CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS322705 Bijlage Nota Haagse hoogbouw

Gemeenteraad 18 september 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake nota Haagse hoogbouw (RIS322705)10.771 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

•

regenwater wordt opgevangen en vertraagd afgevoerd

Bij een korte hevige bui moet tijdelijk regenwater kunnen worden opgevangen op eigen terrein; deze bergingscapaciteit moet na minimaal 24 en maximaal 48 uur, danwel voorafgaand aan een bui, weer beschikbaar zijn. Zie de eisen in de wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig.

C. Op gebouwniveau geldt voor elk initiatief dat: • hoogbouw een bijdrage levert aan de instandhouding van beschermde (en overige) soorten en tegelijkertijd een bijdrage levert aan een prettige leefomgeving Dat betekent dat alle dakvlakken maximaal worden benut voor (biodivers) groen, collectieve buitenruimte en/of energiemaatregelen. Daken lager dan 30 meter dragen bij aan natuurwaarden in de omgeving. Verticaal groen is bij voorkeur verbonden met de aarde of een dik daktuinpakket. Minimaal 40% van het groen draagt bij aan de biodiversiteit in samenhang met voldoende ruimte voor spelen en sporten. Zie voor de actuele kwaliteitseisen altijd het ‘puntensysteem groen- en natuurinclusief bouwen’.

•

materiaalgebonden CO2 uitstoot wordt verlaagd

De milieukosten van een gebouw worden berekend d.m.v. een MilieuPrestatieGebouw (MPG). Dit zijn alle milieukosten opgeteld, gedeeld door de levensduur en de vloeroppervlakte. Voor nieuwe hoogbouw in Den Haag wordt een zo laag mogelijke MPG-waarde gevraagd om Paris Proof te kunnen bouwen. Dit valt te behalen door slim om te gaan met de hoeveelheid materialen, in te zetten op hergebruik en te kiezen voor verantwoorde biobased materialen.

•

levensduur wordt verlengd door gebouwflexibiliteit en -adaptiviteit

De beste vorm van materiaalbesparing, en daarmee CO2 uitstoot te voorkomen, is om een gebouw te laten staan en daarmee de levensduur te verlengen. Een slim ontwerp kan het mogelijk maken om de functie van een gebouw aan te passen zonder dat daarbij ingrijpende bouwprocessen komen kijken. Zo kan hoogbouw oorspronkelijk bedoeld zijn voor kleine studentenwoningen, later worden aangepast naar grotere

starterswoningen en in een nog later stadium zelfs veranderen in kantoorruimte. Het is aan te raden al in het ontwerpstadium rekening te houden met aanpassingsmogelijkheden van (scheidings)wanden en installatietracés. Het is gewenst overmaat in de verdiepingshoogte toe te passen waardoor flexibiliteit ontstaat om in de toekomst meerdere functies op te vangen.

•

gebouwdelen losmaakbaar zijn

Mocht het gebouw toch aan vervanging toe zijn, is het van belang dat gebouwdelen (bijvoorbeeld gevels, vloeren, daken of draagbalken) in zijn geheel opnieuw kunnen worden gebruikt. Het is van belang om zoveel mogelijk van ‘droge verbindingen’ (schroeven) gebruik te maken in plaats van ‘natte verbindingen’ (lijmen en storten). In de toekomst kunnen deze gebouwdelen dienen als herbruikbare materialen om zo een zo laag mogelijke MPG te behalen. Een materialenpaspoort kan dit proces ondersteunen.

•

dak- en binnentuinen vangen regenwater op en verhogen biodiversiteit

het Puntensysteem groen- en natuurinclusief bouwen wordt toegepast

Er worden maatregelen toegepast uit drie categorieën: groene daken/groene gevels, verblijfplaatsen (nestkasten e.d.) en maatregelen in de directe omgeving van het gebouw op eigen kavel. In de tabel van het Puntensysteem staat de lijst maatregelen waaruit een keuze gemaakt kan worden. De punten moeten worden behaald op eigen terrein. Verder is het verplicht om een ecoloog te betrekken bij de planontwikkeling en om een beheer-en onderhoudsplan te maken. Zo mogelijk wordt in het ontwerp samenhang gezocht met aangrenzende kavels/gebieden en afgestemd op de aanwezige groenstructuren en biotopen.

