood volgt. Tula wordt levend geradbraakt, verbrand en vervolgens onthoofd. Carpata moet bij dit alles toekijken. En Kikkert? Die gaat deel uitmaken van de Curaçaose elite en krijgt in 1816 zelfs de functie van gouverneur. Vandaag de dag is Tula op Curaçao hét symbool van veerkracht en verzet tegen Nederlandse slavernij.
“Mijn slaven zijn des morgen gekomen en weigeren int algemeenen diensten te doen. Wat verder haare intentien is weet ik niet. Met haast en waare achtinge, C.L. van Uijtrecht” Eigenaar van plantage de Knip aan de gouverneur van Curaçao, 17 augustus 1795.
“Wij zijn al teveel mishandeld, wij zoeken niemand kwaad te doen, maar zoeken onze vrijheid, de Franse negers hebben hun vrijheid gekregen, Holland is ingenomen door de Fransen, vervolgens moeten wij ook hier vrij zijn.” “Ah Pater, zelfs een dier wordt beter behandeld dan wij. Als een beest een poot gebroken heeft wordt het verzorgd.” Tula aan Pater Schinck, gestuurd om te onderhandelen, 19 augustus 1795.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 15
Pangeran Diponegoro – Godert van der Capellen
Portret van prins Diponegoro (reproductie), C. C. A. Last, naar ontwerp van A. J. Bik, 1835, Rijksmuseum Amsterdam.
Godart Alexander Gerard Philip baron van der Capellen (reproductie), Cornelis Kruseman,
Geboren als Bendoro Raden Mas Mustahar, maar krijgt de naam Raden Mas Ontowiryo en later Pangeran Diponegoro (Yogyakarta, Indonesië, 1785 – Makassar, Indonesië, 1855). Leider van de opstand in de Java-oorlog (1825-1830) en nationale held van Indonesië (Pahlawan Kemerdekaan Nasional).
Godert Alexander Gerard Philip baron van der Capellen (Utrecht, 1778 – De Bilt, 1848). Eerste gouverneur-generaal in Nederlands-Indië van het Koninkrijk der Nederlanden, van 1816 – 1826.
16 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
1816-1857, Rijksmuseum Amsterdam.
Inmenging en opstand Aan het begin van de 19de eeuw zet het Nederlandse gouvernement een agressief veroveringsbeleid in. Steeds meer lokale vorsten moeten zich onderwerpen aan het koloniale bestuur. Dit start op Java en leidt tot onvrede en ook gewapend verzet. Prins Diponegoro wordt in 1822 als troonopvolger voor het sultanaat van Yogyakarta gepasseerd: Van der Capellen benoemt het tweejarige neefje van Diponegoro. Diponegoro’s onvrede met het Nederlandse bestuur groeit hierdoor. Ook is hij van mening dat de Nederlanders de centrale betekenis van de islam aan het hof van Yogyakarta ondermijnen. Hij komt in opstand tegen het Nederlandse gouvernement. Jaren van oorlog volgen, waarin tienduizenden Javanen zich aansluiten bij de prins. Na de vijf jarige Java-oorlog ontmoet Diponegoro in maart 1830 de Nederlanders om te onderhandelen over vrede. Maar tijdens de onderhandelingen arresteren de Nederlanders hem op verraderlijke wijze. Diponegoro wordt verbannen naar Makassar in Sulawesi, waar hij ook zal overlijden.
Autobiografie van prins Diponegoro, Nederlandse vertaling, vertaler onbekend, 1875, Universiteitsbibliotheek Leiden.
Na zijn gevangenneming leeft prins Diponegoro tot aan zijn dood in ballingschap op Sulawesi. In deze periode schrijft hij zijn Babad Diponegoro (Kroniek van Diponegoro). Dit wordt gezien als de eerste autobiografie van Indonesië. Diponegoro beschrijft hierin zijn leven en zijn perspectief op de Java-oorlog. Het originele manuscript is verloren gegaan, maar er bestaan nog twee vroege kopieën, waarvan één in het Nederlands. Samen met de andere kopie, aanwezig in Jakarta, zijn ze opgenomen in het UNESCO’s Memory of the World register.
De gevangenneming van prins Diponegoro (reproductie), Raden Saleh, 1857, Presidentieel Paleis Indonesië.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 17
Johannes van den Bosch – Jacobus Capitein
Graaf Johannes van den Bosch, Raden Sarief Bastaman Saleh, 1836, Rijksmuseum Amsterdam.
Predikant Jacobus Elisa Johannes Capitein (reproductie), Francois van Bleyswijck, 1742, Rijksmuseum Amsterdam.
Johannes van den Bosch (Herwijnen, 1780 – Den Haag, 1844). Gouverneurgeneraal van Suriname en de Antillen (1827-1828), gouverneur-generaal van Nederlands-Indië (1828-1834) en Minister van Koloniën (1834-1839).
Jacobus Elisa Johannes Capitein (Ghana, 1717 – Ghana, 1747). Voormalig tot slaaf gemaakte die in Nederland vrij opgroeit. Hij wordt theoloog en dominee en keert terug naar Afrika als missionaris.
