CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS322601 Bijlage 1 ruimtelijke onderbouwing (def)

Gemeenteraad 10 juli 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake Verzoek om bindend advies tijdelijke opvanglocatie Saturnusstraat 9 (RIS322601)13.761 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

de grond functiegericht gesaneerd moet worden. Dit betekent dat de grond geschikt moet worden gemaakt voor de desbetreffende functie. Nieuwe functies dienen bij voorkeur op schone grond te worden

gerealiseerd en bij wijzigingen van activiteiten moet de bodem geschikt zijn voor het beoogde gebruik. De toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw wordt opgenomen in

het definitieve omgevingsplan conform artikel 5.89i van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Resultaten De voorgenomen ontwikkeling betreft een tijdelijke ontwikkeling waarbij geen grondroerende activiteiten

plaatsvinden. De benodigde kwaliteitsklasse voor de bodem voor de huidige functie wijkt niet af van de

kwaliteitsklasse die nodig is voor de tijdelijke opvanglocatie. Bij het huidige gebruik hebben geen activiteiten

plaatsgevonden waarvan het aannemelijk is dat die de bodemkwaliteit aantasten. Conclusie

Het planvoornemen voorziet niet in bodemactiviteiten of grondroerende werkzaamheden. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen opvanglocatie.

4.11

Omgevingsveiligheid

Het transport, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen brengen risico's met zich mee door mogelijke ongevallen waarbij gevaarlijke lading vrijkomt. Omgevingsveiligheid richt zich op het beheersen van deze

risico's voor mensen in de nabijheid van gevaarlijke stoffen. Dit omvat ook risico's van onder andere windturbines en luchthavens.

Het Nederlandse omgevingsveiligheidsbeleid beschermt individuen in kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen, de zogenaamde risico-ontvangers. Bij nieuwe ruimtelijke plannen zoals een omgevingsplan,

moet worden getoetst of het project een onacceptabel omgevingsveiligheidsrisico oplevert. Dit gebeurt door toetsing aan het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico, vaak ingevuld door

aandachtsgebieden onder de Omgevingswet. Conform Bkl Bijlage VI wordt het gebouw aangemerkt als een 'kwetsbaar gebouw'. De voorgenomen ontwikkeling gaat de intensiteit van het verblijf van personen in het pand verhogen, wat om nadere

beschouwing van omgevingsveiligheid vraagt. Dit is nodig om te toetsen of het gebruik aanvaardbaar is binnen de gestelde kaders van het omgevingsveiligheidsbeleid.

Toetsingskader

Het doel van het omgevingsveiligheidsbeleid is tweeledig:

de bescherming van personen middels borgen van voldoende afstand tussen (beperkt) kwetsbare objecten & locaties en risicobronnen;

het mogelijk maken om te werken met gevaarlijke stoffen. De gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen:

stationaire bronnen, zoals een fabriek of een Ipg-vulpunt;

mobiele bronnen, zoals transport van gevaarlijke stoffen overwegen en door leidingen.

29 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.01 3 | Definitief 04

Wettelijke kaders: voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen' van belang. De Regeling Basisnet blijft van kracht,

ook onder de Omgevingswet, evenals de Handleiding Risicoberekeningen Bevt (HART); het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken en

onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke

stoffen. Binnen de PR-contour (waar de kans 1 op 1.000.000 bedraagt) mogen geen zeer kwetsbare of kwetsbare objecten en locaties aanwezig zijn; het groepsrisico (GR) is de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden helpen om de veiligheid en

maatregelen te overwegen. Binnen deze gebieden kunnen gemeenten voorschriftgebieden aanwijzen met aanvullende bouweisen voor nieuwbouw. Omgevingsplan Binckhorst

Voor het thema omgevingsveiligheid is in het 'Omgevingsplan Binckhorst' opgenomen dat de hoogte van het groepsrisico niet meer mag bedragen dan 1 maal de oriënterende waarde (artikel 7.2.1 Chw

Omgevingsplan Binckhorst). Uitzondering op deze regel zijn de gebieden waar het groepsrisico in de bestaande situatie reeds hoger is dan 1 maal de oriënterende waarde. In deze gebieden mag het

groepsrisico niet toenemen. Wetgeving provincie Zuid-Holland De gemeente Den Haag heeft tot op heden geen besluit genomen over de invulling van aandachtsgebieden

in haar omgevingsplan. De provincie Zuid-Holland heeft een omgevingsverordening opgesteld, evenals een

'Handreiking externe veiligheid ter verduidelijking en als handvat bij artikel 7.18 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening/ Groepsrisicobenadering aandachtsgebieden met verhoogd groepsrisico'. Resultaten

Het onderzoek naar omgevingsveiligheid voor het plangebied is uitgevoerd door AVIV (bijlage XI). De resultaten hiervan worden hieronder toegelicht.

