RIS322802 Bijlage 1 Ruimtelijke Onderbouwing
Tekst van het document
datum referentie
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 22/50
L
De gemeente heeft als rol om afwegingen te maken tussen de belangen van ondernemers onderling en die tussen ondernemers en bewoners. Hierbij wordt uitgegaan van gebiedsprofielen voor de vestiging van horecazaken. Het resultaat is dat de kracht van Haagse horecaondernemers optimaal bijdraagt aan de quality of life voor bewoners, de aantrekkingskracht op (zakelijke) toeristen, een concurrerend vestigingsklimaat voor bedrijven en aan de werkgelegenheid in het algemeen.
Het Uitwerkingsplan 2016-2019 (RIS 288643) maakt de vertaling van de Horecavisie naar concrete acties. In het uitwerkingsplan zijn een aantal regels en locaties specifiek benoemd. Aan het plangebied wordt in het uitwerkingsplan geen specifieke betekenis toegekend.
Beoordeling Een van de thema's is bij de Haagse stadsentrees: 'first impressions last forever'. In dat verband is horecavestiging mogelijk. De inrichting van een lichte horecavoorziening op de werf van Staatsbosbeheer biedt daartoe de mogelijkheid en sluit ook aan op de andere uitgangspunten in de horecavisie.
Toetsing plan aan gemeentelijk beleid Uit de beschouwing en beoordeling van het gemeentelijk beleid blijkt dat de beoogde plannen voor de Koekamp goed aansluiten bij de beleidskaders. Feitelijk kan gesteld worden dat de ontwikkeling een voortvloeisel is uit het gemeentelijk beleid. Concluderend wordt dan ook gesteld dat het voornemen in overeenstemming is met gemeentelijk beleid.
datum referentie
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 23/50
3
4
Haalbaarheid
4.1
Archeologie en cultuurhistorie
De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.
Situatie plangebied archeologie Door Bodac B.V. is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd binnen het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de sloop, vervanging en uitbreiding van enkele gebouwen en de herinrichting van het terrein. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 1. Het onderhavige plangebied valt binnen een zone met de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 2. In gebieden met een Waarde-Archeologie 2 geldt een vrijstelling bij bodemingrepen kleiner dan 50 m2 of minder dan 0,5 meter onder maaiveld. De geplande ingrepen overschrijden deze ondergrenzen.
Op basis van het bureauonderzoek geldt binnen het plangebied een archeologische verwachting voor (off site) vondsten en sporen uit de Middeleeuwen tot in de Nieuwe tijd. Deze resten zouden zich onder de bouwvoor bevinden. In de top van intacte strand- en duinafzettingen of het veen zouden resten kunnen worden aangetroffen uit het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen. Ook is geconcludeerd dat binnen het plangebied resten uit de prehistorie aanwezig kunnen zijn welke door afdekking door veen mogelijk ongeschonden in de bodem bewaard zijn gebleven. Uit het verkennende booronderzoek blijkt dat de top van de strand- en duinafzettingen binnen het overgrote deel van het plangebied niet meer intact is. Vanwege de beperkte mate van intactheid van deze bodemhorizont en aanwijzingen voor afzanding in de Nieuwe tijd wordt de verwachting voor resten uit het Neolithicum tot en met Late Middeleeuwen naar laag bijgesteld. De strand- en duinafzettingen en het veen worden afgedekt door een antropogeen ophogingspakket. In de top hiervan en in de bovenliggende bouwvoor kunnen resten worden aangetroffen uit de Nieuwe tijd. Deze resten kunnen goed gelokaliseerd worden op basis van oud kaartmateriaal, en daarmee over de bouwtekening gelegd worden. Hieruit kan geconcludeerd worden dat deze resten niet verstoord worden door de voorgenomen werkzaamheden.
Het advies van Bodac is om geen vervolgonderzoek uit te laten voeren voor de voorgenomen werkzaamheden. Dit betekent expliciet geen vrijgave voor het plangebied, hier kunnen namelijk resten aanwezig zijn van bebouwing uit de Nieuwe tijd. Daar deze resten op basis van de voorgenomen werkzaamheden niet verstoord zullen worden is nu geen vervolgonderzoek benodigd. De wettelijke meldingsplicht blijft wel van kracht. Dat wil zeggen dat: tijdens de werkzaamheden (incl. sloop en nieuwbouw), ondanks de vrijstelling van vervolgonderzoek, toch archeologische vondsten kunnen worden gedaan door de uitvoerder. Als dat gebeurt, moet dit gemeld worden bij de afdeling Archeologie (Erfgoedwet art. 5.10 en 5.11).
datum referentie
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 24/50
3
Situatie plangebied cultuurhistorie In hoofdstuk 3 is onderbouwd op welke wijze de plannen raken aan cultuurhistorische waarden en hoe daarmee wordt omgegaan. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van aantasting van de cultuurhistorische waarden.
Conclusie Binnen het plangebied geldt een archeologische verwachting. Verstoring van archeologie waarden is niet te verwachten. De aspecten archeologie en cultuurhistorie zijn voldoende in beeld gebracht en vormen geen belemmering voor de planvorming en -uitwerking.
4.2
Bodem
De Wet bodembescherming (Wbb) en het Besluit bodemkwaliteit stellen eisen aan de bodemkwaliteit en geven regels over hoe om te gaan met grondverzet en bodemsanering. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet aangetoond worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogd gebruik.
Situatie plangebied In opdracht van Staatsbosbeheer is in 2021 een nul- en eindsituatie bodemonderzoek uitgevoerd binnen het plangebied. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2. In het kader van dit onderzoek is onder meer een historisch vooronderzoek uitgevoerd (conform NEN5725) en zijn enkele locaties onderzocht conform NEN5740. De belangrijkste resultaten van dit onderzoek worden samengevat en op basis daarvan wordt een conclusie getrokken gelet op het beoogd gebruik.