18 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Het christendom en slavernij In het koloniale bestuur gebruiken zowel voor- als tegenstanders van slavernij het christendom als argument. Zo ook Johannes van den Bosch. Hij is maar kort gouverneur-generaal van Suriname en de Caribische eilanden en toch weet hij zijn stempel te drukken. Hij voert een nieuw regeringsreglement in. Hierin schrijft hij onder andere dat tot slaaf gemaakten een christelijke opvoeding moeten krijgen. Anders dan op de Antillen werd dit in Suriname eerder verboden. De uitvoering van deze opvoeding komt in handen van de nieuw opgerichte Maatschappij ter Bevordering van het Godsdienstig Onderwijs onder de Slaven en Kleurlingen in de Colonie Suriname. Van den Bosch betoogt dat slavernij en christendom heel goed samen kunnen gaan en probeert zo kritiek uit christelijke hoek op de slavernij aan de kant te schuiven. Een eeuw eerder brengt een Afrikaanse student theologie, Jacobus Capitein, diezelfde boodschap. Als achtjarige jongen is hij als tot slaaf gemaakte verkocht aan een Nederlander. Hij groeit echter in Den Haag op als vrij man en rondt een studie theologie aan de Universiteit van Leiden af. Daar schrijft hij in 1742 een werkstuk waarin hij stelt dat slavernij ook binnen het christendom kan bestaan. Dit maakt hem populair bij de aanhangers van de slavernij, want een Afrikaan die de slavernij verdedigt, dat is goede reclame voor de slavenhandel.
Gezicht op Fort Elmina in Ghana (reproductie), B.F. Immink, 1742, Rijksmuseum Amsterdam.
Dit is de voorkant van Capiteins universitaire werkstuk. Het toont het Nederlandse fort Elmina, in het huidige Ghana, waar tot slaaf gemaakte Afrikanen opgesloten worden tot hun gedwongen vertrek naar de Cariben. Een Nederlands schip ligt voor de kust en wordt begeleid door een engel van God. Dit staat symbool voor de verspreiding van het christendom onder tot slaaf gemaakten; slavenhouders verzetten zich echter juist tegen deze verspreiding. Capiteins lezing is zo’n groot succes dat in het eerste jaar vier herdrukken volgen.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 19
Familie Van Hogendorp – Eduard Douwes Dekker
Willem van Hogendorp, kopie naar Benjamin Bolemey, 1763-1773, Museum Rotterdam.
Dirk van Hogendorp, Taco Scheltema I, 1803, Museum Rotterdam.
Willem van Hogendorp (Rotterdam, 1735 – op zee, onderweg van Java naar Nederland, 1784). Administrateur van de VOC op het eiland Onrust (Java) van 1777 – 1784.
Diderik (Dirk) van Hogendorp (Heenvliet, 1761 – Novo Sion, Brazilië, 1822). Gezaghebber van Surabaya van 17941798.
Carel Sirardus Willem van Hogendorp, maker onbekend, 1806-1810, Museum Rotterdam.
Eduard Douwes Dekker, César Mitkiewicz, 1864
Carel Sirardus Willem van Hogendorp (Kasim Bazar, Bangladesh, 1788 – Utrecht, 1856). Gouverneur-generaal ad interim van Nederlands-Indië van 1840-1841.
Multatuli, pseudoniem van Eduard Douwes Dekker (Amsterdam, 1820 – NiederIngelheim, Duitsland, 1887). Resident in Lebak en schrijver van Max Havelaar.
20 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Kritische bestuurders Kritiek op slavernij en op het koloniale bestuur is er in Nederland altijd geweest, maar meestal door uitzonderlijke enkelingen. In de 19de eeuw neemt deze kritiek toe. Eén van de bekendste stemmen is die van Eduard Douwes Dekker, beter bekend als Multatuli. Hij werkt als ambtenaar in Nederlands-Indië en raakt verontwaardigd over de corruptie en de slechte leefomstandigheden van de bevolking. Terug in Nederland schrijft hij zijn roman Max Havelaar. Dit boek slaat in als een bom. Een eerder, maar minder bekend voorbeeld zijn vader en zoon Van Hogendorp. Zij leveren vanaf het begin van de 19de eeuw openlijk kritiek op het koloniale bestuurlijke systeem waar zij zelf deel van uitmaken. Willem van Hogendorp is ambtenaar in NederlandsIndië en schrijft het boek Kraspoekol, over een vrouw die zeer wreed is tegen haar tot slaaf gemaakten. Zijn zoon, Dirk van Hogendorp, is resident (hoofdbestuurder) in Oost-Java. Ook hij ontwikkelt een sterke afkeer van de slavernij. Hij laat in 1801 in de schouwburg in Den Haag een toneelstuk opvoeren dat is gebaseerd op zijn vaders boek. De hoogste bestuurlijke functie vervult (klein)zoon Carel Sirardus van Hogendorp: hij wordt tijdelijk gouverneur-generaal in Nederlands-Indië. Al is hij minder kritisch dan zijn vader en opa, ook hij dringt aan op een mildere bestuursvorm.
Er bestond dus onder koloniale bestuurders wel kritiek op de slavernij en koloniale uitbuiting, al waren die zelden zo extreem.
Inkijkexemplaar van ‘Max Havelaar of de koffieveilingen van de Nederlandse Handelsmaatschappij’, Multatuli, herschreven door Gijsbert van Es, 2013.
Max Havelaar is een raamvertelling: een overkoepelend verhaal met daarin een aantal kleinere verhalen. Het overkoepelende verhaal gaat over Max Havelaar, zo noemt Douwes Dekker zichzelf in het boek. Hij is werkzaam als assistent-resident in Lebak (Indonesië) en verzet zich tegen koloniale misstanden. Kleinere verhaallijnen gaan onder meer over de gierige Droogstoppel, de idealistische schrijver Stern en de uitgebuite Saïdjah en Adinda die aan een tragisch, gewelddadig einde komen. Op het einde van het boek neemt Multatuli zelf het woord. Hij richt zich tot koning Willem III met de vraag of het zijn wil is dat meer dan 30 miljoen mensen worden mishandeld en uitgebuit in zijn naam. De koning reageert niet. Het boek zorgt er wel voor dat in Nederland meer mensen gaan beseffen hoe het koloniale bestuur de Javaanse bevolking uitbuit. Max Havelaar is een van de bekendste en meest invloedrijke boeken in de Nederlandse literatuur.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 21
Adriaan van der Gon Netscher – Mohamudkhan Woozeerun
Adriaan David van der Gon Netscher (reproductie), maker onbekend, ca. 1860 – 1920, RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis
Van deze persoon is geen afbeelding bekend.
