RIS322690 Bijlage 1 PUK Park-Bloemendaal
Tekst van het document
en een crematorium. Het gebied kreeg het karakter van een stadsrandzone met grote gebouwen in een groene omgeving. Hierna verschoof de ontwikkeling naar de realisatie van kleinschalige woonbebouwing ter vervanging van grote bouwmassa’s (paviljoens bij de Stichting Bloemendaal en woningen in Ockenrode op de plaats van het tuinbouwbedrijf tegenover de ADS-velden). Aan weerszijden van de Monsterseweg ontstond daarmee een spreiding van woonlocaties met kleine woningen te midden van het bos. De omzetting van zorgvastgoed op het zuidelijk deel van huidige Parnassiaterrein en op de beide ADS voetbalvelden en het parkeerterrein is daarop gericht en vullen dat aan. Alleen deze twee gebieden komen voor de transformatie naar woningbouw nog in aanmerking. Het blijft ook op afstand van de sportcomplexen in Madestein. Het in de Agenda Ruimte voor de Stad aangeduide transformatiegebied “Kansen voor wonen in het groen” betreft deze op korte afstand daarvan gelegen locaties.
6.3 Mobiliteit en (fiets)parkeren Wegontsluiting De voorgestelde verkeersstructuur gaat uit van ontsluiting van Vroondaal Noord I en II door middel van een doorgaande weg die van twee zijden, via de Oorberlaan en de Madesteinweg, bereikbaar is. In de Westmadeweg is een zogenaamde ‘knip’ opgenomen, zodat geen gemotoriseerd verkeer mogelijk is tussen Vroondaal Noord I en II. De buurtwegen worden ingericht volgens 30km/h-regime en en vanaf de binnenring ontsloten zodat er een autoluwe en kindvriendelijke woonwijk ontstaat. Langzaam verkeer In het plangebied zijn twee doorgaande langzaamverkeersverbindingen voorzien die het plangebied met Vroondaal verbinden. Deze routes maken onderdeel uit van een groter langzaam verkeersroutenetwerk tussen Park Madestein en de Monsterseweg.
Parkeren
Haag een grote druk op de woningmarkt. In de Woonagenda
Het toetsingskader voor parkeren is het vigerend
worden maatregelen genomen om deze druk te verlichten.
parkeerbeleid, Nota parkeernormen Den Haag 2021
De Woonagenda is ingedeeld in vier thema’s die elk eisen en
(RIS291425. Het parkeerbeleid geeft meer ruimte om te
wensen bevatten met betrekking tot nieuwbouw.
voldoen aan de parkeerbehoefte en er zijn een aantal vrijstellingsmogelijkheden opgenomen voor de parkeerbehoefte.
30% van de woningen is een sociale huurwoning.
Voor de fietsparkeernormen geld het vigerend beleid
Woningcorporaties hebben het primaat in sociale woningbouw.
fietsparkeernormen (RIS294386).
Daarom moet een initiatiefnemer in het beginstadium een
6.4
Gebiedsindeling voor autoparkeernormen
Wonen
samenwerking aangaan met een in Den Haag actieve woningcorporatie. Het is niet mogelijk om het aandeel
Woonvisie Den Haag 2017-2030
sociale huur af te kopen. Door in een vroeg stadium een
Het woonbeleid is vastgelegd in de Woonvisie Den Haag 2017-
woningcorporatie te betrekken kan er nog invloed uitgeoefend
2030 (RIS296833, 29 juni 2017). Den Haag is een groeiende
worden op het sociale programma, de kosten en het beheer. Als
stad in een tijd waarin veranderingen steeds sneller gaan en die
blijkt dat geen van de woningcorporaties capaciteit heeft om de
de maatschappelijke en economische verhoudingen blijvend
woningen tegen een sociale prijs af te nemen moet een andere
veranderen. Het is een uitdaging om mensen, bedrijven en
verhuurder het aandeel van 30% sociaal op zich nemen.
banen aan de stad te blijven binden. Om een fijne, leefbare
20% van de woningen heeft een middeldure huur tussen de
en groene woonstad te blijven moeten we zorgen dat de
liberalisatiegrens en de €950. Hiervan ligt de helft tussen de
sociaaleconomische verschillen niet te groot worden en moeten
liberalisatiegrens en €850 en de andere helft tussen €850 en
we overstappen op een nieuwe vorm van energievoorziening.
€950.
De gemeente Den Haag gaat voor de langere termijn uit van een jaarlijks netto bouwprogramma van 2000-2500 woningen.
Bij een te eenzijdig aanbod van kleine woningen bestaat het
De ruimte om te groeien is beperkt. Den Haag zal zich
risico dat bewoners hier passanten worden zonder binding
voor groei moeten richten op binnenstedelijke locaties (de
met de omgeving. Om dit te voorkomen geldt dat maximaal
zogenaamde inbreidingslocaties), transformatie van bestaande
20% van de woningen een kleine woning mag zijn met een
gebouwen en gemengde woon-werkgebieden. Daarbij wordt
woonoppervlak van maximaal 40m2 in het CID en 50m2 in
ingezet op differentiatie in architectuur en woningtypen. Het
de rest van de stad. Uitzondering hierop is mogelijk voor
is van belang om hierbij zorgvuldig om te gaan met bestaand
studentenhuisvesting, zorgwoningen en bijzondere concepten.
groen en bestaande wijken. Een andere uitdaging is het verkleinen van de sociaaleconomische verschillen tussen
Plan
wijken.
Het Plangebied is te positioneren tussen het Vroondaalmilieu en de dorpse Westland milieus. Het woningaanbod kan daarop
Woonagenda 2020-2023
aanvullend zijn. Het woonprogramma dient gevarieerd te zijn,
Het Haagse Woonbeleid is vastgelegd in de Woonagenda
waarbij vooral wordt ingezet op grondgebonden woningen,
2020- 2023 (RIS305711). Het woonprogramma van
voornamelijk voor gezinnen met een midden en hoger inkomen.
nieuwbouwprojecten moet hieraan voldoen. Er heerst in Den
Het programma kan bestaan uit een mix van rijwoningen in het
Autoparkeernomren wonen
PUK PARK BLOEMENDAAL - APRIL 2025
37
middensegment en twee- of driekappers in het dure segment.
hoofd behoren tot de meest kwetsbare groep in Nederland.
Verder dient het woonmilieu een open karakter te krijgen met
Wonen is een basisbehoefte en een mensenrecht. Het recht
een openbaar toegankelijke groenstructuur en ontsluiting voor
op behoorlijke huisvesting vormt de basis van waaruit een
langzaam verkeer en voetgangers vanuit Madestein/Vroondaal
(gezins)leven kan worden opgebouwd en kinderen zich kunnen
en doorverbinding richting Ockenburgh/kust.
ontwikkelen. Het biedt bestaanszekerheid.