Op basis van het vooronderzoek zijn de volgende conclusies getrokken: • Op de locatie is geen sprake van een bekend geval van ernstige bodemverontreiniging; • Er is sprake van een verwachting op bodemverontreiniging, namelijk lichte verontreiniging met minerale olie op de locatie van een oude wasplaats en dieseltank; • Op basis van de bodemkwaliteitskaart is de achtergrondkwaliteit van de grondlagen bekend, de boven- en ondergrond voldoen aan de achtergrondwaarden; • De bodem op de locatie is niet verdacht voor de aanwezigheid van asbest. Op basis van het veldonderzoek, de boringen en de analyses zijn de volgende conclusies getrokken: • Op het maaiveld en in het opgeboorde materiaal is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Er is geen (bijmenging met) bodemvreemd materiaal vastgesteld. Er is geen directe aanleiding voor aanvullend onderzoek (naar asbest); • De zandige bovengrond ter plaatse van de oude wasplaats en dieseltank is licht verontreinigd met lood, zink en PAK. In de bodem ter plaatse van de toekomstige dieseltank zijn geen verontreinigingen aangetroffen met de verdachte parameter minerale olie; • In het grondwater zijn geen verontreinigingen vastgesteld; In 2023 is vervolgens nog een nader bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3.
De conclusies daarvan zijn als volgt: • Op basis van het uitgevoerde nader onderzoek kan worden geconcludeerd dat de verontreiniging met lood een omvang betreft van circa 52 m3. Daarmee is sprake van een (immobiel) geval van ernstige bodemverontreiniging (>25 m3 sterk verontreinigde grond). In het grondwater zijn geen verontreinigingen met lood vastgesteld. • Op het maaiveld van het gehele onderzoeksgebied is tijdens de maaiveldinspectie geen asbest aangetroffen. • In de inspectiegaten op de onderzoekslocatie is geen asbesthoudend materiaal in de fractie > 20 mm vastgesteld.
datum referentie
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 25/50
Binnen de deellocaties zijn geen gewogen gehalten aan asbest vastgesteld die de helft van de interventiewaarde van 100 mg/kgds (gewogen) overschrijden. Conform de NEN 5707 / NEN 5897 is het niet noodzakelijk verder onderzoek uit te voeren. Het is statistisch aannemelijk dat de interventiewaarde ook in een nader onderzoek niet zal worden overschreden. Binnen deze deellocatie is geen sprake van een bodemverontreiniging met asbest.
Tot slot is in 2024 nog een aanvullend nader bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4. Dit onderzoek heeft geleid tot verdere afperking van de eerder aangetroffen bodemverontreiniging met zware metalen. De omvang van de verontreiniging wordt nu geschat op ruim 25m3. De herkomst van de verontreiniging is niet exact bekend, maar een relatie met de bodemvreemde bijmengingen in de grond is aannemelijk.
Op basis van onderzoeksresultaten blijkt dat de bodemkwaliteit geschikt is (te maken) voor het beoogd gebruik. De aangetoonde verontreiniging met lood in de grond staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.
Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de realisatie van voorgenomen ontwikkeling.
4.3 Ontplofbare oorlogsresten Door de gemeente Den Haag is aangegeven dat het plangebied gelegen is in 00 (Ontplofbare Oorlogsresten) verdacht gebied. Conform de Arbowetgeving dient voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden het terrein onderzocht te worden op de mogelijke aanwezigheid van 00 om te voorkomen dat tijdens de grondroerende werkzaamheden een 00 wordt aangetroffen wat een gevaar voor de werknemers en openbare orde en veiligheid oplevert. Dit onderzoek is momenteel in voorbereiding.
4.4
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij productie, gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij kwetsbare bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit).
Situatie plangebied In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen risicobronnen, uitgezonderd de A12, die is aangewezen in de Regeling basisnet.
Op de Utrechtsebaan vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van deze transportroute, waarbij alleen de hoogte van het groepsrisico relevant is. In bijlage 5 is een beschouwing externe veiligheid opgenomen opgesteld door Antea Group. Hieruit blijkt dat 5 juli 2024 een nieuwe invalsweg, de Rijnlandroute, gereed is noordelijk van de Utrechtsebaan. Deze weg gaat onder meer de functie van de Utrechtsebaan voor het vervoer van gevaarlijke stoffen overnemen. Dit betekent dat dan de Utrechtsebaan geen groepsrisico meer zal kennen. Een nadere beschouwing van de hoogte van het groepsrisico is achterwege gelaten, wel is een beknopte verantwoording van het groepsrisico opgenomen:
datum referentie
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 26/50
1.
2.
3.
4.
De veranderde personendichtheid De personendichtheid neemt beperkt toe, maar het groepsrisico in de bestaande situatie is hoog (boven de oriëntatiewaarde). De mogelijke alternatieven en het tijdsperspectief Het tijdsperspectief is voor ontwikkelingen bij en langs de Utrechtsebaan zeer relevant, op korte termijn (2024) valt het vervoer van gevaarlijke stoffen weg. Alternatieven zijn dus al beschouwd, en er is een fundamentele oplossing gevonden. De bestrijdbaarheid van een incident Indien er geen sprake is van een verkeersincident waarbij een vrachtwagen met brandbaar gas is betrokken, kondigt een incident met een tankwagen brandbaar gas zich niet aan, maar voltrekt zich. De veiligheidsregio heeft protocollen om bij een dergelijk incident handelend op te treden. De zelfredzaamheid De geprojecteerde gebouwen hebben een publieksfunctie, deze functie betreft ook de ontvangst van verminderd zelfredzame personen. Hoewel het hoge groepsrisico nog maar een tijdelijke situatie is, zal Staatsbosbeheer interne instructies opstellen hoe te handelen bij een dreigend incident met gevaarlijke stoffen op de Utrechtsebaan.
