CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS322788 Bijlage 1

Gemeenteraad 18 september 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake Verklaring van geen bedenkingen voor omgevingsvergunning voor bouwen woning nabij Gele Lis 127 (RIS322788)15.069 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Ook past het binnen het beleid om ruimte te bieden aan eigen initiatieven vanuit bewoners. Het planvoornemen is daarom in lijn met de Agenda ‘Ruimte voor de stad’. 3.4.5 Nota Stadsnatuur De Nota Stadsnatuur is vastgesteld op 16 december 2020 (RIS305824). De Nota is de opvolger van de Nota Ecologische Verbindingszones (2008-2018) en geeft een uitwerking van de Agenda Groen voor de Stad. De stedelijke groene hoofdstructuur zorgt voor de verbinding tussen de duinen, landgoederen en de stad. Wereldwijd groeien steden sterk en hebben steeds meer ruimte nodig. Steden worden hierdoor een onderdeel van het leefgebied van planten en dieren. Met de Nota Stadsnatuur wordt ingezet op het in stand houden en verder ontwikkelen van een gezond stadsecosysteem. Hierbij wordt ook gericht op de algemene soorten, zoals de huismuis, de pinksterbloem en de egel. Een van de acties die de Nota voorschrijft is het groenblauwe netwerk van de stad natuurlijker in richten en uit te breiden. Daarnaast wil de Nota overlast gevende planten en dieren beheersbaar houden. Planspecifiek Het planvoornemen maakt een levensloopbestendige woning mogelijk op privéterrein. Door de kleinschaligheid van het plan worden (kleine) groene ruimten niet onder druk gezet. Daarnaast maakt het plan geen grootschalige ontwikkeling mogelijk die de groene leefkwaliteit van de buurt ‘De Bras’ onder druk zet.

Het planvoornemen is daarmee in lijn met de Agenda Groen voor de Stad. Het planvoornemen valt daarnaast niet in een ecologische verbindingszone, zie navolgende afbeelding. Hierdoor schaadt het plan de belangen van de Nota Stadsnatuur niet. Ook tast het planvoornemen de nabijgelegen (kleine) groene open ruimten niet aan. Het plan is daarom in lijn met de Nota Stadsnatuur.

Pagina 31 Ruimtelijke onderbouwing Gele Lis 127 te Den Haag

Afbeelding 15: Uitsnede kaart ecologische verbindingen ter plaatse van het plangebied. Bron: Gemeente Den Haag.

Pagina 32 Ruimtelijke onderbouwing Gele Lis 127 te Den Haag

4 Milieutechnische uitvoerbaarheid Een ruimtelijke onderbouwing voor een omgevingsvergunning moet voorzien in een goede ruimtelijke ordening, zoals de Wro ex art 3.1 stelt. De invulling van dit vereiste is in de jurisprudentie verder gepreciseerd. Onderstaand is per woon- en omgevingsaspect beoordeeld wat voor een wijziging er optreedt, of het burenrecht geborgd is en of goed woon- en leefklimaat voor zowel de omgeving als het plangebied zelf gegarandeerd is.

4.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen), worden hinder en gevaar beperkt of voorkomen en wordt het voor bedrijven of woonfuncties mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Om dit gestandaardiseerd te kunnen beoordelen zijn in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering richtafstanden opgesteld. Deze afstanden geven voor gemiddelde bedrijfssituaties aan op welke afstand geen hinder is te verwachten. De meer verfijnde afstemming voor de beperking of voorkoming van milieuhinder vindt vervolgens plaats in het kader van de Wet milieubeheer. Planspecifiek Het planvoornemen bevindt zich in een rustige woonwijk. De aan te houden afstanden op het gebied van bedrijven en milieuzonering zijn in navolgende tabel te vinden: Tabel 3: Milieucategorieën en richtafstanden voor een rustige woonwijk en een rustig buitengebied. Bron: VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering.

Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied 1 10 m 2 30 m 3.1 50 m 3.2 100 m 4.1 200 m In afbeelding 16 zijn de bedrijven en bedrijventerrein weergegeven die zich in de omgeving van het plangebied bevinden. Er zijn geen bedrijfsactiviteiten die in de voorgaand beschreven richtafstanden vallen. Daarnaast belemmert de woning de milieubelastende bedrijfsactiviteiten niet doordat de woning op voldoende afstand ligt. In onderstaande afbeelding is de omgeving van het plangebied te zien.