6.5.1 Duurzame energievoorziening Den Haag heeft de ambitie om in 2030 een klimaat neutrale stad te zijn. Daarvoor moet de Haagse energievoorziening aangepast worden. De energievoorziening van nieuwbouw moet daarom gelijk toekomstbestendig, zonder aardgasaansluiting, ontwikkeld te worden. De gekozen energievoorziening moet passen bij de oplossingsrichting die in het Stedelijk EnergiePlan (RIS306869) en het ontwerp van de Transitievisie warmte (RIS313867) vastgesteld is voor dit deel van de stad. Omdat nieuwbouw vanwege de goede isolatie met lage temperaturen verwarmd kan worden is het gebruik van hoge temperatuur stadsverwarming onwenselijk. Die warmte is nodig voor de verwarming van bestaande woningen en gebouwen. Warmte- en koude opslag in de bodem is hier naar verwachting een voor de hand liggende techniek. In de dimensionering van zo’n systeem kan rekening gehouden ArcGIS Web Map worden met de overige ontwikkelingen rond de kavel. Om het thermisch gebruik van de ondergrond te optimaliseren stelt de gemeente waar nodig bodemenergieplannen op. Voor dit deel van de stad is zo’n bodemplan er (nog) niet. Bij de dimensionering is daarom aandacht nodig voor mogelijke ondergrondse interferentie met omliggende warmte- en koudeopslag in de bodem. Den Haag voert duurzaambouwenbeleid met de integrale prestatie-instrumenten GPR of BREEAM.
De ambitie voor GPR is minimaal een 8 voor de thema’s milieu, gezondheid,
Een van de opgaven is om woonplekken voor daklozen in de Voor de locatie Parnassia zijn de volgende uitgangspunten voor
nieuwbouw te realiseren. Het gaat niet om maatschappelijke
het programma van toepassing:
opvang, maar om reguliere sociale huur.
•In het plangebied worden maximaal 262 woningen
RIS316085 Beleidskader Aanpak Dakloosheid
gebouwd. Het woningbouwprogramma kan gebaseerd
Met het stimuleringsplan innovatieve woonvormen kiest
zijn op de intentieovereenkomst ‘maatwerkoplossing
Den Haag voor een meerjarige gerichte aanpak om de
woningbouwprogramma Parnassia’ tussen gemeente en
realisatie van innovatieve woonconcepten te bevorderen en
Parnassia. Indien de intentieovereenkomst niet tot een
initiatiefnemers beter te ondersteunen. In het coalitieakkoord
vaststellingsovereenkomst leidt voorafgaande aan bestuurlijke
‘Haags akkoord 2023-2026 ‘is de volgende doelstelling
vaststelling van de voorgenomen bestemmingswijziging dient
benoemd: ‘In de programmering voor middeldure huur en
het woningbouwprogramma te voldoen aan vigerend beleid
betaalbare koop streven we naar 100 woningen per jaar voor
tav van wonen (Woonagenda 2020-2023 RIS 305711). Dat
innovatieve woonvormen, zoals particulier opdrachtgeverschap,
wordt door middel van een intentieovereenkomst en een
wooncoöperaties en groepswonen (zoals cultuursensitieve
vaststellingsovereenkomst geborgd.
groepswoonvormen, meergeneratiewoningen). We zetten in op collectieve woonvormen ter bestrijding van eenzaamheid,
•Sociale woningbouw: in beide scenario’s dient minimaal 30%
in het bijzonder voor ouderen en houden rekening met
van het totaal te bouwen woningen sociale woningbouw te
mantelzorg. Dit kan bijdragen aan de doorstroming en biedt
zijn. Op het terrein van Parnassia Bloemendaal zullen kleine
daarmee weer ruimte voor starters en gezinnen. We vragen aan
zelfstandige, sociale huurwoningen worden gerealiseerd in
woningcorporaties om hieraan bij te dragen’.
samenwerking met een corporatie. Kansrijk is om deze sociale woningbouw te koppelen aan zorg of begeleid wonen. De nabijheid van de zorginstelling en de daarmee samenhangende beschutte omgeving kan diverse doelgroepen gelegenheid bieden zelfstandig en dichtbij behandeling te wonen. Als de sociale woningen bewoond gaan worden door deze doelgroepen dient de constructie voor woonruimtetoekenning en de arrangementen die nodig zijn om deze woningen en de omgeving geschikt te houden voor de gewenste doelgroepen in afstemming met de gemeente en met de veiligheidsdriehoek te worden georganiseerd. RIS316966 Stimuleringsprogramma Innovatieve woonvormen Den Haag geeft thuis. Mensen zonder een dak boven hun
38
PUK PARK BLOEMENDAAL - APRIL 2025
6.5
Stedelijke Groene Hoofdstructuur
Duurzaamheidskader
De Nota Duurzaamheid “Schone energie in een groene stad” (RIS301829) beschrijft op hoofdlijnen hoe Den Haag de energievoorziening, leefomgeving, mobiliteit en het grondstoffengebruik toekomstbestendig wil maken. Voor de Binnenklingen betekent dit dat er gebouw- en omgevingsmaatregelen nodig zijn. Voor de verschillende thema’s (energie, groen, water, mobiliteit, circulariteit etc) zijn specifieke beleidsnota’s opgesteld. In volgorde van de Nota Duurzaamheid wordt de betekenis van de relevante beleidsnota’s voor de Binnenklingen onderstaand beschreven. Het team Duurzame Leefomgeving (S&P) is beschikbaar voor advies op projectniveau.
11/12/2021, 2:39:19 PM
Hoofdboomstructuur https://maps.denhaag.nl
geodesk@denhaag.nl
Groengebied Gemeente Den Haag Projectlocatie Gemeentegrens
Schaal 1: 6.000
Auteur: Datum:
01-feb-2022
A3 formaat
Aan deze tekening kunnen geen rechten worden ontleend, gemeente Den Haag
gebruikskwaliteit en toekomstwaarde en 9 voor energie. Wordt gekozen voor BREEAM dan is de norm minimaal vier sterren. Veel nieuwbouw in Den Haag en Nederland laat ziet dat dit gangbaar is. Deze instrumenten helpen om duurzaam te bouwen met een maximale vrijheid voor ontwikkelaars. Bij een hogere prestatie kan korting gegeven worden op leges. 6.5.2 Duurzame leefomgeving: Natuur In Den Haag zien we de natuur als belangrijk onderdeel van onze stad. Een stad met een vitale stadsnatuur is een gezonde stad. In de Nota Stadsnatuur zijn handvatten opgenomen waarmee we werken aan een gezond stadsecosysteem met meer biodiversiteit. Een groene stad heeft veel te bieden aan inwoners. Bomen en planten zorgen immers voor verkoeling tijdens warme zomers en bieden een aangename plek voor bewoners om te verblijven. Een groene stad is ook beter toegerust om mee te bewegen op veranderingen in het klimaat, zoals uitschieters in temperaturen en neerslag. Een stad waar veel verschillende planten- en diersoorten zoals vlinders en vogels voorkomen, blijkt positief te zijn voor het welzijn van mensen. Een hoge biodiversiteit zorgt ervoor dat lastige soorten minder kans krijgen en er genoeg natuurlijke vijanden zijn om plaagsoorten in toom te houden.
