CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS322968 Bijlage 12 PlanMER Binckhorst Deel B Effecthoofdstukken 20250619

Commissie Leefomgeving 4 september 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken34.815 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Aspect

Beoordelingscriterium

Methode

Luchtkwaliteit

Verandering in jaargemiddelde concentratie stikstofoxiden

Kwantitatief

✓

Verandering in jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM10)

Kwantitatief

✓

Verandering in jaargemiddelde concentratie zeer fijnstof (PM2,5)

Kwantitatief

✓

Bijdrage Vlietlijn aan concentratie fijnstof (PM10)

Kwantitatief

✓

Stofbelaste woningen

Kwalitatief

Stofhinder

D

V

✓

Luchtkwaliteit Voor de beoordeling op jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof worden de kwantitatieve beoordelingen gevat in een totaalscore, volgens de systematiek zoals opgenomen in Tabel 9-7.

73

Datum: 19 juni - Public

PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING

Tabel 9-7 Beoordelingsschaal luchtkwaliteit, jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof

Score

Omschrijving

++

Verbetering van de luchtkwaliteit met > 2,4 µg/m³ op meer dan >15% van de adressen

+

Verbetering van de luchtkwaliteit met > 1,2 µg/m³ op meer dan >15% van de adressen

0/+

Verbetering van de luchtkwaliteit met > 0,4 µg/m³ op meer dan >15% van de adressen

0

Verandering van de luchtkwaliteit met < 0,4 µg/m³ op meer dan >15% van de adressen

0/-

Verslechtering van de luchtkwaliteit met > 0,4 µg/m³ op meer dan >15% van de adressen

-

Verslechtering van de luchtkwaliteit met > 1,2 µg/m³ op meer dan >15% van de adressen

--

Verslechtering van de luchtkwaliteit met > 2,4 µg/m³ op meer dan >15% van de adressen

De Vlietlijn wordt elektrisch aangedreven en heeft daarmee geen NO x-en PM2.5-emissie. Er is bij de Vlietlijn alleen sprake van een fijn stof PM10 emissie door slijtage van rails, wielen en bovenleiding. Voor de beoordeling van de bijdrage van de Vlietlijn aan fijnstof concentraties wordt gebruik gemaakt van de onderstaande tabel. Tabel 9-8 Beoordelingsschaal luchtkwaliteit, bijdrage Vlietlijn aan fijn stof (PM 10) concentratie

Score

Omschrijving

++

N.v.t.

+

N.v.t.

0/+

N.v.t.

0

Bijdrage emissie fijn stof < 0,4 µg/m³

0/-

Bijdrage emissie fijn stof > 0,4 µg/m³

-

Bijdrage emissie fijn stof > 1,2 µg/m³

--

Bijdrage emissie fijn stof > 2,4 µg/m³

Stofhinder Voor de beoordeling op stofhinder worden de kwalitatieve beoordelingen gevat in een totaalscore, volgens de systematiek zoals opgenomen in Tabel 9-9. Tabel 9-9 Beoordelingsschaal stofhinder

Score

Omschrijving

++

Het aantal stofgevoelige objecten dat binnen hindercontouren voor stof ligt, neemt sterk af

+

Het aantal stofgevoelige objecten dat binnen hindercontouren voor stof ligt, neemt af

0/+

Het aantal stofgevoelige objecten dat binnen hindercontouren voor stof ligt, neemt licht af

0

Het aantal stofgevoelige objecten dat binnen hindercontouren voor stof ligt, blijft gelijk

0/-

Het aantal stofgevoelige objecten dat binnen hindercontouren voor stof ligt, neemt licht toe

-

Het aantal stofgevoelige objecten dat binnen hindercontouren voor stof ligt, neemt toe

--

Het aantal stofgevoelige objecten dat binnen hindercontouren voor stof ligt, neemt sterk toe

74

Datum: 19 juni - Public

PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING

9.1.3

Studiegebied

Het onderzoek luchtkwaliteit richt zich op het plangebied Binckhorst en de wegen waar een significant effect als gevolg van de Doorontwikkeling en Vlietlijn optreedt. Het studiegebied betreft dan ook de wegen en het tracé van de Vlietlijn binnen het plangebied van de Binckhorst. Ook buiten de Binckhorst treden verkeerseffecten op. In het studiegebied zijn ook de wegen buiten de Binckhorst opgenomen waar ten opzichte van de referentiesituatie een toeof afname van minimaal 500 motorvoertuigen per rijrichting optreedt. Om een sluitend netwerk te krijgen zijn tussenliggende wegvakken met een toe- of afname van net minder dan 500 motorvoertuigen toegevoegd. Het studiegebied strekt zich uit tot maximaal 1 kilometer buiten de wegen met een significant effect. De ligging van het plangebied, het studiegebied en de gemodelleerde wegen zijn weergegeven in Figuur 9-1.

Figuur 9-1 Plangebied en studiegebied Doorontwikkeling Binckhorst

9.1.4

Wijze van onderzoek

Met de pc-applicatie Geomilieu versie 2024.2.1 (module STACKS) zijn berekeningen uitgevoerd voor de referentiesituatie en de plansituatie. Hierbij is gerekend conform de Omgevingsregeling (voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet Rbl 2007) met de generieke invoergegevens zoals gepubliceerd door het Ministerie van IenW in maart 2024. De verkeersgegevens van de wegen (weekdaggemiddelde etmaalintensiteiten, voertuigverdelingen, verdelingen over ochtend- en avondspits) zijn afkomstig uit het verkeersmodel V-MRDH, versie 3.0.2.

75

Datum: 19 juni - Public

PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING

Om het planeffect te beoordelen is de verandering van de concentratie als gevolg van de plansituatie beoordeeld voor verblijfsobjecten waarbij een significante blootstelling optreedt. Blootstelling is significant ten opzichte van de middelingstijd van de omgevingswaarden. In voorliggend onderzoek gaat het om een middelingstijd van een jaar voor NO2, PM10 en PM2.5. Significante verblijfsobjecten zijn in dit geval: • Woningen inclusief woonboten. • Onderwijsinstellingen inclusief basis-, voortgezet-, middelbaar en hoger (beroeps)onderwijs. • Zorginstellingen inclusief verzorgings- en bejaardentehuizen en revalidatie instellingen. • Kinderdagverblijven en buitenschoolse opvang. • Gevangenissen.