Pagina 33 Ruimtelijke onderbouwing Gele Lis 127 te Den Haag

Afbeelding 16: Overzicht bedrijven (paarse polygonen) en bedrijventerreinen (rode ovalen) ten opzichte van het planvoornemen (rood kader). Bron: Ruimtelijke Plannen. Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ vormt daardoor geen belemmering voor het planvoornemen.

4.2 Geluidhinder In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt ernaar gestreefd om de geluidhinder door spoorverkeer, wegverkeer of industrie te beperken. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er normen gesteld tot welke maximale geluidsniveaus geluidgevoelige functie belast mogen worden. De Wgh geeft ook aan in welke situaties door onderzoek aangetoond moet worden of aan deze normen voldaan kan worden. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening en bijbehorende jurisprudentie zijn aanvullende onderzoek verplichtingen gesteld. Planspecifiek Voorliggend plan betreft de realisatie van een woning. Het plangebied ligt met 1,4 kilometer ruim buiten de onderzoekszone van de Rijksweg A 13. Ook ligt het plangebied met 270 meter buiten de onderzoekszone van de Brasserhoutweg waar 50 km/h mag worden gereden. Tot slot ligt het plangebied buiten de onderzoekszone van de Middelweg waar 50 km/h of harder mag worden gereden. In de directe omgeving liggen enkel 30 km/h wegen. Een onderzoek naar wegverkeerslawaai is daarom niet noodzakelijk. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect ‘Geluidhinder’ geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

Pagina 34 Ruimtelijke onderbouwing Gele Lis 127 te Den Haag

4.3 Ecologie 4.3.1 Flora en Fauna In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bepaald worden of een plan geen nadelige effecten heeft voor beschermde plant- en diersoorten in en nabij het plangebied. Als de ontwikkeling verstoring of uitroeiing van beschermde soorten kan inhouden dient onderzocht te worden of eventuele soorten aanwezig zijn. Wanneer dit het geval is moet ook aangetoond worden middels welke ingrepen deze verstoring voorkomen wordt dan wel gecompenseerd. Planspecifiek Onderzocht moet worden of beschermde soorten niet worden aangetast door het planvoornemen. Daarom is een ecologische quickscan uitgevoerd, zie bijlage 1. De conclusie van dit onderzoek luidt: Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, voert Plannen-makers preventief een berekening middels de AERIUS-Calculator uit. Ten aanzien van stikstof wordt derhalve verwezen naar de separaat opgestelde rapportage. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

Vervolgstappen Voor de beoogde ruimtelijke ingreep zal Plannen-makers preventief rekenkundig inzichtelijk maken of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes).

Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn

Pagina 35 Ruimtelijke onderbouwing Gele Lis 127 te Den Haag

Op basis van bovenstaande vormt het aspect ‘Flora en Fauna’ geen belemmering voor het planvoornemen. 4.3.2 Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden Op 15 juni 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vastgesteld. Het PAS bevat maatregelen die leiden tot een afname van stikstofdepositie en maatregelen die leiden tot een versterking van de natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden. Een gedeelte van de toekomstige afname van stikstofdepositie kan vervolgens worden opgevuld door economische activiteiten die leiden tot een toename van stikstofdepositie. In de praktijk blijkt echter dat de afname van stikstofdepositie door de maatregelen niet gegarandeerd kan worden. Daarom heeft op 29 mei 2019 de Raad van State een uitspraak gedaan waarin de Raad oordeelt dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Het uitgangspunt is sindsdien nog steeds dat voor nieuwe initiatieven aangetoond moet worden dat er geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden door stikstofemissies en -deposities ontstaan als gevolg van het initiatief. Het instrument waarmee de stikstof berekend kan worden is de AERIUS Calculator (update januari 2023). Op 10 maart 2021 is een nieuwe Stikstofwet vastgesteld en op 18 juni 2021 het besluit gepubliceerd die de wet nader uitwerkt.

De Wet stikstofreductie en natuurverbetering regelt onder meer drie resultaatsverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. Door deze maatregelen gelden er nieuwe uitgangspunten voor een stikstofberekening. Het besluit over deze wet is per 1 juli 2021 inwerking getreden. In de Stikstofwet is in artikel 2.9a een uitzondering opgenomen voor de tijdelijke extra stikstofuitstoot bij bouwwerkzaamheden, de zogenaamde bouwvrijstelling. Stikstof dat vrijkomt bij de bouw, sloop en eenmalige aanleg van bouwwerken en infrastructuur wordt niet meegerekend bij de informatie die ten grondslag ligt aan het verlenen van een vergunning. Op 2 november 2021 deed de Raad van State de uitspraak dat de bouwvrijstelling niet voldoet aan het Europees natuurbeschermingsrecht dat vereist dat individuele beschermde natuurgebieden geen schade oplopen, en niet op een hoger schaalniveau gekeken mag worden naar maatregelen die bovendien onzeker zijn qua uitvoering. Dit betekent dat ook bouwactiviteiten getoetst dienen te worden aan lokale stikstofgevolgen bij de vergunningsaanvraag. Planspecifiek Bepaald moet worden of door het planvoornemen een stikstofdepositie optreedt op nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