Een belangrijke voorwaarde voor een gezond stadsecosysteem is de aanwezigheid van een uitgebreid netwerk van groengebieden die onderling met elkaar verbonden zijn. De groengebieden zijn de belangrijke kerngebieden voor allerlei planten- en diersoorten. De ecologische verbindingszones zorgen als robuuste brede groenblauwe structuren voor de verbinding van deze gebieden. Zo kunnen dieren zich makkelijker verplaatsen en functioneren deze daarnaast ook als belangrijke leefgebieden. In deze nota wordt de nadruk gelegd op een optimale ecologische inrichting door middel van vuistregels voor biotopen en -beheer, behoud en de mogelijke uitbreiding van de ecologische verbindingszones. Is extra ruimtebeslag van een nietecologische functie onvermijdelijk dan moet de inpasbaarheid hiervan worden onderzocht. Naast het behoud en de ontwikkeling van bovengenoemd netwerk, wordt aandacht besteed aan het rekening houden met leefomstandigheden van planten en dieren bij beheer en inrichting van groen in
brede zin. We werken aan een natuurinclusieve stad met een ecologisch gezond stadswatersysteem, het beheersbaar houden van overlast gevende planten en dieren en we zetten in op monitoring van onze stadsnatuur. Bij elke (her) inrichting en omvorming van de openbare ruimte stellen we een natuurkansenscan verplicht. Ontwerpen die ter beoordeling worden voorgelegd aan de Adviescommissie Openbare Ruimte worden, mede op basis van de natuurkansenscan, ook beoordeeld op het gebied van stadsnatuur. Natuurinclusief denken én werken wordt zo steeds meer een vanzelfsprekend onderdeel van het ontwerpproces. De Natuurkansenscan is opgenomen in bijlage 6 van de Nota Stadsnatuur (RIS305824): De gemeente Den Haag bevordert groen- en natuurinclusief bouwen in de stad met het besluit Natuurinclusief bouwen (RIS 288182). Enerzijds gaat het om het verbeteren van de leefomstandigheden van huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen. Dit zijn soorten die onder druk staan doordat gebouwen tegenwoordig zo gebouwd worden dat deze soorten geen nestelgelegenheden meer hebben. Anderzijds gaat het om een veel bredere opgave gericht op meer natuurlijk groen in de directe woonomgeving. Door de toenemende stedelijke verdichting is deze opgave extra actueel.
Extra natuur op en aan gebouwen levert een bijdrage aan de instandhouding van soorten, aan het reduceren van hittestress en wateroverlast, aan de natuurbeleving in de stad en daarmee samenhangend aan het welzijn en de gezondheid van mensen. Het besluit over het Puntensysteem Groen- en Natuurinclusief bouwen (RIS313059) beschrijft het aantal punten dat op een locatie behaald moet worden. Dit is afhankelijk van de footprint, hoogte en het soort stedelijk gebied. Het puntensysteem beschrijft de maatregelen waar uit gekozen kan worden. Het puntensysteem is voor dit bouwproject nog niet verplicht. Het is een wens van de gemeente dat het wel toegepast wordt omdat met relatief eenvoudige maatregelen een mooie bijdrage aan de natuur in de stad mogelijk is. Het puntensysteem biedt hiervoor goede kaders.
inrichting en omvorming van de openbare ruimte stellen we een natuurkansenscan verplicht. Ontwerpen die ter beoordeling worden voorgelegd aan de Adviescommissie Openbare Ruimte worden, mede op basis van de natuurkansencan, van nu af aan ook beoordeeld op het gebied van stadsnatuur. Natuurinclusief denken én werken wordt zo steeds meer een vanzelfsprekend onderdeel van het ontwerpproces. De Natuurkansenscan is opgenomen in bijlage 6 van de Nota Stadsnatuur (RIS305824): https://denhaag.raadsinformatie.nl/modules/13/Overige%20 bestuurlijke%20stukken/594868 6.5.3 Duurzame leefomgeving: Klimaatbestendig Volgens de laatste scenario’s van het KNMI zal klimaatverandering ertoe leiden dat we in Nederland vaker te maken krijgen met hevige regenbuien, meer dagen met tropische temperaturen, langere droge perioden en een verdere stijging van de zeespiegel. Dergelijke weersextremen kunnen veel schade en overlast veroorzaken, ook op het gebied van gezondheid. De Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig (RIS308744) biedt ontwerpprincipes om gebouwen en de (directe) omgeving klimaatbestendig te ontwerpen en in te richten. Naast maatregelen op en aan gebouwen die gericht zijn op het buitenhouden van de zomerse zon of verkoeling (overstekken, groene daken, verticaal groen, geveltuintjes) bieden bomen schaduw en verkoeling in de zomer. Samen met extra groen houden ze ook regenwater vast.
Bomen vormen daarom ons groene kapitaal. Zodoende wordt terughoudend omgegaan met het afgeven van kapvergunningen en zal, waar kappen onvermijdelijk is, nieuw aangeplant moeten worden. 6.5.4 Duurzame Leefomgeving: Milieuaspecten Stikstof Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken die leiden tot significant schadelijke effecten op nabijgelegen Natura 2000 gebieden. Het betreft het Natura2000 gebied Solleveld en Kapittelduinen dat ten noorden van de Monsterweg gelegen is De initiatiefnemer is verplicht om de stikstofeffecten van het project door te laten rekenen.
In Den Haag altijd een natuurkansenscan. Bij elke (her)
PUK PARK BLOEMENDAAL - APRIL 2025
39
Voor het plan Park Bloemendaal is de bestaande situatie het uitgangspunt om tot nul toename te komen in de stikstofberekening. Uit recente stikstofberekening blijkt dat de kans groot is dat het plan Park Bloemendaal haalbaar is. Actualisering van de stikstofberekening als gevolg van koppeling met meerdere onderzoeksresultaten kan er toe leiden dat nader onderzoek nodig is, bijvoorbeeld als gevolg van de verkeersgeneratie. Wanneer uit geactualiseerd onderzoek blijkt dat het plan niet voldoet dienen er maatregelen getroffen te worden om tot een netto daling van de stikstof depositie te komen. Om tot reductie te komen kan gedacht worden aan: • Inzet van WKO of geothermie; • Optimalisatie van de ontsluiting van het plangebied (de Stikstofdepositie is mede afhankelijk van verkeersbewegingen op en rondom het terrein). 6.5.5 Duurzame Mobiliteit Ten aanzien van verkeer en vervoer wordt versneld ingezet op schonere alternatieven. Met deze maatregelen, zoals het versnellen van elektrische mobiliteit, wordt onze lucht schoner. Vanwege de gezondheidseffecten van luchtvervuiling streven we overal in de stad de norm van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor luchtkwaliteit na. In en rond het gebouw kan actief rekening gehouden worden met de gewenste vormen van vervoer door ruimte en voorzieningen aan te brengen voor bijvoorbeeld (deel)fietsen en laadpunten voor elektrische voertuigen.