Adressen met overige gebruiksfuncties als kantoren, industrie, sporthallen en winkels, zijn niet in de beoordeling opgenomen. Bijdrage Vlietlijn De Vlietlijn betreft een tramverbinding in het plangebied. De tram wordt elektrisch aangedreven en heeft daarmee geen emissie van stikstofoxiden. De Vlietlijn draagt daarom niet bij aan de concentratie stikstofdioxide in het studie- en plangebied. Door slijtage van rails en bovenleiding, kan de Vlietlijn wel een bron van fijn stof zijn. Het gaat dan alleen om slijtage van rails en bovenleiding, waarmee sprake kan zijn van PM10-emissie. PM2.5 betreft over het algemeen een fijn stof emissie als gevolg van verbranding van brandstoffen. Daarom is voor de Vlietlijn alleen rekening gehouden met emissie van PM10. De Geomilieu module STACKS is niet geschikt voor invoer van treinen en trams. Daarom zijn de tramaantallen op de Vlietlijn in de plansituatie omgerekend naar zware vrachtwagens. Hiervoor zijn de emissiefactoren gebruikt afkomstig uit het rapport STREAM Personenvervoer van CEDelft18. Met deze emissiefactoren is de fijn stof emissie van trams per reizigerskilometer berekend. Met de emissiefactoren geldig voor zware vrachtwagens in het jaar 2030 19, is de emissie van de tram omgerekend naar vrachtwagenaantallen. De gehanteerde gegevens zijn samengevat in Tabel 9-10.

Tabel 9-10: Fijn stof emissie vanwege trams en de in het model ingevoerde vrachtwagenequivalenten

Fijn stof emissie

Emissiefactor tram PM10 [g PM10/rkm]

Emissiefactor zware vrachtwagens [g/km]

Equivalenten zware vrachtwagens per tram

Tram

0,04

0,14

0,29

Uit bovenstaande blijkt dat de emissie van 1 tram gelijk staan aan de emissie van 0,29 vrachtwagens; omgekeerd evenredig veroorzaken circa 4 trams in 2030 dezelfde emissie als 1 zware vrachtwagen bij een snelheid van 50 km/u binnen de bebouwde kom en bij vrije doorstroming van verkeer. Omdat de gemodelleerde vrachtwagenaantallen iets meer dan een kwart van de tramaantallen bedragen, en omdat deze aantallen vele malen kleiner zijn dan de verkeersaantallen op de wegen in het studiegebied, zal het wegverkeer veruit maatgevend zijn in voorliggend onderzoek.

18 STREAM personenvervoer emissiekentallen 2030 2014, CEDelft, mei 2023. 19

Emissiefactoren voor snelwegen en niet-snelwegen, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, maart 2025. Emissiefactoren voor zware vrachtwagens, jaartal 2030, stadsverkeer vrije doorstroming https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/luchtkwaliteit/documenten/publicaties/2020/03/13/emissiefactoren-voor-snelwegen-en-niet-snelwegen2020

76

Datum: 19 juni - Public

PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING

9.2

Referentiesituatie

9.2.1

Luchtkwaliteit

Huidige situatie De luchtkwaliteit wordt in de huidige situatie bepaald door de heersende achtergrondconcentratie. In deze achtergrondconcentratie zijn bestaande bronnen als (rijks)wegen en industrie opgenomen. De rijkswegen en de industrie in en rond het plangebied zijn de voornaamste bronnen van luchtverontreinigende stoffen in het gebied. Omdat de huidige situatie de situatie 2024 betreft, wordt hier getoetst aan de vigerende omgevingswaarde uit de Omgevingswet (2024). In Figuur 9-2 is de grootschalige achtergrondconcentratie stikstofdioxide in de huidige situatie (2024) weergegeven 20. Uit deze figuur blijkt dat de jaargemiddelde achtergrondconcentratie in het studiegebied 15-20 µg/m3 bedraagt. Er wordt ruimschoots voldaan aan de omgevingswaarden voor stikstofdioxide.

Figuur 9-2 Uitsnede van de jaargemiddelde concentratie NO2 in de huidige situatie (2024) in en rond het studiegebied

In Figuur 9-3 is de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) weergegeven. Uit de figuur blijkt dat de jaargemiddelde concentratie PM10 binnen het studiegebied 14-18 µg/m3 bedraagt. Er wordt ruimschoots voldaan aan de omgevingswaarde voor PM10.

20

De grootschalige achtergrondconcentratiekaarten worden jaarlijks door het RIVM in maart gepubliceerd. Dit betreft achtergrondconcentraties over het voorgaande jaar en is weergegeven in vlakken van 1 bij 1 kilometer.

77

Datum: 19 juni - Public

PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING

Figuur 9-3 Uitsnede van de jaargemiddelde concentratie PM10 in de huidige situatie (2024) in en rond het studiegebied

Figuur 9-4 geeft de jaargemiddelde concentratie zeer fijn stof (PM2.5) in en rond het studiegebied weer. Uit de afbeelding blijkt dat in het hele gebied de jaargemiddelde concentratie 8-10 µg/m3 bedraagt. Aan de omgevingswaarde voor PM2.5 wordt in het hele studiegebied ruimschoots voldaan.

78

Datum: 19 juni - Public

PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING

Figuur 9-4 Uitsnede van de jaargemiddelde concentratie PM2.5 in de huidige situatie (2024) in en rond het studiegebied

Gemeente Den Haag De jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO 2) voor het jaar 2024 is weergegeven in Figuur 9-2. Uit de figuur blijkt dat in 2024 de heersende jaargemiddelde concentratie NO2 binnen de Binckhorst overwegend 15-20 µg/m³ bedroeg. De invloed van de hoofdwegen is duidelijk zichtbaar, met concentraties tot 25 µg/m³. In Figuur 9-3 en Figuur 9-4 zijn de jaargemiddelde achtergrondconcentraties fijn stof (PM 10) en zeer fijn stof (PM2.5) voor het jaar 2024 weergegeven. De jaargemiddelde achtergrondconcentratie fijn stof (PM 10) bedroeg in 2024 14-18 µg/m³ in en rond het studiegebied. Voor zeer fijn stof (PM2.5) bedroeg de concentratie in het hele studiegebied 8-10 µg/m3. Gemeente Leidschendam-Voorburg De jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO 2) voor het jaar 2024 is weergegeven in Figuur 9-2. Uit de figuur blijkt dat in 2024 de heersende jaargemiddelde concentratie NO 2 in Leidschendam-Voorburg 15-20 µg/m³ bedroeg. De invloed van de hoofdwegen is duidelijk zichtbaar, met concentraties tot 25 µg/m³. In Figuur 9-3 en Figuur 9-4 zijn de jaargemiddelde achtergrondconcentraties fijn stof (PM 10) en zeer fijn stof (PM2.5) voor het jaar 2024 weergegeven. De jaargemiddelde achtergrondconcentratie fijn stof (PM 10) bedroeg in 2024 1 4-18 µg/m³ in en rond het studiegebied. Voor zeer fijn stof (PM2.5) bedroeg de concentratie in het hele studiegebied 8-10 µg/m³.

79

Datum: 19 juni - Public

PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING

Gemeente Rijswijk De jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO 2) voor het jaar 2024 is weergegeven in Figuur 9-2. Uit de figuur blijkt dat in 2024 de heersende jaargemiddelde concentratie NO 2 in Rijswijk 15-20 µg/m3 bedroeg. De invloed van de hoofdwegen is duidelijk zichtbaar, met concentraties tot 25 µg/m 3. In Figuur 9-3 en Figuur 9-4 zijn de jaargemiddelde achtergrondconcentraties fijn stof (PM 10) en zeer fijn stof (PM2.5) voor het jaar 2024 weergegeven. De jaargemiddelde achtergrondconcentratie fijn stof (PM 10) bedroeg in 2024 14-18 µg/m³ in en rond het studiegebied. Voor zeer fijn stof (PM2.5) bedroeg de concentratie in het hele studiegebied 8-10 µg/m3.