Door de Gemeente Den Haag is aangegeven dat nog tot tenminste medio 2024 transport van LPG kan plaatsvinden over de Utrechtsebaan, aangezien de alternatieve route (N434) nog getest moet worden en het huidige routeringsbesluit moet worden gewijzigd. De wijziging hiervan wordt momenteel voorbereid. Onderhavig plan wordt echter niet eerder dan 2025 in gebruik genomen, waardoor ten tijde van de ingebruikname van het plan geen sprake meer is van een groepsrisico.
Conclusie Het aspect externe veiligheid is voldoende inzichtelijk en vormt geen belemmering voor de realisatie van voorgenomen ontwikkeling.
4.5 Geluid Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient toetsing aan de Wet geluidhinder (Wgh) plaats te vinden, bijvoorbeeld wanneer sprake is van het oprichten van geluidsgevoelige objecten of wanneer sprake is van realisatie van (spoor)wegen of industrie.
Situatie plangebied Het plan voorziet niet in de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten, (spoor)wegen of industrie. Toetsing aan de Wet geluidhinder is daarmee niet aan de orde. Geluidhinder vanwege de bedrijfsactiviteiten binnen het plan zelf is, gelet op de afstand tot omliggende gevoelige functies, niet aan de orde. Dit is nader toegelicht in paragraaf 4.6 (bedrijven en milieuzonering).
Conclusie Het aspect geluid (Wet geluidhinder) vormt geen belemmering voor de realisatie van voorgenomen ontwikkeling.
4.6 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door bedrijf- en milieuzonering. Onder bedrijf- en milieuzonering wordt verstaan het aan brengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.
datum referentie
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 27/50
L
Bedrijf- en milieuzonering heeft twee doelen: • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij de functie wonen en andere gevoelige functies; • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering" In de publicatie bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG, versie 2009) is het principe van functiescheiding verder uitgewerkt. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieugevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. De VNG-publicatie hanteert verschillende omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een gemengd gebied is een hogere mate van milieuhinder acceptabel, waardoor een kortere richtafstand wordt gehanteerd.
Situatie plangebied Omgevingstype Het plangebied en de omgeving worden beschouwd als een gemengd gebied. De VNG-publicatie stelt daarover hetvolgende: Een gemengd gebied is een gebied meteen matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Binnen het plangebied zijn naast elkaar zowel milieubelastende activiteiten als gevoelige functies aanwezig. Vooral de bedrijfswoning is hierbij relevant, de bedrijfswoning is uitsluitend bedoeld om te kunnen worden bewoond door medewerkers van Staatsbosbeheer, zoals een boswachter in opleiding. De bedrijfswoning kan als geluid- en geurgevoelig object worden beschouwd (voor activiteiten buiten de inrichting) en als beperkt kwetsbaar object. De bijeenkomstenfunctie en kantoorfunctie zijn niet geluidgevoelig, in zeer beperkte mate geurgevoelig en betreffen een beperkt kwetsbaar object. De andere functies worden als milieubelastende activiteit beschouwd. Verderop in deze paragraaf is dit nader uitgewerkt.
De directe omgeving rondom het plangebied bestaat vooral uit groen en natuur. Daarbuiten kenmerkt de omgeving zich echter door een grote mate van functiemenging. Direct grenzend aan het plangebied (op minder dan 50 meter afstand) ligt bovendien belangrijke hoofdinfrastructuur in de vorm van de A12/Utrechtsebaan.
Gelet op de mate van functiemenging binnen en rondom het plangebied én de verhoogde milieubelasting waarvan reeds sprake is in dit gebied vanwege aangrenzende infrastructuur is het te rechtvaardigen dat het gebied als gemengd gebied wordt beschouwd. In een gemengd gebied is een hogere mate van milieuhinder acceptabel, waardoor een kortere richtafstand wordt gehanteerd.
datum referentie
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 28/50
L
Interne werking Rondom het plangebied zijn diverse functies aanwezig. Op korte afstand betreft het hoofdzakelijk groen, natuur en infrastructuur. Op grotere afstand (>100 meter) zijn diverse functies aanwezig, waaronder kantoren, woningen, detailhandelsvestigingen, dienstverlening, cultuur en ontspanning, horeca, etc. Zware bedrijfsmatige activiteiten zijn niet aanwezig. Gelet op de afstand tot de functies in de omgeving en het omgevingstype (gemengd gebied) is onderlinge hinder niet aan de orde. Deze functies kunnen hun activiteiten ongehinderd blijven uitoefenen als gevolg van de beoogde plannen voor de Koekamp. De beoogde functies binnen het plangebied ondervinden bovendien geen hinder van omliggende (bedrijfs)activiteiten.
Externe werking Bij de beoordeling van de externe werking is als uitgangspunt genomen dat de functies binnen het plangebied worst-case maximaal milieucategorie 3.1 functies betreffen. Milieucategorie 3.1 functies kennen binnen gemengd gebied een richtafstand van 30 meter. Binnen die afstand bevinden zich in de omgeving geen gevoelige functies. Het plan leidt er daarmee dus niet toe dat het woon- en leefklimaat van gevoelige functies negatief wordt beïnvloed. De bedrijfsvoering van de functies binnen het plangebied is eveneens gewaarborgd.
Milieuzonering binnen het plangebied Binnen het plangebied komen zowel milieubelastende activiteiten voor als gevoelige functies. Opgemerkt wordt dat de bedrijfswoning binnen het plangebied in principe uitgesloten is van de beoordeling van milieuhinder binnen de eigen inrichting. De bedrijfswoning wijzigt niet als gevolg van de beoogde plannen. Toch is deze situatie in het kader van zorgvuldigheid nader in beschouwing genomen. In de volgende figuur is de ligging van de bedrijfswoning ten opzichte van de andere direct nabijgelegen functies weergegeven.