Het plangebied ligt op een afstand van circa 75 m van de aardgasleiding W-536-01 (Gasunie) en daarmee binnen het brandaandachtsgebied van deze leiding. De berekeningswijze en de daarbij gehanteerde

uitgangspunten worden in deze paragraaf beschreven. Het plangebied en de buisleiding worden getoond in

afbeelding 4.6.

30 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.01 3 | Definitief 04

Afbeelding 4.6 Plangebied en aardgasleiding (AVIV onderzoek externe veiligheid, d.d. 24 maart 2025)

#

75

Kh - 2 \ '' 8

eX

A A,

9jd 6

R 3 — U‘

Wa

I

*

o

100

200

300

Plangebied

400 m 4 _

*

— Aardgasleiding W-536-C1 ——------------ :

----------s--------------------

Voor de Binckhorst geldt dat middels een berekening aangetoond moet worden dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, dan wel een

eventueel bestaande overschrijding niet verder toeneemt. De resultaten worden hieronder kort toegelicht. Het uitgebreide rapport is te vinden in bijlage II. Plaatsgebonden risico

Voor aardgasleiding W-536-01 is er geen sprake van een PR 10-6-contour. Het plaatsgebonden risico van

deze buisleiding vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling.

Brandaandachtsgebied:

de ontwikkeling ligt volledig binnen het brandaandachtsgebied van de buisleiding (afbeelding 4.7); de ontwikkeling ligt buiten de 100 % letaliteitszone van de buisleiding; het aanwijzen van een voorschriftengebied is niet verplicht aangezien de ontwikkeling wordt aangeduid

als 'kwetsbaar'.

31 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.013 | Definitief 04

Afbeelding 4.7 Aardgasleiding W-536-01 met contouren voor 100 %- en 1 % letaliteit

W-535-01 12 Inch

\X

X W-536-01

[ 20 inch

i i I

N

20 inch

23 ) o

100

200

300

400 m

\

w-536-01

/ /

X

>

\

\

I I

/

-1 , El Plangebied A — Aardgasleiding W-536-01

100% letaliteitscontour k’ •3 - 1% letaliteitscontour (invloedsgebied)

I

Groepsrisico (aandachtsgebieden) Het groepsrisico is in zowel de huidige als de toekomstige situatie groter dan 10 % van de oriënterende waarde. Er is geen sprake van een toename van het groepsrisico in de toekomstige situatie. Het groepsrisico

is kleiner dan de oriëntatiewaarde. Dit betekent dat voldaan wordt aan art. 7.2.1 ab van Omgevingsplan Binckhorst.

Wetgeving provincie Zuid-Hoiland Getoetst is aan de Omgevingsverordering van de provincie Zuid-Holland, die verder is uitgewerkt in de

'Handreiking externe veiligheid' (artikel 7.18 groepsrisicobenadering aandachtsgebieden met verhoogd groepsrisico). Deze handreiking bevat een stroomschema dat kan worden gebruikt om te bepalen of een

groepsrisicoberekening nodig is. In dit onderzoek is een groepsrisicoberekening uitgevoerd vanwege de eis

uit het 'Omgevingsplan Binckhorst' dat de hoogte van het groepsrisico niet hoger mag zijn dan 1 keer de oriënterende waarde. De conclusie is dat het groepsrisico niet toeneemt en onder de oriënterende waarde

blijft. Een kwalitatieve verantwoording van het groepsrisico is voldoende. Maatregelen groepsrisico (aandachtsgebieden)

Bij de tijdelijke opvanglocatie binnen het brandaandachtsgebied van aardgasleiding W-536-01 moeten verschillende aspecten in overweging worden genomen om de veiligheid van de aanwezigen te waarborgen.