Autonome ontwikkeling De autonome ontwikkeling is de situatie die ontstaat wanneer de Vlietlijn en het Basispakket Mobiliteit niet gerealiseerd worden. Met de verkeersgegevens voor het jaar 2040 exclusief Doorontwikkeling van de Binckhorst zijn de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof berekend voor het zichtjaar 2030. De verwachting is dat de concentraties van luchtverontreinigende stoffen (NO 2, PM10 en PM2.5) tot 2030 en daarna verder zullen dalen als gevolg van voortdurende verbeteringen aan de luchtkwaliteit en een verschoning van het wagenpark. Per gemeente wordt dit hieronder nader beschouwd. Omdat deze de autonome ontwikkelingssituatie na 2030 geldt, wordt hier niet getoetst aan de omgevingswaarden uit de Omgevingswet, maar aan de dan geldige grenswaarde uit EU Richtlijn 2024/2881.

Figuur 9-5 Concentratie stikstofdioxide in de autonome ontwikkeling 80

Datum: 19 juni - Public

PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING

Figuur 9-6 Concentratie fijn stof in de autonome ontwikkeling

81

Datum: 19 juni - Public

PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING

Figuur 9-7 Concentratie zeer fijn stof in de autonome ontwikkeling

Gemeente Den Haag In Figuur 9-5 is de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO 2) van de autonome ontwikkeling in 2030 weergegeven, waarbij in het plangebied circa 15-20 μg/m3 NO2 is berekend. e. Hogere concentraties van 20-25 µg/m3 worden berekend langs het Schenkviaduct, de Binckhorstlaan en de A12. Deze concentraties liggen direct rond de wegen op de rekenpunten op 10 meter van de weg. Rond de tunnelmond van de Rotterdamse Baan worden concentraties van 25-35 µg/m³ berekend, wat vergelijkbaar is met de huidige situatie. Oorzaak hiervan is de tunnelventilatie. Met uitzondering van de rekenpunten direct langs de drukke wegen in het gebied, wordt binnen het plan- en studiegebied ter hoogte van significante verblijfsobjecten voldaan aan de grenswaarden uit EU Richtlijn 2014/2881. Op de rekenpunten langs de wegen wordt niet voldaan. Hier is echter geen sprake van significante blootstelling, omdat individuen hier niet gedurende de significante blootstellingstijd verblijven. Figuur 9-6 toont de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) van de autonome ontwikkeling in 2030, waarbij licht verhoogde concentraties te zien zijn rond de A12 en Laakhaven. De concentratie ligt hier tussen 16 en 18 μg/m3 en is daarmee iets lager dan de huidige situatie.

Ter hoogte van de tunnelmond van de Rotterdamse Baan is het effect van de tunnelventilatie zichtbaar; ook hier wordt een concentratie van 18-20 µg/m3 berekend. Elders in het plan- en studiegebied en ter hoogte van verblijfsobjecten waar blootstelling significant is, bedraagt de concentratie 14-16 µg/m3. Aan de grenswaarden van EU Richtlijn 2014/2881 wordt voor fijn stof voldaan.

82

Datum: 19 juni - Public

PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING

De jaargemiddelde concentratie zeer fijn stof (PM 2.5) in de autonome ontwikkeling is weergegeven in Figuur 9-7, waarbij rond de A12, de Binckhorstlaan, Laakhaven en rond de tunnelmond van de Rotterdamse Baan concentraties tussen 8 en 10 μg/m3 ligt. In de rest van het gebied ligt de concentratie lager, tussen de 6 en 8 μg/m3. Aan de grenswaarden uit EU-richtlijn 2024/2881 wordt bij verblijfsobjecten waarbij sprake is van significante blootstelling voldaan. Ook op de rekenpunten langs de wegen wordt voldaan. Hier is echter geen sprake van significante blootstelling, omdat individuen niet voor langere tijd rond deze wegen verblijven. Gemeente Leidschendam-Voorburg De jaargemiddelden concentraties NO2, PM10 en PM2.5 in de gemeente Leidschendam-Voorburg liggen op de meeste plaatsen tussen 15-20 µg/m3, 14-16 µg/m3 en 6-8 µg/m3 respectievelijk. Bij de meeste verblijfsobjecten waarbij sprake is van significante blootstelling, wordt voor alle drie de luchtverontreinigende stoffen voldaan aan de EU Richtlijn 2014/2881. Voor woningen en andere significante verblijfsobjecten gelegen langs de A12 in Voorburg Noord kan voor stikstofdioxide nog niet voldaan aan de grenswaarde aan de EU Richtlijn. De Rijksweg is hierbij de oorzaak.

Gemeente Rijswijk De jaargemiddelden concentraties van NO2, PM10 en PM2.5 in de gemeente Rijswijk liggen tussen 15-20 µg/m3, 14-16 µg/m3 en 6-8 µg/m3 respectievelijk. In de wijken Broekpolder en Havenkwartier ligt de NO2-concentratie door de aanwezigheid van industrie en Rijksweg A4 met 20-25 µg/m3 hoger en hier wordt niet voldaan aan de grenswaarden uit EU Richtlijn 2024/2881. Voor (zeer) fijn stof wordt wel aan de grenswaarden uit de EU Richtlijn voldaan.

9.2.2

Stofhinder

In het gebied zijn vijf milieubelastende activiteiten die stof produceren. Deze zijn samengevat inTabel 9-11. In de huidige situatie liggen er meerdere woningen binnen het hindergebied van deze bedrijven. Het gaat om het oostelijke deel van het appartementencomplex aan de Jupiterkade dat binnen het hindergebied van Dyckerhoff Basal ligt, en enkele losse woningen aan het Trekvlietplein liggen binnen het hindergebied van HMS. In de autonome ontwikkeling komt een nieuw appartementencomplex op de hoek van de Plutostraat en de Binckhorstlaan ook binnen het hindergebied van HMS te liggen. Tabel 9-11 milieubelastende activiteiten in de Binckhorst met de milieucategorie en de bijbehorende richtafstand voor stofhinder

Bedrijf

Adres

Milieucategorie

Richtafstand

AVR

Meteoorstraat 65

4.2

100 m

HMS

Plutostraat 1

4.2

100 m

Renewi

Zonweg 13

4.1

100 m

Dyckerhoff Basal

Binckhorstlaan 362

3.2

100 m

Jachtwerf de Haas

Binckhorstlaan 281

3.2

50 m

83

Datum: 19 juni - Public

PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING

Figuur 9-8 Bestaande woningen plus woningbouwlocaties die in de referentiesituatie binnen richtafstanden voor stofhinder liggen