Hiervoor is een Aeriusberekening uitgevoerd, zie bijlage 2. De conclusie van de berekening luidt: De berekening is gedaan op 9 februari 2023 met de actuele Aeriuscalculator (versie 2022, update januari 2023). Het effect vanuit de gebruiksfase op Natura 2000-gebieden is 0,00 mol N/ha/j. Dit is ook het geval bij de bouwfase (tijdelijke fase). Er kan worden geconcludeerd dat er wordt voldaan aan de norm. Op basis van bovenstaande conclusie vormt het aspect ‘Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden’ geen belemmering voor het planvoornemen.

Pagina 36 Ruimtelijke onderbouwing Gele Lis 127 te Den Haag

4.4 Bodem Het is wettelijk geregeld (Wbb en bouwverordening) dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen, als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Indien sprake is van een verdachte locatie dient onderzocht te worden in welke mate de bodem verontreinigd is en wat voor. Planspecifiek Het planvoornemen betreft het realiseren van een nieuwe woning. Aangetoond moet worden of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Daarom is een bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 3. De conclusie van dit onderzoek luidt: Op basis van de resultaten van het verkennend onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: • •

De boven- en ondergrond zijn niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters; Het grondwater is licht verontreinigd met zink, arseen, molybdeen, barium en xylenen.

De hypothese onverdacht voor bodemverontreiniging dient te worden verworpen, aangezien in het grondwater licht verhoogde gehalten van enkele stoffen zijn aangetoond. Echter, de onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het instellen van verder onderzoek. De resultaten benaderen geenszins de toetsingswaarde voor nader onderzoek. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt worden geen bezwaren verwacht voor het verstrekken van een omgevingsvergunning en voortzetten van het huidige gebruik. Opgemerkt wordt dat indien bijvoorbeeld bij herinrichtingswerkzaamheden grond vrijkomt die niet ter plaatse kan worden hergebruikt er restricties gelden ten aanzien van het hergebruik. Op basis van bovenstaande vormt het aspect ‘Bodem’ geen belemmering voor het planvoornemen.

4.5 Luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven.

Tabel 4: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet luchtkwaliteit. Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide (NO2)

jaargemiddelde concentratie Uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar worden overschreden) Fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-gemiddelde concentratie (mag max. 35 keer per jaar worden overschreden) Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie

40 µg / m³ 200 µg / m³

Advieswaarde (WHO) 10 µg / m³

40 µg / m³ 50 µg / m³

15 µg / m³

25 µg / m³

5 µg / m³

Pagina 37 Ruimtelijke onderbouwing Gele Lis 127 te Den Haag

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen, uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens, rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM (Niet in Betekenende Mate) en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit kan het geval zijn wanneer een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10.

Planspecifiek Een plan voldoet in de regel aan het NIBM-criterium als het minder dan 1.500 woningen betreft dan wel als er sprake is van een BVO van maximaal 100.000 m 2. Voorliggend plan blijft ruim onder het criterium. Nader onderzoek in het kader van luchtkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk. Voorts is de huidige situatie ten aanzien van de luchtkwaliteit in beeld gebracht, zie navolgende tabel. Hiervoor is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. Tabel 5: NSL-waardes NO2, PM2,5 en PM10 ter plaatse van het plangebied (2020) Stof Toetsing van Grenswaarde Advieswaarde Waarden (µg / m³) * (WHO) Stikstofdioxide jaargemiddelde concentratie 40 µg / m³ 10 µg / m³ 16,7 (NO2) Uurgemiddelde (mag max. 18 200 µg / m³ keer per jaar worden overschreden) Fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg / m³ 15 µg / m³ 16,4 24-gemiddelde concentratie 50 µg / m³ (mag max. 35 keer per jaar worden overschreden) Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg / m³ 5 µg / m³ 8,7 * De NSL-monitoringstool is op dit moment niet beschikbaar, waardoor de waarden uit de Atlas Leefomgeving zijn gebruikt. De concentraties stikstofdioxide en fijn stof blijven onder de wettelijk vereiste gemiddelde concentraties voor 2020.