Hieronder worden de belangrijkste overwegingen en verantwoordingspunten besproken:

Vluchtroutes: Bij een calamiteit moet het bouwwerk veilig en snel kunnen worden verlaten. Daarom zijn er vluchtroutes aangewezen. Bij een incident met de hogedruk aardgastransportleiding zijn vluchtwegen vanuit de gebouwen richting de omgeving, in een afgekeerde zijde van deze risicobron van aanwezig, namelijk aan de Saturnusstraat en aan de linker zijde van het gebouw. Voor de opvanglocatie zijn onder

anderen een brandveiligheidsconcept, een veiligheidsplan en een ontruimingsplan opgesteld.;

32 | 40

Witteveen+Bos | 141935/25-009 013 | Definitief 04

Risicocommunicatie: Het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) zorgt ervoor dat alle bewoners

geïnformeerd zijn over de beschikbare vluchtmogelijkheden. Aangezien veel bewoners de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheersen, worden belangrijke voorschriften in diverse talen verstrekt - zowel schriftelijk als via MyCOA. Voor analfabeten zijn toelichtingen met afbeeldingen opgesteld. Bewoners

krijgen bij binnenkomst instructies omtrent brandveilig gebruik en hoe te handelen bij een ontruiming. Periodiek worden ontruimingsoefeningen met bewoners gehouden. De BHV-organisatie is voorbereid op

eventuele calamiteiten met gevaarlijke stoffen buiten de gebouwen en weet hoe hierbij te handelen; Brandmeldinstallatie en volledige bewaking: Vanwege de verminderde groepscohesie bij het gebruik

door het COA, is de woonfunctie voorzien van een brandmeldinstallatie met volledige bewaking en een doormelding naar een 24-uurs bezette post. Daarnaast is er een ontruimingsalarminstallatie aanwezig

die door de brandmeldinstallatie wordt aangestuurd. Hierdoor worden alle personen automatisch

gewaarschuwd bij een brandmelding en wordt een BHV-organisatie gemobiliseerd om de ontruiming te begeleiden; Bereikbaarheid van hulpdiensten (bestrijdbaarheid): Binnen een aandachtsgebied is het cruciaal dat de bereikbaarheid van hulpdiensten en de beschikbaarheid van bluswatervoorzieningen voldoende zijn. Het

gebouw valt binnen de reguliere brandweerzorg en voldoet aan de standaard opkomsttijden voor

brandweervoertuigen zoals vastgesteld in het Besluit Veiligheidsregio's. Brandweervoertuigen zullen via

de Saturnusstraat de voorzijde van het gebouw benaderen, waarbij de voordeur binnen 40 m van de openbare weg ligt. Het complex is 24 uur per dag bezet en toegankelijk voor de brandweer;

Zelfredzaamheid: Zelfredzaamheid verwijst naar de mate waarin personen zichzelf, zonder hulp van buitenaf, in veiligheid kunnen brengen in geval van een calamiteit. Het gewenste handelingsperspectief bij een calamiteit, zoals schuilen en/of vluchten, is afhankelijk van het scenario. Er zijn voldoende vluchtroutes en vluchtmogelijkheden beschikbaar. Schuilen is mogelijk binnen het gebouw, dat

voldoende bescherming biedt. Bewoners krijgen bij binnenkomst een instructie omtrent brandveilig gebruik en hoe te handelen bij een ontruiming. Daarnaast wordt aanvullend binnen enkele weken na

aankomst voorlichting in relatie tot veiligheid gegeven waaronder sociale veiligheid, fysieke veiligheid,

brandveiligheid, zwemveiligheid en verkeersveiligheid. De algemene instructie bij aankomst wordt naar aanleiding van het advies uitgebreid ten aanzien van hoe te handelen in het geval van een incident met

gevaarlijke stoffen, en brand in een gebouw; Hulp bij ontruiming bij brand: Bij een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie en een vergunning voor brandveilig gebruik zijn voldoende personen aangewezen om de ontruiming bij brand snel te laten

verlopen (artikel 6.20 Bbl). De beschikbare ontruimingstijd wordt onderbouwd aan de hand van de 'Handreiking 6.20 voor toezichthouders - Ontruimen bij zorgfuncties'. Hoewel de locatie geen zorgfunctie heeft, hebben de aanwezige bewoners vanwege hun achtergrond begeleiding nodig bij een ontruiming bij brand.