84

Datum: 19 juni - Public

PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING

9.3

Effecten basisalternatief

9.3.1

Effecten Doorontwikkeling

Overzicht effecten Doorontwikkeling Voor de Doorontwikkeling zijn de verwachte effecten voor de luchtkwaliteit inzichtelijk gemaakt voor de beoordelingscriteria. Tabel 9-12 geeft een overzicht van de scores van de Doorontwikkeling op deze criteria. In onderstaande tekst is toegelicht hoe deze scores tot stand zijn gekomen. Tabel 9-12 Scores van de referentiesituatie en de Doorontwikkeling (D) op de beoordelingscriteria voor luchtkwaliteit

Aspect

Beoordelingscriterium

Ref

D

Stofhinder

Stofbelaste woningen

0

--

9.3.1.1

Stofhinder

De kaart in Figuur 9-9 laat de contouren van de milieubelastende bedrijven in het gebied zien. Op de kaart zijn deze contouren geprojecteerd op de bouwblokken van huidige en toekomstige woningen, onderverdeeld in autonome woningbouw en woningbouw als onderdeel van de Doorontwikkeling. Het Gebiedsprogramma gaat ervan uit dat alle geluidbronnen op de kaart uitgeplaatst worden, met uitzondering van Dyckerhoff Basal, Jachtwerf de Haas en het rangeerterrein van ProRail. Echter, voor het uitplaatsen van de bedrijven in het afvalcluster, waaronder AVR, loopt op moment van schrijven (april 2025) nog een haalbaarheidsonderzoek. Ook voor de andere bedrijven kunnen we op basis van de ambities van het Gebiedsprogramma niet op voorhand stellen dat er geen risico bestaat dat ze niet uitgeplaatst zullen worden. Daarom gaan wij er in deze beoordeling vanuit dat alle bedrijven op de kaart in Figuur 9-9 niet zullen verdwijnen uit het gebied21,22. Rondom de volgende bedrijven liggen bouwblokken van de Doorontwikkeling: •

• •

Binnen het hindergebied van Dyckerhoff Basal zijn binnen het Gebiedsprogramma zijn vier bouwblokken (T7, B4, B8 en B9) gepland direct ten noordwesten van Dyckerhoff Basal, aan de overzijde van de Binckhorstlaan ten opzichte van het bedrijf, en aan de Maanweg ten zuidoosten van Dyckerhoff Basal. In totaal worden er 1.250 woningen in deze bouwblokken gerealiseerd. Slechts een klein deel hiervan ligt binnen het hindergebied voor stof. Binnen het hindergebied van HMS en AVR worden in bouwblokken P1, P3 en P4 in totaal 1.250 woningen voorzien in het Gebiedsprogramma. Renewi ligt precies tussen de bouwblokken B1 en B3 in. Het hindergebied voor stof raakt de westelijke kant van bouwblok B5. In totaal zijn in deze drie bouwblokken 1.340 woningen voorzien.

Omdat het aantal woningen in hindergebieden voor stof sterk toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie beoordelen we de Doorontwikkeling zeer negatief (--).

21 Uiteraard realiseren we ons dat het in de lijn der verwachting ligt dat een groot deel van de bedrijven wel degelijk uitgeplaatst zal worden. In dit

planMER volgen we echter een worst-case benadering waarbij we de varianten met de meest negatieve milieueffecten beoordelen. 22 Als deze variant consequent doorgedacht wordt, betekent dit dat bouwblokken op de plek van bedrijven in de kaart niet zouden worden ontwikkeld. Voor de consistentie van de beoordeling in de effecthoofdstukken in deel B van dit planMER nemen we dit echter niet verder in beschouwing en merken we op dat hier sprake is van een ruimteconflict.

85

Datum: 19 juni - Public

PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING

Figuur 9-9 Bestaande en nieuwe woningen plus woningbouwlocaties binnen de Doorontwikkeling die in de referentiesituatie binnen richtafstanden voor stofhinder liggen

9.3.2

Effecten Vlietlijn

Voor de Vlietlijn zijn de verwachte effecten voor de luchtkwaliteit inzichtelijk gemaakt voor de beoordelingscriteria. Tabel 9-13 geeft een overzicht van de scores van de Doorontwikkeling op deze criteria. In onderstaande tekst is toegelicht hoe deze scores tot stand zijn gekomen. Tabel 9-13 Scores van de referentiesituatie en de Doorontwikkeling Vlietlijn (V) op de beoordelingscriteria voor luchtkwaliteit voor de drie gemeenten Den Haag (DH), Leidschendam-Voorburg (LV) en Rijswijk (RW)

Aspect

Beoordelingscriterium

Ref

DH

LV

RW

Luchtkwaliteit

Verandering in jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2)

0

0

0

0

Verandering in jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM10)

0

0

0

0

Verandering in jaargemiddelde concentratie zeer fijnstof (PM2,5)

0

0

0

0

Bijdrage Vlietlijn aan concentratie fijnstof (PM10)

0

0

0

0

86

Datum: 19 juni - Public

PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING

9.3.2.1

Verandering in de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2)

De jaargemiddelde concentratie NO2 zoals deze voor de Doorontwikkeling berekend is, is weergegeven in Figuur 9-10.

Figuur 9-10 Jaargemiddelde concentratie 2030, NO2 DoorontwikkelingVlietlijn

Uit bovenstaande afbeelding blijkt dat de jaargemiddelde concentratie NO 2 in een groot deel van het plan- en studiegebied tussen 15 en 20 µg/m3 ligt. De hoogste concentratie wordt berekend bij industrieterreinen, drukke lokale wegen en Rijkswegen, en de tunnelmond van de Rotterdamse Baan. De concentratie is daarmee vergelijkbaar met de autonome ontwikkeling. Om beter inzicht te krijgen in de verandering van de jaargemiddelde concentratie NO 2 is een verschilanalyse uitgevoerd. De verandering van de luchtkwaliteit als gevolg van de Doorontwikkeling is weergegeven in Figuur 9-11. Uit de figuur blijkt dat de verandering van de concentratie binnen het plangebied kleiner is dan 0,4 µg/m 3. Hiermee is de verandering van de concentratie Niet In Betekenende Mate. Ter hoogte van de S100/Neherkade neemt de concentratie vanwege een toename van verkeer toe met meer dan 1,2 µg/m 3. Hierbij is sprake van een toename In Betekenende Mate. De jaargemiddelde concentratie bedraagt hier maximaal 22 µg/m 3, waarmee ook niet voldaan wordt aan EU Richtlijn 2024/2881 en de WHO-advieswaarden.