6.5.6 Duurzame grondstoffen Den Haag neemt deel aan de City Deal Circulair Bouwen. Dit richt zich op het hergebruiken van bouwelementen en -materialen, het gebruik van biobased producten en op het circulair ontwerpen zodat hergebruik in de toekomst eenvoudiger wordt. Deze werkwijze is het uitgangspunt voor de herontwikkeling. Innovatie kan helpen bij het doelmatig inkopen. De gemeente kan hier bij helpen. Afval dat tijdens de bouw en daarna in de gebruiksfase vrijkomt moet zoveel mogelijk aan de bron gescheiden worden en apart afgevoerd te worden. Het huishoudelijk afval dient inpandig en op eigen terrein te worden
40
PUK PARK BLOEMENDAAL - APRIL 2025
opgeslagen. In het ontwerp dient hiervoor ruimte gereserveerd te worden. 6.5.7 Groen Agenda Groen voor de Stad In de Agenda Groen voor de Stad (RIS294705) wordt geconstateerd dat door de toenemende bevolking en het bijbehorende ruimtebeslag de leefkwaliteit in het algemeen en het groen in het bijzonder soms onder druk komen te staan. Omdat Den Haag een aantrekkelijke stad wil blijven voor bewoners, bezoekers en bedrijven, moeten er strategische keuzes worden gemaakt op het gebied van verdichting, vergroening en verduurzaming. De ambitie is een verdere kwalitatieve ontwikkeling van het Haagse groen, waarbij ruimte bestaat voor verandering en initiatief en bij ontwikkelingen groen toekomstbestendig wordt vormgegeven: groen kapitaal als basis voor een goede leef kwaliteit. Het doel is het Haagse groen kwalitatief te ontwikkelen. De stedelijke leefkwaliteit is afhankelijk van gebiedskenmerken als bebouwingsgraad, aanwezigheid van infrastructuur en het gebruik van de ruimte (wonen, werken, recreatie, natuur). Het Haagse Groen moet gezien worden als een vorm van kapitaal met de ecologische, de maatschappelijke en de economische waarde. Mede op basis van de stadsgesprekken en het online platform zijn deze waarden uitgewerkt in zes thema’s: klimaat, biodiversiteit, gezondheid, ontspanning imago en ontwikkeling.
Voor Hagenaars voelt het vaak of groen voor nieuwe ontwikkeling moet wijken. Het is de uitdaging om intensivering te combineren met een waardevolle, betekenisvolle, gezonde en goed functionerende groenstructuur. Intensivering van de stad vraagt om intensivering van groen en groenkwaliteit. Naarmate de stad verdicht, neemt de waarde van het groen toe. Omgekeerd zorgt groen ook voor toename van vastgoedwaarde. Deze twee waarden zouden elkaar moeten vinden en versterken. Elke (vastgoed)ontwikkeling draagt bij aan de groene kwaliteit van Den Haag. Dit gebeurt op verschillende wijze: op de klassieke wijze door ontwikkeling van parken en
straatgroen, door het ontwikkelen en openstellen van groene binnengebieden en daktuinen, als ook het realiseren van geveltuintjes of groene gevels. Ook kunnen investeringen in kwaliteit of gebruikswaarde uitkomst bieden. Stedelijke Groene Hoofdstructuur De Stedelijke Groene Hoofdstructuur van Den Haag bepaalt voor een belangrijk deel het karakter van de stad. De Stedelijke Groene Hoofdstructuur dient duurzaam in stand gehouden te worden en waar mogelijk versterkt (RIS300506). Het groen heeft vele functies, één daarvan is de functie als stedelijke ecologische hoofdstructuur, dat wil zeggen de drager van de stedelijke natuur en verbindingsstructuur voor de omliggende natuur. Richtlijn Licht op de Natuur De Visie op Licht (12 december 2017, RIS298658) legt een gewenst lichtbeeld voor Den Haag vast om zo de kwaliteit van de openbare verlichting te vergroten en beter beheer mogelijk te maken. Stadsverlichting draagt bij aan (een gevoel van) veiligheid, maar voor sommige nachtdieren zoals vleermuizen is kunstlicht ongewenst. Vleermuizen leven en jagen ‘s nachts en kunstlicht kan hun gedrag flink verstoren. In de Lichtvisie is een richtlijn ‘Licht op de Natuur’ (12 December 2017, RIS 298657) opgenomen. Hier staat dat in de Haagse natuur alleen openbare verlichting wordt gebruikt waar dat echt nodig is.
Als er licht moet zijn voor bijvoorbeeld de veiligheid, dan wordt het zo toegepast dat dieren er zo min mogelijk last van hebben, door gebruik te maken van gericht/afgeschermd wit licht met een maximum van 3000K (geen UV). Voor dit gebied gelden de beperkingen zoals opgenomen in H5 en H7 Nota Stadsbomen Stadsbomen zorgen met hun ecosysteemdiensten voor leefkwaliteit in de stad. Stadsbomen spelen ook een belangrijke rol bij en zijn een oplossing voor grootstedelijke uitdagingen zoals klimaatadaptatie en verdichting. Het verhogen van de ecosysteemdiensten van bomen door in te zetten op meer kroonoppervlak en het werken aan een toekomstbestendig Haags stadsbomennetwerk zijn dan ook twee hoofddoelen. Dit is opgenomen in de Nota Stadsbomen (15 april 2021 RIS 307827).
Voor het verbeteren van ecologische verbinding, het activeren van recreatie en de verbetering van gezondheid in de stad is het oplossen van onderbrekingen in het netwerk gewenst. De eerste focus ligt hierbij op de Hoofdboomstructuur, het verbeteren en uitbreiden van de Haagse groene middenbermen en het planten van bomen op boomloze plekken in de stad. Wanneer we ontwerpen met bomen, dan doen we dat met aandacht voor diversiteit, ecologie en het maken van diverse microklimaten in onze stad. Voor de Hoofdboomstructuur zijn ambities verwoord voor toekomstige projecten en gebieden. De bijdrage van bomen aan de leefkwaliteit hangt af van de maat van de kroon. Dit is te meten met het kroonoppervlak. In 2030 willen we 5% meer kroonoppervlak. Om meer kroonoppervlak te maken zijn goede groeiplaatsen voor bomen essentieel. De boom groeit anders niet goed, kan niet goed presteren en kan overlast veroorzaken. Investeren in goede bestaande en nieuwe groeiplaatsen is een methode om meer kroonoppervlak te krijgen. Specifiek geldt extra aandacht voor het realiseren van goede groeiplaatsen bij daktuinen op straaten gebouwniveau. Meer kroonoppervlak is ook te realiseren door extra bomen te planten en bestaande bomen goed te beheren. Ook op particulier terrein liggen hiervoor kansen.