Adriaan David van der Gon Netscher (Rotterdam, 1811 – Den Haag, 1897). Gemeenteraadslid in Den Haag en schrijver over koloniale bestuurszaken.
Mohamudkan Woozeerun (Brits-Indië, vermoedelijk 1849 – onbekend). Werkt als contractarbeider op plantage ‘De Resolutie’ in Suriname.
Start van de contractarbeid In de loop van de 19de eeuw schaffen steeds meer landen de slavernij af. De Britten deden dat in 1834, de Fransen in 1848, Nederland pas in 1863. Jarenlang vergadert de regering over de voorwaarde voor afschaffing van de slavernij. Adriaan van der Gon Netscher woont in Den Haag en mengt zich in dit debat. Hij is
22 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
plantagehouder geweest in Brits-Guiana (dat ligt naast Suriname en is tot ongeveer 1800 een Nederlandse kolonie) en wordt daarna gemeenteraadslid in Den Haag. Hij wil, na afschaffing van de slavernij, arbeiders uit andere koloniën aantrekken voor het werk op de Surinaamse plantages, naar het voorbeeld van
Brits-Guiana. De Nederlandse regering besluit dat de vrijgelaten personen in Suriname eerst tien jaar op de plantages moeten blijven werken, het zogenaamde Staatstoezicht (1863-1873). Vanaf 1873 worden ruim 65.000 arbeiders uit andere koloniale gebieden naar Suriname gehaald, vooral uit Brits-Indië en Java. Al eerder werden uit Java en China arbeiders gehaald, maar niet op deze schaal. De arbeiders staan onder contract en worden daarom contractarbeiders genoemd. Vaak worden zij onder valse voorwendselen aangenomen; hun werk op de plantages is loodzwaar. Mohamudkhan Woozeerun is een van hen, een jonge vrouw afkomstig uit India. Zij gaat aan boord van het allereerste schip met immigranten dat vanuit India naar Paramaribo reist. Op 8 juni 1873 vaart de ‘Lalla Rookh’ de haven van Paramaribo in.
Wie nemen het werk op de plantages over na afschaffing van de slavernij? Dat doen vooral contractarbeiders. Als bekend wordt dat de slavernij wordt afgeschaft, vrezen plantage-eigenaren een arbeiderstekort. Zij verwachten dat de voormalige tot slaaf gemaakten de plantages zullen mijden. Hun oplossing wordt de contractarbeid. Vanuit andere koloniën worden mensen gehaald, vaak onder onduidelijke of valse beloftes, om voor een vastgestelde periode te werken op de plantages. Na afloop hebben zij de keuze om te blijven en een stuk eigen grond te gaan bewerken, of om terug te gaan naar het thuisland. De meeste contractarbeiders kiezen ervoor om
te blijven. Al in 1853 worden de eerste contractarbeiders uit China gehaald. Vanaf 1873 komen contractarbeiders ook uit Brits-Indië, de Hindostanen, en vanaf 1890 ook Javanen. De aanvoer van Brits-Indiërs stopt in 1917, die uit Java pas in 1938.
Uittreksel ‘Staat van Britsch Indische Immigranten op de Plantage de Resolutie aanwezig op den 30 december 1882’, Nederlandse Handelsmaatschappij, 1882, Nationaal Archief.
De enige bekende informatie over Woozeerun is afkomstig uit haar werkcontracten. Uit registers waarin wordt bijgehouden wie werkzaam is op welke plantage, weten we waar zij werkte en leefde. Dit is de eerste pagina van het register waar Woozeerun wordt genoemd, in de vijfde rij. Op dat moment van invoeren is ze 34 jaar oud. Onder haar naam staan twee kinderen genoemd, Subadanee en Jummon. Ook genoemd staat het schip waarmee ze is aangekomen, de Lalla Rookh.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 23
Teuku Umar en Cut Nyak Dhien – Isaac Dignus Fransen van de Putte
Foto van Teuku Umar (midden onder) met zijn gevolg (reproductie), maker onbekend, 1883 – 1896, Nationaal Museum voor Wereldculturen.
Cut Nyak Dhien op Rupiah biljet.
Teuku Umar (Aceh, Indonesië, 1854 – Meulaboh, Indonesië, 1899). Leider van het verzet tegen Nederland in de Atjehoorlog (1873-1942) en nationale held van Indonesië (Pahlawan Nasional Indonesia).
Cut Nyak Dhien (Aceh, Indonesië, 1848 – West-Java, Indonesië, 1908). Leider van het verzet tegen Nederland in de Atjehoorlog (1873-1942) en nationale held van Indonesië (Pahlawan Nasional Indonesia).
Isaac Dignus Fransen van de Putte, L.J.F. Bonnat, 1879, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Isaac Dignus Fransen van de Putte (Goes, 1822 – Den Haag, 1902). Minister van Koloniën van 1863-1866 en 1873-1874.