Conclusie

Uit het onderzoek naar omgevingsveiligheid voor de voorgenomen ontwikkeling blijkt dat er geen nieuwe

risicobronnen worden toegevoegd en dat de bestaande risicobronnen in de omgeving geen belemmering vormen voor de ontwikkeling. De belangrijkste bevindingen zijn:

Plaatsgebonden risico: Voor aardgasleiding W-536-01 is er geen sprake van een PR 10-6-contour,

waardoor het plaatsgebonden risico geen belemmering vormt; Brandaandachtsgebied: De ontwikkeling ligt binnen het brandaandachtsgebied van de buisleiding, maar

buiten de 100 % letaliteitszone, en het aanwijzen van een voorschriftengebied is niet verplicht; Groepsrisico: Het groepsrisico is groter dan 10 % van de oriënterende waarde, maar er is geen toename

in de toekomstige situatie en geen overschrijding van de oriënterende waarde, wat voldoet aan de eisen

van het Omgevingsplan Binckhorst; Wetgeving Provincie Zuid-Holland: Er is geen toename van het groepsrisico, waardoor een kwalitatieve verantwoording voldoende is.

Daarbij kan op basis van de besproken maatregelen en overwegingen geconcludeerd worden dat de omgevingsveiligheid bij de tijdelijke opvanglocatie voldoende geborgd is.

33 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.01 3 | Definitief 04

Op basis van deze bevindingen kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan

de gestelde kaders van het omgevingsveiligheidsbeleid en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling

van functies aan locaties.

4.12

Activiteiten en milieuzonering

Toetsingskader Het doel van milieuzonering is het waarborgen en bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Milieuzonering houdt in dat een adequate ruimtelijke scheiding wordt aangebracht tussen milieubelastende

bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies zoals wonen en zorg anderzijds. Deze ruimtelijke scheiding wordt doorgaans gerealiseerd door een afstand aan te houden tussen milieubelastende

en milieugevoelige functies. Sinds oktober 2024 is een nieuwe handreiking voor milieuzonering vastgesteld. De Handreiking Activiteiten en Milieuzonering 2024 bevat kernprincipes en richtlijnen voor het beoordelen

van de toelaatbaarheid van milieuhinderlijke activiteiten in relatie tot milieugevoelige functies. Dit kader is ontwikkeld om aan de Omgevingswet te voldoen en is gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarmee zowel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als een effectief ruimtegebruik worden

beoogd. De handreiking gaat hoofdzakelijk in op de omgevingsaspecten geluid en geur. Hiervoor worden drie mogelijkheden beschreven om in te schatten of een bepaalde activiteit past binnen de toepasselijke

zones voor geluid en geur of geschikt is voor functiemenging:

1

een inschatting van de feitelijke situatie aan de hand van concrete criteria voor geluid en geur;

2

een indicatie aan de hand van de getransponeerde tabel van Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009);

3

door het uitvoeren van gericht onderzoek.

Ook andere milieuaspecten dan geluid en geur, zoals omgevingsveiligheid, trillingen en stofhinder kunnen in specifieke gevallen relevant of zelfs maatgevend zijn. Deze aspecten lenen zich, anders dan geluid en geur,

niet goed om de inpasbaarheid van activiteiten indicatief te bepalen. Resultaten

Activiteit op omgeving

Allereerst kijken we naar de impact van de opvanglocatie op de omgeving. Op basis van het tijdelijke deel

van het Omgevingsplan is het gehele plangebied niet aangeduid met een specifieke milieucategorie. Het beoogde pand was voorheen in gebruik als kantoorfunctie, wat volgens de VNG-publicatie 2009 valt binnen

milieucategorie 1 en 2. Een tijdelijke opvanglocatie heeft formeel geen milieucategorie, maar op basis van de activiteiten past deze binnen milieucategorie 1 en 2.

Op basis van hoofdstukken 10.1 en 11.1 van de nieuwe handreiking kan worden ingeschat wat de

gebruiksruimte voor geluid en geur bedraagt. Hieruit blijkt dat de gebruiksruimte geluid en geur die benodigd is voor de tijdelijke opvanglocatie in gemengd gebied, past binnen basiswaarde voor de zone geluid en geur: maximaal 50 dB(A) etmaalwaarde respectievelijk 0,5 ouE/m3 als 98 percentiel en 2 ouE/m3 als 99,9 percentiel op 50 m van de grens van de tijdelijk opvanglocatie. De opvanglocatie heeft geen geluids- of

geurrelevante activiteiten, waardoor de eerder genoemde basiswaarden op 50 m afstand gehaald worden.