87

Datum: 19 juni - Public

PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING

Figuur 9-11 Verandering van de jaargemiddelde concentratie NO2 als gevolg van de Doorontwikkeling Vlietlijn

Om beter inzicht te krijgen in de verandering van de concentratie op significante verblijfsobjecten, zijn de verblijfsobjecten geconflicteerd met de verandering van de jaargemiddelde concentratie. De uitgevoerde tellingen zijn per gemeente opgenomen in Tabel 9-14. Tabel 9-14 Verandering van de jaargemiddelde concentratie NO2. Doorontwikkeling Vlietlijn t.o.v. autonome ontwikkeling

Verandering van de jaargemiddelde concentratie NO2 [µg/m3] Afname Afname >2,4 1,2-2,4

Afname 0,4 – 1,2

Verandering Toename < 0,4 0,4-1,2

Toename 1,2-2,4

Toename >2,4

Totaal adressen

Den Haag

0

0

497

39.306

1.341

58

0

41.202

Rijswijk

0

0

0

8.480

0

0

0

8.480

Leidschendam Voorburg

0

0

0

7.871

0

0

0

7.871

Totaal

0

0

497

55.657

1.341

58

0

57.553

Uit de tabel blijkt dat de jaargemiddelde concentratie op 58 adressen binnen de het studiegebied met meer dan 1,2 µg/m3 toeneemt. Op 1.341 adressen neemt de concentratie toe, maar blijft binnen de grens Niet in Betekenende Mate bijdragen (NIBM). Op in totaal 497 adressen verbetert de luchtkwaliteit, maar blijft ook deze verbetering binnen de grens NIBM.

88

Datum: 19 juni - Public

PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING

De relatieve verandering van de jaargemiddelde concentratie NO 2 is opgenomen in Tabel 9-15. Tabel 9-15 Relatieve verandering van de jaargemiddelde concentratie NO2. Doorontwikkeling Vlietlijn t.o.v. autonome ontwikkeling

Verandering van de jaargemiddelde concentratie NO2 Afname >2,4

Afname 1,2-2,4

Afname 0,4 – 1,2

Verandering < 0,4

Toename 0,4-1,2

Toename 1,2-2,4

Toename >2,4

Den Haag

0%

0%

1%

95%

3%

0%

0%

Rijswijk

0%

0%

0%

100%

0%

0%

0%

Leidschendam Voorburg

0%

0%

0%

100%

0%

0%

0%

Totaal

0%

0%

1%

97%

2%

0%

0%

Uit bovenstaande tabel blijkt dat verreweg het grootste aandeel adressen geen significante verandering van de jaargemiddelde concentratie NO2 ondervindt. Conform Tabel 9-7 in het beoordelingskader, wordt de verandering van de jaargemiddelde concentratie NO2 als gevolg van de Doorontwikkeling beoordeeld als neutraal (0). Dit geldt voor alle drie de gemeenten.

9.3.2.2

Verandering in de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10)

De jaargemiddelde concentratie PM10 zoals deze voor de Doorontwikkeling berekend is, is weergegeven in Figuur 9-12.

89

Datum: 19 juni - Public

PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING

Figuur 9-12 Jaargemiddelde concentratie 2030, PM10 DoorontwikkelingVlietlijn

Uit bovenstaande afbeelding blijkt dat de jaargemiddelde concentratie PM 10 in een groot deel van het plan- en studiegebied tussen 14 en 16 µg/m3 ligt. De hoogste concentratie wordt berekend bij industrieterreinen, drukke lokale wegen en Rijkswegen, en de tunnelmond van de Rotterdamse Baan. De concentratie is daarmee vergelijkbaar met de autonome ontwikkeling. Er wordt voldaan aan de grenswaarden uit EU-richtlijn 2024/2881. De WHO-advieswaarden worden in een groot deel van het plan- en studiegebied overschreden. Om beter inzicht te krijgen in de verandering van de jaargemiddelde concentratie PM 10 is een verschilanalyse uitgevoerd. De verandering van de luchtkwaliteit als gevolg van de Doorontwikkeling is weergegeven in Figuur 9-13. Uit de figuur blijkt dat de verandering van de concentratie binnen het plan- en studiegebied kleiner is dan 0,4 µg/m3. Hiermee is de verandering van de concentratie Niet In Betekenende Mate.

90

Datum: 19 juni - Public

PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING

Figuur 9-13 Verandering van de jaargemiddelde concentratie PM10 als gevolg van de Doorontwikkeling Vlietlijn

De luchtkwaliteit in het plan- en studiegebied verandert dus vrijwel niet. Toch zijn voor de volledigheid de significante verblijfsobjecten binnen het plan- en studiegebied geconfronteerd met de verschilplot. De uitgevoerde tellingen zijn per gemeente opgenomen in Tabel 9-16. Tabel 9-16: Verandering van de jaargemiddelde concentratie PM10 – Doorontwikkeling Vlietlijn t.o.v. autonome ontwikkeling

Verandering van de jaargemiddelde concentratie PM10 [µg/m3] Afname Afname >2,4 1,2-2,4

Afname 0,4 – 1,2

Verandering Toename < 0,4 0,4-1,2

Toename 1,2-2,4

Toename >2,4

Totaal adressen

Den Haag

0

0

0

41.202

0

0

0

41.202

Rijswijk

0

0

0

8.480

0

0

0

8.480

Leidschendam Voorburg

0

0

0

7.871

0

0

0

7.871

Totaal

0

0

0

57.553

0

0

0

57.553

Ook uit de tabel blijkt dat de jaargemiddelde concentratie alle adressen binnen de het studiegebied vrijwel niet verandert. De relatieve verandering van de jaargemiddelde concentratie PM10 is opgenomen in Tabel 9-17.

91

Datum: 19 juni - Public

PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING

Tabel 9-17: Relatieve verandering van de jaargemiddelde concentratie PM10. Doorontwikkeling Vlietlijn t.o.v. autonome ontwikkeling

Verandering van de jaargemiddelde concentratie PM10 Afname >2,4

Afname 1,2-2,4

Afname 0,4 – 1,2

Verandering < 0,4

Toename 0,4-1,2

Toename 1,2-2,4

Toename >2,4

Den Haag

0%

0%

0%

100%

0%

0%

0%

Rijswijk

0%

0%

0%

100%

0%

0%

0%

Leidschendam Voorburg

0%

0%

0%

100%

0%

0%

0%

Totaal

0%

0%

0%

100%

0%

0%

0%

Uit bovenstaande tabel blijkt dat verreweg het grootste aandeel adressen geen significante verandering van de jaargemiddelde concentratie PM10 ondervindt. Conform Tabel 9-7 in het beoordelingskader, wordt de verandering van de jaargemiddelde concentratie PM10 als gevolg van de Doorontwikkeling beoordeeld als neutraal (0). Dat geldt voor alle drie de gemeenten.

9.3.2.3

Verandering in de jaargemiddelde concentratie zeer fijn stof (PM2.5)

De jaargemiddelde concentratie PM2.5 zoals deze voor de Doorontwikkeling Vlietlijn berekend is, is weergegeven in Figuur 9-14.

Figuur 9-14 Jaargemiddelde concentratie 2030, PM2.5 Doorontwikkeling

92

Datum: 19 juni - Public

PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING

Uit bovenstaande afbeelding blijkt dat de jaargemiddelde concentratie PM 2.5 in een groot deel van het plan- en studiegebied tussen 6 en 10 µg/m3 ligt. De hoogste concentratie wordt berekend bij industrieterreinen, drukke lokale wegen en Rijkswegen, en de tunnelmond van de Rotterdamse Baan. De concentratie is daarmee vergelijkbaar met de autonome ontwikkeling. Er wordt voldaan aan de grenswaarden uit EU-richtlijn 2024/2881. De WHO-advieswaarden worden in een groot deel van het plan- en studiegebied overschreden. Om beter inzicht te krijgen in de verandering van de jaargemiddelde concentratie PM 2.5 is een verschilanalyse uitgevoerd. De verandering van de luchtkwaliteit als gevolg van de Doorontwikkeling is weergegeven in Figuur 9-15. Uit de figuur blijkt dat de verandering van de concentratie binnen het plan- en studiegebied kleiner is dan 0,4 µg/m3. Hiermee is de verandering van de concentratie Niet In Betekenende Mate.