nodig en bestaan hiervoor minimale maten. Het is daarbij belangrijk vooraf rekening te houden met de benodigde draagkracht. De inzet van groen vraagt om maatwerk en het bepalen van de gewenste functies. Het vooraf bepalen van de ambitie voor de ecosysteemdiensten is een basisopgave voor elke herinrichting in het gebied. Stadsbomen zien we als dragers van het groen. Voor het realiseren van de twee hoofddoelen, een toekomstbestendig Haags bomennetwerk en 5% meer kroonoppervlak in 2030, hebben we concrete maatregelen benoemd. Voor het realiseren van een toekomstbestendig Haags Stadsbomennetwerk bestaan verschillende opgaven:
In alle (herinrichting)projecten wordt gewerkt aan het behalen van de doelen. Het gaat dan om projecten van ontwikkeling, herinrichting en groot onderhoud in de stad. Hoe omgaan met bestaande en nieuwe stadsbomen is een vast onderwerp van gesprek in deze projecten.
• Uitbreiden en versterken van de Hoofdboomstructuur. Een Hoofdboomstructuur verbindt direct of indirect belangrijke groengebieden met elkaar, begeleidt over het algemeen hoofden ontsluitingswegen en bestaat vooral uit lanen (met of zonder middenberm) en voldoet aan gestelde voorwaarden • Versterken en uitbreiden van Haagse groene middenbermen • Grootschalige uitval voorkomen door te kiezen voor diversiteit in geslacht, soort en cultivar i.p.v. monoculturen • Kiezen voor biodiversiteit en te ontwerpen met het ecologisch passend principe. Het stedelijke doel is dat in 2030 75% van de bomen ecologisch passend is. • Werken aan goede microklimaten in de stad met behulp van bomen. Houdt hierbij wel rekening dat bomen een slecht windklimaat niet kunnen oplossen.
Extra aandacht gaat uit naar het realiseren van goede groeiplaats voor bomen voor daktuinen op straatniveau. Hiervoor moet een zo natuurlijk mogelijke situatie kunstmatig worden gesimuleerd. Tijdens de initiatieffase zal hierover al goed moeten worden nagedacht. Nieuwe daktuinen op straatniveau moeten standaard voldoen aan de eisen voor een goede doorwortelbare ruimte. Afhankelijk van de gewenste inrichting en de gewenste grootte van een boom is maatwerk
Voor het realiseren van meer kroonoppervlak in de stad bestaan de volgende opgaven: • Actief verbeteren van bestaande groeiplaatsen door te ontstenen , zoveel mogelijk ‘open groeiplaatsen’ te realiseren en groeiplaatsverbeteringen toe te passen • Aanplant van extra bomen (let op! In beperkte mate in ecologische verbindingszones) • Nieuwe aanplant met toekomstbestendige groeiplaatsen
(zoveel mogelijk in ‘open’ groeiplaatsen) • Bij kabels en leidingen maatwerk toepassen, vooraf ondergronds ontwerp maken • Zorgvuldig omgaan met bestaande bomen • Stadsbreed denken over meer kroonoppervlak: stimuleren meer bomen en struiken op privaat terrein Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 Zorg dragen voor de verwerking van hemelwater als gevolg van neerslag in het stedelijk gebied. • Voorkomen van economische schade door hemelwateroverlast in woningen en bedrijfspanden door instroming vanuit de openbare ruimte. • Voor de afvoer van hemelwater worden de volgende tritsen gehanteerd: - schoonhouden, scheiden en zuiveren (waterkwaliteit) - vasthouden, bergen en afvoeren (waterkwantiteit). - Bij de inpassing van hemelwatervoorzieningen en aanpassing aan het oppervlaktewater in ruimtelijke plannen houden we rekening met klimaatverandering. - Inzet van schoon regenwater ten behoeve van waterkwaliteitsverbetering. - Voorkomen van wateroverlast door een veranderend klimaat en een klimaatadaptieve verwerking van hemelwater - Inzicht in wateroverlastgevoelige gebieden en kwetsbare objecten. - Voor de afvoer van hemelwater wordt gebruik gemaakt van de sponswerking van de stad, zowel in de openbare ruimte als op particulier terrein. - Lokale verwerking van hemelwater door particulieren wordt gestimuleerd via afkoppelen en ontstenen (voorbeeld vergroenen van schoolpleinen).
PUK PARK BLOEMENDAAL - APRIL 2025
41
7. MILIEU- EN UITVOERINGSASPECTEN 7.1 MER beoordeling
Het bevoegd gezag dient te beoordelen of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling. Hiertoe staan in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage activiteiten opgesomd die mogelijk leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor activiteiten die genoemd staan in de eerste kolom van onderdeel C geldt dat zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, deze zijn dan ook direct m.e.r.-plichtig. In de eerste kolom van onderdeel D staan activiteiten opgesomd waarvan niet vaststaat of deze leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor dient dan ook een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. De voorgenomen ontwikkeling staat genoemd in de eerste kolom van onderdeel D onder 11.2 in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. In de tweede kolom staan de drempelwaarden genoemd voor deze activiteit, hierbij gaat het erom of de activiteit betrekking heeft op één van de volgende genoemde punten: • een oppervlakte van 100 hectare of meer, • een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
De drempelwaarde van 2.000 woningen wordt met dit planvoornemen bij lange na niet gehaald. Dat neemt niet weg dat in dat geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van drie criteria zoals genoemd in bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r. (2011/92/EU): • kenmerken van het project • plaats van het project • kenmerken van het potentiële effect. Er dient een (vormvrije) m.e.r.-beoordleing uitgevoerd te worden die ter beoordeling voorgelegd zal worden aan het bevoegd gezag.
42
PUK PARK BLOEMENDAAL - APRIL 2025
7.2 Milieuzonering van bedrijven
De Wet milieubeheer beoogt milieuhinder ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving of ten opzichte van gevoelige functies zoals woningen zoveel mogelijk te voorkomen. Alle bedrijfsmatige activiteiten die in potentie hinder kunnen veroorzaken zijn door middel van vergunningen of meldingen op basis van de Wet milieubeheer gereguleerd. In aanvulling op deze vergunningen of meldingen voorziet een 'goede ruimtelijke ordening' eveneens in het voorkomen van onvoorzienbare hinder bij gevoelige functies zoals wonen. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (wonen) wordt hinder voorkomen. Met milieuzonering worden te allen tijde twee doelen gediend: niet alleen het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen, maar tevens het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven zodat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen.