Hiermee dient de afstand van de beoogde activiteit (tijdelijke opvanglocatie) tot de omgeving minimaal

50 m te zijn. Gelet op de bestaande situatie ter hoogte van de Saturnusstraat 9 en het feit dat er geen geluid en/of geur gevoelige objecten nabij gelegen zijn, kan geconcludeerd worden dat aan de minimale afstand

van 50 m wordt voldaan. De uitgebreide onderbouwing hiervan is te vinden in bijlage III. Ook trillingen of stofhinder kunnen in specifieke gevallen relevant of zelfs maatgevend zijn. In het algemeen

geldt dat wanneer een activiteit een andere vorm van milieubelasting dan geluid- en geurhinder met zich meebrengt, aan de hand van de specifieke regelgeving moet worden bepaald of de activiteit op de gewenste locatie inpasbaar is. Dit betreft zowel rijksregels als decentrale regels, bijvoorbeeld regels in het

omgevingsplan. Bronnen van trillingen kunnen weg- en railverkeer en bouw- en sloopwerkzaamheden zijn.

34 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.01 3 | Definitief 04

Bronnen van stof zijn vaak in zware industrieën, zoals de metaalindustrie. In het geval van de beoogde

activiteit is dit verder niet aan de orde. Omgeving op activiteit De omgeving kan een bepaalde mate van hinder veroorzaken voor de geplande activiteit. In de directe

nabijheid van de beoogde locatie bevindt zich de verffabriek De Vos, waarvan de kadastrale grens direct

grenst aan het plangebied. Voor geur, geluid en gevaar zijn in 2018 richtafstanden vastgesteld door een raadsbesluit, zoals hieronder toegelicht.

Vaststellingsbesluit omgevingsplan Binckhorst

Richtafstanden De Vos Verf aanpassen: In het ontwerp-omgevingsplan waren voor De Vos Verf, gelegen aan de Saturnusstraat 15, in de Tabel Bestaande Activiteiten (bijlage 2 bij de planregels) richtafstanden van

100 m opgenomen voor geur, geluid en gevaar. In de aangepaste Tabel Bestaande Activiteiten die als bijlage W bij het raadsvoorstel is gevoegd werd uw raad voorgesteld de richtafstand voor geur en gevaar aan te passen naar 300 m. Deze afstanden waren echter gebaseerd op de standaardlijst 'Bedrijven en

milieuzonering' van de VNG. Nadat het raadsvoorstel in het college is behandeld op 6 maart 2018 is er door

de omgevingsdienst (ODH) nader onderzoek uitgevoerd naar de feitelijke bedrijfssituatie van het bedrijf en de bijbehorende richtafstanden. Uit dit onderzoek is gebleken dat zowel voor geur en gevaar als voor geluid

sprake is van een maximale richtafstand van 30 m. Deze resultaten zijn met de eigenaar besproken. De onderbouwing van de ODH is als bijlage bij dit gewijzigde raadsvoorstel gevoegd. De ODH heeft geadviseerd de richtafstanden voor De Vos Verf in de Tabel Bestaande Activiteiten aan te passen naar 30 m

voor geur, gevaar en geluid.

Hoewel een tijdelijke opvang niet als een geur- of geluidsgevoelig object wordt beschouwd, wordt hieronder in het kader van een goede leefomgeving de geluid- en geursituatie rondom de tijdelijke opvang

beoordeeld. Een deel van het beoogde plangebied bevindt zich binnen de 30 m richtafstand voor geluid en

geur van De Vos Verf (zie kader hierboven). Het is echter van belang op te merken dat de gevel die direct aan deze grens ligt een blinde gevel is, wat betekent dat de geur- en geluidhinder op deze locatie beperkt blijft (zie afbeelding 4.8). Het overige gedeelte van het pand ligt op ongeveer 12 m afstand van de grens, en

de andere helft van het pand bevindt zich buiten de 30 m grens. Daarnaast zijn een aantal emissiepunten op het dak van de verffabriek op circa 40 m van de gevel van de opvanglocatie gelegen. De verwachting is dan ook dat geluid of geur van deze verffabriek niet relevant is voor de tijdelijke opvanglocatie. Verdere

toelichting over geluid is te vinden in hoofdstuk 4.8 en over geur in hoofdstuk 4.9.

Afbeelding 4.8 Blinde muur van pand (Google earth)

isumin=n!