Figuur 9-15 Verandering van de jaargemiddelde concentratie PM2.5 als gevolg van de Doorontwikkeling

De luchtkwaliteit in het plan- en studiegebied verandert dus vrijwel niet. Toch zijn voor de volledigheid de significante verblijfsobjecten binnen het plan- en studiegebied geconfronteerd met de verschilplot. De uitgevoerde tellingen zijn per gemeente opgenomen in Tabel 9-18.

93

Datum: 19 juni - Public

PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING

Tabel 9-18 Verandering van de jaargemiddelde concentratie PM2.5 – Doorontwikkeling Vlietlijn t.o.v. autonome ontwikkeling

Verandering van de jaargemiddelde concentratie PM2.5 [µg/m3] Afname Afname >2,4 1,2-2,4

Afname 0,4 – 1,2

Verandering Toename < 0,4 0,4-1,2

Toename 1,2-2,4

Toename >2,4

Totaal adressen

Den Haag

0

0

0

41.202

0

0

0

41.202

Rijswijk

0

0

0

8.480

0

0

0

8.480

Leidschendam Voorburg

0

0

0

7.871

0

0

0

7.871

Totaal

0

0

0

57.553

0

0

0

57.553

Ook uit de tabel blijkt dat de jaargemiddelde concentratie alle adressen binnen de het studiegebied vrijwel niet verandert. De relatieve verandering van de jaargemiddelde concentratie PM2.5 is opgenomen in Tabel 9-19. Tabel 9-19 Relatieve verandering van de jaargemiddelde concentratie PM2.5. Doorontwikkeling Vlietlijn t.o.v. autonome ontwikkeling

Verandering van de jaargemiddelde concentratie PM2.5 Afname >2,4

Afname 1,2-2,4

Afname 0,4 – 1,2

Verandering < 0,4

Toename 0,4-1,2

Toename 1,2-2,4

Toename >2,4

Den Haag

0%

0%

0%

100%

0%

0%

0%

Rijswijk

0%

0%

0%

100%

0%

0%

0%

Leischendam Voorburg

0%

0%

0%

100%

0%

0%

0%

Totaal

0%

0%

0%

100%

0%

0%

0%

Uit bovenstaande tabel blijkt dat verreweg het grootste aandeel adressen geen significante verandering van de jaargemiddelde concentratie PM2.5 ondervindt. Conform Tabel 9-7 in het beoordelingskader, wordt de verandering van de jaargemiddelde concentratie PM2.5 als gevolg van de Doorontwikkeling beoordeeld als neutraal (0). Dat geldt voor alle drie de gemeenten.

9.3.2.4

Bijdrage Vlietlijn aan concentratie fijn stof (PM10)

Voor de Vlietlijn zijn de verwachte effecten voor het aspect luchtkwaliteit inzichtelijk gemaakt voor de beoordelingscriteria. Tabel 9-20 geeft een overzicht van de scores van de Vlietlijn op deze criteria. In onderstaande tekst is toegelicht hoe deze scores tot stand zijn gekomen. Tabel 9-20 Scores van de referentiesituatie en de Vlietlijn (V) op de beoordelingscriteria voor het aspect luchtkwaliteit

Aspect

Beoordelingscriterium

Ref DH LV RW

Luchtkwaliteit

Bijdrage Vlietlijn aan concentratie fijnstof (PM10)

0

0

0

0

Bijdrage Vlietlijn aan concentratie fijnstof (PM10) Omdat er bij de Vlietlijn alleen sprake is van een fijn stof emissie door slijtage van rails, wielen en bovenleiding, is er mogelijk een klein effect op de luchtkwaliteit. In Figuur 9-16 is de heersende achtergrondconcentratie fijn stof weergegeven samen met de bijdrage van de Vlietlijn.

94

Datum: 19 juni - Public

PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING

Figuur 9-16 Bijdrage van de Vlietlijn aan de heersende achtergrondconcentratie fijn stof (PM 10)

Hieruit blijkt dat de bijdrage van de Vlietlijn aan de luchtkwaliteit maximaal 0,01 µg/m3 bedraagt en dat deze bijdrage zich beperkt tot de ligging van het tracé zelf. Het criterium fijn stof wordt dan ook beoordeeld als neutraal (0) voor alle drie de gemeenten. Verder kan hieruit geconcludeerd worden dat de Vlietlijn geen verandering van de jaargemiddelde concentratie fijn stof veroorzaakt.

95

Datum: 19 juni - Public

PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING

9.4

Mogelijke effectbeperkende maatregelen

9.4.1

Maatregelen Doorontwikkeling

In Tabel 9-21 is de beoordeling opgenomen na het treffen van (mitigerende) maatregelen. Na de tabel volgt een toelichting op de maatregelen. Tabel 9-21 Effectbeoordeling Doorontwikkeling Vlietlijn (V)voor luchtkwaliteit met en zonder (mitigerende) maatregelen (M)

Aspect

Beoordelingscriterium

V

V+M

Luchtkwaliteit

Concentratie stikstofdioxide (NO2)

0

0

Concentratie fijn stof (PM10)

0

0

Concentratie fijn stof (PM2.5)

0

0

Concentratie stikstofdioxide De grenswaarden uit de Europese Richtlijn 2024/2881 en de WHO-advieswaarden worden voor NO2 op meerdere locaties op rekenpunten langs drukke wegen overschreden. Dit gebeurt al in de autonome ontwikkeling, dus zonder Doorontwikkeling van Binckhorst. De concentratie in het gebied wordt vrijwel geheel bepaald door aanwezige (rijks)wegen en industrie. Om de grenswaarden uit de EU-richtlijn en de WHO-advieswaarden te bereiken zijn, naast gemeentelijke maatregelen, ook nationale en internationale maatregelen nodig. De effecten van overige (lokale) maatregelen zullen vooral lokaal van aard zijn, gezien de aanwezigheid/dominantie van de omliggende rijkswegen. Nieuwe woningen zullen reeds gasloos gerealiseerd worden en er kan dus met name vanuit mobiliteit gestuurd worden op luchtkwaliteit. Maatregelen die ter plaatse bij kunnen dragen aan een betere ‘beleving’ van de luchtkwaliteit zijn bijvoorbeeld de Zero Emissiezone in het centrum van Den Haag, het verkeersluw inrichten van het plangebied (door bijvoorbeeld alleen aan de randen van het plangebied verkeersbewegingen en parkeergelegenheid toe te staan) en geen (emissie veroorzakend) verkeer in het plangebied toe te laten. Daarnaast beveelt de GGD23 aan om geen woningen te plaatsen binnen een afstand van 25 m van wegen met meer dan 10.000 voertuigen per etmaal.