Koekamp, Den Haag Situering plangebied
IJ
K
2’
fa
AlI \
Z
* z
è%
4ë 5
j3
♦ . 1
« -
«u
a
ft G. • I 23, ■ Ei 1
HA
73
1
1 f
7
ƒ
4
mol 8e 259
-
I
MS
tJ
4
6 *
k
K %
72 TS '6029
o
Th
10
" mw 30
20
_, 2 h ca"
Legenda •) Bedrijfswoning"
| Horeca en vergaderruimtes
kantoor
Infocentrum
t
Aveco de Bondt
Afbeelding 4.1: Milieuzonering
datum referentie
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 29/50
In de volgende tabel is op basis van de richtafstandenlijst die bij de VNG-handreiking 'bedrijven en milieuzonering' hoort een inschatting gemaakt van de categorie en SBI-code waaronder de functies vallen binnen het plangebied.
Functie
SBI code .'2008)
Horeca en
561
Omschrijving
Milieucategorie
Richtafstand rustige woonwijk
Richtafstand gemengd gebied_____
Afstand tot bedrijfswoning
Restaurants, cafetaria's,
1
10 meter
0 meter
>12 meter
1
10 meter
0 meter
>20 meter
1 3.1
10 meter
0 meter
>34 meter
50 meter
30 meter
>80 meter
snackbars, ijssalons met
vergaderruimtes
eigen ijsbereiding,
viskramen e.d. Infocentrum
Kantoor
Werkplaats
9101, 9102 021, 022, 024
Bibliotheken, musea,
ateliers, e.d. Bosbouwbedrijven
Uit de analyse van de functies nabij de bedrijfswoning blijkt dat al deze activiteiten als milieucategorie 1 functie worden beschouwd. In een gemengd gebied kunnen deze functies dus direct naast gevoelige functies worden gesitueerd. In een rustige woonwijk is een onderlinge afstand van tenminste 10 meter gewenst. De bedrijfswoning ligt op voldoende afstand van al deze functies waardoor onderlinge hinder niet aan de orde zal zijn. De werkplaats dient worst-case als milieucategorie 3.1 te worden beschouwd, waarvoor in gemengd gebied een richtafstand van 30 meter geldt. De bedrijfswoning ligt op ruim 80 meter afstand van de werkplaats waardoor geen sprake zal zijn van hinder. De bedrijfsactiviteiten vinden bovendien hoofdzakelijk plaats in de dagperiode. Het terras bij de horecavoorziening ligt aan de andere zijde van het gebouw, waardoor hinder door stemgeluid hiervan ook niet te verwachten is.
Conclusie Gelet op de bovenstaande analyse van de interne werking, externe werking en milieuzonering binnen het plangebied wordt geconcludeerd dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de realisatie van voorgenomen ontwikkeling. De functies binnen het plangebied en in relatie tot de omgeving zijn voldoende in balans, leiden niet tot belemmeringen voor de bedrijfsvoering van bedrijven en hebben geen invloed op het woon- en leefklimaat.
4.7
Luchtkwaliteit
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
datum
referentie
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 30/50
L
]
Situatie plangebied Het plan is niet één op één te vergelijken met de categorieën van gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Wanneer echter naar de aard en omvang van het plan wordtgekeken dan kan geconcludeerd worden dat het plan naar verhouding veel kleinschaliger is dan bijvoorbeeld een woningbouwproject van 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Derhalve kan aangenomen worden dat ook dit plan 'niet in betekenende mate' van invloed is op de luchtkwaliteit.
Naast de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de luchtkwaliteit, moet worden bezien of er voldaan kan worden aan een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Om te bepalen of de plaatselijke luchtkwaliteit voldoet aan de normen voor een goed woon- en leefklimaat zijn verschillende bronnen onderzocht (NSL en Atlas Leefomgeving). Indien uit de monitoring blijkt dat de doelstellingen van het NSL niet worden gehaald, kunnen extra maatregelen worden getroffen.
Op basis van NSL monitoringstool blijkt dat de achtergrondconcentraties fijn stof (PM1o) en stikstofdioxide (NO2) ter plaatse van het plangebied ver onder de wettelijke norm zit. In 2020 bedroeg de achtergrondbelasting 17,8 pg/m3 (PMio), 9,4 pg/m3 (PM2,5) en 25,8 pg/m3 (NO2) rondom het plangebied. Daarmee wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden. Het besluit gevoelige bestemmingen is niet van toepassing op dit plan omdat geen sprake is van gevoelige bestemmingen in dat kader.
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van voorgenomen ontwikkeling.
4.8
Water
Ten behoeve van eenduidigheid en kwaliteit van waterparagrafen in bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen is de voorbeeldopzet voor de waterparagraaf afgeleid uit de handreiking watertoets voor gemeenten van het Hoogheemraadschap van Delfland.
Inleiding Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In de ruimtelijke onderbouwing dient voor het aspect water een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Een concept van de waterparagraaf is ten behoeve van vooroverleg ingediend bij het Hoogheemraadschap van Delfland. Naar aanleiding daarvan heeft een overleg plaatsgevonden en is de waterparagraaf definitief gemaakt.
Wette lijk kader en waterbeleid In onder andere de Europese Kaderrichtlijn water, de vierde Nota Waterhuishouding en de adviezen van de Commissie Waterbeheer 216 eeuw is het beleid met betrekking tot het water(beheer) vastgelegd. Het beleid is gericht op het duurzaam behandelen van water. Dit betekent onder andere het waarborgen van voldoende veiligheid en het beperken van de kans op hinder vanwege water. Dit ook in verhouding tot ontwikkelingen als de verandering van het klimaat, het dalen van de bodem en het stijgen van de zeespiegel. De relatie tussen water en ruimtelijke ordening wordt steeds belangrijker. In de nota 'Anders omgaan met water' is bepaald dat de gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding uitdrukkelijk in onder andere bestemmingsplannen moeten worden overwogen.
datum referentie
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 31/50
L
Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)/Nationale Omgevingsvisie (2021), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). Beleid provincie Zuid-Holland Provinciale Staten hebben begin 2022 het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. Hierin staat hoe gewerkt wordt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar ZuidHolland. Er zijn diverse Europese richtlijnen rondom water, zoals de Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn, de Richtlijn Overstromingsrisico's en de Zwemwaterrichtlijn. In de Waterwet is bepaald wat de provincie moet doen om uitvoering te geven aan deze richtlijnen.