De WHO en GGD hanteren advieswaarden voor stikstofdioxide (NO2) van 10 microgram per kuub, fijn stof (PM10) van 15 microgram per kuub en 5 microgram per kuub voor PM2,5 wat lager ligt dan de wettelijke grenswaarden. De advieswaarden worden (net) niet benaderd. De blootstelling aan luchtverontreiniging is echter beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. Voorliggend plan is getoetst aan het wettelijk vereiste. In de komende jaren wordt verwacht dat de luchtkwaliteit verbeterd, waardoor de wettelijke grenswaarden ook niet worden overschreden. Gelet op het bovenstaande vormt het aspect ‘Luchtkwaliteit’ geen beletsel voor dit plan.

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: • risicovolle (Bevi-)inrichtingen; • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; Pagina 38 Ruimtelijke onderbouwing Gele Lis 127 te Den Haag

• vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en kampeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10 -6 als grenswaarde. Het bouwen van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het bouwen van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkt kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Als een goede onderbouwing wordt gegeven dan kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Bij groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde.

Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect. Het Bevi stelt dat bij elk bestemmingsplan, waar een relevant groepsrisico aanwezig is dit moet worden verantwoord, ook wanneer dit onder de oriëntatiewaarde ligt. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico hoe zwaarder de verantwoording is. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor (de omgeving van) de risicovolste bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag over de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor Het toetsingskader voor het onderdeel transportroutes gevaarlijke stoffen is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Dit besluit is op 1 april 2015 in werking getreden. Bepaald moet worden of binnen de invloedssfeer van deze transportassen gevoelige functies mogelijk zijn. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). Een onderdeel van het Bevt houdt in dat voor sommige transportassen rekening moet worden gehouden met het Plasbrandaandachtsgebied (PAG.). Het PAG. is het gebied tot 30 meter van de transportas waarin, bij de realisering van kwetsbare objecten, rekening moet worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid

Pagina 39 Ruimtelijke onderbouwing Gele Lis 127 te Den Haag

buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risico verhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Het Bevb vervangt hiermee de circulaires Zonering langs hogedruk aardgasleidingen (1984) en Zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen (1991). Planspecifiek Om te beoordelen of er risico’s Externe Veiligheidsrisico’s zijn, is de risicokaart van de Atlas leefomgeving geraadpleegd.

Afbeelding 17: Uitsnede risicokaart. Bron: Atlas Leefomgeving. De dichtstbijzijnde buisleiding ligt op 1,6 kilometer afstand tot het plangebied. Het betreft een gasleiding van de Gasunie. Vanwege de ruime afstand ligt het plangebied buiten de letaliteitsgrens van de buisleiding, waardoor een verdere verantwoording achterwege kan blijven. Ten westen van het plangebied ligt de A13, ten noordoosten de A12 en ten noordwesten de A4. Over de A4 worden geen relevante (gevaarlijke) stoffen vervoerd die invloed hebben op het plangebied. Voor de A13 en de A12 is dit wel het geval. Over de A13 worden stoffen in de categorie LT3 vervoerd. Over de A12 worden eveneens gevaarlijke stoffen vervoert in de categorie LT3 en GT4. Het invloedsgebied van deze stoffen is maximaal 4 kilometer. Navolgend wordt ingegaan op het maatgevende scenario voor het groepsrisico. Toxisch scenario (vloeistof en/of gas) Toxische vloeistoffen en gassen kunnen vrijkomen als de tank met toxische stoffen op de weg het begeeft door bijvoorbeeld een incident. Hierbij komen de toxische stoffen vrij in de vorm van een plas of een wolk. Een toxische plas zal vervolgens (gedeeltelijk) verdampen, waarbij een toxische wolk wordt

Pagina 40 Ruimtelijke onderbouwing Gele Lis 127 te Den Haag

gevormd. Afhankelijk van de weersomstandigheden en de windrichting kan de toxische wolk het plangebied indrijven. Bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid Bij een ongeval met toxisch gas of vloeistof kan de brandweer optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen of op te nemen met water. Dit is wel afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario. De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is met het oog op een toxisch scenario niet relevant. Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WASpalen) of NL-alert. Het advies bij het vrijkomen van een toxische wolk is om te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Als het plangebied alsnog moet worden ontruimd dan is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Het plangebied biedt hier voldoende ruimte voor. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Externe veiligheid’ geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

4.7 Archeologie In de Erfgoedwet, vastgesteld op 1 juli 2016, zijn de regels voor de archeologische monumentenzorg opgenomen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen door een gecertificeerd bureau archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. In de beleidsregels zijn vrijstellingsgrenzen opgenomen voor de oppervlakte en diepte van de voorgenomen ingreep. Als een plangebied groter is dan de gestelde oppervlakteondergrens en de ingreep dieper gaat dan de diepte-ondergrens dient archeologisch onderzoek volgens de Archeologische MonumentenZorg-Cyclus (AMZ-cyclus) te worden uitgevoerd. Planspecifiek Het planvoornemen ligt niet in een archeologische zone die is aangegeven in het vigerende bestemmingsplan ‘De Bras’, Op basis van de archeologische waardenkaart van de gemeente Den Haag ligt de planlocatie niet in een zone met archeologische verwachting of in een zone met een archeologische waarde van 1. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk, waardoor het aspect ‘Archeologie’ geen belemmering oplevert voor het planvoornemen.