In de plansituatie zijn dit de Binckhorstlaan, Mercuriusweg, Supernovaweg, Maanweg en Zonweg. Het emissieloos inrichten van de wijk zal leiden tot een lokale verbetering van de luchtkwaliteit, maar zal zonder (inter)nationale maatregelen de luchtkwaliteit rond de Rijkswegen in het gebied nauwelijks beïnvloeden. Daarom is het voor de inrichting van de omgeving ook goed om geen verblijfsobjecten met een significante blootstelling te realiseren in de directe omgeving van de A12. Maatregelen fijn stof en zeer fijn stof De WHO-advieswaarden voor (zeer) fijn stof worden op meerdere locaties overschreden. Aan de grenswaarden uit EU-richtlijn 2024/2881 wordt wel voldaan. Ook hier geldt dat de concentratie vooral bepaald wordt door de achtergrondconcentratie en de aanwezige (rijks)wegen en industrie in het gebied. Daarom zijn de maatregelen die voor fijn stof genomen kunnen worden, naast de in bovenstaande paragraaf genoemde maatregelen, ook van nationale en internationale aard. Lokale maatregelen zullen de luchtkwaliteit op lokaal niveau verbeteren en om de overschrijdingen bij de Rijkswegen te verbeteren zullen ook nationale maatregelen getroffen moeten worden.

23 https://www.rivm.nl/ggd-richtlijn-medische-milieukunde-luchtkwaliteit-en-gezondheid/luchtkwaliteit-advisering-door-GGD/beleidsadvisering-

ruimtelijke-planvorming

96

Datum: 19 juni - Public

PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING

9.4.2

Maatregelen Vlietlijn

De Vlietlijn draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen. Ook hiervoor geldt dat de concentratie volledig bepaald wordt door de heersende achtergrondconcentratie en door de (rijks)wegen en industrie in het gebied. Voor maatregelen aangaande de Vlietlijn wordt terugverwezen naar voorgaande paragraaf 9.4.1.

9.5

Aanbevelingen

Voor dit thema bevelen we het volgende aan: • Plaats zoveel mogelijk stofveroorzakende bedrijven uit. De bedrijven die stofhinder veroorzaken zijn AVR, HMS, Renewi, Dyckerhoff Basal en Jachtwerf de Haas. Het uitplaatsen van Renewi is randvoorwaardelijk voor de woningbouwplannen van de Doorontwikkeling omdat het bedrijf centraal in de Binckhorst ligt en een hindercontour voor stof van 100 m heeft. Voor de uitplaatsing van AVR en HMS loopt op het moment van schrijven (juni 2025) nog een haalbaarheidsonderzoek en het is dus nog niet zeker of uitplaatsing haalbaar is. Dyckerhoff Basal en Jachtwerf de Haas zullen niet uitgeplaatst worden. • Ga in gesprek met bedrijven die niet uitgeplaatst kunnen worden om afspraken te maken over hinderbeperkende maatregelen.

9.6

Leemten in kennis

Er zijn geen relevante leemten in kennis.

97

Datum: 19 juni - Public

PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING

10

Geurhinder

10.1

Aanpak

10.1.1

Wettelijk en beleidsmatig kader

In Tabel 8-1 is het relevante wettelijk kader en beleidskader opgenomen met betrekking tot het thema leefomgeving voor het aspect geurhinder. Tabel 10-1 wettelijk en beleidskaders

Wettelijk- en beleidskader

Toelichting en relevantie voor het Gebiedsprogramma

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

De geur van een activiteit moet bij een geurgevoelig gebouw acceptabel zijn (artikel 5.92, lid 2 Bkl). Dit houdt in dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan resulteren in een aanvaardbaar niveau van geurhinder. De gemeente bepaalt zelf welke mate van geurhinder zij acceptabel acht. De gemeente moet in het omgevingsplan een ‘bebouwingscontour geur’ vaststellen. Een geurgevoelig gebouw is ten minste een gebouw of een deel van een gebouw met een: a. Woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan. b. Onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan. c. Gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Geurhinderbeleid provincie Zuid-Holland Actualisatie 2024

Het Geurhinderbeleid van de provincie Zuid-Holland beschrijft het beleid van de provincie op gebied van geurhinder. De uitgangspunten van het beleid zijn onder meer om nieuwe geurhinder in geurgevoelige gebouwen (zie Bkl) te voorkomen en bestaande geurhinder te beperken. Voor het bepalen van het aanvaardbare geurhinderniveau kunnen Gedeputeerde staten gebruik maken van de hedonische waarden en van klachtenregistratie en -analyse, waarbij opgemerkt wordt dat de klachtenregistratie en -analyse van grotere waarde is omdat deze een maat is van de werkelijk ondervonden hinder.

De gemeente Den Haag heeft voor (industriële) bedrijven geen lokaal geurbeleid vastgesteld. Bij ontbreken van gemeentelijk geurbeleid kan worden aangesloten bij het geurbeleid van de provincie Zuid-Holland of het Rijksbeleid.

10.1.2

Beoordelingskader

Het beoordelingskader voor het aspect geurhinder is afgeleid van het wettelijk en beleidsmatig kader enerzijds en de doelstellingen van het Gebiedsprogramma anderzijds. In Tabel 8-2 is het beoordelingskader opgenomen. Hierbij is op hoofdlijnen aangegeven op welke wijze de effectbepaling voor de criteria is uitgevoerd. Daaronder is uitleg gegeven over het beoordelingscriterium en is de aanpak van de beoordeling toegelicht. De Vlietlijn heeft geen geureffecten en wordt daarom niet op dit milieuthema beoordeeld. Tabel 10-2 Beoordelingscriteria aspect geurhinder. De vinkjes geven aan welke onderzoeken uitgevoerd worden voor D: Doorontwikkeling en/of V: Vlietlijn

Aspect

Beoordelingscriterium

Methode

D

Geurhinder

Geurbelaste woningen

Berekeningen van het aantal geurgevoelige gebouwen binnen hindercontouren van geur rondom milieubelastende activiteiten

✓

Voor de beoordeling op het criterium geurbelaste woningen wordt de kwantitatieve beoordeling gevat in een totaalscore, volgens de systematiek zoals opgenomen in Tabel 9-7. 98

Datum: 19 juni - Public

V

PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING

Tabel 10-3 Beoordelingsschaal geurbelaste woningen

Score

Omschrijving

++

Het aantal geurgevoelige objecten dat binnen hindercontouren voor geur ligt, neemt sterk af

+

Het aantal geurgevoelige objecten dat binnen hindercontouren voor geur ligt, neemt af

0/+

Het aantal geurgevoelige objecten dat binnen hindercontouren voor geur ligt, neemt licht af

0

Het aantal geurgevoelige objecten dat binnen hindercontouren voor geur ligt, blijft gelijk

0/-

Het aantal geurgevoelige objecten dat binnen hindercontouren voor geur ligt, neemt licht toe

-

Het aantal geurgevoelige objecten dat binnen hindercontouren voor geur ligt, neemt toe

--

Het aantal geurgevoelige objecten dat binnen hindercontouren voor geur ligt, neemt sterk toe

10.1.3

Studiegebied

Het studiegebied voor het aspect geurhinder beslaat het plangebied voor de Doorontwikkeling. Dat betekent niet dat geureffecten op omliggende wijken niet voorkomen (delen van het Haagse Schipperskwartier en de Rijswijkse Noordpolderbuurt liggen binnen de hindercontouren van respectievelijk AVR en Jachtwerf de Haas), maar we kunnen op voorhand uitsluiten dat een projecteffect plaatsvindt. Voor deze effectbeoordeling gaan we er namelijk vanuit dat alle huidige milieubelastende activiteiten ongewijzigd blijven en dat er in het kader van de Doorontwikkeling buiten de Binckhorst geen woningbouw plaatsvindt.