Wegverkeer- en spoorweglawaai Op grond van de Wet geluidhinder hebben wegen en spoorwegen een geluidszone, waarbinnen bepaalde normen gelden voor de geluidsbelasting op woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen, en waarbinnen bij het opstellen van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Gezien het feit dat er nieuwe geluidgevoelige bestemmingen worden gerealiseerd binnen de zone van de verschillende wegen rondom het landgoed, is een akoestisch onderzoek verkeerslawaai nodig. Dit onderzoek dient door een akoestisch adviesbureau te worden opgesteld. Procedure hogere waarde Indien uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarden worden overschreden, moet parallel aan de planologische procedure een procedure hogere waarde ingevolge de Wet geluidhinder worden doorlopen. De hogere waarde procedure wordt gelijktijdig met het ontwerpbesluit van de omgevingsvergunning ter inzage gelegd.
Bedrijfsmatige activiteiten zijn in de VNG-publicatie "Bedrijven en Milieuzonering 2009" ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende minimaal gewenste afstanden tot milieugevoelige functies. De indeling van de activiteiten is gebaseerd op de standaard bedrijfs-indeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, een richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is.
Inrichtingen Bij het realiseren van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, moet ook gekeken worden naar inrichtingen in de omgeving. Het is namelijk niet de bedoeling dat inrichtingen hun bedrijfsvoering niet meer kunnen uitvoeren door klachten van bewoners. Omgekeerd is het ook niet de bedoeling dat bewoners hinder ondervinden van de inrichtingen. Om dit te onderzoeken heeft de VNG een afstandentabel uitgebracht voor allerlei milieuaspecten, waaronder geluid. Als een nieuwe woning binnen een geluidcirkel ligt, moet er onderzoek plaatsvinden naar de akoestische situatie.
7.3 Geluid
7.4 Luchtkwaliteit
De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen met betrekking tot de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten. Als geluidsgevoelige gebouwen dan wel terreinen zijn onder andere aangewezen woningen. De Wgh onderscheidt drie verschillende geluidsbronnen: industrie, spoorwegverkeer en wegverkeer.
In de Wet milieubeheer (Wm) zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. In artikel 5.16 van de Wm is vastgelegd dat voor een plan dat niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit, geen uitgebreid luchtkwaliteit onderzoek uitgevoerd hoeft te worden en het plan
doorgang kan vinden. Met andere woorden, draagt een project niet of niet in betekenende mate bij aan luchtverontreiniging, dan is er geen belemmering. De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate, ofwel ‘niet in betekenende mate’ (NIBM), leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Het Besluit en de Regeling ‘niet in betekenende mate’ bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een bepaald project wel of niet als ‘in betekenende mate’ moet worden beschouwd. NIBM-projecten kunnen - juridisch gezien - zonder toetsing aan de grenswaarden voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De 3%-grens is voor een aantal categorieën van projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen. Zo gaat het bij woningbouw om de toevoeging van 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg, of 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Gezien de omvang van de ontwikkeling, draagt het plan niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
7.5 Externe veiligheid
De wettelijke kaders voor externe veiligheid worden gevormd door de volgende wet- en regelgeving: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) • Besluit externe veiligheid transport van gevaarlijke stoffen (Bevt). Ten noorden van de Monsterseweg is een hoge druk aardgasleiding gelegen. Als centrale maatstaf voor het in beeld brengen van de externe veiligheidsrisico’s worden de begrippen plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR) gehanteerd. Deze begrippen zijn in
de wet eenduidig gedefinieerd, en in de wetgeving zijn normen opgenomen (grenswaarden en richtwaarden voor het PR, en een oriëntatiewaarde voor het GR) die bepalen welke omvang van een extern veiligheidsrisico als onacceptabel moet worden geacht. Zo beoogt de wetgeving te voorkomen dat er (beperkt) kwetsbare objecten (kunnen) worden gerealiseerd op locaties waar het PR als gevolg van risicobronnen in de omgeving hoger is dan 10-6/jaar (één op een miljoen). Met de landelijke risicokaart kan onderzocht worden of er relevante risicobronnen in de directe nabijheid van de projectlocatie liggen. Hierbij moet zowel gekeken worden naar de plaatsgebonden risico-contouren groter dan 10–6 / jaar als individuele risico-elementen, te weten risicovolle inrichtingen (bedrijfsactiviteiten) en transport van gevaarlijke stoffen.
7.6 Bodem
Op 1 juli 2013 heeft de laatste wijziging plaatsgevonden onder de Circulaire bodemsanering. Deze circulaire heeft het karakter van richtlijnen, dat wil zeggen dat het bevoegd gezag uit het oogpunt van zorgvuldige besluitvorming rekening moet houden met hetgeen hier is bepaald. Het bevoegd gezag mag voor specifieke situaties gemotiveerd maatwerk toestaan. De reikwijdte van deze circulaire omvat met name de risicobeoordeling en de saneringsdoelstelling. De wijze waarop de risico’s worden weggenomen (saneringsaanpak) is een afweging van het bevoegd gezag en blijft hier buiten beschouwing. Voor de saneringsaanpak dient een afweging te worden gemaakt tussen de kosten en baten van het wegnemen van de risico’s. In voorkomende gevallen kan bijvoorbeeld bij ecologische risico’s het wegnemen van de verontreiniging schadelijker zijn voor het ecosysteem dan niet ingrijpen in het ecosysteem. De bodemkwaliteit van het betreffende gebied waarbinnen de ontwikkeling plaatsvindt en het hergebruiksbeleid is
vastgesteld in de Nota bodembeheer 2013-2023 (RIS60571). Inmiddels heeft van de Nota bodembeheer een actualisatie plaatsgevonden inzake PFAS (RIS311238).
7.7 Archeologie
Voor het bouwen binnen de bestemming 'Waarde - Archeologie' als bedoeld in lid 21.1 van het geldende bestemmingsplan geldt dat, indien er sprake is van het bouwen van bouwwerken met grondroering met een totaal oppervlak van meer dan 50 m2 en een diepte van meer dan 0,5 meter waarvoor een vergunning is vereist, hieromtrent vooraf schriftelijk advies dient te worden ingewonnen bij de afdeling Archeologie van de gemeente Den Haag. De afdeling Archeologie kan een onderzoeksrapport verlangen, waarin de archeologische waarde van het terrein, welke blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
7.8 Cultuurhistorie
Op grond van artikel 3.1.6, lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening is het verplicht om in het proces tijdig rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Er dient een paragraaf opgenomen te worden hoe invulling wordt gegeven aan deze bepaling.