Pt

’ "g

■I •

11

•■t #5 -

1

‘ # 666#

N 01

* %

==

-—E adib-"itn -üim=cil

mew “

5

S-

.-==== '

emig=ii cmic '

apieet

"

5 N

* 6 \

■

N

♦

{C

•af 35 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.013 | Definitief 04

h. .

Conclusie

Op basis van de milieuzonering, de handreiking 2024 en de analyses van geluid, geur, stof en

omgevingsveiligheid, kan worden geconcludeerd dat de tijdelijke opvanglocatie geen significante milieuhinder zal veroorzaken. Andersom, kan de nabijgelegen verffabriek De Vos wel enige hinder veroorzaken, maar de impact blijft beperkt door de geringe straal van invloed op het pand. Bovendien is de

tijdelijke opvanglocatie geen geur- of geluidsgevoelig object. Ondanks de nabijheid van de verffabriek is wel

sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.13

Archeologie en cultuurhistorie

Toetsingskader De kern van het Europees beleid is dat er voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet

worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische en cultuurhistorische waarden. Deze waarden

moeten zoveel mogelijk worden meegenomen in de ontwikkeling van plannen. De wetgeving richt zich op het behoud van archeologische resten in de bodem en de bescherming van cultureel erfgoed en landschappen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn beginselen vastgelegd (art. 5.130 Bkl) die

betrekking hebben op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en

beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast bevat afdeling 8.8 van het Bkl regels voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteiten en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over

archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze waarden zijn vaak vertaald in archeologische en

cultuurhistorische dubbelbestemmingen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het

gemeentebrede omgevingsplan. Initiatieven in deze werkingsgebieden worden hieraan getoetst. Resultaten

Op de beoogde projectlocatie geldt geen dubbelbestemming archeologie. In de randvoorwaarden is echter

opgenomen dat bij grondroerende werkzaamheden de archeologische waarden in de grond niet mogen worden geschaad. Het plan voorziet niet in grondroerende werkzaamheden of andere activiteiten die de archeologische waarde kunnen aantasten. Bovendien is het pand niet bestemd als gemeentelijk, provinciaal

of rijksmonument. Er zijn geen belemmeringen op het gebied van archeologie en cultuurhistorie voor de voorgenomen opvanglocatie.

Conclusie

Op basis van de toetsing aan het Europees beleid en de regels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) kan worden geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn op het gebied van archeologie en

cultuurhistorie voor de voorgenomen opvanglocatie. Het plan omvat geen activiteiten die de archeologische

waarden kunnen schaden, en het pand is niet als monument bestemd. Hierdoor voldoet het plan aan de gestelde randvoorwaarden.

4.14

Sociale veiligheid

Toetsingskader

Naast een aantrekkelijke en aanpasbare fysieke leefomgeving moet een leefomgeving ook (sociaal) veilig in het gebruik zijn. Het gaat erom dat mensen zich veilig voelen en dat zoveel mogelijk daadwerkelijk zijn. Factoren die kunnen bijdragen aan (het gevoel van) meer veiligheid zijn onder andere:

informeel toezicht op de openbare ruimte; persoonlijke controle over de ('eigen') omgeving; het imago van het (totale) gebied.

36 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.01 3 | Definitief 04

Resultaten

Omgeving Binckhorst De Binckhorst is een dynamisch transformatiegebied waar uiteenlopende functies samenvloeien. In de

nabijheid van de beoogde projectlocatie bevinden zich diverse bedrijven, industrieën, horecagelegenheden

en woonfuncties. Op ongeveer 300 m van de projectlocatie ligt een openbaar vervoer-halte van buslijn 28, die onder andere stopt in het centrum van Den Haag, Den Haag Centraal Station en Den Haag Holland

Spoor. Veiligheid op locatie

De locatie omvat een omheind terrein met hekwerk, poorten en sloten. Hoewel het hekwerk verwijderd en

het toegangsgebouw aan de voorkant worden verwijderd, blijft gecontroleerde toegang tot het gebouw

mogelijk. Aan de voorkant van de gevel van het pand is verlichting aanwezig, waardoor de buitenruimtes ook 's avonds veilig zijn. Voorzieningen op locatie Links van de voorkant, apart van de hoofdentree, is er ruimte voor laden en lossen. Afvalcontainers worden

op de ophaaldag tijdelijk op aan de weg geplaatst. Aan de rechterzijde, apart van de hoofdentree, is de inrit

naar de kelder voor parkeren en de fietsenstalling. Directe omgeving

In de directe omgeving zijn voornamelijk kantoorruimten gevestigd. Daarnaast is er al een andere opvanglocatie in de Binckhorst, gelegen aan de Regulusweg, met een capaciteit van 600 opvangplaatsen. De opvang aan de Saturnusstraat vervangt op termijn de locatie aan de Regulusstraat, die wordt opgeheven.