Dit staat dus in het regionaal waterprogramma van de provincie. De provincie Zuid-Holland gaat in het regionaal waterprogramma - naast deze verplichte onderwerpen - ook in op onderwerpen zoals zoetwatervoorziening, waterrecreatie, vaarwegen en wateroverlast. Beleid Hoogheem-raadschap van Delfland De Verenigde Vergadering van Delfland heeft in de vergadering van 10 maart 2022 het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6)' vastgesteld. De missie van het Hoogheemraadschap van Delfland (droge voeten, voldoende water, schoon water en gezuiverd afvalwater) staat centraal. Naast een aantal verplichte onderdelen (de Kaderrichtlijn Water, de richtlijn overstromingsrisico's, de richtlijn zwemwater en Natura 2000), die in het waterbeheerprogramma een plek moeten krijgen, heeft het WBP6 geen vormvereisten. De bedoeling is dat de waterbeheertaken van de waterschappen voor de komende zes jaar op een overzichtelijke manier worden gepresenteerd en dat het concrete maatregelen bevat. Dit heeft vorm gekregen in een thematisch overzicht van maatregelen en activiteiten, digitaal ontsloten via de website van het Hoogheemraadschap van Delfland. Gemeentelijk beleid De Wateragenda is het instrument waarmee Delfland en Den Haag sinds 2012 de samenwerking regelen. Hierin worden heldere afspraken gemaakt over het omgaan met water in en om de stad.
Met de wateragenda 2016 2020 pakken Den Haag en Delfland de wateropgaven integraal op in samenhang met ruimtelijke ontwikkelingen, economie, recreatie en cultuurhistorie. Het Haagse College van Burgemeester & Wethouders wil een duurzame en vitale stad realiseren. Daarom is al sinds 2008 duurzaamheid een belangrijke pijler binnen de opeenvolgende Collegeprogramma's. Dat betekent dat er tijdens de planvorming van ruimtelijke ontwikkelingen ook aandacht is voor de belangen van toekomstige generaties, een gezonde natuur en milieu en vernieuwbare economische activiteiten. Duurzaam waterbeheer is hierin één van de manieren om de Haagse duurzaamheidsdoelstellingen
datum referentie
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 32/50
te realiseren. In het collegeprogramma van 2014 is daarbovenop de gebruiksfunctie van het water in de stad nader genoemd. Meer 'reuring' op het water! Den Haag en Delfland zien ook een klimaatbestendige inrichting als manier om een duurzame, vitale stad te realiseren. Dit leidt ertoe dat de stad in de toekomst klimaat robuust is en mede daardoor leefbaar een aantrekkelijk blijft.
Huidige situatie en toekomstige situatie Over de inhoud van de waterparagraaf heeft reeds vooroverleg plaatsgevonden met het Hoogheemraadschap (18 oktober 2022). De huidige en toekomstige situatie wordt themagewijs toegelicht, waarbij aandacht wordt besteed aan 7 waterthema's. Veiligheid en waterkeringen Uit de legger van het waterschap blijkt dat er geen waterkeringen, bergingsgebieden en ondersteunende kunstwerken in het plangebied aanwezig zijn. Het plan heeft daar dus geen invloed op.
Voorkomen van wateroverlast Een groot deel van het terrein is in de huidige situatie onverhard. In de toekomstige situatie zal de hoeveelheid verharding per saldo min of meer gelijk blijven. Uitgangspunt daarvoor is dat halfverharding voor 50% meetelt als verharding. Dit is in de volgende tabel inzichtelijk gemaakt.
Type
Huidige situatie (m2)
Toekomstige situatie (m2)
Verschil (m2)
Bebouwing (inclusief houten dek)
582
1.155
+573
Verharding
1.116
760
-356
Halfverharding
1.708 (50% = 854)
1.430 (50% = 715)
-278 (50% = 139)
2.630
78
Totaal verhard (uitgaande van 50% halfverharding) 2.552
Op basis van deze uitgangspunten is de watersleutel ingevuld, zie bijlage 6. Daarbij is uitgegaan van een gelijkblijvende hoeveelheid waterpartijen (l.OOOm2). Voor het oppervlak onverhard terrein is uitgegaan van ca. 7.900m2. Op basis hiervan volgt uit de watersleutel een waterbergingsopgave van 108.2m3. Deze waterbergingsopgave wordt gerealiseerd door middel van de zogenaamde Ha-Ha die in het plan is opgenomen. Een Ha-Ha is een droge asymmetrische gracht, die in de Landschapsstijl wordt gebruikt om - op onzichtbare wijze - te voorkomen dat de herten uit het Hertenkamp het plangebied in kunnen komen. Deze HaHa kent een oppervlak van circa 700m2 en zal een diepte krijgen van 90 centimeter. Aan de zijde van het plangebied staat een hekwerk en kent de watergang een steil talud, aan de zijde van het Hertenpark is het talud flauwer (1:3). Daarvan uitgaande wordt de waterbergende capaciteit geschat op 700 * 0,9 = 630m3, voor de taluds wordt een factor 0,5 toegepast, waarmee 315m3 waterbergend vermogen overblijft. Dit is veel meer dan de waterbergingsopgave van 108.2m3. Het verhard oppervlak van de bebouwing en verhardingen wordt zo veel als mogelijk met de hemelwaterafvoer aangesloten op de vasthoudvoorziening (Ha-Ha). Het laagste punt van de Ha-Ha ligt aflopend van de noord naar zuidkant van het terrein en hoger dan het grondwater.