24 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
De Atjeh-oorlog In de loop van de 19de eeuw krijgt Nederland steeds meer delen van het huidige Indonesië onder controle, zo nodig gewapenderhand. In NoordSumatra verzet de sultan van Atjeh (Aceh) zich hiertegen. In 1873 verklaart Nederland Atjeh de oorlog; op dat moment is Fransen van de Putte minister van Koloniën. Deze oorlog behoort – met de Java-oorlog (1825-1830) en de Onafhankelijkheidsoorlog (1945-1949) – tot de bloedigste en gewelddadigste periodes in de Nederlandse koloniale geschiedenis. Tussen 1873 en 1913 wordt steeds weer opnieuw fel gevochten. Teuku Umar speelt hierin een hoofdrol, al denken de Nederlanders dat hij aan hun kant staat. In 1896 bereidt het koloniale bestuur, samen met Umar, een grote aanval voor. Maar dan gebeurt er iets onverwachts: Teuku Umar loopt met zijn volledige legioen inclusief wapens over. In Nederland wordt dit bekend als ‘het verraad van Teuku Umar’. Waarschijnlijk speelt zijn vrouw, Cut Nyak Dhien, een grote rol in zijn keuze om toch aan de Atjehse kant te vechten. In 1899 doodt het Nederlandse leger Teuku Umar. Jarenlang zet Dhien de strijd voort vanuit de binnenlanden. In 1905 volgt haar arrestatie en verbanning. Formeel wordt de oorlog in 1913 afgesloten, maar de rust is beperkt. Tot aan de Japanse invasie (1942) laait het anti-Nederlandse geweld regelmatig op.
Penning uitgegeven voor deelname aan de Atjeh-oorlog, J.S. Elion, 1874, Haags Historisch Museum.
In 1873 besluit Nederland tot de eerste ‘Atjeh-expeditie’ tegen de sultan; Van der Putte is daar als minister van Koloniën verantwoordelijk voor. Deze eerste poging wordt voor Nederland een grote mislukking met veel slachtoffers. In 1874 volgt een nieuwe poging. Hierbij lukt het om de kraton (het paleis) van de sultan te veroveren. Maar de sultan is al gevlucht en de strijd zal zich nog vele jaren voortzetten. Na de verovering van de kraton geeft koning Willem III deze penning aan de militairen die aan de expeditie hebben deelgenomen. In totaal worden vermoedelijk tussen de 50.000 en 100.000 Acehers gedood. Aan Nederlandse zijde sterven 12.000 soldaten: 2000 in de strijd en bijna 10.000 door tropische ziektes.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 25
Alexander Idenburg – Raden Mas Jodjana
Gouverneur-Generaal I.W.F. Idenburg, circa 1906, Stichting Nationaal Museum van Wereldculturen.
Raden Mas Jodjana, Eduard Wasow, circa 1926.
Alexander Willem Frederik Idenburg (Rotterdam, 1861 – Den Haag, 1935). Gouverneur-generaal van NederlandsIndië (1909-1916), gouverneur-generaal van Suriname (1905-1908) en drie keer Minister van Koloniën (1902-1905, 19081909 & 1918-1919).
Raden Mas Jodjana (Yogyakarta, Indonesië, 1893 – La Réole, Frankrijk, 1972). Bekende danser, gespecialiseerd in moderne Javaanse hofdansen.
26 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Ethische politiek Rond 1900 verruimt Nederland het koloniale beleid van alleen exploitatie naar een ‘ethische politiek’. Als minister van Koloniën is Idenburg hiervoor verantwoordelijk. Het blijft beleid om steeds meer gebied daadwerkelijk onder Nederlands bestuur te brengen, wat tot veel geweld leidt. Maar anderzijds wordt verbetering van het leven van de Indonesische bevolking nagestreefd. Er worden bijvoorbeeld volksscholen opgericht, waar de inheemse bevolking onderwijs krijgt. Het veel betere Europese onderwijs blijft alleen toegankelijk voor de Europeanen en een kleine aantal jongeren uit de Indonesische en Chinese elite. Sommige van die jongeren gaan vervolgens in Nederland studeren. Zo krijgt Raden Mas Jodjana, afkomstig uit een Javaanse, adellijke familie, de mogelijkheid om in Europa te gaan studeren. Na zijn studie ligt er een bestuurlijke functie in NederlandsIndië in het vooruitzicht. Maar het loopt anders: hij ontdekt per toeval zijn talent voor klassieke dans en wordt hier internationaal beroemd mee. Het nieuwe beleid van de ‘ethische politiek’ heeft een voor Nederland ongewenst effect. In Nederland studerende Indonesiërs gaan zich inzetten voor een gemeenschappelijk ideaal: een onafhankelijk Indonesië. Dat ideaal wordt hard onderdrukt.
Javaanse Danser, Isaac Israëls, ca. 1916, Museum Boijmans van Beuningen.
Jodjana komt in 1914 naar Nederland en woont in Den Haag. Hij raakt onder meer bevriend met schilder Isaac Israëls. Die maakt diverse portretten van Jodjana, vaak in zijn traditionele hofdanskleding, zoals hier te zien. Jodjana vindt deze portretten niet mooi. Hij gaat op schilderles bij Israëls en leert naar eigen zeggen steeds meer over de moderne schilderkunst, waardoor hij kleurcombinaties en effecten meer gaat waarderen.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 27
Hendrikus Colijn – Pangeran Adipati Soejono
Hendrikus Colijn, onbekende maker, 1925.
Pangeran Adipati Soejono, onbekende maker, Collectie Anefo, Nationaal Archief Den Haag.
Hendrikus Colijn (Burgerveen, 1869 – Ilmenau, Duitsland, 1944). Vijf keer minister-president van Nederland en deels gelijktijdig Minister van Koloniën (19251939).
Pangeran Adipati Soejono (Toeloenagagoeng, Indonesië, 1886 – Londen, Engeland, 1943). Eerste en enige minister van Indonesische afkomst in een Nederlands kabinet in 1942.