7.9 Ecologie
Om natuurwaarden in Nederland te beschermen gelden de landelijke wetten: Wet Natuurbescherming (Wnb) en de NNN (Natuurnetwerk Nederland, voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Deze wetgeving is voor een deel verwerkt in provinciaal beleid, te weten: de omgevingsverordening, het Natuurbeheerplan 2016 en het Provinciaal Compensatiebeginsel 2013. De Wnb implementeert de Europese regelgeving vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn. De meeste beschermde gebieden betreffen Natura 2000-gebieden. Direct ten noorden van de Monsterseweg is een Natura2000 gebied gelegen. Voor de soortenbescherming is het bevoegd gezag de
PUK PARK BLOEMENDAAL - APRIL 2025
43
provincie. De provinciale verordening Wet natuurbescherming 2016 van de provincie regelt vrijstellingen van algemene soorten van de ontheffingsplicht onder de Wnb. In een brief aan de gemeenteraad 27 september 2016 (RIS288182) wordt gesteld dat bewust plekken moeten worden gecreëerd in de gebouwen en op terreinen voor bijvoorbeeld mussen, gierzwaluwen en vleermuizen en planten.
waterkeringen aangewezen. In het bestemmingsplan Madestein is de dubbelbestemming ‘waterstaat-waterkering’ opgenomen langs de Madestein wetering. Hierdoor is een sondering en extra bescherming van toepassing. Daarnaast geeft een bestemmingsplan de aanduiding ‘vrijwaringszone’ aan gronden die deel uitmaken van een beschermingszone langs een regionale waterkering.
Voor het project moet verantwoord worden hoe aan de vereisten voor gebiedsbescherming en soortenbescherming wordt voldaan. In Den Haag komen verschillende soorten vleermuizen voor. Het plangebied is van groot belang voor vleermuizen. De Madesteinvaart wordt tevens gebruikt als vliegroute. Hierdoor gelden beperkingen vanuit de Wet natuurbescherming (zie paragraaf 5.1.1) Vleermuizen en hun leefgebieden zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Tevens moet aangetoond worden dat door de toevoeging van het genoemde aantal woningen de stikstofdepositie niet meer toeneemt dan 0,00 mol/hectare/jaar.
7.11 Verkeer en parkeren
7.10 Water
Eén van de instrumenten om het waterbeleid voor de 21e eeuw vorm te geven is de watertoets. Het hoogheemraadschap toetst bouwinitiatieven en herinrichtingsplannen aan het nationaal waterbeleid en het Provinciaal Waterplan ZuidHolland 2016-2021. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Delfland heeft de Handreiking Watertoets voor gemeenten opgesteld. In de Handreiking Watertoets (www. hhdelfland.nl/watertoets) worden de randvoorwaarden en uitgangspunten voor een plan per thema toegelicht en op welke wijze deze in het plan dienen te worden verwerkt. Het plangebied maakt onderdeel uit van het boezem gebied, het vastgestelde waterpeil is NAP -0.43 m Op kaart 11 van de Verordening Ruimte zijn, in het plangebied, diverse regionale
44
PUK PARK BLOEMENDAAL - APRIL 2025
Binnen het plangebied dient voldoende ruimte te worden gereserveerd om de eigen parkeerbehoefte (bewoners en bezoekers) te accommoderen. Toetsingskader voor het bepalen van de parkeerbehoefte zijn de gemeentelijke (fiets) parkeernormen en het toetsingskader RIS 181571 – RIS 291425 – RIS 294386) Indien wordt afgeweken van de geldende parkeernormen zal via een mobiliteitsvisie moeten worden aangetoond of een afwijking parkeerbalans acceptabel is voor dit plan. Binnenplanse verkeersafwikkeling 1.Het is een voorwaarde dat het zorgcluster een eigen ontsluiting heeft. 2.Wegen en openbare ruimten van de woonclusters komen in beheer van gemeente en vallen daarmee onder vigerende kaders van de gemeente. 3.Uitgangspunt is dat de bestaande woonclusters zo min mogelijk hinder ondervinden van verkeerstoename a.g.v. de nieuwbouw. 4.Sluipverkeer door het gebied is niet wenselijk. 5.Er is sprake van een verblijfsgebied waarbij de prioriteit ligt bij een goede inpassing van het lokale verkeer. Het verkeer op de wegen in het gebied is gemengd waarbij gemotoriseerd verkeer en fietsers gebruik maken van dezelfde rijbaan. Het gebied heeft een ecologisch en landschappelijk karakter waarbij diverse wegen gekenmerkt worden door een “bomenlaan”.
Het is wenselijk om het karakter van het gebied te behouden waarbij de inrichting is afgestemd op het op een veilige manier mengen van verschillende verkeersdeelnemers (gemotoriseerd
verkeer, fietsers en voetgangers). Nadere uitwerking dient te voldoen aan de benodigde verkeersveiligheidsaspecten en voldoende capaciteit. 6.Er is geen verkeerstechnische aanleiding om hier een ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer te realiseren tussen Emiliehove en Vroondaal. Voorkeur is om Emiliehoeve binnen het plangebied van Parnassia te houden. 7.Op het gehele terrein mag alleen worden geparkeerd in de duidelijk aangegeven parkeervakken of op eigen terrein.
7.12 Kabels en leidingen
Er zullen ingrepen in de bodem plaatsvinden, waardoor er een onderzoek naar kabels en leidingen noodzakelijk is. In dit geval dient een Klic-melding te worden gedaan, om de mogelijke aanwezigheid van kabels en leidingen te inventariseren.
7.13 Bezonning
Voor het initiatief moet een bezonningsonderzoek verricht worden om te kunnen beoordelen wat de invloed is van de realisatie van de bebouwing op de bezonning van omliggende bebouwing en de buitenruimte. Hierbij moet voldaan worden aan de Haagse Bezonningsnorm (RIS170509).
7.14 Windhinder
Bij een bouwhoogte van 25 meter en meer moet een windonderzoek verricht worden om te kunnen beoordelen wat de invloed van de nieuwe bebouwing is op het windklimaat. Er moet minimaal gestreefd worden naar de kwalificatie ‘matig’ (NEN 8100).
8. FINANCIERING EN UITVOERINGSASPECTEN 8.1
Financiering
De locatie is volledig privaat eigendom en de ontwikkeling vindt volledig voor rekening en risico van de initiatiefnemer plaats. Het bouwplan omvat verschillende bouwwerken. De aansluiting op de bestaande openbare ruimte komt voor rekening van de ontwikkelaar en moet conform het “Handboek openbare ruimte” worden uitgevoerd. Daarnaast zullen er (plan)kosten worden gemaakt voor de noodzakelijke ambtelijke inzet in verband met de beoordeling van dit privaatrechtelijke initiatief. Ook zal een eventuele planologische inpassing kunnen leiden tot een voor vergoeding in aanmerking komende schade ex artikel 15 lid 1 Omgevingswet (nadeelcompensatie). Benodigde ingrepen in omliggend gebied worden door middel van een anterieure overeenkomst verhaald bij Parnassia. Voorbeelden van deze kosten zijn: • plankosten gemeente • eventueel nodige verkeersaanpassingen op toegangswegen en oeververbindingen • eventuele uitbreiding capaciteit riool • kosten voor beheer en onderhoud. Kostenverhaal Bij het verlenen van een vergunning voor een particuliere ontwikkeling dient de gemeente te borgen dat de kosten die de gemeente maakt voor o.a. de aanleg van bovenwijkse voorzieningen, ondergrondse-en bovengrondse infrastructuur, plankosten en nadeelcompensatie worden verhaald op de initiatiefnemer (afd. 13.6 Omgevingswet). Voorlopig uitgangspunt voor dit bouwplan is de ontwikkeling van: • Woningen (ca.