Cultuurhistorische waarden en monumentale gebouwen zijn niet binnen het plangebied van toepassing, waardoor het aspect ‘Cultuurhistorie’ geen belemmering oplevert voor het planvoornemen.

4.8 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hooggehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt voor water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21 e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

Pagina 41 Ruimtelijke onderbouwing Gele Lis 127 te Den Haag

Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21ste eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: •

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Met één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan 2022-2027 Het NWP (dec. 2015) bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daarbij behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer.

Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterbeheerprogramma Hoogheemraadschap van Delfland Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6)’ Het hoogheemraadschap van Delfland heeft op 10 maart 2022 het ‘Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6)’ vastgesteld. Het waterbeheerprogramma omvat verschillende thema’s, waaronder communicatie, crisisbeheersing, bodemdaling, biodiversiteit e.d. Hierin zijn ook de ambities van het hoogheemraadschap verwerkt.

De ambities van het hoogheemraadschap zijn: -

Zuinig omgaan en zorgen voor schoon (zoet)water;

-

Waterberging voor droge tijden en het hergebruik van gezuiverd afvalwater;

-

Innovatie voor het langer vasthouden van water, zonder dat het tot overlast leidt voor de klimaatbestendige stad;

-

Toezicht en handhaving intensiveren voor de verbetering van de waterkwaliteit;

-

Kosten besparen door samen te werken.

Pagina 42 Ruimtelijke onderbouwing Gele Lis 127 te Den Haag

In het Waterbeheerprogramma van Delfland (WBP6) heeft Delfland met een brede blik naar de watertaken (waterveiligheid, waterbeheer en waterzuivering) van Delfland gekeken vanuit het perspectief van de leefomgeving. Delfland zet in op integraal waterbeheer in het sterk verstedelijkt deel van Nederland. Samen met de gemeenten en andere partners werkt Delfland aan klimaatadaptatie. Een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem is vertaald naar zelfvoorzienendheid door het sluiten van kringlopen van water, energie en grondstoffen. Om doelen te bereiken werkt Delfland samen met gebiedspartners. Delfland werkt ook aan het waterbewustzijn om de kosten van het waterbeheer waar mogelijk te verlagen en het draagvlak te vergroten voor het zelf nemen van maatregelen.

Handreiking watertoets voor gemeenten Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft de Handreiking watertoets voor gemeenten vastgesteld. De handreiking is specifiek geschreven voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. Met deze handreiking wordt inzicht gegeven in de wijze waarop het Hoogheemraadschap van Delfland procedureel en inhoudelijk omgaat met de watertoets. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de landelijke en provinciale regelgeving. Met de watertoets wordt gestreefd naar een goede inpassing van water in ruimtelijke planvorming. Voorkomen moet worden, dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen negatieve effecten hebben op het watersysteem. Waar mogelijk moeten kansen worden benut om het watersysteem te verbeteren.

Watersleutel Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Dit kan leiden tot wateroverlast en moet worden gecompenseerd door extra waterberging aan te leggen. Daarnaast vindt Delfland het belangrijk dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden met hevigere neerslag door klimaatverandering. De watersleutel berekent daarom de benodigde waterberging, zowel voor het compenseren van verharding als om gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig De gemeente Den Haag heeft beleid vastgesteld in de Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig (RIS308745). Doel van deze wegwijzer is om bestaande en nieuwe stad klimaatbestendiger in te richten tegen extreme neerslag, hitte en droogte. Richtlijn vasthoudmaatregelen Als een alternatieve voorziening wordt toegepast, is het belangrijk dat deze goed functioneert en ook op de lange termijn betrouwbaar is. De eigenaar van het perceel is zelf volledig verantwoordelijk voor de aanleg, het functioneren en passend onderhoud van de voorziening. Vanwege het belang voor de waterhuishouding hanteert Delfland de criteria uit deze richtlijn bij de beoordeling van vasthoudmaatregelen ter compensatie van verharding en klimaateffecten.