Beheersmaatregelen door het COA Het COA neemt diverse maatregelen om het beheer en de veiligheid in en rond de opvanglocatie te waarborgen. Er wordt 24 uur per dag, zeven dagen per week beveiliging en toegangsbeheer verzorgd om de

veiligheid op de locatie te garanderen. Daarnaast zijn COA-medewerkers dagelijks aanwezig om toezicht te houden en ondersteuning te bieden aan de bewoners.

Om een ordelijke en veilige omgeving te waarborgen, worden huisregels opgesteld en strikt nageleefd. Eventuele spanningen tussen bewoners worden snel gesignaleerd en aangepakt. Het COA organiseert ook diverse dagbestedingsactiviteiten voor de bewoners, waaronder voorlichting aan statushouders over de Nederlandse samenleving, Nederlandse taallessen, en recreatieve activiteiten. Bewoners worden geïnformeerd over de gedragsregels in Nederland en indien nodig wordt er opgeschaald naar of assistentie gevraagd aan de politie.

Het COA neemt deel aan structureel overleg met omwonenden en veiligheidsoverleg met de gemeente, politie en andere betrokkenen om een goede samenwerking en communicatie te waarborgen. Voor

omwonenden is het COA 24 uur per dag bereikbaar. De aangeboden dagbesteding omvat onder andere voorlichting en educatie, zoals voorlichting aan

statushouders over de Nederlandse samenleving en Nederlandse taallessen. Daarnaast worden er

vrijwilligersactiviteiten georganiseerd, zoals fietslessen en kinderactiviteiten, en hebben bewoners de mogelijkheid om vrijwilligerswerk buiten de opvanglocatie te doen. Bewoners kunnen ook klusjes doen op

de locatie, waarvoor zij een kleine vergoeding ontvangen. Recreatieve activiteiten en fitnessfaciliteiten worden eveneens aangeboden op de locatie. Samenwerking met de gemeente en andere organisaties zorgt voor mogelijkheden rond arbeid en zwemlessen, indien mogelijk. Kinderen van de bewoners gaan naar

school in overeenstemming met de leerplicht, en er zijn contacten met lokale sportverenigingen om de integratie en participatie van bewoners te bevorderen.

37 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.01 3 | Definitief 04

Het COA werkt samen met de gemeente en politie om de leefbaarheid buiten de opvanglocatie te waarborgen. De gemeente is verantwoordelijk voor het monitoren van de effecten van de opvang op de

omgeving en, indien nodig, het treffen van aanvullende maatregelen in overleg met het COA en de politie. De politie draagt zorg voor de handhaving van de openbare orde onder gezag van de burgemeester en voor

opsporingsactiviteiten bij eventueel gepleegde strafbare feiten onder gezag van het Openbaar Ministerie. Conclusie

Op basis van het toetsingskader en de resultaten kan worden geconcludeerd dat de beoogde projectlocatie in de Binckhorst voldoet aan de vereisten voor een sociaal veilige leefomgeving. De locatie kan

gecontroleerd toegang verlenen, en bevindt zich in een gebied met diverse functies zoals bedrijven,

industrieën, horecagelegenheden en woonfuncties. Het COA neemt uitgebreide maatregelen voor veiligheid

en beheer, waaronder 24/7 beveiliging, dagelijkse aanwezigheid van medewerkers, strikte handhaving van huisregels en diverse dagbestedingsactiviteiten. Samenwerking met de gemeente en politie waarborgt de leefbaarheid buiten de opvanglocatie. Deze maatregelen zorgen ervoor dat zowel bewoners als omwonenden zich veilig en ondersteund voelen, wat bijdraagt aan een aantrekkelijke en aanpasbare fysieke

en sociale leefomgeving.

38 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.01 3 | Definitief 04

5 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID EN PARTICIPATIE In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid en het participatieproces.