104 MGW en 158 GGW = 262 woningen) Het bouwplan levert (vooralsnog) voor de gemeente geen extra kosten op betreffende ingrepen in het omliggende openbare gebied. De ontwikkeling is een bouwplan in de zin van art. 8.13
Omgevingsbesluit. Hiermee is afdeling 13.6 Omgevingswet van toepassing. Daar het bij deze ontwikkeling private percelen betreft en ook nog geen anterieure overeenkomst is gesloten is het kostenverhaal nog niet anderszins verzekerd. De gemeente is verplicht het kostenverhaal te verzekeren. Het betreft hierbij zowel gemeentelijke plankosten, uitvoeringskosten en toe te rekenen bovenwijkse kosten die zij maakt om het gebied te transformeren zodat de ontwikkeling mogelijk wordt. Bovendien zullen we bijzondere afspraken willen maken met de initiatiefnemer waaronder de plankosten, het afwentelen van nadeelcompensatie en de woningtype verdeling. De gemeente kan deze kosten verhalen door kostenverhaalsregels op te stellen, maar het sluiten van een anterieure overeenkomst geeft vooraf zekerheid voor alle partijen en heeft sterk de voorkeur. Hierover is reeds gesproken in de overleggen tussen gemeente en ontwikkelaar. Dit betekent dat een anterieure (voor vaststelling wijziging omgevingsplan ) overeenkomst zal worden gesloten met de initiatiefnemer waarin voor de niet gedekte kosten een kostenverhaalsbijdrage zal worden overeengekomen, door initiatiefnemer te voldoen aan de gemeente. Als deze afspraken gemaakt zijn is het kostenverhaal vooraf volledig verzekerd . Financiën in het vervolgproces Het PUK geeft u de kaders om uw plan verder te ontwikkelen.
Voor de uiteindelijke realisatie van uw plan dient u de verdere procedure te volgen via het Omgevingsloket. U dient dan een aanvraag om een omgevingsvergunning in voor de activiteit bouwen. De gemeente brengt hiervoor separaat de kosten (leges) bij u in rekening. De verzekering van het kostenverhaal is de verrekening van kosten voor het mogelijk maken van de ontwikkeling. De gemeente is op grond van 13.11 van de Omgevingswet verplicht deze kosten bij u in rekening te brengen bij het opstellen van een nieuw juridisch-planologisch kader. Het uiteindelijke bedrag van de bij u te verhalen kosten leggen wij – zoals hierboven is beschreven - met u vast in een anterieure overeenkomst. Indien de gemeente niet met u tot overeenstemming komt over het sluiten van een anterieure
overeenkomst, is de gemeente verplicht kostenverhaalsregels op te stellen voor de wijziging omgevingsplan waarna deze kosten middels beschikking bij u in rekening worden gebracht. Indien de gemeente de openbare ruimte overneemt zijn o.a. De volgende voorwaarden van toepassing: • De openbare ruimte in het volledige plangebied voldoet aan het Handboek openbare ruimte en de aanvullende voorwaarden. Omdat het GGZ-terrein van Parnassia met een parkachtig en bosrijk karakter vrij uniek is in Den Haag is het advies aan Parnassia de gemeente te verzoeken een Programma van Eisen op te laten stellen dat specifiek ingaat op de vertaling van het Handboek openbare ruimte naar dit gebied. Dit voorkomt dat bij de toetsing van het plan voor de openbare ruimte later in het proces discussies ontstaan over de beeldkwaliteit en het kunnen uitvoeren van een kwalitatief goed en kostenefficiënt beheer. Voorlopige en definitieve ontwerpen van de openbare ruimte dienen getoetst te worden door het Vooroverleg over Verkeerszaken (VOV) en de ACOR (Advies Commissie Openbare Ruimte) van de gemeente. • Bij overdracht aan de gemeente is er geen sprake van achterstallig onderhoud. • Bij de begrenzing van het plangebied wordt in verband met het beheer rekening gehouden met een logische scheiding tussen het plangebied en het terrein dat in bezit blijft van Parnassia.
• Er worden afspraken gemaakt over de bijdrage aan het verstratingsfonds. Dit is een bijdrage om na ingebruikname na 5 jaar groot onderhoud uit te voeren aan de bovenoppervlaktes. Bij nieuw aangelegde wegen is sprake van zetting en bewegingen van bouwverkeer waardoor extra onderhoudsbudget benodigd is voordat met reguliere onderhoudstermijnen gewerkt kan worden.
PUK PARK BLOEMENDAAL - APRIL 2025
45
8.2
Juridische planologische procedure
8.3
Planning en fasering
8.4
Voorbehoud Gemeente
Het plan is niet mogelijk binnen het vigerende Bestemmingsplan en dus binnenkort het vigerende omgevingsplan. Gezien de omvang van het plan is het nodig om het omgevingsplan aan te passen waarbij alle benodigde procedures en onderzoeken worden doorlopen.
Na vaststelling van het PUK moet er een nieuwe anterieure overeenkomst tussen Parnassia en de gemeente Den Haag gesloten worden. Na sluiten overeenkomst kan er een aanvraag omgevingsvergunning, een Buitenplanse Omgevingsplan Activiteit (BOPA) of een wijziging Omgevingsplan worden ingediend.
Wij benadrukken dat tegen vaststelling van wijziging omgevingsplan, omgevingsvergunningen en alle andere besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht belanghebbenden bestuursrechtelijke rechtsmiddelen van bezwaar en/of beroep kunnen instellen. Eventuele gerechtelijke procedures, (gewijzigd) bestuurlijk besluitvormingsproces en externe omstandigheden kunnen, ondanks de ambtelijke inspanningen ten behoeve van uw planvorming, de totstandkoming en de inwerkingtreding van het nieuwe juridisch-planologische regime beïnvloeden. Hiervoor is de gemeente nimmer aansprakelijk.
46
PUK PARK BLOEMENDAAL - APRIL 2025
Aanleg door ontwikkelaar https://maps.denhaag.nl
geodesk@denhaag.nl
Beheer door gemeente Den Haag
Schaal 1: 4.921
Auteur: Datum:
03-apr-2023
A3 formaat
Aan deze tekening kunnen geen rechten worden ontleend, gemeente Den Haag
Eigendom en Beheer door Parnassia groep PUK PARK BLOEMENDAAL - APRIL 2025
47
Colofon Gemeente Den Haag Dienst Stedelijke Ontwikkeling Afdeling Stedenbouw & Planologie
April 2025