28 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Opkomend nationalisme In Indonesië gaan sinds het begin van de 20ste eeuw steeds meer stemmen op die de onafhankelijkheid van Nederland willen bereiken. Ook in Europa opgeleide Indonesische jongeren uiten steeds meer kritiek op het Nederlandse bestuur. Als deze kritiek vanaf de jaren ’20 breder en feller wordt geuit kiest Nederland voor harde repressie. Onder leiding van Colijn zet het koloniale bestuur personen die kritiek hebben op het Nederlandse regime gevangen. De Indonesische beweging wordt door het koloniale regime ingedeeld in coöperatieve en non-coöperatieve nationalisten. De non-coöperatieve nationalisten willen niet samenwerken met het Nederlandse bestuur en eisen onafhankelijkheid. De meer gematigde coöperatieven proberen geleidelijk zelfbestuur voor Indonesië voor elkaar te krijgen door wel samen te werken. Zo ook Soejono, de eerste en enige Indonesische minister in een Nederlands kabinet; het oorlogskabinet in ballingschap in Londen. Via de Nederlandse politiek zet hij zich in voor volledig zelfbestuur van Indonesië, maar hij staat alleen in zijn missie. Diep teleurgesteld sterft Soejono in 1943, in Londen.
Inktstel van Colijn, maker onbekend, jaartal onbekend, Haags Historisch Museum.
Colijn heeft jarenlang het Nederlandse politieke landschap bepaald als leider van maar liefst vijf kabinetten. Hiermee is hij een bekend staatsman geworden. Minder bekend is dat Colijn zijn loopbaan begint in het leger in Nederlands-Indië. Als militair is Colijn betrokken bij oorlogsmisdaden, waaronder het doden van negen vrouwen en drie kinderen. Dat is in Nederland slechts in kleine kring bekend. Hij kan op het allerhoogste niveau in de Nederlandse politiek aan de slag.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 29
Mohammad Hatta – Wilhelmina Vrijman
Foto van Mohammad Hatta, maker onbekend, 1950
Van deze persoon is geen afbeelding bekend.
Mohammad Hatta (Fort de Kock, Indonesië, 1902 – Jakarta, Indonesië, 1980), nationalistische onafhankelijkheidsstrijder en eerste vicepresident van de Republiek Indonesië.
Wilhelmina Auguste Louise Vrijman (Den Haag, 1875 – Den Haag, 1948), gemeenteraadslid Den Haag (1933-1934) en presidente van de Koloniale School voor Meisjes en Vrouwen).
30 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Onderwijs en idealen In 1921 opent, met steun van het ministerie van Koloniën en de Haagse gemeenteraad, een nieuwe school haar deuren: de Koloniale School voor Meisjes en Vrouwen. Nederlandse meisjes die naar Nederlands-Indië willen, leren op deze school allerlei zaken die hen voorbereiden op het leven in de kolonie. Zoals een moedercursus, Indonesisch koken en aardrijkskunde. Zo gaan zij “bekwaam als huisvrouw naar de tropen”. Dit onderwijs wordt ingezet om het kolonialisme verder te ontwikkelen. Maar onderwijs kan ook andere, onverwachte gevolgen hebben. Steeds meer Indonesische jongeren komen in de 20ste eeuw naar Nederland om hier te studeren, al blijft het bij enkele honderdtallen. Zij vormen verenigingen waarin zij hun idealen voor een vrij en onafhankelijk Indonesië bespreken. Mohammad Hatta is één van hen. Hij komt in 1921 naar Rotterdam en gaat economie studeren. Terug in Indonesië leidt hij samen met Sukarno – die in Bandung de Nederlandstalige opleiding Bouwkunde heeft gevolgd – en Sutan Sjahrir – die in Nederland heeft gestudeerd – de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. Het westerse onderwijs draagt zo onverwacht en voor Nederland ongewild bij aan de strijd voor Indonesische onafhankelijkheid.
Indonesië vrij, Mohammad Hatta, 1928, Rijksmuseum Amsterdam.
Tijdens zijn studie in Nederland wordt Hatta lid van de Perhimpoenan Indonesia. Deze vereniging voor Indonesische studenten in Nederland strijdt voor een onafhankelijk Indonesië. De Nederlandse overheid houdt Perhimpoenan Indonesia goed in de gaten. In 1927 arresteert de inlichtingendienst een aantal leden, onder wie Hatta. In gevangenschap schrijft Hatta een betoog over de koloniale misstanden. Hij dient deze pleitrede in tijdens het proces. Hij schrijft over een toekomst waarin het Indonesische volk vrij zal zijn van koloniale overheersing. Hatta wint de rechtszaak, zijn betoog wordt uitgegeven onder de naam Indonesia Merdeka! (Indonesië Vrij!).
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 31
Dekolonisatie In de jaren na de Tweede Wereldoorlog veranderen de internationale verhoudingen enorm. Indonesië en Suriname maken zich definitief los van het Nederlandse gezag. Indonesië doet dit al in 1945, maar pas na vier jaren van oorlog en harde onderhandelingen accepteert Nederland dit. Suriname kiest in 1975 voor de onafhankelijkheid, daartoe sterk aangemoedigd door Nederland. De Caribische landen kiezen juist voor een nieuw verband binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Het moment van opkomst van nationalistische bewegingen aan het begin van de 20ste eeuw tot de definitieve onafhankelijkheid, wordt ‘dekolonisatie’ genoemd. Letterlijk betekent dit: het proces waarbij voormalige koloniën de koloniale status achter zich laten. Meestal betekent dit dat zij tot volledige onafhankelijkheid komen. Maar het woord ‘dekolonisatie’ wordt vaak breder gebruikt, namelijk om een proces aan te geven waarin een maatschappij zich steeds meer losmaakt van koloniale en racistische denkpatronen en structuren. Dat losmaken loopt door tot op de dag van vandaag, zowel in de voormalige koloniën als in Nederland.