Planspecifiek De projectlocatie is gelegen in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland (hierna Delfland). Onderstaand wordt aan de hand van de verschillende waterthema’s, zoals beschreven in de Handreiking watertoets voor gemeenten, beschreven hoe in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding.

Pagina 43 Ruimtelijke onderbouwing Gele Lis 127 te Den Haag

Bestaand watersysteem In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de legger Delfland te zien. In het plangebied liggen geen waterstaatswerken zoals bedoeld op de legger van Delfland.

Afbeelding 18: Uitsnede legger, plangebied rood gekaderd. Bron: HDD. Veiligheid en waterkeringen In het plangebied liggen geen waterkeringen zoals bedoeld op de legger van Delfland. Grondwater De bouw van de woning heeft geen negatief effect op het grondwater. Er worden geen ondergrondse constructies aangebracht. Ook is er geen sprake van het onttrekken en infiltreren van grondwater. Waterkwaliteit en ecologie In het plangebied ligt geen oppervlaktewater. Er vindt geen verslechtering plaats van de waterkwaliteit en ecologie. Zo worden er geen uitlogende materialen toegepast. De capaciteit van de riolering is ruimschoots voldoende, de kans op overstorten zal niet toenemen. Afwalwaterketen De gemeente Den Haag beschikt ter plaatse van het plangebied over een gescheiden rioolstelsel voor afvalwater en hemelwater. De nieuwe woning krijgt (conform de eisen) een gescheiden rioolstelsel voor hemelwater en afvalwater. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • hemelwater vasthouden voor benutting; • (in-) filtratie van afstromend hemelwater; • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; • afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. In het plangebied ligt geen rioolpersleiding van het waterschap. Onderhoud en bagger In het plangebied liggen geen waterstaatswerken, er is geen effect op het beheer en onderhoud daarvan.

Pagina 44 Ruimtelijke onderbouwing Gele Lis 127 te Den Haag

Voorkomen van wateroverlast/Klimaatadaptatie Voor het bepalen van de wateropgave is gebruik gemaakt van de watersleutel van Delfland en de Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig van de gemeente Den Haag. De grootste wateropgave is maatgevend. De wateropgave berekend met de watersleutel betreft 4,9 m³ en de wateropgave op basis van de wegwijzer betreft 26 m³. De wateropgave vanuit de wegwijzer is daarmee maatgevend. In het plangebied wordt in totaal minimaal 32 m³ waterberging aangelegd conform de richtlijn vasthoudmaatregelen. Het verhard oppervlak in de bestaande situatie (145 m2) en nieuwe situatie (180 m2) is aangegeven in onderstaande watersleutel. In de huidige situatie zijn terrassen, paden, parkeerplaatsen en twee schuurtjes aanwezig. In de nieuwe situatie is voor het verhard oppervlak naast de beoogde woning ook de toekomstige parkeerplaatsen en terras meegerekend. Op basis van de Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig geldt voor extreme neerslag: Bij nieuwbouw stellen we de eis dat er 50 mm van een korte hevige bui van 70 mm in 1 uur op privaat terrein tijdelijk kan worden opgevangen en dat na minimaal 24 uur en maximaal 48 uur de bergingscapaciteit weer beschikbaar is. Voor het totale plangebied geldt in dit geval 520 m² X 0,05 (50 mm) = 26 m³. De wateropgave voor het plangebied betreft minimaal 26 m³. De initiatiefnemer wenst het plangebied klimaatadaptief in te richten.

In en aangrenzend aan het plangebied ligt geen oppervlaktewater en er is geen mogelijkheid voor het graven van oppervlaktewater. Daarom vindt de invulling van de wateropgave plaats door middel van een vasthoudvoorziening. De voorziening zal worden aangelegd conform de ‘richtlijn voor vasthoudmaatregelen’ zodat de voorziening effectief en betrouwbaar is. Zo zal op het dak van de woning hemelwater vastgehouden en vertraagd afgevoerd worden, een Water Afvoer Drainage en Infiltratie-voorziening worden aangelegd in de tuin (wadi) en de parkeerplaats zal bestaan uit halfverharding. Onderstaand zijn de voorzieningen beschreven en wordt gemotiveerd dat wordt voldaan aan de wateropgave van 26 m³ voor het gehele plangebied. In totaal wordt er 32 m³ hemelwater vastgehouden en vertraagd afgevoerd. Vasthoudvoorziening dak