Om te voorkomen dat vanuit de Ha-Ha geloosd wordt op het oppervlaktewater is het mogelijk om een keerschot toe te passen, gezien het hoogteprofiel van de Ha-Ha afloopt richting de bestaande watergang aan de noordzijde. Dat betekent dat regenwater dat erin komt kan infiltreren. Aangezien de bodem vooral uit zand bestaat zou deze geschikt zijn voor infiltratie. Aangezien de Ha-Ha overcapaciteit biedt voor waterberging is het acceptabel als er langere tijd een klein laagje water in staat. Een gedeelte van de Ha-Ha, dient voor circa 100 m3, in minimaal 24 uur en maximaal 48 vastgehouden en vertraagd afgevoerd te worden. Zodat de berging voor de volgende neerslag bui weer beschikbaar is.
datum referentie
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 33/50
L
Drainage wordt enkel toegepast wanneer het grondwater te hoog staat ten opzichte van het maaiveld. Het onderhoud van de Ha-Ha wordt verzorgd door Staatsbosbeheer, waarmee de werking als vasthoudvoorziening geborgd is. Onderhoud is ook nodig vanwege de functie als afbakening van het Hertenpark.
Grondwater Ten behoeve van de realisatie van de beoogde situatie vinden zeer beperkt en alleen oppervlakkige graafwerkzaamheden plaats. Het gaat hier veelal om tijdelijke werkzaamheden, bijvoorbeeld in het kader van de landschappelijke inrichting. De nieuwe opstallen worden op maaiveld gerealiseerd en gefundeerd middels een paalfundering. Het plan heeft dan ook geen invloed op het grondwatersysteem en grondwateroverlast is ook niette verwachten. Beheer en onderhoud Rondom een groot deel van het plangebied zijn watergangen aanwezig. Het betreft secundaire (boezem)watergangen met een breedte van meer dan 5 meter, waardoor een beschermingszone van 1 meter aanwezig is. Binnen deze beschermingszone vinden geen werkzaamheden/wijzigingen plaats als gevolg van de beoogde plannen. Wel is wordt aan de noordwestzijde van het plangebied een wandelbrug gerealiseerd. Voor het aanleggen van de wandelbrug is apart van de watertoets een watervergunning nodig. Het Hoogheemraadschap heeft aangegeven dat de watergang in principe eens in de 8 a 10 jaar voor groot onderhoud door het hoogheemraadschap worden gebaggerd. Staatsbosbeheer voert beheer en onderhoud aan deze watergangen zelf uit. Dit is verduidelijkt in de volgende afbeelding, met onderstaande toelichting: • Op de blauwe stippellijnen staan vaste hekwerken in het water welke als afscheiding voor het hertenkamp dienen.
Zonder deze hekwerken kunnen de herten eenvoudig ontsnappen. Dit hek belemmert tevens de passage van boten. • De gele stippellijn wordt jaarlijks onderhouden middels bladvissen. Dit gaat prima zonder maaiboot: er is voldoende ruimte om met een kraan te werken. Dit vindt jaarlijks plaats ten behoeve van de waterkwaliteit (drinkwater voor onze herten) en voldoende diepte. Als deze watergang te ondiep wordt kunnen de herten gemakkelijk door het water en vervolgens over het lage hekwerk springen aan de zijde van het wandelpad. • Het oranje tracé betreft het deel van de watergang waarin 2 jaar geleden nog is gebladvist middels een kraantje vanaf de kant. • Het paarse tracé betreft de huidige toegangsbrug met een hoogte van 70-80cm ten opzichte van het waterniveau. • Rood betreft het tracé welke wij jaarlijks eveneens bladvissen. Dit is vooral omdat het anders enorm gaat stinken rondom de werkschuur.
datum referentie
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 34/50
L
Afbeelding 4.2: Onderhoudbaarheid watergangen
Gelet op het bovenstaande worden in relatie tot de te realiseren wandelbrug (ongeveer ter hoogte van de blauwe stippellijn) geen aandachtspunten verwachten gelet op de onderhoudbaarheid van de watergang. Tijdens het vooroverleg met het Hoogheemraadschap is gebleken dat voor de wandelbrug geen watervergunning nodig is aangezien deze voldoet aan de beleidsregels voor een wandelbrug over secundair water. Wel is er sprake van een meldingsplicht. Dit is bevestigd per brief (documentnummer: Z-22-089271, d.d. 15 november 2022). De aanvraag omgevingsvergunning (onderhavige procedure) wordt door het Hoogheemraadschap aangemerkt als een melding. Wa te rsyste e m k wa I i te i t Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem worden duurzame, niet-uitloogbare materialen gebruik, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. De functies die worden mogelijk gemaakt binnen het plan vormen geen risico voor de watersysteemkwaliteit, er is immers geen sprake van bedrijfsactiviteiten die verontreiniging veroorzaakt. Een verslechtering van de waterkwaliteit is dus niet aan de orde.
Afvalwaterketen In het plangebied is een persleiding aanwezig voor de afvoer van afvalwater. Daarop vindt een aansluiting plaats. Aangezien een toename in de afvoer te verwachten is door het geïntensiveerde gebruik wordt momenteel onderzocht of de afvoercapaciteit voldoende is en of eventueel maatregelen getroffen moeten worden. Klimaatadaptatie Op het gebied van klimaat worden maatregelen getroffen door een deel van de verharding in de vorm van halfverharding en de realisatie van een ruimte voorziening van waterberging.
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de realisatie van voorgenomen ontwikkeling.
datum
referentie
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 35/50
L
4.9
Flora en Fauna
De Wet natuurbescherming vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de ecologische soortenbescherming en ecologische gebiedsbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Bij een ruimtelijke ingreep moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de Wet natuurbescherming gestelde regels.