Indonesië Indonesië wordt vanaf de 17de eeuw steeds verder gekoloniseerd door Nederland. Vanaf het begin van de 20ste eeuw neemt onder de bevolking de roep om zelfstandigheid toe. Nederland treedt hard op tegen dit opkomend nationalisme. Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog komt alles in een stroomversnelling. In 1942 bezet Japan Indonesië. Op 17 augustus 1945, twee dagen na de Japanse capitulatie, roepen Sukarno en Mohammad Hatta de Indonesische onafhankelijkheid uit. Nederland weigert dit te accepteren. Er breekt een oorlog uit van vier jaar waarin Nederland, met bruut militair geweld in combinatie met onderhandelingen, probeert greep te houden op de (voormalige) kolonie. Alle bevolkingsgroepen worden getroffen door het geweld in deze periode. De onderhandelingen tussen beide partijen worden pas succesvol afgesloten als blijkt dat het Nederland niet lukt om met in totaal 220.000 Nederlandse soldaten de 65 miljoen inwoners van Indonesië (opnieuw) te onderdrukken en de oorlog niet kan winnen. Bovendien moet Nederland zwichten voor zware internationale druk. Uiteindelijk erkent Nederland op 27 december 1949 de Republiek Indonesië. Voor Indonesië telt alleen 17 augustus 1945 als de startdatum van de onafhankelijkheid. Nederland erkent die datum wel de facto, als een gegeven, maar houdt ook vast aan 27 december 1949 als de dag waarop dit proces werd afgerond.
32 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
De uitzondering: West-Papoea (Nederlands-Nieuw-Guinea) West-Papoea maakt als Nederlands-Nieuw-Guinea tot 1949 deel uit van de Nederlandse kolonie Nederlands-Indië. Na de onafhankelijkheid van Indonesië blijft dit gebied namelijk onder Nederlands bestuur. Indonesië is het hier niet mee eens en wil West-Papoea ook opnemen in de Republiek Indonesië. Nederland verzet zich hier tegen, aanvankelijk met succes, en gaat Papoea na 1949 voorbereiden op onafhankelijkheid. In 1961 krijgt West-Papoea een eigen volkslied, vlag en leger. Maar een oorlog met Indonesië dreigt en opnieuw komt er internationale druk vanuit de Verenigde Staten en de Verenigde Naties op Nederland. In 1962 draagt Nederland West-Papoea via de Verenigde Naties toch over aan Indonesië. Tot op de dag vandaag leeft een verlangen naar onafhankelijkheid in WestPapoea, maar daar laat de Republiek Indonesië geen enkele ruimte voor.
Suriname en de Caribische landen in het Koninkrijk Sinds de 17de eeuw zijn Suriname en de zes Caribische eilanden koloniën van Nederland. Pas na de Tweede Wereldoorlog krijgen zij meer zelfstandigheid. Op 7 december 1942 kondigt koningin Wilhelmina via Radio Orange aan dat na de Tweede Wereldoorlog een conferentie gehouden zal worden over nieuwe staatkundige verhoudingen binnen het Koninkrijk. Het overleg met Suriname en de eilanden – die dan de Nederlandse Antillen worden genoemd – start pas echt in 1948. Na zeven jaar onderhandelen ondertekent koningin Juliana, op 15 december 1954, het overeengekomen Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Suriname en de Caribische landen zijn voortaan autonome landen binnen het Koninkrijk. Dat ‘autonoom’ betekent dat zij zelf hun binnenlandse bestuur gaan bepalen.
Suriname In Suriname blijft na 1954 het verlangen naar volledige onafhankelijkheid bestaan. Maar er is veel onenigheid binnen het land over hoe en wanneer dit moet gaan gebeuren. In 1974 spreekt de regering-Arron uit dat Suriname vóór 1976 onafhankelijk wil zijn van Nederland. Nederland werkt hieraan graag mee en wil af van een verhouding die in eigen land inmiddels vooral als een last wordt gezien. Het parlement stemt in en op 25 november 1975 is Suriname officieel een onafhankelijk land, na ruim driehonderd jaar van Nederlandse overheersing.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 33
Caribische landen binnen het Koninkrijk (tot 2010 de Nederlandse Antillen en Aruba) De zes Caribische landen kiezen een ander pad; zij willen juist wel bij Nederland blijven. Onderling worden de relaties echter slechter. Aruba streeft naar meer zelfstandigheid van het hoofdeiland Curaçao en verwerft in 1986 de felbegeerde status aparte, als zelfstandig land binnen het Koninkrijk. Nederland wil dat Aruba uiterlijk in 1996 volledig onafhankelijk is. Maar de Arubanen verzetten zich, en met succes. En de ontmanteling van de Nederlandse Antillen gaat verder. In 2010 worden de Antillen officieel opgeheven. Van onafhankelijkheid komt het niet: op alle eilanden vinden grote meerderheden het belangrijk om de band met Nederland te behouden. Curaçao en Sint Maarten worden in 2010, net als Aruba, zelfstandig landen binnen het Koninkrijk. Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn vanaf dat moment ‘openbare lichamen’, een soort bijzondere gemeentes van Nederland.