groenvoorzieningen, ontmoetingsruimte, speelplekken

groene openbare ruimte

groene gevels met beplanting in de volle grond

23

7. HOOGBOUWEFFECTRAPPORT Uiteindelijk is niet de exacte hoogte, maar de kwaliteit leidend. Hoogbouw manifesteert zich nadrukkelijk. Het is vaak van grote afstand zichtbaar en kan van grote invloed zijn op de beleving van een wijk of stadsdeel. Daarom vraagt hoogbouw ook om bijzondere aandacht voor de architectonische kwaliteit. De lat ligt hoog. Daarnaast is er altijd aandacht nodig voor aspecten als stallen en parkeren, expeditie en logistiek, windhinder en schaduwwerking. De verantwoording voor dergelijke aspecten vindt plaats aan de hand van een verplicht op te stellen hoogbouweffectrapport (HER). Deze is aanvullend op het bestaande kwaliteitsbeleid. Het andere generieke beleid, waaronder parkeren, mobiliteit, milieu en veiligheid blijft vanzelfsprekend van kracht. Het gaat in het hoogbouweffectrapport om een analyse van de effecten in de (directe) omgeving en van de uitwerking op aspecten als architectonische kwaliteit, windhinder, schaduwwerking en ruimtelijke en functionele relaties met het maaiveld. Een HER is tevens gericht op het in kaart brengen van mogelijke hinder door het hoogbouwobject zelf. Elke plek heeft z’n eigen specifieke eigenschappen en omgevingsfactoren en er dient dan ook afzonderlijk beoordeeld te worden of hoogbouw

Indien de hoogbouw in het aandachtsgebied (binnen 100 meter of drie maal de hoogte van het beoogde gebouw) van een beschermd stadsgezicht of landschap is gelegen moet de impact van de hoogbouw op het stadsgezicht worden aangetoond, zowel gezien vanuit de omgeving naar de bouwlocatie als vanaf de bouwlocatie naar het betreffende beschermde gebied. Ook hier zijn beelden/perspectieven nodig. Als de hoogbouw aan een zichtlijn is gelegen dient te worden aangetoond op welke wijze deze zichtas wordt veranderd. Indien de hoogbouw in de directe omgeving van een rijks- of gemeentelijk monument of een beeldbepalend pand wordt gesitueerd, dient de overgang van het monumentale object naar de hoogbouw met zorg te worden vormgegeven.

op deze plek wel of niet past. Het HER dient opgesteld te worden door de initiatiefnemer en zal een goede verantwoording moeten bieden voor het voornemen voor hoogbouw. Toetsing vindt (in elke fase) plaats door de projectteams, in samenspraak met de Adviescommissie Omgevingskwaliteit.

eerste bouwlaag wordt de plint genoemd. Dat is de bouwlaag die vanaf de straat (het maaiveld) het meest zichtbaar is voor de langslopende voorbijganger en waar interactie plaatsvindt tussen de straat en het gebouw. Bij een gebied waar veel functies gelegen zijn of gewenst zijn is de plint de plek waar bedrijvigheid, voorzieningen en/of woningen zich presenteren aan de stad en waar de dynamiek en levendigheid het meest tot uiting komt. Het is belangrijk dat de plint dan zo wordt ingericht en georganiseerd dat activiteiten in het gebouw een bijdrage leveren aan de levendigheid en interactie tussen binnen en buiten gedurende de gehele dag en ook ‘s avonds en in het weekend. Parkeren vraagt bij hoogbouw extra aandacht om de gewenste kwaliteit te bereiken en goede beleving op straat te realiseren. Bij de inpassing kan onder andere worden gedacht aan geheel of gedeeltelijk ondergronds parkeren, uit het zicht onttrokken d.m.v. een talud en/of halfverdiept parkeren.

Inhoud Hoogbouweffectrapport Beleving en inpassing in de omgeving Stedenbouwkundige en landschappelijke context Naast de stedenbouwkundige analyses en studies die bij elke ontwikkeling van een gebouw of gebied van belang zijn, dienen de effecten van hoogbouw in de directe omgeving en de effecten op grotere afstand door de initiatiefnemer inzichtelijk gemaakt te worden, als ook de inpassing in de omgeving, de inpassing in de stedenbouwkundige structuur en eventuele wijzigingen van het stadssilhouet. Hierbij is van belang of het een ontwikkeling van een solitair gebouw is of dat er in de directe omgeving meerdere ontwikkelingen spelen. In geval van meerdere ontwikkelingen is er sprake van een gebiedsvisie om de samenhang te kunnen beoordelen. Er moet daarbij ook gekeken worden of de capaciteit van de openbare ruimte en systemen toereikend is. Eventuele hoogtebeperkende aspecten worden meegenomen en benoemd, onder andere de afweging of de identiteit van de binnenstad en beschermd stadsgezicht of landschap voldoende wordt gerespecteerd. Effecten op de omgeving en mogelijke effecten op zichtlijnen worden zichtbaar gemaakt met behulp van kaart- en beeldmateriaal: visualisaties, zichtlijnen, fotomontages etc. Tevens wordt een 3D-model op coördinaten aangeleverd om in te voegen in het gemeentelijke 3D-model.

De gemeente levert bij aanvang van de ontwerpfase de inhoudsopgave en eisen waaraan de HER moet voldoen. Cultuurhistorische context Bij plannen voor hoogbouw is in alle gevallen een gebiedsanalyse noodzakelijk. Hierin worden de kenmerken van het gebied beschreven en wordt gemotiveerd welke plaats hoogbouw in dit gebied zal gaan innemen en welke gevolgen dit voor het gebied zal hebben. In beelden moet worden aangetoond welke plaats de hoogbouw in de skyline gaat innemen.