Pagina 45 Ruimtelijke onderbouwing Gele Lis 127 te Den Haag

Het dak van de nieuwe woning betreft een plat dak, waardoor goed hemelwater tijdelijk opgevangen kan worden en vervolgens vertraagd afgevoerd kan worden. Op het dak van de woning kan circa 116 m² x 0,05 m (50mm) = 6 m³ hemelwater vastgehouden en vertraagd afgevoerd worden. De dakafvoeren worden voorzien van een vertraagde afvoer (zie onderstaande detaillering). Dit opzet stuk bestaat uit een verhoogde opstaande rand en is in de zijkant voorzien van een verticale sparing/sleufje, welke zelf in te stellen is qua hoogte en vorm. Via deze sparing wordt het hemelwater vertraagd (0,8-1,5 l/s/ha) afgevoerd. De vertraagde afvoer is volledig instelbaar en zal zorgdragen dat de bergingscapaciteit na minimaal 24 uur en maximaal 48 uur weer beschikbaar is.

Afbeelding 19: Vasthoudvoorziening dak. Water Afvoer Drainage en Infiltratie-voorziening Het afwaterend oppervlak van het totale verhard oppervlak (180 m²) van de woning, de parkeerplaatsen en het terras, zal afwateren naar het laagste deel van het perceel, waar een Water Afvoer Drainage en Infiltratie voorziening zal worden aangelegd (wadi). De opslagcapaciteit van de wadi zal minimaal 26 m³ bedragen. Op het perceel van totaal 520 m² is hier ruimschoots de ruimte voor (zie onderstaand bovenaanzicht). In de nieuwe situatie betreft het totale verhard oppervlak 180 m² en het onverhard oppervlak betreft 340 m². De wadi zal zodanig aangelegd worden dat de bergingscapaciteit na minimaal 24 uur en maximaal 48 uur weer beschikbaar is. De bovenste laag van de wadi bestaat uit teelaarde waarin planten goed kunnen groeien. Door de open structuur laat deze laag het aangevoerde water goed door. Hieronder bevindt zich een wateropvang, een zogenaamde ‘infiltratiekoffer’ die gevuld is met grind, lavasteen of gebakken kleikorrels. Het hemelwater kan zich hier goed verzamelen. De uitgegraven sleuf voor de wadi is bekleed met een waterdoorlatend vlies (geotextiel) dat ervoor zorgt dat er geen zand of aarde in de infiltratie koffer komt. De infiltratiekoffer geeft het opgevangen water langzaam af aan de bodem eromheen.

De wadi van 26 m³ wordt aangesloten op al het verhard oppervlak van het perceel (180 m²). Ook is de wadi afvoer (overstort slokop) aangesloten op het hemelwaterriool. Bij de aanleg van de wadi wordt met de diepte rekening gehouden met de hoogte van het grondwater. Pagina 46 Ruimtelijke onderbouwing Gele Lis 127 te Den Haag

De werking van de wadi is namelijk afhankelijk van de hoogte van het grondwater en de mate waarin de grond het water doorlaat. Bij de aanleg zal hier rekening mee gehouden worden. Gezien de grootte van het perceel is er genoeg ruimte voor de realisatie van de wadi van 26 m³. Het grondwater bevindt zich op gemiddeld circa NAP -4,80 m. Het gemiddeld maaiveld van NAP -3,40 m ligt circa 1,40 m boven het grondwaterpeil. Hierdoor kan de wadi voldoende functioneren

Afbeelding 20: Principe doorsnede wadi

Instandhouding, beheer en onderhoud vasthoudvoorzieningen De vasthoudvoorziening voldoet aan de richtlijn voor vasthoudmaatregelen. De vasthoudvoorziening is effectief en betrouwbaar. De eigenaar van het perceel is zelf volledig verantwoordelijk voor de aanleg, het functioneren en passend onderhoud van de voorziening. De initiatiefnemer zal zorgdragen voor het goed blijven functioneren van de voorziening. Voor het onderhoud van de wadi zal bladval en dergelijke enkele keren per jaar uit de wadi verwijderd worden om verstopping en dichtslipping te voorkomen. Ook zullen de aanvoergoten en overstort relgelmatig gecontroleerd en gereinigd worden. De met gazon beplante wadi zal gemaaid worden gelijktijdig met het overige gazon op het perceel. Voor de vasthoudvoorziening op het dak van de woning zal twee keer per jaar de dakgoten schoon gemaakt worden, bladval en dergelijke verwijderd worden en de vertraagde voorziening gecontroleerd worden.

Pagina 47 Ruimtelijke onderbouwing Gele Lis 127 te Den Haag

Afbeelding 21: Bovenaanzicht met wadi van 26 m³. Pagina 48 Ruimtelijke onderbouwing Gele Lis 127 te Den Haag

Afbeelding 22: Wateropgave watersleutel en verhard/onverhard oppervlak en drooglegging .