Soortenbescherming Soortenbescherming is onder de Wnb geregeld op basis van een drietal verschillende beschermingsregimes, namelijk voor vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden.
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Hetgebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten of andere handelingen en plannen die negatieve effecten op deze beschermde gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel (zonder vergunning) niet toegestaan. Naast directe effecten (bijv, ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv, door geluid, licht en stikstofdepositie).
Natuur Netwerk Nederland De Wet Natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op om te zorgen voor de instandhouding van het binnen de eigen provincie gelegen deel van een landelijk ecologisch netwerk; het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen ook wel Ecologische Hoofdstructuur genoemd. Het NNN is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN isvoor Zuid-Holland uitgewerkt in de Omgevingsverordening. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Houtopstanden Het om hakken of rooien van bomen is niet zomaar toegestaan. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee.
Onder bos wordt verstaan: • alleen bossen die buiten de 'bebouwde kom Boswet' liggen; • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de 'bebouwde kom' vast.
datum referentie
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 36/50
L
Situatie plangebied Soortenbescherming Binnen het plangebied is een quickscan flora en fauna uitgevoerd om de aanwezigheid van beschermde soorten en (mogelijke) effecten door de beoogde activiteiten in beeld te brengen. De quickscan is toegevoegd aan bijlage 7. Uitde quickscan blijkt hetvolgende: • Vogelrichtlijn soorten: Vogels met jaarrond beschermde nesten worden niet verwacht. Schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van vogels met niet jaarrond beschermde nesten en algemene vogels zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart - 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk. • Habitatrichtlijn soorten: De voorgenomen ontwikkelingen leiden tot een negatief effect op potentieel aanwezige voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouw en boombewonende vleermuizen (gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, rosse vleermuis en laatvlieger). Overige Habitatrichtlijnsoorten worden niet verwacht.
• Nationaal beschermde soorten: Het plangebied is geschikt voor eekhoorn en boommarter.
Gelet op de uitkomsten van de quickscan is nader onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen, eekhoorn en boommarter. Het nader onderzoek is toegevoegd aan bijlage 8. Uit het onderzoek blijkt dat vaste rust- en verblijfsplaatsen van vleermuizen en boommarters niet aanwezig zijn. Er is één vaste rust- en verblijfsplaats aangetroffen van een eekhoorn in een boom. Naar aanleiding van opmerkingen van de Omgevingsdienst Haaglanden op het uitgevoerde onderzoek is een aanvullende notitie opgesteld waarin deze opmerkingen zijn voorzien van een reactie door de ecoloog (bijlage 9). Uit de reactie van Omgevingsdienst Haaglanden op deze notitie blijkt het voldoende aannemelijk gemaakt dat er geen noodzaak is voor een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten, anders dan voor de eekhoorn, die in april 2024 is verleend.
Tevens wordt rekening gehouden met de aanwezige soorten door werkzaamheden uit te voeren buiten bepaalde periodes, zoals het broedseizoen.
Gebiedsbescherming Ten aanzien van de gebiedsbescherming kan gesteld worden dat het plangebied niet is gelegen in een als NNNaangewezen gebied. Het NNN kent geen externe werking, waardoor een verdere toetsing voor dit onderdeel niet benodigd is.
Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied ligt op circa 2,4 km afstand ten noorden van het plangebied. Directe verstoring door lichthinder, trillingen, geluid, en dergelijke zijn over deze afstand niet van toepassing. Emissie van stikstof kan over grotere afstand wel tot negatieve effecten leiden. Om dit te beoordelen is een AERIUSberekening uitgevoerd, deze is toegevoegd als bijlage 10. Hieruit blijkt dat zowel in de aanleg- als gebruiksfase in geen enkel Natura 2000-gebied sprake is van meer dan 0,00 mol N/ha/jr stikstofdepositie als gevolg van project. Geconcludeerd wordt dat negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden niet aan de orde zullen zijn.
datum referentie
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 37/50
Houtopstanden Het plangebied bevindt zich buiten de bebouwde kom van Den Haag. De Wet natuurbescherming, onderdeel
houtopstanden is daarmee van toepassing op de bomen in de Koekamp en er geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Met de invoering van de Omgevingswet vervalt de bebouwde kom Wet natuurbescherming en dient deze door gemeenten als bebouwingscontour houtkap te worden opgenomen in het gemeentelijk omgevingsplan. Wanneer de gemeente dit nog niet gereed heeft dan
geldt de onder de Wet natuurbescherming aangewezen bebouwde kom als basis. De plannen zijn zo vormgegeven dat kap van bomen geminimaliseerd wordt. Dit heeft geleid tot een kapopgave
van 7 bomen. Ter compensatie worden veel meer dan 7 bomen terug geplant in het plangebied. Er wordt nog een aanvullende onderbouwing inclusief bomen effect analyse uitgewerkt voor dit onderdeel.
Conclusie Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de realisatie van voorgenomen ontwikkeling.
4.10 Verkeer en parkeren Verkeer De bestaande infrastructuur in de omgeving blijft onveranderd. Het plangebied wordt ontsloten via twee
toegangen, een aan Boslaan en een aan de Koekamplaan. De locatie is voor publiek alleen direct toegankelijk te voet en per fiets. Op loopafstand zijn diverse voorzieningen voor openbaar vervoer aanwezig, waardoor de locatie uitstekend bereikbaar is voor langzaam verkeer. Bezoekers die per auto willen komen kunnen op
loopafstand parkeren, zoals bijvoorbeeld in de parkeergarage onder het Malieveld. Voor bedrijfsauto's van
Staatsbosbeheer en leveranciers is het terrein wel toegankelijk met gemotoriseerd verkeer.