34 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Migratie Gekoppeld aan de dekolonisatie ontstaan omvangrijke migraties vanuit de voormalige koloniën naar Nederland. Mensen vertrekken omdat zij onzeker zijn over hun veiligheid of over de politieke en economische vooruitzichten van de nieuwe republieken Indonesië en Suriname. Dat zijn vaak moeilijke en zelfs pijnlijke keuzes, want men voelt zich meestal sterk verbonden met het geboorteland. Toch komen er in de periode 1945-1965 meer dan 300.000 mensen vanuit Indonesië naar Nederland. Tussen 1974 en 1980 vestigen zich ruim 200.000 Surinamers zich in Nederland, ongeveer een derde van de hele Surinaamse bevolking. Omdat de Caribische eilanden nog steeds deel uitmaken van het Koninkrijk, kunnen de burgers van deze eilanden zich nog altijd vrij in Nederland vestigen. Mensen komen naar Nederland, maar vertrekken ook weer terug naar de Caribische landen. Inmiddels is de omvang van ‘het zevende eiland’, de Antilliaanse gemeenschap in Nederland, ongeveer 175.000 mensen. De zes eilanden tellen gezamenlijk ruim 300.000 burgers. Traditioneel vestigen veel van de mensen uit de voormalige koloniën en vooral NederlandsIndië zich in Den Haag. De stad geldt als de ‘hoofdstad’ van Indisch en Hindostaans Nederland.
Op dit moment stamt ongeveer twintig procent van de inwoners van onze stad af van mensen die te maken hebben gehad met en zich verweerd hebben tegen de koloniale onderdrukking en geweld, slavernij en contractarbeid.
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 35
FAQ Wat is het Nederlandse aandeel in de trans-Atlantische slavenhandel? De trans-Atlantische slavenhandel komt voor Nederland op gang na de oprichting van de West-Indische Compagnie (WIC) in 1621. Schepen met goederen varen naar de westkust van Afrika. Daar worden de goederen met lokale handelaren geruild voor tot slaaf gemaakte mensen. Onder zeer slechte omstandigheden vervoeren Nederlandse schepen deze mensen naar slavenmarkten in de Amerika’s. Zo is Curaçao een internationale marktplaats waar Afrikanen worden verkocht en naar diverse andere Europese koloniën worden verscheept. Naar plantagekolonies zoals Suriname worden de tot slaaf gemaakte Afrikanen vaak direct vervoerd. Op de plantages dwingen opzichters deze Afrikanen en de volgende, in slavernij geboren generaties tot heel zwaar werk, om producten als suiker, koffie en katoen te verbouwen. Deze producten worden vooral in Europa verkocht. Voor veel geld, want daar is het allemaal om te doen. In totaal worden er tussen de 15de en 19de eeuw ruim 12 miljoen tot slaaf gemaakte mensen uit Afrika vervoerd. Nederlands aandeel hierin is groot: er worden ongeveer 600.000 mensen door Nederland verkocht via de transAtlantische slavenhandel.
Wat is het Nederlandse aandeel in de Aziatische slavenhandel? In het ‘octrooigebied’ van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) zijn mogelijk tussen 650.000 en 1 miljoen mensen verhandeld. In dit gebied was de slavenhandel dus nog omvangrijker dan het Nederlandse aandeel in de trans-Atlantische slavenhandel (600.000). In het huidige Indonesië en ook in andere koloniën, zoals de Kaapkolonie in het huidige Zuid-Afrika en Sri Lanka, zette de compagnie slavernij in. De tot slaaf gemaakten werden tewerkgesteld op plantages, bij de bouw van forten, in de mijnbouw, op scheepswerven en in havens. Maar ook in grote getalen als huisslaven.
Is het koningshuis betrokken bij het koloniaal bestuur? Het Nederlands koningshuis heeft het koloniale beleid gesteund en soms zelf vormgegeven. Dat gebeurt al in de tijd van de Republiek (17de en 18de eeuw), toen de stadhouders van de familie Oranje-Nassau direct betrokken waren bij de VOC en WIC. Dat ging verder toen Nederland een Koninkrijk werd. Zo wordt koning Willem I bij de start van het Koninkrijk in 1813 opperbestuurder over de koloniën. Hij wil de economie van Nederland laten groeien, ook door exploitatie van de koloniën. Eén van zijn daden is het oprichten van de Nederlandse Handel-Maatschappij (NHM). Dit bedrijf krijgt het alleenrecht op de handel van Nederlands-Indië en verkoopt de producten die het cultuurstelsel oplevert. Hiermee verdient de NHM enorm veel geld, waarvan veel bij de aandeelhouders terecht komt. Willem I was grootaandeelhouder van de NHM. In december 2022 besluit koning
36 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Willem-Alexander om een onafhankelijk onderzoek uit te laten voeren naar de rol van het koningshuis in het koloniaal verleden.
Is racisme onderdeel van het koloniale bestuur? Het racistische denken was onverbrekelijk verbonden met de koloniale tijd. Dat denken werkt vandaag de dag nog door. Er bestaat maar één ras, namelijk het menselijk ras. Toch worden vanaf de 17de eeuw steeds meer ideeën ontwikkeld dat mensen naar ‘rassen’ ingedeeld kunnen worden. Hierbij krijgen mensen ook karaktertrekken, intelligentie en morele kenmerken toegeschreven. Er ontstaat in de 19de eeuw zelfs een rassentheorie met pseudo-wetenschappelijke status. Zwarte mensen en mensen van kleur worden als minder beschouwd dan witte mensen. Hiermee werden slavernij en kolonialisme gerechtvaardigd. Zulke ideeën zijn hardnekkig: stereotypen en vooroordelen leven voort tot op de dag van vandaag. Zij vormen een voedingsbodem voor hedendaagse ongelijkheid, uitsluiting, discriminatie en racisme.