Conclusie: Op basis van de watertoets wordt geconcludeerd dat het aspect water de uitvoering van het project niet in de weg staat.

Pagina 49 Ruimtelijke onderbouwing Gele Lis 127 te Den Haag

4.9 Verkeer en parkeren Verkeer en parkeren is een wezenlijk onderdeel van een goede ruimtelijke ordening. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat een plan voorziet in voldoende parkeermogelijkheden. Hierbij geldt doorgaans dat de omgeving niet nadelig belast mag worden door de voorgenomen ontwikkeling. Ten tweede dient beoordeeld te worden of de bestaande infrastructuur toereikend is voor de beoogde ontwikkeling en dat er door de ontwikkeling geen verkeersonveilige situaties ontstaan. Parkeren De nieuwe woning als een vrijstaande woning in een matig stedelijk centrumgebied. Voor het plangebied geldt ook het bestemmingsplan ‘Parapluherziening (fiets)parkeren’. Dit bestemmingsplan schrijft voor dat het aantal parkeerplaatsen moet voldoen aan de Nota parkeernormen Den Haag, vastgesteld op 14 september 2021. Het planvoornemen valt op basis van de Nota in een naoorlogse wijk. Voor de vrijstaande koopwoning voor één gezin geldt een parkeereis van 1,5 (bewoners) en 0,2 parkeerplekken (bezoekers). Dit leidt tot een totale parkeervraag van 2 parkeerplekken. Het plangebied bevat voldoende ruimte om dit aantal parkeerplekken intern te realiseren. Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie kan worden bepaald aan de hand van de parkeerkencijfers van het CROW. De nieuwe woning is een vrijstaande woning in een matig stedelijk rest bebouwde kom.

Minimaal worden er door het plan 7,8 verkeersbewegingen gegenereerd. Maximaal is dit 8,6. Gemiddeld genomen is dit 8,2 verkeersbewegingen per etmaal. De verkeersdruk in de omgeving neemt zeer beperkt toe door het planvoornemen. De bestaande verkeersstructuur kan deze zeer beperkte toename aan. Op basis van bovenstaande vormt het aspect ‘Verkeer en parkeren’ geen belemmering voor het planvoornemen.

Pagina 50 Ruimtelijke onderbouwing Gele Lis 127 te Den Haag

5 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid Naast het toetsen aan diverse aspecten op het gebied van beleid en milieu, die ook dienen als toets of een ruimtelijk plan uitvoerbaar is, dient een plan ook te worden getoetst aan economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

5.1 Economische uitvoerbaarheid Op grond van de Grondexploitatiewet dient een exploitatieplan te worden vastgesteld bij het vaststellen van het bestemmingsplan of ander ruimtelijk plan, tenzij de economische uitvoerbaarheid anderszins is gegarandeerd. De procedurekosten voor het plan worden met de gemeentelijke legeskosten op initiatiefnemer verhaald. Vanuit het plan vloeien geen overige kosten of risico’s voort die voor rekening van de gemeente zijn. De economische uitvoerbaarheid van het plan is daarmee verzekerd.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voor het plan wordt de uitgebreide omgevingsvergunningsprocedure gevolgd op basis van de Wabo. Tijdens deze procedure kunnen belanghebbenden inhoudelijk reageren op het plan. Door het doorlopen van de procedure wordt voldaan aan de wettelijke verplichting voor de gemeente om belanghebbenden te horen. Gezien de kleinschaligheid van het plan worden bezwaren op het plan als zeer beperkt gezien. Aanvullende inspraakprocedures zijn dan ook niet noodzakelijk.

Pagina 51 Ruimtelijke onderbouwing Gele Lis 127 te Den Haag

6 Bijlagen 1. Quickscan Wnb Gele Lis ong. te ‘s Gravenhage, Blom Ecologie, project: 2023-0164, 3 maart 2023. 2. Aeriusberekening Gele Lis 127 Den Haag, Plannen-makers, 6 augustus 2023; 3. Verkennend bodemonderzoek achter Gele Lis 127 te Den Haag, Mol Ingenieursbureau B.V., projectnummer: A8394, 10 maart 2023; 4. Schaduwberekening Gele Lis 127, Plankaart, 9 augustus 2023; 5. Omgevingsvergunning uitrit Gele Lis ongenummerd, Gemeente Den Haag, kenmerl 201607338/6011301, 21 juni 2016.

Pagina 52 Ruimtelijke onderbouwing Gele Lis 127 te Den Haag

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15800996/1