10.1.4

Wijze van onderzoek

De gemeente Den Haag heeft geen lokaal geurbeleid vastgesteld. Voor de beoordeling van dit aspect vallen we daarom terug op het Geurhinderbeleid van de provincie Zuid-Holland, Actualisatie 2024. Hierin wordt gesteld dat voor het bepalen van de mate van geurhinder in een gebied gebruik gemaakt kan worden van hedonische waarden en van klachtenregistratie en -analyse. Voor de beoordeling van de Doorontwikkeling zijn beide informatiebronnen echter niet toepasbaar: • We kunnen niet gebruik maken van een klachtenregistratie en -analyse. Ten eerste is er geen informatie bekend over binnengekomen klachten vanuit de Binckhorst. Daarnaast wonen er in de huidige situatie nog maar zeer beperkt mensen in de buurt van geurveroorzakende activiteiten in het gebied. Deze situatie verandert door de ontwikkelplannen in het Gebiedsprogramma Binckhorst. Echter, er is logischerwijs nog geen informatie beschikbaar vanuit klachten over een toekomstige situatie. • De hedonische waarde24 werd lange tijd gebruikt om de (on)aangenaamheid van geur te meten. Echter, deze meetmethode is in juli 2024 door de normcommissie Geurmetingen ingetrokken25 omdat hij niet betrouwbaar genoeg bleek te zijn en toezicht en handhaving van bedrijven op basis van geurmetingen daardoor lastig werden.

Er zijn nog geen nieuwe meetmethoden vastgesteld, waardoor bevoegde gezagen op het moment aanvragen voor vergunningen niet kunnen beoordelen op aanvaardbaarheid. Ook is het momenteel niet mogelijk om geur effectief te monitoren. Voor de beoordeling van het aspect geurhinder zijn we daarom teruggeworpen op een beoordeling van de ligging van (toekomstige) geurgevoelige gebouwen ten opzichte van geurveroorzakende activiteiten. We hebben hiervoor een kaart opgesteld die op basis van de aan de milieucategorie van de activiteiten gekoppelde hinderafstand voor geur de gebieden in beeld brengt waar sprake is van (potentiële) geurhinder. Op deze kaart projecteren we huidige woningen en toekomstige woningen voor de referentie- en plansituatie. Op basis van deze kaart berekenen we hoeveel woningen er binnen de geurcontouren vallen in de referentiesituatie en de plansituatie. Omdat de plansituatie alleen op bouwblokniveau aangeeft hoeveel woningen er gerealiseerd gaan worden, hebben voor bouwblokken die slechts gedeeltelijk binnen een hindercontour voor geur vallen een aanname moeten doen over de verdeling van woningen binnen het bouwblok: we gaan er vanuit dat woningen evenredig verdeeld zijn over ieder individueel bouwblok.

24 https://iplo.nl/thema/lucht/vaststellen-luchtkwaliteit/handreiking-nieuw-nationaal-model-deel-praktijk/3-4-3-

geur/#:~:text=Een%20hedonische%20waarde%20geeft%20de,een%20verspreidingsmodel%20tot%20stand%20gekomen. 25 https://www.nen.nl/nieuws/milieu/nvn-geurkwaliteit-ingetrokken-alternatief-is-dringend-gewenst/

99

Datum: 19 juni - Public

PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING

De effectscore (zie Tabel 9-7) volgt uit het aantal woningen dat binnen de hindercontouren valt in vergelijking met de referentiesituatie.

10.2

Referentiesituatie

10.2.1

Huidige situatie

In de Binckhorst zijn in totaal acht milieubelastende activiteiten met een hindercontour voor geur. Deze zijn samengevat in Tabel 10-4. Tabel 10-4 Activiteiten in het plangebied met op basis van hun milieucategorie een hinderafstand voor geur

# Bedrijf

Locatie

Milieucategorie

Hinderafstand

1 Afval Verbranding Rijnmond (AVR)

Meteoorstraat 65

4.2

Voorschrift

2 Renewi Den Haag

Zonweg 13

4.1

200 m

3 Jachtwerf de Haas

Binckhorstlaan 362

3.2

100 m

4 Hedin Automotive

Mercuriusweg 9-11

3.1

50 m

5 Haaglanden Huisdieren Crematorium

Orionstraat 8

3.1

50 m

6 Verffabriek de Vos

Saturnusstraat 15-17

2

30 m

7 Shell tankstation

Maanweg 80

2

10 m

8 BP tankstation

Binckhorstlaan 100

2

10 m

Geurveroorzakende bedrijven Voor activiteiten 2 t/m 8 zijn geen specifieke geuronderzoeken beschikbaar of benodigd. In de vergunningen voor deze activiteiten zijn geen (maatwerk)voorschriften opgenomen voor geur. In het omgevingsplan Binckhorst worden voor deze activiteiten daarom de richtafstanden uit Tabel 10-4 gehanteerd. Voor één activiteit zijn wel een geuronderzoek en gespecificeerde voorschriften beschikbaar. Het betreft AVR, een watergebonden afvaloverslagstation dat in het Afvalcluster aan de Meteoorstraat ligt. Afval wordt hier vanaf schepen overgeslagen in een overdekte hal en bij deze overslag vindt geuremissie plaats. Afgezogen lucht uit de storthal komt uit drie schoorstenen boven het dak vrij in de buitenlucht. Binnen de vergunning voor het bedrijf is het niet toegestaan om binnen de grenswaarde van 1,5 ouE/m3 type 1 geurgevoelige objecten (woningen, scholen, verzorgingstehuizen etc.) te plaatsen. De meetmethode waar de vergunning voor AVR op is gebaseerd, is komen te vervallen (zie paragraaf 10.1.4). Er is nog geen nieuwe meetmethode voor in de plaats gekomen en dit zorgt ervoor dat er geen beleidsnormen zijn die overtreden kunnen worden. We gaan er echter vanuit dat de vergunning nog steeds geldig is. We gaan voor AVR dus uit van de geurcontour die weergegeven is in figuur 3-7 van omgevingsplan Binckhorst – Aanvulling Omgeving Effect Rapportage (OER) (2020).

100

Datum: 19 juni - Public

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15881794/1