24

NOTA HAAGSE HOOGBOUW 2024

Beleving op straat De beleving van hoogbouw wordt voor een belangrijk deel bepaald door de beleving op maaiveld. De eerste verdiepingen hebben een directe relatie met de straat (het maaiveld). De inrichting en vormgeving van deze verdiepingen is afhankelijk van de context; staat het gebouw bijvoorbeeld in een gebied met veel voorzieningen/winkels of bijvoorbeeld juist in het groen. De

Effect op de omgeving Windhinder Bij het realiseren van hoogbouw dient windhinder of windgevaar integraal te worden meegenomen in de afwegingen. De gemeente stelt het in kaart brengen van mogelijke windhinder of windgevaar verplicht. De beoordeling van het windklimaat vindt plaats aan de hand van criteria zoals voorgeschreven in de Nederlandse norm NEN 8100 “Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving” (hiervoor geldt altijd de laatst gepubliceerde versie). In deze norm is het volgende beslismodel weergegeven wanneer een windonderzoek zal moeten plaatsvinden: • gebouwen hoger dan 30 meter windonderzoek; • beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 tot 30 m: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is; • onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 m: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is. Er zal dan naar verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) worden gekeken en daarbij zal een beoordeling van het windklimaat gegeven worden (slecht,

matig, goed). Dit wordt genoteerd op kaarten. Hoewel de aanwezigheid of plaatsing van bomen het windklimaat (positief) kan beïnvloeden worden deze in het windhinderonderzoek niet meegenomen. Zon en schaduwwerking De effecten van de hoogbouw op de bezonning van de omliggende gebouwen en buitenruimte dienen onderzocht te worden. Een smalle toren belemmert de bezonning van de omgeving voor een kortere tijd dan een brede wand van diezelfde of mindere hoogte. Hoogbouwinitiatieven willen we in een vroeg stadium al onderwerpen aan een bezonningsonderzoek. Bij grotere gebiedsontwikkelingen is het belangrijk al in een vroeg stadium de gevolgen van de ontwikkeling in kaart te brengen. De gemeente hanteert hiervoor de onderzoeksnorm zoals die opgesteld is door TNO. Een gebouw voldoet aan deze norm wanneer er gedurende twee uren per etmaal bezonning mogelijk is op de dagen van 19 februari tot en met 21 oktober, in het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam van de woonkamer. Daarbij is het geen vereiste dat de bezonning aansluitend plaatsvindt. In het bezonningsonderzoek wordt ook de periode 21 maart-21 september beschreven. De norm wordt alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen immers - hoogbouw of niet nooit direct zonlicht.

Bezonningsdiagrammen maken inzichtelijk of de bezonning van nieuwbouw op de gevel, tuin, terras, speelplek, et cetera. voldoende is. Daarbij wordt bij sloop en nieuwbouw de schaduwval in de bestaande situatie vergeleken met de schaduwval na realisatie van de bouwplannen. De bezonningsnorm is ook van toepassing op speelplekken in de openbare ruimte en bij scholen/kinderopvang, alsmede op plekken die in gebiedsvisies en gebiedsontwikkelingen als “sunspots” zijn aangegeven. Hierbij geldt dat het minimum van 2 uren zon gerealiseerd moet worden tussen 10.00 en 15.00 (of een andere tijdsperiode die wordt vastgelegd in een stedenbouwkundig plan). De bezonningsnorm is niet van toepassing op het effect van hoge gebouwen op (aanwezige) PV-panelen in de omgeving van de beoogde nieuwe situatie. Het is wel goed om in de HER aandacht aan dit onderwerp te besteden. Aparte beleidsnota Voor de uitvoering van onderzoek naar windklimaat en bezonning is een apart beleidsdocument opgesteld. Privacy Inpassen van een hoog gebouw kan hinder voor omliggende bebouwing veroorzaken. Het kan verstoring van uitzicht en inbreuk op de privacy voor de omliggende woningen tot gevolg hebben. Indien sprake is van verstoring moet in kaart worden gebracht door middel van beeldmateriaal en de afwegingen worden onderbouwd.

Een mogelijke impact kan per project verschillen (ook door bv andere factoren, zoals aanwezigheid van bomen of andere beplanting) en dient per project beoordeeld te worden.

Standaard inhoudsopgave HER 1. Inleiding, aanleiding 2. Locatiebeschrijving, gebiedsanalyse, cultuurhistorische context (leidend tot bepaling zichtlijnen en standpunten) 3. Beleidskader m.b.t. hoogbouw 4. Stedenbouwkundige context met planbeschrijving, inpassing in vooraf bepaalde standpunten (effect op korte afstand) 5. Landschappelijke context, inpassing in zichtlijnen (effect op grotere afstand) 6. Beleving op straat/ooghoogte 7. Uitzicht en privacy 8. Windhinder 9. Zon- en schaduwwerking 10. Conclusies en aanbevelingen

25

Colofon Dit is een uitgave van Gemeente Den Haag DSO, afdeling Stedenbouw&Planologie Juni 2025

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15816775/1