Parkeren Op het terrein zijn, behoudens fietsparkeren, geen mogelijkheden voor bezoekers om te parkeren. Bezoekers die per auto willen komen dienen ter parkeren in de omgeving, zoals bijvoorbeeld in de parkeergarage onder het
Malieveld. Op het terrein is wel parkeerruimte voorzien voor medewerkers van Staatsbosbeheer.
Het aantal minimaal benodigde fietsparkeerplaatsen is afgeleid volgens de Beleidsregels Fietsparkeernormen Den Haag 2016. Het plangebied valt binnen het gebied waar de hoge norm geldt. In de onderstaande tabel is het aantal fietsparkeerplekken inzichtelijk gemaakt.
Functie
Kengetal
Aantal m2 bvo (afgerond)
Subtotaal
Kantoor
1,5 per 100 m2 bvo
230
4
Horeca
10 per 100 m2 bvo
290
29
Infocentrum
7,4 per 100 m2 bvo
81
6
Totaal aantal benodigde fietsparkeerplekken
39
In het plan worden tenminste 39 fietsparkeerplekken opgenomen.
4.11
Kabels en leidingen
Binnen het plangebied bevinden zich geen planologisch beschermde kabels en leidingen. Daarmee zijn er,
planologisch gezien, geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan.
datum referentie
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 38/50
L
1
4.12
Besluit m.e.r.
Bij de beoordeling van een project dient te worden gekeken naar het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In het Besluit m.e.r. zijn activiteiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (de zgn. C-Lijst), evenals activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of deze belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (de zgn. D-lijst). Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Voor het beoordelen van de vraag of een activiteit m.e.r.(beoordeling)plichtig is kan niet enkel worden volstaan met een toets aan deze drempelwaarden, zoals deze in kolom 2 van bijlage C respectievelijk D behorende bij het Besluit m.e.r. zijn opgenomen.
Situatie plangebied Het merendeel van de ontwikkelingen binnen het plangebied (behoudens de horeca gelegenheid) zijn middels een binnenplanse wijzigingsbevoegdheid te realiseren. Ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan 'Koekamp, Malieveld, Haagse Bos' is dus al rekening gehouden met de wijzigingsmogelijkheden. In dit bestemmingsplan is geconcludeerd dat een (vormvrije) m.e.r-beoordeling niet aan de orde is. De horeca gelegenheid is geen onderdeel van de wijzigingsbevoegdheid. Relevant is daarom of onderhavige ontwikkeling beschouwd moet worden als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie Dll.2 van de bijlage bij het Besluit mer. Het begrip stedelijk ontwikkelingsproject is nergens gedefinieerd. Uit jurisprudentie blijkt dat de aard, de omvang en de milieugevolgen van een ontwikkeling relevante criteria zijn om te beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Daarnaast is ook het karakter van de omgeving relevant. Het karakter van de omgeving laat zich omschrijven als een gemengd hoog-stedelijk gebied met grote ontsluitingswegen. De aard van de ontwikkeling is vergelijkbaar aan het huidige gebruik, er blijft immers sprake van een locatie die een bedrijfsmatig gebruik kent. De omvang van de wijziging op de locatie is beperkt, er is weliswaar sprake van sloop en nieuwbouw, maar de toename aan bebouwing is beperkt.
Uit de onderbouwing in dit hoofdstuk blijkt dat de milieugevolgen beperkt zijn en dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten. Samengevat kan op basis van de beschreven criteria geconcludeerd worden dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Er is dan ook geen aanleiding voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling.
Conclusie Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet gekwalificeerd wordt als stedelijk ontwikkelingsproject. Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn bovendien uitgesloten. Daarmee is verdere toetsing aan het Besluit m.e.r. niet aan de orde.
datum referentie
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 39/50
5
Uitvoerbaarheid
5.1
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure dient op grond van artikel 3.1.6 lid f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan.
Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 rust op de gemeente op grond van artikel 6.12 lid 1 van die wet de verplichting tot kostenverhaal bij grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat als de gemeente er bij een ruimtelijke ontwikkeling niet in slaagt met alle particuliere eigenaren in het gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, de gemeente publiekrechtelijk de kosten moet verhalen bij alle eigenaren in het exploitatiegebied waarmee niet is gecontracteerd. Gemaakte kosten (limitatief opgesomd in artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5 van het Bro) zoals plankosten, onderzoekskosten, kosten van inrichting van de openbare ruimte etc. kunnen worden verhaald door middel van een exploitatieplan. De gemeente kan met de initiatiefnemer een overeenkomst sluiten over grondexploitatie (een anterieure overeenkomst). Hierin worden afspraken gemaakt over de betaling van de gemeentelijke kosten. Het maken van een exploitatieplan is dan niet nodig.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Voor deze ontwikkeling wordt middels een omgevingsvergunning afgeweken van het bestemmingsplan. Eenieder is in de gelegenheid om het ontwerpbesluit in te zien en een zienswijze in te dienen. Gelet op de aard en kleinschalige omvang van de ontwikkeling worden geen problemen verwacht met het draagvlak voor de ontwikkeling.
datum referentie
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 40/50
Bijlage 1
datum referentie
Archeologisch onderzoek
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 41/50
Bijlage 2
datum referentie
Bodemonderzoek
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 42/50
Bijlage 3
datum referentie
Nader bodemonderzoek
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 43/50
Bijlage 4 Aanvullend nader bodemonderzoek
datum referentie
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 44/50
Bijlage 5
datum referentie
Externe veiligheid
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 45/50
Bijlage 6 Watersleutel
datum referentie
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 46/50
Bijlage 7
datum referentie
Quickscan Flora en Fauna
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 47/50
Bijlage 8
datum referentie
Nader onderzoek Flora en Fauna
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 48/50
Bijlage 9 Aanvullende notitie flora en fauna
datum referentie
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 49/50
Bijlage 10 AERIUS-berekening
datum referentie
31 juli 2024
222274_AdB_RAP 1535_v5
P 50/50