5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid en participatieproces

Een project moet maatschappelijk uitvoerbaar zijn. Bij het indienen van een BOPA moet de initiatiefnemer aangeven of er participatie heeft plaatsgevonden, in welke vorm dit is gebeurd, en wat de resultaten hiervan

zijn. In december 2024 is een brief gestuurd naar bewoners en ondernemers om hen te informeren over de verlenging van de opvanglocatie aan de Regulusweg, die zal worden vervangen door de locatie aan de

Saturnusstraat. In deze brief werd vermeld dat het COA tijd nodig heeft om de verhuizing naar de Saturnusstraat te realiseren. Zodra een definitieve datum bekend is, zal dit worden gecommuniceerd. Ook

werd aangekondigd dat er voorafgaand aan de start van de verbouwing van Saturnusstraat 9 een inloopbijeenkomst wordt georganiseerd voor alle omwonenden en ondernemers in de buurt.

Op 4 maart 2025 zijn de bewoners opnieuw geïnformeerd over het proces en de ontwikkelingen rondom de

opvanglocatie aan de Saturnusstraat in Den Haag. In samenwerking met de gemeente wordt hiervoor een inloopbijeenkomst georganiseerd. Op 27 maart 2025 vindt een inloopbijeenkomst plaats waarvoor de direct

omwonenden zijn uitgenodigd om deel te nemen. Zij hebben een informatieve brief ontvangen met de

uitnodiging. De inloopbijeenkomst vindt plaats op donderdag 27 maart 2025 tussen 17.00 en 20.00 uur in de Caballero Fabriek. Het doel van deze omgevingsdialoog is dat het COA haar plannen en ideeën deelt met de

direct betrokkenen, die vervolgens de gelegenheid krijgen om opmerkingen en suggesties te geven. Indien deze opmerkingen en suggesties aanleiding geven tot aanpassingen in de plannen, zullen deze worden

doorgevoerd. De reacties en eventuele aanpassingen als gevolg van de omgevingsdialoog zullen in een verslag worden

verwerkt dat wordt meegestuurd met de aanvraag voor de omgevingsvergunning naar de gemeente. De

deelnemers aan de omgevingsdialoog zullen dit verslag eveneens ontvangen.

39 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.01 3 | Definitief 04

6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID & HANDHAVING

6.1

Financiering

Het COA is verantwoordelijk voor de financiering van de uitvoering gedurende de exploitatieduur. De

projectlocatie wordt gehuurd door het COA. Het COA voert een maatschappelijke taak uit in opdracht van het Rijk en wordt ook als zodanig gefinancierd voor het realiseren van de opvang.

6.2

Beheer en onderhoud

Het COA is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de bebouwing en het terrein tijdens het gebruik voor de tijdelijke opvang. Na het vertrek van het COA kan de locatie weer worden gebruikt in

overeenstemming met de geldende enkelbestemming uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Den Haag. Het tijdelijke gebruik van de locatie door het COA leidt niet tot onomkeerbare

gevolgen die het toekomstig gebruik volgens de geldende enkelbestemming in het tijdelijke deel van het omgevingsplan zouden verhinderen.

6.3

Handhaving

De omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bindend voor zowel de overheid

als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Den Haag vormt de basis voor de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht

is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen.

Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van handhaving vindt er afstemming plaats met de gemeente en de politie.

40 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.01 3 | Definitief 04

Bijlage(n)

BIJLAGE: STIKSTOFDEPOSITIE ONDERZOEK (REFERENTIE 141935/25-008.244 D.D. 23 MEI 2025)

Witteveen+Bos | 141935/25-009.013 | Bijlage I | Definitief 04

BIJLAGE: EXTERNE VEILIGHEID (AVIV REFERENTIE 256134, D.D. 24 MAART 2025)

Witteveen+Bos | 141935/25-009.013 | Bijlage II | Definitief 04

BIJLAGE: NOTITIE HANDREIKING ACTIVITEITEN EN MILIEUZONERINGEN 2024 (REFERENTIE 141935/24-018.536 D.D. 13 DECEMBER 2024)

Witteveen + Bos | 141935/25-009.01 3 | Bijlage III | Definitief 04

V BIJLAGE: QUICKSCAN FLORA EN FAUNA (REFERENTIE 2500004)

Witteveen + Bos | 141935/25-009.01 3 | Bijlage IV | Definitief 04

V BIJLAGE: AKOESTISCH ONDERZOEK (REFERENTIE 141935/25-000.985 D.D. 23 JANUARI 2025)

Witteveen+Bos | 141935/25-009.013 | Bijlage V | Definitief 04

www.witteveenbos.com

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15721504/1