Profiteren er ook Haagse bedrijven van de koloniën? In de 19de en 20ste eeuw zijn verschillende Haagse bedrijven betrokken bij de koloniën. Er zijn in Den Haag grote koloniale bedrijven gevestigd, zoals de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen (later Shell) en Billiton, een bedrijf dat in Indonesië en Suriname tin, erts en bauxiet wint. Kleinere Haagse bedrijven, zoals ijzergieterij Enthoven, meubelfabrikant Pander en radiomaker Van der Heem & Bloemsma, verdienen veel geld door hun producten te verkopen in Indonesië. De bewoners van Den Haag kunnen bij diverse Haagse winkels koloniale producten zoals koffie, thee, tabak en suiker kopen.
Wanneer wordt de slavernij in de Nederlandse koloniën afgeschaft? In Nederlands-Indië vindt de afschaffing officieel in 1860 plaats, maar buiten het koloniale gezag om blijven er nog heel lang allerlei vormen van lokale slavernij bestaan. In Suriname en in de Caribische landen van het Koninkrijk vindt de officiële afschaffing plaats op 1 juli 1863. Met de lokale bevolking en de Marrons (gevluchte tot slaaf gemaakten die in de binnenlanden van Suriname nieuwe gemeenschappen vormen) is al in de 18de eeuw afgesproken dat zij niet tot slaaf gemaakt mochten worden. Onder internationale, vooral Britse druk verbiedt koning Willem I in 1814 de slavenhandel. Slavernij bestaat dan nog wel, maar ook daar komt steeds meer kritiek op. In de jaren 1840 en 1850 wordt eindeloos vergaderd over de afschaffing. Als het dan in 1863 eindelijk zo ver is, ontvangen de voormalige slavenhouders in Suriname 300 gulden per vrijgelatene als compensatie, op de Antillen 200 gulden (nu ongeveer 3500 euro en 2330 euro). Dit wordt betaald uit de opbrengsten van het Cultuurstelsel op Java. De ‘vrijgemaakten’ ontvangen niets. Sterker: in Suriname moeten ze nog tien jaar lang op de plantages werken. Op de Caribische eilanden
Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag 37
moeten de vrijgemaakten vaak een of enkele dagen per week voor hun voormalige eigenaar blijven werken en de opbrengst afstaan. In ruil daarvoor kunnen ze blijven wonen op het land van de voormalige eigenaar.
Waarom kiezen veel mensen uit de voormalige koloniën voor Den Haag als zij naar Nederland komen? In de 19de eeuw komen veel ambtenaren en ondernemers vanuit Nederlands-Indië voor hun verlof naar Den Haag, waar de bestuurlijke instanties gevestigd zijn. In Den Haag zijn veel tijdelijke huizen voor verlofgangers en er zijn winkels die speciaal op hen gericht zijn. Den Haag biedt hiermee alles wat zij nodig hebben, de stad wordt inmiddels ‘de weduwe van Indië’ genoemd. Ook na hun pensioen komen velen uit de koloniale elite en middenklasse naar Den Haag. Rond de onafhankelijkheid van Indonesië neemt de migratie naar Den Haag enorm toe. Rond de onafhankelijkheid in 1975 verhuizen ook veel Surinamers naar Nederland. De overheid probeert een spreidingsbeleid te voeren, maar dat lukt maar half. Surinamers van Afrikaanse afkomst vestigen zich vooral in Amsterdam en Rotterdam. Hindostaanse Surinamers ontwikkelen al snel een voorkeur voor Den Haag, omdat hier bekenden wonen en de kans op werk groter is. In Den Haag zijn dus belangrijke voorzieningen, maar ook vrienden en familie waardoor het aantrekkelijk is om hier te komen wonen. Zo is Den Haag uiteindelijk de ‘Indische en Hindostaanse hoofdstad van Nederland’ geworden.
38 Haags Historisch Museum - Koloniaal Den Haag
Een geschiedenis voor vandaag – Samen met, voor en door de stad Het Den Haag van nu is gevormd door het koloniale- en slavernijverleden. Dat is te zien in architectuur, kunstcollecties, archieven, winkels en restaurants. Ook leeft dit verleden voort in taal, muziek en religie. Wie zoekt naar sporen komt ook uit bij de inwoners van Den Haag: Hagenaars die een band hebben met Indonesië, Suriname en/of de Caribische eilanden. Ze zijn er geboren, hebben er gewoond of zijn nazaten van tot slaafgemaakten, contractarbeiders en gekoloniseerden. Ook zijn er Hagenaars van wie familieleden werden uitgezonden, bijvoorbeeld als bestuursambtenaar of militair, of plantageaandelen hadden maar nooit de koloniën hebben bezocht. Deze stadsgenoten hebben soms verhalen in de familie die van generatie op generatie zijn doorgegeven. Maar ook bij Hagenaars zonder een koloniale familiegeschiedenis speelt het koloniale verleden een rol. Bewust of onbewust. Dit verleden heeft immers denkbeelden en gewoontes in de samenleving gevormd. Het museum riep in 2022 stadsgenoten op hun verhaal en voorwerp over het koloniale verleden en de hedendaagse neerslag daarvan te delen. Met een persoonlijk voorwerp vertellen zij over hun persoonlijke band met het koloniale verleden en hoe dit doorwerkt naar het hier en nu in de stad. De verhalen roepen universele bestaansvragen op.
Wat maakt een plek als Den Haag voor jou een thuis, of juist niet? Wat betekent het koloniale verleden voor jouw identiteit? En welke voorwerpen zijn daarbij belangrijk? Deze Hagenaars geven het koloniaal verleden van Den Haag een gezicht. Geïnspireerd door hun verhalen kunnen wij elkaar ontmoeten en leren kennen.